Procedure : 2006/2002(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0248/2006

Ingediende teksten :

A6-0248/2006

Debatten :

PV 25/09/2006 - 19
CRE 25/09/2006 - 19

Stemmingen :

PV 26/09/2006 - 7.6
CRE 26/09/2006 - 7.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0368

VERSLAG     
PDF 217kDOC 177k
18 juli 2006
PE 371.911v02-00 A6-0248/2006

over de totstandbrenging van een Europees kwalificatiekader

(2006/2002(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Thomas Mann

Rapporteur voor advies (*):

Milan Gaľa, Commissie cultuur en onderwijs

(*) Nauwere samenwerking tussen de commissies – artikel 47 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 PROCEDURE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de totstandbrenging van een Europees kwalificatiekader

(2006/2002(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het werkdocument van de Commissie getiteld "Naar een Europees kwalificatiekader voor levenslang leren" (SEC(2005)0957),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een integraal actieprogramma op het gebied van levenslang leren (COM(2004)0474),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad inzake kerncompetenties voor levenslang leren (COM(2005)0548),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Modernisering van onderwijs en opleiding: een pijler voor welvaart en sociale samenhang in Europa - Ontwerp voor het gezamenlijke voortgangsverslag 2006 van de Raad en de Commissie over de implementatie van het werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010" (COM(2005)0549),

–   gezien Besluit 2241/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende een enkel communautair kader voor transparantie op het gebied van kwalificaties en competenties (Europass)(1),

–   gezien Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 over de erkenning van beroepskwalificaties(2),

–   gezien de gezamenlijke verklaring van de Europese ministers van Onderwijs, vastgesteld op hun bijeenkomst te Bologna op 19 juni 1999, waarin als doel wordt gesteld om tegen 2010 een Europese ruimte van hoger onderwijs tot stand te brengen ter bevordering van de inzetbaarheid en mobiliteit van de Europese burgers en het internationale concurrentievermogen van het Europese stelsel van hoger onderwijs,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000, waarin als strategische doelstelling wordt gesteld dat de Europese Unie de meest dynamische kenniseconomie ter wereld moet worden, en met name gezien de verwijzing naar "onderwijs en opleiding gericht op het leven en werken in de kennismaatschappij",

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een Europese ruimte voor levenslang leren realiseren" (COM(2001)0678),

–   onder verwijzing naar de resolutie van de Raad van 27 juni 2002 over levenslang leren(3),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002, en met name gezien de overeengekomen doelstelling om van de Europese onderwijs- en opleidingstelsels tegen 2010 een wereldwijd kwaliteitsreferentiepunt te maken alsmede de oproep om nadere maatregelen te nemen voor de invoering van instrumenten ter waarborging van de transparantie van diploma's en kwalificaties, mede door de bevordering van initiatieven naar het voorbeeld van het Bologna-proces op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding,

–   gezien de verklaring van de Europese ministers van beroepsonderwijs en -opleiding en de Europese Commissie, op 29 en 30 november 2002 te Kopenhagen bijeen, over een intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding (de "verklaring van Kopenhagen"), waarin wordt gestreefd naar intensivering van de vrijwillige samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding ter bevordering van wederzijds vertrouwen, transparantie en erkenning van competenties en kwalificaties, waarmee de basis kan worden gelegd voor de vergroting van de mobiliteit en de bevordering van de toegang tot levenslang leren,

–   onder verwijzing naar de resolutie van de Raad van 19 december 2002 over de bevordering van intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding(4),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Actieplan van de Commissie voor vaardigheden en mobiliteit" (COM(2002)0072),

–   gezien het gezamenlijk tussentijds verslag van de Raad en de Commissie van 26 februari 2004 over de tenuitvoerlegging van de strategie van Lissabon, getiteld "Onderwijs en opleiding 2010: de dringende noodzaak tot hervormingen voor het welslagen van de strategie van Lissabon", waarin wordt gepleit voor de ontwikkeling van een Europees kader, dat een wezenlijke bijdrage kan leveren aan de strategie van Lissabon door te fungeren als gemeenschappelijk referentiekader dat de transparantie, overdracht en erkenning van kwalificaties en competenties mogelijk maakt en bevordert,

–   gezien het communiqué van Maastricht van 14 december 2004 over de toekomstige prioriteiten voor de intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding, waarin de voor beroepsonderwijs en -opleiding verantwoordelijke ministers van 32 Europese landen, de Europese sociale partners en de Commissie zijn overeengekomen prioriteit te geven aan de ontwikkeling van een open en flexibel Europees kwalificatiekader, gebaseerd op transparantie en wederzijds vertrouwen, dat een gemeenschappelijk referentiepunt vormt voor de bevordering van de erkenning en overdraagbaarheid van kwalificaties van zowel beroepsonderwijs en -opleiding als het algemene (secundair en hoger) onderwijs,

–   gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in de Raad bijeen te Brussel op 27 and 28 mei 2004, inzake gemeenschappelijke Europese beginselen voor de identificatie en validatie van niet-formeel en informeel leren,

–   gezien het werkdocument van de Commissie getiteld "Progress towards the Lisbon objectives in education and training - 2005 report" (SEC(2005)0419),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 22 en 23 maart 2005, waarin wordt gewezen op het belang van de vaststelling van een Europees kwalificatiekader (EQF) in 2006,

–   gezien de op 27 en 28 februari 2006 te Boedapest gehouden conferentie "European Qualifications Framework: Consultation to Recommendation",

–   gezien de slotverklaring met betrekking tot de resultaten van de besprekingen op 17 maart 2006 van de op 16 en 17 maart 2006 te Wenen gehouden negende conferentie van Europese ministers van Onderwijs, getiteld "Versterking van het onderwijs in Europa", waarin de ministers opnieuw beklemtonen dat het EQF de potentie heeft om een grote bijdrage te leveren aan de transparantie, overdraagbaarheid en erkenning van kwalificaties op Europees niveau en om te fungeren als motor voor hervormingen die het levenslang leren in de Europese onderwijsruimte in bredere zin stimuleren,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 23 en 24 maart 2006, waarin wordt bevestigd dat onderwijs en opleiding essentiële factoren zijn voor de ontwikkeling van het Europese potentieel voor concurrentievermogen en sociale en territoriale cohesie op lange termijn, en dat er ook moet worden gewerkt aan de realisatie van een EQF om de mobiliteit en de efficiëntie van de arbeidsmarkt te vergroten,

–   gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap - Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit(5),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A6-0248/2006),

A. overwegende dat één leerklimaat en één Europese arbeidsmarkt essentiële factoren zijn om de doelstellingen te realiseren zoals vastgelegd in de Lissabon-strategie,

B.  overwegende dat het noodzakelijk is een Europees erkenningssyteem van kwalificaties en competenties in te stellen en daarbij tevens de grote diversiteit en specifieke sterke punten te behouden van de landen die samen Europa vormen,

C. overwegende dat de totstandbrenging van een EQF onder meer op basis van de bestaande kwalificatiestructuren van de processen van Bologna en Kopenhagen moet worden verwelkomd als een passend instrument voor de bevordering van de transparantie, overdraagbaarheid, erkenning en benutting van de behaalde kwalificaties en competenties tussen verschillende lidstaten en op verschillende niveaus, en tevens een middel ter bevordering van de toegankelijkheid van de mogelijkheden voor levenslang leren voor alle burgers,

D. overwegende dat met behulp van een gemeenschappelijk referentiekader (gebaseerd op competenties, niveaus en leerresultaten), het EQF, instrumenten ter vaststelling van kwalificatievereisten in het leven zouden kunnen worden geroepen,

E.  overwegende dat onder "kwalificatie" moet worden verstaan "het geheel van titels, kwalificaties, certificeringen en beroepservaring die in de Europese Unie worden erkend",

F.  overwegende dat de ontwikkeling van een EQF van cruciaal belang is in het licht van de nieuwe uitdagingen van de kennismaatschappij en de demografische veranderingen, doordat het met name de inzetbaarheid en de geografische mobiliteit van de beroepsbevolking in de EU, maar ook het concurrentievermogen en de sociale cohesie bevordert, in overeenstemming met de doelstellingen van Lissabon,

G. overwegende dat de intracommunautaire beroepsmobiliteit (mobiliteit van zowel werknemers als ondernemingen) die in de Europese Unie aan het ontstaan is, het noodzakelijk maakt dat een diploma dat in de ene lidstaat is behaald, in een andere lidstaat kan worden erkend en op het juiste niveau kan worden gebruikt,

H. overwegende dat een voortdurende uitbreiding van kennis, vaardigheden en persoonlijke en professionele competenties, maar ook het EQF, zullen bijdragen aan de modernisering van het onderwijs en het opleidingssysteem en daarmee aan de verhoging van de kansen op het vinden van een baan, betere vooruitzichten op mobiliteit binnen Europa en het ontstaan van een klimaat dat meer zekerheid op de arbeidsplaats biedt, waarin het EQF moet bijdragen aan meer transparantie bij de erkenning en gelijkstelling van behaalde of te behalen kwalificaties, waardoor impulsen worden gecreëerd voor verbeteringen in de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels welke ook positief kunnen uitwerken op de kansen op een baan van studenten en leerlingen,

I.   overwegende dat het ontbreken van geschikte mechanismen en netwerken, de tekortkomingen van het huidige juridische kader en de beperkingen die in de lidstaten dikwijls gelden voor de relevante begrotingsmiddelen, samen de belemmeringen vormen voor efficiënt levenslang leren, voor de aansluiting tussen academische opleiding en werkgelegenheid en voor een snellere verspreiding van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis bij werknemers, alsmede de efficiënte benutting van reeds verworven kennis en competenties,

J.   overwegende dat er sprake is van te weinig transparantie van kwalificaties en een lage erkenningsgraad van "buitenlandse" kwalificaties,

K. overwegende dat de gemeenschappelijke doelstelling van de 32 landen die aan het EQF deelnemen erin bestaat zowel studenten als docenten de voornaamste trajecten naar bepaalde kwalificaties te wijzen en overwegende dat het tevens belangrijk is hen te wijzen op de onderlinge samenhang van de referentieniveaus, de mogelijkheden voor overdracht en de grondslagen waarop beslissingen over de erkenning van kwalificaties worden genomen,

L.  overwegende dat het EQF in eerste instantie op vrijwillige basis moet worden toegepast en geen juridische verplichtingen met zich mee moet brengen, maar als motor voor veranderingen moet fungeren door hervormingen op de relevante niveaus te stimuleren en daarbij ook de transparantie en gelijkwaardigheid van de op nationaal en sectoraal niveau afgegeven diploma's moet stimuleren,

M. overwegende dat het EQF niet in de plaats komt van de nationale kaders voor beroepskwalificaties, maar daarop een aanvulling vormt en tevens overwegende dat het EQF een breder kader moet bieden voor het vergemakkelijken van de samenwerking tussen lidstaten, sociale partners en andere betrokkenen op internationaal niveau,

N. overwegende dat de toepassing van het EQF alleen kan slagen als op basis van vertrouwen wordt samengewerkt als aan de nationale kwalificaties een EQF-referentieniveau wordt toegekend en als er een goede beoordeling plaatsvindt van de bijzonderheden en behoeften van de diverse lidstaten; het EQF moet worden opgezet als instrument voor gebruikers en belanghebbenden en moet de gebruikers een beeld geven van verworven kwalificaties en kwalificaties waarnaar men op zoek is, terwijl daarbij de eigen onafhankelijke positie en leerautonomie onaangetast blijven,

1.  is er verheugd over dat de Commissie met een initiatief is gekomen ter modernisering, permanente verbetering en versterking van de Europese stelsels van onderwijs en opleiding en dat zij diverse parijen heeft geraadpleegd met het oog op de totstandbrenging van een gemeenschappelijk referentiekader voor de Europese certificeringsstelsels;

2.  constateert tevens tot zijn tevredenheid dat het EQF op leerresultaten is gestoeld, de complexiteit van levenslang leren weerspiegelt en nationale en sectorale hervormingen aanmoedigt;

3.  ziet het EQF als een nuttig instrument waarmee het vertrouwen tussen de verschillende systemen kan worden verbeterd en verstevigd en keurt zonder voorbehoud zijn doelstellingen goed: het op Europees niveau realiseren van transparantie van kwalificaties, beroepsmobiliteit en levenslang leren;

4.  stemt in met de organisatie van een systeem dat bestaat uit gemeenschappelijke niveaus, instrumenten en principes, dat flexibel is en tegelijkertijd wortelt in het beginsel van het levenslang leren, en nodigt de Commissie uit het verband tussen de kwalificatieniveaus, Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 over de erkenning van beroepskwalificaties en de formele en niet-formele bepalingen over leren, bestaand of in ontwikkeling, op nationaal en regionaal niveau duidelijker te maken;

5.  beklemtoont dat een van de voornaamste taken van het EQF een vereenvoudiging en bevordering van de overdracht van kwalificaties tussen de diverse onderwijs- en opleidingssystemen moet zijn om transnationale beroepsmobiliteit mogelijk te maken en beter in te spelen op de eisen van vraag en aanbod op de Europese arbeidsmarkt; beklemtoont voorts dat het EQF een geschikt overkoepelend kader vormt dat een passend middel kan zijn voor de vertaling van en de communicatie over de totstandbrenging van een gemeenschappelijk kwalificatiekader binnen Europa;

6.  stelt in dit verband vast dat het voorstel van de Commissie een juiste en ook een noodzakelijke aanpak vertegenwoordigt, hoewel het beloofde transparante kwalificatiekader voor een deel niet wordt waargemaakt; wenst dat de acht voorgestelde referentieniveaus van het Europese kwalificatiekader worden herzien en verbeterd en is van oordeel dat de bijbehorende omschrijvingen scherper en begrijpelijker moeten worden geformuleerd, zodat de verschillende referentieniveaus duidelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden ten behoeve van een ondubbelzinnige indeling van de kwalificaties;

7.  beklemtoont dat de bekwaamheden die in het kader van de omschrijvingen voor de acht referentieniveaus worden omschreven, niet slechts kennis over sociale en ethische onderwerpen maar ook over culturele onderwerpen moeten omvatten;

8.  is van oordeel dat de organisatie en validering van het levenslange leren behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten en niet eenvoudig in het EQF-kader zijn in te passen;

9.  pleit ervoor de drie horizontale gebieden ("kennis", "vaardigheden" en "persoonlijke en professionele competenties") eveneens met het oog op de duidelijkheid en begrijpelijkheid te herzien;

10. onderstreept voorts dat de verschillende typen leerresultaten samen één geheel van vorming opleveren dat meer is dan de som van de behaalde niveaus op de afzonderlijke gebieden;

11. staat kritisch tegenover het derde genoemde horizontale gebied van de "persoonlijke en professionele competenties" omdat een objectieve beoordeling of systematische indeling van de "soft skills" door middel van specifieke omschrijvingen zeer lastig is en omdat het begrip "persoonlijke competenties" in feite de meerwaarde ten opzichte van het niveau van de basisopleiding weergeeft; verzoekt de Commissie de tekst in dit licht te verbeteren;

12. wijst erop dat de rol van het EQF primair ligt in de classificatie van certificeringen die zijn opgezet aan de hand van beroepsopleidingsresultaten en pleit er derhalve voor eenvoudige en goed in de praktijk te hanteren omschrijvingen toe te passen en het aantal referentieniveaus terug te brengen, aangezien uit eerdere vergelijkingen is gebleken dat de diverse niveaus steeds lastiger met elkaar in overeenstemming te brengen zijn naarmate ze verder zijn onderverdeeld en de toe te passen criteria talrijker zijn;

13. is van oordeel dat het EQF op dit moment nog onvoldoende verband houdt met de arbeidsmarkt en dat, wil dit naast de zelfverwezenlijking van het individu ook de concurrentiekracht van de Europese economie bevorderen, in het licht van de doelstellingen van Lissabon sterker de nadruk moet komen te liggen op het vergroten van de mogelijkheden voor de burger om een baan te krijgen en te houden; onderstreept dat voor elk van de acht niveaus het accent moet worden gelegd op de competenties welke langs verschillende leertrajecten kunnen worden gerealiseerd en rekening houden met de professionele bekwaamheden en ervaring alsmede hun potentiële waarde in de zin van vooruitgang in het beroep; wenst derhalve een zodanige aanpassing van de omschrijvingen dat de aan de academische vorming gekoppelde criteria van Bologna daarin tot uitdrukking blijven komen en dat daarnaast sprake is van een aanvulling doordat de stelsels van beroepsonderwijs en -opleiding daarin een duidelijker plaats krijgen;

14. pleit er nadrukkelijk voor af te stappen van de huidige automatische classificatie van de referentieniveaus 6, 7 en 8 bij de drie academische graden van het kwalificatiekader van Bologna (bachelor, master en doctor) en ervoor te zorgen dat de door het individu verworven kennis, vaardigheden en persoonlijke en professionele competenties daadwerkelijk los van de plaats waar ze verworven zijn worden geclassificeerd;

15. pleit voor een verbetering van tabel 2, die bedoeld is als hulpmiddel voor het begrip van de referentieniveaus; is van oordeel dat deze tabel duidelijk minder gewicht moet hebben dan de resultaat-georiënteerde aanpak, omdat zij zich op formele opleidingstrajecten richt; is daarom verheugd over de aanbeveling dat van tabel 2 een behoedzaam gebruik moet worden gemaakt; is van oordeel dat het EQF een algemeen overkoepelend kader moet zijn en detailkwesties zoals de invulling van tabel 2 aan de actoren op plaatselijk of nationaal niveau moet overlaten;

16. wenst dat de gemeenschappelijke Europese beginselen voor de identificatie van het levenslang leren, vooral op het gebied van de uitbreiding van de technische en wetenschappelijke kennis en vaardigheden en rekening houdend met de bijzonderheden van de individuele sectoren, regio's en lidstaten, sterker worden gesteund en bevorderd; is van oordeel dat het beslist noodzakelijk is dat de methoden en systemen voor de beoordeling van langs niet-formele of informele weg verworven leerresultaten bijzondere aandacht krijgen, omdat de ontwikkeling van competenties in verband met het levenslang leren plaatsvindt in een diversiteit aan dagelijkse werksituaties;

17. beklemtoont dat de uitwerking van een Europees kwalificatiekader gepaard gaat met de invoering van gemeenschappelijke referentiepunten, waarmee het werknemers die zich bijscholen gemakkelijker wordt gemaakt hun professionele loopbaan vorm te geven binnen het kader van het levenslange leren;

18. pleit ervoor dat ieder land samen met de bevoegde instanties en instellingen een eigen nationale kwalificatiekader vaststelt en zijn verenigbaarheid daarvan met het EQF waarborgt; is van oordeel dat het nuttig is het Europese kwalificatiekader in te voeren in landen waar nog geen nationaal kwalificatiekader bestaat of waar informele en niet-formele kwalificaties worden veronachtzaamd;

19. nodigt de Commissie uit een harmoniseringproces van de conceptuele benaderingen en talen te starten;

20. verzoekt de Commissie de verbanden tussen het kwalificatiekader zoals voorzien in het kader van het "Bologna-proces", en het EQF te verduidelijken, en aan te geven of de indicatoren die in het EQF worden voorgesteld het enige referentiepunt voor een gemeenschappelijke Europese ruimte voor levenslang leren zullen vormen;

21. spreekt zich uit tegen verplichte criteria voor het verloop, de inhoud, de duur en de plaats van opleidingen en cursussen;

22. is van oordeel dat er meer werk moet worden gemaakt van instrumenten ter ondersteuning van het EQF om de burgers gemakkelijk toegang te geven tot dat kader; is van oordeel dat in dit verband de resultaten van Kopenhagen en Bologna, waarvoor het EQF een logisch gestructureerd startpunt wil zijn, op de voorgrond moeten staan; is voorts van oordeel dat ook speciale aandacht moet worden gegeven aan het werk dat in verband met opleiding en erkenning van kwalificaties en vaardigheden is verricht door de internationale organisaties en Europese centra, zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding; roept de Commissie op vaart te zetten achter de uitwerking van het ECVET-systeem (European Credit for Vocational Education and Training), de Europass verder te ontwikkelen en te bevorderen, de gegevensbank "Ploteus" uit te bouwen en vernieuwende initiatieven met het oog op erkenning van het informele en niet-formele leren te ondersteunen;

23. verzoekt de Commissie en de lidstaten de functies en de structuur van het NEC (National Europass Center) te versterken, en de afwikkeling door dit centrum van wezenlijke taken en de realisatie van doelstellingen die zijn vastgesteld door de Europese Unie te vergemakkelijken, met speciale inachtneming van een bredere verspreiding van de instrumenten die direct onder het beheer van het NEC vallen (Europees curriculum vitae, Mobility Europass) en de geleidelijke invoering van Europass;

24. onderstreept dat bij de tenuitvoerlegging van het EQF op vrijwillige basis de steun en betrokkenheid van alle nationale en sectorale betrokkenen nodig is;

25. erkent dat het EQF als vertaalinstrument voor de verschillende kwalificatiesystemen consistentie en wederzijds vertrouwen vergt; raadt aan beginselen voor transparante en betrouwbare kwaliteitsborgingsmechanismen uit te werken om zo een vergelijkingsmogelijkheid te creëren en bijgevolg de mogelijkheid tot wederzijdse erkenning van de kwalificaties van EU-burgers;

26. onderstreept dat het EQF een optimale bijdrage kan leveren aan de mobiliteit op de Europese arbeidsmarkt wanneer de besluiten van lidstaten om individuele nationale kwalificaties in te delen bij bepaalde niveaus van het Europese kwalificatiekader ook door de overige lidstaten worden geaccepteerd; is van oordeel dat de in het kader van de kwaliteitswaarborging door de Commissie voorgestelde verplichting voor de lidstaten om een aantal gemeenschappelijke beginselen in acht te nemen een belangrijk element is van succesvolle samenwerking tussen de actoren op de diverse niveaus; wijst er echter op dat dit alleen geldt wanneer er geen sprake is van overlapping met bestaande kwaliteitswaarborgingsstelsels, zoals de voorschriften en richtlijnen voor kwaliteitswaarborging;

27. is van oordeel dat wederzijds vertrouwen zowel een gevolg moet zijn van meer samenwerking tussen de lidstaten in het kader van het EQF, als een voorwaarde voor het efficiënt functioneren van dit kader zelf; is van oordeel dat een geschikte proeffase, effectbeoordeling en ondersteunende evaluatie onontbeerlijk zijn voor een voortdurende verbetering en aanpassing van het EQF en verzoekt de Commissie passende methoden en strategieën hiervoor uit te werken en voor te stellen;

28. dringt erop aan het EQF nader uit te werken om tegemoet te komen aan de behoefte aan verduidelijking die de direct betrokkenen tijdens het overlegproces hebben laten blijken;

29. verzoekt de Commissie haar voorstel aan de hand van het commentaar van het Parlement te herzien;

30. wijst op het belang van een brede, goed gestructureerde communicatie- en voorlichtingsstrategie om de voordelen van het EQF voor het voetlicht te brengen en belangstelling voor de voordelen van het EQG te wekken;

31. is van oordeel dat het EQF alleen kan slagen als het concreet nut heeft voor de eindgebruikers, dus zowel voor burgers, werknemers en werkgevers als voor opleidingsinstellingen;

32. verzoekt de Commissie het Europees Parlement op de hoogte te houden van de resultaten van de nationale raadplegingen en verder overleg te plegen alvorens haar definitieve voorstel uit te werken;

33. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 390 van 31.12.2004, blz. 6.

(2)

PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.

(3)

PB C 163 van 9.7.2002, blz. 1.

(4)

PB C 13 van 18.1.2003, blz. 2.

(5)

Nog niet in het PB gepubliceerd.


TOELICHTING

De onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa moeten zich aanpassen aan de mondialisering om de burgers de beschikking te geven over de vaardigheden voor zowel hun zelfverwezenlijking als hun deel aan het internationale concurrentievermogen van de EU. Gekwalificeerde opleidings- en scholingsstelsels vormen een antwoord op de toenemende problemen die worden veroorzaakt door de demografische ontwikkelingen. In het kader van de herziene strategie van Lissabon hebben de Europese ministers van Onderwijs in 2005 onderstreept dat het noodzakelijk is het Europese opleidings- en scholingsstelsel te moderniseren om beter te kunnen inspelen op de vraag op de internationale arbeidsmarkten.

Grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit moet worden bevorderd en de onderlinge doorlaatbaarheid van de diverse nationale onderwijsstelsels moet worden verbeterd. De EU-lidstaten hebben zich in 1999 in Bologna ten doel gesteld uiterlijk in 2010 een gemeenschappelijke Europese ruimte van hoger onderwijs te creëren. Met het oog hierop is het European Credit Transfer System (ECTS) ingevoerd, dat internationale erkenning van studieresultaten mogelijk maakt. De top van Barcelona legde in maart 2002 de fundering voor een gelijksoortig systeem voor de beroepsvorming (ECVET, European Credit System for Vocational Education and Training). In 2002 besloten de EU-lidstaten op de conferentie van Kopenhagen tot een verdere versterking van de Europese samenwerking op het terrein van de beroepsvorming.

In het gezamenlijke tussentijds verslag van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het werkprogramma "Algemeen onderwijs en beroepsonderwijs 2010" van februari 2004 werd de invoering van een Europees kwalificatiekader gesteund; deze steun werd in december 2004 in Maastricht door de ministers van Onderwijs van 32 landen bekrachtigd. Verder beklemtoonde de Europese Raad in maart 2005 dat een Europees kwalificatiekader uiterlijk in 2006 zou moeten worden vastgesteld. De Commissie publiceerde vervolgens haar voorstel "Naar een Europees kwalificatiekader voor levenslang leren".

Het Europese kwalificatiekader moet fungeren als een overkoepelend kader dat drie functies vervult:

ten eerste moet het de koppeling leggen tussen de nationale en sectorale kwalificatiekaders, ten tweede moet het de erkenning, compatibiliteit en overdraagbaarheid van kwalificaties van beroepsonderwijs en algemeen onderwijs zekerstellen en ten derde moet het de transparantie, doorlaatbaarheid en mobiliteit bevorderen.

Het Europese kwalificatiekader kent acht verticale niveaus (referentieniveaus), gekoppeld aan drie horizontale gebieden (kennis, vaardigheden, persoonlijke en professionele competenties), waarmee de leerresultaten van personen beter kunnen worden geclassificeerd.

Levenslang leren vervult een doorslaggevende rol bij de handhaving van het concurrentievermogen en de sociale cohesie van de EU.

De verwezenlijking hiervan wordt echter bemoeilijkt door een tekortschietende communicatie en samenwerking tussen de aanbieders van opleiding en scholing evenals de autoriteiten op de diverse niveaus. De bestaande barrières tussen instellingen en landen bemoeilijken de toegang tot opleiding en scholing evenals een efficiënter gebruik van de reeds verkregen kennis en competenties. Deze problemen worden met name veroorzaakt door een gebrek aan transparantie van de kwalificaties, maar ook door een geringe erkenningsgraad van "buitenlandse" kwalificaties en het ontbreken van regelingen op grond waarvan de burgers hun kwalificaties kunnen overbrengen tussen nationale en sectorale kwalificatiesystemen. Met behulp van het Europese kwalificatiekader kunnen deze belemmeringen worden weggenomen en kunnen zowel werknemers als werkgevers in staat worden gesteld hun competenties beter te benutten. De mobiliteit tussen de lidstaten en de diverse onderwijsstelsels moet worden vergemakkelijkt.

Vele landen en sectoren in Europa en de rest van de wereld voeren momenteel diverse kwalificatiekaders in (OESO 2003, 2004) met uiteenlopende opzetten, afhankelijk van de nationale of sectorale situatie. Het Europese kwalificatiekader moet door de lidstaten principieel op vrijwillige basis worden toegepast. De rapporteur roept de lidstaten op nationale kwalificatiekaders vast te stellen en de relatie hiervan tot het Europese kwalificatiekader te bepalen. Vele lidstaten hebben geen nationaal kwalificatiekader ingevoerd en zijn evenmin voornemens dit in de toekomst te doen. De nationale kwalificatiekaders zijn steeds vrijwillig van aard; het Europese kwalificatiekader beoogt niet deze te wijzigen of te vervangen. Aangezien enkele van de bestaande nationale kwalificatiekaders een input-georiënteerde benadering hebben gekozen, zodat informele en niet-formele kwalificaties niet aan bod komen, moet de resolutie van de Raad van mei 1994 over de erkenning van het niet-formele en informele leren sterker worden gesteund door de lidstaten. Het is essentieel dat de methoden en systemen voor de beoordeling van het niet-formele en informele leren bijzondere aandacht krijgen, omdat de ontwikkeling van competenties na de basisopleiding voornamelijk in de dagelijkse werksituatie plaatsvindt.

Onder het informele leren wordt verstaan het leren dat in het dagelijkse leven, op de werkplek, in de familiekring of in de vrije tijd plaatsvindt. Dit leren is ongestructureerd ten aanzien van de leerdoelen, de bestede tijd of de financiering en mondt normaal gesproken niet uit in certificering; het kan echter wel doelgericht zijn. Met niet-formeel leren wordt bedoeld het leren dat niet in een instelling voor onderwijs of beroepsvorming plaatsvindt en normaal gesproken niet tot certificering leidt, maar dat niettemin systematisch en vanuit het gezichtspunt van de leerling doelgericht is.

De rapporteur heeft hierop de volgende kritiek:

· Er ontbreekt een duidelijk verband met de arbeidsmarkt. Aangezien de versterking van het concurrentievermogen van de Europese economie een van de doelstellingen van het Europese kwalificatiekader is, moet mede gezien de doelstellingen van Lissabon sterker de nadruk op de beroepsvaardigheden van het individu worden gelegd;

· De gestelde outcome-georiënteerde benadering, dat wil zeggen een kader dat op de leerresultaten is georiënteerd, wordt alleen dan verwezenlijkt wanneer de kwalificaties worden geclassificeerd op grond van hun relevantie voor de inzetbaarheid. Op dit punt moet het voorstel voor een Europees kwalificatiekader naast de formele diploma's en de informele en niet-formele kwalificaties vooral ook rekening houden met de beroepservaring en de daaraan gekoppelde vergroting van de competenties;

· Het voorstel van de Commissie is in zoverre eenzijdig dat het voornamelijk de academische vorming betreft en de beroepsmatige vorming veronachtzaamt. De omschrijvingen (beschrijvingen) van de referentieniveaus 6, 7 en 8 zijn sterk op de criteria van Bologna georiënteerd en derhalve automatisch aan de academische vorming gekoppeld. Het Europese kwalificatiekader moet impulsen geven die uitgaan van de gelijkwaardigheid van academische en beroepsmatige opleidingstrajecten;

· Er wordt niet overal rekening gehouden met de resultaten van Bologna en Kopenhagen. Het Europese kwalificatiekader moet een samenhangende benadering vormen voor een goed afgestemd systeem;

· De belofte van een helder en begrijpelijk kwalificatiekader wordt voor een deel niet gerealiseerd. Gezien het belang van de acht verticale niveaus van het Europese kwalificatiekader moeten de omschrijvingen daarvan scherper worden geformuleerd;

· Er is een kunstmatige scheiding aangebracht tussen de drie horizontale gebieden "kennis", "vaardigheden" en "persoonlijke en professionele competenties". "Kennis" en "vaardigheden" vallen onder de "professionele en professionele competenties", omdat alle drie de gebieden competenties betreffen.

Voor het welslagen van het Europese kwalificatiekader is het essentieel dat de lidstaten en de sociale partners bij de verwezenlijking van het Europese kwalificatiekader op basis van vertrouwen samenwerken en dat een concreet nut wordt gerealiseerd voor de eindgebruikers, dus voor zowel burgers, werknemers en werkgevers als onderwijsaanbieders.


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (29.5.2006)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake de instelling van een Europees kwalificatiekader
(2006/2002(INI))

Rapporteur voor advies (*): Milan Gaľa

           (*)       Nauwere samenwerking tussen commissies – artikel 47 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verwelkomt de instelling van het Europees kwalificatiekader (EQF), ter vereenvoudiging van de omzetting en erkenning van verworven bekwaamheden en het bevorderen van levenslang leren, transparantie, mobiliteit en flexibiliteit in de onderwijs- en opleidingssystemen;

2.   ziet in dat het EQF veel potentieel heeft als metakader, vertaalinstrument en referentiemiddel voor nationale en sectorale kwalificatiesystemen;

3.   verwelkomt het feit dat het EQF op leerresultaten is gestoeld, de complexiteit van levenslang leren weerspiegelt en nationale en sectorale hervormingen aanmoedigt;

4.   onderstreept dat bij de tenuitvoerlegging van het EQF op vrijwillige basis de steun en betrokkenheid van alle nationale en sectorale hoofdrolspelers nodig is;

5.   dringt erop aan het EQF nader uit te werken om tegemoet te komen aan de behoefte aan verduidelijking die de hoofdrolspelers tijdens het overlegproces hebben laten blijken;

6.   raadt aan de acht referentieniveaus te verbeteren, zodat ze transparanter en gebruikersvriendelijker worden en optimaal worden benut;

7.   beklemtoont dat de bekwaamheden die in het kader van de omschrijvingen voor de acht referentieniveaus worden omschreven, niet slechts kennis over sociale en ethische onderwerpen maar ook over culturele onderwerpen moeten omvatten;

8.   spreekt de wens uit dat binnen het geheel van levenslang leren ook validatiesystemen voor niet-formele en informele opleidingen worden opgenomen;

9.   benadrukt dat het EQF moet voortborduren op het werk dat al in het kader van de processen van Bologna en Kopenhagen is uitgevoerd en dat er koppelingen tot stand moeten worden gebracht tussen het EQF en bestaande, op Europees niveau ontwikkelde instrumenten ter ondersteuning van individuele burgers, zoals Europass, Ploteus en het systeem voor de overdracht van studiepunten;

10. wijst op het belang van een brede, gestructureerde communicatie- en voorlichtingsstrategie om de voordelen van het EQF voor het voetlicht te brengen en belangstelling daarvoor op te wekken;

11. merkt op dat de optimale benadering zou bestaan uit het opzetten van nationale kwalificatiekaders, waarna deze aan het EQF kunnen worden gekoppeld teneinde nationale kwalificaties gemakkelijker te kunnen indelen bij Europese referentieniveaus;

12.   erkent dat het EQF als vertaalinstrument voor de verschillende kwalificatiesystemen consistentie en wederzijds vertrouwen vergt;

13. raadt aan beginselen voor transparante en betrouwbare kwaliteitswaarborgingsmechanismen uit te werken, om zo een vergelijkingsmogelijkheid te creëren en bijgevolg de wederzijdse erkenning van kwalificaties van EU-burgers.

BEKNOPTE MOTIVERING

De plannen voor een Europees kwalificatiekader (EQF) zijn ingegeven door de wens om een metakader te scheppen waarmee het mogelijk zal zijn alle nationale en sectorale kwalificatiesystemen aan elkaar te koppelen. Deze referentiestructuur maakt het gemakkelijker kwalificaties van individuele burgers om te zetten en te erkennen.

Het werkdocument van de Commissie is in juli 2005 aan het publiek gepresenteerd. De Commissie heeft overleg gepleegd met de 32 deelnemende landen van het werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010", met de Europese sociale partners, met de relevante Europese verenigingen, NGO's en netwerken en met Europese brancheorganisaties (uit de ICT, de bouw, marketing, enz.). De rapporteur voor advies stelt het op prijs dat er met hun inbreng en het EP-verslag rekening zal worden gehouden bij het bepalen van de definitieve inhoud en structuur van het EQF, voordat eind 2006 het formele/definitieve voorstel volgt.

De tenuitvoerlegging van het EQF is een belangrijke stap voorwaarts bij het streven naar echte, aantrekkelijke mogelijkheden voor levenslang leren op alle niveaus. Een EQF zou op vrijwillige basis worden ontwikkeld en uitgevoerd, zonder wettelijke verplichtingen. In dit opzicht benadrukt de rapporteur voor advies dat het welslagen van een operationeel Europees kwalificatiesysteem staat of valt met de actieve steun en betrokkenheid van de nationale en sectorale hoofdrolspelers.

Het EQF moet dienst doen als vertaalinstrument dat de transparantie zal verhogen en wederzijds vertrouwen moet kweken. Op die manier zouden de nationale en sectorale kwalificatiekaders en -systemen aan elkaar worden gekoppeld. In de meeste landen zou dit proces in de ontwikkeling van een overkoepelend nationaal kwalificatiekader resulteren.

Een EQF moet uit drie hoofdelementen bestaan. De kern wordt gevormd door een reeks gemeenschappelijke referenties. Deze verwijzen naar de leerresultaten en zijn verdeeld over acht niveaus. Deze referenties moeten worden ondersteund door een reeks hulpmiddelen en instrumenten die op de behoeften van individuele burgers zijn afgestemd (een geïntegreerd Europees systeem voor de overdracht en accumulatie van studiepunten in het kader van levenslang leren, het Europass-instrument, het Ploteus-portaal met leermogelijkheden). Een EQF moet uitgaan van een reeks gemeenschappelijke beginselen en procedures, die als leidraad kunnen dienen voor de samenwerking (op diverse niveaus) tussen de hoofdrolspelers. Daarbij moet vooral op kwaliteitsborging, validatie, begeleiding en kerncompetenties worden gelet. In deze context zal rekening worden gehouden met de ervaringen en verworvenheden van de processen van Bologna en Kopenhagen. Verder moeten koppelingen tot stand worden gebracht tussen het EQF en bestaande/op stapel staande hulpmiddelen en instrumenten die op Europees niveau zijn ontwikkeld.

In het EQF worden kwalificaties op elk niveau in drie soorten leerresultaten onderverdeeld: kennis, vaardigheden en bredere competenties die "persoonlijke en professionele competenties" worden genoemd.

De rapporteur voor advies spreekt onder meer de wens uit dat binnen het geheel van levenslang leren validatiemethoden en -systemen voor niet-formele en informele opleidingen worden opgenomen. Hij benadrukt tevens het belang van een breed opgezette, gestructureerde communicatie- en voorlichtingsstrategie om het EQF onder de aandacht van de maatschappij in het algemeen en van lerenden in het bijzonder te brengen. Zo kan ook worden gewezen op de concrete voordelen van het EQF voor individuele burgers, de arbeidsmarkt en voor onderwijs- en opleidingssystemen.

Hij ziet in dat het noodzakelijk is overeenstemming over kwaliteitsborgingsbeginselen te bereiken. De lidstaten moeten deze vervolgens onverkort en op transparante wijze in de praktijk brengen. Bovendien meent hij dat het nodig is het EQF voortdurend te actualiseren en te testen, zodat een kader voor samenwerking en peer-learning ontstaat.

Het EQF is ontegenzeggelijk een constructief initiatief, dat in grote mate kan bijdragen aan de transparantie, omzetbaarheid en erkenning van kwalificaties op Europees niveau. Tevens kan het EQF de hervorming van nationale en sectorale hervormingen met het oog op levenslang leren in de hand werken en kan het van groot belang zijn voor de mobiliteit van studenten en arbeidskrachten.

PROCEDURE

Titel

De instelling van een Europees kwalificatiekader

Procedurenummer

2006/2002(INI)

Commissie ten principale

EMPL

Advies uitgebracht door

Datum bekendmaking

CULT
19.1.2006

Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

19.1.2006

Rapporteur voor advies
  Datum benoeming

Milan Gaľa
7.2.2006

Vervangen rapporteur voor advies

 

Behandeling in de commissie

20.3.2006

 

 

 

 

Datum goedkeuring

29.5.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

23

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Badia I Cutchet, Christopher Beazley, Ivo Belet, Marie-Hélène Descamps, Milan Gaľa, Vasco Graça Moura, Lissy Gröner, Luis Herrero-Tejedor, Ruth Hieronymi, Manolis Mavrommatis, Marianne Mikko, Ljudmila Novak, Christa Prets, Karin Resetarits, Pál Schmitt, Nikolaos Sifunakis, Helga Trüpel, Thomas Wise, Tomáš Zatloukal

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Gyula Hegyi, Nina Škottová, Grażyna Staniszewska, Jaroslav Zvěřina

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Catherine Trautmann

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (22.6.2006)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake het opzetten van een Europees kwalificatiekader
(2006/2002(INI))

Rapporteur voor advies: Stefano Zappalà

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat één uniek leerklimaat en één unieke Europese arbeidsmarkt essentiële factoren zijn om de doelstellingen te realiseren zoals vastgelegd in de Lissabon-strategie,

B.  overwegende de noodzaak van het opzetten van een Europees erkenningssyteem van kwalificaties en competenties waarbij de territoriale rijkdommen en het specifieke karakter worden gerespecteerd,

C. overwegende dat een gemeenschappelijk referentiekader (gebaseerd op competenties, niveaus, leerresultaten), het European Qualification Framework (EQF), het mogelijk maakt het aannemen van instrumenten waarmee de behoeften en competenties kunnen worden geïdentificeerd, te steunen,

D. overwegende dat het EQF het raakpunt vormt tussen het "proces van Brugge en Kopenhagen" en het "proces van Bologna", en dat op deze basis de voorgestelde indicatoren de moeilijkheid van het levenslang leren beschrijven, inclusief de Dublin-descriptoren,

E.  overwegende dat onder "kwalificatie" moet worden verstaan "het geheel van titels, kwalificaties, certificeringen en beroepservaring die in de Europese Unie worden uitgegeven",

1.  verklaart dat het EQF een nuttig instrument vormt dat het mogelijk maakt om het vertrouwen tussen de verschillende systemen te verbeteren en te verstevigen en keurt zonder voorbehoud de doelstellingen goed: het op Europees niveau realiseren van transparantie van kwalificaties, mobiliteit van professionals en levenslang leren;

2.  keurt de organisatie van het systeem goed, dat bestaat uit gemeenschappelijke niveaus, instrumenten en principes, dat flexibel is en tegelijkertijd organisch gelieerd aan de principes van het levenslang leren, en nodigt de Commissie uit het verband tussen de kwalificatieniveaus, Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 over de erkenning van beroepskwalificaties en de formele en niet-formele beschikkingen over leren, bestaand of in ontwikkeling op nationaal en regionaal niveau duidelijker te maken;

3.  stelt vast dat het EQF enige belangrijke fouten bevat die moeten worden gecorrigeerd:

     -    de ontvangers zijn niet duidelijk gedefinieerd

     -    de structuur en de taal zijn te moeilijk en maken het, om die reden, onmogelijk voor een deel van de Europese burgers om deze teksten te begrijpen

     -    het concept "kwalificatie" is ambigu en kan, op terminologisch niveau, makkelijk worden verward met het even gevoelige concept "professionele certificering". De tabel met daarin de niveaubeschrijving verwart opleidings- en werkmodellen

     -    de opsomming van de indicatoren (en dus de resultaten van de opleiding) in de rangschikking van de elementen (kennis, capaciteiten, competenties) kan leiden tot een "gescheiden" verwerving van kennis, terwijl de opleiding juist moet zijn gericht op de integratie van kennis zelf (het "weten hoe je moet handelen in een context");

4. is van oordeel dat de vaststelling en de inhoud van de voorgestelde niveaus onvoldoende duidelijk zijn om de doelstellingen van het Europees kwalificatiekader te verwezenlijken;

5.  is van mening dat, om het EQF optimaal te laten functioneren, het nodig is in elke lidstaat nationale kwalificerings- en certificeringssystemen die samenhangend en begrijpelijk zijn, en die gericht zijn op de principes van het levenslang leren, vast te stellen;

6.  nodigt de Commissie uit een harmoniseringproces van de conceptuele toepassingen en talen te starten;

7.  nodigt de Commissie uit een begin te maken met harmonisatie van de methodologieën en het stroomlijnen van de onderwijsstelsels, ter verbetering van het vrije verkeer van personen;

8.  verzoekt daarom de Commissie de bestaande verbanden tussen het Framework of Qualifications, zoals voorzien in het kader van het "Bologna-proces", en het EQF te verduidelijken, en aan te geven of de indicatoren die in het EQF worden voorgesteld het enige referentiepunt vormen voor een gemeenschappelijke Europese ruimte voor levenslang leren;

9.  acht het van belang snel gemeenschappelijke beginselen te definiëren over de financiering en de erkenning van de verworven competenties, in niet-formele en informele leercontexten, overeenkomstig de ontwikkeling van het leerbeleid gedurende het gehele leven;

10. spreekt zich uit tegen verplichte criteria voor het verloop, de inhoud, de duur en de plaats van opleidingen en cursussen;

11. is van mening dat, om de kwalificaties concreter en mobieler te maken, de Commissie een verband moet instellen tussen het EQF-systeem en de Europass-bepalingen;

12. verzoekt de Commissie en de lidstaten de functies en de structuur van het NEC (National Europass Center) te versterken, door de afwikkeling van wezenlijke taken en de realisatie van doelstellingen die zijn vastgesteld door de Europese Unie te vergemakkelijken, met een expliciete verwijzing naar de verspreiding van de instrumenten die direct onder het beheer van het NEC vallen (Europees curriculum vitae en Europass-mobiliteit) en aan de geleidelijke invoering van Europass;

13. nodigt de Commissie uit haar voorstel te herzien aan de hand van het commentaar van het Parlement.PROCEDURE

Titel

Het opzetten van een Europees kwalificatiekader

Procedurenummer

2006/2002(INI)

Commissie ten principale

EMPL

Advies uitgebracht door

Datum bekendmaking

IMCO
19.1.2006

Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

 

Rapporteur voor advies
  Datum benoeming

Stefano Zappalà
21.2.2006

Vervangen rapporteur voor advies

 

Behandeling in de commissie

19.4.2006

29.5.2006

20.5.2006

 

 

Datum goedkeuring

20.6.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

21
0
0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Charlotte Cederschiöld, Janelly Fourtou, Evelyne Gebhardt, Małgorzata Handzlik, Henrik Dam Kristensen, Kurt Lechner, Lasse Lehtinen, Arlene McCarthy, Toine Manders, Zita Pleštinská, Giovanni Rivera, Luisa Fernanda Rudi Ubeda, Heide Rühle, Andreas Schwab, József Szájer, Bernadette Vergnaud, Jaroslav Zvěřina

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

André Brie, Benoît Hamon, Joseph Muscat, Stefano Zappalà

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)


PROCEDURE

Titel

De totstandbrenging van een Europees kwalificatiekader

Procedurenummer

2006/2002(INI)

Commissie ten principale

        Datum bekendmaking toestemming

EMPL
19.1.2006

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

CULT
19.1.2006

IMCO
19.1.2006

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

 

 

 

 

 

Nauwere samenwerking

        Datum bekendmaking

CULT
19.1.2006

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Thomas Mann
27.10.2005

 

Vervangen rapporteur(s)

 

 

Behandeling in de commissie

3.5.2006

22.6.2006

 

 

 

Datum goedkeuring

11.7.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

43

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Andersson, Iles Braghetto, Philip Bushill-Matthews, Milan Cabrnoch, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Luigi Cocilovo, Jean Louis Cottigny, Harald Ettl, Ilda Figueiredo, Joel Hasse Ferreira, Roger Helmer, Stephen Hughes, Karin Jöns, Ona Juknevičienė, Jan Jerzy Kułakowski, Sepp Kusstatscher, Jean Lambert, Raymond Langendries, Bernard Lehideux, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Mario Mantovani, Ana Mato Adrover, Ria Oomen-Ruijten, Csaba Őry, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Pier Antonio Panzeri, Jacek Protasiewicz, José Albino Silva Peneda, Jean Spautz, Anne Van Lancker, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Edit Bauer, Mihael Brejc, Udo Bullmann, Françoise Castex, Magda Kósáné Kovács, Lasse Lehtinen, Marianne Mikko, Luca Romagnoli, Agnes Schierhuber, Elisabeth Schroedter, Marc Tarabella, Patrizia Toia, Georgios Toussas

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Datum indiening

18.7.2006

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

 

 

Laatst bijgewerkt op: 8 september 2006Juridische mededeling