– gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Werk maken van duurzaam hulpbronnengebruik: een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling"(COM(2005)0666),
– gelet op de artikelen 2 en 6 van het EG-Verdrag, volgens welke de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de diverse sectoren van het communautaire beleid met het oog op het bevorderen van een uit milieuoogpunt gezien duurzame ontwikkeling van de economische activiteit,
– gelet op artikel 175 van het EG-Verdrag,
– gelet op Besluit 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma(1) (6e MAP), inzonderheid artikel 8 daarvan,
– gezien de mededeling van de Commissie "Naar een thematische strategie voor het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen" (COM(2005)0670),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 april 2004 over de mededeling van de Commissie "Naar een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling"(2),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 november 2003 over het voortgangsverslag inzake richtlijn van de Raad 75/442/EEG (kaderrichtlijn afval)(3),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 november 1996 over de mededeling van de Commissie over de actualisering van de communautaire strategie voor het afvalbeheer, de ontwerpresolutie van de Raad betreffende het afvalstoffenbeleid(4) en de resolutie van de Raad van 24 februari 1997 betreffende een communautaire strategie voor het afvalbeheer(5),
– gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, inzonderheid de zaken C-203/96, C-365/97, C-209/98, C-418/99, C-419/99, C-9/00, C-228/00, C-458/00, C-416/02 en C-121/03,
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0438/2006),
1. Inleiding
A. overwegende dat artikel 8 van het 6e MAP duidelijke doelen en beginselen heeft vastgesteld voor het afvalbeleid van de EU,
B. overwegende dat artikel 8, lid 2, punt (iv) van het 6e MAP voorziet in de uitwerking of herziening van de richtlijnen betreffende bouw- en sloopafval, zuiveringsslib en biologisch afbreekbaar afval,
2. De huidige situatie
C. overwegende dat ondanks sommige goede resultaten die het afvalbeleid van de EU heeft behaald gedurende de laatste 30 jaar, de volgende problemen blijven bestaan:
1. De hoeveelheid gevaarlijk zowel als niet-gevaarlijk afval blijft toenemen;
2. Het voor afvalpreventie en -recycling beschikbare potentieel wordt niet volledig benut;
3. Illegale (grensoverschrijdende) afvaltransporten nemen nog steeds toe;
4. Het afvalbeheer leidt tot emissies in de lucht, water en bodem;
5. Voor bepaalde belangrijke afvalstromen is geen wetgeving voorhanden;
6. De afvalwetgeving wordt in vele gevallen onvoldoende ten uitvoer gelegd;
7. De lidstaten hebben verschillende opvattingen over het oplossen van afvalproblemen;
8. De huidige formulering van de EU-afvalwetgeving geeft aanleiding tot een aantal interpretatieproblemen,
D. overwegende dat economieën functioneren als ecosystemen: beide nemen energie en materialen op en zetten deze om in producten en processen, maar het verschil schuilt in het feit dat in onze economieën de stromen hulpbronnen lineair zijn, terwijl deze processen in de natuur cyclisch verlopen; overwegende dat ecosystemen taken uitvoeren waarbij afval wordt omgezet in energie door energie uit zonlicht op te wekken, terwijl industriële processen dit niet kunnen; overwegende dat tegen de achtergrond van snel groeiende economieën en bevolkingen, productie en producten die afvalstromen veroorzaken die de natuur niet kan absorberen en niet in nieuwe hulpbronnen kan omzetten, uit het oogpunt van duurzaamheid zeer problematisch zijn,
E. overwegende dat er dringend behoefte is aan een omvorming van het huidige productie- en consumptiesysteem; overwegende dat het belangrijkste doel is de consumptie om te buigen in de richting van duurzaamheid en de grondstofwinning en productie en productontwikkeling zo veel mogelijk langs natuurlijke processen en schema's te laten verlopen,
F. overwegende dat een beter begrip van de werking van natuurlijke systemen en van de manier waarop de economie kan worden gestructureerd volgens biologische beginselen, niet alleen het milieu kan bevorderen maar ook als basisprincipe kan gelden,
G. overwegende dat de bevordering van meer geïntegreerde en systeemgebonden praktijken, zoals bijvoorbeeld de bundeling van de productie, functioneel denken (producten omzetten in diensten), dematerialisatie en technologische ontwikkeling op basis van de imitatie van de natuur, een manier is om afvalproductie te voorkomen,
3. Doelstellingen van een zich verder ontwikkelend EU-beleid inzake afvalstoffen
H. overwegende dat in het merendeel van de lidstaten afvalverwijdering, met name door storten als vulgrond, de meest algemene vorm van afvalverwerking is,
I. overwegende dat preventie, hergebruik, recycling en terugwinning van energie uit afval - in die volgorde van belangrijkheid - de natuurlijke hulpbronnen kunnen besparen,
J. overwegende dat de communautaire en nationale streefcijfers op het vlak van preventie nooit zijn gehaald, hoewel preventie nochtans het belangrijkste streefdoel blijft,
K. overwegende dat er geen adequate communautaire minimumnormen van toepassing zijn op vele faciliteiten voor terugwinning en recycling van afval, hetgeen leidt tot verschillende niveaus van milieubescherming in de lidstaten, "eco-dumping" en concurrentievervalsingen,
1. aanvaardt de mededeling van de Commissie "Werk maken van duurzaam hulpbronnengebruik: een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling" als basis voor de discussie over het afvalbeleid in de toekomst;
2. benadrukt het wezenlijke doel van afvalbeheer, te weten het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu en de volksgezondheid en niet de bevordering van het functioneren van de interne markt voor de terugwinning van afvalstoffen;
3. benadrukt dat er niet alleen rekening gehouden moet worden met de milieu-impact binnen de EU maar ook met de impact die buiten de EU optreedt;
4. onderstreept het belang van de algemene beginselen van afvalbeheer, zoals het voorzorgsbeginsel en het beginsel van "de vervuiler betaalt", het beginsel van de verantwoordelijkheid van de voortbrenger van afval en, voor specifieke afvalstromen, het beginsel van de verantwoordelijkheid van de individuele producent, alsmede de beginselen van nabijheid en zelfverzorging;
4. Belangrijkste maatregelen
5. benadrukt dat de volledige tenuitvoerlegging van de bestaande EU-afvalwetgeving en handhaving daarvan in alle lidstaten een absolute prioriteit is;
6. vindt het onbegrijpelijk dat, ondanks een voorstel voor herziening van de kaderrichtlijn afvalstoffen, vele concrete uitvoeringsmaatregelen en -instrumenten (die wel in het 6e MAP waren voorzien) nu ontbreken;
4.1 Vereenvoudiging en modernisering van bestaande wetgeving
7. benadrukt dat definities alleen moeten worden gewijzigd ter verduidelijking en dat wijzigingen niet de regels met betrekking tot de milieubescherming mogen afzwakken of aanvaarding door het publiek mogen aanmoedigen van een bepaald idee (bijvoorbeeld door de negatieve connotatie van "afval" of "afvalverwijdering" af te zwakken);
8. dringt erop aan dat bij beleidsmatige besluiten zoals de vaststelling van de definities van afval, terugwinning en verwijdering niet de comitologieprocedure maar de medebeslissingsprocedure wordt gevolgd;
9. benadrukt dat de comitologieprocedure beperkt moet blijven tot niet-beleidsmatige besluiten, met name die van technisch en wetenschappelijke aard;
10. is het niet eens met een algemene declassificatie van afvalstoffen, die zou kunnen leiden tot milieuonvriendelijke verwerking en een gebrek aan traceerbaarheid van afvalstromen; benadrukt dat declassificatieprocedures voor afvalstoffen alleen in uitzonderingsgevallen van homogene afvalstromen kunnen worden overwogen, zoals compost, gerecycleerde aggregaten, herwonnen papier en glas;
11. onderstreept dat de "end of waste"-status pas mag worden bereikt nadat de desbetreffende afvalstroomeen hergebruik-, recycling- of nuttige toepassingsoperatie heeft beëindigd - dit sluit de mogelijkheid niet uit dat een nuttige toepassingsoperatie resulteert in het ontstaan van nieuw afval -, voldoet aan de overeengekomen Europese normen en weer ergens voor kan worden gebruikt, en nadat regels met betrekking tot de traceerbaarheid zijn aangenomen en toegepast;
12. wenst dat alle afval dat bestemd is voor energiewinning of verbranding, afval moet blijven, waarop richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval(6) (de richtlijn afvalverbranding) van toepassing is;
13. wijst er met klem op dat de terugwinnings- en verwijderingslijsten in de bijlagen bij de kaderrichtlijn afvalstoffen volgens de medebeslissingsprocedure moeten worden herzien en aangepast aan de huidige praktijken van afvalbeheer;
14. heeft ernstige bezwaren tegen de voorgestelde berekeningsmethode voor energie-efficiëntie en tegen het feit dat deze alleen mag worden toegepast op gemeentelijke verbrandingsinstallaties; verzoekt de Commissie de richtlijn afvalverbranding te wijzigen, zodat gelijke normen (voor emissies en energie-efficiëntie) worden vastgesteld voor zowel verbranding als bijstook van afval;
4.2 Invoering van de levenscyclusbenadering in het afvalbeleid
15. benadrukt dat de afvalhiërarchie, met prioriteiten voor actie in afdalende volgorde, van het uiterste belang is:
- preventie,
- hergebruik,
- recycling van materiaal,
- andere soorten van terugwinning, bijvoorbeeld terugwinning van energie,
- verwijdering,
als algemene regel voor het afvalbeheer teneinde te bereiken dat de afvalproductie en de negatieve gevolgen voor de gezondheid en het milieu van afvalproductie en afvalbeheer worden beperkt;
16. acht de levenscyclusbenadering een zinvolle benadering om de gevolgen van afvalstoffen voor het milieu en de volksgezondheid te evalueren; onderstreept dat de hiërarchie zelf op dit idee is gebaseerd, maar erkent dat de levenscyclusbenadering en andere onderzoeksmethoden in uitzonderlijke gevallen kunnen worden gebruikt om af te wijken van de afvalhiërarchie, maar alleen wanneer duidelijk wordt aangetoond dat een andere optie beter is omwille van milieu- of gezondheidsredenen of indien deze optie onredelijk hoge kosten met zich mee zou brengen;
4.3 Verbeteren van de kennisbasis
17. ondersteunt de verbetering van de kennisbasis met betrekking tot het afvalbeleid van de EU, maar beklemtoont dat toepassing van concrete maatregelen belangrijker is;
4.4 Afvalpreventie
18. betreurt het ontbreken van kwantitatieve en kwalitatieve reductiedoelstellingen voor al het afval dat van belang is, die wel als een van de prioriteiten van het 6e MAP waren aangekondigd; verzoekt de Commissie bij de eindevaluatie van het 6de MAP uiteindelijk een voorstel voor streefcijfers te doen;
19. verzoekt de Commissie concrete voorstellen voor maatregelen voor afvalpreventie op het gebied van het productiebeleid, het chemicaliënbeleid en eco-ontwerpen in te dienen, teneinde zowel het ontstaan van afval als de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in afval te beperken, waarbij een veilige en milieuvriendelijke afvalverwerking wordt bevorderd; benadrukt het belang van de stimulering van milieuvriendelijkere producten en technologieën en van producten die zich beter lenen voor hergebruik en recycling;
20. benadrukt de wisselwerking van de afvalstrategie met andere thematische strategieën, in het bijzonder het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, duurzame ontwikkeling en het geïntegreerd productbeleid;
21. verzoekt de Commissie voor 2008 een aantal indicatoren vast te stellen, zoals zij heeft aangekondigd in de hulpbronnenstrategie;
22. beklemtoont dat de juiste toepassing van het begrip producentenverantwoordelijkheid een krachtig middel is voor afvalpreventie;
23. benadrukt de rol van informatiecampagnes op het gebied van afvalbeleid, in het bijzonder inzake preventie, met het oog op het sensibiliseren van de bevolking over de voordelen van een duurzaam afvalbeheer;
24. verzoekt de Commissie de aspecten die te maken hebben met afvalpreventie in de krachtens Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 betreffende geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging(7) opgestelde referentiedocumenten voor beste beschikbare technieken (BREF-documenten) aan te scherpen en in deze documenten relevante richtsnoeren op te nemen;
4.5 Hergebruik
25. verzoekt de Commissie concrete maatregelen voor te stellen ter bevordering van hergebruik en reparatie:
- invoering van een erkenning van hergebruikcentra,
- invoering van een verlaagd BTW-tarief voor producten die bij erkende hergebruikcentra worden gekocht,
- ontwikkeling van een routekaart voor de uitwerking van hergebruiksnormen op EU- niveau,
- het garanderen van controle en verslaggeving van hergebruiksactiviteiten;
4.6 Op weg naar een Europese recyclingsamenleving
26. onderstreept het belang van de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen voor terugwinning en recycling op EU-niveau, en benadrukt dat gelijke concurrentievoorwaarden alleen tot stand komen als de aanwending van economische instrumenten in de gehele EU wordt geharmoniseerd;
27. onderstreept het belang van afvalscheiding aan de bron, evenals recyclingdoelstellingen en producentenverantwoordelijkheid om het recyclingniveau van bepaalde afvalstromen te doen stijgen;
28. erkent de noodzaak om op het vlak van het beheer van grensoverschrijdende afvalbeheersproblemen tot betere EU-samenwerking te komen;
29. benadrukt dat een materiaalgerichte aanpak om de recycling te bevorderen complementair dient te zijn aan een afvalstroomgerichte aanpak; verzoekt de Commissie de praktische en economische haalbaarheid verder te onderzoeken;
30. verzoekt de Commissie nogmaals aparte richtlijnen voor te stellen voor bio-afbreekbare afval, bouw- en sloopafval en slibafval, zoals aangekondigd in het 6e MAP;
31. verzoekt de Commissie follow-up te geven aan haar Groenboek over PVC en een aparte richtlijn betreffende PVC in te dienen gezien de talloze milieu- en gezondheidsproblemen die zich gedurende de gehele levenscyclus ervan voordoen, in het bijzonder wanneer het afval wordt;
32. wenst dat de kwantiteit van voor verwijdering bestemd afval tot een minimum wordt beperkt; verzoekt de Commissie nogmaals de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen te herzien, met inbegrip van het tijdschema:
- vanaf 2010, een verbod op het storten van niet-voorbewerkt afval met fermenteerbare componenten,
- vanaf 2015, een verbod op het storten van papier, karton, glas, textiel, hout, plastics, metalen, rubber, kurk, aardewerk, beton, bakstenen en tegels,
- vanaf 2020, een verbod op het storten van alle recycleerbare afval,
- vanaf 2025, een verbod op het storten van alle restafval, tenzij dit onvermijdelijk is of gevaarlijk (bijv. filterkoek);
33. is van oordeel dat Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen(8) voldoet aan de wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit het VN-Verdrag van Bazel en uit OESO-besluiten; steunt de preventie van ecodumping en schijnterugwinning en onderstreept dat het doel van regulering van overbrenging van afval is hergebruik en recycling van afval te bevorderen, zodat een hoog beschermingsniveau van het milieu en de volksgezondheid wordt gewaarborgd;
34. benadrukt het recht van de lidstaten om de beginselen van nabijheid en zelfverzorging toe te passen in verband met terugwinning of storten van ongesorteerd stedelijk afval, teneinde nationale plannen voor afvalbeheer en de afvalverbrandingscapaciteit te stimuleren;
0
0 0
35. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.
In december 2005 heeft de Commissie een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling gepresenteerd aan de Raad en het Europees Parlement, evenals een voorstel voor de herziening van de kaderrichtlijn afval.
De strategie is een uitvloeisel van het 6e milieuactieprogramma (juli 2002) en volgt op de conclusies van de Raad en de conclusies van het Europees Parlement (april 2004) inzake een mededeling van de Commissie. De doelstelling van de strategie is het leveren van een bijdrage aan een efficiënt en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met het oog op het reduceren van de negatieve milieugevolgen. Dit is mede een reden voor het gelijktijdig verschijnen van de strategie voor hulpbronnen.
In de Europese Unie hebben we al meer dan 30 jaar een afvalbeleid. Dat kwam omdat destijds de problemen rondom afval steeds meer zichtbaar werden. Het milieu en daardoor onze gezondheid werden bedreigd door alle schadelijke gevolgen van het ongecontroleerd dumpen van afval. Dit is de doorslaggevende reden geweest om te komen tot een afvalbeleid. Het belangrijkste doel van het afvalbeleid is daarom altijd de bescherming van het milieu geweest. Het is van groot belang om dit belang, milieubescherming, goed voor ogen te blijven houden.
2. Huidige situatie
In de afgelopen 30 jaar is er heel veel bereikt. Veel schadelijke stoffen verdwenen uit producten en uiteindelijk dus ook uit het afval. Er werden milieuvriendelijker verwerkingsmethoden voor afval ontwikkeld. Hierbij moet overigens wel opgemerkt worden dat er grote verschillen zijn tussen de lidstaten als het gaat om de hoeveelheid afval die er hergebruikt of gerecycleerd wordt. In EU-verband is er wetgeving gekomen voor het exporteren, storten en verbranden van afval. Daarnaast is er wetgeving gekomen voor specifieke afvalstromen, zoals voor afgedankte batterijen, verpakkingen, auto's en elektrische apparaten. Het blijkt niet eenvoudig te zijn om wetgeving te maken, te implementeren, te controleren en te handhaven voor zoveel verschillende afvalstromen en verschillende verwerkingsmethoden, en dat voor 25 verschillende lidstaten.
Hoewel er veel bereikt is op gebied van wetgeving en in de uitvoering ervan, zijn er met name de volgende problemen en tekortkomingen:
·De hoeveelheid afval neemt nog steeds toe
·Er wordt nog te veel afval gestort
·Er wordt nog te weinig afval hergebruikt of gerecycleerd
·Er zijn nog te veel en te grote verschillen tussen lidstaten als het gaat om vorderingen in (de uitvoering van) het afvalbeleid
·Er vinden, mede hierdoor, nog veel illegale en ongewenste afvaltransporten plaats
·Er blijft een voortdurende discussie over de interpretatie en implementatie van het afvalbeleid, o.a. over definities
·De EU wetgeving betreffende afval wordt onvoldoende uitgevoerd en gehandhaafd.
Gezien deze problemen, is het verheugend dat de Commissie eindelijk met een voorstel voor een strategie is gekomen. Helaas moet geconstateerd worden dat het voorstel maar in zeer beperkte mate het hoofd kan bieden aan de geschetste problemen. Er worden weinig concrete maatregelen voorgesteld op het gebied van preventie en recycling. De enige concrete voorstellen zijn weergegeven in de herziening van de kaderrichtlijn.
3. Doelstellingen van een zich verder ontwikkelend EU-beleid inzake afvalstoffen
De hoofddoelstelling van het EU-afvalbeleid is milieubescherming en niet faciliteren van de interne markt van afval. Uiteraard is het wel belangrijk om oneerlijke concurrentie in de afvalmarkt weg te nemen. Dit betekent dus dat er gelijke milieuvoorwaarden moeten zijn voor alle lidstaten en dat deze gehandhaafd moeten worden. Ondanks 30 jaar Europese afvalwetgeving zijn we helaas nog ver verwijderd van deze gelijke milieuvoorwaarden. Voor een aantal afvalstromen is er nog geen wetgeving. Bovendien wordt bestaande wetgeving niet in elke lidstaat (op dezelfde manier) uitgevoerd en gehandhaafd. Het is daarom zeer belangrijk dat er gewerkt wordt aan de implementatie, uitvoering en handhaving van de huidige EU-afvalwetgeving.
Bovendien is het goed om te benadrukken dat het voorzorgprincipe, het principe de vervuiler betaalt, producentenverantwoordelijkheid, evenals de principes van zelfvoorziening en nabijheid onverkort gehandhaafd moeten blijven in het toekomstige EU-afvalbeleid. Vooral voor specifieke afvalstromen kan het principe van individuele producentenverantwoordelijkheid tot goede resultaten leiden, bijvoorbeeld bij verpakkingen, batterijen, auto’s en elektrische apparaten.
4. Belangrijkste maatregelen
De Commissie heeft een pakket maatregelen voorgesteld, die in vier hoofdgroepen zijn te verdelen. Hier volgt een uiteenzetting van deze maatregelen en een commentaar daarop.
4.1 Vereenvoudiging en modernisering van bestaande wetgeving
De Commissie stelt voor om een aantal definities te verduidelijken, anders toe te passen, of anders te interpreteren. Het gaat hierbij om de definities van afval, verwijdering, nuttige toepassing en recycling. In de praktijk is gebleken dat er verschillende misverstanden en onduidelijkheden zijn over de definities die in het EU-afvalbeleid gebruikt worden. Dit komt vooral doordat de praktijk, met allerlei verschillende afvalstromen en verschillende soorten afvalbehandelingen, zeer complex is. Daarnaast is de afvalsector vaak nadrukkelijk bezig geweest om langs juridische weg te zoeken naar de grenzen van de Europese afvalwetgeving. Dit heeft een aantal uitspraken van het Europese Hof opgeleverd die de wetgeving interpreteren of verduidelijken. Normaal gesproken is het echter de bedoeling dat het Hof van Justitie zaken alleen toetst aan de huidige wetgeving. Doordat de huidige wetgeving kennelijk onduidelijkheden c.q. tekortkomingen bevatte, is het Hof van Justitie meer op de stoel van de wetgever gaan zitten.
De taak van de wetgever (Europees Parlement en Raad) is nu om deze tekortkomingen en onduidelijkheden in de wetgeving weg te nemen. Het is echter zeer belangrijk om dit op doordachte wijze te doen. Als definities veranderen, zou dit kunnen leiden tot weer een lange periode van onzekerheid en hernieuwde problemen over interpretatie van nieuwe definities. Het is dus beter om uit te gaan van de bestaande definities en slechts te verduidelijken en aan te vullen waar nodig. De volledige set van definities is bedoeld om een duidelijk kader op te zetten voor de Europese afvalwetgeving. Het wijzigen van definities is nadrukkelijk niet bedoeld om imago problemen op te lossen of om onder bepaalde milieubeschermende regels in de afvalwetgeving uit te komen. De definitie van afval veranderen om bepaalde afvalstromen als product aan te merken, zodat ze van het negatieve imago van het label afval verlost zijn, is geen legitieme reden. Hetzelfde geld voor de aanpassingen van de definitie van nuttige toepassing met het doel om van het negatieve imago van verwijdering af te komen. Ook het niet halen van doelstellingen voor hergebruik, recycling en nuttige toepassing van afvalstromen uit andere richtlijnen is geen goede reden om definities aan te passen. Nogmaals zij benadrukt dat de definities om redenen van logica, consistentie en verheldering aangepast moeten worden. Als er problemen zijn met doelstellingen, moeten eventueel doelstellingen aangepast worden, maar niet de definities!
4.1.1 Definitie van afval
De Commissie stelt voor om voor afvalstromen de mogelijkheid open te laten om deze te beoordelen als niet-afvalstof. Hiervoor zijn zogenaamde "end-of-waste" criteria opgesteld. Met deze benadering moet echter wel zeer voorzichtig omgegaan worden. Zo is het belangrijk om vooraf aan te geven dat dit slechts voor een beperkt aantal afvalstromen van toepassing kan zijn. Hierbij moet gedacht worden aan homogene afvalstromen die geen negatieve milieugevolgen (kunnen) veroorzaken. Daarnaast moet het een voorwaarde zijn dat de niet-afval status niet leidt tot vermindering van milieubescherming. Ten slotte zou de niet-afval status alleen verkregen moeten kunnen worden nadat het afval een behandeling heeft ondergaan die leidt tot een product dat voldoet aan bepaalde Europese kwaliteitscriteria zodanig dat het product op een veilige en milieuverantwoorde manier voor het bestemde doel toegepast kan worden. Afvalstromen die voor de niet-afval status in aanmerking zouden kunnen komen, zijn gerecycleerd compost en het inerte deel van bouw- en sloopafval (puingranulaat).
4.1.2 Definitie van verwijdering en terugwinning
De definities in de huidige wetgeving, zoals die geïnterpreteerd zijn door het Europese Hof van Justitie zijn niet bevorderlijk voor goede milieupraktijken. Zo wordt meeverbranding van afval in een cementoven door het Europese Hof van Justitie gezien als nuttige toepassing en verbranding van afval in een gespecialiseerde verbrandingsoven als verwijdering. Dit terwijl de milieunormen voor de uitstoot van verontreinigende stoffen voor meeverbrandingsinstallaties minder streng zijn. Om dit probleem op te lossen stelt de Europese Commissie voor om de verbrandingsinstallaties die een hoog rendement hebben bij energieterugwinning, de status nuttige toepassing toe te kennen. Dit is een benadering die vragen oproept, aangezien helder is dat het verbranden van afval met name bedoeld is om afval te verwijderen. Beter zou zijn om het probleem met verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties op te lossen door gelijke milieuvoorwaarden aan deze installaties op te leggen. Dit kan concreet door de richtlijn afvalverbranding aan te passen, zodanig dat gelijke emissienormen en energierendementen gelden voor zowel verbrandings- als meeverbrandingsinstallaties.
De Commissie geeft technische comités een grote rol in het bepalen wanneer een afvalstof ophoudt een afvalstof te zijn of om te bepalen wanneer er sprake is van verwijdering en wanneer er sprake is van nuttige toepassing. Aangezien dergelijke beslissingen grote consequenties kunnen hebben, moeten deze beslissingen op politiek niveau, via een medebeslissingsprocedure plaatsvinden.
4.2 Invoering van de levenscyclusbenadering in het afvalbeleid
De Commissie stelt voor om bij de keuze voor de beste afvalbehandeling van een afvalstroom een levenscyclusanalyse te doen. Met behulp van deze levenscyclusanalyse kan dan bepaald worden welke afvalbehandeling het beste voor het milieu is als de hele levensduur, van productie tot en met afvalverwerking, bekeken wordt. Deze benadering is in principe positief te waarderen, aangezien er uitgegaan wordt van het totale milieueffect. Aan de andere kant is er het gevaar dat deze benadering vooral theoretisch van aard is. In de praktijk zal het zeer moeilijk zijn om een objectieve levenscyclusanalyse te doen. Als er in deze analyse onzekere factoren zitten, wordt de ruimte voor de discussie erg groot. Dan komt men al snel op het vlak van een politieke, in plaats van een louter technische, afweging.
Het is daarom beter om de huidige vijftraps afvalhiërarchie als uitgangspunt te blijven nemen. Het is echter wel denkbaar dat voor een beperkt aantal specifieke afvalstromen van deze hiërarchie afgeweken wordt. Hierbij moet natuurlijk wel duidelijk aangetoond worden dat een afvalbehandeling lager in de hiërarchie duidelijke milieuvoordelen heeft. Bovendien moeten dergelijke beslissingen niet worden overgelaten aan technische comités, aangezien er sprake is van beleidsmatige beslissingen.
4.3 Verbeteren van de kennisbasis
Hoewel de verbetering van de kennisbasis voor het afvalbeleid altijd goed is, is er wel het gevaar dat hier onevenredig veel tijd en energie aan besteed gaat worden. Deze tijd en energie mogen niet ten koste gaan van het nemen en uitvoeren van concrete maatregelen die het afvalbeleid kunnen verbeteren, evenals het milieu beter kunnen beschermen.
De kennisbasis voor bijvoorbeeld een levenscyclusanalyse moet wel leiden tot een objectieve methode, almede gecontroleerd worden door een onafhankelijke commissie van deskundigen.
4.4 Afvalpreventie
De Commissie stelt hier slechts voor om eventuele maatregelen betreffende afvalpreventie vooral over te laten aan de lidstaten. In het 6e MAP is duidelijk aangegeven dat er concrete reductiedoelstellingen moeten komen. Deze zijn echter niet door de Europese Commissie voorgesteld. Dit is wel noodzakelijk, gezien de alsmaar stijgende productie van afval. Op de een of andere manier zou economische groei en afvalproductie ontkoppeld moeten worden. De verdere invoering van de producentenverantwoordelijkheid kan hierin mogelijk een rol vervullen.
4.5 Op weg naar een Europese recyclingsamenleving
Het door de Commissie nagestreefde doel, te weten een recyclingsamenleving, is lovenswaardig. Men moet zich echter wel realiseren dat we helaas nog ver verwijderd zijn van deze recyclingsamenleving. Ondanks dat in het 6e MAP is vastgelegd dat de Commissie met nieuwe richtlijnen moet komen voor bioafval, bouw- en sloopafval, alsmede slibafval, is dit nog niet door de Commissie gedaan. Deze wetgeving is echter wel zeer noodzakelijk, aangezien het nu ontbreekt aan duidelijke regels. Dit komt het milieu en de interne markt voor recycling niet ten goede. Bovendien wordt door de sector zelf gevraagd naar Europese regelgeving voor deze afvalstromen.
Daarnaast is het verbazingwekkend dat door de Commissie de suggestie wordt gewekt dat de huidige EU-wetgeving een probleem zou zijn. Zelfs wordt gesuggereerd dat de streefdoelen voor de recyclage van autowrakken en afgedankte elektrische apparaten aangepast zouden moeten worden. Bovendien zou de verordening voor de overbrenging van afvalstoffen volgens de Commissie grondig herzien moeten worden, terwijl (na intensief onderhandelen) deze wetgeving binnenkort gepubliceerd gaat worden. Hiermee slaat de Commissie de plank volledig mis. Want de verordening voor de overbrenging van afvalstoffen is juist bedoeld om grensoverschrijdend verkeer van afval te voorkomen, waarbij milieuregels worden ontweken, dan wel het verwerken met minder milieubescherming plaatsvindt.
Het is daarom zeer noodzakelijk dat het Europees Parlement en de Raad expliciet uitspreken dat de hoofddoelstelling van de Europese afvalwetgeving milieubescherming is.
Tenslotte stelt de Commissie voor om de richtlijn afgewerkte olie in te trekken. In het voorstel voor de herziening van de kaderrichtlijn afval blijft de inzamelingsverplichting echter nog wel in stand. Het gevaar is echter dat er weinig motivatie meer zal zijn, als de afgewerkte olie toch verbrand kan worden. Het voorstel wordt gemotiveerd doordat uit een levenscyclusanalyse zou blijken dat de regeneratie van afgewerkte olie niet meer milieuvoordeel zou hebben dan bij verbranding. Door de olieverwerkende sector wordt dit echter weer tegengesproken. Bovendien is er in verschillende lidstaten juist geïnvesteerd in een infrastructuur voor de verwerking van afgewerkte olie. Het voorstel van de Commissie lijkt strijdig met het doel om te komen tot een recyclingsamenleving.
Adamos Adamou, Georgs Andrejevs, Irena Belohorská, Johannes Blokland, John Bowis, Frieda Brepoels, Dorette Corbey, Chris Davies, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Edite Estrela, Jill Evans, Anne Ferreira, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Gyula Hegyi, Jens Holm, Marie Anne Isler Béguin, Caroline Jackson, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Holger Krahmer, Marie-Noëlle Lienemann, Linda McAvan, Roberto Musacchio, Riitta Myller, Péter Olajos, Miroslav Ouzký, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Guido Sacconi, Karin Scheele, Richard Seeber, Kathy Sinnott, Bogusław Sonik, Antonios Trakatellis, Marcello Vernola, Anja Weisgerber, Åsa Westlund
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Pilar Ayuso, Giovanni Berlinguer, Philip Bushill-Matthews, Niels Busk, Bairbre de Brún, Hélène Goudin, Ambroise Guellec, Jutta Haug, Karsten Friedrich Hoppenstedt, Miroslav Mikolášik
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)