Procedure : 2004/0220(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0448/2006

Ingediende teksten :

A6-0448/2006

Debatten :

PV 12/12/2006 - 8
CRE 12/12/2006 - 8

Stemmingen :

PV 12/12/2006 - 14.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0544

AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING     ***II
PDF 162kDOC 83k
5 december 2006
PE 380.770v02-00 A6-0448/2006

betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelings­samenwerking

(11944/2/2006– C6-0357/2006 – 2004/0220(COD))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Rapporteur: Gay Mitchell

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelings­samenwerking

(11944/2/2006 – C6-0357/2006 – 2004/0220(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (11944/2/2006 - C6-0357/2006),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2004)0629)(2),

-    gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2004)0629/2)(3),

–   gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0448/2006),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten van 18.5.2006, P6_TA(2006)0217.

(2)

Nog niet in het PB gepubliceerd.

(3)

Nog niet in het PB gepubliceerd.


TOELICHTING

1. Achtergrond

Het voorstel van de Commissie voor een verordening tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking, waarmee de procedure is ingeleid die moet resulteren in een nieuwe rechtsgrondslag voor de ontwikkelingsuitgaven van de Gemeenschap, dateert van 29 september 2004. De wetgevingsprocedure die op die datum van start is gegaan, is twee jaar lang uiterst moeizaam en ondoorzichtig verlopen en was bezwangerd met moeilijkheden. Maar de formulering van de tekst is intussen een heel eind gevorderd.

Het oorspronkelijke voorstel was naar de mening van de rapporteur zeer extreem en voor het Parlement volstrekt onaanvaardbaar. Niet alleen de voorrechten die het Parlement onder de medebeslissingsprocedure toekomen, ook de beginselen van het ontwikkelingsbeleid zelf werden hierin aangevallen. De eerste reactie, waarin duidelijk werd gemaakt dat het Parlement het voorstel zou verwerpen, werd door de Commissie ontwikkelingssamenwerking unaniem aangenomen, en door de drie adviserende commissies, eveneens unaniem, ondersteund. Deze aanpak bracht de Commissie en de Raad naar de onderhandelingstafel en overtuigde hen er uiteindelijk van dat zij de medebeslissingsbevoegdheden van het Parlement moesten respecteren, niet alleen voor het ontwikkelingsinstrument, maar ook voor de andere instrumenten voor externe maatregelen van het ‘Prodi-pakket’.

De langdurige en moeilijke onderhandelingen hebben voor het ontwikkelingsinstrument tal van verbeteringen opgeleverd - zo veel zelfs dat de uiteindelijke verordening voor de opstellers van de oorspronkelijke versie onherkenbaar zal zijn. Er waren momenten waarop de andere instellingen een aanpak hanteerden waarbij niet zozeer sprake was van onderhandeling en respect voor het Parlement als medebeslisser, maar van regelrechte pressie. Het was ook verrassend dat de Commissie ontwikkelingssamenwerking bij tijden de bevoegdheden en voorrechten van het Parlement tegenover andere Parlementaire krachten moest verdedigen, die zich niet goed bewust waren van wat er op het spel stond. De Commissie ontwikkelingssamenwerking bleef ondanks alles van het begin tot het einde verenigd en hield voet bij stuk.

2. Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Het gemeenschappelijk standpunt dat de Raad het Parlement op 23 oktober 2006 heeft doen toekomen, bevat veel elementen die daarin op verzoek van het Parlement zijn opgenomen. De belangrijkste zijn:

a) Wetgeving met beperkte toepassingsduur

Het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie bevatte geen vervaldatum of bepaling voor een tussentijdse herziening. Vervaldatum en herzieningsbepaling zijn echter al tijdens de eerste onderhandelingen voor alle instrumenten voor externe maatregelen overeengekomen. Gevolg is dat de toepassing van deze instrumenten in 2013, bij afloop van het nieuwe Financieel Perspectief, zal eindigen en dat in 2009 met de herziening van de instrumenten zal worden begonnen.

b) Specifiek instrument voor het ontwikkelingsbeleid

Het baarde de Commissie ontwikkelingssamenwerking grote zorgen dat het oorspronkelijke voorstel niet in een financieringsinstrument voorzag dat specifiek voor het ontwikkelingsbeleid was bedoeld. In plaats daarvan werden het beleid voor ontwikkelingslanden en dat voor geïndustrialiseerde landen bij elkaar gevoegd, waardoor noch voor het ene noch voor het andere beleid heldere doelstellingen konden worden geformuleerd of specifieke prioriteiten gesteld. Nadat aanvankelijk veel onenigheid bestond over de wetgevingsarchitectuur voor externe maatregelen, bereikten de onderhandelaren van de commissie een akkoord ingevolge waarvan op geïndustrialiseerde landen andere wetgeving van toepassing zal zijn. De Internationale Handelscommissie heeft voor die landen een nieuw voorstel ontvangen. De wens van de commissie is in het gemeenschappelijk standpunt verankerd – een instrument dat speciaal op ontwikkelingslanden is afgestemd, het zogenoemde ‘Instrument voor Ontwikkelingssamenwerking’ (‘Development Cooperation Instrument’, of DCI).

Het Parlement heeft ook met succes gestreden voor een afzonderlijk instrument voor de mensenrechten, dat de opvolger zal worden van het Europees Initiatief voor democratie en mensenrechten. De wetgevingsprocedure voor dit instrument loopt momenteel.

c) Eén rechtsgrond: artikel 179

Naast de besprekingen over de wetgevingsarchitectuur was er een discussie over de rechtsgrond van het DCI, die daar verband mee hield. Het oorspronkelijke voorstel was gebaseerd op twee artikelen van het EG-Verdrag: artikel 179, dat betrekking heeft op ontwikkeling, en artikel 181, onder a), dat de samenwerking met derde landen betreft. De rapporteur voerde op advies van de Juridische diensten van het Parlement en de Raad aan dat artikel 181, onder a), niet geldt voor ontwikkelingslanden en het DCI daarom uitsluitend op artikel 179 kan worden gebaseerd. Het argument was overtuigend en het Parlement won de discussie.

d) Beleidsvorming op basis van medebeslissing

Een van de andere grote problemen met het oorspronkelijke voorstel van de Commissie was, dat de Commissie probeerde om het medebeslissingsrecht van het Parlement met betrekking tot het beleid inzake ontwikkelingslanden vrijwel volledig te beëindigen. De Commissie was voornemens om de beleidsvorming op dit terrein buiten de reikwijdte van de wetgeving te plaatsen en in plaats daarvan niet-verbindende mededelingen te gebruiken. De enige verbindende bepalingen zouden dan in de strategiedocumenten voor de afzonderlijke landen, regio's of thematische programma's worden opgenomen, en die zouden dan weer via een comitéprocedure worden aangenomen, zonder inbreng van het Parlement.

Samen met de Raad verwierpen de onderhandelaren van de Commissie ontwikkelingssamenwerking de voorgestelde aanpak van beleidsvorming via Commissiemededelingen en legde de commissie zich erop toe ervoor te zorgen dat beleidsvorming ook in de toekomst volgens de medebeslissingsprocedure zou gebeuren. Het gemeenschappelijk standpunt waarover met de Raad is onderhandeld, bevat erg veel beleidsinhoud, die vrijwel in zijn geheel is opgenomen om tegemoet te komen aan de bezwaren van het Parlement. Deze is hoofdzakelijk gebaseerd op de beleidsinhoud van de dertien beleidsregelingen die door het DCI zullen worden vervangen, die bijna allemaal al door het Parlement en de Raad volgens de medebeslissingsprocedure zijn overeengekomen.

e) Meer gedetailleerde financiële bepalingen

De financiële bepalingen van het voorstel baarden eveneens ernstige zorgen: zij waren buitengewoon algemeen en ver verwijderd van de mate van gedetailleerdheid die het Parlement, als onderdeel van de begrotingsautoriteit, gewoon was. Als enige informatie werd de totale financiële toewijzing voor het instrument als geheel gegeven, samen met een cijfer voor samenwerking met de ACS, dat vervolgens werd verwijderd toen de Raad besliste om het EOF buiten de begroting te houden. In het verleden werd voor elk programma via de medebeslissingsprocedure een aparte financiële toewijzing vastgesteld, die in afzonderlijke verordeningen werd verankerd. De onderhandelaars van de Commissie ontwikkelingssamenwerking stonden erop dat deze praktijk wordt voortgezet. Het gemeenschappelijk standpunt bevat nu een specificatie waarbij de financiële middelen naar programma en in sommige gevallen naar programmaonderdeel zijn uitgesplitst. (Niet-overheidsactoren, bijvoorbeeld, hebben nu een gemeenschappelijk actieprogramma met lokale overheden. Daardoor is het noodzakelijk de financiële middelen nog verder uit te splitsen om zeker te stellen dat deze groep ongeveer evenveel middelen blijft ontvangen als in de afgelopen jaren.)

3. Betreden van nieuw terrein

Er zijn ook terreinen waarop het DCI aanmerkelijk zal afwijken van alle voorgaande wetgeving inzake ontwikkelingssamenwerking. Hier heeft het Parlement werkelijk grote vorderingen weten te realiseren.

a) Comité voor ontwikkelingshulp van de OESO wettelijk erkend

In het DCI zal de internationaal erkende definitie van ontwikkelingsbeleid zoals die door de Commissie ontwikkelingsbijstand (Development Assistance Committee of DAC) van de OESO is opgesteld voor het eerst in een juridische tekst worden verankerd. Dit is een essentiële stap om te voorkomen dat uit de ontwikkelingsbegroting ook maatregelen voor andere beleidsdoelstellingen worden gefinancierd. Honderd procent van de geografische programma’s wordt dusdanig vormgegeven dat zij voldoen aan de DAC-criteria voor de toekenning van officiële ontwikkelingshulp. Hetzelfde zal gelden voor ten minste negentig procent van de toewijzingen uit hoofde van de thematische programma's. De resterende tien procent van de thematische toewijzingen gaat naar maatregelen buiten ontwikkelingssamenwerking, uit hoofde van het migratie- en milieuprogramma, waaronder het uitvoeren van internationale milieuovereenkomsten en het ondersteunen van de secretariaten van een aantal belangrijke internationale conventies op milieugebied.

b) Akkoord over streefcijfers voor uitgaven in verband met het DCI

In een Commissieverklaring die bij het DCI zal worden gevoegd, wordt melding gemaakt van de benchmark die de Commissie ontwikkelingssamenwerking sinds 2003 gebruikt voor het vergroten van de aandacht voor primair onderwijs en basisgezondheidszorg, twee belangrijke sectoren in verband met de millenniumontwikkelingsdoelstellingen, en ook dit gebeurt voor de eerste keer. De Europese Commissie heeft de benchmark van twintig procent die de commissie voor deze sectoren hanteert, nooit eerder overgenomen, en hoewel het Parlement de benchmark de laatste drie jaar in de begroting heeft neergeschreven, heeft de Commissie steeds geweigerd deze te implementeren. Toewijzingen aan deze sectoren zijn steeds bedroevend laag geweest. In de genoemde verklaring zegt de Commissie nu echter ernaar te zullen streven om deze benchmark vóór 2009 te bereiken (waarbij als extra onderwijstype nog het middelbaar onderwijs is toegevoegd, aangezien dit type onderwijs voor de middeninkomenslanden van Latijns-Amerika van bijzonder belang is). Samen met de andere leden van het onderhandelingsteam is de rapporteur van mening dat het Parlement hiermee een zeer belangrijk resultaat heeft geboekt.

c) Democratische controle van programmeringsdocumenten – een stap vooruit

Ook met betrekking tot de dialoog tussen het Parlement en de Commissie over de ontwerpstrategiedocumenten is weer enige vooruitgang gemaakt, waardoor de uitvoering van het DCI nu daadwerkelijk door het Parlement kan worden gecontroleerd. Het ging er met name om dat het Parlement in staat moet worden gesteld om zijn stem te laten horen voordat de strategiedocumenten zijn goedgekeurd en zijn inbreng dus nog zinvol is. Hoewel de Raad op dit punt wat terughoudend was, is het Parlement verzekerd dat de Commissie steeds open zal staan voor een gedachtewisseling met Parlementsleden over algemene of landspecifieke thema’s. Het Parlement kan zelf bepalen in welke samenstelling het een dergelijke dialoog wil voeren. Dit akkoord wordt geformaliseerd in een briefwisseling tussen de voorzitter van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissarissen Ferrero-Waldner en Michel voordat over de tekst van het gemeenschappelijk standpunt wordt gestemd.

d) Grotere rol voor het Parlement bij de tussentijdse herziening

Hoewel de wetstekst bepaalt dat het instrument “uiterlijk op 31 december 2010” zal worden herzien, zijn het Parlement en de Commissie overeengekomen dat het Parlement voordat de Commissie daartoe overgaat, de werking van het instrument zal onderzoeken om vast te stellen of eventueel disfunctionele situaties zijn ontstaan. Het resulterende verslag zal vervolgens bij de herziening door de Commissie in aanmerking worden genomen. Deze herziening zal worden uitgevoerd in 2009. Indien problemen worden vastgesteld die het noodzakelijk maken dat het instrument wordt aangepast, zal de Commissie de noodzakelijke wetsvoorstellen indienen. Dit akkoord wordt door de Commissie bekrachtigd voordat over de tekst van het gemeenschappelijk standpunt wordt gestemd.

4. Aanbeveling van de rapporteur

Het gemeenschappelijk standpunt weerspiegelt het akkoord zoals dat aan het einde van de onderhandelingen was bereikt en door de Commissie ontwikkelingssamenwerking tijdens de vergadering van 3 oktober 2006 is bekrachtigd.

Wat het thema reproductieve gezondheid betreft, kan de rapporteur niet in goede gemoede de in overweging 18, in artikel 5, lid 2, onder b), en in artikel 12, lid 2, onder a), gebruikte terminologie ondersteunen wanneer de definitie van de WHO van toepassing is, die onder ‘reproductieve gezondheid’ ook het “onderbreken van ongewenste zwangerschappen” laat vallen. Bij mijn benadering van het DCI heb ik steeds zoveel mogelijk rekening gehouden met de opvattingen van anderen. Vandaar dat ik bijzonder teleurgesteld ben dat mijn oprechte bezwaren op dit punt geen steun hebben gevonden. Ik laat bij deze dan ook weten dat ik pogingen voor het wijzigen van bedoelde bewoording zal ondersteunen.

Voor het overige meen ik dat het gemeenschappelijk standpunt zoals dat door de Raad is vastgesteld, voor het Europees Parlement een zeer goed resultaat is.


PROCEDURE

Titel

Gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelings¬samenwerking

Document- en procedurenummers

11944/2/2006 - C60357/2006 - 2004/0220(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

18.5.2006

P6_TA(2006)0217

Voorstel van de Commissie

COM(2004)0629 - C6-0128/2004

Gewijzigd voorstel van de Commissie

COM(2004)0629/2

Datum bekendmaking ontvangst gemeenschappelijk standpunt

23.10.2006

Commissie ten principale
Datum bekendmaking

DEVE
26.10.2006

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Gay Mitchell
6.10.2004

Vervangen rapporteur(s)

Behandeling in de commissie

6.11.2006

 

 

Datum goedkeuring

30.11.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

21
0
1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Margrete Auken, Alessandro Battilocchio, Margrietus van den Berg, Danutė Budreikaitė, Alexandra Dobolyi, Filip Kaczmarek, Ģirts Valdis Kristovskis, Maria Martens, David Martin, Miguel Angel Martínez Martínez, Gay Mitchell, Luisa Morgantini, Horst Posdorf, Pierre Schapira

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

John Bowis, Milan Gaľa, Alain Hutchinson, Jan Jerzy Kułakowski, Linda McAvan, Manolis Mavrommatis, Karin Scheele, Anne Van Lancker

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid  2)

Datum indiening

5.12.2006

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

...

Laatst bijgewerkt op: 7 december 2006Juridische mededeling