Procedure : 2006/2272(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0012/2007

Ingediende teksten :

A6-0012/2007

Debatten :

PV 14/02/2007 - 11
CRE 14/02/2007 - 11

Stemmingen :

PV 15/02/2007 - 6.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0051

VERSLAG     
PDF 208kDOC 112k
26 januari 2007
PE 382.354v02-00 A6-0012/2007

over de situatie van de Europese economie: voorbereidend verslag over de globale richtsnoeren van het economisch beleid voor 2007

(2006/2272(INI))

Commissie voor economische en monetaire zaken

Rapporteur: Udo Bullmann

ONTWERPVERSLAG VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPVERSLAG VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de situatie van de Europese economie: voorbereidend verslag over de globale richtsnoeren van het economisch beleid voor 2007

(2006/2272(INI))

Het Europees Parlement,

-    gezien de Geïntegreerde richtsnoeren van de Commissie voor groei en werkgelegenheid (2005-2008)(Geïntegreerde richtsnoeren),

–   gezien het besluit 2005/600/EG van de Raad van 12 juli 2005 over richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (1),

–   gezien de economische prognoses van de Commissie (2),

–   gezien de EU Economy 2006 Review van de Commissie van 22 november 2006 over aanpassingsdynamiek in de eurozone - Ervaringen en problemen,

–   gezien verslagen die de lidstaten de in het kader van de Lissabon-strategie in het najaar van 2006 hebben ingediend over de omzetting van de nationale hervormingsprogramma’s (NHP)(3),

–   gezien het jaarlijkse voortgangsverslag van de Commissie van 12 december 2006 over de Lissabon-strategie,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement ‘Houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn in de EU’ (COM(2006) 0574),

–   gezien de mededeling van de Commissie ‘Demografische toekomst van Europa: probleem of uitdaging?’ (COM(2006) 0571),

–   gezien de mededeling van Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Centrale Bank ‘Jaarlijkse verklaring over de eurozone’ (COM (2006) 0392),

–   gezien zijn resolutie van 26 mei 2005 betreffende de aanbeveling van de Commissie over de globale richtsnoeren van het economisch beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap in het kader van de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (2005-2008)(4),

–   gezien de kernpuntennota van het voorzitterschap van de Raad van ...... voor de bijeenkomst van de ECOFIN-Raad met het oog op de voorjaarsvergadering van de Europese Raad 2007,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000, van Gotenburg van 15 en 16 juni 2001 en van Brussel van 22 en 23 maart 2005,

–   gelet op artikel 99, lid 2 van het EG-verdrag,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   na kennis te hebben genomen van het verslag van de Commissie voor economische en monetaire zaken (A6-0012/2007),

A. overwegende dat het in het geval van de geïntegreerde richtsnoeren gaat om een centraal instrument van de EU voor het economisch en werkgelegenheidsbeleid dat is opgesteld voor een middellang tijdsbestek van drie jaar; overwegende dat dit instrument, dat berust op de versie van 2005 en de aanstaande evaluatie van 2006, zorgvuldig geëvalueerd en verder ontwikkeld dient te worden ten behoeve van een betere uitvoering,

B.  overwegende dat de geïntegreerde richtsnoeren alsmede het hervormde stabiliteits- en groeipact en het financieel kader 2007-2013 samen zullen bijdragen tot een grotere samenhang van het beleidsvormingsproces en een verbetering van de economische sturing in de Europese Unie,

C. overwegende dat de geïntegreerde richtsnoeren niet als een nieuwe benaming voor bestaande beleidsvormen dienen te worden beschouwd, maar een daadwerkelijk geïntegreerd pakket beleidsmaatregelen moeten gaan vormen dat macro-economische, micro-economische en werkgelegenheidsdimensies omvat en met elkaar combineert,

D. overwegende dat deze geïntegreerde richtsnoeren een centraal onderdeel van de Lissabon-strategie zijn en als centraal uitvoeringsinstrument hiervan samen met een evenwichtige ‘Policy Mix-opzet’ moeten leiden tot wederzijds inspirerende hervormingen op het gebied van economie, werkgelegenheid, milieu en sociale zekerheid,

E.  overwegende dat de economische groei geen doelstelling op zich is, maar een noodzakelijke voorwaarde en als zodanig onderdeel van een geïntegreerde aanpak die welvaart en levenskwaliteit van de burgers tot doel heeft; overwegende dat het streven naar duurzame groei gebaseerd moet zijn op een economisch, sociaal, werkgelegenheids-, milieu- en financieel beleid dat zijn verantwoordelijk jegens toekomstige generaties nakomt,

De opleving op economisch en werkgelegenheidsgebied in de Europese Unie benutten

1.  stelt vast dat de Europese economie na zes jaar trage economische groei, stagnatie en zelfs recessie in enkele lidstaten, op het ogenblik betere resultaten oplevert met een hoger groeipercentage dan in voorgaande jaren, d.w.z. een groei in de EU van 2,8 % en in de eurozone van 2,6 % van het BBP in 2006 die in 2007 echter daalt tot 2,4 % in de EU en 2,1 % in de eurozone; stelt de vraag in hoeverre Europese groei wellicht cyclisch is en wijst op de noodzaak het Europese groeipotentieel te verstevigen om werkgelegenheid te kunnen opleveren;

2.  wijst op de grote verschillen tussen de groeipercentages in de lidstaten en betreurt de naar verhouding zwakke economische groei in een aantal grote lidstaten, die in de eerste plaats te wijten is aan de stagnerende binnenlandse vraag; stelt in dit verband vast dat het groeipercentage in de Scandinavische landen boven het EU-gemiddelde ligt en dat de werkloosheid aldaar recentelijk duidelijk is gedaald,

3.  benadrukt dat de overheidsfinanciën er beter voor staan en dat de begrotingstekorten voor 2006 zijn verlaagd tot gemiddeld 2 % van het BBP; gaat uit van verdere verbetering van de kwaliteit van de overheidsfinanciën die niet uitsluitend het gevolg zal zijn van cyclische factoren;

4.  constateert bovendien een positieve ontwikkeling van de arbeidsmarkt, met een verdubbeling van de jaarlijkse productiviteitsgroei van de factor arbeid van 0,6 % naar 1,2 % en een daling van de werkloosheid naar 8 % in de Europese Unie en de eurozone in 2006 en een voorspeld werkloosheidspercentage van 7,3 % in de EU en 7,4 % in de eurozone in 2008, een groei van de werkgelegenheid met 1,4 %, wat overeenkomt met 2,9 miljoen nieuwe banen in 2006, met een verdere groei in 2007/2008 in het vooruitzicht door het ontstaan van nog eens 7 miljoen nieuwe banen, wat een groei zou betekenen van het aandeel van de beroepsbevolking in de totale bevolking van 63,7 % in 2005 naar 65,5 % in 2008; stelt echter vast dat het werkloosheidspeil, vooral onder vrouwen, nog steeds hoog is en bij lange na niet aan de doelstellingen van Lissabon voldoet; dringt er dan ook aan dat er aanvullende maatregelen worden genomen om te komen tot een doelmatige Europese arbeidsmarkt die voor iedereen openstaat, flexibiliteit koppelt aan zekerheid en in staat is een beduidend hoger participatiepercentage tot stand te brengen; wijst er in dit verband op dat de noodzakelijke hervormingen in optimale samenwerking tussen de sociale partners moeten worden opgezet en ten uitvoer gelegd;

5.  uit zijn bezorgdheid over het aanhoudend hoge armoedepeil in de EU dat, na medio jaren negentig van 17 % naar 15 % te zijn gedaald, onlangs weer is gestegen tot 17 % in 2005; acht het derhalve onaanvaardbaar dat in de EU-27 rond 80 miljoen mensen een beschikbaar inkomen hebben dat minder dan 60 % van de inkomensmediaan bedraagt;

6.  wijst erop dat de Europese Unie in 2006 haar toonaangevende rol als exportkampioen kon vergroten dankzij een toename van de uitvoer met 8,5 %, stelt echter vast dat het uitvoeroverschot slechts 0,3 procentpunt van de huidige BBP-groei in de eurozone beslaat en benadrukt de risico's die aan de hoge koers van de euro ten opzichte van de dollar zijn verbonden; benadrukt het feit dat de huidige opleving van de economie in de eerste plaats het gevolg is van een herstel van de binnenlandse vraag, met name van de investeringen op korte termijn; wijst erop dat het fundamentele probleem van de Europese economie in de afgelopen tien jaar gelegen is in een tekortschietende binnenlandse vraag als gevolg van een door de hoge werkloosheid gemotiveerd gebrek aan vertrouwen in de economie; toont zich echter bezorgd over de vraag in hoeverre een continue toename van de investeringen en de consumentenuitgaven, in combinatie met een duurzame verbetering van de situatie op de arbeidsmarkt, kan worden bereikt, zodat deze voornamelijk cyclische opleving uitgroeit tot een aanhoudende opwaartse trend;

7.  is van mening dat de Europese economie sterker geworden is door hoofdverworvenheden van de EMU en de interne markt; dringt erop aan dat de interne markt met name in de sector financiële diensten en de energiesector volledig wordt verwezenlijkt door een snelle en volledige uitvoering van de elektriciteit- en gasrichtlijnen; wijst dan ook op het belang van investeringen in de nodige infrastructuur om deze doelstelling te kunnen realiseren; verwacht verdere economische impulsen van een Europese dienstverleningsmarkt die de dienstverlener een discriminatievrije toegang garandeert en arbeids- en sociale-zekerheidswetten beschermt op de plaats waar de dienst wordt verricht; dringt er in verband met de jongste uitbreiding bij de lidstaten op aan voor een open en vrije arbeidsmarkt te blijven zorgen die ten goede komt aan economische groei;

8.  wijst erop dat een duurzamere toename van het economisch groeipotentieel van de Europese Unie onder de paraplu van de strategie van Lissabon behoefte heeft aan gestage tenuitvoerlegging van evenwichtige hervormingen, met inbegrip van maatregelen ter bevordering van innovatie, technologische ontwikkeling en de accumulatie van menselijk kapitaal – die de bestaande belemmeringen voor de goede werking van de interne markt wegnemen en een beter ondernemingsklimaat in de lidstaten scheppen;

9.  wijst tegen de achtergrond van een verwachte groeivertraging in de Verenigde Staten en dientengevolge van de wereldhandel, van mogelijke externe shocks, zoals een abrupte correctie van de wereldwijde onevenwichtigheden met enorme gevolgen voor de wisselkoersen en de financiële markten, en een eventuele verdere stijging van de aardolieprijs, op de noodzaak de economische opleving te steunen en te versterken door een economisch beleid dat de doelmatigheid van de markten van goederen, diensten, arbeid en kapitaal verbetert, de groei bevordert en dat evenzeer is ingesteld op export als op binnenlandse vraag;

10.  is bezorgd over een wisselkoers van de euro die schadelijk zou kunnen blijken voor de concurrentiepositie van Europa ten opzichte van de Verenigde Staten; verwacht dat de Europese Centrale Bank de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten houdt en gepaste maatregelen treft om de economische belangen van Europa binnen het internationale financiële stelsel te behartigen;

De lidstaten aansporen tot benchmarkprestaties

11. stelt vast dat de economische ontwikkeling in de EU wordt gekenmerkt door oude en nieuwe divergenties, met de laagste groeipercentages in Portugal (1,2 % van het BBP) en in Italië (1,7 %) en hoge groeicijfers binnen de EU-15-landen, zoals in Spanje (3,8 %), Griekenland (3,8 %), en vooral in Zweden (4 %), Finland (4,9 %) en Luxemburg (5,5 %); stelt vast dat de nieuwe lidstaten, met name Slowakije (6,7 %), Litouwen (7,8 %), Estland (10,5 %) en Letland (11 %) een zeer sterke groei vertonen; onderstreept dat deze divergenties ook een teken zijn van belangrijke structurele verschillen, uiteenlopend binnenlands economisch beleid en demografische structuren en asymmetrische effecten van het gemeenschappelijk beleid, die aangeven aan welke gevaren de interne cohesie van de Europese Unie blootstaat; benadrukt derhalve de noodzaak van beleidsmaatregelen die de economische samenhang versterken en zodoende bevorderlijk zijn voor de interne markt en de monetaire unie;

12. benadrukt dat uit het oogpunt van moderniseringsinspanningen en de efficiency die landen het meest succesvol zijn die toekomstgerichte en goed uitgebalanceerde structurele hervormingen koppelen aan bovengemiddeld hoge investeringen in vervoer, informatietechnologie, onderzoek en ontwikkeling, en innovatie, onderwijs, levenslang leren en zorgvoorzieningen en de vernieuwing van goede sociale netwerken; stelt vast dat deze lidstaten meestal beschikken over uitermate efficiënte en transparante bestuurlijke organen, een vernieuwend ondernemingsklimaat, begrotingsoverschotten, lager dan gemiddelde schulden en een hoge kwaliteit van de openbare uitgaven, en tegelijkertijd over een bijna twee keer zo hoog aandeel van de technische ontwikkeling in het nationale groeipercentage dan het EU-gemiddelde; komt tot de slotsom dat het beleid van deze landen in het kader waarvan wordt gestreefd naar een hoog werkgelegenheidcijfer, o.m. werkgelegenheid voor vrouwen en oudere werknemers, de Europese Unie in staat zal stellen met meer vertouwen huidige en toekomstige problemen tegemoet te zien zoals de vergrijzing en toename van de mededinging ten gevolge van de globalisering;

13. benadrukt dat de in dit opzicht meest succesvolle landen uit het oogpunt van hun strategieën voor economische en sociale vernieuwing ook als voorbeeld beschouwd kunnen worden voor een geslaagde omzetting van de Lissabon-strategie en spoort andere lidstaten aan om zich eveneens op hen te oriënteren, ook al moeten de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de strategie van Lissabon worden ontwikkeld in aansluiting op de situatie in de desbetreffende lidstaat en ook al moeten de lidstaten hiervoor verantwoordelijk blijven;

14. stelt met het oog de nationale hervormingsprogramma’s van de lidstaten vast dat zich in het globale beeld een hogere mate van harmonisatie en ook een nieuwe welwillendheid aftekent aangaande de oriëntatie van de binnen de EU afgesproken doelstellingen; onderstreept evenwel dat de lidstaten verschillende uitgangsposities hebben en sterke verschillen vertonen wat betreft de inhoud, snelheid en intensiteit waarmee zij op de diverse beleidsterreinen hervormingen invoeren; stelt zich op het standpunt dat de hervormingen slechts in geringe mate zijn afgestemd op de huidige situatie van de economie en de werkgelegenheid en dat de geïntegreerde hervormingsagenda in veel gevallen nog onvoldoende rekening houdt met kerntaken zoals innovatie, werkgelegenheidsbevordering, energievoorziening, ecologische duurzaamheid en betere wetgeving; betreurt dat de voortgang en hervormingsinspanningen met name wat betreft de ‘verhoging van het werkgelegenheidspotentieel’ en een ‘actief arbeidsmarktbeleid’ minder snel verlopen dan op andere gebieden; begroet daarentegen de inspanningen ten behoeve van meer verantwoordelijkheid op nationaal en regionaal niveau (‘eigenmaking') en het erbij betrekken van de parlementen en sociale partners, en spoort aan tot het versterken van deze inspanningen;

Het potentieel versterken – successen verbreden: wat rest er nog te doen

15. verzoekt de lidstaten de nieuwe economische situatie en de daarmee verbonden speelruimtes te benutten om een duurzamer en meer op kwalitatieve doelen gerichte economische groei te bevorderen; benadrukt dat een gezond en stabiel macro-economisch klimaat een verbetering van de kwaliteit van de overheidsfinanciën verlangt, met solidere begrotingen, evenals een intelligent particulier en openbaar investeringsbeleid, dat de markten van morgen vandaag al ontsluit en zorgt voor een op de toekomst gerichte infrastructuur;

16. benadrukt dat de huidige protectionistische en concurrentieverstorende tendensen moeten worden beteugeld teneinde ten volle van het potentieel van de interne markt te kunnen profiteren en de positie van Europa op de wereldmarkt te kunnen versterken;

17. merkt op dat KMO's van groot belang zijn voor het scheppen van werkgelegenheid; benadrukt dienovereenkomstig dat voor een gunstig klimaat voor KMO's dient te worden gezorgd via gunstiger belastingregelingen, deregulering en vermindering van de administratieve lasten, betere toegang tot financieringsmogelijkheden, verlaging van de bedrijfskosten wat betreft energie, vervoer, communicatie en dienstverlening, betere toegang tot ICT en hogere investeringen in onderzoek en innovatie ten bate van KMO's;

18. onderstreept de betekenis voor de Europese economie van zowel een sterke concurrentiepositie, als van de noodzaak het vraagpotentieel te bestendigen en verwacht van de economische beleidsmakers een nieuwe inspanning teneinde een hogere economische groei op lange termijn te bereiken die wordt gekenmerkt door economische stabiliteit en duurzame ontwikkeling, mede via doelmatige coördinatie van het economisch beleid;

19. benadrukt in dit verband het belang van onderwijs, met name het tertiair onderwijs, voor de versterking van het toekomstige groeipotentieel en voor de verhoging van het vaardigheidsniveau, de mobiliteit en het aanpassingsvermogen van de Europese burgers; roept de lidstaten op zich sterker in te spannen om de Europese onderwijsstelsels aantrekkelijker, toegankelijker en concurrerender te maken;

20. herinnert eraan dat voor de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon voldoende middelen uit de communautaire begroting vereist zijn; betreurt in dit verband dat er niet genoeg financiële middelen beschikbaar zijn om deze doelstellingen te bereiken;

21. is van mening dat een gelijktijdige en gecoördineerde aanpak van de lidstaten bij groei bevorderende uitgaven, het stimuleren van particuliere investeringen en gemeenschappelijke initiatieven op het terrein van particuliere en openbare samenwerking belangrijke synergie-effecten kan opleveren, het vermogen van Europa zal verbeteren het hoofd te bieden aan bestaande problemen op het gebied van wetenschap en onderzoek, vervoer en communicatie en duurzaamheid van het milieu, en een efficiënte allocatie van middelen in Europees verband ondersteunt;

 Wijst in dit verband op het belang van een gecoördineerd fiscaal kader met vennootschapsbelastingen die gunstig zijn voor het MKB en gericht op het scheppen van werkgelegenheid; is van mening dat de lidstaten de doelmatigheid van de regelingen inzake belastingen en sociale premies moeten opvoeren om de schepping van werkgelegenheid te vergemakkelijken, vooral ten bate van specifieke maatschappelijke groepen zoals vrouwen, langdurig werklozen en ouderen; is van mening dat via concurrerende belastingstelsels de oprichting van nieuwe bedrijven moet worden aangemoedigd zonder dat het nationale financieringsvermogen wordt ondermijnd en dat de belastingdruk moet worden verplaatst van arbeid naar milieu, o.m. via belastingprikkels ter ondersteuning van O&O en het gebruik van duurzame grondstoffen;

22. roept, met het oog op de naderende herziening van het financieel kader, nogmaals op de EU-begroting nog meer aan de doelstellingen van Lissabon aan te passen en aldus de volledige tenuitvoerlegging van de strategie van Lissabon als geheel te ondersteunen;

23. erkent dat grote vooruitgang is geboekt bij het verleggen van de nadruk van overheidssteun naar horizontale doelstellingen; moedigt de lidstaten aan deze ontwikkeling voort te zetten en de overheidssteun nog verder in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van de strategie van Lissabon zoals werkgelegenheid, innovatie en duurzaamheid;

24. onderstreept de noodzaak het concurrentievermogen van de Europese economieën in de toekomst nog beter af te stemmen op het doel van een intelligente en duurzame economische procedure die gepaard gaat met een efficiënter gebruik van middelen; beveelt aan hierbij in het bijzonder de volgende maatregelen op nationaal niveau te overwegen, die niet alleen dienen tot modernisering van de economie, ontwikkeling van nieuwe technologieën en bevordering van het mededingingsvermogen, maar eveneens tot milieutechnische verenigbaarheid en de opening van nieuwe werkgelegenheidssectoren:

 a) op het terrein "onderzoek en ontwikkeling":

      -  stimulansen ter uitbreiding van particuliere O&O-activiteiten;

      -  bevordering van overheidsinvesteringen in het kader van O&O, met name samenwerkingsverbanden van particulieren en overheid;

      -  bevordering van netwerken en samenwerkingsvormen tussen universiteiten, onderzoeksinstellingen en ondernemingen;

      -  bevordering van nationale of regionale coördinatiecentra op het gebied van O&O;

      -  bevordering van innovatie en nieuwe technologieën bij het MKB en kleine dienstverleners, in het bijzonder ook door een gemakkelijker toegang tot alle kapitaalbronnen, met name risicokapitaal;

      -  bevordering van opleiding en bij- en nascholing in het belang van een actief arbeidsmarktbeleid op het gebied van moderne technologieën;

 b. op het terrein "energie en milieu":

      -  uitvoering van de elektriciteits-- en gasrichtlijnen in het belang van een eerlijke, concurrentiekrachtige, functionerende en niet-discriminerende Europese energiemarkt;

      -  waarborging van de energieleverantie ten behoeve van de Europese economieën via diversificatie van de bronnen en de kanalen waarlangs energie wordt ingevoerd;

      -  fiscale prikkels, prestatieprikkels en investeringen ter bevordering van maatregelen gericht op een efficiëntere omgang met energie, o.m. via verwezenlijking van energiebesparingsdoelen;

      -  fiscale prikkels, prestatieprikkels en investeringen ter bevordering van duurzame energie en milieuefficiënte technologieën en innovaties;

      -  waarborging van de onafhankelijkheid van nationale regelgevende instanties en coördinatie daarvan op EU-niveau;

      -  uitbreiding en netwerkvorming van de regionale energieproductie;

      -  verbetering van de transparantie op de energiemarkt en een duidelijke scheiding van energieproductie, -distributie en -verkoop ("ontvlechting"), en

      -  meer gebruik van “groene certificaten”;

25. ziet het als een van de belangrijkste taken alle bevolkingsgroepen in een snel veranderende economie nieuwe kansen en mogelijkheden te bieden; wijst erop dat de meest kwetsbare maatschappelijke groepen in dit verband de grootste gevaren lopen en dat voorrang moet worden gegeven aan bevordering van de "actieve integratie" en meer in het algemeen aan de schepping van hoogwaardiger banen; onderstreept eveneens de noodzaak tegenover de nieuwe eisen van flexibiliteit en bereidheid tot leren aan werknemers nieuwe vooruitzichten op werk en de waarborging van nieuwe zekerheidsgaranties („soepel aanpasbare zekerheid“) te stellen, mede ter bevordering van de mogelijkheden beroeps- en persoonlijk leven beter te combineren; verlangt in dit verband een verbetering van de toegangsmogelijkheid voor vrouwen, oudere werknemers, jongeren, langdurig werklozen en allochtonen om aan het arbeidsproces deel te nemen, en bepleit daarom o.a. de volgende maatregelen op het terrein van werk en opleiding op nationaal niveau krachtiger ter hand te nemen:

 -  waarborging dat iedere schoolverlater binnen zes maanden een baan of opleiding krijgt aangeboden, of andere gelijkwaardige maatregelen;

 -  invoering van een wettelijke aanspraak op vorming en levenslang leren;

 -  prikkels en investeringen ter bevordering van opleiding, bijscholing en levenslang leren, en van succesvolle voorbeelden van een combinatie van gezinsleven, loopbaan en onderwijs met opleiding;

 -  bevordering van flexibele overgangsmogelijkheden van het beroepsleven naar de pensioengerechtigde leeftijd op vrijwillige basis, mede ter versoepeling van de toegang tot de arbeidsmarkt voor jongeren;

 -  bevordering van basisopleiding en waarborging van de overdracht van bestaande ondernemingen om leeftijdsredenen;

 -  een verdere vermindering van de totale belasting- en premiedruk voor de lage en middeninkomens;

 -  het waarborgen van kwalificaties en toegang tot beroepen voor jonge mensen door passende initiatieven van particulieren en overheid;

 -  verhoging van de beschikbaarheid en betaalbaarheid van goede kinderopvang;

 -  waarborgen dat de administratieve procedures voor het starten van een bedrijf niet meer dan een week in beslag nemen, zoals het laag houden van startkosten en administratieve kosten;

 -  het opnemen van ondernemerschapscursussen in onderwijsprogramma's voor levenslang leren;

 -  waarborging van een regulier beleid voor legale immigratie volgens de lijnen van het voorstel voor een Europees stelsel van groene kaarten;

26. wijst erop, dat in het belang van de macro-economische stabiliteit de toename van de arbeidsproductiviteit moet samengaan met een eerlijker verdeling van de resultaten van de groei en met een versteviging van de sociale cohesie; herinnert in dit verband aan de eis dat het optrekken van de lonen gelijke tred behoort te houden met de productiviteitsontwikkeling op middellange termijn; onderstreept dat een cultuur van stimuleren en participeren moet worden bevorderd in het kader van concepten als „behoorlijk ondernemingsbestuur“ en „maatschappelijk verantwoord ondernemerschap “;

27. benadrukt de noodzaak van een intensievere en structurele samenwerking in de Europese Unie en in het bijzonder in de eurozone om zo de bestuurbaarheid te vergroten en het proces van Europese integratie te bevorderen, omdat alleen op deze manier het hoofd kan worden geboden aan de mondiale economische uitdagingen; verzoekt de Raad en de Commissie daarom ervoor te zorgen dat de jaarlijkse verklaring over de eurozone in de toekomst een concreter instrumentarium biedt met behulp waarvan een intensievere dialoog tussen de verschillende EU-organen die zich bezig houden met de verbetering van het economisch bestuur van de Europese Unie, kan worden gevoerd; is verder van mening dat de Eurogroep zich zou moeten toeleggen op het beter op elkaar afstemmen en harmoniseren, zowel qua tijd als qua inhoud, van de nationale begrotingen, wat een belangrijke bijdrage zou zijn aan het verwezenlijken van een hervormingsagenda voor het economisch beleid; stelt voor om in het kader van een verbeterde en meer gestructureerde samenwerking in de eurozone andere betrokken Raadsformaties uit te nodigen aan een dergelijke samenwerking deel te nemen;

Noodzakelijke institutionele hervormingen bespoedigen

28. is verheugd over de nieuwe aanpak die de Commissie voor de follow-up van de evaluatie van de nationale hervormingsprogramma's heeft gekozen door de lidstaten als richtsnoer landenspecifieke aanbevelingen te doen, en beveelt de Europese Raad aan deze goed te keuren; onderstreept in dit verband de noodzaak van een versterking van de wederzijds versterkende benadering van de geïntegreerde richtlijnen die hun weerslag moeten vinden in het nationale hervormingsbeleid; verlangt nogmaals een transparante uitwisseling van goede praktijken en het publiceren van een jaarlijkse „rangordetabel“ van landen met de beste en de slechtste hervormingsresultaten door de Commissie opdat lessen kunnen worden getrokken uit successen en fiasco's; wijst er in dit verband echter op dat daarvoor voldoende geïntegreerde indicatoren nodig zijn die alle beleidsterreinen van de Lissabon-strategie bestrijken;

29. betreurt dat de Lissabon-strategie in het nationale beleid van tal van lidstaten nog te weinig aan bod komt; stelt zich op het standpunt dat de mobilisatie van alle belanghebbenden in de economie van doorslaggevend belang is voor een doeltreffende uitvoering daarvan; is met name van mening dat een sterkere betrokkenheid van de sociale partners, nationale parlementen en maatschappelijke organisaties de zichtbaarheid van de Lissabon-strategie en de kwaliteit van het openbare debat over economische hervormingen zal verhogen, de verantwoordingsplicht zal versterken en in de publieke opinie het bewustzijn zal bevorderen dat het economisch beleid zorgvuldig moet worden gecoördineerd om de belangrijkste uitdagingen van het huidige globaliseringsproces te kunnen aangaan en dat een gemeenschappelijk standpunt moet worden ingenomen om de economische sturing in de Europese Unie te kunnen verbeteren; verzoekt de lidstaten met klem, in een intensievere samenspraak met de nationale parlementen en andere belanghebbenden en met de sociale partners, de geïntegreerde richtsnoeren en de nationale hervormingsprogramma's (NHP) op geëngageerde wijze ten uitvoer te leggen op basis van 'eigenmaking'; dringt erop aan de relevantie van de nationale hervormingsprogramma's regelmatig conform het principe van "benchmarking" te verifiëren, met inbegrip van een bredere raadplegingsprocedure in de lidstaten waar dit nog niet de norm is; verwacht dat de prioriteiten van de nationale hervormingsprogramma's beter tot uitdrukking komen in het tijdschema voor en de inhoud van de nationale begrotingsbesluiten;

30. begroet de samenvoeging en integratie van de richtsnoeren op het terrein van economische, structurele en werkgelegenheidsmaatregelen; herhaalt in dit verband dat de economische- en structuurrichtsnoeren dezelfde wetgevende status moeten krijgen als de richtsnoeren voor maatregelen op heet gebied van het werkgelegenheidsbeleid en dat een interinstitutioneel akkoord moet worden opgesteld om de participatie van het Europees Parlement in dit verband te verduidelijken;

31. verwacht gezien het werk in verband met de aanstaande herziening van de geïntegreerde richtsnoeren een gezamenlijk denkproces van de betreffende EU-organen en stelt voor na de Voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad in 2007 een interinstitutionele werkgroep in het leven te roepen; beveelt aan de volgende aspecten ter verbetering van de uitvoering van de hervormingsagenda van de EU ter discussie te stellen:

       -  indiening van een grondige analyse van structurele hervormingen en hun directe gevolgen voor productiviteit, werkgelegenheid en vraag op de interne markt met het oog op herziening van de geïntegreerde richtsnoeren;

       -  ontwikkeling van helderder en meer gerichte geïntegreerde richtsnoeren en uitbreiding van het aantal relevante hervormingssectoren met betrekking tot bij voorbeeld de uitgebreide hervormingsagenda voor een actiever duurzaamheidsbeleid, dat meer behelst dan energiebeleid, evenals voor een beter beleid om levenslang leren te bevorderen;

       -  ontwikkeling van een meer uniforme structuur van verslagen in het kader van de nationale hervormingsprogramma's, zonder dat daardoor het recht van de lidstaten nationale hervormingsprioriteiten vast te stellen wordt aangetast;

       -  ontwikkeling van richtsnoeren en benchmarks voor nationale raadplegingen, inclusief aanbevelingen voor de deelname en actieve medewerking van nationale parlementen zowel bij het opstellen als bij de controle van de nationale hervormingsprogramma's;

       -  de ontwikkeling en uitwisseling van goede voorbeelden van overdrachts- en communicatiestrategieën;

       -  verhoging van de effectiviteit van de EU-hervormingsagenda door de inhoud en het tijdschema te consolideren van nu nog afzonderlijk ingezette economische beleidsinstrumenten, met als doel een "slimme groeistrategie", die de verslaggeving en evaluatie op het gebied van de nationale hervormingsprogramma's meer centraliseert, maar daarbij ook rekening houdt met de nationale stabiliteits- en convergentieprogramma’s, evenals met stelselmatige initiatieven om het principe van ecologische duurzaamheid te verankeren;

32. betreurt opnieuw dat er nog geen duidelijk tijdschema en geen duidelijke gedragscode tussen Parlement, Raad en Commissie zijn afgesproken die een adequate samenwerking en het volledig betrekken van de drie betreffende EU-organen bij een passende verdere behandeling van de geïntegreerde richtsnoeren als fundamentele instrumenten van de strategie van Lissabon kunnen garanderen; verzoekt in dit verband de Raad en de Commissie onmiddellijk voorstellen te presenteren voor een nauwe samenwerking tussen de drie EU-instellingen met het oog op de aanstaande herziening van de geïntegreerde richtsnoeren;

0

0 0

33. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 205 van 6 augustus 2005, blz. 21.

(2)

Najaar 2006, nr. 5/2006.

(3)

http://ec.europa.eu/growthandjobs/key/nrp2006_de.htm.

(4)

PB C 117 E van 18 mei 2006, blz. 248.


TOELICHTING

Debatten over de hoofdkenmerken van het economisch beleid zijn in het Europees Parlement inmiddels een traditie geworden. Een traditie die onderhand even lang is als de lijst van aanbevelingen die de Raad, de Commissie en de lidstaten naast zich neer hebben gelegd. Alleen al het feit dat het Parlement telkens opnieuw moet wijzen op het ontbreken van samenwerking rechtvaardigt het opstellen van een nieuw verslag, hoewel de Commissie en de Raad hebben besloten de verleden jaar gepresenteerde geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid voor de periode 2005-2008 ongewijzigd te laten. In dit verslag ligt het accent echter niet op een bespreking van de bestaande richtsnoeren, maar veeleer op de uitvoering ervan door de lidstaten, gelet op een in velerlei opzicht nieuwe economische situatie. Bovendien kunnen de eerste voorstellen worden gedaan voor de aanstaande herziening van de richtsnoeren in het komend jaar.

Sinds ons laatste verslag over de richtsnoeren van het economisch beleid in 2006, dat werd uitgewerkt door José Manuel García-Margallo y Marfil, zijn in Europa doorslaggevende veranderingen opgetreden. Voor het eerst na zes jaar van geringe economische groei, respectievelijk van stagnatie en zelfs van recessie in sommige lidstaten, is er sprake van een duidelijke opleving van de Europese economie. De economische groei is in de EU tot 2,8% en in de eurozone tot 2.6% van het BBP gestegen. De groeiprognoses tot 2008 voorspellen een voortgezette solide groei van respectievelijk 2,4% en 2,1%. Tegelijkertijd is de situatie van de overheidsfinanciën verbeterd en is het gemiddelde begrotingstekort in 2006 gedaald naar 2% van het BBP.

Deze positieve ontwikkeling heeft ook gevolgen voor de arbeidsmarkt. De arbeidsproductiviteit is verdubbeld en de werkloosheid is gedaald naar 8%. Voor 2008 wordt rekening gehouden met een verdere daling van de werkloosheid naar 7,3% in de EU en 7,4% in de eurozone. In 2006 werden 2,9 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd, wat overeenkomt met een groei van de werkgelegenheid van 1,4%. Tot 2008 zouden nog 7 miljoen extra arbeidsplaatsen kunnen ontstaan waardoor de arbeidsparticipatie stijgt tot 65,5%.

Deze positieve trends zouden naar de mening van de rapporteur nu moeten worden benut. Nog lijkt het hem niet zeker of het bij de positieve kengetallen niet slechts gaat om een cyclische ontwikkeling. Ook laten de eerste evaluaties van de nationale hervormingsprogramma’s door de EU-Commissie nog geen conclusies toe voor wat betreft het aandeel dat is toe te schrijven aan de nationale hervormingsinspanningen. Allereerst wordt hier een opsomming gegeven van de verschillende activiteiten van de lidstaten, zonder ze grondig op dergelijke mogelijke causale verbanden te toetsen. Gelet op de onvolledigheid van de data lijkt het de rapporteur absoluut noodzakelijk dat de Commissie haar evaluatiewerkzaamheden intensiveert en desbetreffende gegevens sneller algemeen beschikbaar stelt.

Tegen de achtergrond van de empirisch vastgestelde feiten vindt de rapporteur het van belang dat de huidige opleving weliswaar gepaard gaat met een verdere verhoging van de EU-export (+8,5% in 2006), maar dat de onlangs verbeterde exportprestatie daarbij maar voor een gering gedeelte zelf verantwoordelijk is voor de opleving (maar 0,3%-punten van de huidige wederopbloei van 2,6% in de eurozone).

Een beslissende factor, naast de exportprestaties, is volgens hem veeleer de stabilisatie van de investeringsontwikkeling op korte termijn op de interne markt. Om de overwegend cyclische ontwikkeling om te buigen naar een structureel opwaartse lijn, is het volgens hem nodig de consumentenvraag op een hoog niveau te consolideren en de situatie op de arbeidsmarkt duidelijk te verbeteren, omdat alleen dat een langdurige opleving kan garanderen.

De rapporteur beschouwt de gemeenschappelijke valuta evenals de interne markt als buitengewoon grote verworvenheden, die de Europese economie versterken. Hij wenst een voortvarende uitvoering van het beleid inzake één Europese energiemarkt en verwacht extra impulsen van een niet-discriminerende toegang tot de dienstenmarkten, zolang de arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke maatstaven op de plaats waar de dienst wordt verricht niet door een asymmetrische rechtssituatie worden omzeild.

Maar principieel pleit hij ook voor een gericht moderniseringsbeleid, in lijn met de Lissabon-strategie, waarmee de lidstaten de economische opleving moeten ondersteunen. Hij beschouwt een politiek om het economisch beleid beter te coördineren als noodzakelijk én kansrijk en verlangt op dit punt meer betrokkenheid zowel bij de eurozone als bij de hele Europese Unie. Door hun samenwerking te intensiveren zou het de lidstaten bovendien moeten lukken hun economieën op toekomstige uitdagingen voor te bereiden, waarbij voor de rapporteur efficiëntie in de omgang met de beschikbare middelen en ecologische duurzaamheid beslissende concurrentiecriteria zijn.

Het veranderen van de voornamelijk cyclische opleving in een blijvende structurele verbetering van de economische ontwikkeling in Europa ziet de rapporteur als een opgave, die de lidstaten alleen kunnen oplossen door een coherent optreden en een intensievere samenwerking. Het Europees Parlement moet echter naar zijn opvatting een actievere rol kunnen spelen bij de vaststelling van het economisch beleid, om daarmee de lidstaten te helpen de gemeenschappelijk gemaakte afspraken te verwezenlijken. Het Europees Parlement is als het enige direct door de burgers gekozen orgaan van de Europese Unie het geschikte forum voor de evaluatie en analyse van strategieën en maatregelen, die door de lidstaten ter verbetering van de coördinatie van het economisch beleid en ter verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon worden uitgevoerd. Dat dient zich met oog op het ontwerp in 2007 en de volgende evaluatie van de nieuwe geïntegreerde richtsnoeren ook te weerspiegelen in passende institutionele rechten op deelname.


PROCEDURE

Titel

De situatie van de Europese economie: voorbereidend verslag over de globale richtsnoeren van het economisch beleid voor 2007

Procedurenummer

2006/2272(INI)

Commissie ten principale

        Datum bekendmaking toestemming

ECON

29.11.2006

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

EMPL
29.11.2006

ITRE
29.11.2006

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

EMPL
13.12.2006

ITRE
28.11.2006

 

 

 

Nauwere samenwerking

        Datum bekendmaking

 

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Udo Bullmann
25.9.2006

 

Vervangen rapporteur(s)

 

 

Behandeling in de commissie

23.10.2006

19.12.2006

23.1.2007

 

 

Datum goedkeuring

24.1.2007

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

34

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zsolt László Becsey, Pervenche Berès, Sharon Bowles, Udo Bullmann, Ieke van den Burg, David Casa, Corina Creţu, Philip Dimitrov Dimitrov, Jan Christian Ehler, Elisa Ferreira, José Manuel García-Margallo y Marfil, Robert Goebbels, Gunnar Hökmark, Othmar Karas, Piia-Noora Kauppi, Wolf Klinz, Guntars Krasts, Andrea Losco, Astrid Lulling, Gay Mitchell, Cristobal Montoro Romero, Joseph Muscat, John Purvis, Alexander Radwan, Bernhard Rapkay, Antolín Sánchez Presedo, Manuel António dos Santos, Peter Skinner, Margarita Starkevičiūtė, Ivo Strejček, Sahra Wagenknecht.

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Mia De Vits, Ján Hudacký, Thomas Mann, Giovanni Pittella, Poul Nyrup Rasmussen.

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Datum indiening

26.1.2007

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

 

Laatst bijgewerkt op: 1 februari 2007Juridische mededeling