over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2005, afdeling I – Europees Parlement
– gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2005(1),
– gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2005 – Deel I (SEC(2006)0915 – C6-0465/2006)(2),
– gezien het verslag over het budgettair en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2005, afdeling I - Europees Parlement(3),
– gezien het jaarverslag 2005 van de intern controleur,
– gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2005, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(4),
– gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(5),
– gelet op artikel 272, lid 10, en artikel 275 van het EG-Verdrag en artikel 179 bis van het Euratom-Verdrag,
– gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6), en met name de artikelen 145, 146 en 147,
– gelet op artikel 13 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(7),
– gelet op artikel 147, lid 1 van het Financieel Reglement, volgens welk elke instelling alles in het werk moet stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat,
– gelet op artikel 71, artikel 74, lid 3 en bijlage V van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0094/2007),
A. overwegende dat bij de controle door de Rekenkamer geen materiële fouten zijn vastgesteld (paragraaf 10.4),
B. overwegende dat de Rekenkamer gewezen heeft op aanhoudende tekortkomingen in de toezicht- en controlesystemen (paragrafen 10.5 - 10.10),
C. overwegende dat het Parlement in zijn antwoorden de maatregelen heeft uiteengezet die zijn genomen om een einde te maken aan de door de Rekenkamer geconstateerde tekortkomingen,
D. overwegende dat het Reglement van het Parlement op 23 oktober 2002 zodanig is gewijzigd dat kwijting moet worden verleend aan de Voorzitter en niet aan de secretaris-generaal,
1. verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2005;
2. formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;
3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europees toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).
2. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2005, afdeling I – Europees Parlement
– gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2005(8),
– gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2005 – Deel I (SEC(2006)0915 – C6-0465/2006)(9),
– gezien het verslag over het budgettair en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2005, afdeling I - Europees Parlement(10),
– gezien het jaarverslag van de intern controleur,
– gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2005, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(11),
– gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(12),
– gelet op artikel 272, lid 10, en artikel 275 van het EG-Verdrag en artikel 179 bis van het Euratom-Verdrag,
– gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name de artikelen 145, 146 en 147,
– gelet op artikel 13 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(14),
– gelet op artikel 147, lid 1 van het Financieel Reglement, volgens welk elke instelling alles in het werk moet stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat,
– gelet op artikel 71, artikel 74, lid 3 en bijlage V van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0094/2007),
A. overwegende dat bij de controle door de Rekenkamer geen materiële fouten zijn vastgesteld (paragraaf 10.4),
B. overwegende dat de Rekenkamer gewezen heeft op aanhoudende tekortkomingen in de toezicht- en controlesystemen (paragrafen 10.5 - 10.10),
C. overwegende dat het Parlement in zijn antwoorden die maatregelen heeft uiteengezet die zijn genomen om een einde te maken aan de door de Rekenkamer geconstateerde tekortkomingen,
D. overwegende dat het Reglement van het Parlement op 23 oktober 2002 zodanig is gewijzigd dat kwijting moet worden verleend aan de Voorzitter en niet aan de secretaris-generaal,
E. overwegende dat zijn resolutie van 26 september 2006(15) over de kwijting voor het begrotingsjaar 2004 een vervolg dient te krijgen en dat de vorderingen bij de uitvoering van de daarin vervatte aanbevelingen dienen te worden onderzocht,
F. overwegende dat het Statuut van de leden van het Europees Parlement van 28 september 2005(16) na de op 19 juli 2005 in de Raad bereikte overeenstemming op de eerste dag van de in 2009 beginnende zittingsperiode van kracht zal worden,
G. overwegende dat de Codex voor parlementaire medewerkers is aangenomen door het Bureau op 25 september 2006(17),
De rekeningen van het Europees Parlement, met bijzondere aandacht voor het gebouwenbeleid
1. stelt vast dat het Parlement in 2005 ontvangsten had ten bedrage van EUR 112 393 557 (2004: EUR 117 409 824);
2. neemt kennis van de bedragen waarmee de jaarrekening van het Parlement voor het begrotingsjaar 2005 werd afgesloten:
(in EUR)
Besteding kredieten
Kredieten voor het begrotingsjaar 2005
Uit het begrotingsjaar 2004 overgeboekte kredieten
Kredieten 2005
Vooraf toegewezen ontvangsten
Artikel 9, lid 1 & artikel 9, lid 4 van het Financieel Reglement
Beschikbare kredieten
1 264 024 722 (100%)
31 412 881 (100%)
281 461 344 (100%)
Aangegane betalingsverplichtingen
1 249 096 468 (98,82%)
Verrichte betalingen
941 932 832 (75,40%)
29 679 028 (94,48%)
259 853 230 (92,32%)
Naar 2006 overgeboekte kredieten
Artikel 9, lid 1 & lid 2 Financieel Reglement
Artikel 9, lid 1, 9, lid 2a & 9, lid 5 Financieel Reglement
307 163 636
200 000
Vervallen kredieten
14 728 254
-
21 608 114 (7,68%)
Balans per 31 december 2005: 1 520 822 777
3. stelt vast dat in 2005 98,82% van de in de begroting van het Parlement opgevoerde kredieten is omgezet in betalingsverplichtingen, met een vervalpercentage van 1,18%, en dat evenals in de vorige jaren een zeer hoog uitvoeringspercentage van de begroting is gerealiseerd;
4. herinnert er evenwel aan dat dit hoge bestedingspercentage gedeeltelijk is terug te voeren op de sinds 1992 gebruikelijke praktijk van collectieve overschrijvingen, waarmee aan het einde van het jaar alle nog beschikbare kredieten worden overgedragen naar begrotingslijnen voor het gebouwenbeleid, in het bijzonder voor versnelde kapitaalaflossing ter vermindering van toekomstige rentebetalingen; zo is door middel van een collectieve overschrijving eind 2005 EUR 124 144 556 (ongeveer 10% van de kredieten) beschikbaar gekomen; van dit bedrag
• is EUR 75,7 miljoen gebruikt voor de aankoop van het Winston Churchillgebouw (WIC) en het Salvador de Madariagagebouw (SDM) in Straatsburg,
• is EUR 46,2 miljoen overgeschreven ten behoeve van een vervroegde betaling van de jaarlijkse huurkooptermijn voor het D4- en D5-gebouw in Brussel,
• is EUR 2,3 miljoen gereserveerd voor het Europahuis in La Valetta;
daarnaast heeft het Parlement door middel van normale overschrijvingen - samen met de Commissie - het Europahuis in Kopenhagen (EUR 10,6 miljoen) en dat in Den Haag (EUR 7,4 miljoen) aangekocht;
5. herinnert zijn bevoegde organen aan zijn besluit dat "terugbetalingen voor gebouwen (...) in het kader van de begrotingsstrategie moeten worden vastgesteld"(18); uit derhalve kritiek op zijn bevoegde organen omdat zij bij voortduring verzuimen het gebouwenbeleid van het Parlement voor toekomstige aankopen voldoende duidelijk te begroten (de begrotingslijn "verwerving van onroerende goederen" vertoont voor de jaren 2005, 2006 en 2007 slechts een symbolische vermelding);
6. herhaalt zijn wens dat artikel 16 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement zodanig wordt gewijzigd dat voor bouwprojecten met aanzienlijke financiële gevolgen voor de begroting van het Parlement de instemming van de Begrotingscommissie vereist is;
7. verzoekt de begrotingsautoriteit nogmaals de begrotingsprognoses zodanig op te stellen dat de in de ontwerpbegroting opgevoerde bedragen de reële behoeften op de diverse beleidsterreinen van het Parlement weerspiegelen; verzoekt de gedelegeerde ordonnateurs in hun jaarlijks activiteitenverslag duidelijk de ontvangen jaarlijkse kredieten, de aangegane vastleggingen, de verrichte betalingen en de niet-bestede bedragen aan te geven; verzoekt voorts de gedelegeerde ordonnateurs - zoals al tot op zekere hoogte is gebeurd - de redenen aan te geven voor het niet volledig besteden van de begrotingskredieten;
8. is ervan op de hoogte dat de Rekenkamer in de nabije toekomst een speciaal verslag zal publiceren over het gebouwenbeleid van de instellingen; verzoekt zijn bevoegde commissie op basis van dit speciaal verslag een initiatiefverslag op te stellen; is voorts van mening dat deze commissie, als zij daartoe besluit, het recht moet hebben zonder voorafgaande toestemming en buiten het voor zulke verslagen vastgestelde quotum om initiatiefverslagen over elk speciaal verslag van de Rekenkamer op te stellen;
9. betreurt het dat de begrotingslijn voor de voorlichtingsbureaus van het EP nog steeds ongedifferentieerd is en spreekt de wens uit dat alle voorlichtingsbureaus worden onderzocht op de beste praktijken, rekening houdend met de kosten-batenverhouding;
Opmerkingen van de Rekenkamer over het begrotingsjaar 2005
10. acht het verheugend dat bij de controle door de Rekenkamer geen materiële fouten zijn vastgesteld (paragraaf 10.4);
11. neemt nota van de opmerkingen van de Rekenkamer met betrekking tot de nieuwe computertoepassing voor de berekening van de personeelssalarissen en tevens van het antwoord van de bevoegde EP-dienst waarin wordt onderstreept dat sinds maart 2006 stelselmatig controles ex post plaatsvinden;
12. neemt kennis van de kritiek van de Rekenkamer op de forfaitaire betalingen voor reizen van personeelsleden tussen de drie gebruikelijke vergaderplaatsen; wijst er evenwel op dat het de bedoeling van de EP-administratie was om een evenwicht te vinden tussen de voorschriften in de regelgeving en de eisen die de specifieke arbeidsomstandigheden van de instelling stellen; verzoekt de Rekenkamer de werking van het stelsel van forfaitaire vergoedingen te bewaken en de kwijtingsautoriteit te waarschuwen als zij aanwijzingen van misbruik vaststelt;
13. merkt op dat de Rekenkamer heeft gewezen op gebreken in de toezicht- en controlesystemen (paragraaf 10.9) met betrekking tot de betaling van toelagen aan leden van het Europees Parlement; acht het verontrustend dat medio 2006 slechts 54% van de diensverleners en slechts 29% van de betalingsgemachtigden facturen over de periode juli 2004 tot juli 2005 had ingediend; merkt op dat het internecontroleonderzoek naar de vergoeding aan leden voor parlementaire medewerkers tijdig voor de kwijtingsprocedure 2006 zal zijn afgerond;
Jaarverslag van de intern controleur
14. merkt op dat de Dienst interne controle in 2005 zeven verslagen heeft opgesteld: het jaarverslag van de intern controleur en verslagen over de follow-up van zijn evaluatie van het internecontrolekader (ICK) van de directoraten-generaal, over bestedingsprocedures en over twee voorlichtingsbureaus van het Parlement (verder zijn er twee verslagen over de Europese ombudsman goedgekeurd);
15. acht het verheugend dat de intern controleur niet alleen bereid was de rapporteur voor de kwijting van het Parlement bij te staan, maar ook om - voor het eerst in eigen persoon - de bevindingen in zijn jaarverslag 2005 officieel aan de Commissie begrotingscontrole te presenteren en daarmee duidelijk te maken dat zijn verslag niet alleen een hulpmiddel voor het interne management is, maar ook een belangrijk referentiepunt in de jaarlijkse kwijtingsprocedure;
16. onderstreept dat de controles hebben bevestigd dat de instelling zich nog in een overgangsfase bevindt tussen twee fundamenteel verschillende stelsels van interne controle en dat er meer tijd voor nodig is om volledig uitvoering te geven aan het ICK in alle diensten;
17. juicht het toe dat de intern controleur zijn werkzaamheden in 2005 heeft toegespitst op de aanbestedingsprocedure en op de follow-up van de actieplannen die zijn overeengekomen naar aanleiding van de evaluatie van het ICK in 2003 en 2004;
18. vestigt op het gebied van aanbestedingen de aandacht met name op het volgende:
• er moet redelijke zekerheid worden verkregen dat de aanbesteding zal voldoen aan onderliggende behoeften en in overeenstemming met de voorschriften, kostenefficiënt en transparant is,
• er moet duidelijke, complete aanbestedingsdocumentatie worden verstrekt,
• er moeten adequate uitsluitings-, selectie- en gunningscriteria worden opgesteld,
• in de contacten met de inschrijvers moet worden gezorgd voor tijdige informatievoorziening, gelijke behandeling en transparantie,
• een transparante en consistente besluitvorming van het met de opening belaste comité moet gewaarborgd zijn,
• de evaluatie van inschrijvingen moet gebaseerd zijn op de aangekondigde criteria,
• de gunning van opdrachten moet via een volledige reeks controleonderzoeken kunnen worden getraceerd,
• de contractuele bepalingen moeten in overeenstemming zijn met de specificaties in de aanbestedingen,
• het realiseren van deze doelstellingen impliceert dat er adequate controles in een vroeg kritiek stadium van de aanbestedingsprocedure worden uitgevoerd,
• het vooraf verifiëren van budgettaire vastleggingen voor aanbestedingen moet doeltreffender gebeuren;
19. verzoekt de Rekenkamer uiterlijk in het begrotingsjaar 2008 na te gaan in hoeverre deze streefdoelen op het gebied van aanbestedingen zijn gehaald;
20. herhaalt dat de ICK's die door de gedelegeerde ordonnateurs zijn ingesteld, de volgende controledoelstellingen hebben: naleving van de toepasselijke wetgeving, voorschriften en praktijken, betrouwbaarheid van de informatie en documenten van het management, en de zuinigheid, doeltreffendheid en doelmatigheid van de verrichtingen;
21. herinnert er verder aan dat de ordonnateurs aan tweeëntwintig minimumnormen moeten voldoen om de controledoelstellingen te halen; deze normen kunnen worden onderverdeeld in vijf categorieën: controleomgeving, prestatie- en risicobeheer, informatie en communicatie, controleactiviteiten en bewaking (auditcontrole en evaluatie);
22. onderstreept het volgende op het gebied van de ICK's (de Dienst interne controle is in 2003/2004 454 acties met de ordonnateursdiensten overeengekomen en heeft vervolgonderzoek uitgevoerd om na te gaan of deze behoorlijk zijn uitgevoerd; tot dusverre is de status van 341 acties op deze wijze gevalideerd):
• van de 37 acties ter behoordeling van het computersysteem dat wordt gebruikt voor het beheer van budgettaire transacties waren er eind 2005 slechts 3 nog niet uitgevoerd en nog eens 9 slechts gedeeltelijk uitgevoerd;
• van de 304 acties ter behoordeling van de mate van naleving van de minimumnormen inzake interne controle en de controledoelstellingen waren er 150 volledig en 86 gedeeltelijk uitgevoerd en hadden de betrokken diensten ten aanzien van de overige 68 nog geen maatregelen genomen;
• voor alle overige acties die nog niet volledig zijn uitgevoerd, is de Dienst interne controle een herzien schema met de ordonnateursdiensten overeengekomen, waarop de dienst in 2007 zal terugkomen;
23. betreurt het dat het controleonderzoek naar de vergoedingen aan de leden voor parlementaire medewerkers niet tijdig voor de kwijtingsprocedure 2005 gereed was; verzoekt zijn bevoegde commissie de bevindingen van dit onderzoek in een later stadium met de nodige aandacht te bestuderen;
Financieel beheer van het Europees Parlement
24. merkt op dat de analyse van het financieel beheer bij de rekeningen over 2005 een nuttig overzicht biedt van de belangrijkste financiële gebeurtenissen in het onderzochte jaar;
25. wijst erop dat een deel van de managementactiviteiten binnen het Parlement in 2005 nog gericht was op aanpassing aan de nieuwe eisen die het Financieel Reglement stelt, de instelling van nieuwe controlesystemen, methodologieën en werkmethoden, de ontwikkeling van opleidingsprogramma's en de vaststelling van nieuwe verantwoordelijkheidslijnen;
26. merkt op dat de eerste ervaringen met de toepassing van de bepalingen van het nieuwe Financieel Reglement in een instelling als het Parlement, dat een huishoudelijke begroting moet beheren, uitwijzen dat in sommige gevallen al te complexe systemen en financiële circuits zijn ingesteld;
27. merkt op dat sommige directoraten-generaal nog steeds van mening zijn dat bepaalde voorschriften in het Financieel Reglement en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen tot buitensporige bureaucratisering van het algemene internecontroleproces leiden en een te grote last op het management leggen;
28. merkt op dat in het voormalige Directoraat financiële controle 18 personeelsleden (op een totaal van 20) belast waren met controletaken, terwijl in de nieuwe structuur die met het nieuwe Financieel Reglement is ingevoerd, 44 personeelsleden zich in de verschillende directoraten-generaal met deze taken bezighouden; daarnaast zijn er 10 controleurs (op een totaal personeelsbestand van 12) werkzaam in de Dienst interne controle;
29. bevestigt nogmaals het standpunt dat hij heeft ingenomen in zijn resoluties van 26 september 2006(19), 12 april 2005(20), 21 april 2004(21) en 8 april 2003(22) dat "de kwijtingsprocedure niet alleen het management van de secretaris-generaal van het Parlement en de Administratie moet omvatten, maar ook de besluiten die door de bestuurlijke organen van de Instelling, d.w.z. de Voorzitter, het Bureau en de Conferentie van voorzitters zijn genomen";
30. onderstreept dat het Parlement geen kwijting verleent aan de secretaris-generaal, maar aan de Voorzitter; verwacht daarom dat de Voorzitter tijdens de kwijtingsprocedure beschikbaar is voor een formele, openbare dialoog in de Commissie begrotingscontrole;
31. juicht het toe dat het Bureau een discussie is begonnen over zijn betrekkingen met de begrotings- en kwijtingsautoriteit om duidelijkheid te verkrijgen over de precieze praktische betekenis van de politieke verantwoordelijkheid van de leden van de bestuurlijke organen van het Parlement met betrekking tot de uitoefening van bevoegdheden en het nemen van besluiten met aanzienlijke financiële gevolgen; verzoekt het nieuw verkozen Bureau deze discussie te hervatten en de betrokken commissies bij dit debat te betrekken;
32. acht het verheugend dat de secretaris-generaal een beknopt, goed leesbaar document heeft opgesteld met uitleg bij de begroting van 2004 en 2005 en dat dit document ook beschikbaar is op de website van het Parlement;
Activiteitenverslagen van de directeuren-generaal
33. wijst erop dat de secretaris-generaal van het Parlement de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal over 2005 op 10 april 2006 aan de Commissie begrotingscontrole heeft toegezonden; in dat verband heeft de secretaris-generaal in zijn hoedanigheid van gedelegeerd ordonnateur verklaard redelijke zekerheid te hebben dat de begroting van het Parlement overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer was uitgevoerd en dat het ingestelde controlekader de vereiste waarborgen bood met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;
34. juicht het toe dat alle directeuren-generaal een onvoorwaardelijke betrouwbaarheidsverklaring hebben afgegeven met betrekking tot de financiële verrichtingen van hun diensten;
35. waardeert de vooruitgang die is geboekt bij het harmoniseren van de presentatie en structuur van de jaarlijkse activiteitenverslagen; blijft evenwel van mening dat het mogelijk moet zijn de leesbaarheid en vergelijkbaarheid verder te vergroten; verzoekt zijn diensten een samenvatting van één bladzijde op te nemen met opgave van de ontvangen kredieten, aangegane verplichtingen, verrichte betalingen en gebruik van de niet-bestede bedragen (d.w.z. overdracht, overschrijvingen, collectivering, enz.), alsmede van de belangrijkste gebeurtenissen van het afgelopen begrotingsjaar;
36. merkt op dat uit de conclusies in de activiteitenverslagen de volgende algemene uitdagingen naar voren komen: - de praktische toepassing van het kader voor interne controle vergt meer tijd dan aanvankelijk aangenomen, - uitvoering van de begroting in het kader van het nieuwe Financieel Reglement, - het op korte termijn uitvoering geven aan politieke verzoeken, - aanwerving en integratie van nieuwe personeelsleden;
Overheidsopdrachten
37. herinnert eraan dat volgens de artikelen 54 en 119 van de uitvoeringsvoorschriften voor het Financieel Reglement(23) de instellingen de begrotingsautoriteit verslagen doen toekomen over onderhandelingsprocedures en over opdrachten die niet vallen onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten; een lijst van contractanten aan wie opdrachten met een waarde van meer dan EUR 50 000, maar minder dan de in de betrokken richtlijnen vermelde drempelwaarden zijn gegund, wordt in het Publicatieblad gepubliceerd, en de opdrachten met een waarde van EUR 13 800 tot EUR 50 000 worden gepubliceerd op de websites van de instellingen; daarnaast heeft het Parlement zijn secretaris-generaal in 2003 verzocht jaarlijks verslag uit te brengen over de afgesloten contracten(24);
38. constateert dat het jaarverslag de volgende gegevens bevat over de in 2005 gegunde opdrachten met een waarde van EUR 13 800 of meer:
Soort opdracht
Aantal
[2004 in ()]
Percentage
[2004 in ()]
Bedrag in EUR
[2004 in ()]
Percentage
[2004 in ()]
Diensten
199 (229)
64% (58%)
89 551 639
(180 927 304)
44% (75%)
Leveringen
53 (99)
17% (25%)
29 036 604
(26 500 867)
14% (11%)
Werkzaamheden
48 (60)
15% (15%)
13 763 856
(18 876 271)
7% (8%)
Gebouwen
12 (4)
4% (2%)
73 149 658
(15 593 025)
35% (6%)
Totaal
312 (392)
100%
205 501 756
(241 897 467)
100%
Soort procedure
Aantal
[2004 in ()]
Percentage
[2004 in ()]
Bedrag in EUR
[2004 in ()]
Percentage
[2004 in ()]
Gem. bedrag
[2004 in ()]
Openbaar
64 (95)
21% (24%)
94 187 176
(157 909 034)
71% (70%)
1 471 675
(1 662 200)
Niet-openbaar
112 (110)
37% (28%)
26 676 276
(39 897 441)
20% (18%)
238 181
(362 704)
Onderhandelingen
124 (183)
42% (48%)
11 488 646
(28 497 967)
9% (12%)
92 650
(155 727)
Totaal
300 (388)
100%
132 352 098
(226 304 442)
100%
441 174
(585 259)
39. wijst erop dat van de 312 gegunde opdrachten er 147 een waarde van ten minste EUR 50 000 hadden, terwijl er 165 tussen EUR 13 800 en EUR 50 000 lagen; vraagt zijn administratie of deze van mening is dat de bestaande procedures voor de gunning van laatstgenoemde soort opdrachten in het kader van het herziene Financieel Reglement doeltreffend genoeg zijn;
40. herinnert eraan dat de intern controleur voor de gehele instelling een audit van het aanbestedingsproces heeft afgerond; zijn aanbevelingen kunnen hierboven worden gevonden;
41. juicht het toe dat - wat de waarde betreft - 91% van de opdrachten is gegund via een openbare (71%) of een niet-openbare (20%) procedure;
42. neemt nota van het antwoord van de secretaris-generaal(25), waarin hij de maatregelen beschrijft die zijn genomen om overeenkomstig artikel 95 van het Financieel Reglement een gegevensbank over opdrachten op te zetten; erkent tegelijkertijd dat het herziene Financieel Reglement nu voorziet in één centrale gegevensbank voor alle instellingen, die beheerd wordt door de Commissie;
Fracties (beoordeling van rekeningen en procedures - begrotingspost 3701)
43. herinnert eraan dat paragraaf 2.7.3 van de voorschriften betreffende het gebruik van kredieten uit begrotingspost 3701(26) bepaalt dat het Bureau en de Commissie begrotingscontrole de gecontroleerde jaarrekeningen van de fracties behandelen overeenkomstig de bevoegdheden die het Reglement hun toekent;
44. herhaalt dat de fracties zelf verantwoordelijk zijn voor het beheer en de besteding van hun gelden uit de begroting van het Parlement en dat het mandaat van de Dienst interne controle van het Parlement zich niet uitstrekt tot de voorwaarden waaronder gebruik wordt gemaakt van de kredieten uit begrotingspost 3701;
45. juicht het toe dat de fracties hun interne financiële voorschriften en rekeningen voor 2005 op de website van het Parlement hebben gepubliceerd;
46. registreert voor 2005 de volgende bestedingscijfers voor de kredieten uit begrotingspost 3701:
(in duizend EUR)
Totaal beschikbaar op begroting
61 973
Niet-ingeschrevenen
1 329
Beschikbaar voor fracties
60 644
Fractie
Toewijzing uit begroting Parlement
Eigen middelen fracties en overdracht
Uitgaven in 2005
Bestedings-percentage
Plafond overdracht *)
Overgedragen naar 2006
PPE-DE
17 282
4 510
15 066
69%
8 641
6 727
PSE
13 107
5 447
11 679
63%
6 554
6 554
ALDE
5 783
2 251
4 354
54%
2 892
2 892
Verts/ALE
2 712
777
2 448
71%
1 356
1 040
GUE/NGL
2 726
1 223
2 735
69%
1 363
1 214
UEN
1 672
284
1 525
78%
836
430
IND/DEM
2 182
688
2 044
71%
1 091
826
NI
1 110
219
986
74%
555
260
TOTAAL
46 575
15 399
40 837
66%
23 287
19 942
*) Overeenkomstig uitvoeringsvoorschriften voor begrotingspost 3701
47. neemt kennis van de bevestigingen van de externe controleurs van de fracties dat de rekeningen in overeenstemming waren met de huidige voorschriften en de internationale boekhoudkundige normen;
48. neemt er kennis van dat het Bureau op 3 juli 2006 de fractieverslagen over de begrotingsuitvoering en de verslagen van de respectieve controleurs heeft goedgekeurd; in dit verband heeft de PSE-Fractie EUR 322 107 en de ALDE-Fractie EUR 788 845 aan niet-bestede middelen teruggestort in de begroting van het Parlement, omdat deze bedragen niet konden worden overgedragen;
49. merkt op dat de fracties - gemiddeld - slechts 66% van de beschikbare kredieten hebben besteed (2004: 74%);
Europese politieke partijen
50. stelt vast dat voor de afsluiting van het begrotingsjaar 2005 de volgende rekeningen zijn ingediend:
Uitvoering begroting 2005 volgens akkoord (in EUR)
Partij *)
eigen middelen
totale subsidie van EP
totale ontvangsten
subsidie als % van subsidiabele uitgaven
(max. 75%)
PPE
1 053 583.60
2 398 941.14
3 452 524.74
70,08%
PSE
848 943.72
2 489 175.00
3 338 118.72
74,76%
ELDR
358 234.17
819 562.69
1 177 796.86
70,10%
EFGP
205 699.82
568 261.00
773 960.82
73,64%
AEN
38 184.98
114 330.48
152 515.46
74,96%
PDE
85 932.25
253 933.49
339 865.74
74,86%
GE
121 956.00
365 868.00
487 824.00
69,49%
EFA
84 530.51
217 906.00
302 436.51
72,05%
Totaal
2 797 065.05
7 117 977.80
10 025 042.85
72,18%
PPE: Europese Volkspartij; PSE: Partij van Europese Socialisten; ELDR: Europese Liberale en Democratische Partij; EFGP: Europese Federatie van Groene Partijen; AEN: Unie voor een Europa van de Naties; PDE: Europese Democratische Partij: GE: Partij van Europees Links; EFA: Europese Vrije Alliantie
51. onderstreept dat de externe controleurs van de partijen hebben bevestigd dat de rekeningen in overeenstemming waren met de statutaire bepalingen in de artikelen 6, 7, 8 en 10 van Verordening (EG) Nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het Statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau en de voorschriften inzake hun financiering(27) en dat de rekeningen een waarheidsgetrouw beeld gaven van de financiële situatie van de politieke partijen aan het eind van het begrotingsjaar 2005;
52. stelt evenwel vast dat
• de Partij van Europees Links (GE) haar voorlopige begroting heeft overschreden en een verlies van EUR 42 000 heeft geleden, hetgeen niet volledig is gedekt door beschikbaar kapitaal; de partij moet haar interne controlestructuren daarom aanzienlijk verbeteren en onmiddellijk rekapitaliseren om te voldoen aan de verplichtingen over 2005 en voldoende reserve voor de toekomst te waarborgen,
• de begrotingsuitvoering van de Unie voor een Europa van de Naties (AEN) en de Europese Democratische Partij (PDE) is achtergebleven bij hun voorlopige begrotingen, hetgeen heeft geleid tot een verlaging van de subsidie en de terugvordering van het te veel betaalde (EUR 110 669,52 van de AEN en EUR 113 690,51 van de PDE);
53. wijst erop dat de partijen op Europees niveau een hoge bestedingsgraad hebben bereikt voor de kredieten waarover zij kunnen beschikken;
54. onderstreept opnieuw het belang van zijn voorstellen voor verdere verbetering van Verordening (EG) nr. 2004/2003, zoals uiteengezet in zijn verslag van 23 maart 2006(28);
55. is erover verheugd dat de volgende verbeteringen bij de financiering van de Europese politieke partijen konden worden verwezenlijkt door een besluit van het Bureau van 1 februari:
• uitgaven die kunnen worden vergoed uit de subsidie voor het lopende jaar (n), kunnen worden verricht in het jaar n+1,
• het Bureau heeft voor de periode 2007-2009 een indicatieve meerjarenbegroting goedgekeurd;
56. blijft ervan overtuigd dat de Europese politieke partijen de mogelijkheid moeten hebben reserves op te bouwen om aan hun statutaire verplichtingen jegens hun werknemers en contractanten te voldoen, mocht de partij worden opgeheven; verzoekt de Commissie niet langer in gebreke te blijven bij het nakomen van de toezegging die zij tijdens de overlegprocedure op 21 november 2006 heeft gedaan, en een voorstel in te dienen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2004/2003, door passende voorschriften in te voeren waarmee het in artikel 109 van het Financieel Reglement geformuleerde verbod op winstoogmerk niet van toepassing wordt verklaard op de eigen middelen, met name bijdragen en contributiegelden, die bij de jaarlijkse activiteiten van een politieke partij op Europees niveau worden vergaard en meer bedragen dan de 25% aan in aanmerking te nemen kosten die op grond van artikel 10, lid 2 van Verordening (EG) nr. 2004/2003 door de begunstigde moeten worden gedragen;
Gebouwenbeleid van het Parlement
57. is zich ervan bewust dat het vast beleid van het Parlement is de eigendom te verwerven van de gebouwen waarvan het gebruik maakt; dientengevolge heeft het van 1992 tot 2005 EUR 1 400 miljoen in onroerende goederen geïnvesteerd en daarmee naar eigen berekeningen tot eind 2006 EUR 700 miljoen aan huur en lasten bespaard;
Straatsburg
58. herhaalt dat de Commissie begrotingscontrole ter voorbereiding van de kwijtingverlening aan het Parlement voor 2004 uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de gebeurtenissen rond de aankoop van het Winston Churchillgebouw (WIC), het Salvador de Madariagagebouw (SDM)en het IPE III-gebouw;
59. stelt vast dat de informele werkgroep van de Commissie begrotingscontrole, die is ingesteld ter voorbereiding van de kwijtingverlening voor 2004, tot de conclusie is gekomen dat zich enkele onregelmatigheden hebben voorgedaan, en is van mening dat nader onderzoek van voordeel zou kunnen zijn;
60. onderstreept dat het Parlement sindsdien na een unaniem besluit van het Bureau op 23 oktober 2006 eigenaar van deze drie gebouwen is geworden; de financiële en juridische bepalingen in de verkoopakte bepalen het volgende:
• een verkoopprijs van EUR 143 125 000, bij ondertekening contant te betalen, waarbij de twee locaties voor het symbolische bedrag van EUR 1 per stuk zijn afgestaan,
• het Parlement geniet vanaf de datum van ondertekening van de akte de eigendom van de gebouwen,
• het in eerste instantie met SCI-Erasme overeengekomen programma voor renovatiewerkzaamheden aan de gebouwen wordt onder verantwoordelijkheid van de stad Straatsburg voortgezet en afgerond,
• de stad Straatsburg zorgt voor de financiering en de uitvoering van de werkzaamheden die nodig zijn om het IPE III-gebouw uiterlijk op 31 december 2007 te kunnen aanmerken als "voor het publiek toegankelijk gebouw, categorie 1";
61. stelt vast het Bureau bij die gelegenheid ook toestemming heeft verleend voor de betaling van huur voor de drie gebouwen voor het jaar 2006 tot de ondertekening van de kaderovereenkomst (28 september 2006), overeenkomstig het advies van de Juridische Dienst van 26 juni 2006: EUR 7 352 644,14 voor het WIC en het SDM en EUR 4 023 329,90 voor het IPE III;
62. stelt voorts vast dat de verkoopakte bepaalt dat als het Parlement het gehele gebouwencomplex zou afstaan aan een derde die geen instelling of orgaan van de Europese Unie is, de eigendom van de locatie(s) voor het symbolisch bedrag van EUR 1 zou terugvallen aan de stad Straatsburg; de voor de gebouwen te betalen prijs zou in wederzijds overleg worden vastgesteld tussen Parlement en de stad Straatsburg of, indien dit niet mogelijk is, door een deskundige worden bepaald;
Luxemburg
63. neemt kennis van de onderdelen van de kaderovereenkomst tussen de Luxemburgse autoriteiten en het Parlement betreffende de uitbreiding van het Konrad Adenauergebouw (KAD I en II); de kaderovereenkomst heeft betrekking op de grond, het recht van het Parlement de gebouwen geheel of gedeeltelijk te huren en de voorwaarden voor de verlening van een zakelijk recht aan een eventuele koper van de gebouwen;
64. stelt voorts vast dat de kosten van het projectbeheer voor de uitvoering van verdere studies, het projectbeheer voor de modernisering van het KAD en de uitvoeringscontracten geraamd zijn op EUR 345 170 900 (waarde mei 2005);
65. wijst erop dat het zal streven naar milieucertificering van de KAD-uitbreiding, aangezien het is aangesloten bij EMAS (milieubeheer- en milieuauditsysteem);
Brussel
66. herinnert eraan dat het op 10 oktober 2004 een langlopend contract met de projectontwikkelaar heeft ondertekend betreffende het zakelijk recht inzake de bouw van de D4- en D5-gebouwen met koopoptie; de totale begroting bedraagt EUR 325,2 miljoen; aan voorschotten is EUR 192,6 miljoen betaald;
67. merkt op dat het Bureau in juli 2005 goedkeuring heeft gegeven voor de inrichting van een ruimte voor culturele activiteiten en van een Europees Bezoekerscentrum in het D4-gebouw;
68. benadrukt dat de Belgische regering, het meest recentelijk in een brief van premier Guy Verhofstadt van 28 september 2004, heeft toegezegd dat de kosten van de grond en het bouwrijp maken daarvan aan het Parlement zullen worden vergoed en dat deze standaardprocedure ook geldt voor de overige Europese instellingen;
69. betreurt het evenwel dat de Belgische autoriteiten - tot dusverre - de overeenkomst inzake de op EUR 43 miljoen geraamde grondkosten niet zijn nagekomen en dat zij het totale aan het Parlement te vergoeden bedrag voor het bouwrijp maken van de locatie voor de D4-D5-gebouwen, die de diensten van het Parlement op EUR 30,8 miljoen ramen, betwisten;
70. beschouwt het aanbod van de Belgische autoriteiten ter waarde van EUR 15 miljoen als onaanvaardbaar; is van mening dat de kosten in verband met het bestraten van het dak op het spoorwegstation, dat een openbare weg is, - om principiële redenen - niet uit de begroting van het Parlement kunnen worden gefinancierd;
71. betuigt zijn steun aan de Voorzitter en het Bureau bij het zoeken naar een oplossing voor de geschillen die tussen de Belgische autoriteiten en het Parlement zijn gerezen, waarbij de financiële en institutionele belangen van het Parlement dienen te worden gevrijwaard;
72. verzoekt daarom de Belgische regering de hierboven genoemde overeenkomst na te komen;
73. is van mening dat de bouw van de nieuwe gebouwen van het Parlement en de latere investeringen in bouwwerkzaamheden rond deze gebouwen gevolgen voor de omgeving hebben gehad op het gebied van huisvesting, verkeer, arbeids- en leefomstandigheden en verzoekt daarom zijn secretaris-generaal een beleid te voeren dat voorziet in regelmatig overleg met vertegenwoordigers van de wijkbewoners en tijdig voor de volgende kwijting verslag uit te brengen over de resultaten die zijn behaald bij het streven om in samenwerking met de plaatselijke instanties het eventuele negatieve effect van de aanwezigheid van het Parlement te beperken;
Vrijwillige pensioenregeling
74. herinnert eraan dat de Rekenkamer er in zijn jaarverslagen herhaaldelijk, en laatstelijk in 2005 (tabel 10.2), op heeft gewezen dat er een adequate rechtsgrondslag moet worden gecreëerd voor de aanvullende pensioenregeling van het Parlement; herinnert eraan dat er volgens de Rekenkamer verder duidelijke regels moeten worden opgesteld voor het geval van een tekort; merkt evenwel op dat volgens de juridische diensten van het Parlement een adequate rechtsgrondslag voor de aanvullende pensioenregeling reeds bestaat in het kader van de regelgevende autonomie van het Europees Parlement, zoals verankerd in artikel 199 van het EG-Verdrag (ex artikel 142 van het EEG-Verdrag), dat het Europees Parlement het recht verleent alle voor de interne organisatie vereiste maatregelen te nemen, en dat bovendien bij de inwerkingtreding van het Statuut van de leden artikel 27 van dat Statuut de rechtsgrondslag voor het pensioenfonds zal vormen;
75. stelt vast dat het vrijwillig pensioenfonds in november 2005 475 leden telde, die maandelijks een - rechtstreeks op de algemene onkostenvergoeding ingehouden - bijdrage van EUR 948 betaalden, zijnde eenderde; tegelijkertijd betaalde het Parlement maandelijks een bijdrage van EUR 1 896 per lid;
76. verzoekt de deelnemers aan het vrijwillig pensioenfonds om uiterlijk eind november 2007 aan te tonen dat hun op de algemene onkostenvergoeding ingehouden bijdragen zijn terugbetaald uit een particuliere bron van inkomsten; anders blijven de deelnemers aan het fonds blootstaan aan beschuldigingen dat zij verborgen extra inkomsten verkrijgen;
77. verzoekt zijn administratie de betalingen - met ingang van januari 2008 - stop te zetten voor leden die niet hebben aangetoond dat hun persoonlijke bijdrage aan het vrijwillig pensioenfonds is terugbetaald uit een particuliere bron van inkomsten;
78. herinnert het Bureau en zijn administratie eraan om vóór 30 maart 2007 maatregelen voor te stellen die ervoor moeten zorgen dat de deelnemers aan het fonds hun persoonlijke betalingen aan de pensioenregeling via een opdracht tot rechtstreekse afschrijving uit een persoonlijke bron van inkomsten verrichten(29);
79. verzoekt zijn administratie een einde te maken aan de praktijk waarbij de bijdragen aan het vrijwillig pensioenfonds automatisch worden afgetrokken van de algemene kostenvergoeding, teneinde te waarborgen dat de betrokken aangesloten leden dergelijke bijdragen zichtbaar uit hun eigen middelen financieren;
80. verzoekt DG Financiën, met steun van de Juridische dienst, nogmaals de juistheid te onderzoeken van de praktijk om leden niet te verplichten een passende boekhouding bij te houden en de juiste ondersteunende documenten te bewaren in verband met de algemene kostenvergoeding en eventueel het Bureau voor te stellen de interne regelgeving te wijzigen;
81. dringt er, aangezien het fonds primair wordt gefinancierd met overheidssubsidies (EUR 11,4 miljoen uit de begroting van het Parlement voor 2005), op aan dat de namen van de deelnemers aan het vrijwillig pensioenfonds openbaar worden gemaakt;
82. constateert dat het vrijwillig pensioenfonds erin is geslaagd het al vijf jaar bestaande actuariële tekort terug te brengen van EUR 43 756 745 in 2004 tot EUR 28 875 471 in 2005 en daarmee de actuariële financieringspositie van het fonds te verbeteren van 76,8% in 2004 tot 86,1% in 2005; onderstreept dat de effectenbeurs de afgelopen jaren zeer wispelturig is gebleken en dat daarom niet met zekerheid kan worden gezegd in welke richting het actuarieel tekort van het fonds zich zal ontwikkelen;
83. verzoekt het Bureau in het licht van het aanhoudende actuariële tekort
• de verhouding tussen de bijdragen aan het pensioenfonds van de leden en van het Parlement te veranderen in tweevijfde/drievijfde (momenteel eenderde/tweederde),
• de jaarlijkse opbouw van het aanvullend pensioen te verlagen tot 2,5%(30), en
84. verzoekt de beleggingsmanager van het fonds de voorkeur te geven aan beleggingen met een gering risico en de normen voor ethisch beleggen in acht te nemen, zoals neergelegd in resoluties van het Parlement;
85. stelt vast dat vanaf januari 2006 een zestigjarig lid na slechts vijf jaar premieafdracht een maandelijks pensioen van EUR 1 304 kan ontvangen;
86. is verheugd dat het Bureau een werkgroep heeft ingesteld om op basis van een onafhankelijke actuariële studie de financiële situatie van het vrijwillig pensioenfonds te bekijken; wenst dat zijn Commissie begrotingscontrole regelmatig op de hoogte wordt gehouden van de bevindingen van deze werkgroep;
87. is van mening dat de relatie tussen Parlement en pensioenfonds een contractuele basis moet krijgen, wanneer de werkgroep van het Bureau zijn taak heeft afgerond;
88. is van mening dat, wanneer het Statuut van de leden van het Europees Parlement van kracht wordt,
• het vrijwillig pensioenfonds zich dient te beperken tot het uitbetalen van de (tot juni 2009 verworven) pensioenrechten, hetgeen inhoudt dat noch leden van het Europees Parlement, noch deelnemers aan het fonds in het fonds kunnen blijven storten; verzoekt het Bureau de nodige maatregelen te nemen,
• de leden alleen nog vanaf hun 63ste recht dienen te hebben op een pensioen uit het vrijwillig pensioenfonds, overeenkomstig de pensioengerechtigde leeftijd die in artikel 13 van het Statuut van de leden is vastgesteld;
• op grond van de artikelen 25 en 29 van het Statuut van de leden een eind zal worden gemaakt aan de speciale pensioenvoorzieningen voor Italiaanse en Franse leden, onder eerbiediging van de tot juni 2009 verworven rechten;
Parlementaire medewerkers in het Europees Parlement
89. is verheugd over het besluit van zijn Bureau van 25 september 2006, waarmee het een Codex voor parlementaire medewerkers in het Parlement heeft goedgekeurd; is van mening dat aan elk lid een persoonlijk exemplaar van de Codex in zijn of haar taal dient te worden uitgereikt;
90. stelt aan de hand van de cijfers die de secretaris-generaal op 24 januari 2007 heeft verstrekt, vast dat momenteel in totaal 1 416 medewerkers geaccrediteerd zijn, van wie er 433 dienstverleners zijn (natuurlijke personen), ongeveer 583 een rechtstreekse arbeidsovereenkomst met een lid hebben en de overige 400 via een dienstverlener zijn aangesteld; van hen hebben er ongeveer 138 een arbeidsovereenkomst volgens Belgisch recht (14% van de geaccrediteerde medewerkers met een arbeidsovereenkomst); in 2005 waren er 4 060 contracten met parlementaire medewerkers (waaronder 1 673 werknemers en 2 387 dienstverleners - van wie er 1 687 natuurlijke personen en 700 rechtspersonen zijn) en werden 492 stagiaires betaald via de vergoeding voor parlementaire bijstand;
91. onderstreept in dit verband het belang van het controleonderzoek naar de vergoeding aan leden voor parlementaire bijstand, waarvan de resultaten pas later dit jaar beschikbaar zijn; verzoekt derhalve de Commissie begrotingscontrole tijdens de kwijtingsprocedure 2006 een vervolg te geven aan dit controleverslag in combinatie met eerdere opmerkingen over de ledenvergoedingen(32);
92. neemt er kennis van dat de ontwikkeling van een statuut voor de medewerkers onderhandelingen met Commissie en Raad vereist en dat het Bureau ook de Commissie juridische zaken wenst te raadplegen; doet daarom een beroep op het nieuw verkozen Bureau om haast te maken met dit thema, teneinde een regeling te vinden voor de aanwerving en arbeidsvoorwaarden van medewerkers, alsook voor hun socialezekerheids- en belastingregime;
93. is van mening dat gezien het voortgaande debat over deze kwestie het mandaat van de parlementaire werkgroep medewerkers van de leden verlengd dient te worden;
Een Kyoto-plus-plan voor het Europees Parlement
94. herinnert aan enkele centrale cijfers, waaruit het enorme effect van het Europees Parlement op het milieu blijkt (cijfers voor 2004):
95. is verheugd over het besluit van het Bureau van 19 april 2004 om overeenkomstig de EMAS-verordening (milieubeheer- en milieuauditsysteem) een milieubeheerssysteem in het Europees Parlement in te stellen, dat een uitstekend hulpmiddel biedt om met de milieueffecten van de activiteiten van het Parlement om te gaan;
96. is ook verheugd over andere initiatieven ter vermindering van zijn milieueffecten, zoals de reorganisatie van de drukkerij, de invoering van nieuwe, lichtere kisten voor documentenvervoer, de beschikbaarheid van fietsen in Brussel en in Luxemburg, de organisatie van videoconferenties en recycling van inktpatronen;
97. juicht de EMAS-registratie toe als een zeer positieve stap; betreurt het evenwel dat in het EMAS-actieplan slechts zeer bescheiden reductiedoelstellingen staan (bijvoorbeeld 5% voor verwarming en airconditioning), lange termijnen worden voorgesteld (bijvoorbeeld 2011 voor verlaging van het energiegebruik voor verlichting) en diverse studiegroepen worden ingesteld die aan afzonderlijke verbeteringen werken;
98. wijst erop dat de Europese Unie internationaal een vooraanstaande rol speelt in het debat over klimaatverandering; is daarom van mening dat het Parlement niet alleen actief dient bij te dragen tot de verwezenlijking van de verplichtingen die de EU in het kader van het Kyoto-protocol is aangegaan, maar ook tot het halen van de streefdoelen in zijn eigen resoluties over klimaatverandering, met name een vermindering van de CO2-uitstoot met 30% in 2020;
99. verzoekt zijn administratie een Kyoto-plus-plan op te stellen met een actieplan dat ambitieuzer is en meer omvat dan de maatregelen die in het kader van EMAS zijn gepland, teneinde het brede publiek te bewijzen dat het streeft naar realisering van de doelstellingen die het anderen voorhoudt;
100. is van mening dat het Kyoto-plus-plan de volgende acties dient te omvatten:
• waarborgen dat de uitbreiding van het KAD-gebouw in Luxemburg een voorbeeldfunctie heeft door gebruik te maken van de beste milieupraktijken (bijvoorbeeld installatie van een systeem voor het opvangen, opslaan en hergebruik van regenwater, gebruik van ecotechnologie ter vermindering van het energieverbruik, gebruik van moderne technologie zoals geavanceerde warmte- isolatie of luchtbehandelingssystemen die warmteterugwinning of gratis koeling mogelijk maken, gebruik van zonnepanelen voor waterverwarming en de mogelijkheid van een eenheid voor warmtekrachtkoppeling),
• opstellen van een geïntegreerd energie-efficiëntieplan op basis van een audit waarin niet alleen het energieverbruik wordt onderzocht, maar ook de belangrijkste oorzaken van energieverliezen; energieverlies kan worden gevisualiseerd in thermografische afbeeldingen van de gebouwen,
• overwegen van stroomleverancier te veranderen of opnieuw te onderhandelen over het contract met de bestaande leverancier(s), om energie in te kopen bij bedrijven die het milieu het minst belasten,
• verder verminderen van het papiergebruik (dat in 2004 846 ton bedroeg),
• streven naar een aanzienlijke verlaging van het watergebruik (wat geen doelstelling schijnt te zijn in het huidige EMAS-actieplan),
• verminderen van de emissies van zijn dienstauto's tot 130 g CO2/km in 2012,
• overwegen om waar mogelijk hybride voertuigen als dienstauto's te gebruiken,
• een voorlichtingscampagne in het Parlement organiseren waarin, uitgaande van de reeds via enquêtes gedocumenteerde vervoersbehoeften en -voorkeuren van ambtenaren en andere personeelsleden - een parlementair mobiliteitsplan wordt gepresenteerd, waarin de voordelen van duurzame vervoersmiddelen (bijvoorbeeld lopen, fietsen, openbaar vervoer, auto delen, carpoolen, enz.) worden belicht en het gebruik ervan wordt aangemoedigd,
• leggen van contacten met lokale en regionale aanbieders van openbaar vervoer om een efficiënter openbaarvervoersnet aan te bieden en zo onder het personeel van het Parlement en andere instellingen meer klanten te winnen,
• het Bureau verzoeken om inrichting van een permanent, zichtbaar informatiepunt over mobiliteitsbeheer, dat klanten met raad en daad bijstaat op het gebied van duurzame mobiliteit,
• aanmoedigen van het gebruik van IT-apparatuur en videoconferenties om het aantal reizen te verminderen,
• streven naar vermindering van de afstand die levensmiddelen die in de kantines en restaurants van het Parlement worden verkocht, afleggen voordat zij de consument bereiken;
Gelijke kansen in het Europees Parlement
101. is van mening dat het bieden van gelijke kansen een integrerend bestanddeel van het personeelsbeleid van het Parlement moet zijn; is daarom verheugd over het uitgebreide rapport dat de voor gendergelijkheid bevoegde ondervoorzitter heeft gepresenteerd en dat het Bureau op 29 november 2006 heeft goedgekeurd; verwacht dat de conclusies onverkort worden uitgevoerd;
102. wijst erop dat het gelijkekansenbeleid van het Parlement een integrerend bestanddeel van aanbestedingsprocedures dient te zijn en naar behoren moet worden meegenomen bij het sluiten van contracten met bedrijven die diensten aan het Parlement leveren;
103. schaart zich achter de doelstellingen die het Bureau heeft vastgesteld voor de benoeming van vrouwen in leidinggevende functies; stelt met bevrediging vast dat de doelstellingen voor het hogere management bijna zijn gehaald;
104. vestigt de aandacht op de aanhoudende onevenwichtigheid op het niveau van het middenkader; is verheugd over de door DG Personeel uitgevoerde enquête en maatregelen; verzoekt evenwel om een beoordeling van het bij wijze van proef uitgevoerde opleidingsprogramma voor vrouwen die kunnen worden benoemd als hoofd van een eenheid;
105. onderstreept dat een beter evenwicht tussen beroepsleven en privé-leven gelijke kansen kan bevorderen; verzoekt daarom om concrete maatregelen voor de invoering van flexibeler arbeidsregelingen voor personeelsleden als aanvulling op de bestaande statutaire bepalingen;
106. neemt nota van de inspanningen van DG Personeel ter verbetering van de administratieve en budgettaire procedures voor de vervanging van personeelsleden met moederschaps- of ouderschaps-/gezinsverlof en deeltijdwerkers; verzoekt zijn Bureau en de Begrotingscommissie de nodige begrotingsmiddelen te reserveren om voor systematische vervanging van deze personeelsleden te zorgen;
107. is verheugd over de inspanningen ter verbetering van de toegankelijkheid van het Parlement voor personen met een handicap, of het nu gaat om leden, medewerkers, personeel of burgers; is ingenomen met het door het Bureau aangenomen proefprogramma inzake stageplaatsen voor personen met een handicap als positieve actie, waarbij bedacht moet worden dat het doel op lange termijn volledige integratie van het handicapaspect in alle personeelsprocessen is;
108. verzoekt de secretaris-generaal in het personeelsbeleid van het Parlement ten volle rekening te houden met zijn resolutie over gendermainstreaming van 13 maart 2003(33); beveelt aan in de begroting 2008 een begin te maken met genderbudgetting;
Het Parlement en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)
109. vindt het verheugend dat de samenwerking tussen het Parlement en OLAF over het algemeen als bevredigend wordt beschouwd; is evenwel bezorgd over de lange periode die nodig is om bepaalde onderzoeken af te ronden;
110. verzoekt de Commissie begrotingscontrole vóór eind juli 2007 de directeur van OLAF uit te nodigen voor een discussie over vraagstukken van gemeenschappelijk belang;
111. beseft dat Parlement en Raad in de nabije toekomst de herziening van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)(34) zullen bespreken;
"Een kwaliteitssprong" - Hervorming van de administratie van het Parlement
112. wijst erop dat de reorganisatie van het secretariaat van het Parlement, die erop gericht is nog meer professionalisme, kwaliteit en synergie te bereiken, bijna is voltooid; constateert dat de volgende wijzigingen zijn ingevoerd: • splitsing van het voormalige Directoraat-generaal commissies en delegaties in twee delen, namelijk een Directoraat-generaal intern beleid en een Directoraat-generaal extern beleid, om zo rekening te houden met het toenemende gewicht van het wetgevingswerk en de mate van specialisatie, • verbetering van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen, • ontbinding van het voormalige Directoraat-generaal onderzoek en heroprichting in de vorm van beleidsafdelingen die nauw samenwerken met de parlementaire commissies, • toekenning aan de parlementaire commissies van een expertisebudget voor externe studies en bijdragen van onafhankelijke deskundigen, • ontwikkeling van het gebruik van de bibliotheek, • instelling van horizontale projectteams voor prioritaire vraagstukken, en • verbetering van de kwaliteit van de parlementaire teksten;
113. is verheugd over de vooruitgang die door de uitvoering van de hervorming is geboekt;
114. onderstreept tegelijkertijd met betrekking tot externe studies dat de specificaties voor dergelijke studies duidelijk dienen te zijn, voldoende financiële middelen beschikbaar moeten zijn en de termijnen realistisch moeten zijn, zodat de onderzoeksinstituten kwalitatief goed advies kunnen verstrekken;
Follow-up van de kwijtingsresolutie van vorig jaar
115. neemt er kennis van dat het Bureau op 30 november 2005 twee ondervoorzitters en twee quaestoren heeft benoemd met het oog op de opstelling van een nieuwe regeling kosten en vergoedingen van de leden in het kader van het Statuut van de leden dat in juli 2009 van kracht wordt; wenst dat de Commissie begrotingscontrole een exemplaar ontvangt van het op 13 december 2006 goedgekeurde interim-verslag en van eventuele andere strategiestukken die de werkgroep opstelt; onderstreept dat de auditcontrole van de parlementaire onkostenvergoeding van de leden van grote waarde zal zijn voor de werkgroep;
116. constateert dat zijn Bureau momenteel niet voornemens is de regels voor de reiskostenvergoeding van de leden zodanig te wijzigen dat leden desgewenst alleen de daadwerkelijk gemaakte reiskosten vergoed krijgen; in 2005 hebben 27 leden een deel van hun reiskostenvergoeding (EUR 148 963,57) aan het Parlement teruggestort;
117. constateert dat de gedelegeerde ordonnateurs de langlopende contracten van het Parlement stelselmatig hebben onderzocht en dat hierbij geen situatie aan het licht is gekomen die nadelig is voor de financiële belangen van het Parlement; juicht het toe dat dit onderzoek voortaan jaarlijks zal worden uitgevoerd en dat de resultaten zullen worden opgenomen in de jaarlijkse activiteitenverslagen;
118. constateert dat in het kader van de uitbreiding die in 2004 plaatsvond 984 posten voor ambtenaren zijn gecreëerd: 489 in 2003, 355 in 2004 en 150 in 2005; eind november 2006 waren er 518 ambtenaren en 336 tijdelijke personeelsleden aangeworven; verder waren er eind november 2006 ook 65 Bulgaarse en 79 Roemeense arbeidscontractanten aangeworven;
119. neemt nota van de juridische en organisatorische problemen in verband met de invoering van een systeem van elektronische handtekeningen: uit juridisch oogpunt moet worden verduidelijkt hoe het project in overeenstemming kan worden gebracht met de bepalingen van het Reglement inzake de indiening van amendementen ter plenaire vergadering; uit organisatorisch oogpunt moeten er nieuwe afspraken komen voor de indiening van amendementen en parlementaire vragen;
120. vraagt hoe de secretaris-generaal voornemens is uitvoering te geven aan het interinstitutionele akkoord "Beter wetgeven";
121. herinnert eraan dat de tuchtraad zijn werk heeft afgerond met de toewijzing van verantwoordelijkheid voor de discrepantie van BEF 4 136 125 tussen de kaspositie en de overeenkomstige bedragen in 1982; verzoekt de secretaris-generaal de Commissie begrotingscontrole op de hoogte te stellen van de uitkomst van de tuchtrechtelijke procedure en tevens of het bedrag, met rente, is teruggevorderd.
Jean-Pierre Audy, Herbert Bösch, Paul van Buitenen, Paulo Casaca, Antonio De Blasio, Petr Duchoň, Szabolcs Fazakas, Ingeborg Gräßle, Umberto Guidoni, Dan Jørgensen, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Bogusław Liberadzki, Nils Lundgren, Marusya Ivanova Lyubcheva, Edith Mastenbroek, Eluned Morgan, Ashley Mote, Jan Mulder, Francesco Musotto, Ovidiu Ioan Silaghi, Bart Staes, Alexander Stubb, Kyösti Virrankoski
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Richard Corbett, Chris Davies, Véronique Mathieu, Bill Newton Dunn, Ralf Walter
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1).