Procedure : 2006/2217(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0130/2007

Ingediende teksten :

A6-0130/2007

Debatten :

PV 22/05/2007 - 19
CRE 22/05/2007 - 19

Stemmingen :

PV 23/05/2007 - 5.10
CRE 23/05/2007 - 5.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0205

VERSLAG     
PDF 256kDOC 162k
4 april 2007
PE 382.414v04-00 A6-0130/2007

over het jaarlijkse verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Europese Unie (Deel II, punt H, paragraaf 40, van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999) - 2005

(2006/2217(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Elmar Brok

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Begrotingscommissie
 PROCEDURE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het jaarlijkse verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Europese Unie (Deel II, punt H, paragraaf 40, van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999) - 2005

(2006/2217(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het jaarlijkse verslag van de Raad (10314/1/2006),

–   gelet op artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gelet op het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, ondertekend in Rome op 29 oktober 2004,

–   gezien de Europese Veiligheidsstrategie, zoals door de Europese Raad goedgekeurd op 12 december 2003,

–   gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure(1), inzonderheid paragraaf 40,

–   onder verwijzing naar zijn besluit van 17 mei 2006 over de sluiting van het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(2),

–   gezien de Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 16-17 juni 2005, inzonderheid de verklaring inzake de ratificatie van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, alsmede gezien de Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 15-16 juni en 14-15 december 2006,

–   gezien de Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 15-16 december 2005 over de financiële vooruitzichten 2007-2013,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 januari 2005 over het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 2 februari 2006 over het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (2004)(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 november 2006 over de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie in de context van het EVDB(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 juni 2006 over de volgende stappen tijdens de denkpauze en de analyse van de toekomst van Europa(6), en naar de resultaten van de Parlementaire bijeenkomst over de toekomst van Europa: van reflectie tot actie, die op 4 en 5 december 2006 in Brussel plaatsvond,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 februari 2006 over nieuwe financiële mechanismen voor ontwikkeling in het kader van de millenniumdoelstellingen(7),

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 15 juni en 13 december 2006 over de topconferenties EU-Rusland(8),

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 1 juni 2006 over de verbetering van de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten in het kader van een trans-Atlantische partnerschapsovereenkomst, en over de trans-Atlantische economische betrekkingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten(9),

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 23 oktober 2003 over vrede en waardigheid in het Midden-Oosten en 7 september 2006 over de situatie in het Midden-Oosten(10),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 september 2006 over de betrekkingen tussen de EU en China(11),

–   gelet op de Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 15 en 16 december 2005 over "De EU en Afrika: naar een strategisch partnerschap",

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 2005 over de toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag in 2005 - Kernwapens in Noord-Korea en Iran, waarin wordt verklaard dat de EU ten aanzien van het Koreaanse schiereiland het principe "no say, no pay" zal huldigen,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 maart 2006 over de zekerstelling van de energievoorziening in de Europese Unie(12),

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 18 mei 2006 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2005(13) en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie, en 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten(14),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 december 2006 over de institutionele aspecten van het vermogen van de Europese Unie om nieuwe lidstaten te integreren(15),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 december 2006 over de uitbreidingsstrategie en de belangrijkste uitdagingen voor 2006-2007(16),

–   gelet op artikel 112, lid 1, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A6-0130/2007),

A. overwegende dat verwacht wordt dat de a posteriori-aanpak van de Raad, waarbij slechts een beschrijvende lijst wordt voorgelegd van de activiteiten die in het kader van het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) gedurende het voorgaande jaar zijn uitgevoerd in plaats van het Europees Parlement vooraf te raadplegen zoals bepaald in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, voortaan zal worden gecorrigeerd door middel van een constructieve interpretatie van de punten 42 en 43 van het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer van 17 mei 2006(17),

B.  overwegende dat de Raad deze praktijk eens en voor altijd dient te vervangen door een daadwerkelijke raadpleging van het Parlement, teneinde ervoor te zorgen dat de opvattingen van het Parlement echte impact hebben op de keuzes die worden gemaakt voor het volgende jaar,

C. overwegende dat na de vijfde uitbreiding van de EU het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa door 18 lidstaten is geratificeerd, maar dat gestreefd moet worden naar volledige ratificatie en inwerkingtreding van dit Verdrag, teneinde te waarborgen dat de Unie gereed is om het hoofd te bieden aan de mondiale verantwoordelijkheden, dreigingen en uitdagingen van de wereld van vandaag,

D. overwegende dat de bepalingen in het Grondwetsverdrag betreffende buitenlandse betrekkingen gedurende het ratificatieproces niet zijn betwist, waardoor het GBVB een belangrijke rol zou kunnen spelen bij het vergroten van het vertrouwen in de Unie bij het grote publiek,

E.  overwegende dat in het externe beleid van de Unie in het algemeen en in het GBVB in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de belangen van de Unie, met name met de verwantheid van elk derde land en elke regio met het Europese model en de Europese waarden, alsook met het feit dat de Unie, als belangrijke geopolitieke speler op het wereldtoneel, zich gedraagt als een politieke, economische, sociale en ecologische Unie van staten en volkeren, die handelt volgens beginselen van democratie, de rechtsstaat en sociale rechtvaardigheid en derhalve sterke en betrouwbare politieke en economische partners nodig heeft,

F.  overwegende dat de doeltreffendheid en geloofwaardigheid van het gemeenschappelijke externe beleid onlangs is ondermijnd door het veto dat bepaalde lidstaten hebben uitgesproken over bilaterale kwesties, ondanks de inspanningen van andere lidstaten om een compromis te vinden; overwegende dat lidstaten onpartijdig moeten optreden en terughoudend moeten zijn met de uitoefening van het vetorecht door dit te beperken tot hoogst gevoelige zaken van Europees belang;

G. overwegende dat het ontwikkelen en consolideren van de democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden sleuteldoelstellingen van de Unie blijven en dat het GBVB zich vooral dient te concentreren op economische integratie, diplomatie, civiele crisispreventie en conflictbeheersing,

H. overwegende dat, omwille van de geloofwaardigheid, extra middelen aan het GBVB en het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) moeten worden toegewezen, teneinde de middelen in overeenstemming te brengen met het ambitieniveau,

I.   overwegende dat de financiering van militaire operaties door de Europese Unie de facto buiten het bereik van democratisch toezicht door zowel de nationale parlementen als het Europees Parlement blijft,

De ratificatie van het Grondwetsverdrag als voornaam aspect en fundamentele keuze in het GBVB in 2007

1.  is van opvatting dat de Europese Unie zonder het door 18 landen geratificeerde Grondwetsverdrag geen vorm kan geven aan een buitenlands en veiligheidsbeleid waarmee ten minste ten dele het hoofd kan worden geboden aan de belangrijkste uitdagingen, zoals de mondialisering, mislukte en mislukkende staten, grensoverschrijdende migratie, internationaal terrorisme, afhankelijkheid van geïmporteerde energie en klimaatverandering; is van opvatting dat het GBVB alleen effectief kan zijn als de noodzakelijke middelen en capaciteiten worden ontwikkeld om de veiligheid, onafhankelijkheid en integriteit van de Unie en haar lidstaten te waarborgen; herinnert in dit verband aan de in alle lidstaten aanwezige brede steun voor een grotere rol van de Unie in de wereld, daar de afzonderlijke lidstaten deze rol niet meer kunnen vervullen voor de burgers; benadrukt dat afronding van het Grondwetsverdrag een van de belangrijkste prioriteiten moet zijn van het huidige en van komende voorzitterschappen;

2.  is van mening dat instelling van het ambt van minister van Buitenlandse Zaken noodzakelijk is en acht het van essentieel belang dat hij of zij tegelijkertijd lid van de Commissie en voorzitter van de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken is, zodat het GBVB continuïteit en samenhang krijgt en Europa met één stem kan spreken;

3.  is in dit verband van mening dat de instelling van de nieuwe post van EU-minister voor Buitenlandse Zaken samen moet gaan met de oprechte inzet van de lidstaten voor het vaststellen en uitvoeren van een daadwerkelijk en doeltreffend buitenlands beleid, dat de algemene belangen van de Europese Unie weerspiegelt;

4.  stelt vast dat de wederzijdse-bijstandclausule, de structurele samenwerking, de Europese diplomatieke dienst en één rechtspersoonlijkheid voorbeelden zijn van de dringend noodzakelijke vooruitgang waarin het Grondwetsverdrag voorziet;

5.  wijst erop dat politieke en sociale consensus over verdere integratie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid een stevige basis vormt om het constitutionele proces vooruit te helpen;

6.  dringt er andermaal bij de staatshoofden en regeringsleiders op aan het Grondwetsverdrag vóór eind 2008 te sluiten, niet alleen als noodzakelijke voorwaarde voor verdere uitbreidingen, maar ook om de Unie in staat te stellen effectiever, transparanter en democratischer werkzaam te zijn op het terrein van zowel het externe beleid als het GBVB/EVDB;

Verbetering van de efficiëntie, de samenhang en de zichtbaarheid van het GBVB

7.  is ingenomen met de oprichting van het Europees Defensie-agentschap, de ontwikkeling van het battle group-concept, de invoering van het Europees Nabuurschapsbeleid en de toepassing van de solidariteitsclausule bij het pareren van terroristische bedreigingen of aanslagen, alsook met de vaststelling van civiele hoofddoelen, de civiele crisisreactieteams en het partnerschap voor vredesopbouw uit hoofde van het stabiliteitsinstrument; spoort de Commissie ertoe aan het civiele vredeskorps, waar het Parlement in diverse resoluties om heeft verzocht, op te richten;

8.  acht het zinvol dat de Raad en de Commissie gebruikmaken van hun procedurele en organisatorische mogelijkheden om ook de verbindingen tussen de eerste en de tweede pijler versterken, door:

      a) gezamenlijke voorstellen van de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB        en de Commissie inzake zowel het GBVB als het externe beleid voor te leggen aan de Raad;

      b) regelmatig gezamenlijke vergaderingen van de groep van Commissarissen voor externe betrekkingen, de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB en afvaardigingen van de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement te houden, teneinde de strategische prioriteiten beter te evalueren en te coördineren;

      c)            regelmatig gezamenlijke vergaderingen tussen de werkgroepen van de Raad en het COREPER en de Commissie en rapporteurs van het Parlement te houden, teneinde beter inzicht te krijgen in elkaars standpunten;

      d) vaak gebruik te maken van het mechanisme van "EU-kerngroepen", zoals voor het eerst opgezet voor beleidskwesties in verband met Somalië in 2004, daar dit een mechanisme is dat de institutionele banden versterkt en de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB en de Raad, de Commissie, het voorzitterschap en bereidwillige lidstaten bijeenbrengt; beklemtoont echter dat dit mechanisme met name geschikt is voor kwesties op het gebied van buitenlandse aangelegenheden die geen grote onenigheid oproepen tussen de lidstaten, maar voor een aantal van hen wel belangrijk zijn;

      e) onvoorwaardelijke uitwisseling van informatie, verslagen en analyses verzameld en opgesteld door de diensten, delegaties, speciale afgezanten, ambassades, enz. van de Unie en haar instellingen en van de lidstaten;

      f)  verbetering van de samenwerking tussen de directoraten-generaal voor extern beleid van de drie Gemeenschapsinstellingen door middel van het faciliteren van regelmatige werkbijeenkomsten en uitwisselingen op hoog en middenkaderniveau, met inbegrip van rotatie en uitwisseling van Europese ambtenaren die zich bezighouden met kwesties op het gebied van buitenlands beleid;

      g) de dialoog te bevorderen en de procedures op gang te brengen voor de oprichting van een Diplomatieke Academie van de EU;

      h) de Commissie ertoe aan te moedigen de onder haar verantwoordelijkheden vallende delegaties om te vormen tot "ambassades" van de Unie;

      i)  automatisch de functies van de Speciale Vertegenwoordiger van de Unie voor een derde land toe te wijzen aan het hoofd van de EU-delegatie in dat land, zoals in het geval van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië;

      j)  verbetering van de interactie tussen de 127 delegaties en vertegenwoordigingen van de Commissie enerzijds en andere EU-instellingen en -delegaties, ministeries van Buitenlandse Zaken en ambassades van lidstaten anderzijds door middel van het organiseren van geregelde contacten en vergaderingen, het bieden van praktische hulp en het organiseren van de onderlinge uitwisseling van diplomatiek personeel van lidstaten en ambtenaren van de relevante instellingen op basis van wederkerigheid;

9.   verzoekt de EU-lidstaten met een zetel in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties om de andere lidstaten van de Unie niet alleen op de hoogte te houden, maar ook te luisteren naar hun voorstellen en zich in te zetten voor een gecoördineerd optreden binnen de Veiligheidsraad, dat de breedst gedragen Europese standpunten weerspiegelt;

10. verzoekt de EU-lidstaten die zitting hebben in de VN-Veiligheidsraad hun coördinatie in dat kader te verbeteren, zodat de EU doeltreffender kan optreden in de wereld en in de nabije toekomst een besluit kan worden genomen over een gemeenschappelijke Europese zetel;

11. is van opvatting dat zonder de invoering van stemming bij gekwalificeerde meerderheid over GBVB-onderwerpen de samenhang, de doeltreffendheid en de zichtbaarheid van het buitenlandse optreden van de Unie sterk worden ondermijnd;

12. is van mening dat er meer kan worden gedaan om de politieke dialoog met derde landen en regio's te versterken, in het bijzonder die met belangrijke partners, en dat er pro-actiever kan worden opgetreden in de betrekkingen met internationale organisaties; is van opvatting dat het netwerk van delegaties van de Commissie flexibeler en dynamischer kan worden ingezet;

13. wijst op de noodzaak de politieke dialoog met derde landen te intensiveren, niet in de laatste plaats in verband met de mensenrechten; is voorts van opvatting dat de communautaire instellingen en de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de leden van hun delegaties bekend zijn met, voortbouwen op en handelen naar de richtsnoeren van de Raad inzake de mensenrechten;

14. herinnert in dit verband aan de zinvolle rol die parlementaire diplomatie kan spelen als aanvullend instrument in de betrekkingen van de Unie met derde landen en regio's; roept de Raad en de Commissie ertoe op nauwere, op samenwerking gebaseerde, banden aan te knopen met de drie belangrijkste interparlementaire vergaderingen (de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering en de Europees-Latijns-Amerikaanse parlementaire vergadering), die een belangrijke rol vervullen, leden van parlementen van over de gehele wereld samenbrengen en aldus de democratische legitimiteit verhogen en waardevolle politieke fora vormen voor een alomvattende dialoog; draagt zijn bevoegde organen op de administratieve ondersteuning van deze interparlementaire vergaderingen dienovereenkomstig te coördineren en te versterken;

15. is van mening dat de Unie, om het huidige gebrek aan samenhang aan te pakken en de bestaande kloof tussen capaciteiten en verwachtingen te dichten, gebruik moet maken van alle beschikbare instrumenten op het gebied van extern optreden, zoals het beleid ten aanzien van handel, ontwikkelingshulp, buitenlands beleid en het EVDB, alsmede de externe dimensies van beleid op het gebied van milieu, onderzoek, vervoer, landbouw, visserij en binnenlandse zaken;

Aanbevelingen ten aanzien van diverse thematische aspecten voor 2007

16. dringt erop aan dat, teneinde welvaart en veiligheid te waarborgen, prioriteit wordt gegeven aan een beperkt aantal gebieden die beter aansluiten bij de wensen en zorgen van de Europese burgers en hun verwachtingen ten aanzien van de rol die de Unie in internationale aangelegenheden dient te spelen, zoals consolidatie van de democratie, openbare veiligheid en de strijd tegen terroristische organisaties, migratiebeheer, interculturele dialoog, energiezekerheid, klimaatverandering, non-proliferatie van massavernietigingswapens en de bijdrage van de Unie tot vermindering van de armoede en verwezenlijking van de millenniumdoelen voor ontwikkeling, alsmede sociale ontwikkeling;

17. verzoekt de Commissie zich binnen deze prioritaire gebieden te richten op de politieke, handelspolitieke, economische en financiële instrumenten en beleidslijnen krachtens de tweede pijler van de bestaande Verdragen, teneinde de doelstellingen van de Unie in mondiale kwesties beter te kunnen verwezenlijken; is van mening dat het externe beleid van de Unie tevens gebaat zou zijn bij meer vrouwen in leidinggevende posities, ook op het terrein van het GBVB;

18. herhaalt dat de veiligheidsstrategie van de Unie geactualiseerd dient te worden, waarbij de huidige tweeledige civiel/militaire aanpak dient te worden gehandhaafd, evenals de essentiële concepten van conflictpreventie en effectief multilateralisme, waarin voorts energiezekerheid, klimaatverandering en het voorkomen van nog meer armoede in de wereld als grote uitdagingen voor de veiligheid van de Unie moeten worden opgenomen;

19. onderstreept dat het terrorisme een van de grootste bedreigingen voor de veiligheid van de Europese Unie vormt, maar bestreden moet worden zonder afbreuk te doen aan de universele waarden van democratie, de rechtsstaat, mensenrechten en fundamentele vrijheden en de verdediging daarvan in nauwe samenwerking met de internationale partners in overeenstemming met de door de Verenigde Naties vastgestelde strategie;

20. herhaalt dat terrorismebestrijding weliswaar een kernstuk in het externe optreden van de Unie is, maar dat eerbiediging van mensenrechten en burgerlijke vrijheden een prioriteit voor de EU moet blijven; is van mening dat veel meer dient te worden gedaan om de internationale samenwerking bij de bestrijding van terrorisme op basis van het internationale recht en het Handvest van de VN, te versterken;

21. wijst met nadruk op de belangrijke buitenlands-politieke dimensie van kwesties op het gebied van energiezekerheid, met inbegrip van de afhankelijkheid van de Unie van energie en andere strategische hulpbronnen afkomstig uit landen en regio's die steeds instabieler worden, alsook op het vraagstuk van de toegang tot en de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen; wijst iedere beperking van energielevering als politiek instrument af en onderstreept de noodzaak van solidariteit tussen de lidstaten in het energiebeleid; is van opvatting dat alles in het werk moet worden gesteld om de afhankelijkheid te verminderen; onderstreept de noodzaak het externe optreden van de Unie te richten op een gemeenschappelijke strategie en steun te verlenen aan projecten die diversificatie van de energievoorziening tot doel hebben;

22. beklemtoont het cruciale belang van de Unie bij versterking van bestuur op mondiaal niveau, internationale instellingen en de waarde van het volkenrecht; onderstreept de fundamentele rol van de Verenigde Naties bij de ontwikkeling van het bestuur op mondiaal niveau; wijst andermaal op de noodzaak China en India, als opkomende machten, alsmede Rusland te betrekken bij de verantwoordelijkheid voor mondiaal bestuur en oplossingen voor mondiale uitdagingen, alsook op de onvervangbare rol die de trans-Atlantische partners in dit verband gezamenlijk dienen te spelen;

23. onderstreept het belang van verdere ontwikkeling van de regionale samenwerkingsdimensie in het buitenlands beleid van de Unie, met name ten aanzien van de buurlanden, door het verstevigen van de betrekkingen met het Zwarte-Zeegebied en bevordering van de samenwerking, zowel tussen de buurlanden onderling als tussen de Unie en haar buurlanden, teneinde regionale oplossingen te vinden die stabiliteit, ontwikkeling en welvaart bevorderen;

24. wijst de Unie nogmaals op de noodzaak bij haar partners aan te dringen op het ontwikkelen en consolideren van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, daar deze criteria de grondslag vormen voor een welvarende en veilige wereld;

25. geeft in dit verband uiting aan zijn bezorgdheid over de eerste test van een anti-satellietwapen door China in januari 2007; beschouwt deze test als teken van een wapenescalatie in de ruimte; verzoekt de Raad op VN-niveau het initiatief te nemen tot het starten van multilaterale onderhandelingen over een wereldwijd verbod op dergelijke wapens;

26. is van mening dat er vanuit het oogpunt van extern beleid veel meer dient te worden gedaan om de verspreiding van armoede op de wereld een halt toe te roepen, stigmatisering en discriminatie tegen te gaan en de belangrijkste ziektes te bestrijden; wijst andermaal op het belang van handhaving van de inzet van de Unie voor het behalen van de millenniumdoelen voor ontwikkeling;

27. is ingenomen met de inspanningen van zowel de Commissie als de Raad om de kwestie van illegale immigratie en vestiging aan te pakken als prominent onderdeel van het externe beleid van de Unie, zowel in haar betrekkingen met landen van herkomst als in die met doorgangslanden; is van mening dat ontwikkelingssamenwerking zich ook dient te richten op de diepere oorzaken van de massale immigratie en dat de Unie sterker betrokken dient te zijn bij de oplossing van conflicten, teneinde de millennium-ontwikkelingsdoelen te verwezenlijken, met name in Afrikaanse landen; benadrukt dat de strijd tegen illegale immigratie moet worden gevoerd binnen de grenzen van het optreden van justitie en politie en dat in het EU-beleid ook de wortels van de illegale immigratie moeten worden aangepakt;

28. herinnert nogmaals aan zijn eerder genoemde resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten(18); verzoekt de Commissie en de Raad de aanbevelingen in deze resolutie op te volgen, met het oog op een beter beheer van alle soorten tussen de Unie en haar talrijke partnerlanden gesloten overeenkomsten waarin democratieclausules steeds een essentieel element vormen; herbevestigt zijn inzet voor de bestrijding van straffeloosheid van personen die zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en andere ernstige schendingen van de mensenrechten, onder andere door versterking van de rol van het Internationale Strafhof;

29. beklemtoont dat clausules inzake mensenrechten, non-proliferatie en terrorismebestrijding in alle soorten overeenkomsten met derde landen daadwerkelijk ten uitvoer moeten worden gelegd en dat ad hoc-wijzigingen moeten worden vermeden, teneinde samenhang en doeltreffendheid te waarborgen; verzoekt de Commissie om in het kader van de nieuwe stabiliteits-, pre-toetredings-, ENPI- en DCI-instrumenten te komen met voorstellen voor het, binnen de eigen juridische werkingssfeer van deze instrumenten, verlenen van technische en financiële bijstand aan derde landen, teneinde hen te helpen te voldoen aan de voor hen uit bovengenoemde clausules voortvloeiende verplichtingen; onderstreept dat deze nieuwe instrumenten in samenhang met en in aanvulling op het nieuwe Europese instrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten moeten worden aangewend;

Prioriteiten in de geografische gebieden in 2007

30. beveelt aan stappen te ondernemen om uitbreiding van de Unie als hoofddoelstelling op de politieke agenda van de Unie in 2007 te handhaven, zij het dat uitbreiding verenigbaar dient te zijn met het vermogen van de Unie om nieuwe lidstaten te integreren (rekening houdend met de gevolgen voor de instellingen, de financiële middelen en het vermogen van de Unie om haar politieke doelen na te streven); beveelt voorts aan het Europees Nabuurschapsbeleid te versterken, onder meer via initiatieven voor versterking van de betrekkingen op economisch, politiek, veiligheids- en energiegebied tussen de EU en de landen in het Zwarte-Zeegebied, inspanningen te verrichten om bij te dragen tot stabilisatie van de westelijke Balkan - met inbegrip van het vooruitzicht op toetreding tot de EU - overeenkomstig de agenda van Thessaloniki, de onderhandelingen met Servië over een stabilisatie- en associatieovereenkomst te hervatten, een breed partnerschap met Rusland te ontwikkelen dat internationale uitdagingen, handel en energie, maar bovenal kwesties op het gebied van mensenrechten en democratisering omvat, en de betrekkingen met Centraal-Azië te verdiepen;

31. is van opvatting dat bevordering van de nationale solidariteit, stabiliteit, vrede en democratische en economische ontwikkeling één van de prioriteiten van het EU-beleid voor Afghanistan in de komende jaren moet blijven; pleit voor een degelijke financiering voor deze taken die planning voor de middellange termijn mogelijk maakt; acht het noodzakelijk dat de Europese Unie in het bijzonder steun verleent voor de ontwikkeling van stabiele nationale en staatsinstellingen, de economische en culturele ontwikkeling van het land, de ontwapening van privé-milities en de bestrijding van de teelt van en handel in drugs;

32. is ingenomen met het nieuwe Centraal-Azië-initiatief van het Duitse voorzitterschap, dat zou kunnen leiden tot een effectievere en meer bezielde aanpak in het externe beleid van de Unie ten aanzien van deze regio; is van oordeel dat het initiatief kan uitmonden in een unieke brede samenwerking tussen de EU en de landen van Centraal-Azië; is van mening dat de Europese Unie groot belang heeft bij een grotere economische stabiliteit, beter bestuur en een betere mensenrechtensituatie in deze regio;

33. wijst in het licht van een effectief multilateralisme nogmaals op de noodzaak om door te gaan met de algehele hervorming van de VN, met speciale aandacht voor hervorming van de Veiligheidsraad; juicht in dit verband de veelbelovende hervormingsinitiatieven van de voorzitter van de Algemene Vergadering toe;

34. is van opvatting dat alle inspanningen moeten worden verricht om de situatie in Libanon te stabiliseren; is voorts van opvatting dat de Commissie nauwlettend en indringend moet toezien op de wijze waarop de financiële bijstand van de EU wordt gebruikt; roept de Raad ertoe op zich in het kader van het Midden-Oostenkwartet (VS, Russische Federatie, EU en VN) intensiever in te zetten voor het bevorderen van onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen over een alomvattende vredesregeling op basis van twee veilige en levensvatbare staten; beveelt aan dat de Unie zich nadrukkelijker bindt aan de standpunten van het kwartet (afzwering van geweld, erkenning van Israël en aanvaarding van eerdere overeenkomsten en verplichtingen, met inbegrip van de Routekaart); is van mening dat de nieuwe Palestijnse regering van nationale eenheid en de erkenning van de bestaande overeenkomsten met Israël voor de EU aanleiding moeten zijn voor een intensievere betrokkenheid in Palestina; is, los van het voorgaande, van opvatting dat de grenzen van 1967 door de Israëlische en Palestijnse regering principieel geëerbiedigd moeten worden als de scheidslijn tussen twee onafhankelijke staten die elkaar erkennen; is van mening dat directe betrokkenheid van Arabische landen in dit opzicht lonend zou kunnen zijn; steunt de oproep van het kwartet tot voorzetting van de internationale bijstand aan het Palestijnse volk;

35. beveelt aan pragmatische stappen te ondernemen om de trans-Atlantische betrekkingen met de Verenigde Staten enerzijds en Latijns-Amerika - via stimulering van integratieprocessen - anderzijds op gelijkwaardige basis te versterken, met inbegrip van de strijd tegen terrorisme op basis van eerbiediging van mensenrechten en het internationale recht, met behulp van een nieuwe Trans-Atlantische Partnerschapsovereenkomst ter vervanging van de huidige Nieuwe Trans-Atlantische Agenda; stelt in dit verband voor een mechanisme voor regelmatige evaluatie van deze Trans-Atlantische Partnerschapsovereenkomst in te stellen dat vergelijkbaar is met het evaluatiemechanisme voor de Europese Veiligheidsstrategie, waarbij deskundigen uit de EU en de Verenigde Staten het Trans-Atlantisch Partnerschap continu trachten te verbeteren, teneinde het volledige potentieel ervan te benutten;

36. beveelt voorts aan de onderhandelingen over een Partnerschapsovereenkomst met China te bespoedigen, op voorwaarde dat er aanzienlijke vooruitgang wordt geboekt op het gebied van democratie en mensenrechten, het strategische partnerschap met India te verdiepen, de politieke en economische samenwerking met Japan en de ASEAN uit te breiden en te streven naar een actieve rol voor de Unie bij lopende kwesties op het Koreaanse schiereiland, die niet beperkt mag blijven tot financiering;

37. beveelt ten sterkste aan stappen te ondernemen voor een doorslaggevende betrokkenheid bij de tenuitvoerlegging van de EU-Afrika-strategie die verder gaat dan het traditionele beleid voor ontwikkeling en bijstand, met name met het oog op het aanstaande Portugese voorzitterschap, dat gastheer zal zijn voor de komende Top EU-Afrika, het regionale Latijns-Amerikaanse integratieproces een impuls te geven door de associatieovereenkomst EU-Mercosur af te ronden en onderhandelingen over soortgelijke overeenkomsten te starten met de Midden-Amerikaanse landen en de Andes-Gemeenschap;

38. onderstreept de noodzaak het Barcelona-proces een nieuwe impuls te geven, teneinde bij te dragen tot een evenwichtige economische, sociale en democratische ontwikkeling van de betrokken landen;

39. is van opvatting dat de EU in het licht van het ophanden zijnde besluit van de VN-Veiligheidsraad over een pakket voorstellen ter regeling van de status van Kosovo volledig voorbereid moet zijn om haar nieuwe taken en verantwoordelijkheden in de regio op zich te nemen; roept de Raad er bovendien toe op om krachtiger en effectiever op te treden met betrekking tot de bevroren conflicten in de zuidelijke Kaukasus en Transnistrië;

40. verwijst naar zijn uitgebreide resoluties en verslagen over de verschillende geografische gebieden die van belang zijn voor de Unie, daar deze waardevolle bijdragen bevatten voor het debat over de wijze waarop het beleid van de Unie voor deze gebieden zich dient te ontwikkelen;

Parlementair toezicht op het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

41. neemt kennis van het beschrijvende jaarverslag over de GBVB-activiteiten in 2005 dat door de Raad op 30 juni 2006 werd voorgelegd; herhaalt dat de Raad het Parlement niet alleen dient te informeren, maar bovenal volledig moet betrekken bij de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzes in het GBVB in 2007; betreurt dat de Raad het in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 vastgelegde recht van het Parlement om jaarlijks ex ante te worden geraadpleegd over aspecten en keuzes voor 2006, andermaal heeft genegeerd;

42. merkt op dat het, ondanks de schending door de Raad van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, om procedurele redenen niet mogelijk is een klacht over de handelwijze van de Raad in te dienen bij het Hof van Justitie, daar artikel 21 VEU niet is opgenomen in de integrale lijst in artikel 46 VEU van gevallen waarin de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende acties bij het Hof van Justitie ook van toepassing zijn op het GBVB;

43. benadrukt echter dat de handelwijze van de Raad, waarbij het Parlement slechts wordt geïnformeerd en een beschrijvende lijst van in het voorgaande jaar uitgevoerde GBVB-activiteiten krijgt voorgelegd in plaats van aan het begin van elk jaar daadwerkelijk te worden geraadpleegd over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes voor dat jaar gevolgd door verslaglegging ten aanzien van de vraag of en, zo ja, op welke wijze rekening is gehouden met de bijdrage van het Parlement, de facto een schending is van het bepaalde in artikel 21;

44. roept de Raad ertoe op deze situatie recht te zetten door de punten 42 en 43 van het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer op bredere en flexibelere wijze te interpreteren, teneinde het recht van het Parlement op raadpleging ex ante over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes in het GBVB, te waarborgen; benadrukt dat niets in de bestaande Verdragen erop wijst dat het woord "raadpleging" in bovengenoemd artikel 21 een andere betekenis zou hebben dan de in het Gemeenschapsrecht gebruikelijke;

45. beklemtoont zijn bereidheid om aan het begin van elk jaar een debat met de Raad en de Hoge Vertegenwoordiger/Secretaris-generaal van de Raad te houden over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzes in het GBVB voor dat jaar, daar dit een ideale gelegenheid is om het Parlement te raadplegen; is bovendien van oordeel dat het zeer zinvol zou zijn voor kandidaten voor de post van Hoge Vertegenwoordiger/Secretaris-generaal om hun programma's voor te leggen aan de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement;

46. moedigt zowel de Raad als de lidstaten ertoe aan het parlementaire toezicht op het EVDB verder te versterken door te waarborgen dat het Parlement een belangrijke rol kan spelen met behulp van het mechanisme van de gestructureerde dialoog dat is opgenomen in het nieuwe interinstitutionele akkoord en via een nauwere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen;

47. acht het van groot belang dat het Parlement nauw wordt betrokken bij de discussies over en de procedure voor de sluiting van internationale verdragen en overeenkomsten tussen de EU en derde landen;

48. stelt voor dat er maatregelen worden genomen ter versterking van, met name, het toezicht door het Parlement op inlichtingen- en veiligheidsdiensten ten aanzien van:

      (a)  de betrekkingen tussen instellingen en agentschappen van de EU:

            -  door het Parlement de bevoegdheid te geven de Coördinator voor terrorismebestrijding en de directeuren van het SitCen, het Satellietcentrum van de Europese Unie (EUSC) en Eurojust te benoemen en te ontslaan;

            -  door te waarborgen dat de Coördinator voor terrorismebestrijding en de directeuren van het SitCen, het Satellietcentrum van de Europese Unie (EUSC) en Eurojust het Parlement jaarlijks een verslag over hun werkzaamheden voorleggen en door ervoor te zorgen dat naar behoren rekening wordt gehouden met alle aanbevelingen en opmerkingen ter zake van het Parlement;

      (b)  de betrekkingen tussen de lidstaten en de instellingen en agentschappen van de Unie:

            -  door het ontwikkelen van samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen, teneinde te voorzien in democratisch toezicht op inlichtingen- en veiligheidsagentschappen/organen van de EU en transparantie en geruststelling voor de burgers van de Europese Unie ten aanzien van de activiteiten van de zowel de Europese als de nationale veiligheids- en inlichtingendiensten;

            -  door het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2002(19) over de financiering van het solidariteitsfonds van de Europese Unie te actualiseren, teneinde gevoelige informatie op te nemen in alle GBVB-activiteiten en te waarborgen dat het Parlement volledig op de hoogte wordt gehouden van alle beschikbare informatie met betrekking tot het gehele terrein;

            -  door met name de rol van het bestaande Speciaal Comité van het Europees Parlement, zoals bedoeld in het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2002 over de toegang van het Europees Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid(20), te versterken, teneinde dit Comité in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de nieuwe inlichtingenorganen op EU-niveau (EUSC, SitCen, het bureau van de Coördinator voor terrorismebestrijding, Eurojust en de militaire staf van de EU);

            -  door de Coördinator voor terrorismebestrijding reële volmachten te geven via versterking van zijn bevoegdheden en zijn mandaat;

      (c)  de betrekkingen tussen de EU en derde landen:

            -  door een uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen het Speciaal Comité van het Parlement en de inlichtingencommissies van het Amerikaanse Congres tot stand te brengen;

            -  door derde landen en in het bijzonder toetredende of geassocieerde landen te verzoeken beschikbare gevoelige informatie of inlichtingenmateriaal betreffende het GBVB te delen met hun EU-partners via hun respectieve parlementen of regeringen;

De financiering van het GBVB/EVDB

49. acht het totaalbedrag van EUR 1 740 miljoen dat is toegewezen voor het GBVB voor de periode van 2007 tot 2013 onvoldoende om de ambities van de Unie als mondiale actor te verwezenlijken, maar erkent dat de overeengekomen financiering voor het GBVB ten bedrage van EUR 159,2 miljoen voor 2007 een belangrijke stap voorwaarts is in vergelijking met eerdere middelentoewijzingen;

50. verheugt zich over de versterking van het GBVB-hoofdstuk waarover het Parlement en de Raad hebben onderhandeld en waarbij is overeengekomen dat er in de periode 2007-2013 ten minste EUR 1 740 miljoen voor het GBVB beschikbaar is; herinnert eraan dat dit niveau van de middelen meer dan driemaal hoger is dan de financiering in de oude financiële vooruitzichten en juist om die reden gepaard dient te gaan met krachtigere maatregelen voor parlementair toezicht en betere samenwerking van de zijde van de Raad;

51. is ingenomen met het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer van 17 mei 2006, dat op 1 januari 2007 van kracht is geworden en dat een grotere deelname van het Parlement aan het besluitvormingsproces voor het GBVB alsmede meer democratisch toezicht op het externe beleid van de Unie en op de financiering van GBVB-activiteiten mogelijk maakt, en de bestaande GBVB-bepalingen inzake regelmatig politiek overleg met het Europees Parlement consolideert en versterkt;

52. spreekt nogmaals zijn teleurstelling uit over het feit dat de jaarverslagen van de Raad tot dusver in wezen beperkt zijn gebleven tot een beschrijving van de activiteiten in het kader van het GBVB, zoals de Raad zelf in zijn inleidende opmerkingen duidelijk maakt, ondanks het feit dat in artikel 28 van het EU-Verdrag is bepaald dat het Parlement dient te worden geraadpleegd over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen daarvan, en dat rekening dient te worden gehouden met zijn opvattingen;

53. neemt met name kennis van de punten 42 en 43 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2006, betreffende de financiering van het GBVB en een gestructureerde dialoog tussen de Raad en het Parlement, die zouden kunnen bijdragen tot een daadwerkelijke raadpleging van de bevoegde commissie indien zij op constructieve en flexibele wijze worden geïnterpreteerd; beschouwt in dit verband de verhelderende briefwisseling tussen het Finse voorzitterschap en de voorzitters van de twee betrokken commissies als een gedeeltelijke invulling van het de vereiste raadpleging van het Parlement;

54. waarschuwt voor iedere restrictieve interpretatie van punt 43 van het Interinstitutioneel Akkoord die zou kunnen leiden tot een situatie waarin het recht van het Parlement om in overeenstemming met artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan het begin van elk jaar daadwerkelijk te worden geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzes voor dat jaar, wordt omzeild;

55. is van opvatting dat een echte beoordeling van de financiële gevolgen voor de begroting van de Europese Unie tot dusver is gehinderd door het ontbreken van pro-actieve informatieverstrekking van de zijde van de Raad, hoewel over deze kwestie de afgelopen jaren gezamenlijke vergaderingen zijn gehouden; is van mening dat met de ondertekening van het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord het ogenblik is gekomen om deze bepalingen, die nu duidelijk zijn geformaliseerd, naar letter en geest ten uitvoer te leggen;

56. betreurt de vroegere houding van de Raad om pas substantiële financiële informatie te verstrekken als de definitieve besluiten al genomen waren, waardoor het eigenlijke doel van deze procedure teniet werd gedaan; is echter verheugd over het feit dat er sprake is van enige verbetering in dit opzicht, in het bijzonder in verband met de nieuwe missie in Kosovo, en verwacht dat deze zich voorzet;

57. wijst derhalve met nadruk op de punten 42 en 43 van het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord; beklemtoont met name dat de Raad krachtens het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord het Parlement jaarlijks vóór 15 juni moet raadplegen over een document met een vooruitblik op de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan; onderstreept dat dit document ook een evaluatie van de in het voorgaande jaar genomen maatregelen moet bevatten; is van mening dat beide elementen samen de basis kunnen vormen voor een daadwerkelijk verbeterde democratische controle;

58. betreurt, gezien het reeds ontoereikende bedrag voor het GBVB voor de periode 2007-2013, dat in het specifieke artikel in het begrotingshoofdstuk voor het GBVB dat gewijd is aan Speciale Vertegenwoordigers van de EU geen sprake is van voorkoming van de proliferatie van dergelijke gezanten, die per definitie alleen in speciale gevallen moeten worden benoemd en de rol van de delegaties van de Commissie ter plaatse niet mogen ondermijnen;

59. herinnert eraan dat Speciale Vertegenwoordigers van de Europese Unie onder de begroting voor het GBVB vallen en dat alle toepasselijke bepalingen van punt 42 van het Interinstitutioneel Akkoord ook gelden voor de financiële gevolgen van verlenging van hun mandaat; is van mening dat er criteria moeten worden vastgesteld voor de benoeming en beoordeling van Speciale Vertegenwoordigers van de EU, met inbegrip van taakomschrijving en doelstellingen, duur van het mandaat, coördinatie en complementariteit met de Commissiedelegaties in het kader van de eerste pijler en een beoordeling van hun potentiële "toegevoegde waarde"; roept de Raad en de Commissie ertoe op samen te werken op dit gebied, onder meer door tijdig toegang te verschaffen tot de evaluatierapporten, die substantiële, gedetailleerde en objectieve informatie dienen te bevatten en opgesteld dienen te worden onder verantwoordelijkheid van de Hoge Vertegenwoordiger;

60. maakt zich met name zorgen over het feit dat gemengd GBVB-optreden, met uitgaven die voortvloeien uit zowel civiel optreden als optreden met militaire of defensie-implicaties, tot dusver voor ongeacht welk parlement vrijwel onmogelijk te beoordelen is geweest; wijst erop dat dit het gevolg is van de gefragmenteerde situatie waarin nationale parlementen enerzijds zicht hebben op het militaire/defensiegedeelte van de financiering en het Europees Parlement anderzijds uitsluitend zicht heeft op de civiele aspecten; benadrukt dat dergelijke gecombineerde civiele en militaire activiteiten over hun gehele reikwijdte gecontroleerd moeten kunnen worden; verzoekt de Raad en de Commissie derhalve om volledige medewerking bij het vinden van manieren om een totaalbeeld te krijgen van deze missies en hun meerzijdige financieringsstructuur;

61. uit zijn bezorgdheid over het feit dat het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord er niet expliciet in voorziet dat de gezamenlijke kosten van militaire operaties in het kader van het EVDB worden gedekt uit de begroting van de Gemeenschap, waardoor er een einde zou komen aan de bestaande praktijk om gebruik te maken van aanvullende begrotingen of startfondsen van lidstaten;

62. betreurt derhalve dat in het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord geen veranderingen zijn aangebracht in de bestaande regels voor EVDB-operaties, zoals het beginsel dat de "kosten worden gedragen waar zij worden gemaakt" of andere ad hoc-regelingen, zoals het zogeheten "ATHENA-mechanisme"; herinnert eraan dat dergelijke mechanismen de financiële lasten voor de lidstaten die in het veld de grootste bijdrage leveren, bestendigen en aldus de toekomstige deelname aan EVDB-operaties in gevaar brengen en een situatie creëren die gemakkelijk zou kunnen worden vermeden door dergelijke operaties te betalen uit de begroting van de EU;

63. betreurt dat de Raad, in ten minste één geval, bepaalde kosten heeft gefinancierd met behulp van het intergouvernementele "ATHENA-mechanisme", hoewel de Europese Commissie duidelijk van oordeel was dat de desbetreffende uitgaven uit de EU-begroting zouden moeten worden betaald; is van opvatting dat de Raad en de Commissie de plicht hebben om in geval van twijfel het Europees Parlement te informeren en te raadplegen en kan eenzijdige besluiten van de Raad niet aanvaarden;

64. verzoekt de Raad het Parlement op de hoogte te brengen van de nieuwe bepalingen voor het "ATHENA-mechanisme", die de ministers in december 2006 hebben goedgekeurd; is verrast dat de Raad het niet nodig heeft geacht het Parlement hierover te informeren tijdens de twee gezamenlijke vergaderingen die in het najaar van 2006 zijn gehouden, te meer daar dit punt eerder in het jaar was besproken;

65. herhaalt in verband hiermee zijn voorstel een nieuwe begrotingsmethodologie te ontwikkelen ter vergroting van de transparantie van de EVDB-uitgaven en ter ondersteuning van de ontwikkeling van de militaire en civiele capaciteiten die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van de Europese veiligheidsstrategie te verwezenlijken:

a)   in een beginfase, waarin de Raad een begrotingsdocument opstelt dat een weerspiegeling vormt van de door de lidstaten gedane toezeggingen voor de verwezenlijking van de civiele hoofddoelen voor 2008 en de militaire hoofddoelen voor 2010;

b)   in een tweede fase, waarin de lidstaten zich tot het EVDB verbinden door middel van een indicatieve "begroting", die jaarlijks wordt behandeld door het Europees Parlement en de parlementen van de lidstaten, waarin zij op meerjarige basis kredieten vastleggen voor de financiering van materieel en personeel voor EVDB-operaties en aldus uiting geven aan hun bereidheid om middelen uit te trekken voor het EVDB en te zorgen voor een grotere transparantie van de militaire uitgaven;

c)   in de eindfase, waarin gemeenschappelijk besluiten worden genomen over de rationalisering van het budget voor het GBVB en het EVDB, met inbegrip van de boekhoudkundige opneming van de nationale uitgaven op EU-niveau in de veiligheids- en defensiedimensie in het kader van het voor 2008-2009 geplande herziene financiële stelsel van de Unie;

66. merkt op dat alle onderbestedingen, in het bijzonder terugvorderingen, in het GBVB door de Europese Commissie worden behandeld als "bestemmingsontvangsten" in de zin van het Financieel Reglement en derhalve opnieuw worden opgenomen op de begrotingslijnen voor het volgende jaar; is er niet van overtuigd dat deze handelwijze in overeenstemming is met de bepalingen van het Financieel Reglement; verzoekt de Rekenkamer deze kwestie te onderzoeken;

*

* *

67. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de NAVO en de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1)

PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.

(2)

PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 182.

(3)

PB C 247 E van 6.10.2005, blz. 88.

(4)

PB C 288 E van 25.11.2006, blz. 59.

(5)

Aangenomen teksten, P6_TA-(2006)0495.

(6)

Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0263.

(7)

PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 396.

(8)

Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0270 en P6_TA(2006)0566.

(9)

PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 226 en 235.

(10)

PB C 82 E van 1.4.2004, blz. 610 en Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0348.

(11)

Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0346.

(12)

PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 112.

(13)

PB C 297 E van 7.12.2006. blz. 341.

(14)

PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.

(15)

Aangenomen teksten P6_TA(2006)0569.

(16)

Aangenomen teksten P6_TA(2006)0568.

(17)

PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(18)

PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.

(19)

PB C 283 van 20.11.2002, blz. 1.

(20)

PB C 298 van 30.11.2002, blz. 1.


ADVIES van de Begrotingscommissie (28.2.2007)

aan de Commissie buitenlandse zaken

over het jaarlijkse verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Europese Unie (Deel II, punt H, paragraaf 40, van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999) - 2005

(2006/2217(INI)

Rapporteur voor advies: Antonis Samaras

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken om in haar ontwerpresolutie de volgende voorstellen op te nemen.

1.  is ingenomen met het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer, dat op 1 januari 2007 van kracht is geworden en de bestaande GBVB-bepalingen inzake regelmatig politiek overleg met het Europees Parlement consolideert en versterkt; is van mening dat uitvoering van dit akkoord van cruciaal belang is voor beter democratisch toezicht op de financiering van GBVB-acties;

2.  is ingenomen met de versterking van GBVB-hoofdstuk die in de onderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad tot stand gekomen is met de overeenkomst dat er voor de periode 2007-2013 ten minste EUR 1 740 miljoen beschikbaar zal zijn voor het GBVB; herinnert eraan dat dit niveau van de middelen meer dan driemaal hoger is dan de financiering in de oude financiële vooruitzichten en juist om die reden gepaard dient te gaan met krachtigere maatregelen voor parlementair toezicht en betere samenwerking van de zijde van de Raad;

3.  spreekt nogmaals zijn teleurstelling uit over het feit dat de jaarverslagen van de Raad tot dusver in wezen beperkt zijn gebleven tot een beschrijving van de activiteiten in het kader van het GBVB, zoals de Raad zelf in zijn inleidende opmerkingen duidelijk maakt, ondanks het feit dat in artikel 28 van het EU-Verdrag is bepaald dat het Parlement dient te worden geraadpleegd over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen daarvan, en dat rekening dient te worden gehouden met zijn opvattingen;

4.  is van opvatting dat een echte beoordeling van de financiële gevolgen voor de begroting van de Europese Unie tot dusver is gehinderd door het ontbreken van pro-actieve informatieverstrekking van de zijde van de Raad, hoewel over deze kwestie de afgelopen jaren gezamenlijke vergaderingen zijn gehouden; is van mening dat met de ondertekening van het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord het ogenblik is gekomen om deze bepalingen, die nu duidelijk zijn geformaliseerd, naar letter en geest ten uitvoer te leggen;

5.  betreurt de vroegere houding van de Raad om pas substantiële financiële informatie te verstrekken als de definitieve besluiten al genomen waren, waardoor het eigenlijke doel van deze procedure teniet werd gedaan; is echter verheugd over het feit dat er sprake is van enige verbetering in dit opzicht, in het bijzonder in verband met de nieuwe missie in Kosovo, en verwacht dat deze zich voorzet;

6.  wijst derhalve met nadruk op de punten 42 en 43 van het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord; beklemtoont met name dat de Raad krachtens het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord het Parlement jaarlijks vóór 15 juni moet raadplegen over een document met een vooruitblik op de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan; onderstreept dat dit document ook een evaluatie van de in het voorgaande jaar genomen maatregelen moet bevatten; is van mening dat beide elementen samen de basis kunnen vormen voor een daadwerkelijk verbeterde democratische controle;

7.  maakt zich met name zorgen over het feit dat gemengd GBVB-optreden, met uitgaven die voortvloeien uit zowel civiel optreden als optreden met militaire of defensie-implicaties, tot dusver voor ongeacht welk parlement vrijwel onmogelijk te beoordelen is geweest; wijst erop dat dit het gevolg is van de gefragmenteerde situatie waarin nationale parlementen enerzijds zicht hebben op het militaire/defensiegedeelte van de financiering en het Europees Parlement anderzijds uitsluitend zicht heeft op de civiele aspecten; benadrukt dat dergelijke gecombineerde civiele en militaire activiteiten over hun gehele reikwijdte gecontroleerd moeten kunnen worden; verzoekt de Raad en de Commissie derhalve om volledige medewerking bij het vinden van manieren om een totaalbeeld te krijgen van deze missies en hun meerzijdige financieringsstructuur;

8.  herinnert eraan dat Speciale Vertegenwoordigers van de Europese Unie onder de begroting voor het GBVB vallen en dat alle toepasselijke bepalingen van punt 42 van het Interinstitutioneel Akkoord ook gelden voor de financiële gevolgen van verlenging van hun mandaat; is van mening dat er criteria moeten worden vastgesteld voor de benoeming en beoordeling van Speciale Vertegenwoordigers van de EU, met inbegrip van taakomschrijving en doelstellingen, duur van het mandaat, coördinatie en complementariteit met de Commissiedelegaties in het kader van de eerste pijler en een beoordeling van hun potentiële "toegevoegde waarde"; roept de Raad en de Commissie ertoe op samen te werken op dit gebied, onder meer door tijdig toegang te verschaffen tot de evaluatierapporten, die substantiële, gedetailleerde en objectieve informatie dienen te bevatten en opgesteld dienen te worden onder verantwoordelijkheid van de Hoge Vertegenwoordiger;

9.  betreurt dat de Raad, in ten minste één geval, bepaalde kosten heeft gefinancierd met behulp van het intergouvernementele "ATHENA-mechanisme", hoewel de Europese Commissie duidelijk van oordeel was dat de desbetreffende uitgaven uit de EU-begroting zouden moeten worden betaald; is van opvatting dat de Raad en de Europese Commissie de plicht hebben om in geval van twijfel het Europees Parlement te informeren en te raadplegen en kan eenzijdige besluiten van de Raad niet aanvaarden;

10. verzoekt de Raad het Parlement op de hoogte te brengen van de nieuwe bepalingen voor het "ATHENA-mechanisme", die de ministers in december 2006 hebben goedgekeurd; is verrast dat de Raad het niet nodig heeft geacht het Parlement hierover te informeren tijdens de twee gezamenlijke vergaderingen die in het najaar van 2006 zijn gehouden, te meer daar dit punt eerder in het jaar was besproken;

11. merkt op dat alle onderbestedingen, in het bijzonder terugvorderingen, in het GBVB door de Europese Commissie worden behandeld als "bestemmingsontvangsten" in de zin van het Financieel Reglement en derhalve opnieuw worden opgenomen op de begrotingslijnen voor het volgende jaar; is er niet van overtuigd dat deze handelwijze in overeenstemming is met de bepalingen van het Financieel Reglement; verzoekt de Rekenkamer deze kwestie te onderzoeken.

PROCEDURE

Titel

Jaarverslag 2005 inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

Document- en procedurenummers

2006/2217(INI)

Commissie ten principale

AFET

Advies uitgebracht door
Datum bekendmaking

BUDG
28.9.2006

Nauwere samenwerking

Datum bekendmaking

 

Rapporteur voor advies
Datum benoeming

Antonis Samaras
20.9.2004

Vervangen rapporteur voor advies

 

Behandeling in de commissie

24.1.2007

27.2.2007

 

 

 

Datum goedkeuring

27.2.2007

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

20

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Reimer Böge, James Elles, Szabolcs Fazakas, Salvador Garriga Polledo, Louis Grech, Catherine Guy-Quint, Jutta Haug, Anne E. Jensen, Sergej Kozlík, Janusz Lewandowski, Vladimír Maňka, Mario Mauro, Umberto Pirilli, Petre Popeangă, Antonis Samaras, László Surján, Helga Trüpel, Kyösti Virrankoski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Hans-Peter Martin, Margarita Starkevičiūtė

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

...


PROCEDURE

Titel

Jaarlijks verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Europese Unie (Deel II, punt H, paragraaf 40, van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999) - 2005

Document- en procedurenummers

2006/2217(INI)

Commissie ten principale

Datum bekendmaking

AFET
28.9.2006

Medeadviserende commissie(s)       

Datum bekendmaking

BUDG
28.9.2006

 

 

 

 

Geen advies
Datum besluit

 

 

 

 

 

Nauwere samenwerking

Datum bekendmaking

 

 

Rapporteur(s)
Datum benoeming

Elmar Brok
13.9.2006

 

Vervangen rapporteur(s)

 

 

Behandeling in de commissie

23.1.2007

21.3.2007

 

 

 

Datum goedkeuring

27.3.2007

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47
6
2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Roberta Alma Anastase, Angelika Beer, Panagiotis Beglitis, Bastiaan Belder, Elmar Brok, Adrian-Mihai Cioroianu, Simon Coveney, Véronique De Keyser, Giorgos Dimitrakopoulos, Michael Gahler, Bronisław Geremek, Maciej Marian Giertych, Ana Maria Gomes, Jana Hybášková, Jelko Kacin, Helmut Kuhne, Joost Lagendijk, Vytautas Landsbergis, Francisco José Millán Mon, Philippe Morillon, Pasqualina Napoletano, Janusz Onyszkiewicz, Justas Vincas Paleckis, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Tobias Pflüger, João de Deus Pinheiro, Mirosław Mariusz Piotrowski, Bernd Posselt, Michel Rocard, Raül Romeva i Rueda, Libor Rouček, Katrin Saks, Jacek Saryusz-Wolski, Hannes Swoboda, Konrad Szymański, Charles Tannock, Inese Vaidere, Geoffrey Van Orden, Kristian Vigenin, Jan Marinus Wiersma, Josef Zieleniec

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Giulietto Chiesa, Alexandra Dobolyi, Árpád Duka-Zólyomi, Glyn Ford, Milan Horáček, Gisela Kallenbach, Tunne Kelam, Jaromír Kohlíček, Evgeni Kirilov, Aloyzas Sakalas, Luis Yañez-Barnuevo García

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Proinsias De Rossa, Ria Oomen-Ruijten

Datum indiening

4.4.2007

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

...

 

Laatst bijgewerkt op: 27 april 2007Juridische mededeling