Procedure : 2005/2242(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0158/2007

Ingediende teksten :

A6-0158/2007

Debatten :

PV 24/05/2007 - 4
CRE 24/05/2007 - 4

Stemmingen :

PV 24/05/2007 - 9.3
CRE 24/05/2007 - 9.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0214

VERSLAG     
PDF 267kDOC 166k
25 april 2007
PE 376.409v05-00 A6-0158/2007

over Kasjmir: huidige situatie en vooruitzichten

(2005/2242(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Baroness Nicholson of Winterbourne

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over Kasjmir: huidige situatie en vooruitzichten

(2005/2242(INI))

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn recente resoluties over Jammu en Kasjmir, met name zijn resolutie van 29 september 2005 over de betrekkingen tussen de EU en India: een strategisch partnerschap(1), van 17 november 2005 over Kasjmir(2), van 18 mei 2006 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2005 en het beleid van de EU met betrekking tot deze kwestie(3), van 28 september 2006 over de economische en handelsrelaties van de EU met India(4), van 22 april 2004 over de samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Pakistan(5) en van 22 april 2004 over de situatie in Pakistan(6),

–   onder verwijzing naar alle resoluties van de VN-Veiligheidsraad in de periode 1948-1971 over deze kwestie(7),

–   gezien de bezorgdheid die door diverse werkgroepen en rapporteurs van de Raad voor de mensenrechten en zijn voorganger de Commissie voor de mensenrechten van de Verenigde Naties alsook door internationale mensenrechtenorganisaties wordt geuit over schendingen van de mensenrechten in Kasjmir,

–   gezien het Induswaterverdrag van 1960,

–   gezien het verslag van de bezoeken van de ad-hocdelegatie van het Parlement aan Jammu en Kasjmir, dat in november 2004 werd goedgekeurd door de Commissie buitenlandse zaken,

–   gezien de verwoestende aardbeving die Jammu en Kasjmir heeft getroffen op 8 oktober 2005,

–   gezien resolutie nr. A/RES/60/13 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 14 november 2005, waarin lof werd uitgesproken voor de regeringen en volkeren die betrokken waren bij de hulpverlening en de wederopbouwinspanningen na de aardbeving,

–   gezien het bezoek van president Musharraf van de Islamitische Republiek Pakistan aan de Commissie buitenlandse zaken op 12 september 2006,

–   gezien de 7e top tussen de EU en India die op 13 oktober 2006 te Helsinki werd gehouden,

–   gezien de hernieuwde inspanningen voor vrede in Kasjmir sinds het van kracht worden van het bestand in 2003, gevolgd door de toezegging van president Musharraf in januari 2004 dat het Pakistaanse grondgebied niet zou worden gebruikt voor grensoverschrijdend terrorisme, de toekomstvisie van de Indiase premier Manmohan Singh dat "grenzen niet kunnen worden opgeheven, maar betekenisloos gemaakt moeten worden" en de op 17 januari 2007 gestarte nieuwe ronde van vredesoverleg,

–   gezien het recentelijk door generaal Musharraf gepresenteerde vierpuntenplan voor de oplossing van het Kasjmir-conflict (geen wijziging van de grenzen van Jammu en Kasjmir, vrij verkeer van personen over de Line of Control (LoC) (bestandslijn), gefaseerde demilitarisering en zelfbestuur met een gemeenschappelijk toezichtsmechanisme waarin India, Pakistan en de Kasjmiri's zijn vertegenwoordigd), alsmede het voorstel van premier Singh om te komen tot een alomvattend verdrag voor vrede, veiligheid en vriendschap,

–   gezien het op 13 januari 2007 begonnen bezoek van de heer Pranab Mukherjee, de Indiase minister van Buitenlandse Zaken, aan Pakistan, tijdens hetwelk vier overeenkomsten gericht op het opbouwen van vertrouwen zullen werden ondertekend,

–   gezien rapport nr. 125 over Azië van de Internationale Crisisgroep van 11 december 2006, alsmede de rapporten van Freedom House, Human Rights Watch en het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de VS over de mensenrechten,

–   gezien de bezoeken die de rapporteur van het Parlement in juni 2006 heeft gebracht aan beide zijden van de bestandslijn,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0158/2006),

A. overwegende dat het betwiste grondgebied dat voorheen het prinsdom Jammu en Kasjmir vormde, tegenwoordig in afzonderlijke delen wordt bestuurd door de Republiek India, de Islamitische Republiek Pakistan en de Volksrepubliek China, en in totaal 13,4 miljoen inwoners telt,

B.  overwegende dat een groot deel van Jammu en Kasjmir, in het bijzonder Gilgit en Baltistan, gebukt gaat onder extreme armoede en verwaarlozing, met enorme achterstanden op het gebied van de basisvaardigheden lezen, schrijven en rekenen, een slecht toegankelijke gezondheidszorg, een gebrek aan democratische structuren en ernstige tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat en het gerechtelijk apparaat; en overwegende dat heel Jammu en Kasjmir te lijden heeft van een zeer sterke economische achteruitgang,

C. overwegende dat ook de kwestie van de watervoorraden een factor is die het geschil tussen Pakistan en India over Jammu en Kasjmir verergert en een belangrijk element is voor het vinden van een definitieve oplossing,

D. overwegende dat Jammu en Kasjmir al bijna zestig jaar een bron van conflicten is, een periode die wordt gekenmerkt door gewapende conflicten tussen India, Pakistan en China; overwegende dat dit geschil al meer dan 80 000 mensen het leven heeft gekost; overwegende dat bij de conflicten tussen India en Pakistan tegenwoordig ook het internationale terrorisme een rol speelt; overwegende dat China, India en Pakistan nucleaire machten zijn, maar dat India, noch Pakistan zich heeft aangesloten bij het Non-proliferatieverdrag,

E.  overwegende dat er heel wat bewijzen zijn dat Pakistan miltanten uit Kasjmir gedurende vele jaren heeft voorzien van training, wapens, financiële middelen en bescherming en de militanten niet verantwoordelijk heeft gesteld voor gruweldaden die zij hebben begaan in het door India bestuurde deel; overwegende echter dat volgens rapporten van de Indiase regering de infiltratie van militanten in het door India bestuurde Jammu en Kasjmir sinds 11 september 2001 duidelijk is afgenomen,

F.  overwegende dat sinds november 2003 een staakt-het-vuren van kracht is op de bestandslijn en, op enkele schendingen na, nog steeds standhoudt,

G. overwegende dat het staakt-het-vuren India en Pakistan in staat heeft gesteld over Jammu en Kasjmir een dialoog aan te gaan die nu enige vruchten begint af te werpen, en overwegende dat op dit moment als onderdeel van het vredesproces een aantal vertrouwenwekkende maatregelen (CBM's) wordt doorgevoerd; overwegende dat het volk van Kasjmir ernaar streeft de vruchten te plukken van deze CBM's en deze effectief ten uitvoer legt op lokaal niveau; overwegende dat de Kasjmiri's en China nog steeds niet bij dit proces betrokken worden,

H. overwegende dat het gezamenlijke communiqué dat India en Pakistan na afloop van het bezoek van president Musharraf aan India in april 2005 hebben uitgegeven, heeft bijgedragen tot de toenadering tussen beide landen, in het bijzonder door de onomkeerbaarheid van het vredesproces te bevestigen en aan te sturen op een niet-militaire oplossing voor het conflict over Kasjmir,

I.   overwegende dat economische ontwikkeling van vitaal belang is voor de opbouw van de infrastructuur en de sociale voorzieningen en om het productiepotentieel van Jammu en Kasjmir te verbeteren; overwegende dat de gezamenlijke verklaring van de EU en Pakistan van 8 februari 2007 een nieuwe positieve stap betekent in de versterking van de betrekkingen en overwegende dat beide partijen uitzien naar de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst van de derde generatie in de overtuiging dat deze kan bijdragen tot sociaal-economische ontwikkeling en welvaart in Pakistan; overwegende dat de EU en Pakistan opnieuw hebben bevestigd dat zij zich blijven inzetten om geschillen met vreedzame middelen te regelen in overeenstemming met het internationaal recht, bilaterale overeenkomsten en de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties,

J.   overwegende dat de huidige verreikende samenwerkingsovereenkomst van de derde generatie tussen de EG en India die sinds 1994 in werking is getreden, op het institutionele niveau geschraagd wordt door een gezamenlijke politieke verklaring met jaarlijkse ministeriële bijeenkomsten en het pad heeft geëffend voor een brede politieke dialoog,

K. overwegende dat in de ochtend van 8 oktober 2005 een aardbeving met een kracht van 7,6 op de schaal van Richter, de meest verwoestende internationale aardbeving sinds mensenheugenis, een brede strook land trof van Afghanistan tot in Pakistan en India; overwegende voorts dat Jammu en Kasjmir hierbij het zwaarst werd getroffen, wat leidde tot ongekend grote verliezen in Azad Jammu en Kasjmir (AJK) en de North-West Frontier Province (NWFP) in Pakistan,

L.  overwegende dat de aardbeving binnen enkele minuten meer dan 75 000 levens eiste in AJK, een aantal dat uiteindelijk opliep tot 88 000, en 6 000 in het door India bestuurde Jammu en Kasjmir, en dat tienduizenden mensen gewond zijn geraakt en miljoenen mensen zijn ontheemd, en overwegende dat aan Pakistaanse zijde de basisvoorzieningen voor deze mensen minimaal zijn en dat zij geheel zijn verstoken van permanent onderdak, werk, medische zorg en onderwijs; overwegende dat tientallen steden en dorpen gedeeltelijk of volledig zijn verwoest, de landbouw is gedecimeerd en het milieu aangetast, en overwegende dat deze aardbeving voor het ontwikkelingsniveau een ernstige achteruitgang heeft betekend,

M. overwegende dat zowel de staatslegers als de gewapende oppositiegroepen in het Kasjmir-geschil de Conventies van Genève van 1949 en het gewone internationaal humanitair recht, krachtens welke aanslagen op burgers zijn verboden, moeten naleven en dat ernstige schendingen van deze bepalingen oorlogsmisdrijven zijn en dat staten tot plicht hebben deze te vervolgen,

N. overwegende dat gedurende de afgelopen tien jaar meer dan 2 000 soldaten zijn omgekomen op de Siachen-gletsjer en dat het staakt-het-vuren sinds november 2005 in de Siachen-regio moet worden toegejuicht,

Inleiding

1.  benadrukt dat India, Pakistan en China (waaraan Pakistan in 1963 de Trans-Karakoram Strook heeft afgestaan) belangrijke EU-partners zijn en dat eerstgenoemd land de status van strategische partner geniet; meent dat het aanslepende conflict langs de bestandslijn het best door de constante inzet van de regeringen van India en Pakistan samen kan worden opgelost en door de bevolking van alle delen van het voormalige prinsdom daarbij te betrekken; denkt evenwel dat de EU iets te bieden kan hebben vanwege haar ervaring in het verleden met succesvolle conflictoplossing in een multi-etnische, multinationale, multireligieuze context; biedt daarom deze resolutie en mogelijke vergaderingen die eruit kunnen voortvloeien aan als deel van een gemeenschappelijke ervaring waar ook de EU van kan leren; wijst andermaal op het belang van voortgezette steun van de EU aan zowel India als Pakistan, nu deze landen het vredesproces van 2004 verwerkelijken;

2.  vestigt de aandacht op het feit dat India de grootste seculiere democratie ter wereld is met democratische structuren op alle niveaus, terwijl Pakistan nog steeds geen volwaardige democratie in AJK heeft ingevoerd en in Gilgit en Baltistan nog steeds stappen in de richting van democratie moet zetten; merkt op dat beide landen nu kernmachten zijn, maar het non-proliferatieverdrag niet ondertekend hebben; wijst erop dat India eenzijdig verklaard heeft niet als eerste gebruik te zullen maken van kernwapens, maar dat Pakistan zo'n toezegging niet heeft gedaan; merkt voorts op dat president Musharraf zijn belofte uit 1999 niet is nagekomen dat "de strijdkrachten niet van plan zijn langer aan de macht te blijven dan strikt noodzakelijk is om de weg naar werkelijke democratie in Pakistan te banen";

3.  roept de regeringsvertegenwoordigers van zowel India als Pakistan op om de gelegenheid die door de verklaringen van de premier van India en de president van Pakistan geboden wordt aan te grijpen om een nieuwe impuls te geven aan het zoeken naar opties voor meer zelfbestuur, vrijheid van verkeer, demilitarisering en intergouvernementele samenwerking op gebieden zoals watervoorziening, toerisme, handel en milieu, en om een werkelijke doorbraak te forceren bij het zoeken naar een oplossing voor het conflict rond Kasjmir;

4.  merkt op dat de aardbeving rampzalige gevolgen heeft gehad voor de toch al gebrekkige basisvoorzieningen van de bevolking van AJK en enorme schade heeft toegebracht aan het potentieel voor de ontwikkeling van instellingen en capaciteiten; roept de Europese Unie op de Kasjmiri's ondersteuning te bieden op deze terreinen;

5.  dringt er bij de Pakistaanse en Indiase regering op aan de cruciale kwesties met betrekking tot de rivieroevers, die negatieve gevolgen hebben voor de bovenloop en het gebruik van de rivieren die door Jammu en Kasjmir stromen (de Indus, de Jhelum, de Chenab, de Ravi, de Beas en de Sutlej), zo snel mogelijk op te lossen en zich daarbij te bedienen van het mechanisme dat is ingesteld bij het Induswaterverdrag van 1960; benadrukt in dit verband dat de behoeften van de lokale bevolking op het gebied van landbouw, visserij, veehouderij en drinkwater - zoals de modernisering van de Mangladam - een belangrijke prioriteit moeten blijven;

6.  wijst op het belang van water, veiligheid en duurzame, betrouwbare energievoorziening voor de stabiliteit en de groei in de regio en wijst in dit verband op het belang van irrigatieprojecten en projecten voor waterkrachtcentrales; acht het onontbeerlijk dat de Pakistaanse en de Indiase regering hun constructieve dialoog voortzetten en de vertegenwoordigers van de Kasjmiri's raadplegen over rivieroeverkwesties en dringt erop aan dat zij een alomvattende aanpak van de watervoorziening nastreven, in het besef dat water, land, plaatselijke gebruikers, milieu en infrastructuur een onlosmakelijk geheel vormen;

7.  benadrukt de gemeenschappelijke erfenis van India en Pakistan, die wordt geïllustreerd door de oeroude cultuur van Jammu en Kasjmir; erkent en waardeert het pluralisme, het multiculturalisme, de multireligieuze aard en de seculiere tradities van de volkeren van Jammu en Kasjmir, die in het Indiase deel van Jammu en Kasjmir springlevend zijn gebleven;

Politieke situatie: de aspiraties van het volk

8.  prijst en steunt India en Pakistan met de stappen richting vrede die momenteel worden gezet en verwelkomt het feit dat de bilaterale gesprekken, die na de aanslagen van juli 2006 in Mumbai voor drie maanden werden opgeschort, zijn hervat; benadrukt dat de regio, de EU en de internationale gemeenschap de huidige bilaterale gesprekken dienen te steunen en dat de uitwisselingen met het oog op de oplossing van het conflict dienen te worden geïntensiveerd om zo een welvarender toekomst voor de bevolking van Jammu en Kasjmir en hun buren te kunnen scheppen;

9.  is ingenomen met de door India en Pakistan genomen CBM’s die ten dele succesvol blijken te zijn in het verminderen van de wederzijdse spanning en achterdocht en families aan beide zijden na jaren van scheiding in staat stellen zich te herenigen; benadrukt dat de Indiase en de Pakistaanse regering grote inspanningen moeten leveren om de Kasjmiri's te betrekken bij het oplossen van de kernproblemen;

10. vestigt de aandacht op het feit dat de gewone Kasjmiri's, als gevolg van de humanitaire situatie na de aardbeving, nu steeds meer baat hebben bij het vredesproces door de uitwisselingen die plaatsvinden en door de politieke toezeggingen van zowel de Indiase als de Pakistaanse regering wat betreft het vrije verkeer van personen, goederen en diensten - zij het nog steeds in beperkte mate - over de bestandslijn;

11. benadrukt dat de crisissen en conflicten van de laatste jaren het belang van de Verenigde Naties niet doen afnemen, maar juist doen toenemen en dat de VN een belangrijk forum voor dialoog en diplomatie blijft; verwijst naar het grote aantal resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Kasjmir in de periode 1948-1971, die tot doel hadden om zowel de Indiase als de Pakistaanse regering ertoe te bewegen alle in hun macht liggende maatregelen te nemen om de situatie te verbeteren en waarin de overtuiging werd uitgesproken dat een vreedzame oplossing van het conflict in het belang is van alle betrokkenen, zowel de bevolking van Jammu en Kasjmir als het Indiase en het Pakistaanse volk; komt in het licht van alle hierin genoemde en ook latere schendingen van de punten in de diverse resoluties van de VN-Veiligheidsraad tot de conclusie dat de voorwaarden om een volksreferendum te kunnen houden, nog niet zijn vervuld;

12. herhaalt dat alle volkeren krachtens artikel 1, lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN het onvervreemdbare recht op zelfbeschikking hebben, onder meer het recht om vrij hun politieke status te bepalen en vrij hun economische, sociale en culturele ontwikkeling na te streven; herhaalt dat alle partijen die dit verdrag hebben ondertekend krachtens artikel 1, lid 3 ervan de verwezenlijking van het recht op zelfbeschikking moeten bevorderen en dit recht moeten eerbiedigen overeenkomstig de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties; wijst er echter op dat alle VN-resoluties over het conflict over Kasjmir expliciet het recht van het voormalige prinsdom Jammu en Kasjmir erkennen om een deel van hetzij India, hetzij Pakistan te worden; is met het oog op een duurzame oplossing voor het conflict over Kasjmir, waarbij de hele regio enorm baat zou hebben, ingenomen met de nieuwe ideeën die momenteel ter tafel liggen op de Composite Dialogue (waaraan diverse betrokken partijen deelnemen) en de rondetafelgesprekken in India (waarbij vooral de hervatting van de dialoog met alle partijen van de Hurriyat conferentie (APHC) door de Indiase regering moet worden toegejuicht), in het bijzonder de ideeën om de grenzen permanent te ontsluiten, een systeem van zelfbestuur in te voeren en institutionele regelingen te vinden voor een gezamenlijk bestuur of samenwerking bij het bestuur; roept India en Pakistan bijgevolg op deze denkbeelden verder te verkennen in onderlinge gesprekken en in gesprekken met Kasjmiri's aan beide zijden van de bestandslijn en in Gilgit en Baltistan;

13. betreurt de voortdurende politieke en humanitaire situatie in de vier delen van Jammu en Kasjmir; is evenwel ingenomen met het vredesproces waarbij alle partijen betrokken zijn om tot een duurzame regeling voor de Kasjmiri's te komen gebaseerd op democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; steunt de parallelle "second track"-aanpak, alsook de brede dialoog waarbij prominenten, academici en deskundigen uit alle delen van Kasjmir, India en Pakistan worden betrokken om praktische voorstellen voor nauwere samenwerking te formuleren; feliciteert India en Pakistan omdat zij deze groepen bijeen hebben gebracht en stelt voor dat de EU voor praktische ondersteuning zorgt, wanneer de EU hierom wordt verzocht door beide partijen en in het kader van het vredesproces waaraan alle betrokken partijen deelnemen;

14. betreurt echter dat Pakistan consequent niet aan zijn verplichting heeft voldaan om in AJK betekenisvolle en representatieve democratische structuren in te voeren; merkt met name op dat de Kasjmiri's nog steeds niet zijn vertegenwoordigd in het Pakistaanse parlement, dat AJK wordt bestuurd door het Ministerie van Kasjmiri Zaken in Islamabad, dat Pakistaanse ambtenaren de Raad van Kasjmir domineren en dat de secretaris-generaal, de inspecteur-generaal van de politie, de hoogste ambtenaar op het Ministerie van Financiën en de minister van Financiën allemaal afkomstig zijn uit Pakistan; spreekt zijn afkeuring uit over de bepaling in de interim-grondwet van 1974 die alle politieke activiteiten verbiedt die niet uitgaan van de doctrine dat Jammu en Kasjmir een deel van Pakistan is en alle kandidaten voor een parlementszetel in AJK verplicht een loyaliteitsverklaring van die strekking te ondertekenen; maakt zich zorgen over het feit dat de regio Gilgit-Baltistan geen enkele vorm van democratische vertegenwoordiging kent;

15. erkent dat Pakistan zich in een bijzonder ingewikkelde situatie bevindt en van alle kanten onder druk staat; maar:

-  betreurt ten zeerste dat het ontbreken van voldoende politieke wil op nationaal niveau om voor de broodnodige basisvoorzieningen en politieke participatie te zorgen en de rechtsstaat in AJK te bevorderen, ertoe heeft geleid dat vrouwen sinds de aardbeving in een uitzichtloze situatie verkeren;

-  herinnert aan de samenwerkingsovereenkomst van de derde generatie die de EU in 2001 met Pakistan heeft gesloten, waarvan artikel 1 bepaalt dat de mensenrechten en democratische beginselen moeten worden nageleefd; spoort de EU aan ervoor te zorgen dat deze beginselen bij de toepassing van deze overeenkomst in acht worden genomen; is dan ook uitermate bezorgd over het feit dat de bevolking van Gilgit en Baltistan onder rechtstreeks militair bestuur staat en geen democratie kent;

-  beschouwt de aanneming van de wet inzake de bescherming van vrouwen tot herziening van de op de sharia gebaseerde Hudood-verordeningen inzake overspel en verkrachting als een positieve stap op weg naar een betere bescherming van de rechten van de vrouw in Pakistan en waardeert de inzet die president Musharraf en hervormingsgezinde parlementsleden aan de dag leggen om deze hervorming tot stand te brengen ondanks pogingen om ze te torpederen; benadrukt echter dat het overduidelijk is dat Pakistan beter aan de weg moet timmeren om zijn afspraken op mensenrechtengebied na te komen;

-  blijft zich zorgen maken over de moeilijke situatie waarmee alle minderheden in de regio worden geconfronteerd;

16. verzoekt Pakistan met klem om zijn opvattingen over democratische verantwoordingsplicht en de rechten van minderheden en vrouwen in AJK te herzien, die net als elders essentieel zijn om de omstandigheden voor het volk te kunnen verbeteren en de terrorismedreiging aan te kunnen pakken;

17. uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan vrijheid van meningsuiting in AJK en rapporten over foltering en mishandeling, over discriminatie van vluchtelingen uit het door India bestuurde Jammu en Kasjmir en over corruptie onder overheidsdienaren, en verzoekt de regering van Pakistan erop toe te zien dat de bevolking van AJK haar fundamentele burger- en politieke rechten kan uitoefenen in een omgeving die van onderdrukking en angst gespeend is;

18. verzoekt Pakistan voorts in AJK vrije en eerlijke verkiezingen te organiseren aangezien de algemene verkiezingen van 11 juli 2006 gekenmerkt werden door fraude en manipulatie op grote schaal en kandidaten die de inlijving van Kasjmir bij Pakistan weigerden te steunen, niet aan de verkiezingen mochten meedoen; roept Pakistan ook op om voor het eerst in Gilgit en Baltistan verkiezingen te organiseren;

19. verzoekt de Pakistaanse en Indiase regering eveneens met klem het staakt-het-vuren dat sinds 2003 in Siachen van kracht is om te zetten in een duurzaam vredesakkoord, aangezien er op dit hoogst gelegen strijdtoneel ter wereld elk jaar meer soldaten omkomen als gevolg van de klimaatsomstandigheden dan bij gevechtshandelingen;

20. roept de Europese Unie op India en Pakistan te helpen het eens te worden over de instelling van een volstrekt neutrale zone in de Siachen-regio, zonder daarbij afbreuk te doen aan de wederzijdse posities, met name door bijstand te verlenen in de vorm van controleapparatuur en verificatieprocedures;

21. verzoekt de strijdende partijen een staakt-het-vuren af te kondigen, gevolgd door een ontwapenings-, demobilisatie- en een reïntegratieproces; verzoekt de regeringen van Pakistan en India aan dit staakt-het-vuren mee te werken;

22. spoort de regering van Pakistan aan activistische internetsites en bladen een halt toe te roepen; stelt voor dat de regeringen van Pakistan en India een wettelijk verbod op haatzaaiende uitlatingen uitvaardigen;

23. merkt op dat het onder Indiaas bestuur staande Jammu en Kasjmir een unieke status geniet krachtens artikel 370 van de Indiase grondwet dat de regio een grotere autonomie geeft dan de andere staten van de Unie; is verheugd over de stappen die recentelijk in Jammu en Kasjmir zijn genomen ter versterking van de democratie (die hun weerslag vonden in de opkomst van 75% bij de recente lokale verkiezingen), alsook over de stappen van premier Singh om de dialoog met de APHC te hervatten; stelt evenwel vast dat er in de praktijk tekortkomingen blijven bestaan met betrekking tot mensenrechten en directe democratie, zoals blijkt uit het feit dat alle kandidaten bij verkiezingen in Jammu en Kasjmir getrouwheid moeten zweren aan de grondwet van de staat Jammu en Kasjmir, die de territoriale integriteit van India waarborgt; dringt er bij de Indiase Nationale Commissie voor de mensenrechten (NHRC) op aan haar taak in verband met vermeende of gedocumenteerde schendingen volledig waar te nemen en, teneinde haar geloofwaardigheid nog te versterken, het gemis aan mensenrechtendeskundigen in haar raad van bestuur goed te maken; ziet uit naar meer vorderingen op dit gebied en naar positieve resultaten van de nieuwe wetgeving inzake kinderarbeid en inzake vrouwen en geweld; is verontrust over berichten dat grote aantallen Kasjmiri's zonder behoorlijk proces gevangen worden gehouden; betreurt de met bewijsstukken gestaafde schendingen van mensenrechten door de Indiase strijdkrachten, in het bijzonder als deze gevallen van moord en verkrachting in een klimaat van straffeloosheid kunnen blijven plaatsvinden; constateert met bezorgdheid dat de NHRC op grond van haar statuten niet bevoegd is om een onderzoek in te stellen naar de mensenrechtenschendingen door Indiase veiligheidstroepen; put evenwel moed uit de aanbeveling van de NHRC om in het leger hoge officieren te belasten met het toezicht op de implementering van fundamentele mensenrechten en rechtsorde in hun militaire eenheden; neemt kennis van de toezegging van de Indiase regering in september 2005 dat schendingen van de mensenrechten niet zullen worden getolereerd; roept de Lok Sabha op in overweging te nemen om de wet inzake bescherming van de mensenrechten te wijzigen om de NHRC in staat te stellen een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar beschuldigingen in verband met mensenrechtenschendingen door leden van de strijdkrachten;

24. verwelkomt in het licht hiervan de verklaringen van premier Singh die voor mensenrechtenschendingen in Kasjmir de regel van "zero tolerance" wil toepassen en die de Indiase regering heeft gevraagd een einde te maken aan alle vormen van standrechtelijke executies, "verdwijningen", foltering en willekeurige hechtenis in Jammu en Kasjmir;

25. verzoekt India en de regering van Jammu en Kasjmir alle wettelijke bepalingen in te trekken die de facto immuniteit verlenen aan de leden van de strijdkrachten en een onafhankelijke en onpartijdige commissie in het leven te roepen die een onderzoek moet instellen naar ernstige schendingen van de mensenrechten en van het internationale humanitaire recht waaraan Indiase veiligheidstroepen zich sinds het begin van het conflict schuldig hebben gemaakt;

26. verzoekt de regeringen van India en Pakistan met klem internationale mensenrechtenorganisaties (zoals Freedom House, Amnesty International en Human Rights Watch) onverwijld en ongehinderd toegang te verlenen tot alle delen van het voormalige prinsdom om de mensenrechtensituatie aldaar te onderzoeken en hierover regelmatig onafhankelijke rapporten op te stellen; verzoekt beide regeringen publiekelijk toe te zeggen dat zij hun volle medewerking zullen verlenen aan dergelijke internationale mensenrechtenorganisaties;

27. onderkent de moeilijke leefomstandigheden van een aantal bevolkingsgroepen, zoals de Pandits van de Kasjmir-vallei die werden gedwongen uit het gebied weg te trekken; stelt met klem dat discriminatie tegen hen, in het bijzonder op het gebied van werkgelegenheid, direct moet worden aangepakt; oppert dat deze bevolkingsgroepen zouden moeten proberen mondiger te worden door commissies op te richten van vertegenwoordigers die zij zelf hebben gekozen en er daarbij voor te zorgen dat vrouwen en jongeren tot 25 jaar ook worden vertegenwoordigd;

28. stelt India voor na te gaan in hoeverre de oprichting van de autonome Hill Council in Ladakh in 1993 een succes is geweest; hoopt dat de Kargil-Skardu-handelsroute opnieuw kan worden opengesteld als onderdeel van het CBM-proces en dat de scheiding tussen Ladakh en de noordelijke gebieden kan worden overbrugd met behulp van oversteekplaatsen die vergelijkbaar zijn met die welke reeds elders langs de bestandslijn zijn ingesteld;

29. juicht het met name toe dat er in het algemeen meer reisvisa worden afgegeven voor het verkeer tussen India en Pakistan en dat de buslijn tussen Srinagar en Muzzaffarabad weer open is gesteld; stelt vast dat volgens de laatste statistieken nog geen 400 mensen aan beide zijden van de bestandslijn hiervan gebruik hebben gemaakt; verzoekt de autoriteiten van India en Pakistan de restricties op de afgifte van reisvergunningen te versoepelen;

30. complimenteert India met zijn inspanningen om de sociaal-economische ontwikkeling van Jammu en Kasjmir via speciale overheidsprogramma's te bevorderen en banen te scheppen en maatregelen ter bevordering van het toerisme in Jammu en Kasjmir te treffen, en stelt voor te onderzoeken hoe het (aanstaande) partnerschap tussen de EU en India zou kunnen bijdragen aan het scheppen van nieuwe geschoolde banen, vooral voor vrouwen en jongeren; roept de Europese Unie op lokale NGO's te steunen bij het opzetten van projecten om vrouwen productie- en marketingmethodes bij te brengen; is van oordeel dat de Europese Unie de gelijkekansenproblemen kan oplossen door de bevordering van de handel in producten waarmee vrouwen van oudsher middelen van bestaan verwerven, zoals textiel en ambachtelijke producten, en van dienstensectoren waarin vrouwen werkzaam zijn; beveelt aan om de economische betrekkingen tussen de Europese Unie en Pakistan op soortgelijke wijze te versterken;

Terrorismebestrijding

31. erkent dat een politieke oplossing voor het conflict en een verbetering van de economische situatie van de bevolking van de deelstaat Jammu-Kasjmir alleen mogelijk zijn als het terrorisme een halt wordt toegeroepen; stelt vast dat het aantal slachtoffers van terroristische aanslagen de laatste vijf jaar weliswaar gestaag is gedaald, maar dat de in AJK gestationeerde terroristische groeperingen, zoals Lashkar-e-Taiba en Harakat ul-Mujahedeen voortdurend van gedaante verwisselen en honderden doden in het door India bestuurde deel van Jammu en Kasjmir en daarbuiten op hun geweten hebben;

32. betreurt de met bewijsstukken gestaafde schendingen van mensenrechten door Pakistan, onder meer in Gilgit en Baltistan, waar naar verluidt in 2004 gewelddadige rellen hebben plaatsgevonden, en betreurt ook de al te vaak voorkomende gevallen van terreur en geweld waaraan gewapende militante groeperingen zich schuldig maken; roept Pakistan op zijn interpretatie van de fundamentele rechten, zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en godsdienstvrijheid in AJK en Gilgit en Baltistan tegen het licht te houden en neemt met bezorgdheid kennis van de beschuldigingen van mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International over foltering en willekeurige hechtenis; roept alle betrokken partijen met klem op al het mogelijke te doen om deze schendingen tegen te gaan; is ingenomen met de toezeggingen die Pakistan publiekelijk heeft gedaan om een einde te maken aan de infiltratie via de bestandslijn door activisten die opereren vanuit gebied dat niet onder Pakistaanse controle staat, maar meent dat het veel strengere en effectievere maatregelen moet nemen; vraagt dat president Musharraf toezegt het terrorisme vastberaden te zullen blijven bestrijden, dat, zoals algemeen wordt erkend, een enorme uitdaging vormt; hecht zijn goedkeuring en steun aan multilaterale en bilaterale hulp van lidstaten van de Europese Unie om Pakistan te steunen in zijn strijd tegen het terrorisme en zijn vastbesloten inspanningen ter verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking van AJK en Gilgit en Baltistan; wenst bovendien dat de regering van Pakistan en de EU-lidstaten hun inspanningen versterken om potentiële terroristen die vanuit EU-lidstaten naar Pakistan reizen om daar opgeleid te worden, in hun kraag te vatten; is ermee ingenomen dat de regeringen van beide landen recentelijk een gemengd panel, het India-Pakistan Joint Mechanism on Terrorism, hebben opgericht om terrorisme te bestrijden en geheime informatie te delen, dat op 6 maart 2007 voor het eerst in Islamabad bijeen is gekomen;

33. betuigt zijn krachtige steun voor de op 11 december 2006 door de Internationale Crisisgroep aan Pakistan gedane aanbevelingen om militanten te ontwapenen, terroristische trainingskampen te sluiten, paal en perk te stellen aan de rekrutering en opleiding van terroristen op zijn grondgebied en een einde te maken aan de geld- en wapenleveranties aan de Taliban en andere buitenlandse en lokale militanten op Pakistaans grondgebied;

34. erkent en steunt het verlangen van het volk van Kasjmir naar een sterk gereduceerde militaire aanwezigheid aan beide zijden van de bestandslijn; wijst er echter op dat demilitarisering slechts zinvol kan zijn als er tegelijkertijd oprechte pogingen worden gedaan om de dreiging van terroristische infiltratie van Jammu en Kasjmir door militante groeperingen die vanuit Pakistan opereren te neutraliseren en daarnaast ook vertrouwenwekkende maatregelen worden getroffen zoals het stopzetten van de beschuldigingen over en weer, het volledig openstellen van de buslijn Srinagar-Muzzafarabad, de communicatiemiddelen en handelskanalen, alsook andere maatregelen die in nauw overleg met de Kasjmiri's aan beide zijden moeten worden geformuleerd; wijst op het gunstige effect dat dit zal hebben voor het geestelijk welzijn en het veiligheidsgevoel in het bijzonder van kinderen en jongeren; benadrukt dat alleen nieuwe, op de toekomst gerichte initiatieven een positieve ontwikkeling op gang kunnen brengen;

Vertrouwenwekkende maatregelen

35. is zeer ingenomen met de jongste tekenen dat er van de zijde van de Indiase en de Pakistaanse regering hernieuwde pogingen worden ondernomen en zelfs aanzienlijke beleidsveranderingen waarneembaar zijn met het oog op de oplossing van het conflict rond Kasjmir;

36. juicht in het bijzonder de stappen toe die zijn ondernomen om families te herenigen die zijn gescheiden door de bestandslijn door vijf oversteekplaatsen te openen; is zich bewust van de berichten dat het openen van ontmoetingsplaatsen op de bestandslijn aantoonbaar traag zou zijn en er niet wordt gereageerd op de urgentie van de situatie op de grond; hoopt desondanks dat er in de toekomst steeds vaker gebruik zal worden gemaakt van deze ontmoetingsplaatsen en moedigt dit ook aan; zou graag zien dat alle burgers aan weerszijden hiervan gebruik kunnen maken en beveelt India en Pakistan aan maatregelen te nemen om alle reisverkeer, zowel reizen binnen het voormalige prinsdom als internationale reizen, makkelijker te maken door middel van versnelde administratieve en consulaire dienstverlening;

37. gelooft dat het van essentieel belang is dat de frequentie van uitwisselingen tussen beide zijden van de bestandslijn toeneemt op alle niveaus van de maatschappij en onder alle rangen en standen; suggereert dat er uitwisselingsprogramma’s zouden kunnen worden opgezet tussen juristenverenigingen, scholen en universiteiten, zoals een gemeenschappelijke universiteit met een campus aan beide kanten van de scheidslijn; oppert dat, om de wederzijdse achterdocht tussen de legers aan beide zijden te verminderen, een dialoog tussen de strijdkrachten onderling in gang zou kunnen worden gezet;

38. pleit ervoor de instelling van een gezamenlijke Indiaas-Pakistaanse waarnemingspost in overweging te nemen voor de uitwisseling van gegevens over weerpatronen en seismische activiteit, teneinde vroegtijdig te kunnen waarschuwen voor natuurrampen aan beide zijden van de bestandslijn;

39. beveelt op politiek niveau aan dat een gemengde parlementaire commissie van India en Pakistan wordt ingesteld ter bevordering van parlementaire uitwisselingen en een versterkte dialoog, en dat op vergelijkbare wijze gemengde werkgroepen op het niveau van de lokale overheid worden opgericht om kwesties rond handel en toerisme te onderzoeken;

40. moedigt de bedrijfswereld in de EU aan het investerings- en toeristisch potentieel van heel Kasjmir te onderkennen en in het bijzonder de aanwezigheid van heel gemotiveerde arbeidskrachten; oppert dat Europese bedrijven joint ventures zouden kunnen aangaan met lokale bedrijven en dat regelingen op het gebied van investeringsverzekeringen kunnen worden ontwikkeld om het vertrouwen van investeerders te stimuleren; dringt er bij alle partijen op aan de vertegenwoordiging van de respectieve kamers van koophandel op internationale handelsbeurzen in de Europese Unie te faciliteren, zodat zij hun exportproducten kunnen promoten;

41. steunt voorts de oproep aan Pakistan om zijn menselijk potentieel verder te ontwikkelen door te investeren in hoger onderwijs, o.a. in de vorm van scholen voor beroepsopleiding en technische hogescholen in de onder federaal bestuur staande gebieden, alsook in de tot Kasjmir behorende regio Gilgit-Baltistan;

42. constateert dat India van alle landen het meest profiteert van het algemeen preferentiestelsel (APS); verzoekt de Commissie met klem de APS+regeling en andere handelsmaatregelen automatisch te herzien na grootschalige natuurrampen zoals aardbevingen; is ingenomen met de toezegging van alle bij de Zuid-Aziatische Associatie voor Regionale Samenwerking (SAARC) aangesloten Zuidoost-Aziatische staten om er effectief aan mee te werken dat de Zuid-Aziatische vrijhandelszone (SAFTA) uitgroeit tot een politieke en economische realiteit, hetgeen positieve gevolgen zal hebben voor de drie delen van Jammu en Kasjmir en roept de Pakistaanse regering op een einde te maken aan het "systeem van positieve lijsten"; noemt het positief dat, ook al schommelde het handelsvolume tijdens het vorige decennium, het totale cijfer van de officiële handel tussen India en Pakistan is toegenomen van 180 miljoen dollar in 1996 tot 602 miljoen dollar in 2005 en dat deze trend, gelet op het feit dat de grote omvang van de informele handel een indicatie geeft van het latent aanwezige handelspotentieel voor beide landen, zich kan doorzetten en dan ook moet worden aangemoedigd;

43. benadrukt dat het toerisme aanzienlijke mogelijkheden biedt om de lokale economie aan te zwengelen; roept de regeringen van de EU-lidstaten er daarom toe op de veiligheidssituatie op de voet te volgen om een gecoördineerd, actueel reisadvies te kunnen geven aan wie naar Jammu en Kasjmir wil reizen;

Impact van de aardbeving van 8 oktober 2005

44. benadrukt dat de aardbeving een enorme invloed heeft gehad op het leven van de Kasjmiri's aan beide zijden van de bestandslijn en dat de rampzalige humanitaire situatie de broze institutionele capaciteit op het terrein in AJK heeft aangetast; onderstreept dat het leven van deze mensen nu volledig in het teken staat van overleven;

45. betreurt het dat, naast het enorme aantal doden, AJK onnoemelijk grote materiële schade heeft geleden aan de infrastructuur (ziekenhuizen, scholen, overheidsgebouwen, communicatiekanalen) en aan wat vaak reeds kwetsbare elementaire instellingen en diensten waren;

46. is diep getroffen door het feit dat de aardbeving enorm veel slachtoffers onder de kinderen heeft gemaakt: volgens cijfers van UNICEF zouden 17.000 kinderen de dood hebben gevonden; maakt zich grote zorgen over meldingen van kinderhandel in de nasleep van de ramp; roept de Pakistaanse en Indiase regering op met name aandacht te besteden aan de rechten en de bescherming van de kinderen in AJK en Gilgit en Baltistan en de kinderhandel doeltreffender aan te pakken;

47. vestigt de aandacht op het droeve lot van de intern ontheemden en al degenen die als gevolg van de aardbeving onder erbarmelijke omstandigheden moeten leven; juicht, omdat er geen conventie bestaat over de rechten van intern ontheemden, de ‘leidende beginselen’ van de VN toe die de grondslag bieden voor een humaan antwoord op de verraderlijke aantasting van de mensenrechten die gedwongen ontheemding inhoudt en doet een oproep tot alle autoriteiten die met Kasjmir te maken hebben om zich aan deze beginselen te houden; roept de regering van Pakistan op al het mogelijke te doen om zo spoedig mogelijk land toe te wijzen aan de inwoners van de dorpen die letterlijk weggevaagd zijn, opdat zij hun dorpsgemeenschappen kunnen herstellen en weer vaste woningen kunnen bouwen; beveelt ten zeerste aan dat de EU zich consequent door deze beginselen laat leiden en zich ook concentreert op algemenere kwesties zoals democratie, justitie en mensenrechten in de vier delen van Kasjmir; stelt ook dat aan beide zijden van de bestandslijn de reeds lange tijd bestaande‘vluchtelingenkampen’ zouden moeten worden opgeheven en er terdege aandacht zou moeten worden geschonken aan de bescherming, behoeften en sociale integratie van de bewoners, die zo spoedig mogelijk toestemming zouden moeten krijgen om naar huis terug te keren of waaraan permanent onderdak zou moeten worden geboden; is van mening dat de internationale gemeenschap hierbij zou moeten helpen;

48. benadrukt dat de ramp een regio heeft getroffen die reeds was verzwakt door conflicten en terreur en waar de institutionele basisinfrastructuur en de regionale stabiliteit continu zijn ondermijnd door de georganiseerde misdaad en infiltratie van radicale islamitische netwerken via de bestandslijn, die gebruik maken van het onherbergzame landschap;

49. spreekt zijn afschuw uit over feit dat de reeds povere leefomstandigheden in AJK vóór de aardbeving (wat betreft voedsel, water, kleding, onderdak, sanitaire voorzieningen, scholen en amper toereikende gezondheidscentra) nog verslechterd zijn als gevolg van de aardbeving; doet een oproep tot de betrokken autoriteiten om, nu miljoenen mensen in extreme nood leven, al hun energie te besteden aan het bestrijden van de corruptie die er de oorzaak van is dat de toegestroomde hulp niet diegenen bereikt waarvoor de hulp bestemd is, mede in het licht van de alarmerende berichten dat door de VN als terroristische organisaties geboekstaafde groeperingen in het door de aardbeving getroffen gebied in AJK actief zouden zijn; roept de Commissie, de regeringen van de lidstaten van de EU, de regeringen van Pakistan en India en de humanitaire organisaties op zich te blijven concentreren op de basisbehoeften van de slachtoffers van de aardbeving;

50. merkt op dat de omvang en de impact van de aardbeving veel groter waren aan de Pakistaanse zijde van de bestandslijn, waarbij grote delen van de lokale overheidsinfrastructuur werden verwoest, wat onvermijdelijk tot vertraging heeft geleid bij de dienstverlening om op de ramp te reageren; feliciteert de regeringen, de legers en de lokale bevolking aan beide zijden van de bestandslijn voor hun toewijding, vastberadenheid en inzet waarmee ze hebben gereageerd op de talloze uitdagingen als gevolg van de aardbeving;

Reactie op de aardbeving van 8 oktober 2005

51. erkent dat de internationale gemeenschap, India en Pakistan onder de gegeven omstandigheden snel en positief op de aardbeving hebben gereageerd: er waren onmiddellijk contacten op het hoogste niveau tussen India en Pakistan en binnenlandse en lokale NGO’s reageerden goed en werkten samen met het lokale en nationale bestuur; beveelt aan dat de Europese Unie welwillend ingaat op verdere verzoeken om aanvullende hulp voor wederopbouw in de door de aardbeving getroffen gebieden en verzoekt de Commissie geactualiseerde informatie te verstrekken omtrent de verzoeken die reeds in die zin zijn gedaan;

52. constateert met bezorgdheid dat volgens het rapport van de Aziatische Ontwikkelingsbank en de Wereldbank, waaraan de Commissie heeft meegewerkt, het totale verlies aan werkgelegenheid en middelen van bestaan door toedoen van de aardbeving 29% bedraagt en dat dit directe gevolgen heeft voor zo'n 1,64 miljoen mensen, waarvan naar schatting meer dan de helft jonger dan 15 jaar is; is ingenomen met de steun van 50 miljoen euro van de Commissie voor het project voor het snelle herstel van de schade ten gevolge van de aardbeving in Pakistan; benadrukt dat dit project vooral op korte termijn de meest kwetsbaren moet beschermen, de economische bedrijvigheid in de getroffen gebieden moet herstellen door kleine ondernemingen weer in het zadel te helpen en de verloren gegane landbouwmiddelen te vervangen, en werkgelegenheid moet scheppen via programma's ter verbetering van de opleiding en praktische scholing; beveelt aan dat de maatregelen die herstel en consolidatie van de middelen van bestaan beogen, microfinanciering en de bevordering van praktische scholing omvatten en verzoekt de Commissie dergelijke strategieën op de lange termijn te steunen;

53. feliciteert allen die betrokken zijn geweest bij het vaststellen en aanpakken van de behoeften van de overlevenden op het gebied van volksgezondheid in de kampen, waar, ondanks de problemen die komen kijken bij het verzorgen van schoon drinkwater en fatsoenlijke sanitaire voorzieningen in situaties waar zich de ramp heeft voltrokken, geen grote uitbraken van door water verspreide ziekten hebben plaatsgevonden; prijst de Pakistaanse regering voor het verschaffen van onderdak en proviand aan meer dan twee miljoen ontheemden die de winter moesten zien door te komen, en feliciteert India voor het bezorgen van een nieuw onderkomen voor de 30.000 mensen die aan de Indiase kant van de bestandslijn dakloos waren geworden; is verontrust over het feit dat er naar verluidt nog duizenden mensen in tenten leven, zoals is gebleken tijdens het bezoek van de delegatie van het Parlement voor de betrekkingen met de SAARC aan AJK van 15 t/m 22 december 2006;

54. merkt op dat Pakistan binnen enkele dagen na de ramp een Federaal Hulpcomité had opgericht om zoekacties en reddingsoperaties te coördineren; betreurt echter dat Pakistan niet heeft kunnen instemmen met het Indiase aanbod om helikopters ter beschikking te stellen vanwege de nationaliteit van de piloten, noch met gezamenlijke hulpoperaties aan weerszijden van de bestandslijn, medische hulpteams en het herstel van de telecommunicatie-infrastructuur, waardoor het aantal slachtoffers aanzienlijk lager had kunnen uitvallen; betreurt derhalve dat de aardbeving niet is aangegrepen als een kans om de politieke bereidheid aan de dag te leggen om voorrang te geven aan de humanitaire behoeften van de bevolking van Kasjmir en om de politieke meningsverschillen te boven te komen;

55. verwelkomt de fondsen die de buurlanden van Pakistan (India, China, Iran, Afghanistan) zo snel hebben toegezegd en, op een bredere regionale basis, Turkije en de Organisatie van de Islamitische Conferentie (OIC), en de internationale gemeenschap als geheel; feliciteert de Europese Commissie, en met name het DG ECHO, die reeds aanwezig was in Pakistan, voor haar onmiddellijke en effectieve reactie; moedigt donoren aan om zo snel mogelijk hun oorspronkelijke toezeggingen na te komen;

56. feliciteert de Commissie om als antwoord op de aardbeving te voorzien in een financieringsprogramma, waarvoor momenteel 48,6 miljoen euro is uitgetrokken, die in partnerschap met NGO's, het Rode Kruis en VN-agentschappen worden verstrekt; dringt aan op blijvende toezeggingen van de EU voor de wederopbouw in Kasjmir;

57. betreurt dat de Pakistaanse regering erop heeft aangedrongen dat alle Indiase identificatielabels van door India geleverde hulpgoederen zouden worden verwijderd alvorens deze werden gedistribueerd;

58. wijst erop dat de in eerste instantie aarzelende reactie van het Pakistaanse leger op de ramp in de onmiddellijke nasleep, wat de levensnoodzakelijke behoeften betreft, een vacuüm heeft gecreëerd, dat werd misbruikt door militante organisaties op het terrein, zoals de Jamaat-i-Islami en Jamaat-ud-Dawa, de omgedoopte Lakshar-i-Taiba (tot terroristische organisatie verklaard en in 2002 verboden door de regering-Musharraf), die al snel de facto degenen waren die voedsel, onderdak, onderwijs voor kinderen en bijstand aan weduwen verstrekten; is zeer bezorgd dat dit de geloofwaardigheid van dergelijke polariserende groepen heeft versterkt in de ogen van de lokale bevolking, waardoor de mogelijkheden voor echte democratische vertegenwoordiging verder worden ondermijnd;

59. dringt er bij de regeringen van India en Pakistan en bij de internationale gemeenschap op aan al het mogelijke doen om garanties af te dwingen en nauwgezet te volgen hoe de verstrekte gelden worden aangewend;

60. is ingenomen met het op 2 mei 2006 bereikte historische akkoord om de handel en het verkeer over de bestandslijn tussen de verdeelde regio's van Jammu en Kasjmir te doen herleven door het instellen van een vrachtwagenverbinding op de route Srinagar-Muzaffarabad, alsmede van een tweede busverbinding dwars door Kasjmir, waarbij Poonch in Jammu en Kasjmir wordt verbonden met Rawalakot; stelt de aanleg voor van een wegennet tussen Jammu en Sialkot en Gilgit-Baltistan; stelt tevens de aanleg voor van een spoorverbinding tussen Jammu en Srinagar, alsmede de verbetering van de wegverbinding tussen de beide steden; is ingenomen met de op 23 mei 2006 door de Indiase premier Singh gedane toezegging om een vrijer klimaat voor handel en verkeer tot stand te brengen met "zachte grenzen", teneinde een platform te creëren voor een regeling van de kwestie-Kasjmir; moedigt beide zijden aan ervoor te zorgen dat het officiële handelsvolume snel oploopt; dringt aan op een snelle overeenkomst over de modaliteiten van het vrachtverkeer over de weg, met de nadruk op een zo groot mogelijke vereenvoudiging ervan; stelt de invoering voor van een geïntegreerd marktontwikkelingsplan met diverse installaties voor de verwerking van landbouwproducten, koelketens, kleinschalige containerdiensten en een entrepotsysteem voor het wegvervoer;

Conclusies

61. verzoekt de EU en haar instellingen dringend om de situatie van het volk van Jammu en Kasjmir niet van hun radarscherm te laten verdwijnen en ervoor te zorgen dat hulpprogramma’s en andere programma’s worden opgezet en uitgevoerd met het oog op het langetermijnherstel en de institutionele opbouw;

62. onderstreept dat, zoals blijkt uit de eigen ervaring van de EU, een toename van de bilaterale handelsstromen van cruciaal belang is voor het verbeteren van de betrekkingen tussen landen; is van mening dat in het geval van Jammu en Kasjmir de handel tussen beide zijden van de bestandslijn van bijzonder belang is om economische groei en ontwikkeling te genereren en het economisch potentieel van het gebied te ontsluiten; beveelt aan een prioriteit te maken van projecten op het gebied van transport en infrastructuur;

63. ondersteunt van harte de vele initiatieven van de politieke gevestigde orde aan beide zijden en op alle niveaus en wijst er op dat het essentieel is prioriteit te geven aan de behoeften van het volk van Kasjmir, zowel in materiële als institutionele zin, zodat er iets wordt gedaan aan de politieke, economische, sociale en culturele achterstand van deze mensen; roept de EU op klaar te staan om elk verzoek van welke overheid ook te beantwoorden;

64. erkent dat uitstekend werk wordt verricht door de delegaties van de Commissie in Islamabad en New Delhi;

65. merkt op dat natuurrampen soms de politieke voorwaarden scheppen voor het stichten van vrede, dat de natuur geen grenzen kent en dat Pakistan en India alleen door samen duurzame actie te ondernemen het volk van Kasjmir hoop op een nieuwe toekomst kunnen bieden;

66. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten van de Europese Unie, alsmede aan de regering van de Republiek India, de regering van de Islamitische Republiek Pakistan, de bevoegde autoriteiten of regeringen van het door India en door Pakistan bestuurde Jammu en Kasjmir, de regering van de Volksrepubliek China en de Verenigde Naties.

(1)

PB C 227 E van 21.9.2006, blz. 589.

(2)

PB C 280 E, 18.11.2006, blz. 469.

(3)

PB C 297 E, 7.12.2006, blz. 341.

(4)

Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0388.

(5)

PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 988.

(6)

PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 1040.

(7)

Zie de bijlage bij de toelichting.


TOELICHTING

Achtergrond

1.        Het lot van de Kajsmiri's is een kwestie waarmee de internationale gemeenschap nu al meer dan vijftig jaar begaan is. Een onvoorzien gevolg van de deling van het Indiase subcontinent was de opdeling van het voormalige onafhankelijke, historische en mooie prinsbisdom Jammu en Kasjmir tussen de Islamitische Republiek Pakistan en de Republiek India. Deze uit conflict geboren opdeling kostte duizenden mensen het leven en dwong honderdduizenden om weg te gaan en hun toevlucht elders te zoeken, velen in lidstaten van de EU en in Noord-Amerika. Zij hebben hun stem luid laten klinken in een oproep om hun oude geliefde land opnieuw een te maken, gezinnen weer te herenigen en eens en voor altijd een einde aan het conflict te maken. De Europese Unie is weliswaar niet verzocht om als bemiddelaar op te treden, maar is met de jaren steeds meer aandacht gaan besteden aan de hele problematiek van dit subcontinent wegens het toenemende belang van deze regio.

2.        Door de verdeling werden de Kasjmirvallei, Jammu, Ladakh en de Siachengletjser deel van de Republiek India onder de naam Staat Jammu en Kasjmir. De Islamitische Republiek Pakistan verwierf de controle over Azad Jammu en Kasjmir (AJK) en Gilgit en Baltistan. Deze laatste werden omgedoopt tot Noordelijke Gebieden, waarvan Pakistan in 1963 een klein gedeelte afstond aan de Volksrepubliek China.

3.        Later vochten India en Pakistan drie oorlogen uit over Kasjmir met als resultaat dat er nu permanent grote aantallen militairen gelegerd zijn aan weerszijden van de grens en bestandslijn waarover in 1972 een akkoord is bereikt: de zogenaamde Line of Control (LoC).

Beleid van de EU en het onderhavige verslag

4.        De EU is een groot pleitbezorger van regionale integratie, liberalisering van de handel en economische samenwerking. De EU heeft samenwerkingsovereenkomsten gesloten zowel met India, nu de grootste democratie ter wereld, als met Pakistan, dat door het conflict aan de Afghaanse grens en het focussen op de strijd tegen het terrorisme inmiddels een uiterst belangrijke bondgenoot is geworden. Beide landen zijn kernmogendheden. Het Europees Parlement heeft grote belangstelling voor al deze vraagstukken, vandaar dit verslag.

5.        Uw rapporteur bezocht beide zijden van de bestandslijn en voerde intensieve gesprekken met politici op elk niveau (zowel de machthebbers als de oppositie), ook met alle partijen van de Hurriyat conferentie (APHC), het maatschappelijk middenveld, academici, zakenlieden, mensenrechtencommissies, internationale diplomaten en militairen, alsook met bewoners van de "migranten"- en vluchtelingenkampen, de Raad, de Commissie en vertegenwoordigers van ambassades en ook nog met vele EU-burgers van Kasjmiri origine. De rapporteur werd uitvoerig gebrieft door militairen van beide zijden en kon rekenen op de steun van de vertegenwoordigingen van de Commissie in New Delhi en Islamabad.

6.        De jongste maanden hebben nog een aantal andere EP-leden hetzij officieel, hetzij inofficieel een bezoek aan het gebied gebracht om informatie voor dit verslag te verzamelen.

Het vredesproces

7.        In tegenstelling tot de uitzichtloze aanblik die het aanslepende conflict aan de buitenwereld biedt, hebben de Indiase en de Pakistaanse regering de jongste maanden in samenwerking met brede geledingen van de Kasjmiri bevolking aan weerszijden van de bestandslijn en in de hoofdsteden belangrijke stappen ondernomen om tot een duurzame en vreedzame oplossing van het conflict te komen.

8.        Op de Indiase rondetafelgesprekken die premier Singh op gang heeft gebracht, wordt momenteel intensief gezocht naar mogelijkheden om de grens minder ondoorlaatbaar te maken. In de vijf werkgroepen die na de eerste rondetafelconferentie zijn ingesteld, zijn alle betrokkenen vertegenwoordigd (hoewel een aantal hardliners van de APHC de bijeenkomsten hebben proberen te boycotten). Zij verkennen er onder meer mogelijkheden voor zelfbestuur in de nabije toekomst.

9.        Hoewel er in Pakistan tot op zeer hoog niveau (zowel in het leger als bij de overheid) dissidente stemmen te horen vallen, hebben president Musharraf, de premier en de minister van Buitenlandse Zaken een aantal belangrijke stappen ondernomen en tekenen van bereidheid getoond om paden te verkennen die in ieders belang zijn.

10.      In het verslag wordt alle steun toegezegd aan de India-Pakistan Composite and Permanent Dialogue, de permanente dialoog waarbij alle partijen betrokken zijn en die gezorgd heeft voor een reeks vertrouwenwekkende maatregelen (CBM's - Confidence Building Measures), die het onder meer mogelijk hebben gemaakt dat gezinnen die gescheiden zijn door de bestandslijn, elkaar voor het eerst in zestig jaar tijd aan de andere kant van de bestandslijn hebben kunnen ontmoeten.

11.      De EU is erg ingenomen met het gezamenlijk communiqué dat India en Pakistan in april 2005 over Kasjmir hebben uitgegeven, omdat dit het vredesproces heeft bevorderd door de onomkeerbaarheid van het vredesproces te bevestigen en de nadruk te leggen op een niet-militaire oplossing van het conflict. De EU is ook ingenomen met de vorderingen die sindsdien bij de dialoog zijn gemaakt.

12.      In het verslag wordt de EU opgeroepen alle mogelijke steun te blijven verlenen aan deze belangrijke initiatieven die het potentieel in zich dragen om in een veel ruimere regio vrede te bewerkstelligen en organisaties te versterken zoals de SAARC en de SAFTA, waaraan de EU voluit haar medewerking verleent.

13.      In het verslag wordt ook beklemtoond hoezeer het EP waarde hecht aan democratie en eerbiediging van de mensenrechten voor alle inwoners van de regio, met name voor de slachtoffers van de aardbeving die Kasjmir in 2005 heeft getroffen, gedwongen migranten en vluchtelingen, en al wie de grondrechten en democratie moet ontberen.

Jammu en Kasjmir

14.      Ondanks het vredesproces blijft India blootstaan aan kritiek wegens de forse militaire aanwezigheid aan de bestandslijn en de meldingen van veelvuldige bewezen schendingen van de mensenrechten zoals blijkt uit tal van officiële (en individuele) rapporten die het Europees Parlement hebben bereikt. Er zijn bewijzen dat er ten minste één trainingskamp voor terroristen in AJK te vinden is en dat maakt het voor buitenstaanders moeilijk om zich een oordeel te vormen over de militaire aanwezigheid die er vereist is, zeker nu Al Qaeda in de regio actief is. De rapporteur erkent en is ingenomen met het feit dat de Staat Jammu en Kasjmir deel uitmaakt van de multi-religieuze, multi-etnische seculiere democratie die India is, maar benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is dat de mensenrechten van iedereen geëerbiedigd worden, ook al woedt er een conflict.

15.      De rapporteur vestigt de aandacht op de reeds lang bestaande vluchtelingenkampen in het door India bestuurde deel van Kasjmir en doet een oproep om de situatie te regulariseren van de bewoners van wat inmiddels kleine steden geworden zijn, hoewel zij een officiële status ontberen. Dit zou immers het vooruitzicht op een toekomst bieden aan duidenden jongeren die recht hebben op de toekomst die hun ouders is ontzegd als gevolg van de historische scheiding. Hetzelfde geldt voor Pakistan.

16.      De Indiase en de Pakistaanse grondwet verschillen echter zeer sterk van elkaar wat de fundamentele vrijheden en de rechten van vrouwen, kinderen en minderheden betreft en dat is zonder meer terug te vinden in het verslag.

Azad Jammu en Kasjmir

17.      In het verslag wordt de aanslepende benarde politieke en humanitaire situatie in de vier delen van Jammu en Kasjmir aan de kaak gesteld, maar wordt ook nadrukkelijk gewezen op het democratisch tekort in AJK en Gilgit en Baltistan, waar Pakistan helaas blijft nalaten zijn verplichtingen na te komen om betekenisvolle, representatieve democratische structuren op te zetten. De rapporteur is niet overtuigd door het argument dat Pakistan steeds aanvoert als zou het feit dat de Kasjmiri's niet vertegenwoordigd zijn in het Pakistaanse parlement, aantonen dat Pakistan Kasjmir niet als een deel van zijn federatie beschouwt, en wel omdat de Pakistaanse wetgeving vrijwel onverkort in heel Azad Jammu en Kasjmir en Gilgit en Baltistan van toepassing is krachtens de Aanpassingswet van 1 januari 2005.

18.      Het feit dat AJK bestuurd wordt door het Ministerie van Kasjmiri Zaken in Islamabad, dat Pakistaanse ambtenaren de Raad van Kasjmir geheel domineren en dat sleutelfiguren zoals de secretaris-generaal van AJK, de inspecteur-generaal van de politie, de hoogste ambtenaar op het Ministerie van Financiën en de minister van Financiën allemaal afkomstig zijn uit Pakistan, spreekt boekdelen. Evenmin kan worden genegeerd dat de interim-grondwet van 1974 een bepaling bevat die alle politieke activiteiten verbiedt die niet uitgaan van de doctrine dat Jammu en Kasjmir een deel van Pakistan is. De zogenaamde interim-grondwet van 1974 voorziet in tal van structuren die kenmerkend zijn voor een zelfstandige staat, zoals een wetgevend parlement dat periodiek verkozen wordt, een premier die aan het hoofd staat van de meerderheid in het parlement, een onrechtstreeks gekozen president, een onafhankelijke rechterlijke macht en lokale overheidsinstanties. Deze bepalingen zijn echter niet veel meer dan een lege huls. Het staatsgezag wordt uitgeoefend door de Raad van Azad Jammu en Kasjmir, die wordt voorgezeten door de premier van Pakistan en die voor het merendeel uit leden van zijn regering bestaat of waarvan de leden zijn benoemd. Bovendien kan de Pakistaanse regering op grond van artikel 56 van de interim-grondwet van Jammu en Kasjmir (die werd opgesteld door de federale ministeries van Justitie en Kasjmiri Zaken in Islamabad) elke gekozen regering in Azad Kasjmir ontbinden, ongeacht de steun die deze regering geniet in het parlement van AJK. Zoals in heel Pakistan heeft de nationale Islamitische Raad overigens het laatste woord en kan deze elke wet nietig verklaren.

Gilgit en Baltistan

19.      In AJK is de situatie niet goed te noemen, maar die is nog veel slechter in Gilgit en Baltistan, het meest noordelijke deel van het door Pakistan bestuurde Kasjmir, waar elke aparte status of zelfs de schijn van enige democratische vertegenwoordiging ontbreekt.

20.      Gilgit en Baltistan (wat door Pakistan de Noordelijke Gebieden wordt genoemd) wordt bestuurd door Pakistan. Omdat Pakistan staande houdt dat heel Jammu en Kasjmir betwist gebied is, heeft het land de Noordelijke Gebieden formeel niet ingelijfd. Het is dan ook geen provincie van Pakistan en maakt evenmin deel uit van AJK. De Raad van de Noordelijke Gebieden, die enige tijd geleden is ingesteld en waarvan met klem beweerd wordt dat deze als een soort provinciaal parlement fungeert, verbergt in werkelijkheid het volledig ontbreken van een constitutionele identiteit of van burgerrechten.

21.      De bevolking wordt arm, ongeletterd en achterlijk gehouden. De ontbering en het ontbreken van zelfs de meest levensnoodzakelijke basisbehoeften zijn overduidelijk: 25 kleine ziekenhuizen met 140 artsen (dit is 1 arts per 6.000 inwoners) staan in voor de geneeskundige verzorging in vergelijking met 830 ziekenhuizen en 75.000 artsen in de rest van Pakistan; de alfabetiseringsgraad ligt bij 33%, met bijzonder povere cijfers voor het onderwijs van meisjes en vrouwen; er zijn slechts 12 middelbare scholen in Gilgit en Baltistan en 2 regionale universiteiten zonder postuniversitaire voorzieningen; behalve de overheid biedt alleen de toerismesector enige werkgelegenheid, hetgeen uiteraard problematisch is. Van de plaatselijke bevolking hebben slechts weinigen een vaste baan bij de overheid weten te bemachtigen, maar dan nog ontvangen zij een salaris dat tot meer dan 35% lager is dan dat van werknemers die van buiten het gebied komen. Er zijn ook geen plaatselijke omroepmedia.

22.      De op zich al rampzalige aardbeving van 2005 heeft de hierboven geschetste situatie alleen maar verergerd. Het zou blijk geven van een volledig gebrek aan verantwoordelijkheidszin als deze situatie zou worden genegeerd of het aanhoudende onrecht niet aan de kaak zou worden gesteld en daarom wordt Pakistan in het verslag nadrukkelijk opgeroepen om zijn opvattingen over democratische verantwoordingsplicht tegen het licht te houden en de problematiek van de basisvoorzieningen in de gebieden die (de facto) onder zijn controle staan, aan te pakken.

De kwestie van een volksreferendum

23.      In het verslag wordt openlijk steun betuigd voor het vredesproces tussen Pakistan en India als de enig mogelijke weg om vooruitgang te boeken.

24.      Pakistan blijft verwijzen naar eerdere resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Kasjmir om zijn standpunt te ondersteunen dat er een referendum moet komen om te bepalen of een herenigd Jammu en Kasjmir zich bij India of bij Pakistan zal "aansluiten". In het verslag wordt echter staande gehouden dat Pakistan niet voldoet en ook niet meer kan voldoen aan de voorwaarden die de VN voor een dergelijk referendum heeft vastgesteld. De situatie is nu geheel anders geëvolueerd.

Conclusie

25.      Het verslag erkent tot slot de oude en unieke erfenis die de Kasjmiri's met zich meedragen en de rapporteur kan hen alleen maar loven voor het feit dat zij zo aan hun erfenis vasthouden. Na zovele decennia van conflict en tragedie in dit bijzonder mooie en historische deel van dit subcontinent, is het hartverwarmend om te zien hoe de twee grote mogendheden India en Pakistan naar de bevolking van Kasjmir toegroeien en dat zich aan de horizon vreedzame oplossingen aftekenen, die soms zelfs al ten uitvoer worden gelegd, een vertrouwd proces dat het Europees Parlement volmondig steunt.

Annex

List of UN resolutions on Kashmir (1948-1971)

Resolution 38 (1948) adopted by the United Nations Security Council (hereafter referred to as the Security Council) at its 229th Meeting held on 17 January 1948;

           Resolution 39 (1948) adopted by the Security Council at its 230th Meeting held on 20 January 1948;

           Draft Resolution presented by the President of the Security Council and the Rapporteur on 6 February 1948;

           Resolution 47 (1948) adopted by the Security Council at its 286th Meeting held on 21 April 1948;

            Resolution 51 (1948) adopted by the Security Council at its 312th Meeting held on 3 June 1948;

           Resolution adopted by the United Nations Commission for India and Pakistan on 13 August 1948;

           Resolution adopted by the United Nations Commission for India and Pakistan on 5 January 1949;

           Proposal in respect of Jammu and Kashmir made by General A.G.L. McNaughton, President of the Security Council of the United Nations on 22 December 1949;

           Resolution 80 (1950) adopted by the Security Council at its 470th Meeting held on 14 March 1950;

           Resolution 91 (1951) adopted by the Security Council at its 539th Meeting held on 30 March 1951;

           Resolution 96 (1951) adopted by the Security Council al its 566th Meeting held on 10 November 1951;

           Resolution 98 (1952) adopted by the Security Council at its 611th Meeting held on 23 December 1952;

           Resolution 122 (1957) adopted by the Security Council at its 765th Meeting held on 24 January 1957;

           Draft Resolution presented by Australia, Cuba, U.K. and U.S.A. on 14 February 1957;

           Resolution 123 (1957) adopted by the Security Council at its 774th Meeting held on 21 February 1957;

           Draft Resolution presented by Australia, Columbia, Philippines on 16 November 1957;

           Resolution 126 (1957) adopted by the Security Council at its 808th Meeting held on 2 December 1957;

           Draft Resolution submitted by Ireland to the Security Council on June 22, 1962;

           Statement of the President of the Security Council (French Representative) made on the 18 May 1964 at the 1117th Meeting of the Council (Document No. S/PV. 1117, dated the 18 May l964) summarizing the conclusion of the debate on Kashmir;

           Resolution 209 (1965) adopted by the Security Council at its 1237th Meeting held on 4 September 1965;

           Resolution 210 (1965) adopted by the Security Council at its 1238th Meeting held on 6 September 1965;        

           Resolution 211 (1965) adopted by the Security Council at its 1242nd Meeting held on 20 September 1965;

           Resolution 214 (1965) adopted by the Security Council at its 1245th Meeting held on 27 September 1965;

           Resolution 215 (1965) adopted by the Security Council at its 1251st Meeting held on 5 November 1965;

           Resolution 303 (1971) adopted by the Security Council at its 1606th Meeting held on 6 December 1971;

           Question considered by the Security Council at its 1606th, 1607th and 1608th Meetings held on 4, 5 and 6 December 1971;

           Resolution 307 (1971) adopted by the Security Council at its 1616th Meeting held on 21 December 1971.


PROCEDURE

Titel

Kasjmir: huidige situatie en vooruitzichten

Procedurenummer

2005/2242(INI)

Commissie ten principale

        Datum bekendmaking toestemming

AFET

15.12.2005

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

-

 

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

-

 

 

 

 

Nauwere samenwerking

        Datum bekendmaking

-

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Baroness Nicholson of Winterbourne
12.12.2005

 

Vervangen rapporteur(s)

-

 

Behandeling in de commissie

28.11.2006

24.1.2007

26.2.2007

 

 

Datum goedkeuring

21.3.2007

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

60

1

11

Bij de eindstemming aanwezige leden

Vittorio Agnoletto, Roberta Alma Anastase, Robert Atkins, Panagiotis Beglitis, Monika Beňová, André Brie, Philip Claeys, Simon Coveney, Véronique De Keyser, Hanna Foltyn-Kubicka, Michael Gahler, Bronisław Geremek, Alfred Gomolka, Richard Howitt, Jana Hybášková, Anna Ibrisagic, Bogdan Klich, Helmut Kuhne, Vytautas Landsbergis, Eugen Mihăescu, Philippe Morillon, Pasqualina Napoletano, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Baroness Nicholson of Winterbourne, Raimon Obiols i Germà, Cem Özdemir, Janusz Onyszkiewicz, Justas Vincas Paleckis, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Tobias Pflüger, João de Deus Pinheiro, Mirosław Mariusz Piotrowski, Hubert Pirker, Michel Rocard, Raül Romeva i Rueda, Libor Rouček, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, Marek Siwiec, István Szent-Iványi, Charles Tannock, Inese Vaidere, Geoffrey Van Orden, Ari Vatanen, Kristian Vigenin, Jan Marinus Wiersma

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Laima Liucija Andrikienė, David Casa, Giulietto Chiesa, Alexandra Dobolyi, Andrew Duff, Carlo Fatuzzo, Kinga Gál, David Hammerstein, Tunne Kelam, Evgeni Kirilov, Jo Leinen, Yiannakis Matsis, Doris Pack, Inger Segelström, Adrian Severin, Jean Spautz, Csaba Sándor Tabajdi

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Sharon Bowles, Philip Bushill-Matthews, Roger Helmer, Sajjad Karim, Elizabeth Lynne, David Martin, Gérard Onesta, Ria Oomen-Ruijten

Datum indiening

25.4.2007

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

 

Laatst bijgewerkt op: 10 mei 2007Juridische mededeling