– onder verwijzing naar Verordening (EG) nr 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur(1),
– onder verwijzing naar het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 104/2000 (COM(2006)0558),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 juni 1998 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over 'de toekomst van de markt voor visserijproducten in de Europese Unie: verantwoordelijkheid, partnerschap, concurrentievermogen'(2),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 juni 1998 over de conservenindustrie voor visserij- en aquacultuurproducten in de Europese Unie(3),
– onder verwijzing naar zijn standpunt van 2 december 1999 over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur(4),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 maart 2002 over de visverwerkende industrie(5),
– onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 9 maart 2006, betreffende de verbetering van de economische situatie in de visserijsector (COM(2006)0103),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 september 2006 over de verbetering van de economische situatie in de visserijsector(6),
– onder verwijzing naar het werkdocument van de Commissie visserij van 5 juni 2007(7)over de uitvoering van Verordening (EG) nr 104/2000,
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0467/2007),
A. nogmaals wijzend op het strategisch belang van de visserijsector voor de sociaal-economische situatie, voor een regelmatig visaanbod en voor een evenwichtige voedingsbalans in de verschillende lidstaten en de EU; tevens wijzend op de cruciale bijdrage van de visserijsector aan de economische en sociale cohesie, door bevordering van de ontwikkeling van kustregio's en de instandhouding en het creëren van economische activiteiten en banen boven en onder in de productieketen, met name in achtergestelde regio's en gemeenschappen, alsook de bijdrage aan de lokale culturele tradities,
B. overwegende dat de gemeenschappelijke ordening der markten (GMO) in de sector visserijproducten het eerste element was van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) dat in 1970 zou worden ingevoerd, en sindsdien een van de vier pijlers van dit beleid is geworden, samen met het structuurbeleid, het behoud van de visbestanden en de betrekkingen met derde landen,
C. overwegende dat de GMO in de sector visserijproducten twee grote hervormingen heeft ondergaan, de eerste in 1981 - gericht op vermindering van het uit de markt nemen van producten en invoering van steun aan verkoopuitstel - en de tweede in 2000 - bedoeld om het uit de markt nemen van producten sterk te ontmoedigen en de rol van de producentenorganisaties in het productiebeheer en de marktinterventies te versterken,
D. overwegende dat de belangrijkste doelstellingen - die nog steeds niet zijn verwezenlijkt - van de GMO in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur eruit bestaan stabiele markten voor visserijproducten te verzekeren en de producenten een redelijk inkomen te garanderen,
E. overwegende dat de GMO in de sector visserijproducten een oplossing moet bieden voor een markt die wordt gekenmerkt door grote structurele verschillen wat betreft afzet op de markt, distributie en verwerking, prijzen en gewoontes van de consument,
F. overwegende dat het huidige systeem van eerste verkoop in de vorm van veilingen, dat in de meeste lidstaten gangbaar is, zeer nadelig is voor de producenten, die uiteindelijk een tiende van de inkomsten van de einddistributeurs verdienen,
G. overwegende dat de GMO in de sector visserijproducten een aantal marktinterventiemechanismen heeft ingevoerd voor prijsondersteuning en regulering van het visaanbod; dat het doel was de concentratie van het aanbod te bevorderen door aan de oprichting van producentenorganisaties te steunen, die een belangrijkere rol in marktinterventies kregen, zelfs als is deze maatregel niet vergezeld gegaan van de nodige financiële steun,
H. overwegende dat bilaterale handelsovereenkomsten en de invoering van een systeem voor handel met derde landen om de visverwerkende industrie van de EU van vis te voorzien ertoe hebben geleid dat de communautaire preferentieregeling in het geding is gekomen en dat de communautaire producten onder een grotere concurrentiedruk zijn komen te staan, met directe gevolgen voor de inkomenssituatie in de sector,
I. overwegende dat de GMO-instrumenten geleidelijk veranderingen hebben ondergaan, en aan belang hebben ingeboet ten opzichte van andere pijlers en prioriteiten van het GVB, zoals de instandhouding van de visbestanden en de vermindering van de visserijactiviteiten, die een van de belangrijkste doelstellingen van het GVB zijn geworden,
J. overwegende dat de GMO in de sector visserijproducten onvoldoende heeft bijgedragen aan de verhoging van de prijzen bij de eerste verkoop of tot een betere verdeling van de toegevoegde waarde over de gehele waardeketen in de visserijsector, waarin naast de gevestigde groothandelaars de grote supermarkten in de distributie een steeds grotere rol spelen,
K. overwegende dat het proces van de prijsvorming bij de eerste verkoop heeft voorkomen dat schommelingen in de productiekostenfactoren een weerslag hebben gehad op de visprijzen,
L. overwegende dat de gemiddelde prijzen bij de eerste verkoop sinds 2000 op hetzelfde peil gebleven of gedaald zijn, zonder dat dit werkelijk tot uiting kwam in een prijsverlaging voor de eindconsument van verse vis, maar dat deze prijzen juist voortdurend zijn gestegen,
M. overwegende dat volgens het verslag over de uitvoering van de EOGFL-kredieten, de werkelijke uitgaven van 1974 tot 2005 in totaal iets minder dan 550 miljoen Euro bedroegen, met een jaarlijks gemiddelde van 17 miljoen Euro, hetgeen een redelijk bescheiden budget is voor de verwezenlijking van de doeleinden van artikel 33 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
N. overwegende dat de Commissie in conclusie 5 van haar verslag van 29 september 2006, erkent dat het moeilijk is om de nieuwe prioriteiten van de GMO in de sector visserijproducten af te stemmen op de doelstellingen ervan - zoals de in artikel 33 van het Verdrag genoemde garantie van inkomens - en met name erop wijst dat "de marktprijzen (...) geen gelijke tred [hebben] gehouden met de productiekosten',
O. overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 28 september 2006 concludeert dat de kansen die de bestaande GMO in de sector visserijproducten biedt voor de verbetering van het concurrentievermogen onvoldoende zijn benut,
P. overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 2 december 1999 betere voorwaarden voor de uitvoering van de marktinterventiemechanismen heeft voorgesteld, met name wat betreft het uit de markt nemen en de financiële steun voor producentenorganisaties, maar dat deze voorstellen niet zijn overgenomen door de Raad,
Q. overwegende dat de visserijsector nu steeds meer gebruik maakt van geïmporteerde vis, ten koste van de interne productie,
R. overwegende dat er momenteel sprake is van een tekort aan visproteïnen en van een afhankelijkheid van geïmporteerde producten om te voldoen aan de behoeften van de consument, in een context waarin de communautaire productie steeds verder afneemt terwijl de wereldproductie alsmaar stijgt,
S. overwegende dat de Commissie heeft toegelaten dat producten die niet voldoen aan de door de EU bepaalde minimumafmetingen op de communautaire markt zijn afgezet, met name omdat de regels voor de afzet van diepvriesproducten niet zijn toegepast,
T. overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 9 maart 2006 wijst op de noodzaak van een herziening van Verordening (EG)nr. 104/2000,
U. overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 28 september 2006 onder meer pleit voor een snelle herziening van de GMO in de sector visserijproducten, zodat deze beter kan bijdragen aan een verhoging van de verkoopprijs bij de eerste verkoop en een betere verdeling van de toegevoegde waarde over de gehele waardeketen in de sector,
1. juicht het besluit van de Commissie toe om een grondige evaluatie uit te voeren van de GMO in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur, maar betreurt het dat de indiening van dit evaluatieverslag bijna een jaar vertraging heeft opgelopen, met betrekking tot het bepaalde in artikel 41 van Verordening (EG) nr. 104/2000;
2. meent dat een verregaande herziening van de GMO in de sector visserijproducten dringend geboden is, zodat deze meer bijdraagt aan de verzekering van de inkomens in de sector en aan de marktstabiliteit, de verbetering van de afzet van visserijproducten en de verhoging van de gegenereerde toegevoegde waarde;
3. verzoekt de Commissie om zo spoedig mogelijk een mededeling over de richtsnoeren en een voorstel voor de herziening van de GMO in de sector visserijproducten in te dienen, waarin rekening wordt gehouden met de voorstellen in deze resolutie;
4. wijst erop dat de belangrijkste economische actoren in de sector, en in het bijzonder vissers en hun organisaties, betrokken moeten worden bij de herziening van de GMO in de sector visserijproducten, vooral in de huidige evaluatieperiode;
5. onderstreept dat de bijdrage van de GMO in de sector visserijproducten aan de sector is teruggelopen, vooral sinds de herziening van 2000; meent dat de ommekeer van deze trend een van de belangrijkste doelstellingen van de komende herziening van de GMO in de sector visserijproducten moet zijn, zodat er voldoende communautaire financiële steun kan worden geboden om te voorzien in de behoeften van de visserijsector, ten einde de doeleinden van de verdragen te verwezenlijken;
6. merkt op dat de bestaande interventiemechanismen sterk geconcentreerd zijn en verzoekt de Commissie te onderzoeken of dit de meest adequate mechanismen zijn en of ze de noodzakelijke flexibiliteit hebben om te beantwoorden aan de inherente behoeften van de productie- en afzetstructuren in de verschillende lidstaten, ten einde de afzet van vis te verbeteren en een redelijk inkomen voor de producenten te garanderen;
7. verzoekt de Commissie in dit verband na te gaan of de producten in de verschillende bijlagen van Verordening (EG) nr. 104/2000, met name wat betreft de autonome ophoud- en uitstelmaatregelen, de meest aangewezen producten zijn en of de lijst moet worden gewijzigd of uitgebreid;
8. meent dat de compensatievergoeding voor tonijn moet worden uitgebreid en verwijst naar de voorstellen hieromtrent in zijn resolutie van 19 juni 1998; verzoekt de Commissie een compensatievergoeding in te voeren voor sardine, als voorgesteld in paragraaf 14(b) van zijn resolutie van 19 juni 1998 over de conservenindustrie voor visserij- en aquacultuurproducten in de Europese Unie(8);
9. wijst op het belang van etikettering en nauwkeurige informatie voor de consument, teneinde de kwaliteit en de toegevoegde waarde van visserijproducten te bevorderen; meent dat de handelsbenamingen, in het bijzonder van geïmporteerde producten grondig onderzocht en gecontroleerd moeten worden, om ervoor te zorgen dat de consument niet wordt misleid;
10. dringt er bij de Commissie op aan de ecologische certificering van visserijproducten versneld in te voeren, daar deze van fundamenteel belang is voor een gezonde en eerlijke concurrentie tussen economische actoren binnen en buiten de EU;
11. benadrukt dat de structuurfondsen moeten bijdragen aan de modernisering en het creëren van ondersteunende infrastructuur voor de producenten in het kader van de productie en de afzet op de markt, zoals installaties voor koeling, verwerking, vervoer en afzet op de markt/distributie;
12. benadrukt dat de interventiemechanismen moeten aansluiten op de langduriger houdbaarheid van visserijproducten;
13. dringt aan op meer steun voor de verbetering van de visverwerking aan boord, in het bijzonder voor investeringen in koel- en verpakkingsystemen en de verbetering van de hygiëne en de veiligheid aan boord;
14. wijst erop dat met name financiële steunmechanismen en -middelen moeten worden gehandhaafd en versterkt, om de concentratie van het aanbod te bevorderen, meer in het bijzonder door een effectieve steun voor de oprichting en het functioneren van producentenorganisaties, vooral in de kleinschalige kustvisserij en traditionele visserij, die erkend zijn overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 104/2000;
15. meent dat de operationele programma's met de nodige financiële middelen ervoor moeten zorgen dat de producentenorganisaties de mogelijkheid hebben hun producten rechtstreeks op de markt te brengen, zodat de waarde van hun productie wordt vergroot en de toegevoegde waarde van visserijproducten vermeerderd; dringt daarom aan op de wijziging van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 104/2000, zoals voorgesteld in zijn resolutie van 2 december 1999;
16. wijst erop dat de directe koppeling van de steun aan de producentenorganisaties in de communautaire begroting gehandhaafd moet blijven, terwijl tegelijkertijd de mogelijkheid geopend moet worden voor lidstaten om aanvullende steun aan operationele programma's toe te kennen, zoals het heeft voorgesteld in zijn resolutie van 2 december 1999; dringt in dit verband aan op de wijziging van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 104/2000;
17. acht het noodzakelijk onderzoek te doen naar de oorzaken van de mislukking van de invoering van brancheorganisaties, welke mogelijkheid is geïntroduceerd bij de herziening van de GMO in de sector visserijproducten van 2000 en waarnaar de Commissie verwijst in conclusie 4 van haar verslag van 29 september 2006;
18. steunt het initiatief om een gedragscode te introduceren voor de handel in visserijproducten in de EU, die zou gelden voor alle betrokkenen in de sector, ten einde vrijwillige regels te formuleren die een rechtvaardiger verdeling van de toegevoegde waarde en voorschriften voor de afzet op de markt voor de gehele waardeketen moeten verzekeren;
19. acht het belangrijk om markten van herkomst en van traditionele producten van een speciale kwaliteit te creëren, waarvan de promotie wordt verzekerd tijdens beurzen, in de kleinhandel en in restaurants, zodat de toegevoegde waarde van plaatselijke producten wordt vergroot en de plaatselijke ontwikkeling gestimuleerd;
20. beveelt aan dat de Commissie de consequenties te evalueren van de betrekkingen met derde landen, en met name de impact van geïmporteerde producten op de prijzen bij de eerste verkoop; verzoekt de Commissie standvastiger te zijn in haar evaluatie van de externe handelsbetrekkingen, in het bijzonder wat betreft de uitvoering van de in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 104/2000 genoemde WTO-vrijwaringsmaatregelen, ten einde de doeleinden van artikel 33 van het Verdrag niet in gevaar te brengen;
21. acht het van essentieel belang ervoor te zorgen dat op geïmporteerde visserijproducten die worden verkocht op de interne markt dezelfde normen en voorschriften worden toegepast als op communautaire visserijproducten, bijvoorbeeld verpakkingsvoorschriften, fytosanitaire voorschriften of het verbod om op de communautaire markt visserijproducten af te zetten die niet voldoen aan de minimumafmetingen die zijn toegestaan voor communautaire producten;
22. acht het van essentieel belang bij de komende herziening meer financiële middelen uit te trekken voor de GMO voor visserijproducten;
23. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten..
Alfonso Andria, Stavros Arnaoutakis, Elspeth Attwooll, Iles Braghetto, Paulo Casaca, Zdzisław Kazimierz Chmielewski, Carmen Fraga Estévez, Duarte Freitas, Ioannis Gklavakis, Alfred Gomolka, Pedro Guerreiro, Heinz Kindermann, Rosa Miguélez Ramos, Philippe Morillon, James Nicholson, Willi Piecyk, Struan Stevenson, Catherine Stihler, Margie Sudre, Daniel Varela Suanzes-Carpegna, Cornelis Visser
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Ole Christensen, Josu Ortuondo Larrea, Carl Schlyter
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)