Procedure : 2007/2146(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0518/2007

Ingediende teksten :

A6-0518/2007

Debatten :

PV 15/01/2008 - 5
CRE 15/01/2008 - 5

Stemmingen :

PV 15/01/2008 - 10.2
CRE 15/01/2008 - 10.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0009

VERSLAG     
PDF 253kWORD 170k
20 december 2007
PE 393.990v02-00 A6-0518/2007

over de communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk

(2007/2146(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Glenis Willmott

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de communautaire strategie 2007 2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk

(2007/2146(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie (COM(2007)0062) "Verbetering van de arbeidskwaliteit en -productiviteit: communautaire strategie 2007 - 2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk" en de bijbehorende werkdocumenten van de Commissiediensten (SEC(2007)0214, SEC(2007)0215 en SEC(2007)0216),

–   gelet op het EG-Verdrag, met name de artikelen 2, 136, 137, 138, 139, 140, 143 en 152,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(1), met name de artikelen 27, 31 en 32,

–   gezien de aanbevelingen van de IAO op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk,

–   gezien Richtlijn 89/391/EEG van 12 juni 1989 van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (kaderrichtlijn)(2) en de individuele richtlijnen hierover,

–   gezien Richtlijn 2000/54/EG van 18 september 2000 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk(3),

–   gezien Richtlijn 2007/30/EG van 20 juni 2007 van het Europees parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad, de bijbehorende afzonderlijke richtlijnen en Richtlijnen 83/447/EEG, 92/29/EEG en 94/33/EG van de Raad, met het oog op de vereenvoudiging en rationalisatie van de verslagen over de praktische tenuitvoerlegging(4),

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van 8-9 maart 2007,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 oktober 2002 over een nieuwe communautaire gezondheids- en veiligheidsstrategie 2002-2006(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 februari 2005 over bevordering van de gezondheid en de veiligheid op het werk(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2006 betreffende de bescherming van werknemers in de gezondheidszorg in Europa tegen door bloed overgedragen infecties als gevolg van prikaccidenten(7),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 mei 2007 over bevordering van waardig werk voor iedereen(8),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 november 2007 over communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk(9),

–   gezien zijn verklaring van 29 maart 2007 over hepatitis C(10),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0518/2007),

A. overwegende dat er een positieve correlatie bestaat tussen de kwaliteit van de normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en financiële prestaties, met name algemene prestaties, absenteïsme, personeelsverloop, motivatie van medewerkers, beter bedrijfsimago en productiviteit,

B.  overwegende dat de meest concurrerende economieën het best presteren op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en dat een hoog niveau van bescherming op het gebied van gezondheid en veiligheid een positief effect heeft op de overheidsfinanciën, door besparingen in de sociale zekerheid en een hogere productiviteit, en dat veiligheid en gezondheid op het werk niet alleen aan de productiviteit, het prestatievermogen en het welzijn van de werknemer bijdraagt, maar ook kostenbesparingen oplevert voor de maatschappij als geheel en voor de economie,

C. overwegende dat er meer onderzoek naar de langetermijneffecten van sommige arbeidsactiviteiten op de gezondheid nodig is om werknemers beter te beschermen, omdat sommige ziekten pas verschijnen een aantal jaren nadat de activiteit die ze heeft veroorzaakt, uitgevoerd is,

D. bezorgd over het feit dat de vermindering van het aantal beroepsongevallen en gevallen van beroepsziekten niet gelijk gespreid is omdat bepaalde categorieën werknemers (bijvoorbeeld migranten, werknemers met onzekere contracten, vrouwen, jongere en oudere werknemers), bepaalde bedrijven (vooral middelgrote en kleine bedrijven en micro-ondernemingen), bepaalde sectoren (vooral de bouw, visserij, landbouw, vervoer) en bepaalde lidstaten een veel hoger aantal beroepsongevallen en -ziekten laten zien dan gemiddeld in de EU,

E.  overwegende dat maatregelen voor de gezondheid en veiligheid op het werk een consequent onderdeel moeten vormen van de bedrijfscultuur, en dat deze cultuur hand in hand moet gaan met levenslange scholing en bijscholing van werknemers en managers,

F.  overwegende dat een consequent toegepaste bedrijfscultuur van gezondheid en veiligheid op het werk kan bijdragen aan een onbureaucratische verandering van procedures inzake gezondheid en veiligheid op het werk en zo kan zorgen voor een effectieve gezondheidsbescherming,

G. overwegende dat rustperiodes van het grootste belang voor een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers zijn,

H. overwegende dat volgens ramingen van de IAO in de EU een arbeidsongeval of arbeidsgerelateerde ziekte in 2006 ongeveer 167.000 mensen het leven gekost heeft, en dat volgens een schatting in de mededeling van de Europese commissie elk jaar ongeveer 300.000 werknemers in verschillende mate met permanente invaliditeit te maken krijgen,

I.   overwegende dat een echte strategie voor de gezondheid en veiligheid op het werk gebaseerd dient te zijn op de juiste combinatie van de volgende instrumenten: voldoende bewustzijn bij allen, gerichte opleiding en scholing, adequate preventiediensten en -campagnes, sociale dialoog en participatie van werknemers, adequate wetgeving en uitvoering, gerichte aandacht voor specifieke groepen, sectoren en soorten ondernemingen, efficiënte inspecties en effectieve, passende en ontmoedigende straffen,

J.   overwegende dat oudere werknemers zo lang mogelijk gezond, arbeidsgeschikt en inzetbaar dienen te blijven en dat dienovereenkomstig maatregelen dienen te worden genomen,

K. overwegende dat inspecties een belangrijke rol spelen om te zorgen dat de bestaande wetgeving wordt nageleefd en daardoor uitbuiting op de werkplek te voorkomen, en op die manier het concept van fatsoenlijk werk helpen bevorderen en dat de inspecteurs ondersteuning moeten krijgen door nauwere samenwerking en uitwisseling van informatie tussen inspectiediensten van de lidstaten,

L.  overwegende dat risicobeoordeling op bedrijfsniveau niet als een eenmalige activiteit kan worden beschouwd, maar periodiek moet worden uitgevoerd en aangepast aan nieuwe omstandigheden en/of risico’s, en dat het ontbreken of onjuist uitvoeren een overtreding van de wet is en een van de voornaamste oorzaken van beroepsongevallen en -ziekten vormt,

M. overwegende dat er geen cijfers beschikbaar zijn over de negatieve gevolgen van brand voor de gezondheid en veiligheid op het werk,

N. overwegende dat gezondheidswerkers meer dan 20 levensbedreigende virussen op kunnen lopen, waaronder hepatitis B, hepatitis C en HIV/aids,

O. overwegende dat de Lissabon-strategie zich voor 2010 een algehele arbeidsparticipatie van 70% ten doel heeft gesteld, alsook een arbeidsparticipatie van vrouwen van 60% en van oudere werknemers van 50%, en overwegende dat werknemers met chronische of langdurige ziekten vaak niet meer terugkeren in het arbeidsproces, hoewel ze daartoe wel in staat worden geacht en dat degenen die wel weer aan het werk gaan vaak worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie, zoals bijvoorbeeld kortingen op hun inkomen, en overwegende dat dit in het bijzonder geldt voor kankerpatiënten omdat de meeste recente studies aantonen dat een vijfde van degenen die borstkanker hebben gehad niet meer aan het werk gaan, hoewel ze dat wel zouden kunnen,

P.  overwegende dat meer vrouwen dan mannen onverzekerd werkzaam zijn in de ‘zwarte’ arbeidsmarkt, een feit dat onvermijdelijke en belangrijke consequenties heeft voor de gezondheids- en veiligheidsomstandigheden waaronder zij werkzaam zijn,

Q. overwegende dat vrouwen en mannen geen homogene groep vormen en dat strategieën en maatregelen ter verbetering van de veiligheid en gezondheid op het werk specifiek aangepast moeten worden aan bijzondere werkplekken, daarbij rekening houdend met het feit dat sommige factoren een verschillende impact kunnen hebben voor mannelijke en vrouwelijke werknemers,

1.  is tevreden met de ambitieuze doelstelling van de Commissie voor verlaging van het aantal ongevallen op het werk met gemiddeld 25% in de EU; erkent dat het cijfer van land tot land kan verschillen vanwege verschillende uitgangssituaties, maar acht duidelijke en doelgerichte maatregelen met een tijdschema en financiële toezeggingen die vervolgens kunnen worden gemeten en geëvalueerd toch van belang; verzoekt de Commissie bij gebrek hieraan om halverwege de looptijd van de strategie bij het Europees Parlement verslag over de vooruitgang met de strategie uit te brengen;

2.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om rekening te houden met de ongelijkheden tussen de lidstaten onderling en ook met de ongelijkheden die binnen de diverse lidstaten bestaan, en om zich in te spannen om ze te bestrijden;

3.  neemt akte van de voorstellen van de Commissie om niet-bindende instrumenten te gebruiken als bindende wetten niet haalbaar of aangewezen zijn, wat de lidstaten de flexibiliteit geeft om oplossingen te vinden die in hun specifieke omstandigheden het beste resultaat geven wat gezondheid en veiligheid betreft;

4.  is tevreden over de grotere nadruk die de Commissie legt op vereenvoudiging van de regelgeving en vermindering van administratieve lasten, en wijst erop dat vereenvoudiging grotere voordelen voor de burgers meebrengt, maar evenzeer werkgevers als werknemers helpt om zich te concentreren op praktisch gezondheids- en veiligheidsmanagement en zo te zorgen voor betere resultaten wat gezondheid en veiligheid betreft; acht het van het grootste belang dat vereenvoudiging op geen enkele manier afbreuk doet aan de omvang van de bescherming die de werknemers genieten;

5.  verzoekt de Commissie om in het kader van haar strategie speciale aandacht te schenken aan de bijzonder risicovolle activiteiten en sectoren (bijvoorbeeld de metaalindustrie, de bouw, elektriciteit, bosbouw, enz.);

6.  verzoekt de Commissie om het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk in Bilbao sterker bij het proces te betrekken, en het vooral te vragen met een evaluatie te komen in welke bedrijfstakken het gevaar op beroepsongevallen en -ziekten het hoogst is en hoe dit doeltreffend kan worden aangepakt;

7.  acht de krachtige focus van de Commissie op assistentie aan het MKB opdat het aan zijn verplichtingen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk kan voldoen, een uitstekende zaak en steunt de aanpak van de Commissie ten volle;

8.  betreurt dat in de mededeling niet wordt gerept over doelstellingen voor de vermindering van het aantal beroepsziekten maar begrijpt de moeilijkheid om beroepsziekten te meten; vraagt de Commissie bijgevolg om gebruik en uitvoering van de bestaande statistische procedures aan herziening te onderwerpen, om beroepsziekten nauwkeurig aan te wijzen en hun omvang te meten, vooral kankers die het gevolg van beroepsomstandigheden zijn, om doelstellingen voor hun vermindering te kunnen vastleggen ; stelt voor dat de Commissie de mogelijkheid overweegt om de EU-aanbeveling voor beroepsziekten (2003/670) in een minimumrichtlijn om te zetten;

9.  verzoekt de Commissie om de werkingssfeer van de communautaire strategie te verbreden, zodat ze naast arbeidsongevallen en beroepsziekten ook betrekking heeft op determinerende sociale factoren, gezien het feit dat de gezondheid van een individu wordt bepaald door een aantal werkgerelateerde factoren, waaronder het soort contract, de werkomstandigheden en de beschikbaarheid van werk; wijst erop dat veranderingen op het gebied van arbeidsverhoudingen en de verminderde baanzekerheid ook leiden tot psychologische, sociale, en milieuproblemen die aandacht verdienen;

10. onderstreept dat bij kwesties met betrekking tot de gezondheid en veiligheid op het werk het genderaspect geïntegreerd moet worden in de aanpak van kwesties met betrekking tot de gezondheid en veiligheid op het werk en is ingenomen met het initiatief van de Commissie, die erop aandringt uniforme methoden te ontwikkelen voor beoordeling van genderspecifieke effecten op gezondheid en veiligheid op het werk; heeft evenwel kritiek op de Commissie omdat zij in haar mededeling, noch in haar ‘doelstellingen van de communautaire strategie 2007-2012’ of in enige van haar ‘effectbeoordelingen’ onvoldoende rekenschap geeft van gender mainstreaming;

11. verzoekt de Commissie om na te gaan of er naar sekse uitgesplitste statistieken over arbeidsgerelateerde dodelijke en niet-dodelijke ziekten op Gemeenschapsniveau beschikbaar zijn;

12. verzoekt de lidstaten om de bestaande richtlijnen betreffende veiligheid en gezondheid op het werk op een meer genderspecifieke wijze uit te voeren en de genderspecifieke effecten van deze richtlijnen te evalueren;

13. benadrukt dat de rehabilitatie en re-integratie van werknemers na een ziekte of arbeidsongeval van vitaal belang is en juicht de bijzondere focus op rehabilitatie en re-integratie toe die in de nationale strategieën gevraagd wordt ; het is belangrijk dat regeringen in hun gezondheids- en veiligheidsstrategieën de verplichting opnemen dat mensen die gedurende hun loopbaan lichamelijk of geestelijk ziek zijn geweest hun baan behouden (door scholing, andere taken, enz.);

14. verzoekt de Commissie meer cijfers en gegevens te verzamelen over werknemers met chronische ziekten, hun werkomstandigheden te analyseren en een handvest op te stellen voor de bescherming van de rechten van kankerpatiënten en mensen met andere chronische ziekten op de werkplek, teneinde bedrijven verplicht te stellen dat patiënten tijdens hun behandeling in dienst kunnen blijven en na behandeling weer kunnen terugkeren op de arbeidsmarkt;

15. spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het extreem hoge aantal ongevallen bij tijdelijke en kortetermijnmedewerkers, en ook bij laagopgeleide werknemers, in sommige lidstaten meer dan twee keer zo hoog als bij vaste werknemers, en erkent de correlatie tussen deze categorieën werknemers en het feit dat ze werkzaam zijn in bedrijfstakken met een verhoogd risico, zoals de bouw; wijst erop dat Richtlijn 91/383/EEG van de Raad van 25 juni 1991 ter aanvulling van de maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendarbeidsbetrekkingen als algemene regel bepaalt dat tijdelijke krachten dezelfde rechten op het gebied van gezondheid op het werk hebben als andere werknemers, maar dat de richtlijn niet voorziet in specifieke mechanismen om het principe praktisch toepasbaar te maken; verzoekt de Commissie om deze tekortkomingen dringend aan te pakken;

16. neemt ook kennis van het stijgend aantal afwijkende arbeidsovereenkomsten, en wijst erop dat de voorwaarden geen risico’s mogen opleveren voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers en contractanten;

17. vraagt maatregelen om ervoor te zorgen dat de rechten op het gebied van veiligheid en gezondheid van vrouwen op atypische werkplekken in acht worden genomen, zoals van vrouwen die zorgen voor zieken thuis;

18. verzoekt de Commissie en de lidstaten om zich volledig rekenschap te geven van de gevolgen van demografische veranderingen voor de gezondheid en veiligheid op de werkplek, vooral om de preventieve maatregelen te versterken en maatregelen vast te stellen die bedoeld zijn om lichamelijke achteruitgang te compenseren, vooral door ergonomische maatregelen en het ontwerp van de werkplek, en door maatregelen en prikkels die bedoeld zijn om te zorgen dat oudere werknemers hun motivatie, vaardigheden en gezondheid behouden;

19. wijst op de wetenschappelijk bewezen samenhang tussen toenemende stress op de werkplek en ziekten die er het gevolg van zijn, vooral waar het chronische ziekten, hart- en vaatziekten en ziekten van het bewegingsapparaat betreft;

20. acht het van het grootste belang om te zorgen voor beter gebruik van de bestaande wettelijke instrumenten op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en verzoekt de Commissie en de lidstaten bijgevolg alle beschikbare middelen aan te wenden om dit doel te bereiken; is van mening dat onder andere de volgende maatregelen moeten worden overwogen:

a)  minimumvereisten voor de kwaliteit van preventieve diensten en de arbeidsinspectie,

b)  strengere sancties,

c)  een betere evaluatie van de uitvoering van de wetgeving,

d)  uitwisseling van beste praktijken,

e)  versterking van de preventiecultuur en systemen voor vroegtijdige waarschuwing, waaronder bredere maatschappelijke toegang tot informatie aangaande werk- en veiligheidsomstandigheden op de werkplek,

f)   grotere betrokkenheid van de werknemers op het werk;

g)  stimulansen voor de werkgevers om te voldoen aan hun verplichtingen op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk,

h)  versterkt gebruik van overeenkomsten over sociale dialoog;

21. is van oordeel dat het de Commissie in ernstige mate aan middelen ontbreekt om goed te kunnen beoordelen of de aangenomen richtlijnen over de veiligheid op het werk doeltreffend worden omgezet en uitgevoerd; is van oordeel dat zij van alle middelen die haar ten dienste staan gebruik dient te maken, onder andere door op ruimere schaal gebruik te maken van overtredingsprocedures;

22. wijst erop dat veiligheid en gezondheid op het werk voor alle werknemers in de Europese Unie in dezelfde mate moeten gelden, dat veiligheid en gezondheid op het werk uiteindelijk op het grondrecht van lichamelijke integriteit berusten en dat de mogelijkheden om van de wetgeving inzake veiligheid en gezondheid op het werk af te wijken, de gezondheid van de werknemers en hun gelijkheid van kansen in gevaar kunnen brengen en tot gelijkschakeling in neerwaartse richting kunnen voeren;

23. vraagt de Commissie om de effectbeoordeling voor gezondheid en veiligheid op het werk evenveel aandacht te geven als die voor het milieueffect;

24. beschouwt arbeidsinspectie als een essentieel onderdeel van de uitvoering van de wetgeving op het gebied van gezondheid en veiligheid; verzoekt de Commissie daarom:

      a) het CHFA de nodige middelen ter beschikking te stellen om effectief te kunnen functioneren, na onderzoek hoe het zo doeltreffend mogelijk kan werken en de beste waarde opleveren,

      b) voort kennisdelingssystemen te ontwikkelen om te zorgen voor effectieve reacties op verzoeken om informatie en samenwerking,

      c) evaluatieonderzoek naar de efficiëntie en impact van inspectieactiviteiten op te starten, overeenkomstig het verzoek van het CHFA, teneinde gemeenschappelijke kwantitatieve en kwalitatieve inspectiedoelstellingen te stellen, en daardoor het gebruik van inspecties aan te moedigen voor het bevorderen van een efficiënte en effectieve gezondheids- en veiligheidscultuur onder alle werknemers,

      d) manieren en methoden in te voeren om de nationale inspectiesystemen te evalueren, met name door scoreborden in te stellen,

en verzoekt de lidstaten:

      e) aangepaste middelen op het gebied van personeel en financiën ter beschikking van hun nationale inspectiediensten te stellen,

      f)  de dichtheid van arbeidsinspecteurs te vergroten, om op zijn minst een verhouding van 1 per 10.000 werknemers te garanderen, overeenkomstig de aanbevelingen van de IAO,

      g) de kwaliteit van de arbeidsinspecteurs te vergroten door meer multidisciplinaire opleiding te verstrekken op terreinen als psychologie, ergonomie, hygiëne, milieugevaren en toxicologie,

      h) met de inspecties te focussen op prioritaire gebieden, sectoren en ondernemingen met een hoog risico op ongevallen en grote hoeveelheden werknemers uit kwetsbare groepen als arbeidsmigranten, interim-werknemers, laaggekwalificeerde en laagopgeleide werknemers, jonge en oudere werknemers en gehandicapte werknemers;

25. erkent dat preventie van centraal belang is en verzoekt de Commissie in het kader van de strategie de volgende maatregelen te nemen:

      a) ervoor zorgen dat de werkgevers hun verantwoordelijkheid erkennen en ernaar handelen door op alle werkplekken degelijke preventieve diensten te verstrekken - hetgeen niet wegneemt dat een verantwoordelijke attitude van de werknemers tegenover hun eigen veiligheid en gezondheid ook van belang is,

      b) aanmoedigen dat preventieve diensten volledig multidisciplinair zijn en de hiërarchie van maatregelen van Richtlijn 89/391/EEG weerspiegelen,

      c) benadrukken dat risicobeoordeling een continu proces moet zijn en geen eenmalige verplichting en dat de werknemer er volledig bij moet worden betrokken,

      d) ervoor zorgen dat preventieve activiteiten in de mate van het mogelijke binnen de onderneming plaatshebben,

      e) ervoor zorgen dat gezondheidscontrole gepaard gaat met preventie,

      f)  haar wetgeving betreffende gezondheid en veiligheid op het werk regelmatig aanpassen in het licht van nieuwe technologische ontwikkelingen;

26. benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten ervoor zorgen dat de toegang tot technische documenten en normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op de werkplek op nationaal niveau gratis is;

27. feliciteert de Commissie met de voorstellen van haar de mededeling op het gebied van onderwijs en opleiding en is van mening dat ze een sleutelfactor voor de ontwikkeling van een preventiecultuur zijn en voorts een continu proces moeten vormen, in overeenstemming met de nieuwe technische situatie op de arbeidsplaats, ook voor werknemers die terugkeren in het arbeidsproces na ziekte of loopbaanonderbrekingen vanwege zorgtaken in het gezin;

28. is van oordeel dat beroepsopleidingen en herscholing op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk op maat moeten worden aangeboden aan werknemers en vertegenwoordigers op het gebied van gezondheid en veiligheid, met speciale aandacht voor onderaanneming, tijdelijk werk, parttime werk, vrouwen en arbeidsmigranten; nationale en EU-middelen moeten daarvoor gebruikt blijven worden;

29. is van mening dat werkgevers verplicht zouden moeten worden om medisch onderzoek voor dagloners en deeltijdse werknemers aan te bieden;

30. verzoekt de Commissie volledig gebruik te maken van de bestaande Gemeenschapsfondsen (met name het ESF) waar het zaken betreft die met gezondheid en veiligheid samenhangen (preventie en de ontwikkeling van een preventiecultuur, bewustmaking, beroepsopleiding, levenslang leren, rehabilitatie en re-integratie van werknemers na een arbeidsongeval of ziekte) en die in het bijzonder gericht zijn op het MKB; andere Gemeenschapsfondsen (bijvoorbeeld uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek) en nationale fondsen dienen te worden toegewezen aan onderzoek op het gebied van beroepsziekten;

31. acht het gezien het verhoogde gevaar waaraan werknemers in de mijnbouw, metaalwinning, ijzer- en staalindustrie en scheepsbouw zijn blootgesteld noodzakelijk dat de lidstaten en de Commissie voldoende middelen ter beschikking stellen voor investeringen die nodig zijn om de gezondheid en veiligheid op het werk te waarborgen;

32. verzoekt de lidstaten en de Commissie een systematische gendergevoelige benadering te volgen bij de ontwikkeling van nationale en Europese strategieën inzake preventie op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk en bij de samenstelling van statistieken, uitvoering van enquêtes en het doen van onderzoek op dit gebied; verzoekt de lidstaten en de Commissie gebruik te maken van de financieringsmogelijkheden die het Progress-programma hiertoe biedt, vooral op grond van het gedeelte met betrekking tot gendergelijkheid;

33. verzoekt de lidstaten de goedkeuring te overwegen van financiële stimuli om gezondheid en veiligheid op het werk te bevorderen, met name belastingkortingen of een preferentie voor veilige bedrijven en op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk gecertificeerde ondernemingen bij aanbestedingen, de invoering van een bonus-malussysteem in verzekeringspolissen en socialezekerheidsbijdragen, en financiële stimuli om onveilige en verouderde uitrusting te vervangen;

34. stelt verder voor dat de lidstaten de mogelijkheid overwegen bepaalde normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op te nemen bij de plaatsing van overheidsopdrachten;

35. verzoekt de Commissie om, met het oog op de huidige sociale en economische veranderingen, die ook de arbeidsmarkt beïnvloeden en veranderen, een goed werkgelegenheidsbeleid en behoorlijke werkomstandigheden te stimuleren, en om werkgevers aan te moedigen een gezonde levensstijl op het werk te bevorderen door middel van campagnes ter bevordering van gezondheid op het werk, het handhaven van rookverboden op het werk en programma’s om rokende werknemers te helpen bij het stoppen met roken, en ervoor te zorgen dat het beleid samenhang vertoont met het beleid op andere terreinen, in het bijzonder de volksgezondheid;

36. verzoekt de Commissie een herziening op te starten van Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk, van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie;

37. is van oordeel dat de gezondheidsproblemen die verband houden met blootstelling aan asbest welbekend zijn en dat de Europese regelgeving betreffende asbest aanvaardbaar is; benadrukt dat door asbest veroorzaakte ziekten volgens de prognoses nog jarenlang veelvuldig zullen voorkomen; verzoekt daarom de Commissie een hoorzitting te organiseren over de aanpak van de enorme gezondheids- en veiligheidsproblemen op het werk die verband houden met de aanwezigheid van asbest in bestaande gebouwen en andere constructies, zoals schepen, treinen en machinerieën; verzoekt tevens de lidstaten nationale actieplannen op te stellen voor de geleidelijke eliminering van asbest, met daarin verplichtingen om de in gebouwen aanwezige asbest in kaart te brengen en te zorgen voor de veilige verwijdering van asbest;

38. betreurt dat ondanks herhaalde en uitdrukkelijke verzoeken van het Europees Parlement, de Commissie nog steeds met een voorstel tot wijziging van Richtlijn 2000/54/EG moet komen om de ernstige risico’s voor werknemers in de gezondheidszorg aan te pakken, die verbonden zijn met het gebruik van naalden en scherpe medische instrumenten; vraagt haar om de voltooiing van de effectbeoordeling aan de hand van de aanbestedingsprocedure (2007/S 139-171103) te bespoedigen en verwacht dat er ruim voor het einde van de legislatuurperiode midden 2009 een degelijk amendement op de richtlijn aangenomen wordt, in overeenstemming met zijn resolutie T6-305/2006 ; verzoekt de Commissie passende preventie- en screeningsmaatregelen door te voeren om het risico op door bloed overgedragen ziekten zoals hepatitis C terug te dringen;

39. verzoekt de Commissie het voortouw te nemen bij het ontwikkelen van en het tot overeenstemming komen over een EU-praktijkcode betreffende de preventie van aan de gezondheidszorg gerelateerde infecties;

40. verzoekt de Commissie de gezondheid en veiligheid op het werk in de gezondheidszorg te verbeteren, waaronder in verzorgingshuizen, door maatregelen te nemen om de routinematige screening van zorgpersoneel te bevorderen, zodat beroepsmatig opgelopen besmettelijke infecties, zoals MRSA, in een vroeg stadium opgespoord en behandeld, en aldus teruggedrongen kunnen worden;

41. is tevreden met de verplichting voor de lidstaten om nationale strategieën op te stellen; benadrukt dat deze strategieën betrekking moeten hebben op dezelfde periode en moeten beginnen in hetzelfde jaar, om de vergelijking zowel van de nationale strategieën als van de resultaten hiervan te vergemakkelijken, dat er duidelijke en meetbare doelstellingen in moeten worden bepaald en dat er in het bijzonder in moet worden gefocust op het MKB en op kwetsbare groepen als arbeidsmigranten, jonge en oudere werknemers, vrouwen, interim-werknemers en werknemers met een handicap;

42. benadrukt dat het van essentieel belang is dat de werkplek toegankelijk en veilig wordt gemaakt voor werknemers met een handicap, door te voorzien in redelijke aanpassingen, in speciale uitrusting die aan de individuele behoefte is aangepast, en in de gezondheidsdiensten die mensen met een handicap juist vanwege hun handicap nodig hebben, waaronder diensten die bedoeld zijn om verdere handicaps te minimaliseren en te voorkomen;

43. verzoekt zowel de Commissie als de lidstaten de kaderrichtlijn en de bestaande bepalingen op het gebied van gezondheid en veiligheid onverkort en onafhankelijk van hun juridische status toe te passen op alle werknemers en de bestaande wetgeving voor bepaalde risicoberoepen aan te passen als ze ondoeltreffend gebleken is, ook voor vaak veronachtzaamde groepen als landarbeiders, werknemers in de gezondheidszorg, beroepschauffeurs, huishoudelijk personeel, thuiswerkers en het leger, indien nodig, en de onverkorte toepassing en naleving te waarborgen van de richtlijn tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep (Richtlijn 2000/78/EG); vraagt hun tevens om alle beschikbare opties te overwegen om de EU-bepalingen op het gebied van gezondheid en veiligheid uit te breiden tot zelfstandigen en beschermde werkvoorziening voor mensen met een handicap;

44. verzoekt de lidstaten om serieus aandacht te schenken aan de verschillende risico's voor vrouwelijke en mannelijke werknemers met betrekking tot veiligheid en gezondheid op het werk en te zorgen voor verschillende sociale en fysieke infrastructuur om deze risico's tegen te gaan;

45. wijst erop dat de noodzaak om de risico's voor mannen en vrouwen te analyseren en adequate maatregelen te nemen niet betekent dat er opnieuw een protectiebeleid dat leidt tot uitsluiting wordt geïntroduceerd, noch dat er verschillende banen voor mannen en vrouwen worden ontwikkeld;

46. is van mening dat de veiligheidsverplichtingen van een werkgever niet alleen zouden moeten gelden ten opzichte van diegenen waarmee hij een wettelijke relatie heeft door een arbeidsovereenkomst, maar ook in het kader van betrekkingen met onderaannemers, en dat de lidstaten met het oog hierop moeten overwegen het aantal schakels in de keten van onderaannemers te beperken en de hoofdcontractant gezamenlijke aansprakelijkheid voor de verplichtingen van de subcontractanten ten aanzien van hun werknemers op te leggen;

47. wacht de resultaten van de tweede fase van de raadpleging van de sociale partners over spier-pees-botaandoeningen af en vraagt de Commissie om voorstellen voor een richtlijn te overwegen, gezien het toenemend aantal gevallen van die aandoeningen en het feit dat de bestaande wetgeving klaarblijkelijk niet volstaat, omdat ze geen betrekking op alle arbeidssituaties heeft en niet alle risico's van werkgerelateerde spier-pees-botaandoeningen dekt; stelt dat wetenschappelijke beginselen volledig in aanmerking genomen moeten worden;

48. wacht de resultaten af van de tweede fase van de raadpleging van de sociale partners over de herziening van de richtlijn over carcinogene agentia van 2004 en is van mening dat de verkieslijke optie is om de richtlijn te wijzigen, zodat voor de voortplanting vergiftige stoffen erin worden opgenomen, en een herziening voor te stellen van de bindende grenswaarden voor beroepsblootstelling voor carcinogene en mutagene agentia die in de richtlijn zijn opgenomen en nieuwe bindende grenswaarden voor beroepsblootstelling vast te stellen voor sommige carcinogene, mutagene en voor de voortplanting vergiftige stoffen die nog niet in de richtlijn zijn opgenomen, met kristallijne silica als prioriteit;

49. herinnert eraan dat bedreigingen voor de gezondheid en de veiligheid op het werk niet beperkt blijven tot handenarbeid; vraagt meer aandacht voor de onderliggende oorzaken van het ontstaan van geestesziekten en voor de geestelijke gezondheid, verslaving en psychologische gevaren op het werk, zoals stress, lastiggevallen en gepest worden, en ook geweld, en wil verder dat er meer nadruk wordt gelegd op het beleid van werkgevers voor de bevordering van een goede fysieke en mentale gezondheid;

50. acht het van cruciaal belang dat er op grotere schaal wordt samengewerkt met het nieuwe Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in Helsinki en dat er opheldering gegeven wordt omtrent een aantal kwesties in verband met de verhouding tussen enerzijds Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)(11) en anderzijds de andere richtlijnen inzake gezondheid op het werk;

51. verzoekt de Commissie en de lidstaten om afdoende rekening te houden met de gelijktijdige tenuitvoerlegging van de communautaire strategie en de REACH-verordening: de strategie dient een aanvulling te zijn op de REACH-verordening inzake de bescherming tegen chemische gevaren en dient gebruik te maken van de mogelijkheid tot versterking van de preventieve maatregelen tegen chemische gevaren op het werk in verband met de tenuitvoerlegging van de REACH-verordening;

52. is tevreden met de kaderovereenkomsten tussen de sociale partners over stress op het werk en pesten en geweld op het werk; betreurt evenwel dat laatstgenoemde overeenkomst niet expliciet betrekking heeft op de kwestie van geweld door derden; verzoekt de sociale partners daarom om een multisectoriële overeenkomst over de kwestie te sluiten en de Commissie om voorstellen in te dienen, als een overeenkomst niet haalbaar is; wijst erop dat studies aantonen dat met name tijdelijke krachten en uitzendkrachten het slachtoffer worden van pesten en geweld op de werkplek; vraagt daarom dat overeenkomsten in het bijzonder met deze groepen rekening houden;

53. vestigt de aandacht op de moeilijke werkomstandigheden van veel vrachtwagenchauffeurs die door Europa rijden en te weinig goede stopplaatsen tot hun beschikking hebben : artikel 12 van Verordening 561/2006 over rij- en rusttijden erkent uitdrukkelijk het belang van voldoende veilige en bewaakte stopplaatsen voor beroepschauffeurs langs het EU-netwerk van snelwegen; dringt daarom bij de Commissie aan op een vervolg van het op initiatief van het Europees Parlement gehouden proefproject voor veilige en bewaakte stopplaatsen en daarbij rekening te houden met de maatregelen die worden aanbevolen in Advies TEN/290-CESE van het Europees Economisch en Sociaal Comité over veilige en bewaakte stopplaatsen;

54. verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de haalbaarheid en de voordelen voor de gezondheid en veiligheid op het werk alsook voor de maatschappij als geheel, van de eis om in alle nieuwe gebouwen die als werkplek zijn bedoeld sprinklerinstallaties te installeren waar dat veilig is;

55. benadrukt dat het belangrijk is dat een continue dialoog wordt gevoerd tussen alle belanghebbende partijen, inclusief de overheid, de werkgevers, de werknemers, hun vertegenwoordigers en de civiele maatschappij, als sleutelinstrument voor de effectieve ontwikkeling van strenge normen op het gebied van gezondheid en veiligheid; is van mening dat deze dialoog moet leiden tot een betere kennis van de reële risico's voor de gezondheid en veiligheid van werknemers alsmede van de specifieke behoeften en eisen van bepaalde groepen werknemers op het niveau van het bedrijf en de sector en tot een uitwisseling van goede praktijken;

56. verzoekt de lidstaten te zorgen voor een adequate vertegenwoordiging van vrouwen op alle niveaus in de besluitvorming over gezondheid en veiligheid op het werk;

57. acht maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) een van de doeltreffende instrumenten tot verbetering van het concurrentievermogen, van de gezondheid en veiligheid op het werk en van de werkomgeving, en moedigt in dit verband de uitwisseling van goede praktijken aan op lokaal, nationaal en Europees niveau tussen de lidstaten en mondiaal op multinationaal niveau alsmede de verdere toepassing van maatschappelijk verantwoord ondernemen op vrijwillige basis, maar als een integraal onderdeel van bedrijfsstrategieën voor ontwikkeling;

58. is van mening dat de vertegenwoordiging van de werknemers van groot belang is voor om het even welk beleid op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk; is van mening dat de positieve correlatie tussen de aanwezigheid van vertegenwoordigers op het gebied van gezondheid en veiligheid op de werkplek en de prestaties niet kan worden onderschat en verzoekt de Commissie en de lidstaten de participerende aanpak te bevorderen en ervoor te zorgen dat zo mogelijk alle werkneemsters en werknemers toegang tot vertegenwoordigers op het gebied van gezondheid en veiligheid hebben;

59. benadrukt dat vast dienstverband voor vrouwen een belangrijke factor is die bijdraagt tot gezondheid en veiligheid op het werk;

60. is van mening dat te lange of te veel werkuren of te weinig of te korte rustperioden een sleutelfactor zijn voor de toenemende ongevallen en ziekten op het werk en vraagt een goed evenwicht tussen werk en gezinsleven;

61. feliciteert het Agentschap van Bilbao en de Stichting van Dublin met het werk dat zij tot nu toe hebben gedaan en is van mening dat de expertise en de bevoegdheden van deze organen volledig benut moeten worden; zij dienen te blijven functioneren als instrumenten voor bewustmaking, voor het verzamelen, analyseren en uitwisselen van informatie, voor de uitwisseling van goede praktijken en voor onderzoek om nieuwe risico’s die zich aandienen te anticiperen, of deze nu veroorzaakt worden door sociale veranderingen of samenhangen met technische innovatie;

62. is van mening dat het van vitaal belang is om nieuwe en opkomende risico’s tijdig te identificeren en op te volgen – bijvoorbeeld nanotechnologie en psychosociale risico's; moedigt het risicowaarnemingscentrum van het Agentschap van Bilbao daarom aan om zijn werkzaamheden voor risicobeoordeling en -preventie (uitwisseling van informatie) uit te breiden en verwacht van de Commissie dat zij op basis van de vaststellingen van het centrum actie onderneemt en de nodige voorstellen indient zodra nieuwe risico's worden geïdentificeerd;

63. beveelt lidstaten aan om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat voor zwaar of gevaarlijk werk passende sociale zekerheid wordt geboden, waarop de betreffende werknemers zowel gedurende hun beroepsleven als na hun pensionering kunnen terugvallen;

64. beveelt aan dat het Agentschap van Bilbao specifiek onderzoek verricht naar de bijzondere problemen en risico's waarmee tijdelijke en interim-werknemers te maken krijgen, naast de werknemers van onderaannemers, om voor de Commissie en de lidstaten de strijd tegen de risico's waarmee deze personen te maken krijgen, te vergemakkelijken en de bestaande wetgeving betreffende deze groepen naar behoren uit te voeren, en daarbij te erkennen dat de aard van het werk dat deze groepen doen, bijvoorbeeld werken in de bouw, in sommige lidstaten een verhoogde kans op ongevallen met zich meebrengt;

65. is van mening dat het in een mondiale omgeving nodig is samen te werken met internationale organisaties (Wereldhandelsorganisatie, Wereldgezondheidsorganisatie, IAO) en ervoor te zorgen dat er internationale conventies en overeenkomsten over gezondheid en veiligheid op het werk worden goedgekeurd en door alle partijen uitgevoerd; beschouwt dat als een belangrijke factor om het concurrentievermogen van de EU te behouden en te voorkomen dat ondernemingen uit de EU worden overgeplaatst naar landen buiten de EU, in het kader van een zoektocht naar een minder streng wettelijk kader op het gebied van gezondheid en veiligheid; is voorts van mening dat dat een kwestie van bescherming van de mensenrechten is en bijgevolg te berde moet komen bij onderhandelingen met derde landen;

66. verzoekt de lidstaten daarom om de internationale bepalingen op het gebied van gezondheid en veiligheid na te leven en in het bijzonder om IAO-conventie C-187 te ratificeren en aanbeveling R-197 uit te voeren;

67. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

(2)

PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.

(3)

PB L 262 van 17.10.2000, blz. 21.

(4)

PB L 165 van 27.6.2007, blz. 21.

(5)

PB C 300 van 11.12.2003, blz. 165.

(6)

PB C 304 van 1.12.2005, blz. 278.

(7)

PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 654.

(8)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0206.

(9)

Aangenomen teksten, P6_TA-PROV(2007)0501.

(10)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0102.

(11)

PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.


TOELICHTING

Mededeling van de Commissie over een communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk

De mededeling van de Commissie moet positief worden onthaald en zij moet worden toegejuicht om de bijzondere krachtige focus erin op ongevallen op het werk (met de doelstelling om het aantal hiervan in de hele EU te verminderen met 25%) en het engagement erin om het MKB te steunen met betrekking tot de uitvoering van het bestaande regelgevingskader. Positief is ook de nadruk die erin wordt gelegd op onderwijs en beroepsopleiding, het beroep op financiële stimuli en de voorgestelde nationale strategieën. Toch is de rapporteur van mening dat de mededeling schrijnend tekort schiet ten aanzien van beroepsziekten en kankers, die veel ernstiger zijn en vaker voorkomen dan ongevallen en die meer kosten voor de gezondheid van werknemers, de bedrijfswereld, de productiviteit en de maatschappij als geheel opleveren. De rapporteur is ook teleurgesteld over het ontbreken van echte details over de manier waarop de doelstellingen moeten worden gehaald en de intenties verwezenlijkt. Nodig zijn gedetailleerde actieplannen, met een engagement op het gebied van financiën en timing, waarvoor de vooruitgang kan worden gemeten en gevolgd. Men kan het nauwelijks oneens zijn met de goede intenties in de mededeling, maar deze zullen betekenisloos blijken, als ze niet leiden tot reële actie.

Uitvoering en toezicht op de naleving

De tekortkomingen op het gebied van effectieve uitvoering en toezicht op de naleving en de noodzaak van serieuze verbetering kunnen niet voldoende worden onderstreept, hoewel de rapporteur ervan overtuigd is dat dit niet in de eg mag staan van nieuwe initiatieven, met name voor nieuwe en opkomende risico's. Wat nodig is, is de juiste mix van strengere en betere arbeidsinspectie, effectieve preventie, adequate stimuli en sancties, samen met de uitwisseling van beste praktijken en meer werknemersparticipatie.

Groepen en ondernemingen met een hoog risico

Een zorgwekkend statistisch gegeven is dat het voorkomen van arbeidsongevallen en werkgerelateerde ziekten niet gelijk gespreid is over alle werknemers. Voor sommige groepen werknemers, bijvoorbeeld arbeidsmigranten, interim-werknemers, vrouwen en jonge en oudere werknemers, ligt het aantal arbeidsongevallen en beroepsziekten veel hoger dan het EU-gemiddelde.

Op dezelfde manier liggen de cijfers ook hoger voor sommige categorieën bedrijven, bijvoorbeeld het MKB en micro-ondernemingen, en voor sommige sectoren, bijvoorbeeld bouw, visserij, landbouw en transport, en hetzelfde geldt voor sommige lidstaten. De rapporteur is van mening dat deze gemakkelijk identificeerbare probleemgebieden prioritair moeten worden aangepakt.

Het probleem is bijzonder acuut voor sommige groepen kwetsbare werknemers die in de vorige paragraaf zijn genoemd. Deze groepen worden vaak in dienst genomen in atypische vormen van werk, zoals werk van thuis uit en werk op basis van een contract met korte looptijd, en krijgen te maken met een hoger risico, door de onduidelijke aansprakelijkheid die inherent is aan outsourcing en onderaanneming. De meeste van deze groepen bevinden zich gewoonlijk aan het ondereinde van de inkomenschaal en lopen meer risico door een gebrek aan opleiding en een gebrek aan kennis van hun rechten en van de risico's die met hun werk zijn verbonden.

De lidstaten moeten in hun nationale strategieën ten volle rekening met de groepen en sectoren met een hoog risico houden en focussen op de problemen in verband met atypische arbeidscontracten.

Aangezien vele groepen met een hoog risico momenteel niet onder de kaderrichtlijn gezondheid en veiligheid op het werk vallen, is de rapporteur bovendien van mening dat zoveel mogelijk werknemers eronder moeten vallen en dat naar behoren moet worden toegezien op de uitvoering van het principe dat alle werknemers dezelfde rechten op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk moeten genieten.

Voorts geldt ten zeerste de verplichting om zwangere vrouwen te beschermen en er is een herziening van de richtlijn zwangere werknemers nodig.

Nieuwe initiatieven

Wat dit punt betreft, zijn er twee raadplegingen van de sociale partners door de Commissie aan de gang, één met betrekking tot spier-pees-botaandoeningen en één met betrekking tot carcinogene agentia. De rapporteur is van mening dat het regelgevingskader op beide terreinen tekort schiet en acht daarom actie nodig, in de richting die de Commissie voorstelt, overeenkomstig haar documenten met betrekking tot de tweede fase van de raadpleging van de sociale partners.

Internationaal

De voordelen van internationale samenwerking zijn duidelijk bijzonder groot, doordat de EU-lidstaten er hun eigen niveau van gezondheid en veiligheid op het werk mee verbeteren, en ook nodig, om ervoor te zorgen dat de handelspartners en de buren van de Unie niet proberen een op korte termijn reëel (maar uiteindelijk contraproductief) voordeel te verwerven door lagere normen te hanteren, de kosten te drukken en concurrenten met een hoger niveau van gezondheid en veiligheid op het werk de loef af te steken. Hoofdzaak is evenwel respect en waardigheid voor alle werknemers in alle landen en de EU verkeert in een sterke positie om hiervoor te zorgen, via haar onderhandelingen op het gebied van handel, hulp en de wortel van het EU-lidmaatschap.

Andere kwesties

In dit ontwerpverslag komen geenszins alle kwesties en punten aan bod die de rapporteur belangrijk acht, maar door gebrek aan ruimte heeft niet alles een plaats kunnen krijgen. De ontbrekende kwesties verdienen evenwel aandacht in de uiteindelijke resolutie van het Europees Parlement.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (22.11.2007)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake de communautaire strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk
(2007/2146(INI))

Rapporteur voor advies: Georgs Andrejevs

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verzoekt de Commissie om de uitvoering van de communautaire wetgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk nauwgezet te volgen en de noodzakelijke maatregelen te nemen mocht er niet aan voldaan worden en vast te stellen op welke terreinen er sprake is van tekortkomingen die nieuwe of herziene wetgevende maatregelen nodig maken om ongelijkheden tussen de lidstaten te voorkomen;

2.  verzoekt alle lidstaten die dat nog niet gedaan hebben om nationale strategieën te ontwikkelen en kwantitatieve doelstellingen vast te stellen om vooruitgang op het gebied van gezondheid en veiligheid te kunnen beoordelen; verzoekt de lidstaten verder om die strategieën op gezette tijden te evalueren en de bevindingen aan de Commissie te rapporteren;

3.  moedigt de Commissie met nadruk aan om de structuurfondsen, met name het Sociaal Fonds, en eventuele andere beschikbare instrumenten in te zetten als economische prikkels voor bedrijven, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen, die ervoor moeten zorgen dat men verder gaat dan zich louter aan de regelgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk te houden;

4.  stelt verder voor dat de lidstaten de mogelijkheid overwegen bepaalde normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op te nemen bij de plaatsing van overheidsopdrachten;

5.  herinnert eraan dat bedreigingen voor de gezondheid en de veiligheid op het werk niet beperkt blijven tot handenarbeid; vraagt om een betere bepaling van de gezondheidsrisico’s die verband houden met werk in alle sectoren; vraagt om meer aandacht voor de onderliggende oorzaken van het ontstaan van geestesziekten en voor de geestelijke gezondheid, voor verslaving en psychologische gevaren op het werk, zoals stress, lastiggevallen en gepest worden, en ook geweld; wil verder dat er meer nadruk wordt gelegd op het beleid van werkgevers voor de bevordering van een goede fysieke en mentale gezondheid;

6.  verzoekt de Commissie om in het bijzonder aandacht te schenken aan technologische, organisatorische en economische ontwikkelingen, bijvoorbeeld de snelle invoering van nieuwe technologieën en nieuwe vormen van werk, wat kan leiden tot het ontstaan van nieuwe risico’s voor de gezondheid en veiligheid op het werk;

7.  verzoekt de Commissie om, met het oog op de huidige sociale en economische veranderingen, die ook de arbeidsmarkt beïnvloeden en veranderen, een goed werkgelegenheidsbeleid en behoorlijke werkomstandigheden te stimuleren, en om werkgevers aan te moedigen een gezonde levensstijl op het werk te bevorderen door middel van campagnes ter bevordering van gezondheid op het werk, het handhaven van rookverboden op het werk en programma’s om rokende werknemers te helpen bij het stoppen met roken, en ervoor te zorgen dat het beleid samenhang vertoont met het beleid op andere terreinen, in het bijzonder de volksgezondheid;

8.  verzoekt de Raad en de Commissie om een tijdschema vast te stellen voor de herziening van Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk(1), met het oog op het toevoegen aan deze richtlijn van stoffen die schadelijk zijn voor de voortplanting, en het bepalen van verplichte maximumwaarden voor carcinogene en mutagene agentia, en voor stoffen die schadelijk zijn voor de voortplanting, welke vooralsnog moeilijk te verbieden zijn;

9.  acht het van cruciaal belang dat er op grotere schaal wordt samengewerkt met het nieuwe Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in Helsinki en dat er opheldering gegeven wordt omtrent een aantal kwesties die zijn ontstaan in verband met de verhouding tussen enerzijds Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)(2) en anderzijds de andere richtlijnen inzake gezondheid op het werk;

10. verzoekt de Commissie en de lidstaten om afdoende rekening te houden met de gelijktijdige tenuitvoerlegging van de communautaire strategie en de REACH-verordening: de strategie dient een aanvulling te zijn op de REACH-verordening inzake de bescherming tegen chemische gevaren en dient gebruik te maken van de mogelijkheid tot versterking van de preventieve maatregelen tegen chemische gevaren op het werk in verband met de tenuitvoerlegging van de REACH-verordening;

11. verzoekt de Commissie met klem het belang te erkennen van de vertegenwoordiging van werknemers bij het bepalen van het beleid ter voorkoming van ongelukken op het werk, en om naar behoren rekening te houden met Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk(3), welke heeft geleid tot opmerkelijke resultaten op het gebied van de veiligheid en de preventie bij bedrijven waar de vertegenwoordiging van de werknemers hoog in het vaandel staat;

12. wenst dat de effectbeoordeling in verband met de gezondheid en de veiligheid op het werk evenveel aandacht krijgt als de milieueffectbeoordeling;

13. is van mening dat de Commissie en de lidstaten meer moeten doen en zich er niet toe dienen te beperken vast te stellen wat de sectoren met een hoog risicogehalte zijn, zoals reeds is gedaan, maar tevens de kwetsbare groepen in kaart moeten brengen, zoals immigranten, jongeren en oudere werknemers;

14. verzoekt de Commissie de werkingssfeer van de communautaire strategie te verbreden, zodat deze naast arbeidsongevallen en beroepsziekten ook betrekking heeft op determinerende sociale factoren, gezien het feit dat de gezondheid van een individu wordt bepaald door een aantal werkgerelateerde factoren, waaronder het soort contract, de werkomstandigheden en de beschikbaarheid van werk; wijst erop dat veranderingen op het gebied van arbeidsverhoudingen en de verminderde baanzekerheid ook leiden tot psychologische, sociale, en milieuproblemen die aandacht verdienen;

15. verzoekt de Commissie en de lidstaten om rekening te houden met de ongelijkheden tussen de lidstaten onderling en ook met de ongelijkheden die binnen de diverse lidstaten bestaan, en om zich in te spannen om deze te bestrijden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.11.2007

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

27

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Georgs Andrejevs, Margrete Auken, Irena Belohorská, Johannes Blokland, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Edite Estrela, Jill Evans, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Jens Holm, Marie Anne Isler Béguin, Dan Jørgensen, Eija-Riitta Korhola, Linda McAvan, Roberto Musacchio, Riitta Myller, Miroslav Ouzký, Dimitrios Papadimoulis, Dagmar Roth-Behrendt, Karin Scheele, Carl Schlyter, Richard Seeber, Antonios Trakatellis, Thomas Ulmer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Kathalijne Maria Buitenweg, Philip Bushill-Matthews, Milan Gaľa, Karsten Friedrich Hoppenstedt, Alojz Peterle

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

(1)

PB L 158 van 30.4.2004, blz. 50.

(2)

PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(3)

PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (27.11.2007)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake de communautaire strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk
(2007/2146(INI))

Rapporteur voor advies: Romano Maria La Russa

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is bezorgd over het feit dat, hoewel uit de beschikbare statistische gegevens blijkt dat de incidentie van dodelijke en ernstige arbeidsongevallen in de Europese Unie blijft dalen, een groot deel van de Europese werknemers nog steeds denkt dat hun werk een bedreiging voor hun gezondheid of voor hun veiligheid is;

2.  neemt ook kennis van het stijgende aantal afwijkende arbeidsovereenkomsten, en wijst erop dat de voorwaarden geen risico’s mogen opleveren voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers en contractanten;

3.  is van mening dat werkgevers verplicht zouden moeten worden om medisch onderzoek voor dagloners en deeltijdwerknemers alsook voorlichting over veiligheid en preventie van arbeidsongevallen aan te bieden aan alle categorieën werknemers;

4.  acht het gezien het verhoogde gevaar waaraan werknemers in de mijnbouw, metaalwinning, ijzer- en staalindustrie en scheepsbouw zijn blootgesteld noodzakelijk dat de lidstaten en de Commissie voldoende middelen ter beschikking stellen voor investeringen die nodig zijn om de gezondheid en veiligheid op het werk te waarborgen;

5.  verwelkomt de door de Commissie voorgestelde doelstelling om de incidentie van arbeidsongevallen in de EU tot 2012 met 25% te verlagen;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om te werken aan een volledige gezondheids- en veiligheidsdekking van alle werknemers, inclusief de werknemers in de informele economie, deeltijdwerknemers, contractanten en onderaannemers;

7.  herinnert aan de doelstelling om de arbeidsparticipatie van vrouwen te laten stijgen en benadrukt de noodzaak om na te denken over duur, tijden en voorspelbaarheid van het werk, teneinde een gunstigere balans tussen werk en leven te verkrijgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten investeringen in crèches en kleuterscholen met korte of lange begeleidingsprogramma’s als prioritair te beschouwen om jonge ouders de mogelijkheid te bieden gezin en werk te combineren;

8.  benadrukt de rol van kleine en middelgrote bedrijven als werkgevers, omdat zij meer dan 65% van de beroepsbevolking in de EU in dienst hebben; bemerkt bezorgd dat de sectoren waarin de meeste werkgelegenheid wordt aangeboden door het MKB, voor gevaarlijk doorgaan; vraagt daarom om verhoogde inspanningen teneinde het MKB te ondersteunen bij kwesties op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk; verwelkomt in dit verband de initiatieven die zijn gericht op het verspreiden van informatie en het bieden van technische bijstand, maar benadrukt verder de noodzaak van financiële ondersteuning die aan het MKB moet worden verstrekt; verzoekt alle lidstaten het VN-Verdrag inzake de bescherming van de rechten van migrerende werknemers en hun gezinsleden te ratificeren en zich samen sterk te maken voor een betere toegang tot voortgezette opleidingen, met name voor deeltijdwerknemers en contractanten, teneinde hun de mogelijkheid te bieden tot het vinden van een vaste baan;

9.  verzoekt de lidstaten regelingen vast te stellen, zodat verzekeringsinstellingen die verzekeringen tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten aanbieden, het MKB financiële ondersteuning bieden;

10. verzoekt de lidstaten regelingen vast te stellen teneinde ondernemingen te verplichten psychologische diensten op te zetten voor hun werknemers; beveelt het MKB derhalve aan gebruik te maken van diensten van specialisten, waarbij voor ondernemingen met meer dan 500 werknemers in één specialist (psycholoog, therapeut, geestelijke) per 500 werknemers moet worden voorzien;

11. verzoekt de Commissie en de lidstaten strategieën te ontwikkelen en maatregelen te nemen om mensen met een handicap die kunnen en willen werken te integreren in de arbeidsmarkt; beveelt in dit verband ook aan maatregelen te nemen ter bevordering van de voortgezette opleiding van mensen met een handicap;

12. beveelt lidstaten aan maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat voor zwaar of gevaarlijk werk passende sociale zekerheid wordt geboden, waarop de betreffende werknemers zowel gedurende hun beroepsleven als ook na hun pensionering kunnen terugvallen;

13. ondersteunt een doelgerichte stimulering van werknemers om zich aan te sluiten bij een Europese vakbond en verzoekt de Commissie een juridisch kader te creëren om de sociale partners aan te moedigen grensoverschrijdende collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten; moedigt de Commissie en de lidstaten aan de opleiding te bekostigen van werknemersvertegenwoordigers die zich inzetten voor de bescherming en bevordering van het recht op veiligheid en gezondheid op het werk.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.11.2007

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

35
0
0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Březina, Jerzy Buzek, Pilar del Castillo Vera, Giles Chichester, Den Dover, Nicole Fontaine, Adam Gierek, Norbert Glante, Umberto Guidoni, András Gyürk, David Hammerstein, Erna Hennicot-Schoepges, Ján Hudacký, Romana Jordan Cizelj, Werner Langen, Anne Laperrouze, Eluned Morgan, Angelika Niebler, Reino Paasilinna, Miloslav Ransdorf, Vladimír Remek, Herbert Reul, Teresa Riera Madurell, Paul Rübig, Andres Tarand, Radu Ţîrle, Catherine Trautmann, Claude Turmes, Nikolaos Vakalis, Alejo Vidal-Quadras

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Joan Calabuig Rull, Neena Gill, Lambert van Nistelrooij, Vladimir Urutchev

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Umberto Pirilli


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (20.11.2007)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake de communautaire strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk
(2007/2146(INI))

Rapporteur voor advies: Edit Bauer

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat arbeidsgerelateerde risico's voor de gezondheid en veiligheid van vrouwen in vergelijking tot de risico's voor de gezondheid en veiligheid van mannen onderschat worden en onvoldoende aandacht krijgen, zowel in preventie als in onderzoek(1),

B.  overwegende dat meer vrouwen dan mannen onverzekerd werkzaam zijn in de ‘zwarte’ arbeidsmarkt, een feit dat onvermijdelijke en belangrijke consequenties heeft voor de gezondheids- en veiligheidsomstandigheden waaronder zij werkzaam zijn,

C. overwegende dat volgens studies en berekeningen de grootste risico’s voor de gezondheid en veiligheid op de werkplek vrouwen gelden die in sectoren werken met arbeidsintensieve arbeid en waar behoorlijke ergonomische regels ontbreken,

D. overwegende dat de belangrijkste gezondheidsproblemen waar vrouwen mee kampen en die veroorzaakt worden door hun werkomstandigheden spier- en skeletaandoeningen en psychische problemen zijn,

E.  overwegende dat het kader van de Europese richtlijnen inzake veiligheid en gezondheid op het werk een genderneutrale benadering kent, en dat er hierdoor onvoldoende aandacht wordt besteed aan specifieke risico’s voor vrouwelijke werknemers met betrekking tot veiligheid en gezondheid op het werk,

F.  overwegende dat in de EU veel werknemers, zowel mannen als vrouwen, op hun werkplek aan uiteenlopende risico’s zijn blootgesteld: chemische, biologische en fysische agentia, slechte ergonomische omstandigheden, een complexe combinatie van ongevallen- en veiligheidsrisico’s, met diverse psychosociale risicofactoren,

G. overwegende dat vrouwen en mannen geen homogene groep vormen en dat strategieën en maatregelen ter verbetering van de veiligheid en gezondheid op het werk specifiek aangepast moeten worden aan bijzondere werkplekken, daarbij rekening houdend met het feit dat sommige factoren een verschillende impact kunnen hebben voor vrouwelijke werknemers,

H. overwegende dat de risico’s die vrouwelijke werknemers op de werkplek lopen aanzienlijk verschillen van die welke mannelijke werknemers lopen, aan de ene kant omdat vrouwen in de praktijk vaak werkzaam zijn in specifiek ‘vrouwelijke’ beroepen, en aan de andere kant omdat de combinatie van zwaardere verantwoordelijkheden die zij op het werk en elders hebben een extra last en extra risico’s betekent voor hun geestelijke en lichamelijke gezondheid,

I.   overwegende dat in dit verband rekening moet worden gehouden met Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie en Richtlijn 86/613/EEG van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het moederschap,

J.   overwegende dat voor een vergelijking van de risico’s voor mannen en vrouwen gemelde ongevallen en ziektestatistieken de meest directe indicatoren kunnen vormen,

K. overwegende dat het effect van beleid alleen maar kan worden vergroot door de verschillen in gezondheid tussen mannen en vrouwen in aanmerking te nemen,

1.  onderstreept dat bij kwesties met betrekking tot de gezondheid en veiligheid op het werk het genderaspect geïntegreerd moet worden in de aanpak van kwesties met betrekking tot de gezondheid en veiligheid op het werk en is ingenomen met het initiatief van de Commissie, die erop aandringt uniforme methoden te ontwikkelen voor beoordeling van genderspecifieke effecten op gezondheid en veiligheid op het werk; heeft evenwel kritiek op de Commissie omdat zij in haar mededeling, noch in haar ‘doelstellingen van de communautaire strategie 2007-2012’ of in enige van haar ‘effectbeoordelingen’ onvoldoende rekenschap geeft van gender mainstreaming;

2.  constateert tot haar leedwezen dat het een veel voorkomende praktijk is dat ongevallen en ziekten niet worden gemeld, en dat officiële meldingseisen vaak niet voor alle categorieën werknemers gelden, bijvoorbeeld wanneer het mensen betreft, meestal vrouwen, die in de informele economie werken;

3.  verzoekt de Commissie na te gaan of er naar sekse uitgesplitste statistieken over arbeidsgerelateerde dodelijke en niet-dodelijke ziekten op Gemeenschapsniveau beschikbaar zijn;

4.  verzoekt de lidstaten de bestaande richtlijnen betreffende veiligheid en gezondheid op het werk op een meer genderspecifieke wijze uit te voeren, de genderspecifieke effecten van deze richtlijnen te evalueren en het IAO-verdrag van 2006 inzake het stimuleringskader voor de gezondheid en veiligheid op het werk te ratificeren;

5.  verzoekt de lidstaten serieus aandacht te schenken aan de verschillende risico’s voor vrouwelijke en mannelijke werknemers met betrekking tot veiligheid en gezondheid op het werk en te zorgen voor verschillende sociale en fysieke infrastructuur om deze risico’s tegen te gaan;

6.  verzoekt de lidstaten als onderdeel van de maatregelen om de arbeidsparticipatie van oudere werknemers te vergroten, maatregelen met betrekking tot veiligheid en gezondheid op het werk te nemen die zijn aangepast aan de behoeften van oudere werknemers en specifiek op vrouwen en op mannen zijn gericht;

7.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor een effectief inspectieorgaan teneinde de toepassing van wetgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk te verbeteren, waarbij speciale aandacht wordt geschonken aan vrouwen en moederschap;

8.  benadrukt dat vaste dienstverbanden voor vrouwen een belangrijke factor zijn die bijdraagt aan gezondheid en veiligheid op het werk;

9.  benadrukt de noodzaak om de gevolgen te onderzoeken van het gebruik van bepaalde apparaten en van de werkomgeving voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven;

10. verzoekt de lidstaten te zorgen voor een adequate vertegenwoordiging van vrouwen op alle niveaus in de besluitvorming over gezondheid en veiligheid op het werk;

11. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat vrouwen deel uitmaken van het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie (CHFA), zodat er meer rekening wordt gehouden met hun eigen en specifieke rechten en behoeften wat betreft gezondheid en veiligheid op het werk;

12. dringt er bij de lidstaten op aan de preventie van werkgerelateerde slechte gezondheid en risico's te verbeteren als onderdeel van een omvattende benadering van veiligheid en gezondheid op het werk, met speciale nadruk op het informeren en opleiden van werknemers, en de werk/levenbalans te behandelen als een onderwerp dat deel uitmaakt van veiligheid en gezondheid op het werk, zodat rekening wordt gehouden met de dubbele werklast van vrouwen, en deze balans te bevorderen; is van oordeel dat hierbij ook rekening dient te worden gehouden met het feit dat op de arbeidsmarkt voor meer vrouwen dan mannen de arbeidssituatie onzeker is;

13. merkt op dat het waarborgen van volledige toegang tot de gezondheidszorg de meest urgente en noodzakelijke vorm van moederschapsbescherming is; verzoekt de lidstaten de maatregelen te nemen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat voor moeders die in de informele ‘zwarte’ sector van de economie werken in banen zonder verzekering en voor hen die onbetaald thuis werken deze toegang evenzeer is gewaarborgd;

14. wijst erop dat de noodzaak om de risico's voor mannen en vrouwen te analyseren en adequate maatregelen te nemen niet betekent dat er opnieuw een protectiebeleid dat leidt tot uitsluiting wordt geïntroduceerd, noch dat er verschillende banen voor mannen en vrouwen worden ontwikkeld;

15. verzoekt de lidstaten en de Commissie een systematische gendergevoelige benadering te volgen bij de ontwikkeling van nationale en Europese strategieën inzake preventie op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk en bij de samenstelling van statistieken, uitvoering van enquêtes en het doen van onderzoek op dit gebied; verzoekt de lidstaten en de Commissie gebruik te maken van de financieringsmogelijkheden die het Progress-programma hiertoe biedt, vooral op grond van het gedeelte met betrekking tot gendergelijkheid;

16. verzoekt de lidstaten en de Commissie meer aandacht te besteden aan nieuwe risicofactoren, zoals intimidatie, geweld en bedreiging door cliënten op het werk, in de openbare dienstverlening, waar vooral vrouwen werkzaam zijn;

17. verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te nemen voor een succesvolle herintreding van mensen die tijdelijk niet hebben kunnen werken vanwege een ongeval op het werk of door een werkgerelateerde ziekte; merkt op dat in het algemeen vrouwen weliswaar minder risico lopen dan mannen, maar daarentegen meer last hebben van bepaalde gezondheidsproblemen, zoals spier- en skeletaandoeningen;

18. vraagt om maatregelen om ervoor te zorgen dat de rechten op het gebied van veiligheid en gezondheid van vrouwen op atypische werkplekken in acht worden genomen, zoals van vrouwen die zorgen voor zieken thuis;

19. vestigt de aandacht op het feit dat de hygiënische omstandigheden voor werknemers in kleine en middelgrote ondernemingen slechter kunnen zijn dan in grote ondernemingen, zelfs wanneer het dezelfde of een soortgelijke industriebranche betreft; verzoekt derhalve de lidstaten adequate maatregelen te nemen om de veiligheid en gezondheid op het werk in het MKB te stimuleren en te ondersteunen, en voor een hoog niveau van bescherming te zorgen voor werknemers die via een onderaanbestedingscontract werken, waaronder veelal vrouwen;

20. onderstreept dat overwogen moet worden om in school- en onderwijsprogramma’s in te gaan op gevaren, risico’s en preventie in het algemeen, als een effectief middel om een krachtige en blijvende preventieve veiligheids- en gezondheidscultuur op te bouwen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.11.2007

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

23

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Edit Bauer, Hiltrud Breyer, Ilda Figueiredo, Věra Flasarová, Lívia Járóka, Piia-Noora Kauppi, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Esther De Lange, Roselyne Lefrançois, Siiri Oviir, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Zita Pleštinská, Anni Podimata, Christa Prets, Teresa Riera Madurell, Eva-Britt Svensson, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Jill Evans, Iratxe García Pérez, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Donata Gottardi, Anna Hedh, Filiz Hakaeva Hyusmenova

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

(1)

OSHA, Fact sheets 42


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

18.12.2007

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

40

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Andersson, Edit Bauer, Emine Bozkurt, Iles Braghetto, Philip Bushill-Matthews, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Luigi Cocilovo, Jean Louis Cottigny, Proinsias De Rossa, Richard Falbr, Carlo Fatuzzo, Ilda Figueiredo, Joel Hasse Ferreira, Roger Helmer, Stephen Hughes, Karin Jöns, Jean Lambert, Raymond Langendries, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Jan Tadeusz Masiel, Jiří Maštálka, Ana Mato Adrover, Maria Matsouka, Elisabeth Morin, Csaba Őry, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Rovana Plumb, Bilyana Ilieva Raeva, José Albino Silva Peneda, Kathy Sinnott, Ewa Tomaszewska, Anne Van Lancker, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Françoise Castex, Sepp Kusstatscher, Claude Moraes, Ria Oomen-Ruijten, Thomas Ulmer, Glenis Willmott

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Laatst bijgewerkt op: 8 januari 2008Juridische mededeling