Procedure : 2007/2255(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0080/2008

Ingediende teksten :

A6-0080/2008

Debatten :

PV 22/04/2008 - 16
CRE 22/04/2008 - 16

Stemmingen :

PV 23/04/2008 - 4.10
CRE 23/04/2008 - 4.10
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0173

VERSLAG     
PDF 340kWORD 227k
28 maart 2008
PE 396.570v03-00 A6-0080/2008

over het beleid van China en de gevolgen ervan voor Afrika

(2007/2255(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Rapporteur: Ana Maria Gomes

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 RESULTAAT VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie internationale handel

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het beleid van China en de gevolgen ervan voor Afrika

(2007/2255(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de politieke dialoog tussen de EU en China die in 1994, met het oog op de status van China als toekomstige wereldmacht en de daaruit voortvloeiende zeer vergaande internationale verplichtingen, formeel werd opgezet,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement “Een beleid op lange termijn voor de betrekkingen tussen China en Europa” (COM(1995)0279) en de resolutie van het Parlement van 12 juni 1997 over de mededeling van de Commissie over een beleid op lange termijn voor de betrekkingen tussen China en Europa(1),

   gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties (VN) van 8 september 2000,

–   gezien de Verklaring van Peking van het forum voor Chinees-Afrikaanse samenwerking (FOCAC) en het programma voor Chinees-Afrikaanse samenwerking in economische en sociale ontwikkeling van oktober 2000,

   gezien de Verklaring van Cairo (2000) van de Afrikaans-Europese Top onder bescherming van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAU) en de EU,

–   gezien het verslag van 2001 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), “De DAC-richtsnoeren; Strategieën voor duurzame ontwikkeling; Richtsnoer voor ontwikkelingssamenwerking”,

   gezien de oprichtingsakte van 2002 van de Afrikaanse Unie (AU) en het document van 2001 van de Afrikaanse leiders, “Het nieuwe partnerschap voor de ontwikkeling van Afrika” (NEPAD), dat werd aangekondigd als programma van de AU tijdens de eerste AU-top,

–   gezien de beleidsdocumenten van China over de EU (2003)(2) en over het Afrikaanse beleid (2006)(3),

–   gezien het beleidsdocument van de Commissie, “Op weg naar een volwassen partnerschap – gezamenlijke belangen en taken in de betrekkingen tussen de EU en China” (COM(2003)0533), bekrachtigd door de Europese Raad op 13 oktober 2003,

–   gezien het in 2003 gelanceerde Strategische Partnerschap EU-China,

–   gezien het in december 2003 uitgegeven actieplan van Addis Ababa van de FOCAC,

   gezien het strategieplan 2004-2007 van de Commissie van de AU, zoals aangenomen op 7 juli 2004 tijdens de derde top van Afrikaanse staatshoofden en regeringsleiders in Addis Ababa, in Ethiopië,

   gezien de Verklaring van Parijs over efficiënte hulp, zoals aangenomen op 2 maart 2005, volgende op het forum op hoog niveau over efficiënte hulp, door veel Europese en Afrikaanse landen, evenals door China,

   gezien de beloften van Gleneagles, die op 8 juli 2005 door de G8 in Gleneagles werden goedgekeurd,

   gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 december 2005 betreffende “De EU en Afrika: naar een strategisch partnerschap”,

–   gezien de conclusies van de Raad algemene zaken en externe betrekkingen (RAZEB), aangenomen tijdens de vergadering van 3 oktober 2005, waarin steun wordt uitgesproken voor een internationaal verdrag inzake wapenhandel binnen het kader van de VN, dat bindende gemeenschappelijke normen zou vaststellen voor de wereldwijde handel in conventionele wapens(4),

   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement “EU-China: hechtere partners, groeiende verantwoordelijkheden” (COM(2006)0631) en het begeleidende werkdocument van de Commissie “Hechtere partners, groeiende verantwoordelijkheden: een beleidsdocument betreffende het handels- en investeringsbeleid van de EU ten aanzien van China: Concurrentie en partnerschap” (COM(2006)0632),

–   gezien de negende top EU-China in Finland in September 2006 en de gemeenschappelijke verklaring, uitgevaardigd bij de afsluiting hiervan,

–   gezien de conclusies van de RAZEB inzake China, zoals aangenomen op 11 december 2006,

–   gezien het handvest van de VN en Resolutie 1674 van de VN-veiligheidsraad over de bescherming van burgers tijdens gewapende conflicten (2006),

   gezien het actieprogramma van de VN tot voorkoming, bestrijding en uitroeiing van de illegale handel in handwapens en lichte wapens in al zijn aspecten(5),

   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de regeringsvertegenwoordigers van de lidstaten die bijeenkomen in de Raad, het Europees Parlement en de Commissie over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: “de Europese Consensus” (2006)(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 september 2006 over de betrekkingen tussen de EU en China(7),

–   gelet op het Strategisch Partnerschap Afrika-EU, het gezamenlijk strategie- en actieplan Afrika-EU (2007) en het partnerschap tussen Afrika en de EU op het gebied van handel en regionale integratie en van wetenschap, informatiemaatschappij en ruimte,

–   gezien “het infrastructuurpartnerschap tussen de EU en Afrika” (2007) dat van start is gegaan en dat de behoefte aangeeft aan investeringen in infrastructuurverbindingen (transport, energie, water en ICT) die een duurzame ontwikkeling moeten bevorderen,

–   gezien de verklaring van het EU-Afrika Business Forum ter gelegenheid van de tweede EU-Afrika-Top (2007),

   gezien het tussentijdse verslag 2007 van de VN betreffende de Millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MDG’s), waarin staat dat Sub-Sahara Afrika met alle MDG’s achterloopt en dat het huidige tempo van inspanningen voor de verlichting van armoede in Afrika twee keer zo snel zou moeten verlopen opdat de doelstelling van de MDG’s om het aantal mensen dat in extreme armoede leeft te halveren in 2015 wordt bereikt,

   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement “Van Cairo naar Lissabon – het strategische partnerschap tussen de EU en Afrika” (COM(2007)0357) en gezien het gemeenschappelijke document van de Commissie en het secretariaat-generaal van de Raad, “Na Lissabon. Het strategisch partnerschap tussen de EU en Afrika doen slagen” (SEC(2007)856),

–   gezien het landenstrategiedocument van de EU over China en het Meerjarig Indicatief Programma 2007-2013(8), dat 128 miljoen euro aan steun voor ontwikkelingssamenwerking van de EU toekent aan China,

–   gezien de op 28 november 2007 in Peking aangenomen gezamenlijke verklaring van de 10e Top EU–China,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0080/2008),

A. overwegende dat duurzame ontwikkeling in Afrika aanzienlijk kan worden gestimuleerd of beïnvloed door optreden van nieuwe mogendheden zoals China,

B.  overwegende dat de Afrikaanse staten de primaire verantwoordelijkheid dragen voor de politieke, sociale, economische en ecologische gevolgen van de aanwezigheid van buitenlandse onderdanen, organisaties en regeringen op hun grondgebied,

C. overwegende dat zowel de EU als China geëngageerd zijn om bij te dragen aan vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling in Afrika,

D. overwegende dat de EU de grootste donor op het gebied van ontwikkelingshulp aan Afrika en de belangrijkste handelspartner van Afrika is; overwegende dat China heeft aangekondigd de economische samenwerking te zullen versterken en meer hulp heeft toegezegd, zodat het wellicht in 2010 de grootste handelspartner van Afrika wordt;

E.  overwegende dat er in het kader van een strategie voor duurzame ontwikkeling voor Afrika voor moet worden gezorgd dat de ontwikkeling niet wordt ondermijnd door de betrokkenheid van niet–Afrikaanse spelers; in overweging van het feit dat de oprichting van een task force van de AU inzake de strategische partnerschappen tussen Afrika en de opkomende mogendheden derhalve moet worden verwelkomd,

F.  overwegende dat initiatieven ter bevordering van de dialoog met Afrika moeten worden toegejuicht, zoals de topconferenties China–Afrika en EU–Afrika, het forum voor Chinees–Afrikaanse samenwerking (FOCAC), het partnerschap EU–Afrika, de Europees–Afrikaanse faciliteiten voor vrede, energie en water en het infrastructuurpartnerschap tussen de EU en Afrika, de dialogen in het kader van de Overeenkomst van Cotonou (9) en andere dialogen tussen de EU of China enerzijds en Afrikaanse organisaties anderzijds,

G. overwegende dat in november 2006 de derde topconferentie van het FOCAC heeft plaatsgevonden in Peking en dat daarop een verklaring is goedgekeurd waarmee "een nieuw soort strategische samenwerking" tussen China en Afrika wordt afgekondigd; overwegende dat deze samenwerking zowel tegemoetkomt aan de uitdaging van de economische mondialisering als de gezamenlijke ontwikkeling bevordert, maar dat een aantal Afrikaanse staten die Taiwan hebben erkend, ervan zijn uitgesloten;

H. overwegende dat China als permanent lid van de VN–Veiligheidsraad een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om bij te dragen tot vrede en veiligheid in de wereld; in overweging van het feit dat de EU verheugd is over het engagement van China binnen diverse multilaterale kaders, die onder meer door de Verenigde Naties (VN), de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank, de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en het Protocol van Kyoto zijn ingesteld,

Duurzame ontwikkeling

I.   overwegende dat de EU zich ertoe heeft verplicht het niveau van officiële ontwikkelingshulp (ODA) tegen 2015 tot 0,7% van het BBP te verhogen (en tot 0,56% tegen 2010) en ten minste 50% van de officiële EU–ontwikkelingshulp aan Afrika toe te wijzen; overwegende dat de officiële EU–ontwikkelingshulp onder meer 20 mrd EUR aan steun voor de Afrikaanse landen bezuiden de Sahara bevat in het kader van het 10e Europees Ontwikkelingsfonds (2008–2013); overwegende dat de EU 350 mln EUR heeft uitgetrokken voor de Afrikaanse vredesfaciliteit en 5,6 mrd EUR voor het infrastructuurpartnerschap tussen de EU en Afrika voor de periode 2008–2013; overwegende dat de EU in grote mate bijdraagt tot internationale vredesmissies in Afrika, het Wereldfonds voor de bestrijding van HIV/AIDS, tuberculose en malaria en andere internationale initiatieven die van belang zijn voor de ontwikkeling van dit werelddeel,

J.   overwegende dat de aanwezigheid en de belangen van China in Afrika aan het toenemen zijn; overwegende dat China in 2005 netto–donor voor de Afrikaanse landen bezuiden de Sahara is geworden en sedertdien meer hulp heeft toegezegd, met de belofte om zijn hulp aan Afrika tegen 2009 te verdubbelen ten opzichte van het niveau van 2006; overwegende dat China zich ertoe heeft verbonden een Chinees–Afrikaans ontwikkelingsfonds ter waarde van USD 5 mrd in het leven te roepen teneinde Chinese bedrijven aan te moedigen om in Afrika te investeren,

K. overwegende dat het feit dat er met China nog een alternatieve donor bijgekomen is een element vormt waarmee de EU rekening moet houden als zij aan hulpverlening voorwaarden wil verbinden om Afrikaanse regeringen tot politieke hervormingen te bewegen,

L.  overwegende dat China in de afgelopen 25 jaar weliswaar 400 miljoen van zijn burgers uit extreme armoede heeft bevrijd en dus over waardevolle ervaring beschikt die van nut kan zijn voor de Afrikaanse landen, maar dat er in China niettemin thans sprake is van grotere sociale en economische tegenstellingen en zorgwekkende milieuvervuiling; overwegende dat de politieke rechten en fundamentele vrijheden nog steeds sterk zijn ingeperkt en dat China nog steeds een slechte staat van dienst heeft op het gebied van arbeidsnormen en bestuurlijke verantwoordingsplicht,

M. overwegende dat het sterkere engagement van China in de ontwikkelingssamenwerking met Afrikaanse landen tot tevredenheid stemt, met name over de hulp voor de bouw van ziekenhuizen, scholen en betere infrastructuur;

Energie en natuurlijke hulpbronnen

N. overwegende dat de economische groei van China en zijn legitieme belang bij de eigen ontwikkeling een grotere behoefte van dit land aan natuurlijke hulpbronnen en energiebronnen en een toenemende aankoop daarvan in ontwikkelingslanden, met name in Afrika, tot realiteiten maakt;

O. overwegende dat de grondstofrijke landen van Afrika door de vraag vanuit China en andere landen een betere marktpositie heeft verworven,

P.  acht het wenselijk dat het engagement van China in Afrika zich niet beperkt tot de landen die interessant zijn voor het energiebeleid, maar dat samenwerking met alle Afrikaanse staten in overweging wordt genomen;

Q. wijst erop dat ongeveer 40% van de totale stijging van de mondiale vraag naar olie in de laatste vier jaar voor rekening komt van China; benadrukt dat 30% van de invoer van China van ruwe olie uit Afrika afkomstig is; onderstreept dat China naar alle waarschijnlijkheid steeds afhankelijker zal worden van geïmporteerde olie, mineralen en andere grondstoffen, en dat China tegen 2010 naar verwachting 45% van zijn totale oliebehoefte zal importeren; benadrukt dat China vanwege zijn groeiende vraag naar energie en wens om de import van energie te verbreden op zoek is gegaan naar olieleveranciers in de Afrikaanse staten;

R.  overwegende dat de olie–import van China tussen 1995 en 2005 bijna is vervijfvoudigd, waardoor China inmiddels de op één na grootste olie–importeur ter wereld is en evenveel olie uit Afrika invoert als de EU; overwegende dat CNPC (een oliemaatschappij in handen van de Chinese staat) naar schatting 60 % tot 70% van de Soedanese olieproductie voor haar rekening neemt; overwegende dat Angola in 2006 de grootste olieleverancier van China was; overwegende dat China reeds circa 28% van zijn olie en gasleveringen uit de Afrikaanse landen bezuiden de Sahara betrekt; overwegende dat de olie–export van Afrika naar China naar verwachting in de komende jaren zal toenemen,

S.  overwegende dat de exploitatie van Afrikaanse natuurlijke hulpbronnen door vreemde staten of buitenlandse ondernemingen kan bijdragen tot ontwikkeling, maar tevens tot de uitputting van die hulpbronnen kan leiden, het bestuur kan ondermijnen, tot gelegenheid tot corruptie kan leiden, vooral waar al een uitgebreide cultuur van corruptie heerst, sociale tegenstellingen en macro–economische instabiliteit kan verhevigen en conflicten kan veroorzaken of aanwakkeren, en zo een ernstige bedreiging kan vormen voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling,

Handel, investeringen en infrastructuur

T.  overwegende dat bijna 9% van de invoer van de EU uit Afrika komt, waarvan de helft uit energiegerelateerde producten bestaat, 23% uit industrieproducten en 11% uit voedsel- en landbouwproducten; overwegende dat Afrika 8,3% van de EU-export afneemt, waarvan 78% verband houdt met machines, chemicaliën en gefabriceerde goederen; overwegende dat Zuid-Afrika de grootste handelspartner van de EU (import en export) is; overwegende dat de Europese handel met Afrika blijft afnemen, hoewel de EU de belangrijkste handelspartner van Afrika blijft;

U. overwegende dat de EU de grootste handelspartner van China is, alsmede de grootste investeerder in China en dat China de op een na grootste handelspartner van de EU is; overwegende dat de dialoog met China over democratische hervormingen en de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat niet ten gunste van de economische en commerciële betrekkingen op de achtergrond zou mogen raken,

V. overwegende dat China de laatste paar jaar een explosieve groei doormaakt van gemiddeld 9% per jaar en dat het een van de voornaamste exportlanden is geworden; overwegende dat de heropleving van China als belangrijke wereldeconomie de traditionele handelsstromen en internationale markten fundamenteel heeft gewijzigd; overwegende dat China netto-importeur van olie en veel andere grondstoffen en producten is geworden om deze groei vast te kunnen houden, en dat de grote vraag in China de prijs van velerlei minerale en agrarische producten sterk heeft opgedreven;

W. overwegende dat de Volksrepubliek China het recht heeft om in rechtmatige concurrentie met de EU en haar lidstaten op de internationale markten te opereren,

X. overwegende dat de snelle economische ontwikkeling van China in de laatste twintig jaar van aanzienlijke invloed is geweest op de handel tussen de EU en China en de economische betrekkingen in het algemeen: de gehele wederzijdse handel die sinds 1978 ruim zestig maal in omvang is toegenomen, vertegenwoordigde in 2005 een waarde van 210 miljard EUR; overwegende dat, waar de EU begin jaren tachtig nog een handelsoverschot had met China, dit per 2005 veranderd is in een handelstekort van 106 miljard EUR, het grootste handelstekort dat de EU met enige handelspartner heeft, en dat China nu de op een na grootste handelspartner van de EU na de VS is; overwegende dat de EU in 2000 een bilaterale markttoegangsovereenkomst met China heeft gesloten, wat voor China een belangrijke mijlpaal was in het toetredingsproces tot de WTO, en dat door deze toetreding de mondiale handelspatronen in veel opzichten zijn veranderd;

Y. overwegende dat ongeveer 3,6% van de Chinese invoer uit Afrika komt en Afrika 2,8% van de Chinese uitvoer afneemt; overwegende dat de waarde van de Chinese handel met Afrika is gestegen van USD 2 miljard in 1999 naar ongeveer USD 39,7 miljard in 2005; overwegende dat China thans de op twee na belangrijkste handelspartner van Afrika is; overwegende dat Afrika voor China een nieuw economisch ontginningsterrein wordt, waarbij China een tactiek van financiële steun voor olie doeltreffend weet te combineren met instrumenten van buitenlandse politiek;

Z.  overwegende dat het handelsvolume tussen Afrika en China naar schatting van USD 4 mrd in 1995 is toegenomen tot USD 55 mrd in 2006 en dat China beoogt tegen 2010 een verdere toename tot USD 100 mrd te bereiken; overwegende dat de Chinese Exim Bank in mei 2007 heeft aangekondigd in de komende drie jaar USD 20 mrd aan financieringsmiddelen voor handel en infrastructuur in Afrika ter beschikking te willen stellen; overwegende dat China heeft toegezegd in de komende drie jaar USD 3 mrd aan voordelige leningen en USD 2 mrd aan voordelige koperskredieten voor Afrika beschikbaar te stellen; overwegende dat China heeft beloofd zijn markten verder voor de Afrikaanse landen open te stellen door in de toekomst voor 440 (voorheen: 190) handelsartikelen afkomstig uit de minst ontwikkelde Afrikaanse landen die diplomatieke banden met China onderhouden geen invoerrechten te heffen, en door in de komende drie jaar in Afrika 3 tot 5 handelszones en economische samenwerkingsverbanden in het leven te roepen,

AA.     overwegende dat het lidmaatschap van de WTO zowel voor de Europese Unie als voor China rechten en verplichtingen met zich meebrengt; voorts overwegende dat tal van deze verplichtingen aan Chinese zijde nog steeds in onvoldoende mate nagekomen en omgezet worden,

BB.     overwegende dat het engagement van China in Afrika niet alleen moet worden gezien uit het oogpunt van de veiligstelling van de toevoer van energie en grondstoffen, maar ook onder het aspect van de voedselzekerheid, aangezien het land verwacht in de toekomst meer levensmiddelen te moeten invoeren,

CC.     overwegende dat de toekomstige betrekkingen EU–Afrika beïnvloed zullen worden door het welslagen of falen van de economische partnerschapsovereenkomsten,

DD.     overwegende dat China in plaats van ontwikkelingshulp kredieten verstrekt aan de Afrikaanse landen, waarbij het gevaar bestaat dat de schuldenlast van de Afrikaanse landen nog toeneemt,

EE.      overwegende dat de belangrijke kwestie van de verbetering en financiering van infrastructuur in Afrika vanwege de Chinese activiteiten weer meer gewicht krijgt,

FF.      overwegende dat volgens cijfers van de OESO 50% van de openbare werken in Afrika door Chinese contractanten worden uitgevoerd; in overweging van het feit dat bij Chinese projecten in Afrika vaak voor het merendeel Chinese werknemers tewerk worden gesteld,

GG.     overwegende dat ook de Chinezen er belang in zullen stellen om via de bevordering van goed bestuur een zekere mate van investerings- en rechtszekerheid te verkrijgen in landen met een wankele economie,

HH.     overwegende dat China, door in Afrika eigen arbeidskrachten in te zetten, aan Chinese handelaren op lange termijn de toegang tot de Afrikaanse markt verzekert en zo invloed op de Afrikaanse economieën verwerft,

II.        overwegende dat Chinese staatsbedrijven bij investeringen in Afrika grote risico’s kunnen nemen; overwegende dat het Chinese energiebedrijf CNOOC Ldt heeft aangekondigd voor USD 2 270 000 000 een aandeel van 45% in een offshore-olieveld in Nigeria te zullen kopen;

JJ.       overwegende dat China in 2007 de China Investment Corporation Ltd. met activa ter waarde van USD 200 000 000 000 heeft opgericht, dat hiermee momenteel het op 5 na grootste sovereign wealth fund (staatsfonds) ter wereld is;

Milieu

KK.    overwegende dat China de grootste producent van kooldioxide (CO2) ter wereld is geworden of dit binnenkort zal zijn en dat de Chinese burgers de directe slachtoffers zijn van dergelijke emissies; overwegende dat ook de EU wereldwijd tot de grootste producenten van CO2 behoort en dat ook de Europeanen de gevolgen van die emissies ondervinden; overwegende dat op de top van de G8+5 in 2007 te Heiligendamm onder meer is afgesproken de uitstoot van broeikasgassen met 50% te verminderen en in overweging van het feit dat de EU en China daarnaast nog andere streefdoelen hebben vastgesteld voor de vermindering van broeikasgasemissies en hernieuwbare energie; overwegende dat volgens de voorspellingen Afrika van alle werelddelen het meest te lijden zal hebben van de verslechtering van het milieu, ontbossing en klimaatverandering,

LL.      overwegende dat China erkenning verdient voor zijn ondertekening van het Protocol van Kyoto en de Overeenkomst inzake internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES); overwegende dat China over waardevolle kennis beschikt op het gebied van de bestrijding van ontbossing en woestijnvorming,

MM.   overwegende dat naar schatting meer dan de helft van alle houtkapactiviteiten in bijzonder kwetsbare regio’s, met inbegrip van Centraal–Afrika, illegaal is; overwegende dat China ervan wordt beschuldigd de hoofdverantwoordelijkheid te dragen voor de recente wereldwijde toename van illegale houtkap; overwegende dat bijvoorbeeld 90% van de houtexport van Equatoriaal Guinea naar China vermoedelijk illegaal is,

Bestuur en mensenrechten

NN.    overwegende dat China de “Vijf beginselen van vreedzame coëxistentie” tot hoeksteen van zijn op het concept van “niet–inmenging” gebaseerde “onafhankelijk, op vrede gericht buitenlands beleid” heeft verklaard, dat niet neutraal is, zoals in Afrikaanse landen is gebleken, waar sprake is van kritiek op China, of zelfs anti–Chinese gevoelens; overwegende dat Chinese olie- en mijnwerkers in Zambia, Nigeria en Ethiopië zijn aangevallen, ontvoerd of vermoord; overwegende dat China als wereldmogendheid met verantwoordelijkheidsbesef wenst te worden beschouwd en erkenning verdient voor het feit dat het zijn invloed heeft aangewend om de Soedanese regering tot aanvaarding van een gemengde AU–VN–troepenmacht in Darfur te bewegen; overwegende dat China, als permanent lid van de VN Veiligheidsraad, een centrale rol kan spelen op het gebied van conflictpreventie, -bemiddeling en -oplossing,

OO.    overwegende dat China, ondanks vorderingen op het gebied van bepaalde sociale en economische rechten en vrijheden, nog steeds tekortschiet wat betreft het respect voor de mensenrechten, waaronder het recht op leven en op een eerlijk proces, de vrijheid van meningsuiting en vereniging en andere sociale, economische en culturele rechten, met inbegrip van arbeidsrechten; overwegende dat er vooral met betrekking tot de Tibetanen sprake is van een duidelijk gebrek aan respect voor de mensenrechten; overwegende dat dit feit afbreuk doet aan het imago en het optreden van China in het buitenland, met name in Afrika, waar geen vorderingen op het gebied van ontwikkeling en goed bestuur mogelijk zijn zonder democratische verantwoording en respect voor de mensenrechten en de rechtsstaat;

PP.      overwegende dat China erkenning verdient voor het feit dat het voldoet aan de minimumeisen van het Kimberley–certificeringsstelsel voor de internationale handel in ruwe diamanten en dat het voor houtondernemingen richtsnoeren inzake verantwoord gedrag heeft opgesteld,

QQ.    overwegende dat China erkenning verdient voor zijn ratificatie van het VN–Verdrag tegen corruptie, hoewel corruptie in China nog steeds een groot probleem is, waardoor het vermogen om door de centrale regering geformuleerde beleidsdoelen en normen te vervullen zowel op provinciaal als op lokaal niveau drastisch wordt beperkt; overwegende dat dergelijke praktijken uitwerkingen hebben in de Afrikaanse landen waar China en Chinese ondernemingen investeren, doordat zij vaak corruptie in de hand werken en corrupte regeringen helpen zichzelf te verrijken en aan de macht te blijven; overwegende dat een strikte eerbiediging van de VN-Conventie tegen corruptie essentieel is voor de bevordering van goed bestuur, verantwoordingsplicht en respect voor de regels van de rechtsstaat,

Vrede en veiligheid   

RR.     overwegende dat gewapende conflicten in Afrika door Europese, Chinese en andere wapenhandelaren worden aangewakkerd, waardoor de ontwikkeling ernstig wordt ondermijnd; overwegende dat de lidstaten nog niet door de Europese gedragscode voor de wapenexport gebonden zijn en dat zij in onvoldoende mate toezicht uitoefenen om de illegale uit- en doorvoer van wapens naar Afrika te voorkomen,

SS.      overwegende dat China als een van de grootste wapenexporteurs ter wereld en als permanent lid van de VN–Veiligheidsraad een bijzondere verantwoordelijkheid heeft,

TT.      overwegende dat er een gebrek aan transparantie heerst met betrekking tot de Chinese uitvoer van conventionele wapens alsmede handvuurwapens en lichte wapens; overwegende dat Amnesty International China onlangs aan de kaak heeft gesteld vanwege zijn “veel te lakse” beleid ten aanzien van de uitvoer van wapens; overwegende dat China verantwoordelijk is voor omvangrijke wapenleveranties aan door conflicten geteisterde landen, waarbij zelfs inbreuk is gemaakt op VN–embargo’s op wapenleveringen aan Darfur, Liberia en de Democratische Republiek Congo,

UU.     overwegende dat China erkenning verdient voor het feit dat het van alle permanente leden van de VN–Veiligheidsraad de op één na grootste leverancier van VN–vredestroepen is en reeds met 3 000 man deelneemt aan vredesmissies in Afrika,

1.  onderstreept de noodzaak om de invloed van EU-beleidsplannen in Afrika te versterken, vooral door te waarborgen dat beloften en toezeggingen worden nagekomen; benadrukt in dit verband het belang van het Verdrag van Lissabon bij het versterken van de doelmatigheid en samenhang van de EU in externe betrekkingen, waarin ontwikkelingsproblemen en beleidsplannen naar behoren worden opgenomen;

2.  dringt er bij de EU op aan om een samenhangende strategie te ontwikkelen om te reageren op de nieuwe uitdagingen die zijn ontstaan door nieuwe donoren in Afrika, zoals China, waaronder een gecoördineerde aanpak van verschillende lidstaten en EU-instellingen; onderstreept dat bij een dergelijke reactie niet getracht moet worden te wedijveren met de methoden en doelstellingen van China, aangezien zulks niet noodzakelijkerwijs zou aansluiten op de waarden, beginselen en belangen op de lange termijn van de EU; constateert dat een zodanige reactie geïntegreerd moet worden in de dialoog van de EU met de AU en in de betrekkingen met alle Afrikaanse partners; wijst er met nadruk op dat de EU zich moet begeven in een dialoog met China over het ontwikkelingsbeleid om over methoden en doelstellingen te praten, maar dat zij trouw moet blijven aan haar eigen benadering van de ontwikkelingssamenwerking;

3.  dringt er bij de EU op aan om ook in de concurrentie met andere donorlanden vast te houden aan haar hoge eisen inzake de bevordering van goed bestuur en de eerbiediging van de mensenrechten; verzoekt de Europese Unie zich in deze concurrentie te onderscheiden door kwalitatief betere aanbiedingen, zoals de vestiging van moderne, klimaatvriendelijke productie–installaties voor de verwerking van grondstoffen in het oorsprongsland en de tewerkstelling en opleiding van lokale werknemers; merkt op dat de ontwikkeling van dergelijke aanbiedingen zou moeten worden opgenomen in de EU-dialoog met de AU en in de betrekkingen met alle Afrikaanse partners, met name bij de uitvoering van de Gemeenschappelijke Strategie EU-Afrika en het bijbehorende actieplan;

4.  is verheugd over China's bereidheid om praktisch samen te werken met Afrikaanse landen zonder paternalistisch op te treden; wijst erop dat een dergelijke samenwerking pragmatisch van aard is; betreurt in dit verband de Chinese samenwerking met repressieve regimes in Afrika; wijst erop dat het wenselijk zou zijn politieke voorwaarden te koppelen aan de samenwerking en dat mensenrechten en milieunormen een grotere rol zouden moeten spelen;

5.  roept de EU en China op hun Afrikaanse strategieën waar mogelijk te bespreken, te ontwikkelen en gestalte te geven onder het gezichtspunt van een verantwoord optreden dat erop is gericht duurzame ontwikkeling en de verwezenlijking van de MDG’s te bevorderen; benadrukt het belang van het opzetten van constructieve dialoog in een multilateraal kader met alle actoren die een rol spelen op het Afrikaanse continent, met name de AU en NEPAD; roept de EU in dit verband op de instelling van een forum voor het partnerschap met Afrika aan te moedigen waarbij alle grote donoren en investeerders worden betrokken;

6.  dringt er bij de EU en China op aan om de steun aan NEPAD te vergroten als de drijfkracht achter een strategie voor duurzame ontwikkeling voor Afrika en ook om de Afrikaanse regionale organisaties te steunen, de AU, het Pan-Afrikaanse Parlement (PAP) en de Afrikaanse nationale parlementen en regeringen bij het versterken van hun leiderschap en eigenaarschap van een dergelijke strategie; verzoekt de EU om bij te dragen aan de versterking van de Afrikaanse capaciteit om samenhang te garanderen tussen donoren en investeerders en te waarborgen dat buitenlandse investeringen bijdragen aan het stimuleren van duurzame ontwikkeling;

7.  benadrukt zijn bereidheid om een dialoog tot stand te brengen met het Chinese nationale volkscongres, het PAP en Afrikaanse nationale parlementen die erop gericht is om duurzame ontwikkeling te stimuleren en hun kritische onderzoekscapaciteiten te versterken;

8.  verzoekt de EU om China aan te moedigen zijn verantwoordelijkheden als permanent lid van de VN-veiligheidsraad op zich te nemen, waaronder de ‘verantwoordelijkheid om te beschermen’, waardoor wordt erkend dat de aanwezigheid van China in Afrika op zichzelf, ongeacht enige bedoelingen voor een ‘beleid van niet-inmenging’, een werkelijke gevolg heeft voor de gastlanden, waaronder een politieke effect;

9.  verzoekt de EU om bij haar overwegingen over de gevolgen van het Chinese beleid in Afrika rekening te houden met de door de Afrikaanse staten en de AU geuite meningen; benadrukt dat de EU zich met betrekking tot de rol van China van generalisaties dient te onthouden, een open en constructieve houding ten opzichte van het land dient in te nemen en dit geen Europese modellen en zienswijzen moet opdringen;

Duurzame ontwikkeling

10. wenst dat de EU ernaar streeft dat tussen Afrika, de EU en China in het gemeenschappelijk belang, op grond van de Afrikaanse behoeften en ten behoeve de Afrikaanse landen en volkeren alsmede ter verbetering van de doeltreffendheid en samenhang van de ontwikkelingssamenwerking een dialoog wordt gevoerd waarbij concrete wegen voor samenwerking worden onderzocht en partnerschappen worden bevorderd en waarbij losse, op zichzelf staande projecten worden vermeden; stelt voor dat de EU, de AU en China een permanent overlegorgaan in het leven roepen om de coherentie en de effectiviteit van de verschillende activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking te bevorderen;  roept de EU, China en Afrika op een wereldwijd kader in het leven te roepen voor concrete operationele projecten die gericht zijn op gemeenschappelijke uitdagingen als de aanpassing aan de klimaatverandering, hernieuwbare energiebronnen, landbouw, water en gezondheidszorg;

11. verzoekt de EU en de lidstaten om de betrekkingen met Afrikaanse landen te versterken door hulptoezeggingen na te komen en een prioriteit te maken van de realisatie van de MDG’s; is verheugd over het feit dat in 2006 de EG–hulp met 6% en de door de 15 lidstaten geleverde hulp met 2,9% is toegenomen in vergelijking met het jaar daarvoor, maar betreurt het dat de totale officiële ontwikkelingshulp (ODA) van de 15 lidstaten aan alle regio’s in verhouding tot het bruto nationaal inkomen (BNI) is gedaald van 0,44% ODA/BNI in 2005 naar 0,43% ODA/BNI in 2006; betreurt eveneens dat vier lidstaten in 2006 niet aan het individuele streefdoel van 0,33% van het BNI hebben voldaan en dat dit mogelijk ook voor andere lidstaten zou kunnen gelden indien de ODA–sommen zouden worden verminderd met kwijtgescholden schulden en andere maatregelen waaraan geen beschikbare fondsen voor de ontwikkelingslanden zijn verbonden;

12. herinnert eraan dat het uiteindelijke doel van ieder ontwikkelingsbeleid, zowel van de kant van de EU als van de kant van China, gelegen moet zijn in de vermindering en uitbanning van armoede;

13. roept de EU en de lidstaten op een groter deel van het publiek in Afrika en de EU te bereiken door de aanwezigheid, bezoeken en discussiebijeenkomsten van hooggeplaatste Europese regeringsvertegenwoordigers;

14. verzoekt de EU meer ongebonden hulp toe te zeggen en China aan te moedigen ongebonden hulp te verlenen aan Afrikaanse partners, om er zo voor te zorgen dat economische voorwaarden die zijn verbonden aan internationale subsidies of leningen de duurzame ontwikkeling niet zullen ondermijnen; dringt er in dit verband bij de EU op aan China over te halen zich voor de uitbreiding van de lokale Afrikaanse arbeidsmarkt in te zetten, in plaats van duizenden Chinese werknemers naar Afrika uit te zenden;

15. verzoekt de EU om China aan te moedigen om gebruik te maken van zijn deskundigheid op het gebied van gezondheid om initiatieven te steunen die gericht zijn op de verbetering van de openbare gezondheidszorg in Afrika ter waarborging van duurzame ontwikkeling, en om initiatieven te steunen die gericht zijn op de bestrijding van armoedegerelateerde pandemieën die Afrika verwoesten, namelijk HIV/aids, malaria en tbc;

16. verzoekt de EU binnen het kader van de het Comité voor ontwikkelingshulp van de OESO/DAC een constructieve dialoog te voeren met niet tot de DAC behorende opkomende donorlanden zoals China, teneinde deze ertoe aan te moedigen de richtsnoeren en normen van de DAC of gedragscodes van gelijke strekking aan te nemen en de beginselen van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp te eerbiedigen;

17. dringt er bij de EU op aan om China aan te moedigen een gespecialiseerde hulpinstelling op te richten die ten taak heeft de deskundigheid en onafhankelijkheid van China op het gebied van hulpverlening te vergroten en op transparante wijze verslag te doen over de begroting van de hulpverlening; verzoekt de EU China desgewenst te ondersteunen bij de ontwikkeling van die deskundigheid;

18. moedigt de EU en de Afrikaanse landen aan Chinese vertegenwoordigers uit te nodigen om deel te nemen aan bilaterale en multilaterale coördinatiebijeenkomsten van de donorlanden;

19. verzoekt de EU China aan te moedigen om een bijdrage te leveren tot het aanpakken van de uitdagingen van de demografische situatie in Afrika; benadrukt in dit verband dat de groei van de bevolking in grote delen van Afrika hoger is dan het economische groeipercentage en dat maatregelen om deze trend te keren overeenkomstig het VN–verslag van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling van 1994 ook maatregelen ter verbetering van de seksuele en reproductieve gezondheid moeten omvatten;

20. benadrukt dat internationale partnerschappen voor ontwikkeling (schrapping) mensgericht moeten zijn, aangezien duurzame ontwikkeling alleen mogelijk is als het maatschappelijk middenveld hiertoe de mogelijkheid krijgt: vrouwen en kwetsbare of minderheidsgroepen moeten in het bijzonder worden gesteund en gewaardeerd als essentiële personen voor ontwikkeling; en dat vrijheid van vereniging en vrije en meervoudige media essentiële voorwaarden voor ontwikkeling zijn en door dergelijke partnerschappen moeten worden ondersteund;

Energie en natuurlijke hulpbronnen

21. is van mening dat, gezien het engagement van China in Afrika, er meer belang zou moeten worden gehecht aan samenwerking met Afrika op het gebied van het externe energiebeleid van de EU; wenst een actieve samenwerking inzake energiebeleid tussen Afrika en de EU;

22. erkent het belang van het transparante beheer van natuurlijke hulpbronnen in het mobiliseren van inkomsten die cruciaal zijn voor ontwikkeling en armoedevermindering, door te zorgen voor stabiliteit van de bevoorrading en het voorkomen van grondstofgerelateerde conflicten en instabiliteit in grondstofrijke landen; verzoekt de EU om Afrikaanse grondstofrijke landen aan te moedigen zich aan te sluiten bij het ‘Extractives Industry Transparency Initiative’ (EITI) door versterkte politieke, financiële en technische steun te bieden aan het EITI om er onder meer voor te zorgen dat het maatschappelijk middenveld vrijelijk aan het EITI kan deelnemen; dringt er bij de EU op aan om zich actief bezig te houden met de regering van China en Chinese bedrijven om hen aan te moedigen het EITI te steunen; verzoekt de EU om te pleiten voor de uitbreiding van het toepassingsgebied van het EITI, namelijk naar andere natuurlijke hulpbronnen zoals hout en om ook overheidsinkomsten met een koppeling aan leningen die op grondstoffen berusten hierin op te nemen;

23. acht het van het grootste belang dat de EU alle politieke mogendheden en internationale investeerders die in Afrika actief zijn, oproept strak vast te houden aan de sociale en milieuregels die in 2002 door de Wereldbank voor de winningsindustrieën zijn ingesteld;

24. verzoekt de EU om actief transparantie te bevorderen, niet alleen wat betreft de inning van ontvangsten, maar ook wat betreft de uitgaven van inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen, door initiatieven te steunen om begrotingstransparantie in Afrikaanse landen te vergroten; dringt er bij de EU op aan om ‘verantwoord lenen’ door alle donoren te bevorderen, door grondstofrijke, ontvangende landen met een geschiedenis van slecht bestuur en corruptie te verplichten om concrete stappen te nemen voor meer transparantie in het inkomstenbeheer als voorwaarde voor het ontvangen van niet-humanitaire bijstand; roept de EU op om de artikelen 96 en 97 van de Overeenkomst van Cotonou ook consequenter op grondstofrijke, ontvangende landen toe te passen en vervolgens met China en andere donoren een dialoog te voeren om de doeltreffendheid van de desbetreffende maatregelen door de onderlinge afstemming van hun optreden te verhogen; benadrukt dat de EU het goede voorbeeld dient te geven door van haar eigen ontwikkelingsprogramma’s en –projecten een toonbeeld van transparantie en goed bestuur te maken;

25. dringt er bij de EU op aan zich in te zetten voor een strikter internationaal toezicht ter bestrijding van de illegale handel in hout en ivoor; verzoekt de EU een lans te breken voor de beginselen die zijn neergelegd in het actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT) en China aan te moedigen dergelijke beginselen toe te passen bij zijn eigen houtimport uit Afrika, teneinde de handel in illegaal gekapt hout te beëindigen en een duurzaam bosbeheer te bevorderen; verzoekt de Commissie om spoedig met voorstellen te komen voor een verbod op de import van hout en houtproducten uit illegale bronnen naar de EU om China ervan te weerhouden Afrikaans hout uit illegale bronnen te gebruiken voor zijn meubelexport; moedigt de Commissie aan de reikwijdte van haar onderhandelingen over vrijwillige partnerschapsovereenkomsten met derde landen uit te breiden; verzoekt de EU om de versterking van soortgelijke initiatieven te ondersteunen, zoals de Afrikaanse en Aziatische FLEGTs;

26. verzoekt de EU om te pleiten voor internationale conventies betreffende de winning of opsporing van energiebronnen om hierin transparantie van vergunningsovereenkomsten en contractuele voorwaarden die bepalend zijn voor belastingstromen naar regeringen op te nemen, evenals een clausule over de investering van een percentage van de winst in de ontwikkeling van de plaatselijke gemeenschap;

27. roept de EU en China op het probleem van de illegale handel in natuurlijke hulpbronnen aan te pakken door middel van gecoördineerde actie, waartoe onder meer een gezamenlijk overeengekomen definitie van ‘conflictgrondstoffen’ dient te behoren, evenals de instelling van een internationale deskundigengroep belast met de ontwikkeling van multilaterale benaderingen om deze kwestie op te lossen;

28. roept de EU en China op meer te investeren in hernieuwbare energiebronnen om zo de verslechtering van het milieu en klimaatverandering tegen te gaan en conflicten te voorkomen die verband houden met de schaarste van hulpbronnen zoals aardolie;

Handel, investeringen en infrastructuur

29. wijst erop dat diversificatie van handel in het algemeen van cruciaal belang is bij het tot stand brengen van betrouwbare economische groei in alle Afrikaanse staten; onderstreept dat de Chinese export van producten naar Afrika de ontwikkeling van Afrikaanse industrieën niet zou moeten belemmeren noch de concurrentiepositie van die industrieën teniet zou mogen doen;

30. doet een beroep op de EU en op China om Afrika te helpen uit de ‘commodity trap’ te komen en de transformatie van dit werelddeel van een regio die basisprodukten levert in een gebied dat basisprodukten verwerkt en diensten ontwikkelt; betreurt het gebrek aan flexibiliteit van de Commissie bij de onderhandelingen over een economische partnerschapsovereenkomst met de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS–landen) en uit zijn bezorgdheid over het feit dat de ACS–landen er door de nieuwe regeling wellicht slechter voor komen te staan; vraagt de EU in dit verband om alle betrokken partijen, vooral de lidstaten en nieuwe donoren zoals China, aan te moedigen om de handel en investeringen te diversifiëren, technologie over te dragen aan de Afrikanen, internationale, eerlijke handelsregels te versterken, de wereldwijde toegang voor Afrikaanse producten uit te breiden, belastingen op verwerkte goederen uit Afrika te verlagen, de ontwikkeling van de particuliere sector en de toegang van de sector tot financieringsmiddelen te bevorderen, de handel te vergemakkelijken, regionale integratie in Afrika te stimuleren en geldtransacties van Afrikaanse inwoners te vergemakkelijken;

31. verzoekt de EU om haar economische invloed op de ontwikkeling van Afrika te vergroten door haar eigen Gemeenschappelijke Landbouwbeleid te hervormen en de toegang van Afrikaanse producten tot de EU-markt te vereenvoudigen; verzoekt de EU en doet een beroep op China om bij de hervorming van hun eigen landbouwbeleid sterker rekening te houden met de ontwikkelingskansen van de Afrikaanse landbouwsector, de invoer van landbouwproducten uit Afrika te vergemakkelijken en er bij de export van landbouwproducten op te letten geen belemmeringen te doen ontstaan voor de landbouwproductie in Afrika, die garant staat voor voedselzekerheid en werkgelegenheid;

32. verzoekt de EU en doet een beroep op China om zich sterker in te zetten voor een eerlijke wereldhandel, met het doel om coherentie te bewerkstelligen tussen het handels- en het ontwikkelingsbeleid, om het aandeel van producenten en werknemers in de winst uit de wereldhandel in goederen te verhogen, om de toegang voor Afrikaanse producten tot de wereldmarkt te uit te breiden en de invoerrechten op eindproducten uit Afrika te verlagen; doet een beroep op de regering van de Volksrepubliek China en op de EU om een exportstrategie te ontwikkelen die geen belemmering vormt voor een in ecologisch en sociaal opzicht duurzame goederenproductie in Afrika;

33. doet een beroep op China om bij de verstrekking van kredieten rekening te houden met de lessen die uit het ontstaan van de schuldencrisis in vele ontwikkelingslanden kunnen worden getrokken, en om de door kredietgevers in het verleden gemaakte fouten niet te herhalen;

34. is verheugd over stappen die door China zijn genomen om, als gevolg van druk van de Wereldhandelsorganisatie en de internationale publieke opinie, de sociale wetgeving en de rechten van werknemers met ingang van 1 januari 2008 te verbeteren, en benadrukt dat de invoering van sociale wetten met een dwingender karakter in China een positief effect op het Chinese optreden in Afrika zal moeten hebben;

35. onderstreept dat het voor Afrika belangrijk is een eigen strategie tegenover China te ontwikkelen; stelt dat zo´n strategie van groot belang is om de handelsrelaties tussen China en Afrika van een meer wederkerig karakter te voorzien; onderstreept dat de nadruk van deze strategie moet liggen op een grotere participatie van Afrikaanse arbeiders bij Chinese projecten in Afrika, een toenemende bereidheid van China om technologie over te dragen en een betere markttoegang voor typisch Afrikaanse exportproducten als koffie, cacao en lederwaren op de Chinese markt;

36. beveelt de Commissie aan in de lopende onderhandelingen met China vast te blijven houden aan een nieuw handelshoofdstuk in de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, aan bindende uitspraken ten aanzien van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO, aan de sociale en ecologische verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, aan maatregelen tegen ‘sociale en ecologische dumping’, aan de IAO-aanbevelingen voor behoorlijke arbeid, en aan inachtneming van de vereisten die uit internationale mensenrechtenverdragen voortvloeien;

37. benadrukt dat het belangrijk is om bij de uitvoering van investeringen in infrastructuur en vestigingen van ondernemingen lokale werknemers onder eerlijke financiële voorwaarden tewerk te stellen; beveelt aan de deels hooggekwalificeerde leden van de Afrikaanse diaspora hierbij sterker te betrekken en geldovermakingen van in het buitenland levende Afrikanen naar Afrika te vergemakkelijken;

38. onderkent dat de informatie- en communicatietechnologie (ICT) in het algemeen een zeer positieve invloed heeft op groei, concurrentiepositie en het creëren van banen; beveelt de Commissie aan bestaande Afrikaanse en Europese programma’s op een lijn te brengen, meer gericht op het ontwikkelen van ICT-capaciteit voor het midden- en kleinbedrijf door middel van publiek-private partnerschappen die moeten zorgen voor de ontwikkeling van instellingen en beleid om investeringen, innovatie en technologieoverdracht te vergemakkelijken;

39. verzoekt de EU en China om de AU en NEPAD te ondersteunen bij het uitvoeren van milieueffectbeoordelingen en het evalueren van mogelijke ‘pro-poor growth’ van buitenlandse investeringsprojecten in Afrika, vooral op het gebied van energie en infrastructuur, evenals bij het ontwikkelen van een transparanter systeem voor het gunnen van contracten en voor overheidsuitgaven; legt de nadruk op het belang van het plannen op lange termijn van overheidsuitgaven door Afrikaanse landen van winsten die zijn verkregen door de recente prijsstijging van grondstoffen, winsten uit energie-exploratie en buitenlandse investeringsstromen, en beveelt de Europese Unie en China aan doelgerichte steun te verlenen aan de ontwikkeling van overeenkomstige bestuurlijke capaciteiten;

40. verzoekt de EU om met China in Afrika gezamenlijke projecten uit te voeren, met name op het gebied van de exploratie van energiebronnen, vervoer en infrastructuur, teneinde samen met de AU en NEPAD een gemeenschappelijk regelstelsel voor hun optreden en investeringen te ontwikkelen;

41. roept de EU en China op om te investeren in opleiding en voorlichting in Afrika, aangezien geschoolde werknemers de pijlers vormen van een meer onafhankelijke ontwikkeling;

42. verzoekt de EU verder te gaan dan het EU–Africa Business Forum en een coherent actieplan te ontwikkelen om Europese investeringen in Afrika te stimuleren en te diversifiëren;

43. onderkent dat de Europese economische investeringen in Afrika concurrentienadelen ondervinden van openlijke of verborgen subsidiëring van Chinese projecten en aanbiedingen van de Chinese regering (of bedrijven die volledig in handen van de staat zijn); vanwege hogere kosten door sociale en economische normen die de Chinese concurrenten niet hanteren; vanwege Chinese ‘gebonden hulp’ waardoor Europese bedrijven niet kunnen deelnemen aan projecten die met Chinese hulp gefinancierd zijn; vanwege de beperkte toegang voor Europese bedrijven tot financieringsinstrumenten en risicodekkende instrumenten voor investeringen;

Milieu

44. wijst op de ecologische gevolgen van de aanwezigheid van China in Afrika; dringt er bij China op aan om zowel in China als in Afrika op te treden als een verantwoordelijke rentmeester van het milieu;

45. verzoekt de EU om Chinese agentschappen voor exportkredieten, waaronder de Exim Bank, aan te moedigen om systematische milieueffectbeoordelingen van infrastructuurprojecten in Afrika uit te voeren, zoals van dammen, wegen en mijnen;

46. is verheugd over het initiatief van de Commissie tot de instelling van een Wereldalliantie ter bestrijding van klimaatverandering (‘Global Climate Change Alliance’) met de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling, die speciaal is gericht op de versterking van de samenwerking op het gebied van de aanpassing aan de klimaatverandering; verzoekt de EU China uit te nodigen om mee te werken aan centrale taken van het werkplan van de Wereldalliantie, zoals dialoog over de vermindering van rampenrisico’s en maatregelen ten behoeve van klimaatbestendigheid, die als cruciale samenwerkingsgebieden moeten worden beschouwd gezien de rol van China als grote donor en investeerder in Afrika die vaak in grootschalige infrastructuurprojecten investeert welke bijzonder kwetsbaar zijn voor klimaatverandering;

47. verzoekt om een verhoging van de financiële middelen voor de aanpassing aan de klimaatverandering, op basis van een systeem waarbij de bijdragen op basis van vroegere emissies en economische capaciteit verplicht zijn en waarbij de fondsen niet van reeds bestaande hulpbudgets worden afgetakt; dringt er in dit verband bij de EU op aan zich in te zetten voor sterker gecoördineerde en complementaire internationale inspanningen ten behoeve van de terbeschikkingstelling van financiële middelen en investeringen ter ondersteuning van maatregelen in Afrika die zijn gericht op de verlichting van en aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering, met name in de vorm van een betere toegang tot adequate, voorspelbare en duurzame financiële middelen, financiële en technische hulp voor de opbouw van capaciteiten voor de beoordeling van de aanpassingskosten, hulp bij de vaststelling van de financiële behoeften en de verstrekking van nieuwe en aanvullende middelen, waaronder ook officiële en concessionele middelen; dringt er op aan dergelijke financiële voorzieningen op onbureaucratische wijze toegankelijk te maken; dringt aan op effectief toezicht op de resultaten;

48. verzoekt de EU om multilaterale discussies te houden met AU-lidstaten en China alsmede het maatschappelijk middenveld over de wereldwijde dreigingen als gevolg van de achteruitgang van het milieu en klimaatverandering en om te werken aan de verplichtingen van de op 15 december 2007 tijdens de Conferentie van de partijen (COP- 13) in Bali ondertekende overeenkomst over het Actieplan van Bali voor een kader na 2012;

49. verzoekt de EU om het voortouw te nemen op het gebied van de verlichting van klimaatverandering door een spoedprogramma te lanceren dat naast de bestaande begrotingslijnen voor ontwikkelingshulp financiële steun verleent voor de ontwikkeling en toepassing van milieuvriendelijke energietechnologieën in landen met een opkomende economie en ontwikkelingslanden, rekening houdend met hun verschillende behoeften; verzoekt de EU specifiek om middelen ter beschikking te stellen om de overdracht van in China ontwikkelde goedkope milieuvriendelijke technologieën naar de Afrikaanse landen te bevorderen; erkent dat groter financiële steun voor technologieoverdracht van cruciaal belang is om tegen 2009 tot een overeenkomst te kunnen komen over een mondiaal kader inzake klimaatverandering voor de periode na 2012;

50. dringt er bij de EU en China op aan om er in overeenstemming met de overeenkomst over het Actieplan van Bali voor te zorgen dat hun projecten in Afrika, met name op het gebied van de exploratie van energiebronnen, van duurzame aard en verenigbaar met het Actieplan van Bali zijn;

51. erkent dat de handel en de consumptie in het Westen mede verantwoordelijkheid zijn voor het ontstaan en de groei van de Chinese vraag naar natuurlijke hulpbronnen in Afrika, evenals voor de toename van de CO2–emissies in de ontwikkelingslanden als gevolg van de ‘uitbesteding’ van vervuilende industrie; verzoekt de EU rechtvaardigheid op het gebied van handel en klimaat op de agenda te zetten van de trilaterale samenwerking met China en Afrika; verzoekt de EU tevens om een versterking van maatregelen ter bevordering van sociaal en ecologisch verantwoorde consumptie (met inbegrip van etiketteringsystemen waaruit het milieueffect van producten tijdens hun gehele levensduur blijkt, vanaf de winning van de benodigde grondstoffen tot en met de productie en het vervoer);

52. dringt er bij de EU op aan zich voor een nauwere internationale samenwerking, vooral met China, in te zetten, de spoedige tenuitvoerlegging van aanpassingsmaatregelen te steunen, met name door middel van kwetsbaarheidsbeoordelingen, de prioritering van acties, raming van de benodigde middelen, de opbouw van capaciteiten en de ontwikkeling van reactiestrategieën, de integratie van aanpassingsmaatregelen in de sectorale en nationale planning, specifieke projecten en programma’s, prikkels voor de uitvoering van aanpassingsmaatregelen en andere middelen om een klimaatbestendige ontwikkeling te bereiken, waarbij rekening dient te worden gehouden met de dringende en onmiddellijke behoeften van de ontwikkelingslanden die kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering, zoals de landen van Afrika, die bijzonder lijden onder droogte, verwoestijning en overstromingen;

53. verzoekt de EU de dialoog met Afrika en China te versterken en gezamenlijke benaderingen te ontwikkelen voor de oplossing van wereldwijde milieuproblemen als ontbossing, verwoestijning, fragmentatie van habitats, achteruitgang of verlies van biodiversiteit en bodemvruchtbaarheid alsmede water- en luchtvervuiling; verzoekt de EU energie–efficiëntie, milieuvriendelijke technologieën, risicobeheersing, capaciteiten voor vroegtijdige waarschuwing en een verantwoordelijke industrialisering en consumptie te bevorderen;

Goed bestuur en mensenrechten

54. verzoekt de Chinese autoriteiten met klem om in hun betrekkingen met Afrika de beginselen van democratie, behoorlijk bestuur en mensenrechten te eerbiedigen;

55. verzoekt de EU om te handelen conform haar eigen waarden, principes en toezeggingen krachtens de Overeenkomst van Cotonou in haar betrekkingen met die Afrikaanse regeringen die democratie belemmeren en mensenrechten schenden, door hun de controle op hulp, begrotingssteun of investeringen te ontzeggen; vraagt de EU om ervoor te zorgen dat in dergelijke gevallen humanitaire en andere steun wordt verstrekt via plaatselijke organisaties uit het maatschappelijk middenveld en deze de capaciteit van dergelijke organisaties helpt te versterken; verzoekt de EU om er bij andere grote donoren, zoals China, die zijn gebonden aan internationale mensenrechtenconventies van de VN, op aan te dringen om op dezelfde manier te handelen;

56. benadrukt dat, niettegenstaande het belang van beginselen als soevereiniteit, eigen verantwoordelijkheid en afstemming, de Chinese investeringen zonder voorwaarden in die Afrikaanse landen die slecht worden bestuurd door onderdrukkende regimes er mede voor zorgen dat mensenrechten geschonden blijven worden, dat de democratisering wordt vertraagd en dat de eerbiediging van goed bestuur en de rechtsstaat evenals de corruptiebestrijding worden tegengehouden; en het bestuur verder verslechtert; benadrukt in dit verband het belang van meer EU-steun aan regeringen, instellingen en partijen uit het maatschappelijk middenveld die goed bestuur en respect voor mensenrechten in Afrika bevorderen, namelijk nationale parlementen, pluralistische partijsystemen, ontwikkelings- en mensenrechtenorganisaties, vrije media en anticorruptie-instanties, enz.;

57. verzoekt de EU om alle hulp donerende en ontvangende landen te vragen om de richtsnoeren en transparantienormen van de Internationale Financiële Instellingen te respecteren; dringt er bij de EU op aan om Chinese autoriteiten te overtuigen om nationale banken aan te moedigen de ‘evenaarsprincipes' voor sociale en milieunormen aan te nemen;

58. vraagt de EU om China aan te moedigen de OESO-conventie tegen omkoperij te ondertekenen en de tenuitvoerlegging ervan te waarborgen, niet alleen in China, maar ook in de betrekkingen met Afrikaanse landen;

59. verzoekt de EU om alle lidstaten en China te verzoeken deel te nemen aan de bestaande wereldwijde initiatieven ter bevordering van de terugvordering van activa in overeenstemming met hoofdstuk V van de VN–Verdrag tegen corruptie, met inbegrip van het recentelijk door de Wereldbank en het Drugs- en misdaadbestrijdingsbureau van de VN(UNODC) in het leven geroepen Stolen Asset Recovery Initiative (StAR);

60. verzoekt de EU China ertoe aan te moedigen de IAO–verdragen te ratificeren die het nog niet heeft goedgekeurd en ervoor te zorgen dat het deze ten uitvoer legt in alle ontwikkelingslanden waar China investeringen doet of waar Chinese ondernemingen, deskundigen of werknemers werkzaam zijn, met name in Afrika;

61. roept de EU op de ontwikkeling van internationale en wettelijk bindende gedragscodes inzake goed bestuur, veilige en rechtvaardige werkomstandigheden, sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen en milieubeschermingspraktijken te stimuleren en de verantwoordingsplicht van ondernemingen te bevorderen;

Vrede en veiligheid

62. vraagt de EU te streven naar een juridisch bindend instrument voor de uitvoer van wapens op mondiaal niveau;

63. vraagt de EU om China aan te moedigen om de transparantie van zijn nationale controlesysteem voor wapenexport te vergroten, namelijk door te waarborgen dat alle export wordt gerapporteerd aan het VN-register voor export van conventionele wapens en dat zijn controleregels voor wapenexport worden verbeterd om te voorkomen dat wapens worden geleverd aan landen en regio’s, vooral in Afrika, waar internationale mensenrechten en humanitair recht stelselmatig worden geschonden;

64. vraagt de EU om haar wapenembargo tegen China te handhaven zolang China wapens blijft exporteren aan strijdkrachten en gewapende troepen in (veelal Afrikaanse) landen die conflicten voeden en laten voortduren en de mensenrechten ernstig blijven schenden;

65. verzoekt de EU en China een einde te maken aan militaire samenwerking en wapenhandelsakkoorden met regeringen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van mensenrechten, betrokken zijn in conflicten of op de rand van oorlog staan, zoals de regeringen van Kenia, Zimbabwe, Soedan, Tsjaad, de Democratische Republiek Congo, Ethiopië, Eritrea en Somalië; roept de EU en China op wapenleveranties aan gewapende niet–overheidsactoren die een bedreiging vormen voor de mensenrechten, de stabiliteit en de duurzame ontwikkeling op het Afrikaanse continent, te beëindigen, te voorkomen en verbieden;

66. vraagt de EU om te blijven pleiten voor een internationaal juridisch bindend verdrag inzake wapenhandel voor alle conventionele wapens, gesloten op VN-niveau;

67. roept de EU en China op initiatieven onder Afrikaanse leiding, zoals een parate troepenmacht, te ondersteunen, evenals de inzet van regionale organisaties als pijlers voor de veiligheid in Afrika;

68. vraagt de EU om China aan te moedigen zijn deelname aan de vredesmissies van de VN en AU in Afrika te blijven vergroten en die bijdrage tevens uit te breiden door, indien nodig en in overeenstemming met VN-mandaten, strijdkrachten te leveren;

69. verzoekt de EU om China te betrekken bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke benaderingen met betrekking tot menselijke veiligheid, met name op het gebied van conventionele ontwapening, ontwapenings-, demobilisatie- en reïntegratieoperaties (DDR), de traceerbaarheid van wapens, mijnopruiming en hervorming van de veiligheidssector (SSR); dringt aan op inspanningen op het gebied van niet–traditionele veiligheidskwesties zoals de preventie van natuurrampen, klimaat- en economische vluchtelingen, ontheemden en migranten, drugs en overdraagbare ziekten;

°

° °

70. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering van de Volksrepubliek China en het Chinese nationale volkscongres, de Afrikaanse Unie, NEPAD, PAP en FOCAC.

(1)

PB C 200, 30.6.1997, blz. 158.

(2)

Peking, oktober 2003, http://www.china-un.ch/eng/xwdt/t88637.htm.

(3)

Peking, 12 januari 2006, http://www.gov.cn/misc/2006-01/12/content_156490.htm.

(4)

2678ste vergadering van de Raad van de Europese Unie, Luxemburg, 3 oktober 2005.

(5)

VN-document A/Conf 182/15), juli 2001, http://disarmament.un.org/cab/poa.html.

(6)

PB C46, 22.2.2006, blz.1.

(7)

PB C 305 E, 14.12.2006, blz..219.

(8)

http://ec.europa.eu/external_relations/china/csp/index.htm

(9)

Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 317, 15.12.2000, blz. 3), zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 1/2006 van de ACS-EG-Raad van ministers (PB L 247, 9.9.2006, blz. 22).


TOELICHTING

China’s opkomst en naar buiten gerichte beleid

Dankzij de indrukwekkende economische opkomst van China, met een gemiddelde economische groei van 10% sinds 1990, is het land de op drie na grootste economie ter wereld geworden en bezit het officieel de grootste deviezenreserve. Tegelijkertijd is China nog steeds een ontwikkelingsland met grote socio-economische verschillen, een ondemocratische regering, gebrek aan fundamentele vrijheden en mensenrechten en ernstige milieuproblemen.

Om te voldoen aan de behoeften die zijn ontstaan door zijn groei heeft China een naar buiten gericht beleid aangenomen. Is China’s gescharrel in Afrika een drijfveer voor welvaart gebaseerd op een ‘win-winsamenwerking’ of strijkt het de Afrikaanse natuurlijke hulpbronnen op voor Chinese winst en ondermijnt China de duurzame ontwikkeling? In zijn expansie neemt China ook enkele van zijn ergste eigen praktijken mee, zoals corruptie, onverantwoord lenen, gebrek aan arbeidsrecht en milieunormen. Wat moet de EU nu doen?

"Pekings safari”: op zoek naar natuurlijke hulpbronnen

De Chinese betrokkenheid in Afrika is in de jaren negentig in een stroomversnelling gekomen. In 2000 werden door het nieuw opgerichte Forum voor Chinees-Afrikaanse Samenwerking ambitieuze plannen afgesproken. 2006 werd omgedoopt tot China’s ‘jaar van Afrika’ vanwege de investerings- en hulpaankondigingen door Peking.

Bijvoorbeeld alleen al in de Democratische Republiek Congo (dat tot de landen behoort met de grootste verscheidenheid aan mineralen), beloofde China een lening van vijf miljard dollar om wegen, spoorwegen, ziekenhuizen en universiteiten te bouwen.

Wat zijn de strategische drijfveren voor het naar buiten gerichte beleid van China in Afrika? Allereerst is dat olie. In 2003 werd China de op één na grootste verbruiker van olie ter wereld en naar verwachting zal de Chinese vraag in 2025 verdubbeld zijn. Circa 30% van China’s invoer van ruwe olie komt nu uit Afrika en olie is goed voor 50% van Afrika’s export naar China. Angola was in 2006 China’s hoofdleverancier in Afrika, gevolgd door Sudan en Congo-Brazzaville. China is ook op zoek naar andere natuurlijke hulpbronnen (uranium, koper, kobalt, erts, hout enz.) en naar nieuwe markten. Tot slot probeert China meer politieke invloed te krijgen, steun voor het ‘één-China-beleid’ en zichzelf als wereldmacht neer te zetten.

Afrika is vooral aantrekkelijk omdat de meeste Afrikaanse staten niet voldoende capaciteit hebben om te zoeken naar nationale hulpbronnen en deze te controleren, vaak vertrouwen op buitenlandse expertise en investeringen, en er slechts weinig beperkende regels en concurrentie zijn.

‘Zuid-zuidsamenwerking’ of ‘neokolonialisme’? China’s invloed in Afrika

Peking presenteert de Chinees-Afrikaanse betrekkingen als een economische ‘win-winsamenwerking’ tussen gelijkwaardige partners. Met een recordaantal van miljoenen eigen burgers die uit de armoede zijn gehaald propageert China een alternatief, staatsgericht ontwikkelingsmodel dat aanlokkelijk kan zijn in een continent waar door het Westen opgelegde neoliberale hervormingen zijn mislukt en waar veel machthebbers gespitst zijn op het centraliseren van de macht.

Tot nu toe heeft China’s voetafdruk in Afrika geleid tot een toename van de Chinese vraag naar grondstoffen wat de grondstofprijzen omhoog heeft gestuwd en de concurrentie heeft verscherpt. Bovendien heeft China Afrikaanse vrienden gemaakt dankzij de investeringen in de aanleg van dringend nodige infrastructuur. Er zijn echter ook toenemende klachten over verlies van productiecapaciteit, lage lonen, afschrikwekkende arbeidsomstandigheden en gebrek aan veiligheidsnormen in Chinese bedrijven die in Afrika werkzaam zijn.

De Chinese interesse lijkt begrensd tot landen die rijk zijn aan grondstoffen (of ‘vervloekt door grondstoffen’) en gaat voorbij aan een groot aantal andere Afrikaanse landen. Bovendien profiteren de grondstofrijke landen wel van de stijgende grondstofprijzen, maar wordt hierdoor het leven voor de rest van het continent moeilijker – en de prijzen zullen niet eeuwig hoog blijven.

Goedkope Chinese producten bereiken de Afrikaanse markten waardoor mensen gebruik kunnen maken van nieuwe technologieën (zoals mobiele telefoons) en kunnen besparen op basisuitgaven (zoals kleding), maar ze belemmeren de Afrikaanse industrieën, waardoor fabrieken failliet gaan en zo de werkloosheid toeneemt, vooral in de textielsector (de zogenoemde Chinese ‘textieltsunami’), door oneerlijke concurrentie als gevolg van sociale en milieudumping.

Wat hulp en investeringen betreft, zou de Chinese steun vaak niet in aanmerking komen als hulp volgens de criteria van de Commissie voor Ontwikkelingshulp (DAC). Het met veel trompetgeschal verkondigde Chinees-Afrikaanse Ontwikkelingsfonds van vijf miljard dollar is inderdaad vooral gericht op de ondersteuning van Chinese ondernemingen en hun projecten op het continent. Chinese hulp en investeringen zijn vaak gebonden en hebben meestal betrekking op Chinese werknemers. Chinese leningen, gedwarsboomde inspanningen om hulp te verbinden aan mensenrechten, democratie en goed bestuur kunnen ook problemen veroorzaken voor Afrikaanse regeringen doordat middelen op lange termijn worden geblokkeerd en geschiktheid voor IFI-financiering vermindert.

China’s investeringen en hulpplannen zijn vanzelfsprekend aantrekkelijk voor Afrikaanse partners. Dat is ook China’s vetomacht in de VN-veiligheidsraad. Dit partnerschap kan echter veel voordeliger zijn als Afrika de voorwaarden kan bepalen: eerlijke afspraken en correct beheer van het gegenereerde kapitaal. Afrikaanse landen kunnen hun onderhandelingspositie versterken door gemeenschappelijk te onderhandelen, vandaar het belang van organisaties zoals de AU of NEPAD.

Illegale praktijken bij de exploitatie van grondstoffen, verergerd doordat Afrikaanse regeringen niet voldoende in staat zijn om toe te zien op grondstofwinning, vereisen een grotere transparantie en verantwoordelijkheid. Afrika dient de uitbreiding van het toepassingsgebied van het EITI te steunen, zodat ‘bekendmaken wat je betaalt’ verandert in ‘bekendmaken wat je aan schade berokkent’.

Wat de gevolgen voor het milieu betreft, blijft China illegaal hout en ivoor uit Afrikaanse landen importeren en wordt het milieu ernstige schade berokkend door Chinese projecten, zoals de Merowedam in Sudan.

Op het gebied van veiligheid en vrede heeft China de militaire samenwerking uitgebreid naar verschillende Afrikaanse regimes. Sudan en Zimbabwe zijn belangrijke landen die Chinese wapens ontvangen. Gezien zijn verantwoordelijkheden als permanent lid van de VN-veiligheidsraad moet China ertoe worden aangespoord om de bevordering van staatsgerichte veiligheid te veranderen in de ondersteuning van ‘menselijke veiligheid’. Met meer grondstrijdkrachten kan China beter begrijpen waarom het nodig is om de ‘verantwoordelijkheid om te beschermen’ op zich te nemen.

Veel kritiek op China weerspiegelt tot op zekere hoogte fouten van het Westen, van het verleden en het heden: handelsregels en beschermende subsidies, levering van wapens, dubbele normen enz. Bovendien draagt de honger van het Westen naar goedkope producten ‘made in China’ ook bij aan de gulzigheid naar natuurlijke hulpbronnen van – wereldfabriek van tegenwoordig – China. Europeanen moeten niet doen alsof zij zich in deze driehoeksverhouding als enigen aan de spelregels houden, want Afrikaanse landen hebben hun redenen om gefrustreerd te zijn en hen, net als China, te wantrouwen. Afrikaanse leiders beroepen zich op het recht om hun achterstand in de industrialisering weg te werken, met alle daarmee verbonden vervuilingskosten. Afrikanen beweren ook dat steun aan Afrika een kwestie van rechtvaardigheid is, niet van liefdadigheid. In plaats van elkaar de zwarte piet toe te schuiven zouden de EU, Afrika en China moeten ingrijpen en samenwerken voor de duurzame ontwikkeling van Afrika. China heeft laten zien dat het gevoelig is voor internationale verwachtingen.

Het buitenlands beleid van China: van ‘zaken zijn zaken’ naar ‘stille revolutie’

China verkondigt een ‘onafhankelijk buitenlands beleid’, op basis van de beginselen van ‘soevereiniteit en niet-inmenging’ en presenteert zijn aanwezigheid in Afrika als puur zakelijk. Dit betekent dat hulp en leningen aan Afrikaanse regeringen zogenaamd ‘zonder kleine lettertjes’ worden verstrekt, maar natuurlijk is er altijd een ‘Taiwanclausule’ en de druk om de Dalai Lama te mijden. China’s aanwezigheid in Afrika heeft wel degelijk politieke gevolgen. De benadering ‘alleen handel, geen politiek’, in plaats van neutraliteit te garanderen, geeft sommige Afrikaanse dictators de politieke en financiële steun om aan de macht te blijven.

Sudan en Zimbabwe bijvoorbeeld, keerden zich naar China toen de internationale kritiek op de regimes toenam. In 2004 brak Angola onderhandelingen met het IMF af toen China een lening van twee miljard dollar aanbood zonder voorwaarden op het gebied van corruptie en transparantie. Dit is een kasstroom die een financiële steun in de rug vormt voor de heersende partij in de loop naar de komende verkiezingen.

Kritiek op de Chinese ‘inmenging’ in Afrika wordt dus sterker. In Nigeria, Ethiopië en Niger zijn Chinese agenten aangevallen. In het ernstigste geval tot op heden, in april 2007, werden negen Chinese werknemers en minstens 65 Ethiopiërs gedood toen Ogadenguerilla’s een olie-installatie in Oost-Ethiopië aanvielen; buitenlandse bedrijven waren gewaarschuwd om niet met de Ethiopische regering te werken om de natuurlijke hulpbronnen van de regio te exploiteren. Diverse andere incidenten doen China beseffen dat ‘politiekvrije’ olie- of mineraalwinning niet bestaat. Er hebben ook een aantal anti-Chinese rellen in Afrika plaatsgevonden.

Door deze toenemende problemen begrijpt China dat het zich moet aanpassen. Het beste voorbeeld is Sudan: China dreigde met een veto tegen de resoluties van de VN-veiligheidsraad over Darfur om zijn economische belangen in Khartoem te beschermen. Toen er echter buitenlandse dreigementen kwamen om de Olympische Spelen te boycotten benoemde Peking een speciale vertegenwoordiger (april 2007) en accepteerde Khartoem onder druk van China het plan van Annan. Peking schroeft ook zijn betrekkingen met Zimbabwe terug: in 2007 was Harare niet opgenomen in de Afrikaanse rondreis van president Hu en ondertussen kondigde Peking aan dat alle bijstand, behalve humanitaire hulp, zou worden ingetrokken.

De internationale reacties op de crisis in Darfur en de recente harde onderdrukking in Myanmar kunnen China doen beseffen dat onvoorwaardelijke steun aan onderdrukkende regimes en internationaal isolement niet in het beste belang van het land zijn. Ook de risico’s van investeringen in mislukkende economieën en kwetsbare staten worden Peking wellicht duidelijker: olievelden in Sudan die samenvallen met conflictzones tonen aan dat investeren in pijpleidingen alleen winstgevend en duurzaam is als de veiligheid is gewaarborgd. En veiligheid is niet langdurig in gebieden waar een conflict verbonden is met schendingen van de mensenrechten of slecht bestuur.

Ondanks wat sommigen al een ‘stille revolutie’ noemen in het buitenlands beleid van China, moet men rekening houden met grenzen aan de aanpassingsbereidheid van Peking: grenzen die worden bepaald door het treurige niveau van fundamentele rechten, vrijheden en verantwoordelijkheid in het eigen land. De EU dient daarom niet alleen te overwegen hoe China kan worden aangemoedigd om meer verantwoordelijkheidsgevoel aan de dag te leggen in Afrika, maar ook wat moet worden gedaan als China niet voldoet aan internationale eisen.

Concurrentie of een win-winpartnerschap? Uitdagingen voor de EU

De EU moet een gemeenschappelijke aanpak ten aanzien van China ontwikkelen, waarbij verschillen die voortvloeien uit nationale belangen worden overwonnen, omdat die het vermogen van Europa om het Chinese buitenlands beleid te beïnvloeden ondermijnen.

Een gemeenschappelijke EU-aanpak moet gebaseerd zijn op engagement. De EU moet China aanmoedigen om een grotere rol te spelen in conflictbemiddeling, vredeshandhaving en rondetafelconferenties van donorlanden.

Als engagement niet werkt, moet de EU de kracht van private en publieke kritiek op China niet onderschatten. EU-lidstaten en de leden van de VN-veiligheidsraad moeten ook niet aarzelen om indien nodig China alleen zijn veto te laten gebruiken voor VN-resoluties, waardoor het isolement van het land duidelijk wordt.

De EU moet ook ophouden met het romantiseren van haar relatie met Afrika, die is gebaseerd op historische of culturele banden en gemeenschappelijke talen. Europa moet haar enorme potentiële invloed in Afrika omzetten in echte politieke en diplomatische macht om zo te werken aan duurzame ontwikkeling in Afrika. Het is van levensbelang dat de EU zich aan haar beleid van voorwaardelijk engagement houdt, terwijl ze ook ‘positieve voorwaardelijkheid’ uitbreidt door meer steun te geven aan regeringen, instellingen, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en media die mensenrechten, democratie en verantwoordelijk bestuur in Afrikaanse landen stimuleren.

Terwijl de EU zich samen met China bezig houdt met Afrika, mag zij haar betrekkingen met andere grote en nieuwe mogendheden, zoals de VS, Brazilië en India, niet over het hoofd zien.

De aanwezigheid van China in Afrika heeft al het positieve gevolg gehad dat er hernieuwde belangstelling is voor Afrika, wat bijdraagt aan een verschuiving in visies: van een land van armoede en bestemd voor liefdadigheid worden nu de succesverhalen van Afrika erkend en groeit het besef in Europa dat de grondstoffen van Afrika de afhankelijkheid van het Westen van risicovolle Midden-Oosterse olieleveranciers kan verminderen en dat Afrika een enorm zakelijk potentieel biedt. Men moet absoluut onthouden dat de beste Afrikaanse hulpbron de Afrikaanse mensen zijn. Vrouwen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld macht geven en vrije en meervoudige media moeten prioriteiten zijn van de EU en van andere partners die werken aan de ontwikkeling van Afrika.

Het moet een prioriteit zijn voor het Europees Parlement om het Pan-Afrikaanse Parlement en de Afrikaanse nationale parlementen te helpen een kritische blik te ontwikkelen en om zich met het Chinese nationale volkscongres bezig te houden met de gevolgen van het beleid van China en de EU in Afrika.


RESULTAAT VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.2.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alessandro Battilocchio, Thijs Berman, Josep Borrell Fontelles, Danutė Budreikaitė, Marie-Arlette Carlotti, Thierry Cornillet, Corina Creţu, Nirj Deva, Koenraad Dillen, Beniamino Donnici, Fernando Fernández Martín, Hélène Goudin, Alain Hutchinson, Filip Kaczmarek, Glenys Kinnock, Maria Martens, Luisa Morgantini, Horst Posdorf, Frithjof Schmidt, Jürgen Schröder, Feleknas Uca, Johan Van Hecke, Luis Yañez-Barnuevo García, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Ana Maria Gomes, Fiona Hall, Manolis Mavrommatis, Linda McAvan, Ralf Walter, Gabriele Zimmer


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (26.2.2008)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

inzake het beleid van China en de gevolgen ervan voor Afrika

(2007/2255(INI))

Rapporteur voor advies: Bastiaan Belder

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.   stelt vast dat China door zijn groeiende economische en politieke macht in toenemende mate in Afrika actief wordt; is van mening dat de EU haar betrekkingen met zowel Afrika als China in een mondiale context moet zien; zou verheugd zijn over een gemeenschappelijk, multilateraal EU-standpunt in deze materie;

2.   merkt op dat Afrika een zeer heterogeen gebied is wat betreft politieke, sociale en economische ontwikkeling, waar talloze regionale organisaties gevestigd zijn; is derhalve van mening dat China het gebied moet benaderen met een gedifferentieerde aanpak;

3.   stelt vast dat de hoofdzakelijk bilaterale benadering van China ten opzichte van Afrika ingaat tegen de voornamelijk multilaterale benadering van de EU en dat China's beleid van non-interventie en inschikkelijke houding ten opzichte van twijfelachtige regimes als die in Soedan en Zimbabwe aanleiding kunnen geven tot bezorgdheid; is niettemin verheugd over en voorstander van de recente evolutie in China's beleid ten opzichte van Afrika, aangezien China zich meer bewust te lijkt te worden van zijn verantwoordelijkheden als belangrijke wereldmacht;

4.   verzoekt de Chinese autoriteiten met klem om in hun betrekkingen met Afrika de beginselen van democratie, behoorlijk bestuur en mensenrechten te eerbiedigen;

5.   merkt op dat in november 2006 de derde topconferentie van het Forum on China-Africa Cooperation (FOCAC) heeft plaatsgevonden in Peking en dat daarop een verklaring is goedgekeurd waarmee "een nieuw soort strategische samenwerking" tussen China en Afrika wordt afgekondigd; is verheugd over deze samenwerking, die niet alleen tegemoetkomt aan de uitdaging van de economische mondialisering maar ook bevorderlijk is voor de gezamenlijke ontwikkeling, betreurt echter dat een aantal Afrikaanse staten die Taiwan hebben erkend, ervan zijn uitgesloten;

6.   is van mening dat, gezien het engagement van China in Afrika, er meer belang zou moeten worden gehecht aan samenwerking met Afrika op het gebied van het externe energiebeleid van de EU; wenst een actieve samenwerking inzake energiebeleid tussen de regio en de EU;

7.   acht het wenselijk dat het engagement van China in Afrika zich niet beperkt tot de landen die interessant zijn voor het energiebeleid, maar dat samenwerking met alle Afrikaanse staten in overweging wordt genomen;

8.   is verheugd over China's bereidheid om praktisch samen te werken met Afrikaanse landen zonder paternalistisch op te treden; wijst erop dat een dergelijke samenwerking pragmatisch van aard is; betreurt in dit verband de Chinese samenwerking met repressieve regimes in Afrika; wijst erop dat het wenselijk zou zijn politieke voorwaarden te koppelen aan de samenwerking en dat mensenrechten en milieunormen een grotere rol zouden moeten spelen;

9.   wijst op de ecologische gevolgen van de aanwezigheid van China in Afrika; dringt er bij China op aan om zowel in China als in Afrika op te treden als een verantwoordelijke rentmeester van het milieu;

10. stelt voor dat de Commissie een specifieke dialoog aangaat met de Chinese autoriteiten met het doel:

      a) de druk die de Europese Unie en China uitoefenen op Afrika te harmoniseren, opdat het de internationale overeenkomsten, akkoorden en verdragen die het heeft ondertekend met betrekking tot wapenverkoop, mensenrechten, goed bestuur en respect voor het milieu, beter zou naleven; en

      b) de haalbaarheid te bestuderen van een driepartijensamenwerking tussen China, de Europese Unie en de Afrikaanse landen teneinde ontwikkelingshulp te intensiveren, het aantal gesteunde projecten te verhogen en deze beter te integreren in de millenniumontwikkelingsdoelstellingen, dit alles met inachtneming van de regels en verdragen van de Verenigde Naties;

11. steunt de EU-Afrikastrategie van Lissabon; roept tevens op tot een versterkte open politieke dialoog met betrekking tot Afrika tussen de EU, China en Afrika;

12. is van oordeel dat de rol van nieuwe externe actoren en politieke machten die de kop opsteken in Afrika, met name China, ook een herevaluatie van de "strategische samenwerking" tussen de EU en Afrika heeft afgedwongen;

13. is van mening dat het Chinees engagement in Afrika enerzijds en de onlangs gelanceerde strategische samenwerking tussen de EU en Afrika anderzijds met elkaar verenigbaar moeten zijn;

14. merkt op dat China de indruk wekt sterk naar handelsbetrekkingen met Afrikaanse landen te streven; vraagt China in dit verband met klem de fundamentele arbeidsnormen te respecteren, aangezien in Afrika actieve Chinese ondernemingen er vaak van beschuldigd worden de IAO-normen niet in acht te nemen;

15. roept de EU en China op om te investeren in opleiding en voorlichting in Afrika, aangezien geschoolde werknemers de pijlers vormen van een meer onafhankelijke ontwikkeling;

16. hoopt in het licht van de recente grondwetsherziening van de Chinese overheid, waarbij de bevoegdheid om de doodstraf uit te spreken exclusief toegekend werd aan het opperste gerechtshof (terwijl vroeger iedere plaatselijke rechter een dergelijke straf kon opleggen) dat de nieuwe dimensie van de Chinese aanwezigheid in Afrika een globaal genomen positieve invloed zal hebben op de eerbiediging van de mensenrechten in Afrika.

RESULTAAT VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.2.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Angelika Beer, Bastiaan Belder, Colm Burke, Véronique De Keyser, Giorgos Dimitrakopoulos, Michael Gahler, Alfred Gomolka, Klaus Hänsch, Jana Hybášková, Anna Ibrisagic, Jelko Kacin, Metin Kazak, Maria Eleni Koppa, Helmut Kuhne, Vytautas Landsbergis, Johannes Lebech, Francisco José Millán Mon, Philippe Morillon, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Samuli Pohjamo, Libor Rouček, Jacek Saryusz-Wolski, Hannes Swoboda, István Szent-Iványi, Ari Vatanen

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Laima Liucija Andrikienė, Árpád Duka-Zólyomi, Marie Anne Isler Béguin, Evgeni Kirilov, Józef Pinior, Inger Segelström

.


ADVIES van de Commissie internationale handel (25.2.2008)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

over het beleid van China en de gevolgen ervan voor Afrika

(2007/2255(INI))

Rapporteur voor advies: Erika Mann

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. gelet op het Strategisch Partnerschap Afrika-EU, het gezamenlijk strategie- en actieplan Afrika-EU (2007) en het partnerschap tussen Afrika en de EU op het gebied van handel en regionale integratie en van wetenschap, informatiemaatschappij en ruimte,

B.  gezien “het infrastructuurpartnerschap tussen de EU en Afrika” (2007) dat van start is gegaan en dat de behoefte aangeeft aan investeringen in infrastructuurverbindingen (transport, energie, water en ICT) die een duurzame ontwikkeling moeten bevorderen,

C. gezien de verklaring van het EU-Afrika Business Forum ter gelegenheid van de tweede EU-Afrika-Top (2007),

1.  wijst erop dat bijna 9% van de invoer van de EU uit Afrika komt, waarvan de helft uit energiegerelateerde producten bestaat, 23% uit industrieproducten en 11% uit voedsel- en landbouwproducten; Afrika neemt 8,3% van de EU-export af, waarvan 78% verband houdt met machines, chemicaliën en gefabriceerde goederen; betreurt het dat de Europese handel met Afrika blijft afnemen, hoewel de EU de belangrijkste handelspartner van Afrika blijft;

2.  wijst erop dat de snelle economische ontwikkeling van China in de laatste twintig jaar van aanzienlijke invloed is geweest op de handel tussen de EU en China en de economische betrekkingen in het algemeen; de gehele wederzijdse handel die sinds 1978 ruim zestig maal in omvang is toegenomen, vertegenwoordigde in 2005 een waarde van 210 miljard EUR; waar de EU begin jaren tachtig nog een handelsoverschot had met China, is dat per 2005 veranderd in een handelstekort van 106 miljard EUR, het grootste handelstekort dat de EU met enige handelspartner heeft, en China is nu de op een na grootste handelspartner van de EU na de VS. In 2000 heeft de EU een bilaterale markttoegangsovereenkomst met China gesloten, wat voor China een belangrijke mijlpaal was in het toetredingsproces tot de WTO. Door deze toetreding zijn de mondiale handelspatronen in veel verschillende opzichten veranderd;

3.  wijst erop dat ongeveer 3,6% van de Chinese invoer uit Afrika komt en Afrika 2,8% van de Chinese uitvoer afneemt; wijst erop dat de waarde van de Chinese handel met Afrika is gestegen van 2 miljard USD in 1999 naar ongeveer 39,7 miljard USD in 2005; momenteel is China de op twee na belangrijkste handelspartner van Afrika. Het is duidelijk dat Afrika voor China een nieuw economisch ontginningsterrein wordt, waarbij China een taktiek van financiële steun voor olie doeltreffend weet te combineren met instrumenten van buitenlandse politiek;

4.  merkt op dat China in infrastructuur investeert, hetgeen van cruciaal belang is voor versnelling van de groei, terugdringing van de armoede en uitbreiding van de handelscapaciteit; bepleit dat de EU meer van haar huidige hulpbudget gaat richten op infrastructuurprojecten die geen buitenlandse rechtstreekse investeringen kunnen aantrekken;

5.  wijst erop dat China de laatste paar jaar een explosieve groei doormaakt van gemiddeld 9% per jaar en dat het een van de voornaamste exportlanden is geworden; benadrukt dat de heropleving van China als belangrijke wereldeconomie de traditionele handelsstromen en internationale markten fundamenteel heeft gewijzigd; stelt vast dat China netto-importeur van olie en veel andere grondstoffen en producten is geworden om deze groei vast te kunnen houden, en dat de grote vraag in China de prijs van velerlei minerale en agrarische producten sterk heeft opgedreven;

6.  wijst erop dat ongeveer 40% van de totale stijging van de mondiale vraag naar olie in de laatste vier jaar voor rekening komt van China; benadrukt dat 30% van de invoer van China van ruwe olie uit Afrika afkomstig is; onderstreept dat China naar alle waarschijnlijkheid steeds afhankelijker zal worden van geïmporteerde olie, mineralen en andere grondstoffen, en dat China tegen 2010 naar verwachting 45% van zijn totale oliebehoefte zal importeren; benadrukt dat China vanwege zijn groeiende vraag naar energie en wens om de import van energie te verbreden op zoek is gegaan naar olieleveranciers in de Afrikaanse staten; acht het van het grootste belang dat de EU alle politieke mogendheden en internationale investeerders die in Afrika actief zijn, oproept strak vast te houden aan de sociale en milieuregels die in 2002 door de Wereldbank voor de winningsindustrieën zijn ingesteld;

7.  pleit voor een Europees beleid dat in het algemeen gericht is op "meer Europa in Afrika"; wenst een grotere zichtbaarheid van Europa (versterking van het beeld van Europa als regio) en een sterkere aanwezigheid van Europese bemiddelende instanties in heel Afrika (meer bilaterale kamers van koophandel, een Europese kamer in het buitenland, meer Europese handelsfora, goede contacten met de Europese en Afrikaanse diaspora), die essentieel zijn voor het aanknopen van economische banden tussen de EU en Afrika;

8.  wijst erop dat agressief handelsbeleid van China aanzienlijke invloed heeft op de Europese belangen op het Afrikaanse continent alsmede op de toegang van de EU tot grondstoffen, en dat de EU, hoewel zij de grootste donor voor Afrika blijft, er de laatste tien jaar niet in is geslaagd de hulp te koppelen aan een substantiële uitbreiding van haar handelsrelaties met de Afrikaanse landen;

9.  onderstreept dat het voor Afrika belangrijk is een eigen strategie voor China te ontwikkelen; stelt dat zo´n strategie van groot belang is om de handelsrelaties tussen China en Afrika van een meer wederkerig karakter te voorzien; onderstreept dat de nadruk van deze strategie moet liggen op een grotere participatie van Afrikaanse arbeiders bij Chinese projecten in Afrika, een toenemende bereidheid van China om technologie over te dragen en een betere markttoegang voor typisch Afrikaanse exportproducten als koffie, cacao en lederwaren op de Chinese markt;

10. erkent dat uitvoering van de Economische Partnerschapsovereenkomsten (EPO’s), met name op het punt van duurzame ontwikkeling, en de afsluiting van de Doha-ronde zowel de Afrikaanse als de EU-landen ten goede zou komen door opening van betere handelsmogelijkheden; bepleit dat de Commissie haar steun geeft aan concrete programma's voor capaciteitsopbouw en handelsbevordering in Afrika; in het bijzonder zou de EU de particuliere sector kunnen helpen bij het opzetten van effectieve laboratoria voor het testen van producten/voedsel, om de exportkansen naar de EU (en mogelijk ook naar China) te verbeteren en de lokale markten betrouwbaarder testmethoden te bezorgen;

11. merkt op dat de handelspolitieke opstelling van China jegens Afrika, anders dan die van de EU, berust op bilaterale betrekkingen met elke staat afzonderlijk, waarbij niet wordt gerept over mensenrechten, gemeenschappelijke sociale verantwoordelijkheid en ecologische en sociale normen, een houding die China een aanzienlijk vergelijkend voordeel in Afrika bezorgt;

12. meent dat sprake is van internationale concurrentievervalsing, doordat de nieuwe deelnemers van opkomende markten zich niet hoeven te houden aan de strenge OESO-regels op het gebied van ecologische, sociale en ethische normen, die vervolgens in de nationale wetgeving van de OESO-leden zijn getransponeerd; bepleit dat de Commissie oproept tot internationale steun voor die normen;

13. wijst erop dat de enorme aandacht van China voor het Afrikaanse continent en het succes van zijn beleid laten zien dat er mogelijkheden voor Afrika zijn, vooral als leverancier van grondstoffen en energiebronnen; meent dat er ruimschoots mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de handelsrelaties tussen de EU en Afrika, met ontegenzeggelijke voordelen voor beide partners;

14. beveelt de Commissie met klem aan om de zogenoemde "tussentijdse economische partnerschapsovereenkomsten", de "Alles-behalve-wapens"-overeenkomst (EBA) – en de overeenkomst inzake de minst ontwikkelde landen (MOL’s) nader te bezien om na te gaan of, en zo ja, hoe, vanuit Afrika opererende Chinese bedrijven geen marktverstorend, buitenproportioneel of oneigenlijk gebruik maken van de voordelige toegang tot de EU-markt die deze overeenkomsten bieden;

15. erkent dat de toekomstige economische ontwikkeling van Afrika voor de Europese Unie terecht een punt van hoge prioriteit is; erkent dat “handel en regionale integratie” een van de vier beleidsprioriteiten is, die in de gezamenlijke strategie van de EU en Afrika zijn bepaald;

16. wijst erop dat diversificatie van handel in het algemeen van cruciaal belang is voor Afrika bij het tot stand brengen van betrouwbare economische groei in alle Afrikaanse staten; onderstreept dat de Chinese export van producten naar Afrika de ontwikkeling van Afrikaanse industrieën niet zou moeten belemmeren noch de concurrentiepositie van die industrieën teniet zou mogen doen;

17. verzoekt de Commissie en de lidstaten dringend op korte termijn met de Afrikaanse staten een strategie voor exploitatie van hun grondstoffen te ontwikkelen, omdat het op de lange termijn in hun eigen belang is de winning van de grondstoffen zelf in handen te hebben en de grondstoffen en verder verwerkte producten zelf op de wereldmarkten te brengen;

18. roept de Commissie op te evalueren in hoeverre binnen de WTO effectief kan worden onderhandeld over kwalitatieve kenmerken van internationale handelsrelaties, vooral met betrekking tot de mogelijkheid om onderscheid te maken tussen ‘soortgelijke producten’ door het meten en kwalificeren van de ecologische voetafdruk van de procedés en productiemethoden (PPM), en hoe het toezicht op het handelsbeleid van de WTO met behulp van multilaterale milieuovereenkomsten kan worden versterkt;

19. beveelt de Commissie en de lidstaten aan met China afspraken te maken om in Afrika gemeenschappelijke normen vast te stellen ten aanzien van tewerkstelling en scholing van lokale arbeidskrachten volgens internationaal erkende arbeidsnormen; pleit voor samenwerking met lokale contractanten en leveranciers en overdracht van technische kennis; beveelt aan het milieu te respecteren en te beschermen door afval en gebruikte materialen te recyclen en door energie-efficiencymaatregelen te nemen;

20. beschouwt samenwerking en technische hulp op het gebied van het winnen en op de markt brengen van grondstoffen als het belangrijkste element in de Europese hulp voor Afrika; verzoekt daarom om vooral in het kader van de ontwikkelingssamenwerking meer programma‘s voor scholing en nascholing op dit gebied aan te bieden;

21. beveelt de Commissie aan in de lopende onderhandelingen met China vast te blijven houden aan een nieuw handelshoofdstuk in de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO), aan bindende uitspraken ten aanzien van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO, aan de sociale en ecologische verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, aan maatregelen tegen ‘sociale en ecologische dumping’, aan de IAO-aanbevelingen voor behoorlijke arbeid, en aan inachtneming van de vereisten die uit internationale mensenrechtenverdragen voortvloeien;

22. beveelt aan ervoor te zorgen dat Europese contractanten bij projecten gebruikmaken van de plaatselijke mankracht en de plaatselijke particuliere sector en duurzaamheid garanderen voor de gehele duur van een project; benadrukt het belang van een versterkte en gediversifieerde private sector met het oog op een duurzame ontwikkeling en het terugdringen van armoede op het Afrikaanse continent;

23. acht het opzetten van regionale economische kaders en een intensievere regionale samenwerking tussen Afrikaanse staten van het grootste belang voor de duurzame economische ontwikkeling van Afrika; wijst erop dat de Chinese betrokkenheid bij Afrika zou moeten leiden tot een grotere steun voor regionale handelssamenwerking tussen Afrikaanse staten;

24. beveelt aan dat de Commissie meer in het algemeen op hoog niveau een uitwisseling van standpunten initieert met haar Chinese tegenhangers over het ontwikkelingsbeleid van China respectievelijk de EU en over mogelijkheden om de wederzijdse samenwerking te verbeteren;

25. begrijpt dat voor de snelle verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen een duurzame ontwikkeling in de Afrikaanse landen nodig is waarbij meer inkomsten op lokaal niveau worden gegenereerd; dit vereist onder meer diversificering van de economie die niet meer alleen afhankelijk mag blijven van de grondstoffenuitvoer, en versterking van de regionale integratie;

26. onderkent dat de Europese economische investeringen in Afrika concurrentienadelen ondervinden van openlijke of verborgen subsidiëring van Chinese projecten en aanbiedingen van de Chinese regering (of bedrijven die volledig in handen van de staat zijn); vanwege hogere kosten door sociale en economische normen die de Chinese concurrenten niet hanteren; vanwege Chinese ‘gebonden hulp’ waardoor Europese bedrijven niet kunnen deelnemen aan projecten die met Chinese hulp gefinancierd zijn; vanwege de beperkte toegang voor Europese bedrijven tot financieringsinstrumenten en risicodekkende instrumenten voor investeringen;

27. juicht toe dat China lid is van de CITES (Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten); adviseert China de CITES bij de handel met Afrika volledig te respecteren, omdat het moet garanderen dat wilde dieren en planten door de internationale handel niet in hun voortbestaan worden bedreigd ; verwelkomt in dit verband de ondertekening, in juni 2007, van het negenjarig moratorium op de handel in ivoor;

28. verzoekt de Commissie besprekingen met China te beginnen over concrete ondersteuning van het "Initiatief voor transparantie in de winningindustrie", dat in het kader van de G-8 door China al is goedgekeurd;

29. staat kritisch tegenover Chinese "gebonden hulp", zachte leningen en de systematische subsidiëring van de bouwbedrijven die staatseigendom zijn in de internationale mededinging; omgekeerd beschermt China zijn binnenlandse markt door een discriminerend kwalificatiesysteem dat volgens een onderzoek in opdracht van het DG-handel het aandeel van buitenlandse contractanten heeft teruggebracht van 6% voor de toetreding van China tot de WTO tot minder dan 1% nu;

30. herinnert eraan dat China in 2007 de China Investment Corporation Ltd. met activa ter waarde van 200 000 000 000 USD heeft opgericht, dat hiermee momenteel het op 5 na grootste sovereign wealth fund (staatsfonds) ter wereld is;

31. herinnert eraan dat Chinese staatsbedrijven bij investeringen in Afrika natuurlijk grotere risico’s kunnen nemen dan Europese investeerders; merkt op dat het Chinese energiebedrijf CNOOC Ldt heeft aangekondigd voor 2 270 000 000 USD een aandeel van 45% in een offshore-olieveld in Nigeria te zullen kopen;

32. erkent dat de ontwikkeling van binnenlandse markten en van regionale integratie door het strategisch partnerschap tussen Afrika en de EU als strategische prioriteit is aangewezen; deze strategie zal worden ondersteund door middel van een partnerschap tussen Afrika en de EU op het gebied van handel en regionale integratie; in dit verband stelt het eerste actieplan (2008-2010) de uitvoering van het ‘partnerschap tussen de EU en Afrika op het gebied van infrastructuur’ als prioriteit voor ondersteuning van investeringen in een duurzame infrastructuur in alle relevante sectoren;

33. erkent dat er een sterke reductie heeft plaatsgevonden in het aandeel van de hulp die in de jaren negentig door Afrikaanse regeringen en ontwikkelingshulporganisaties aan infrastructuur is toegewezen; erkent ook dat de hulp van de lidstaten voor economische infrastructuur en diensten de laatste tien jaar minder is geworden, vooral op het gebied van vervoer en gedeeltelijk ook op het gebied van energie;

34. beveelt de Commissie aan op het gebied van infrastructuur sneller werkende procedures voor EU-ontwikkelingshulp in te stellen; dit zou voor evenwicht kunnen zorgen in de concurrentie met Chinese bedrijven die kunnen profiteren van de zeer snelle Chinese procedures voor staatssteun of door de staat gegarandeerde leningen;

35. beveelt de Commissie en de lidstaten aan om prioriteit te verlenen aan met EU-geld ondersteunde infrastructuurprojecten naar gelang de invloed die deze zouden kunnen hebben op regionale integratie en ontwikkelingsmogelijkheden voor het gehele continent (‘Trans-Afrikaanse netwerken’); beveelt aan dat bedrijven sociale, financiële en milieunormen binnen de acquis communautaire van de EU zouden moeten respecteren, om voor gelden van de Commissie in aanmerking te kunnen komen;

36. beveelt de Commissie aan een Task Force-Afrika in te stellen om meer samenhang te brengen in de aanpak van problemen op het gebied van strategie, beleid, handel en infrastructuur en daarmee samenhangende thema’s; een dergelijke Task Force zou ook een bijdrage kunnen leveren bij het creëren van een gelijke concurrentiepositie ten aanzien van concurrenten uit andere regio’s; tot de belangrijkste aandachtsgebieden zouden moeten behoren: exportfinanciering, exportkredietverzekering, openbare aanbesteding, en transparantieregels en –procedures;

37. onderkent dat ICT in het algemeen een zeer positieve invloed heeft op groei, concurrentiepositie en het creëren van banen; beveelt de Commissie aan bestaande Afrikaanse en Europese programma’s op een lijn te brengen, meer gericht op het ontwikkelen van ICT-capaciteit voor het midden- en kleinbedrijf door middel van publiek-private partnerschappen die moeten zorgen voor de ontwikkeling van instellingen en beleid om investeringen, innovatie en technologieoverdracht te vergemakkelijken;

38. erkent dat toegang tot duurzame energiebronnen voor beide continenten zeer belangrijk is; het partnerschap tussen de EU en Afrika zou ook voorzieningszekerheid, overdracht van technologie in de sector hernieuwbare energie, duurzame winning van grondstoffen en transparantie van energiemarkten moeten behelzen;

39. steunt het klimaatinitiatief van de EU en Afrika dat Afrikaanse landen helpt met de schadelijke effecten van klimaatverandering op hun milieu en economie tegen te gaan; steunt een internationale klimaatregeling voor de periode na 2012 die het mechanisme van schone ontwikkeling verbetert en dat zorgt voor een sectorgebonden aanpak van de broeikasgasreductie in de industrie;

40. beveelt de Commissie aan de dekking voor investeringsrisico’s door Europese financiële instellingen te verbeteren ter vermindering van investeringsrisico’s voor de particuliere sector op strategisch belangrijke gebieden zoals grondstoffen en belangrijke infrastructuursectoren (ook op het gebied van high tech) die een positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling in Afrikaanse landen; meent dat dit zeker zou leiden tot een grotere gelijkheid in de concurrentiepositie ten opzichte van de Chinese bedrijven die minder risico lopen omdat ze in handen zijn van de staat of door de staat worden gesteund;

41.beveelt de Commissie, de Europese Ontwikkelingsbank en de Europese bilaterale ontwikkelingsorganisaties aan om gezamenlijk meer financiële middelen die aan ontwikkeling van infrastructuur in Afrika zijn toegewezen, in speciale fondsen te stoppen; bepleit dat bij aanbestedingen eerder wordt gelet op kwaliteit, duurzaamheid en de kosten voor de gehele duur van het project dan op de ‘laagst geraamde kosten’ voor de constructiefase; dergelijke langetermijncontracten zouden er borg voor kunnen staan dat het geld van de Europese belastingbetaler daadwerkelijk op lange termijn ten goede komt aan de lokale bevolking en ook de technologieoverdracht naar de lokale constructie-industrie kunnen faciliteren en de lokale werkgelegenheid kunnen doen groeien;

42. staat sceptisch tegenover de overgang die zichtbaar wordt van projecthulp naar budgetondersteuning en van internationale aanbestedingsregels met standaard biedingsdocumenten naar landelijke aanbestedingsprocedures uitgevoerd door Europese en internationale financiële instellingen; beveelt de Commissie aan haar strategie opnieuw te evalueren en vóór de volgende EU-Afrika-Top het Europees Parlement verslag uit te brengen.

RESULTAAT VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.2.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

3

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Kader Arif, Daniel Caspary, Françoise Castex, Christofer Fjellner, Glyn Ford, Jacky Hénin, Syed Kamall, Marusya Ivanova Lyubcheva, Erika Mann, Helmuth Markov, Cristiana Muscardini, Vural Öger, Georgios Papastamkos, Tokia Saïfi, Iuliu Winkler, Corien Wortmann-Kool

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Jean-Pierre Audy, Danutė Budreikaitė, Albert Deß, Elisa Ferreira, Carl Schlyter, Zbigniew Zaleski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Luigi Cocilovo

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.2.2008

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

29

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alessandro Battilocchio, Thijs Berman, Josep Borrell Fontelles, Danutė Budreikaitė, Marie-Arlette Carlotti, Thierry Cornillet, Corina Creţu, Nirj Deva, Koenraad Dillen, Beniamino Donnici, Fernando Fernández Martín, Hélène Goudin, Alain Hutchinson, Filip Kaczmarek, Glenys Kinnock, Maria Martens, Luisa Morgantini, Horst Posdorf, Frithjof Schmidt, Jürgen Schröder, Feleknas Uca, Johan Van Hecke, Luis Yañez-Barnuevo García, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Ana Maria Gomes, Fiona Hall, Manolis Mavrommatis, Linda McAvan, Ralf Walter, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Laatst bijgewerkt op: 10 april 2008Juridische mededeling