over de begroting 2009: eerste overwegingen over het Voorontwerp van begroting en het mandaat voor de bemiddelingsprocedure, Afdeling III – Commissie (C6-0 – 2008/2025(BUD))
Het Europees Parlement,
– gezien het Voorontwerp van begroting voor het begrotingsjaar 2009, dat de Commissie op 6 mei 2008 heeft goedgekeurd,
– gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1),
– gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 april 2008 over de jaarlijkse beleidsstrategie van de Commissie voor 2009(2), het begrotingskader en de prioriteiten voor 2009(3),
– gelet op artikel 69 en Bijlage IV van het Reglement,
– gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, van de Commissie industrie, onderzoek en energie, van de Commissie vervoer en toerisme, van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0262/2008),
A. overwegende dat als het Verdrag van Lissabon in 2009 geratificeerd is, het Europees Parlement op wetgevings- en begrotingsgebied op voet van gelijkheid zal staan met de Raad; en de Europese Unie nieuwe bevoegdheden krijgt, wat belangrijke gevolgen zal hebben voor de EU-begroting,
B. overwegende dat de jaarlijkse begrotingsprocedure als geheel fundamentele wijzigingen zal moeten ondergaan als gevolg van de bepalingen in het nieuwe verdrag en het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven en het (maximum)stijgingspercentage voor niet-verplichte uitgaven zal komen te vervallen,
C. overwegende dat de drie instellingen op 16 april 2008 in een verklaring overeen zijn gekomen zo spoedig mogelijk overleg te gaan plegen over de nodige regelingen voor begrotingskwesties die verband houden met het Verdrag van Lissabon, en voorts overwegende dat in 2009 een vernieuwd Europees Parlement zal aantreden en een nieuwe Europese Commissie die volledig moeten zijn voorbereid op de veranderingen als gevolg van het nieuwe Verdrag, mits dit wordt geratificeerd,
Voorontwerp van begroting 2009
1. neemt er kennis van dat het voorontwerp van begroting (VOB) voor 2009, 134 394,9 miljoen EURO beloopt aan vastleggingskredieten en 116 736,4 aan betalingskredieten, waardoor een speelruimte resteert van 2 638,1 miljoen EURO tot het maximum van de vastleggingskredieten en van 7 443,6 miljoen EURO tot dat van de betalingskredieten, waarbij de verplichte uitgaven 33% van de vastleggingskredieten en 38% van de betalingskredieten uitmaken;
2. wijst erop dat de vastleggingskredieten in het VOB 2009 overeenkomen met 1,04% van het BNI wat een totale stijging is van 3,1% in vergelijking met de begroting 2008, waarbij de verplichte uitgaven met 4,7% zijn gestegen als gevolg van de geleidelijke invoering van de rechtstreekse hulp aan de nieuwe lidstaten, en de niet-verplichte uitgaven met 2,4%;
3. neemt er met belangstelling kennis van dat de betalingskredieten in het VOB 2009 overeenkomen met 0,90% of het BNI, een afname met 3,3% in vergelijking met de begroting 2008, waarbij betalingskredieten voor verplichte uitgaven zijn gestegen met 4,8%, in overeenstemming met de ontwikkeling bij de vastleggingskredieten, terwijl die voor niet-verplichte uitgaven met 7,6% zijn gedaald; .
4. neemt kennis van de prioriteiten van het VOB die door de Commissie uiteen zijn gezet:
- ondersteuning van duurzame groei en bevordering van een economisch klimaat waarin ruimschoots nieuwe werkgelegenheid kan ontstaan; ondersteuning van innovatie,
- voortzetting van het cohesiebeleid om de ongelijkheden tussen de regio's in de Unie te verminderen,
- bestrijding van klimaatverandering en bevorderen van onderzoek naar schone en zuinige energie; ontwikkeling van een Europees energiebeleid dat wordt gekenmerkt door onafhankelijkheid en gewaarborgde aanvoer,
- ontwikkeling van een gemeenschappelijk integratiebeleid en invoering van een gemeenschappelijke ruimte van rechtvaardigheid,
- ondersteuning van het vredesproces in het Midden-Oosten en de stabiliteit in Kosovo en de Balkan als geheel,
- het geven van voedselhulp en versterking van het milieuelement bij de ontwikkelingssamenwerking;
Algemene overwegingen
5. spreekt de overtuiging uit dat de Europese Unie moet kunnen beschikken over een middelenniveau dat haar in staat stelt haar huidige beleid en optreden onbeperkt ten uitvoer te leggen en tegelijkertijd genoeg souplesse biedt om aan nieuwe beleidseisen te kunnen voldoen;
6. stelt vast dat de totale speelruimte van 2 638 miljoen euro in het VOB voor het grootste deel, namelijk een bedrag van 2 027 miljoen euro afkomstig is uit de speelruimte uit hoofde van marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen (eerste pijler van het GLB) onder rubriek 2; betreurt het dat het meerjarig financieel kader (MFK) 2007-2013 en het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) van 17 mei 2006 slechts toestaan dat die speelruimte van rubriek 2 (eerste pijler van het GLB) in zeer beperkte omstandigheden wordt gebruikt en dat de Unie derhalve niet in staat is flexibel te reageren op nieuwe politieke behoeften; beklemtoont dat die belangrijke speelruimte gebruikt zou moeten kunnen worden om te voldoen aan nieuwe prioritaire doelstellingen van de Unie zoals dat na het akkoord met de Raad en het Europees Parlement in november 2007 het geval is geweest voor het Galileo-project; wijst erop dat de werkelijke uitgaven onder rubriek 2 (eerste pijler van het GLB) sinds 2007 structureel minder hoog zijn dan de maxima die in het MFK worden vastgesteld;
7. wijst erop dat als gevolg van de zeer kleine marges tot de andere maxima van het MFK het vermogen van de Unie om in budgettaire termen te reageren op beleidswijzigingen bijzonder beperkt is; benadrukt tegelijkertijd de mogelijkheid om de bepalingen van het IIA toe te passen om financiële tekorten uit de weg te ruimen;
8. acht het zijn verantwoordelijkheid als begrotingsautoriteit ervoor te zorgen dat de middelen in de EU-begroting zo optimaal mogelijk worden besteed; is voornemens te streven naar een ambitieuzere, evenwichtige en samenhangende begroting in samenwerking met en met inachtneming van de verzoeken van de gespecialiseerde commissies;
9. kan niet altijd een duidelijke samenhang ontdekken tussen de beleidsprioriteiten van de Commissie, zoals omschreven in haar jaarlijkse beleidsstrategie (JBS) en het VOB en de verhogingen op de overeenkomstige begrotingslijnen en beleidsterreinen; is nog niet overtuigd van de inspanningen van de Commissie om de prioriteiten van het Parlement in het VOB op te nemen, is er bijvoorbeeld niet van overtuigd dat de prioriteit van de klimaatverandering werkelijk door de hele begroting heen tot zijn recht komt, zoals door de Commissie voorgesteld; wenst meer informatie te ontvangen over de gebruikte methodiek om tot de conclusie te komen dat meer dan 10%, of 14 miljard euro, van de EU-begroting wordt besteed aan milieudoelstellingen; verzoekt om een alomvattende presentatie van alle aan klimaatverandering gerelateerde uitgaven in de begroting, met inbegrip van de structuurfondsen, om in staat te zijn de samenhang tussen politieke en begrotingsprioriteiten te waarderen;
10. spreekt zijn belangstelling uit voor nauwe samenwerking met de Raad en de Commissie om spoedig een afdoende overeenstemming te bereiken over het pakket maatregelen inzake energie en klimaatverandering; neemt er kennis van dat de EU door moet gaan te laten zien dat economische groei en ontwikkeling verenigbaar zijn met een koolstofarme economie;
11. geeft uiting aan zijn grote bezorgdheid dat de tijd gekomen is waarin de beschikbare marges steeds vaker een gevolg zijn van "creatieve budgettering" zoals "backloading" van bestaande meerjarenprogramma's, onder uitsluiting van budgettaire verplichtingen die al bekend en te voorzien waren en andere soortgelijke manoeuvres; is van opvatting dat dergelijke praktijken een inbreuk vormen op het beginsel van gezonde budgettering en verlangt andermaal een VOB dat een getrouwe weerspiegeling is van de begrotingsbehoeften van het volgend jaar; verzoekt de Commissie en de Raad samen te werken met het oog op het nemen van de noodzakelijke besluiten om een bevredigend niveau van kredieten voor de begroting voor 2009 te bereiken;
12. beklemtoont het belang van helderheid, consistentie en transparantie bij de presentatie van de EU-begroting, wat mede een absolute noodzaak is om de Europese burger te kunnen duidelijk maken hoe het EU-geld wordt besteed; acht het zorgelijk dat het steeds ingewikkelder wordt differentiatie aan te brengen tussen beleidsuitgaven en administratieve uitgaven van de Commissie en dat een aanzienlijk bedrag aan uitgaven van administratieve aard, dat logischerwijze onder rubriek 5 zou moeten worden ondergebracht, feitelijk wordt gefinancierd uit beleidstoewijzingen;
13. betreurt het feit dat er momenteel geen heldere indicatie is van de exacte wijzigingen die in het onlangs aangeboden financiële programmadocument zijn aangebracht ten opzichte van het eerdere document, en evenmin of, of hoe verhogingen in een bepaald jaar worden gecompenseerd en hoe "backloading" en "frontloading" worden toegepast; is van mening dat dit niet in overeenstemming is met de bepalingen van punt 46 van het IIA en dringt er bij de Commissie op aan haar verplichtingen in dit opzicht na te komen;
14. beklemtoont dat het van groot belang is de gevolgen van "frontloading" en "backloading" op de meerjarenprogramma's door de gehele begroting heen, na te gaan om een coherent programma van toezeggingen te waarborgen voor de duur van het MFK, waarbij de prioriteiten van het Parlement zoals die zijn vastgelegd in het IIA worden nagekomen;
15. is verbaasd over het extreem lage niveau van de betalingskredieten, namelijk 116 736 miljard euro, dat door de Commissie in haar VOB wordt voorgesteld; herinnert eraan dat de vastleggingskredieten waarover in de begrotingen voor 2007 en 2008 is gestemd respectievelijk 126,5 en 129,1 miljard euro bedroegen;
16. verzoekt de Commissie de screening waarmee in 2007 is begonnen, voort te zetten en met duidelijke informatie te komen over het personeelsbeleid, toepassing van de herschikkingsstrategie en de mate van uitbesteding van taken voor 2009; vraagt om een vervolgverslag voor 30 april 2009 met inbegrip van de conclusies die de Commissie zal trekken met betrekking tot haar interne organisatie; neemt kennis van het vervolgverslag 2008 van de Commissie getiteld "Planning en optimalisering van het personeelsbeleid om aan te sluiten bij de prioriteiten van de EU" waarin de Commissie haar toezegging bevestigt tot 2013 niet meer om nieuwe posten te zullen vragen, afgezien van de laatste serie in 2009 die gerelateerd is aan de uitbreiding;
Subrubriek 1a
17. merkt op dat de vastleggingskredieten in het VOB voor Groei en werkgelegenheid door mededinging 11 690 miljoen euro bedragen, waardoor een speelruimte van 82 miljoen euro resteert; dit betekent een stijging van 5,5% ten opzichte van 2008; wijst erop dat ook de betalingskredieten met 5,3% stijgen tot een totaal van 10 285,2 miljoen euro;
18. is ingenomen met het voornemen van de Commissie om ingrijpende maatregelen te nemen voor het scheppen van banen en ondersteuning van innovatie, kleine en middelgrote ondernemingen (KMO) en onderzoek; beklemtoont dat de bestaande initiatieven op dit terrein zoals het kaderprogramma voor mededinging en innovatie (CIP) en andere initiatieven die betrekking hebben op KMO's naar behoren ten uitvoer moeten worden gelegd en begeleid;
19. wijst op het belang van de inzet van de nodige begrotingsmiddelen voor alle maatregelen die gericht zijn op de bevordering en invoering van scholingsprogramma's op het gebied van de media en de nieuwe technologieën;
20. betreurt het dat in subrubriek 1a een beperkte speelruimte beschikbaar is, wat er op zou kunnen wijzen dat het onmogelijk wordt nieuwe beleidslijnen te financieren via herschikking, zonder belangrijke bestaande programma's ernstig te benadelen en beveelt dan ook aanvullende financiering aan indien nieuwe prioriteiten moeten worden vastgesteld;
21. is van mening dat gezien de beperkte speelruimte die beschikbaar is in rubriek 1a, een behoorlijke tenuitvoerlegging en evaluatie van lopende proefprojecten en voorbereidende acties prioriteit moet krijgen, maar dat het opstarten van nieuwe proefprojecten en voorbereidende acties natuurlijk mogelijk moet blijven;
22. is van mening dat het geplande besluit over kleine ondernemingen ("Small Business Act") een belangrijke functie heeft ter ondersteuning van KMO's; wacht met spanning op uitgewerkte voorstellen voor de financiering van dit nieuwe strategische instrument, dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan voor dit doel ook meer gebruik te maken van de middelen die in dit verband middels de structuurfondsen beschikbaar zijn; neemt er kennis van dat, aangezien het MKB bijzonder hard wordt getroffen door betalingsachterstanden, de Europese Unie betalingsachterstanden moet voorkomen door te voorzien in een efficiënt en transparant controlestelsel om te waarborgen dat betalingen binnen een gespecificeerde termijn worden uitgevoerd;
Subrubriek 1b
23. wijst erop dat de vastleggingskredieten in het VOB voor cohesie, groei en werkgelegenheid met 2,5% stijgen tot een bedrag van 48 413,9 miljoen euro, waardoor een speelruimte resteert van slechts 14 miljoen euro in de afdeling technische bijstand; neemt er kennis van de totale stijging van 2,5% wordt veroorzaakt door de aanmerkelijke stijging bij het Cohesiefonds (+14% ten opzichte van 2008), terwijl de vastleggingskredieten voor de structuurfondsen op hetzelfde peil blijven;
24. betreurt de scherpe daling bij de betalingskredieten die, ten opzichte van 2008, met 13,9% afnemen tot 34 914,1 miljoen euro; is met name niet overtuigd dat er goede redenen zijn voor het naar beneden bijstellen van de prognoses van het betalingsniveau, te weten -30% voor EFRO-convergentie, -13% voor EFRO regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, - 85% voor EFRO territoriale samenwerking en -50% voor de nieuwe programma's 2007 - 2013 van het Cohesiefonds;
25. is van plan ervoor te zorgen dat de nodige middelen voor de diverse elementen van het cohesiebeleid gewaarborgd blijven zodat rekening kan worden gehouden met de huidige en komende problemen die de solidariteit binnen de Europese Unie op de proef zullen stellen;
Rubriek 2
26. neemt er kennis van dat de vastleggingskredieten in het VOB voor behoud en beheer van natuurlijke rijkdommen zijn vastgesteld op 57 525,7 miljoen euro, wat een stijging van 3,5% betekent ten opzichte van 2008, waardoor een speelruimte van 2 113,3 miljoen euro overblijft; de betalingskredieten stijgen met 3,0% tot 54 834,9 miljoen euro; het gedeelte van rubriek 2 dat gereserveerd is voor marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse bijstand bedraagt 42 860,3 miljoen euro aan vastleggingskredieten en 42 814,2 miljoen euro aan betalingskredieten;
27. onderstreept dat slechts 0,5% van de vastleggingskredieten onder rubriek 2, niettegenstaande de milieumaatregelen onder plattelandsontwikkelingsprogramma's en de milieunormen die het systeem van milieuvoorwaarden voor directe betalingen onderbouwen, besteed wordt aan milieuprioriteiten terwijl de grote meerderheid van de middelen is toegewezen aan rechtstreekse bijstand en marktgerelateerde uitgaven;
28. is ingenomen met de toename van 20,9 miljoen euro voor LIFE+, maar vindt het spijtig dat slechts een deel van deze stijging ten goede komt aan intensiever optreden op het gebied van klimaatverandering; is van mening dat de horizontale begrotingsprioriteit voor de bestrijding van de klimaatverandering in deze cijfers onvoldoende tot zijn recht komt;
29. wijst erop dat het belangrijkste doel van het GLB het garanderen is van marktstabiliteit, aanvoerveiligheid en redelijke prijzen voor de consument en doet dan ook een beroep op de EU om op de begroting 2009 de nodige middelen vrij te maken om te kunnen voorzien in de nieuwe behoeften die voortvloeien uit de bestaande voedselcrisis en met name voor een betere toegang tot voedsel voor de armsten, die het meest onder de crisis te lijden hebben;
30. is ingenomen met de overal dalende tendens bij uitvoerrestitutie voor landbouwproducten als gevolg van gunstige marktomstandigheden en met de besparingen die hiervan het gevolg zijn;
31. neemt er kennis van dat de vastleggingskredieten in het VOB voor plattelandsontwikkeling praktisch stabiel blijven met 13 401 miljoen euro (met inbegrip van modulatie) aan vastleggingskredieten en 10 926 miljoen euro aan betalingskredieten, een daling van 4% ten opzichte van 2008;
32. beschouwt deze cijfers als indicaties in het kader van de gezondheidscheck van het GLB, die door de Commissie op 20 mei 2008 wordt aangeboden;
33. wijst op de grote verschillen bij de tenuitvoerlegging van het ELFPO; betreurt het dat in 2007 voor 2 830 miljoen euro geen bestemming kon worden gevondenen, dat 1 361 miljoen euro overgedragen werd naar 2008 en 1 469 miljoen werd hergeprogrammeerd voor de jaren 2008 - 2013 in het kader van punt 48 van het IIA; geeft uiting aan zijn zorg over de herprogrammering van dergelijke aanzienlijke bedragen, wat zal leiden tot een aanzienlijke vertraging bij de beschikbaarstelling van middelen voor de plattelandsgebieden;
Subrubriek 3a
34. neemt er kennis van dat de vastleggingskredieten in het VOB voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid met 15% toenemen tot 839,1 miljoen euro, waardoor een speelruimte ontstaat van 32,9 miljoen euro; de betalingskredieten stijgen met 11,7% tot 596,7 miljoen euro;
35. wijst erop dat deze opvallende toename ten opzichte van 2008 grotendeels wordt veroorzaak door een aanzienlijke verhoging bij de hoofdstukken "solidariteit - externe grenzen, visumbeleid en vrij verkeer van personen" (+ 44,4 miljoen euro of + 15,6%) - "migratiestromen -. gemeenschappelijk immigratie- en asielbeleid" (+ 43,4 miljoen euro of + 18,9%) en "veiligheid en behoud van de vrijheden" (+ 20,8 miljoen euro of + 27,1);
36. neemt kennis van de stijging met 36,3% bij de vastleggingskredieten voor het specifieke programma "misdaadpreventie en -bestrijding" en zal een onderzoek instellen naar de redenen daarvoor;
37. is bezorgd over de magere financiering van de activiteiten voor "Grondrechten en rechtvaardigheid" die slechts met 0,2% stijgt bij de vastleggingskredieten en feitelijk met 10% is afgenomen bij de betalingskredieten, ten opzichte van de begroting 2008;
38. 33. wijst op het feit dat in het VOB een stijging wordt gehandhaafd van de kredieten die in 2008 werden goedgekeurd voor het Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen (FRONTEX), maar neemt met enige zorg kennis van een herschikking van de subsidie door overbrenging van 5,7 miljoen euro van beleidsuitgaven naar administratieve uitgaven; dringt aan op een verhoging van de kredieten voor 2009 voor FRONTEX om het in staat te stellen zijn toezegging tot permanente en ononderbroken missies na te komen, met name aan de zuidgrenzen van de Unie (Hera, Nautilus en Poseidon);
39. beklemtoont dat in een Europees pact over migratiebeleid kwesties moeten worden opgenomen als bestrijding van illegale immigratie, beheer van legale immigratie, integratie van onderdanen van derde landen en versterking van de grensbeveiliging; waarbij het solidariteitsbeginsel en de hoogste bescherming van de grondrechten een belangrijke rol moeten spelen;
Subrubriek 3b
40. neemt kennis van het feit dat in het VOB vastleggingskredieten zijn opgenomen voor Burgerschap voor in totaal 628,7 miljoen euro, een stijging van 1,0%, indien de kredieten van 2008 worden beschouwd zonder de kredieten voor het solidariteitsfonds en de overgangsfaciliteit voor Bulgarije en Roemenië; de resterende speelruimte bedraagt 22 miljoen euro; de betalingskredieten stijgen met 0,7% tot 669 miljoen euro;
41. betreurt het dat de geringe marge van 22 miljoen euro die in deze subrubriek resteert, zeer weinig manoeuvreerruimte overlaat voor proefprojecten en voorbereidende acties;
42. vraagt aandacht voor de noodzaak om de efficiëntie en de coördinatie van interventies door de EU inzake civiele bescherming te verbeteren, onder andere door de ontwikkeling van gemeenschappelijke methodieken voor civiele bescherming door de lidstaten, de ontwikkeling van systemen voor vroegtijdige waarschuwing en preventie en de verbetering bij het bieden van bijstand in het kader van civiele bescherming, om beter voorbereid te zijn om de Europese burger te beschermen;
43. betreurt het feit dat de door de Commissie voorgestelde verhoging onder deze rubriek voor belangrijk beleid met rechtstreekse gevolgen voor het dagelijks leven van de Europese burgers, aanmerkelijk lager is dan de gemiddelde stijging voor vastleggingskredieten van 3,1%; vindt het met name jammer dat speciaal de activiteiten die van belang zijn voor het Europa van de burger de geringste stijging te zien geven, of zelfs met een daling te maken krijgen, ten opzichte van 2008;
44. geeft uiting aan zijn zorgen over de door de Commissie voorgestelde dalingen bij een aantal begrotingslijnen waaronder activiteiten worden gefinancierd voor communicatie, met name in de context van taken en uitdagingen waarvoor Europa zich in 2009 op dit gebied gesteld zal zien, zoals de Europese verkiezingen en de mogelijke inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon;
45. is van mening dat het de kerntaak van het communicatie- en het voorlichtingsbeleid is de Europese burger voor te lichten over activiteiten en programma's die de EU heeft uitgevoerd en over de verbeteringen die in de afgelopen jaren zijn verwezenlijkt;
46. herinnert eraan dat alle instellingen het recht hebben een communicatiebeleid te voeren als onderdeel van hun institutionele autonomie, die is vastgelegd in artikel 49 van het Financieel Reglement, binnen de grenzen van een gemeenschappelijk kader en met een bepaalde mate van harmonisatie in de presentatie waardoor een herkenbaar "EU-handelsmerk" kan worden ontwikkeld, dat in alle communicatieactiviteiten moet worden toegepast;
47. erkent dat er behoefte bestaat aan coördinatie van de diverse vormen van het communicatiebeleid dat door de instellingen wordt gevoerd binnen de interinstitutionele groep voor informatie en communicatie; wijst erop dat communicatie lange tijd een hoge prioriteit heeft gehad voor het Parlement; is van mening dat het van vitaal belang is dat het Parlement een sleutelrol speelt in dit proces en continuïteit en efficiency van het beleid waarborgt, vooral met het oog op de komende Europese verkiezingen; wijst er in dit verband op dat aan de burger verstrekte informatie met betrekking tot hun uit de toepassing van EU-recht voortkomende rechten moet worden verbeterd;
Rubriek 4
48. neemt er kennis van dat de vastleggingskredieten voor de EU als speler op het wereldtoneel stijgen met 1,8% tot 7 440,4 miljoen euro, met een beschikbare speelruimte van 243,6 miljoen euro; de betalingskredieten nemen af met 6,6% tot 7 579,5 miljoen euro;
49. wijst erop dat deze stijging van 1,8% onder het gemiddelde blijft van de totale stijging met 3,1% voor de algemene begroting van de EU; acht dit een zeer verontrustend teken gezien het feit dat rubriek 4 van oudsher één van de meest beproefde terreinen van de begroting van de Unie is;
50. is ernstig bezorgd over de onderfinanciering van rubriek 4 en spreekt een krachtige veroordeling uit van de vage begrotingsaanpak waarvoor de Commissie kiest en die volstrekt geen rekening houdt met de reële behoeften die op dit terrein kunnen worden verwacht; wijst erop dat de aangegeven speelruimte van 243,6 miljoen euro dan ook een vrij willekeurig cijfer is; is van mening dat dit probleem alleen kan worden aangepakt via een alomvattende herziening van het MFK die leidt tot verhogingen van het plafond van rubriek 4 voor het tijdvak 2009 - 2013;
51. wijst erop dat het Parlement, voorafgaand aan de aanbieding van het VOB, in zijn bovengenoemde resolutie van 24 april 2008, had gevraagd om een realistisch beeld van alle begrotingseisen, met name in rubriek 4 van het MFK; is van mening dat het VOB in deze rubriek geen recht doet aan het beginsel van gezond financieel beleid;
52. neemt er dan ook met bezorgdheid kennis van dat de Commissie al in dit vroege stadium van de begrotingsprocedure heeft verklaard dat de vastleggingskredieten voor Kosovo, het Midden-Oosten, voedselhulp en macrofinanciële hulp duidelijk niet voldoende zullen zijn om de verplichtingen van de EU in de wereld na te komen, nog afgezien van te verwachten extra behoeften; in het VOB wordt bijvoorbeeld 161 miljoen euro voorgesteld aan vastleggingskredieten en 100 miljoen euro aan betalingskredieten voor hulp aan Palestina en het vredesproces, terwijl de definitieve bedragen in de begroting voor 2008 respectievelijk 300 miljoen euro en 200 miljoen euro beliepen; wat Kosovo betreft dalen de kredieten voor de EULEX-missie in het kader van het GBVB met 15,7%; acht dit onaanvaardbaar en dringt aan op een nieuwe benadering van uitgaven voor Palestina en Kosovo; is van mening dat, met betrekking tot het besluit het oorspronkelijke aantal deskundigen dat voor de EUPOL-missie in Afghanistan werkt sterk uit te breiden, in dit stadium al financiële tekorten kunnen worden voorzien;
53. bevestigt andermaal zijn steun aan de tenuitvoerlegging van een intensiever en gedifferentieerd Europees Nabuurschapsbeleid; beklemtoont de noodzaak het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument (ENPI) uit te rusten met de adequate financiële middelen die recht doen aan de toezeggingen van de EU aan haar oostelijke en zuidelijke Europese buren; wijst op de bescheiden stijging van de voor 2009 beoogde kredieten en beklemtoont dat het jongste initiatief: het Barcelona- proces: Een Unie voor het Middellandse-Zeegebied, noch een barrière mag vormen voor de inspanningen een evenwicht te vinden tussen de kredieten voor de oostelijke en de zuidelijke Europese buurlanden, noch de budgettaire spanningen binnen het ENPI mag vergroten;
54. betreurt het feit dat voor de financiering van deze extra behoeften geen budgettaire oplossingen of zelfs maar indicaties voor oplossingen zijn gepresenteerd; vraagt andermaal met spoed om opheldering over de totale behoeften in rubriek 4, met inbegrip van het GBVB-hoofdstuk;
55. geeft wederom als zijn overtuiging te kennen dat de reserves voor het flexibiliteitsinstrument en de noodhulp (244 miljoen euro) geen andere bestemming mogen krijgen of onterecht mogen worden aangewend ter financiering van langetermijnbeleid en -activiteiten van de EU en is vastbesloten deze opvatting in de loop van de begrotingsprocedure te verdedigen;
56. is bezorgd over de zich verdiepende voedselcrisis en de gevolgen van de klimaatverandering en wijst erop dat de EU in staat moet zijn te voldoen aan haar beloften wat betreft de levering van voedselhulp en hulp bij rampen in ontwikkelingslanden; is er oprecht bezorgd over dat in het VOB 2009 aan voedselhulp slechts een stijging van 6,8 miljoen euro wordt toegekend ten opzichte van 2008 (+3%) terwijl eind april 2008 de Commissie al is verzocht om een overschrijving van 60 miljoen euro voor extra kosten voor voedselhulp in 2008 (een stijging van 26,88% aan vastleggingskredieten); dringt aan op extra middelen voor dit doel in 2009, als de begrotingssituatie hiervoor ook maar de minste ruimte biedt;
57. is ingenomen met de beoogde stijging van de kredieten voor de landen van de Westelijke Balkan voor de institutionele opbouw in het kader van het instrument voor pretoetreding (IPA) en vooral met het voornemen van de Commissie de voorziening voor extra beurzen en de financiering voor de maatschappelijke dialoog te verhogen; verzoekt de Commissie om steun voor de sociale agenda voor de Balkenlanden;
58. beklemtoont dat het nieuwe geld in het kader van "hulp voor handel" een aanvulling moet zijn op bestaande ontwikkelingshulp en dat nieuwe beloften in het kader van "hulp voor handel" niet mogen leiden tot een verschuiving van middelen die al zijn toegewezen aan andere ontwikkelingsinitiatieven; herhaalt het verzoek aan de Commissie informatie te verschaffen over de oorsprong van de toegezegde 1 000 miljoen euro;
59.is ingenomen met de initiatieven van de Commissie een wereldwijd verbond inzake klimaatverandering en een wereldwijd fonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in het leven te roepen, en beschouwt deze initiatieven als belangrijke stappen tot steunverlening aan ontwikkelingslanden bij de aanpassing aan en het temperen van de gevolgen van klimaatverandering; beklemtoont echter dat de tot dusverre toegewezen middelen ontoereikend zijn; dringt aan op een stijging van rechtstreekse financiering voor deze initiatieven in de begroting 2009, die een aanvulling vormt op de geplande ontwikkelingskredieten; beklemtoont voorts het belang van de versterking van deze initiatieven door het garanderen van extra langetermijnkredieten;
60. neemt er kennis van dat het Garantiefonds voor leningen in het VOB 2009 wordt opgenomen met een bedrag van 92,46 miljoen euro, terwijl in de oorspronkelijke financiële planning een bedrag van 200 miljoen euro als voorziening was aangemerkt; wijst erop dat een belangrijk deel van de in het VOB 2009 beschikbare speelruimte, dat wil zeggen 107,54 miljoen van 243,6 miljoen, dan ook kunstmatig is omdat die het resultaat is van deze manoeuvre; is er bezorgd over dat deze "besparingen" in de budgettering van het Garantiefonds in 2009 hoogstwaarschijnlijk in de komende jaren moeten worden gecompenseerd door hogere uitgaven, waardoor nog geringere marges in rubriek 4 resteren dan die nu geprogrammeerd zijn;
61. wijst erop dat, aangezien het institutionele kader met betrekking tot de Hoge Vertegenwoordiger, de Voorzitter van de Europese Raad en de Europese dienst voor extern optreden nog niet is vastgesteld, de noodzakelijke begrotingskredieten geleidelijk beschikbaar moeten worden gesteld naarmate de reikwijdte en de rol van de nieuwe organisatiestructuren helderder worden; onderstreept dat noch de institutionele veranderingen noch de nieuwe GBVB-bepalingen het huidige niveau van vastleggingskredieten in rubriek 4 verder mogen belasten;
62. benadrukt het politieke belang van proefprojecten en voorbereidende acties die door de begrotingsautoriteit in rubriek 4 worden vastgesteld; dringt aan op een tijdige en proactieve invoering daarvan door de Commissie met volledige besteding van de toegewezen vastleggingskredieten;
Rubriek 5
63. neemt er kennis van dat het totaal van de administratieve uitgaven met 5% stijgt ten opzichte van 2008 en nu in totaal 7 647,8 miljoen euro beloopt, tegen 7 281,5 miljoen euro voor 2008 en dat er slechts een geringe marge overblijft van 129,1 miljoen euro (overeenkomend met ongeveer 1,7% van het uitgavenvolume) tot het maximum van het financieel kader is bereikt;
64. is ingenomen met het feit dat de nieuwe posten waarom de Commissie vraagt alleen betrekking hebben op de al aangekondigde laatste groep van 250 posten voor "EU-2", maar neemt er kennis van dat de voorgestelde verhoging van de administratieve uitgaven nog altijd hoger is dan het gemiddelde voor de begroting als geheel; erkent dat dit wellicht voor een groot deel verband houdt met de geïndexeerde salaris- en pensioenkosten en tot op zekere hoogte met het bouwbeleid; wijst erop dat in het begrotingsjaar 2009 nadere wijzigingen noodzakelijk kunnen worden als het Verdrag van Lissabon in werking treedt; zal in dat verband de administratieve uitgaven in interinstitutioneel verband nauwlettend in het oog houden om de behoeften van de instellingen voor 2009 en later te onderzoeken;
65. is van mening dat, ondanks de betere informatie en de voorlopige conclusie van de Commissie dat de uitvoerende agentschappen de kwaliteit van de EU-programma's verhogen, diverse financiële en administratieve gevolgen voor rubriek 5 om nadere opheldering vragen; verbaast zich er bijvoorbeeld over dat het scheppen van het equivalent van 947 nieuwe posten in twee onderzoeksagentschappen (zoals vermeld wordt in de follow-up van de screening) in dezelfde periode leidt tot het vrijkomen van niet meer dan 117 posten in de Commissie-afdelingen;
66. is bezorgd over het feit dat de neiging van de Commissie tot outsourcing en de jongste wijzigingen in het Statuut van de ambtenaren, hebben geleid tot een situatie waarin een toenemend aantal medewerkers van de EU niet zichtbaar is in het organigram zoals dat is goedgekeurd door de begrotingsautoriteit en evenmin betaald worden onder rubriek 5 van het MFK; betreurt dit gebrek aan doorzichtigheid in hoge mate, dat ook betrekking heeft op de werkgelegenheid van nationale deskundigen; dringt aan op een openbaar en alomvattend debat tussen alle belanghebbenden over de toekomst van het Europees bestuur;
67. is ingenomen met de follow-up van het screeningverslag uit 2007 over het personeel dat onlangs werd ontvangen als reactie op de begrotingsamendementen die het Parlement heeft ingediend op de begroting 2008; zal dit document diepgaand analyseren om daaruit conclusies te kunnen trekken voor de begroting 2009;
68. vraagt de Commissie welke maatregelen worden genomen om de doelstelling te bereiken om de administratieve lasten in de EU uiterlijk 2012 met 25% te verminderen en te controleren of het éénloketbeginsel in de toekomst bereikt kan worden om de bureaucratie te verminderen;
69. zal een onderzoek instellen naar de administratieve kredieten en de aanvragen voor personeel van de andere instellingen ter verbetering van de efficiëntiewinst, bijvoorbeeld door herschikking van personeel volgens vastgestelde prioriteiten, waar dit maar mogelijk is; neemt er kennis van dat de voorgestelde gemiddelde stijging voor de andere instellingen 4,8% bedraagt, een toename van 2 673,8 miljoen euro tot 2 803,2 miljoen euro, net onder het door de Commissie voorgestelde stijgingspercentage;
Rubriek 6
70. neemt er kennis van dat in 2009, het laatste jaar van de begrotingscompensatie voor Bulgarije en Roemenië, de vastleggings- en betalingskredieten zijn vastgesteld op 209,1 miljoen euro, een stijging van 1,2% ten opzichte van 2008; er resteert een kleine marge van 0,9 miljoen euro;
Proefprojecten en voorbereidende acties
71. betreurt dat het een algemeen beginsel is dat in het VOB van de Commissie geen vastleggingskredieten worden opgenomen voor proefprojecten en voorbereidende acties, zodat deze moeten worden gefinancierd uit de speelruimte die gevonden wordt bij de desbetreffende MFK-rubrieken; is er verbaasd over dat er enkele uitzonderingen bestaan op deze algemene regel, aangezien een klein aantal proefprojecten en voorbereidende acties, waarin de Commissie belang schijnt te stellen, al in het VOB zijn opgenomen middels vastleggingskredieten;
72. herinnert aan de verplichting van de Commissie volgens punt 46a van het IIA om meerjaren ramingen te geven voor jaarlijkse acties en van de marges die resteren onder de toegestane maxima;
73. beklemtoont dat het IIA een totaal bedrag voor proefprojecten voorziet van ten hoogste 40 miljoen euro in een willekeurig begrotingsjaar en van ten hoogste 100 miljoen euro voor voorbereidende acties, waarvan maximaal 50 miljoen euro kan worden toegewezen voor nieuwe voorbereidende acties;
74. wijst er andermaal op vastbesloten te zijn om, zoals al vermeld in de eerdergenoemde resolutie van 24 april 2008, de jaarlijkse bedragen voor proefprojecten en voorbereidende acties waarin het IIA voorziet, in hun geheel te besteden, indien aantal en omvang van dergelijke projecten zulks vereisen, omdat het deze beschouwt als een onmisbaar instrument voor het Parlement om de weg vrij te maken voor nieuwe beleidslijnen die van belang zijn voor de Europese burger;
75. wijst erop dat het Parlement voor het begrotingsjaar 2008 zijn goedkeuring heeft gehecht aan proefprojecten en voorbereidende acties ten bedrage van 107,32 miljoen euro aan vastleggingskredieten; onder subrubriek 1a zijn projecten en acties opgenomen voor een bedrag van 38 miljoen euro, in rubriek 2 voor 25,15 miljoen euro, in subrubriek 3a voor 3 miljoen euro, in subrubriek 3b voor 9,5 miljoen euro en in rubriek 4 voor 31,67 miljoen euro;
76. beklemtoont dat, indien het Parlement mocht besluiten tot een vergelijkbaar financieringsniveau voor proefprojecten en voorbereidende acties in 2009, bijna de helft van de beschikbare speelruimte in de rubrieken 1a en 3b al besteed zou zijn, hoewel het uitgavenniveau voor proefprojecten en voorbereidende acties zelfs niet de maximale bedragen heeft bereikt die in het IIA worden toegestaan;
77. is bereid om voor het parlementaire zomerreces de Commissie een eerste voorlopige lijst voor te leggen van haar intenties ten aanzien van proefprojecten en voorbereidende acties voor de begrotingsprocedure 2009, overeenkomstig bijlage II, deel D van het IIA; wijst erop dat deze lijst individuele leden van het Europees Parlement, gespecialiseerde commissies en fracties er niet van weerhoudt andere voorstellen of amendementen in te dienen over proefprojecten en voorbereidende acties voor de eerste lezing die in de herfst zal plaatsvinden; benadrukt dat, voor het bovenstaande, alle rubrieken en subrubrieken van de begroting voldoende marges moeten worden ingebouwd;
78. wil met de Commissie en de Raad verkennen hoe uitvoering gegeven kan worden aan de oproep van het Parlement voor een Europese gezant voor vrouwenrechten;
Agentschappen
79. neemt er kennis van dat de toewijzingen in het VOB voor de gedecentraliseerde agentschappen met 1,76% stijgen tot 563,9 miljoen euro voor wat betreft de vastleggingskredieten en dat de betalingskredieten dalen met 6 miljoen euro (-1%);
80. wijst erop dat ondanks deze minimale stijging over de hele linie van de vastleggingskredieten, indien alle agentschappen worden meegeteld, de subgroep van rubriek 1a krimpt met 3,29% of 8,9 miljoen euro ten opzichte van de begroting 2008, in overeenstemming met het besluit van de begrotingsautoriteit in de bemiddelingsprocedure van november 2008 om een lineaire daling door te voeren van 50 miljoen euro voor het tijdvak 2009 - 2013, in verband met de financiering van Galileo;
81. merkt op dat deze vermindering voor agentschappen in rubriek 1a niet "lineair" was zoals geformuleerd in de conclusies van het bemiddelingscomité; zal de mate en de spreiding van de budgettaire verlagingen tot in detail evalueren; herhaalt dat het aan de begrotingsautoriteit is om een besluit te nemen over deze voorstellen van de Commissie;
82. zal vooral de nadruk leggen op de tenuitvoerlegging van de begroting van de agentschappen en zal eventuele overschotten onderzoeken om ervoor te zorgen dat bij de vaststelling van de begrotingen 2009 voor de agentschappen rekening wordt gehouden met de bestemmingsontvangsten;
83. betreurt het dat de Commissie nog geen bijzonderheden aan de begrotingsautoriteit heeft voorgelegd over de wijze waarop zij de twee nieuwe agentschappen waarover thans overleg wordt gepleegd, en waarvan er al een is opgenomen in het VOB voor 2009 met een p.m-post; wil financieren, en dringt er bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk met duidelijke nadere informatie te komen over dit onderwerp; is tot de conclusie gekomen dat, gezien de situatie van de huidige marges, alle mogelijkheden die het IIA biedt voor de financiering van nieuwe organen, moeten worden benut; wijst erop dat overeenkomstig punt 47 van het IIA voorafgaande toestemming van de begrotingsautoriteit is vereist voor de financiering van nieuwe agentschappen;
84. beklemtoont andermaal dat de financieringsniveaus voor bestaande en toekomstige agentschappen van rechtstreekse invloed zullen zijn op de beschikbare marges in de rubrieken van het MFK; wijst erop dat het IIA de Commissie bij de opstelling van een voorstel tot oprichting van een nieuw gedecentraliseerd agentschap, verplicht tot het ramen van de budgettaire implicaties voor de desbetreffende uitgavenrubriek; zal proberen ervoor te zorgen dat de werkzaamheden van de gedecentraliseerde agentschappen waarde toevoegen en de belangen van de Europese burgers bevorderen;
85. is ingenomen met het voornemen van de Commissie een interinstitutionele dialoog te bevorderen over de rol van alle organen die bedoeld worden in artikel 185 van het Financieel Reglement en over hun plaats in het Europees bestuur; wijst er andermaal op dat de toepassing van de procedure die is vastgelegd in punt 47 van het IIA op interinstitutioneel niveau systematisch moet worden gegarandeerd;
Uitvoerende agentschappen en andere tendensen tot "outsourcing"
86. neemt er kennis van dat een verdere toename van het aantal uitvoerende agentschappen en andere vergelijkbare ad hoc organen gefinancierd zal worden uit middelen voor het desbetreffende programma; is er bezorgd over dat de groei van de uitvoerende agentschappen en andere organen ten koste gaat van de beleidsmiddelen die beschikbaar zijn binnen de desbetreffende programma's en de financiering van administratieve taken zal verschuiven van rubriek 5 van het MFK naar de beleidsrubrieken;
87. vreest dat de oprichting van uitvoerende agentschappen en andere ad hoc organen kan leiden tot een ondoorzichtige groei van het aantal EU-ambtenaren en contractmedewerkers, vooral wanneer het aantal posten in de relevante directoraten-generaal van de Commissie niet navenant wordt ingekrompen of herschikt; dringt aan op naleving van de procedure voor het opzetten van uitvoerende agentschappen (herziene gedragscode), en met name op parlementair toezicht op financiering en personeelsbezetting van de agentschappen;
Conclusies en eventueel mandaat voor de bemiddelingsprocedure
88. is van mening dat onderstaande punten van bijzonder belang zijn bij de bemiddelingsprocedure voor de begroting die in juli 2008 zal plaatsvinden:
- adequaat niveau van betalingskredieten,
- naleving van het beginsel van gezond financieel beheer, en met name een realistisch beeld van de behoeften in rubriek 4,
- verbintenis van de Commissie om, waar het het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering betreft, gewijzigde begrotingen in te dienen met als enige doel het beschikbaar stellen van deze middelen om vertraging in het leveren van financiële hulp te vermijden;
- adequate reactie op verzoeken om voedselhulp en garantie van voedselveiligheid;
- inventaris met betrekking tot de tenuitvoerlegging van punt 44 van het IIA; – inventaris met betrekking tot de tenuitvoerlegging van punt 44 van het IIA en van punt 5(N) van het actieplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006)0009);
- voldoende middelen voor een Europa van de burger,
- voorlopige intenties van de begrotingsautoriteit ten aanzien van proefprojecten en voorbereidende acties;
- heldere presentatie van de begroting, met name wat betreft de administratieve uitgaven en de personeelsbehoefte en de outsourcing van taken;
- adequate voorziening op de begroting om het mogelijk te maken een antwoord te geven op de EU-prioriteiten "mededinging voor groei en werkgelegenheid", "bestrijding van klimaatverandering en bevordering van een duurzaam Europa" en "het gemeenschappelijk immigratiebeleid een realiteit maken";
89. vindt de gewoonte van de Raad van Ministers om in haar eerste lezing van de begroting van de Unie over te gaan tot lineaire besnoeiingen zonder enige nauwkeurige rechtvaardiging te verschaffen zeer spijtig; dringt er bij de Raad op aan om bij de goedkeuring van de ontwerpbegroting elk element van de begroting aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen en daarbij criteria als efficiëntie, spaarzaamheid en Europese toegevoegde waarde toe te passen; herinnert eraan dat de opstelling van de begroting van de Unie een fundamentele politieke handeling is die niet alleen aan rekenlogica kan beantwoorden en verwacht dat de Raad in het kader van die begrotingsprocedure de middelen verschaft voor een ware politieke dialoog met het Europees Parlement;
-o0o-
90. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Ten eerste dient zij als voorlopige beoordeling van het VOB 2009 van de Commissie en geeft al aan in welke richting de resolutie van het Parlement in eerste lezing zal gaan, waarover van oudsher in oktober wordt gestemd; ten tweede en als gevolg daarvan geeft zij een voorlopig mandaat aan de delegatie van het Parlement voor de onderhandelingen met de andere tak van de begrotingsautoriteit tijdens de bemiddelingsprocedure in juli.
De resolutie is gebaseerd op en verwijst naar de resolutie over het begrotingskader en de prioriteiten voor 2009, die op 24 april 2008 door het Parlement werd goedgekeurd, tegelijk met de resolutie van de fracties over de jaarlijkse beleidsstrategie van de Commissie;
Er wordt naar gestreefd in ruime mate rekening te houden met de adviezen die zijn uitgebracht door andere commissies, die als een wezenlijk onderdeel worden beschouwd van het besluitvormingsproces voor de begroting 2009.
ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (4.6.2008)
aan de Begrotingscommissie
inzake de begroting 2009: Eerste bespiegelingen over het mandaat voor het overleg over het voorontwerp van begroting 2009
De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1.onderstreept dat, wil de Europese Unie aan haar externe beleidsverplichtingen kunnen voldoen en wil zij een actieve rol kunnen vervullen bij het oplossen van mondiale problemen, daarvoor voldoende middelen moeten worden uitgetrokken op de EU-begroting;
2.is teleurgesteld over het percentage van de kredieten dat volgens het voorontwerp van begroting (VOB) van de Commissie voor 2009 is bestemd voor rubriek 4 en over het feit dat de verhoging van de vastleggingskredieten ten opzichte van de begroting-2008 lager uitvalt dan het inflatiepercentage over diezelfde periode, terwijl de internationale verplichtingen van de EU alleen maar toenemen;
3.beschouwt de voorgestelde marge als te artificieel en arbitrair; verzoekt de Commissie het flexibiliteitsinstrument en de reserve voor noodhulp niet te gebruiken voor programmeerbare langetermijnactiviteiten;
4.is zich bewust van de beperkingen van het financieel kader voor 2007-2013; dringt er derhalve bij de Commissie en de Raad op aan bij de voorbereiding van de herziening van het communautaire financieringskader recht te doen aan de steeds belangrijkere rol van de EU als mondiale speler;
5.wijst erop dat, aangezien de institutionele structuur voor de hoge vertegenwoordiger, voor de voorzitter van de Europese Raad en voor de Europese dienst voor extern optreden nog niet vaststaat, de daarvoor noodzakelijke begrotingskredieten stapsgewijs beschikbaar moeten worden gesteld naarmate er meer duidelijkheid ontstaat omtrent de draagwijdte en de rol van de nieuwe organisatorische structuren; onderstreept dat het huidige budget aan vastleggingskredieten in rubriek 4 niet nog zwaarder onder druk mag komen te staan als gevolg van de institutionele aanpassingen of van het nieuwe gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);
6.is bezorgd over de omvang van de kredieten die, met name in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) in het VOB-2009 voor Kosovo worden uitgetrokken en die lager uitvalt dan de financiering waarin de voor 2008 goedgekeurde begroting voorziet; verzoekt de Commissie en de Raad het Parlement te informeren omtrent het bestedingspercentage van de begroting-2008, gezien de huidige situatie ter plaatse en de te verwachten vertragingen bij de installatie van EULEX, de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo; dringt er bij de Commissie op aan zich op grond hiervan opnieuw te beraden over de eisen die moeten worden gehanteerd met betrekking tot de institutionele opbouw en de sociaal-economische ontwikkeling van Kosovo, alsmede voor de bijdrage van de EU aan de internationale presentie aldaar in 2009;
7.geeft uiting aan zijn ongenoegen omtrent de kredieten die in het VOB-2009 worden uitgetrokken voor Palestina, die bijna 50% lager uitvallen dan het bedrag waarin de voor 2008 goedgekeurde begroting voorzag en ruim 60% lager liggen dan de kredieten op de definitieve begroting-2007; is van mening dat de Commissie bij de programmering van de benodigde steun in dit geval kan voortbouwen op de ervaring die is opgedaan en op de geraamde behoeften, en derhalve in staat zou moeten zijn om de financiële middelen toe te wijzen die nodig zijn om bij te dragen aan de levensvatbaarheid van de Palestijnse autoriteiten en aan het vredesproces in het Midden-Oosten;
8.steunt operaties en kredieten die erop gericht zijn de EU in staat te stellen op te treden bij vredesprocessen in conflictgebieden zoals Irak;
9.bevestigt opnieuw zijn steun voor de tenuitvoerlegging van een krachtiger en beter gedifferentieerd Europees nabuurschapsbeleid; onderstreept de noodzaak het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument (ENPI) van voldoende financiële middelen te voorzien om gestalte te kunnen geven aan het engagement van de EU ten aanzien van haar Oost-Europese en zuidelijke buurlanden; constateert dat de voor 2009 voorgestelde kredieten slechts in geringe mate worden verhoogd en onderstreept dat het onlangs onder de benaming "Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied" opgezette initiatief de pogingen om de vastleggingskredieten voor Oost- en Zuid-Europese buurlanden met elkaar in evenwicht te brengen niet in de weg mag staan en in geen geval de budgettaire spanningen binnen het ENPI mag doen toenemen;
10.is ingenomen met de verhoging van de kredieten die in het kader van de institutionele opbouw van het IPA wordt voorgesteld voor de landen van de Westelijke Balkan, en is met name zeer te spreken over het voornemen van de Commissie om meer aanvullende beurzen te verstrekken en meer middelen uit te trekken voor de maatschappelijke dialoog; verzoekt de Commissie de Sociale Agenda voor de Balkanlanden te ondersteunen;
11.is van mening dat het ruimer opzetten van studiebeursprogramma's en het aangaan van jumelages tussen steden in het kader van de ontwikkelingssamenwerking met landen in het Midden-Oosten (DCI), inzonderheid voor Irak positieve effecten kan hebben voor de onderlinge verstandhouding;
12.bevestigt opnieuw zijn steun voor de democratie en de mensenrechten als essentiële elementen van het buitenlands beleid van de EU; beschouwt de bevordering van niet-gewelddadige methoden als een van de meest geschikte instrumenten voor de ondersteuning van de democratie en de mensenrechten; neemt met voldoening kennis van het feit dat de financiële middelen voor het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), met inbegrip van het budget voor verkiezingswaarneming - zij het slechts in bescheiden mate - worden verhoogd, en onderstreept dat het daarvoor in het VOB-2009 uitgetrokken bedrag als een minimum moet worden gehandhaafd; is bezorgd over het feit dat Europese actoren zoals onafhankelijke politieke stichtingen op het niveau van Commissiedelegaties de facto vaak niet worden betrokken bij de implementatie van het EIDHR, en dringt erop aan dat het EIDHR ter wille van een effectievere bevordering van de democratie overeenkomstig de bestaande wetgeving wordt uitgevoerd;
13.steunt het strategisch gebruik van hervestigingsmaatregelen met het oog op de beschikbaarstelling van humanitaire ruimte in geval van acute vluchtelingensituaties, ten einde de EU in staat te stellen in Europees verband blijk te geven van oprechte en concrete solidariteit, waardoor toegevoegde waarde kan worden gecreëerd in het kader van een bredere aanpak bij de levering van humanitaire steun aan een bepaald land of een bepaalde regio;
14.wijst er eens te meer op dat Latijns-Amerika voor de Europese Unie een prioritaire regio vormt, en onderstreept dat er voor de relaties van de EU met die regio, conform de op de Top van Lima bereikte resultaten, voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken en dat deze verder tot ontwikkeling moeten worden gebracht ter wille van de mensenrechten, de democratische beginselen en de bescherming van het milieu;
15. zegt - gelet op de noodzaak tot versterking van de betrekkingen van de EU met Centraal-Azië in het kader van de in 2007 uitgezette strategie - zijn steun toe voor het feit dat nu reeds wordt geanticipeerd op de verlening van steun voor die regio tegen 2009;
16.is ingenomen met de voorgestelde verhoging van het budget voor het stabiliteitsinstrument; onderstreept echter dat de criteria voor de toewijzing van middelen in het kader van dat instrument verder moeten worden uitgewerkt om ze transparanter te maken en ervoor te zorgen dat de bewuste middelen op een consistente manier aan de echte prioriteiten worden besteed; wijst er eens te meer op dat het Parlement dient te worden betrokken bij de ontwikkeling en specificering van de daarvoor geldende criteria; vestigt er de aandacht op dat de afzonderlijke voorbereidende actie met betrekking tot het Netwerk voor conflictpreventie overbodig is, dat deze actie dient te worden beëindigd en dat de daarvoor bestemde financiële middelen in het kader van het stabiliteitsinstrument moeten worden overgedragen aan het Partnerschap voor vredesopbouw;
17.wijst met bezorgdheid op de verergering van de voedselcrisis in de wereld en de gevolgen van de klimaatverandering; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan zich te beraden over de mogelijke gevolgen hiervan voor de mondiale veiligheid, en onderstreept dat de EU moet kunnen reageren op deze situatie en de daarmee verband houdende aspecten, en moet kunnen voldoen aan haar verplichtingen ten aanzien van de levering van voedselhulp aan en de respons op rampen in ontwikkelingslanden;
18.spreekt zijn afkeuring uit over de voorgestelde verhoging van de middelen voor de speciale vertegenwoordigers van de Europese Unie (SVEU's), met name omdat het Parlement alsnog nader moet worden betrokken bij de instelling van nieuwe SVEU-posten, de vaststelling van hun respectieve mandaat en de benoeming van de speciale EU-vertegenwoordigers zelf; benadrukt dat het Verdrag van Lissabon de EU-instellingen in staat zal stellen na te gaan of er synergievoordelen kunnen worden bewerkstelligd tussen de delegaties van de Commissie en de SVEU's van de Raad (volgens de "tweepettenformule"), en aldus overlapping van taken te vermijden, de coördinatie te verbeteren en de effectiviteit van het externe optreden van de EU te vergroten;
19.waardeert de voortzetting van de dialoog met het voorzitterschap van de Raad over de prioriteiten van het GBVB; wil zich inzetten voor de versterking van die dialoog, om te zorgen voor tijdige interinstitutionele coördinatie bij de uitstippeling van de koers die het GBVB moet volgen en om de doeltreffendheid en de democratische legitimiteit van dat beleid te versterken; onderstreept dat de kwaliteit van de verstrekte informatie moet worden verbeterd en dat de continuïteit daarvan moet worden gewaarborgd;
20.spreekt nogmaals zijn steun uit voor de activiteiten van de werkgroepen die door de Commissie buitenlandse zaken van het Parlement zijn opgericht om toezicht te houden op de implementatie van de externe bijstandsinstrumenten; hoopt op verbetering van de structurele samenwerking en het structureel overleg met de Commissie over de uitvoering en herziening van de indicatieve meerjarenplannen;
21.herhaalt in dit verband zijn verzoek tot sluiting van een interinstitutioneel akkoord tussen het Parlement en de Raad, waarbij op basis van het Verdrag van Lissabon hun werkrelaties worden gedefinieerd op het gebied van extern beleid, inclusief wat betreft de uitwisseling van vertrouwelijke informatie;
22.onderstreept het politieke belang van de proefprojecten en voorbereidende acties die in het kader van rubriek 4 door de begrotingsautoriteit worden goedgekeurd; dringt aan op de snelle en proactieve uitvoering daarvan door de Commissie, waarbij ten volle gebruik moet worden gemaakt van de toegewezen kredieten;
23.constateert dat de Commissie voorstelt het thematisch programma "Milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, waaronder energie" (ENRTP) uit te breiden; wijst opnieuw op de noodzaak tot uitwerking van een gemeenschappelijk extern energiebeleid, en verzoekt de Commissie het Parlement te informeren over de voorgenomen financiering in het kader van de begroting-2009 met het oog op de verwezenlijking van trans-Europese energienetwerken (TEN-E), prioritaire projecten die zich richten op de verbetering van de energievoorzieningszekerheid van de EU.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
3.6.2008
Uitslag eindstemming
+:
-:
0:
366
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
André Brie, Colm Burke, Philip Claeys, Véronique De Keyser, Hanna Foltyn-Kubicka, Bronisław Geremek, Maciej Marian Giertych, Ana Maria Gomes, Alfred Gomolka, Anna Ibrisagic, Ioannis Kasoulides, Maria Eleni Koppa, Helmut Kuhne, Willy Meyer Pleite, Francisco José Millán Mon, Philippe Morillon, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Baroness Nicholson of Winterbourne, Alojz Peterle, Tobias Pflüger, João de Deus Pinheiro, Samuli Pohjamo, Libor Rouček, Christian Rovsing, Katrin Saks, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, György Schöpflin, István Szent-Iványi, Inese Vaidere, Ari Vatanen, Jan Marinus Wiersma, Luis Yañez-Barnuevo García, Zbigniew Zaleski, Josef Zieleniec
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)
Alexandra Dobolyi, Árpád Duka-Zólyomi, James Elles, Jaromír Kohlíček, Doris Pack, Rihards Pīks, Karl von Wogau
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (28.5.2008)
aan de Begrotingscommissie
inzake de begroting 2009: Eerste bespiegelingen over het mandaat voor het overleg over het voorontwerp van begroting 2009
De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de gevolgen van de wereldwijd stijgende voedselprijzen voor de verstrekking van voedselhulp in de ontwikkelingslanden, en neemt kennis van het drastische tekort waarop al is gewezen door de hulporganisaties; verzoekt de Commissie begrotingslijn 23 02 02 aan te passen aan de reële behoeften in 2009 en deze begrotingslijn dienovereenkomstig te verhogen, zonder andere politieke prioriteiten van het EP in gevaar te brengen; stelt vast dat er structurele oorzaken zijn voor de stijging van de voedselprijzen, die naar verwachting in 2009 en de jaren daarna niet zullen dalen, en dat de Europese Unie overeenkomstig de Europese consensus over humanitaire hulp "blijk wil geven van haar engagement voor een humanitair antwoord door, uitgaande van de vastgestelde behoefte, voldoende middelen vrij te maken voor humanitaire hulp"; wenst dat voor dit doel in 2009 aanvullende middelen beschikbaar worden gesteld, waarbij gebruik wordt gemaakt van alle budgettaire mogelijkheden, waaronder traditionele begrotingsinstrumenten, zoals het flexibiliteitsinstrument, of innovatieve, zoals herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) om in 2008 niet bestede gelden uit titel 05 vrij te geven;
2. verzoekt om voortzetting van de begrotingslijnen 19 09 02 (samenwerking met landen met een middeninkomen in Latijns-Amerika) en 19 10 01 05 (samenwerking met landen met een middeninkomen in Azië) als voorbereidende maatregel met het oog op de financiering van acties in die regio's die niet voldoen aan de criteria voor officiële ontwikkelingshulp en daardoor buiten Verordening (EG) nr. 1905/2006 vallen; onderstreept dat dergelijke acties wenselijk zijn om in te spelen op de strategische belangen van de EU of op kwesties van wederzijds belang, en verzoekt de Commissie onverwijld een financieringsinstrument voor zulke acties voor te stellen;
3. vestigt de aandacht op de precaire financiële situatie in rubriek 4 als gevolg van de vereisten in Kosovo en Palestina, die bij de vaststelling van het MFK niet konden worden voorzien; is van mening dat dit probleem alleen kan worden aangepakt door middel van een omvattende herziening van het MFK om te komen tot een verhoging van het plafond voor rubriek 4 voor de periode 2009-2013; wijst erop dat het thematisch programma “Investeren in mensen” een groot aantal beleidsmaatregelen en prioriteiten uit programma's moet dienen, en dat de uitgaven voor gezondheid als een van deze prioriteitsgebieden in de periode 2003-2006 zijn verminderd, terwijl bij de jaarlijkse toewijzingen voor 2007 en 2008 het jaarlijks gemiddelde, zoals gepland voor de termijn 2007-2013, niet is gehaald;
4. is verheugd over de initiatieven van de Commissie met het oog op de oprichting van een Wereldwijd Bondgenootschap tegen klimaatverandering en het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, wat belangrijke stappen zijn om de ontwikkelingslanden te ondersteunen bij de aanpassing aan en het opvangen van de klimaatverandering; onderstreept evenwel dat de tot nu toe toegewezen middelen ontoereikend zijn; dringt aan op een verhoging van de rechtstreekse middelen voor deze initiatieven in de begroting 2009, naast de beoogde toezeggingen op ontwikkelingsgebied; benadrukt voorts het belang van versterking van deze initiatieven door middel van gegarandeerde aanvullende gelden voor de lange termijn;
5. onderstreept de behoefte aan een uitgebreide beoordeling van de resultaten en de te verwachten duurzaamheid van acties van de EU op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking, met inbegrip van bijstand die als begrotingssteun is verstrekt; wijst erop dat transparantie op dit gebied van fundamenteel belang is voor de uitoefening van de parlementaire controle; onderstreept de noodzaak om in 2009 het streefcijfer te behalen van twintig procent van de toegewezen hulp van landenprogramma's die vallen onder het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, en dit te wijden aan primair en secundair onderwijs en aan basale gezondheid middels aan deze sectoren verbonden projecten, programma's of begrotingssteun; dringt er bij de Commissie op aan dat zij de evaluatie van de resultaten versterkt en haar bevindingen aan het Parlement doet toekomen;
6. verwelkomt de plannen van de Commissie om de door haar voorgestelde contracten in het kader van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG) zo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen, en roept op om de beginselen waarop de contracten zijn gebaseerd ook toe te passen bij alle andere algemene en sectorafhankelijke begrotingssteun;
7. verzoekt de Commissie haar ideeën over hoe de parlementaire controle op de begrotingssteun in partnerlanden kan worden verbeterd, alsmede haar werkwijze op dit vlak, verder te ontwikkelen;
8. roept op de genderprestatie-indicatoren die aan de begrotingssteun zijn verbonden te versterken en uit te breiden tot gebieden zoals burgerrechten voor vrouwen;
9. is er voorstander van dat doelstellingen inzake verhoging van de uitgaven op het gebied van gezondheid en onderwijs, blijvend worden opgenomen in overeenkomsten over begrotingssteun; suggereert om in de overeenkomsten duidelijke tijdsplannen op te nemen, zodat de doelstelling van de Abuja-verklaring om 15 procent van de nationale begroting aan gezondheid te besteden en de doelstelling van de Mondiale Onderwijscampagne om twintig procent van de nationale begroting aan onderwijs te besteden, kunnen worden gehaald.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
28.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
-:
0:
29
0
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Margrete Auken, Alessandro Battilocchio, Thijs Berman, Danutė Budreikaitė, Marie-Arlette Carlotti, Corina Creţu, Beniamino Donnici, Fernando Fernández Martín, Juan Fraile Cantón, Alain Hutchinson, Filip Kaczmarek, Glenys Kinnock, Maria Martens, Gay Mitchell, Luisa Morgantini, Horst Posdorf, José Ribeiro e Castro, Frithjof Schmidt, Jürgen Schröder, Feleknas Uca, Anna Záborská, Jan Zahradil
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)
John Bowis, Ana Maria Gomes, Miguel Angel Martínez Martínez, Manolis Mavrommatis, Mihaela Popa, Renate Weber, Gabriele Zimmer
ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (9.6.2008)
aan de Begrotingscommissie
inzake de begroting 2009: Eerste bespiegelingen over het mandaat voor het overleg over het voorontwerp van begroting 2009
De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. benadrukt dat de uitdagingen met betrekking tot duurzame energie en de strijd tegen klimaatverandering tot uitdrukking moeten komen in de prioriteiten voor de EU-begroting; merkt op dat deze prioriteiten aanvullende begrotingsmiddelen vereisen, met name voor de financiering van het Europees strategisch plan voor energietechnologie en voor het bevorderen van energie-efficiëntie; onderstreept dat deze begrotingsmiddelen moeten worden verstrekt bovenop bestaande financiering voor communautaire programma's op het gebied van onderzoek en innovatie, en bijgevolg niet ten koste daarvan mogen gaan;
2. is zeer verontrust over de beperkte ruimte die in rubriek 1A beschikbaar is, wat doet vermoeden dat het onmogelijk zal zijn nieuwe prioriteiten door herallocatie te financieren zonder belangrijke bestaande programma's ernstig te ondergraven; doet daarom de aanbeveling om voor het stellen van nieuwe prioriteiten aanvullende middelen beschikbaar te stellen;
3. wijst met nadruk op het belang van de hervorming van de strategie van Lissabon, die moet worden gesteund door overeenkomstige financiering, en benadrukt dat de huidige maatregelen op dit gebied, zoals het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP) en andere maatregelen met betrekking tot het midden- en kleinbedrijf, behoorlijk moeten worden uitgevoerd en gemonitord;
4. neemt kennis van het recente begrotingsbesluit om het Galileo-project en het Europees Instituut voor innovatie en technologie te financieren, initiatieven die tijdens de implementatie een uitvoerige monitoring en evaluatie vereisen;
5. herinnert eraan dat het EIT moet worden beschouwd als aanvulling op andere communautaire maatregelen op het gebied van onderzoek en innovatie, met name het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP), en dat er daarom moet worden gezorgd voor een optimale allocatie van de middelen voor onderzoek en innovatie in het kader van de herziening van het financieel kader;
6. benadrukt dat de uitvoering van KP7 en de werkzaamheden van de gemeenschappelijke ondernemingen die gezamenlijke technologie-initiatieven uitvoeren en in het bijzonder de werkzaamheden van de Europese Onderzoeksraad, nauwgezet moeten worden gemonitord;
7. verzoekt de Commissie de opstelling van een regelgevend kader voor elektronische communicatie te bevorderen dat aanspoort tot coherente investeringen (zowel voor gevestigde bedrijven als nieuwe actoren), de concurrentie en de keuze voor de consument waarborgt en in staat is het hoofd te bieden aan de huidige en toekomstige uitdagingen, zoals de uitrol van glasvezel in de Unie;
8. betwijfelt of de huidige trend om nieuwe regelgevende instanties op te richten voor het uitvoeren van administratieve taken, zoals de voorgestelde Europese Autoriteit voor de elektronische-communicatiemarkt en het Agentschap voor samenwerking van energietoezichthouders, een nuttige ontwikkeling is; is van mening dat het te werk stellen van voldoende en geschikt personeel in Commissiediensten die zich met prioritaire terreinen bezighouden, mogelijk een betere manier is om de beleidsdoelstellingen te bereiken;
9. stelt niettemin voor dat er gepaste aanvullende financiering wordt geboden aan de nieuwe agentschappen van Europese Unie en voor de uitbreiding van bestaande agentschappen, op basis van de beslissingen van de begrotingsautoriteit;
10. is van mening dat door de beperkte ruimte in rubriek 1A, een goede uitvoering en evaluatie van lopende proefprojecten en voorbereidende acties een van de prioriteiten moet zijn, samen met nieuwe proefprojecten en voorbereidende acties.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
5.6.2008
Uitslag eindstemming
+:
-:
0:
450
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Šarūnas Birutis, Jan Březina, Jerzy Buzek, Jorgo Chatzimarkakis, Dragoş Florin David, Den Dover, Lena Ek, Norbert Glante, Fiona Hall, Rebecca Harms, Erna Hennicot-Schoepges, Mary Honeyball, Romana Jordan Cizelj, Werner Langen, Anne Laperrouze, Eluned Morgan, Angelika Niebler, Atanas Paparizov, Aldo Patriciello, Miloslav Ransdorf, Herbert Reul, Teresa Riera Madurell, Mechtild Rothe, Paul Rübig, Britta Thomsen, Patrizia Toia, Nikolaos Vakalis, Adina-Ioana Vălean, Alejo Vidal-Quadras
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)
Christian Ehler, Göran Färm, Juan Fraile Cantón, Robert Goebbels, Françoise Grossetête, Satu Hassi, Gunnar Hökmark, Mieczysław Edmund Janowski, Eija-Riitta Korhola, Lambert van Nistelrooij, Esko Seppänen, Hannes Swoboda, Silvia-Adriana Ţicău
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. merkt op dat de EU op mondiaal niveau veel belang hecht aan een beleid om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken; dringt er bij de Commissie op aan prioriteit te geven aan de voorstellen waarmee het energiebesparingspotentieel in de transportsector kan worden gerealiseerd;
2. merkt op dat proefprojecten en voorbereidende acties belangrijk zijn voor een bepaling van de behoefte aan en van de effectiviteit van nieuwe begrotingsprogramma's als reactie op behoeften en vereisten die zich in het transportbeleid ontwikkelen; herinnert eraan dat proefprojecten door de aard zelf ervan niet de plaats van volledig uitgewerkte programma's en beleidsmaatregelen kunnen innemen; verzoekt de Commissie systematisch verslag over de uitvoering van proefprojecten en voorbereidende acties uit te brengen en vooral bij het Parlement verslag uit te brengen over de conclusies die eruit kunnen worden getrokken; dringt er, net als voor alle begrotingsuitgaven, op aan dat de projecten die proefdraaien, een reële meerwaarde op EU-niveau opleveren en dringt er bij de Commissie op aan bijzondere aandacht te besteden aan alle programma's die gevolgen voor de beperking van de CO2-emissies als gevolg van transport hebben;
3. dringt er bij de Commissie op aan de proefprojecten en voorbereidende acties in verband met transport en toerisme, met name op het gebied van de bevordering van het grensoverschrijdend verkeer via de overgangen aan de buitengrenzen in het noordoosten van de EU (06 07 05) en de Europese topbestemmingen (02 02 08), in het kader van het VOB nauwkeurig uit te voeren en verslag uit te brengen over de follow-up die nodig is met betrekking tot het afgewerkte proefproject inzake veiligheid op het trans-Europese wegvervoersnetwerk (06 07 02) dat in 2009 wordt afgewerkt; benadrukt dat dit proefproject moet worden voortgezet en uitgebreid met een nieuwe component voor de bouw van veilige parkeerplaatsen, die gelegen zijn langs de pan-Europese vervoerscorridors, alsmede met prioritaire Trans-Europese Netwerken (TEN)-projecten in de nieuwe lidstaten in het zuidoostelijke deel van de Europese Unie; herinnert eraan dat de voorbereidende actie betreffende controleposten (rustplaatsen) voor het vervoer van dieren (17 04 03 03) belangrijk is, omdat de handel in fokdieren tussen de EU en de Russische Federatie sterk toeneemt;
4. benadrukt hoe belangrijk het is dat de nodige infrastructuur voor spoorweg- en zeevervoer wordt ontwikkeld en vraagt de Commissie zorg te dragen dat deze prioriteit zijn weerslag krijgt in de EU-begroting voor 2009;
5. dringt er bij de Commissie op aan om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van stedelijk openbaar vervoer wordt bevorderd aan de hand van een speciaal hiertoe ingesteld fonds; roept de Commissie op om met het oog op het belang van staatssteun voor de modernisering van het wagenpark voor stedelijk openbaar vervoer, duidelijke voorwaarden te stellen aan het verlenen van deze steun voor de aankoop van voertuigen voor stedelijk openbaar vervoer, vergelijkbaar met de voorwaarden die gelden voor de sector spoorwegvervoer;
6. dringt erop aan dat de middelen die in het VOB ter beschikking worden gesteld van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, het Europees Spoorwegbureau en de Toezichthoudende Autoriteit Galileo, aangepast zijn aan de bestaande en reeds bij wetgevende akte uitgebreide statutaire taken en verantwoordelijkheden van deze agentschappen en dat deze middelen niet onnodig zijn beperkt met als gevolg dat de overeengekomen bevoegdheidsoverdrachten naar deze agentschappen worden vertraagd; merkt op dat deze bevoegdheidsoverdrachten schaalvoordelen en stopzetting van dubbel werk als gevolg hebben, met als resultaat een algemene besparing voor de overheidsbeurs, inclusief de beurs van de lidstaten; dringt er niettemin op aan dat als agentschappen op hun respectieve terreinen werk op het gebied van technische normen delegeren aan belanghebbenden, dit niet mag leiden tot het ontstaan of de instandhouding van een oligopolistisch of monopolistisch voordeel voor welke commerciële belanghebbende ook;
7. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in het VOB rekening wordt gehouden met de expliciete prioriteiten van het Parlement op het gebied van transport en toerisme, namelijk bevordering van de omschakeling naar ecologisch duurzamere transportmodi en -praktijken; verbetering van het bewustzijn van reizigersrechten en de effectieve uitvoering van de regels op dit gebied; verbetering van de transportveiligheid en inzet van de EU-begroting als katalysator voor extra openbare en particuliere investeringen in de TEN; herinnert eraan dat de middelen van de EU en de lidstaten voor de prioritaire projecten van de trans-Europese vervoernetwerken (TEN-T) ontoereikend zijn, gelet op de geïdentificeerde behoeften, en vraagt de Commissie toezicht op de gevolgen hiervan voor de TEN-T te houden en verslag over deze kwestie uit te brengen;
8. verzoekt de Raad het VOB bij de goedkeuring van zijn ontwerpbegroting niet ongedifferentieerd procentueel te verlagen over de hele linie en elk onderdeel van de begroting afzonderlijk te onderzoeken aan de hand van de criteria van efficiëntie, spaarzaamheid en Europese meerwaarde.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
29.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
-:
0:
270
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Inés Ayala Sender, Paolo Costa, Arūnas Degutis, Petr Duchoň, Saïd El Khadraoui, Robert Evans, Emanuel Jardim Fernandes, Francesco Ferrari, Brigitte Fouré, Mathieu Grosch, Georg Jarzembowski, Timothy Kirkhope, Sepp Kusstatscher, Jörg Leichtfried, Marian-Jean Marinescu, Erik Meijer, Willi Piecyk, Paweł Bartłomiej Piskorski, Luís Queiró, Reinhard Rack, Brian Simpson, Yannick Vaugrenard
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)
Nathalie Griesbeck, Zita Gurmai, Leopold Józef Rutowicz
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
Rovana Plumb, Bart Staes
ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (29.5.2008)
aan de Begrotingscommissie
inzake de begroting 2009: Eerste bespiegelingen over het mandaat voor het overleg over het voorontwerp van begroting 2009
De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. benadrukt dat, met de verwachte inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 januari 2009, het onderscheid tussen "verplichte" en "niet-verplichte" uitgaven zal komen te vervallen, waardoor de overdrachten in 2009 onder de nieuwe procedure zullen vallen en het EP zijn verantwoordelijkheden zal moeten opnemen;
2. merkt op dat de uitgaven op het gebied van de landbouw en plattelandsontwikkeling samen nog steeds een aanzienlijk deel van de EU-begroting vertegenwoordigen; onderstreept dat de zekerheid van de planning en de betrouwbaarheid van het meerjarig financieel kader, zoals dat is goedgekeurd, gewaarborgd moeten zijn; benadrukt de noodzaak erop toe te zien dat de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling door de bevoegde commissieleden vertegenwoordigd is bij de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité; benadrukt tevens de noodzaak erop toe te zien dat er coördinatie plaatsvindt tussen de Begrotingscommissie en de gespecialiseerde commissies voor de budgettaire aspecten van hun wetgevingsactiviteiten, gezien de invloed ervan op het meerjarig financieel kader en de jaarlijkse begrotingsprocedure;
3. merkt op dat plattelandsontwikkeling een specifieke prioriteit is in het meerjarig financieel kader; neemt kennis van de verplichte modulatie en overschrijving van 1,792 miljard euro aan rechtstreekse steun en marktmaatregelen voor plattelandsontwikkeling in 2009, waardoor een maximumbedrag van 44,887 miljard euro voor rechtstreekse steun en marktmaatregelen en 13,402 miljard euro voor plattelandsontwikkeling overblijft in 2009; herhaalt dat de begroting volledig transparant moet zijn voor wat de overdracht van bedragen van rechtstreekse steun betreft;
4. constateert dat er een marge van 2,113 miljard euro beschikbaar blijft beneden het plafond van rubriek 2, waaruit blijkt dat de hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) succesvol zijn;
5. wijst op de grote moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van het ELFPO; betreurt dat 2,830 miljard euro aan kredieten niet besteed werden in 2007, dat 1,361 miljard euro werden overgedragen naar 2008 en dat 1,469 miljard euro werden geherprogrammeerd naar de periode 2008-2013 krachtens punt 48 van de interinstitutionele overeenkomst tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1), ondanks het feit dat Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)(2) tijdig werd aangenomen om dergelijke procedurele tekortkomingen te vermijden; spreekt zijn bezorgdheid uit over de herprogrammering van zo'n grote bedragen, waardoor de fondsen met een aanzienlijke vertraging beschikbaar zullen zijn in de plattelandsgebieden;
6. roept de Commissie op om in de volgende verordening inzake steun voor plattelandsontwikkeling een doeltreffender tijdschema vast te stellen en ervoor te zorgen dat de lidstaten genoeg tijd hebben om hun operationele programma's voor te stellen;
7. is bezorgd over het verschil in het niveau van de vastleggingen en de betalingen, dat voor 2007 op 25% uitkwam en voor 2008 30% bedraagt, terwijl voor 2009 een niveau van 30% is voorgesteld; verzoekt de Commissie derhalve een prognose op te stellen van de annuleringen voor 2009 en voor de gehele periode 2007-2013, evenals een prognose met betrekking tot de oplossing van de problemen met oplopende overwaarderingen die nog moeten worden afgewikkeld (momenteel bedraagt het niveau van de RAL voor plattelandsontwikkeling bijna 9 miljard euro) tegen het eind van de periode 2007-2013, met het oog op het feit dat het maximale betalingsniveau overeenkomstig bijlage I van het voornoemd interinstitutioneel akkoord zal dalen van 1,06% van het BNI in 2007 tot 0,94% van het BNI in 2013;
8. herinnert eraan dat het GLB in de eerste plaats tot doel heeft voor de stabilisering van de markt te zorgen alsmede de consumentenveiligheid en redelijke consumentenprijzen te waarborgen, en verzoekt de Commissie derhalve om in de begroting 2009 de nodige middelen uit te trekken om te kunnen voorzien in nieuwe behoeften ten gevolge van de huidige voedselcrisis, met name in een verbetering van de toegang tot voedsel voor de meest achtergestelden, die het meest onder deze crisis te lijden hebben;
9. wijst erop dat door de verdere modulatie die wordt vooropgesteld in de "gezondheidscontrole" van het GLB, waarbij fondsen worden overgedragen van het ELGF naar het ELFPO, het bedrag dat nodig is voor nationale medefinanciering wordt verhoogd; roept de Commissie op nauwgezet toezicht te houden op de programmering van dit geld in de lidstaten en benadrukt dat een verhoging van de EU-fondsen vooruitloopt op de medefinanciering door de lidstaten en waarschuwt dat dit niet mag leiden tot een vermindering van de bestaande medefinanciering;
10. roept de Commissie op een duidelijk standpunt in te nemen over de toepassing van de hervorming van de suikermarkt om zo de lidstaten op gelijke voet te behandelen, en dit op een meer transparante manier;
11. is van oordeel dat de momenteel onder hoofdstukken 5, 6, 7 en 17 lopende proefprojecten en voorbereidende acties, die werden aangenomen in de begroting 2008, zich in een zeer vroeg programmeringsstadium bevinden en benadrukt dat een tijdige en efficiënte tenuitvoerlegging vereist is;
12. benadrukt dat een fruitprogramma voor scholen nodig is en beklemtoont de positieve invloed van zo'n programma op de volksgezondheid en op de voorlichting op voedinggebied van de kinderen; betreurt het feit dat de Commissie nog steeds geen voorstel voor een dergelijk programma heeft ingediend; roept de Commissie op om onverwijld een desbetreffend voorstel in te dienen en om daartoe in haar nota van wijzigingen een nieuwe begrotingslijn in te voeren; wijst erop dat de lidstaten op vrijwillige basis aan zo'n programma moeten deelnemen;
13. herhaalt zijn standpunt met betrekking tot de oprichting van een herstructureringsfonds voor de melksector, dat moet worden gebruikt om de melksector aan te passen aan de nieuwe situatie – met name in minder begunstigde en in kwetsbare regio's – met het oog op de mogelijke geleidelijke beëindiging van het stelsel van melkquota;
14. verzoekt om de ontwikkeling van een proefproject ter vergemakkelijking van een programma voor uitwisselingen tussen jonge boeren in de ontwikkelingslanden en jonge boeren in de Unie, teneinde hen in staat te stellen om rechtstreeks inzicht te krijgen in de werking van elkaars markten, in de manier waarop zij technologieën toepassen en in de oplossingen die zij voor de aanpassing aan klimatologische omstandigheden hebben gevonden;
15. dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om de begrotingslijn voor de sinds jaren slinkende groep van jonge boeren, die met grote nieuwe uitdagingen wordt geconfronteerd (zoals de bestrijding van de klimaatverandering en de handhaving van de voedselproductie in de Unie), te verruimen, bijvoorbeeld door de middelen voor onderwijs, opleidingsnetwerken en uitwisselingsprogramma's voor jonge boeren uit te breiden of door de beleidsinstrumenten voor jonge boeren in het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling te versterken.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
27.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
-:
0:
37
0
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Vincenzo Aita, Peter Baco, Bernadette Bourzai, Niels Busk, Luis Manuel Capoulas Santos, Giuseppe Castiglione, Giovanna Corda, Joseph Daul, Albert Deß, Gintaras Didžiokas, Constantin Dumitriu, Michl Ebner, Ioannis Gklavakis, Lutz Goepel, Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf, Esther Herranz García, Lily Jacobs, Elisabeth Jeggle, Heinz Kindermann, Vincenzo Lavarra, Stéphane Le Foll, Mairead McGuinness, Rosa Miguélez Ramos, James Nicholson, María Isabel Salinas García, Agnes Schierhuber, Czesław Adam Siekierski, Alyn Smith, Petya Stavreva, Witold Tomczak, Donato Tommaso Veraldi, Janusz Wojciechowski, Andrzej Tomasz Zapałowski
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)
Liam Aylward, Esther De Lange, Brian Simpson, Struan Stevenson, Kyösti Virrankoski
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1. Overeenkomst laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2008/371/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 128 van 16.5.2008, blz. 8).
De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. valt de Commissie bij in haar standpunt, zoals uitgedrukt in de Jaarlijkse beleidsstrategie 2009, dat de EU de burger in al haar streven centraal moet blijven stellen, en acht het daarom belangrijk dat de EU middelen uittrekt op gebied van levenslang leren en burgerschap omdat die programma's rechtstreekse steun geven aan burgeractiviteiten; houdt staande dat vóór de Europese verkiezingen van 2009 meer geld moet worden uitgetrokken voor de programma's "Europa voor de burger" en "Jeugd in actie" - waarvoor onder de burgers een breed draagvlak bestaat, getuige de hoge uitvoeringspercentages- dan in de laatste ramingen is voorzien;
2. dringt erop aan om - in het licht van de Europese verkiezingen en het belang van de informatie daarover in de media - voldoende aandacht te schenken aan het voorlichtingsbeleid in het algemeen en het Europese onderzoeksjournalistiek in het bijzonder door de oprichting van een Europees Fonds voor de journalistiek, dat steun zou verlenen aan kleine teams journalisten uit diverse lidstaten, die in verschillende lidstaten van de EU onderzoek naar een Europese kwestie doen met het oog op publicatie van de resultaten daarvan in deze landen;
3. steunt om te beginnen de instelling van een nieuwe voorbereidende actie op sportgebied met een jaarlijkse begroting van EUR 5 miljoen onder rubriek 3b - gezien het feit dat artikel 149 van het Verdrag tot oprichting van de EU, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon over het functioneren van de Europese Unie, nieuwe bevoegdheden verschaft op gebied van sport, waartoe ook stimuleringsmaatregelen horen - en dat gevolgd moet worden door een EU-financieringsprogramma voor sport; verlangt voortzetting en volledige uitwerking van de door de Commissie voor cultuur en onderwijs voorgestelde proefprojecten, met name het vorig jaar voorgestelde project over mobiliteit onder kunstenaars; en het voorstel voor financiële steun aan het Special Olympic's Unified Sports Programme, waarvoor deze commissie zich voortdurend heeft ingezet; hecht zijn steun aan de voortzetting, onder rubriek 4, van de voorbereidende actie MEDIA INTERNATIONAL dat het bereik van het mediabeleid van de EU internationaal op positieve wijze uitbreidt;
4. acht het nuttig een pilootprogramma op te zetten en ten uitvoer te leggen voor de mobiliteit van onderwijskrachten, analoog aan dat voor de mobiliteit van kunstenaars, waarbij het hoofddoel van dit programma de bevordering van de beroepsopleiding op Europees vlak en van de meertaligheid van het onderwijzend personeel moet zijn, maar dat tegelijkertijd de basis moet leggen voor de voorbereiding van een meerjarenprogramma voor onderwijskrachten binnen de EU, analoog aan het Erasmus-programma;
5. wijst op het belang om de nodige begrotingsmiddelen beschikbaar te stellen voor alle acties ter bevordering en invoering van programma's voor onderwijs in de media en de nieuwe technologieën;
6. is van oordeel dat de intensieve belangstelling van de burgers en instanties voor het Europese Jaar van de Interculturele Dialoog en het succes dat deze institutie tot nu toe heeft gehad aanleiding zouden moeten vormen voor een benutting van de resultaten en een behoud van de institutie van de Interculturele Dialoog ook na het eind van het jaar 2008; ondersteunt daarom de voortzetting van acties op het gebied van de interculturele dialoog in het Programma Cultuur 2007-2013, en pleit ook ervoor zulke acties over de gehele linie op te nemen in de communautaire programma's voor sociale en regionale ontwikkeling;
7. wijst op het succes en de buitengewone resultaten van het lopende regionale programma Euromed Audiovisual II en zijn voorloper Euromed Audiovisual I; is in dat verband van oordeel dat een verdere financiële dekking hiervan moet worden verzekerd, zodat het programma Euromed Audiovisual kan blijven voortbestaan, ofwel in het kader van de reeds bestaande acties voor de periode 2007-2013, ofwel in dat van nieuwe acties;
8. wacht voor een zorgvuldige analyse en suggesties de ontwerpbegroting voor 2009 af en behoudt zich de mogelijkheid voor om in de loop van de begrotingsprocedure te komen met voorstellen voor extra proefprojecten- met bijzondere aandacht voor projecten die meertaligheid bevorderen en ondersteunen - en voorbereidende acties die nodig worden geacht;
9. vestigt de aandacht op de noodzaak om middelen beschikbaar te stellen voor de bevordering van de meertaligheid als onmisbare activiteit gericht op het bewaren van het cultureel erfgoed van de Europese Unie, waarbij in het bijzonder de status moet worden verbeterd van de verschillende talen die door een aanzienlijk deel van de burgers van de Europese Unie worden gesproken;
10. herinnert de Commissie eraan dat het Parlement herhaalde malen heeft aangedrongen op de schepping van mechanismen die de transparantie van en de controle op de in het kader van het voorlichtings- en communicatiebeleid van de EU gevoerde acties garanderen; onderstreept de noodzaak dat alle instellingen betrokken worden bij de opstelling van de voorlichtingscampagnes die namens de Europese Unie worden gevoerd.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
3.6.2008
Uitslag eindstemming
+:
-:
0:
271
-
Bij de eindstemming aanwezige leden
Maria Badia i Cutchet, Katerina Batzeli, Ivo Belet, Nicodim Bulzesc, Guy Bono, Marielle De Sarnez, Milan Gaľa, Claire Gibault, Lissy Gröner, Věra Flasarová, Luis Herrero-Tejedor, Ruth Hieronymi, Mikel Irujo Amezaga, Ramona Nicole Mănescu, Manolis Mavrommatis, Marianne Mikko, Ljudmila Novak, Doris Pack, Christa Prets, Pál Schmitt, Hannu Takkula, Helga Trüpel, Thomas Wise
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)
Victor Boştinaru, Jean-Marie Cavada, Ignasi Guardans Cambó, Den Dover, Elisabeth Morin
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
PROCEDURE
Titel
Eerste bespiegelingen over het mandaat voor het overleg over het voorontwerp van begroting 2009
Richard James Ashworth, Reimer Böge, Valdis Dombrovskis, James Elles, Salvador Garriga Polledo, Ingeborg Gräßle, Ville Itälä, Janusz Lewandowski, Francesco Musotto, Margaritis Schinas, László Surján, Herbert Bösch, Costas Botopoulos, Brigitte Douay, Vicente Miguel Garcés Ramón, Catherine Guy-Quint, Jutta Haug, Vladimír Maňka, Cătălin-Ioan Nechifor, Gary Titley, Ralf Walter, Nathalie Griesbeck, Anne E. Jensen, Jan Mulder, Kyösti Virrankoski, Esko Seppänen, Nils Lundgren
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Juan Andrés Naranjo Escobar, Rihards Pīks, José Albino Silva Peneda, Thijs Berman, Bárbara Dührkop Dührkop, István Szent-Iványi
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)