Procedure : 2008/2115(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0350/2008

Ingediende teksten :

A6-0350/2008

Debatten :

PV 09/10/2008 - 4
CRE 09/10/2008 - 4

Stemmingen :

PV 09/10/2008 - 7.15
CRE 09/10/2008 - 7.15
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0477

VERSLAG     
PDF 221kDOC 144k
16 september 2008
PE 405.984v02-00 A6-0350/2008

over ‘Samen werken aan gezondheid: een EU-strategie voor 2008-2013’

(2008/2115(INI))

Commissie Milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Alojz Peterle

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over ‘Samen werken aan gezondheid: een EU-strategie voor 2008-2013’

(2008/2115(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 152 en de artikelen 163 t/m 173 van het EG-Verdrag,

–   gezien het Witboek van de Commissie ‘Samen werken aan gezondheid: een EU-strategie voor 2008-2013’ (COM(2007)0630),

–   gezien de conclusies van de Raad over het Witboek ‘Samen werken aan gezondheid: een EU-strategie voor 2008-2013’,

–   gezien het advies van het Comité van de Regio’s over het Witboek ‘Samen werken aan gezondheid: een EU-strategie voor 2008-2013’,

–   gelet op Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008-2013)(1),

–   gezien de conclusies van de Raad betreffende de gemeenschappelijke waarden en beginselen van de gezondheidsstelsels van de Europese Unie(2),

–   gelet op Besluit 2004/513/EG van de Raad van 2 juni 2004 betreffende de sluiting van de kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor de bestrijding van tabaksgebruik(3),

–   gezien de conclusies van de Raad inzake de gezondheid van vrouwen(4),

–   gezien het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013),

–   gezien het Witboek over ‘Een EU-strategie voor aan voeding, overgewicht en obesitas gerelateerde gezondheidskwesties’ (COM(2007)0279),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2006 betreffende de bescherming van werknemers in de gezondheidszorg in Europa tegen door bloed overgedragen infecties als gevolg van prikaccidenten(5),

–   gezien de richtsnoeren van de WHO in de strategie over ‘Gezondheid voor allen in de eenentwintigste eeuw’,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 april 2008 over orgaandonatie en -­transplantatie: beleidsmaatregelen op EU-niveau(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 april 2008 over kankerbestrijding in de uitgebreide Europese Unie(7),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 januari 2008 over de communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk(8),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 juli 2007 over acties ter bestrijding van hart- en vaatziekten(9),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 september 2006 ‘De geestelijke gezondheid van de bevolking verbeteren. Naar een strategie inzake geestelijke gezondheid voor de Europese Unie’(10),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 februari 2005 over het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010(11),

–   gezien zijn verklaring van 27 april 2006 over diabetes(12),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0350/2008),

A. overwegende dat gezondheid een van de meest kostbare bezittingen is, dat onze doelstelling gezondheid voor allen is en dat wij een hoog gezondheidsniveau moeten garanderen,

B.  overwegende dat in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(13) is bepaald dat discriminatie op grond van o.a. geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst verboden is en dat artikel 35 stipuleert dat eenieder recht heeft op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging en dat een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt gewaarborgd,

C. overwegende dat het positieve effect van de ontwikkelingen in de gezondheidszorg erin bestaat dat mensen steeds ouder worden;

D. overwegende dat het groeiende aantal gevallen van kanker, diabetes, hart- en vaatziekten, reumatische aandoeningen, psychische aandoeningen, overgewicht en obesitas, samen met ondervoeding en slechte voeding, alsmede hiv/aids, de slechte milieukwaliteit en de hernieuwde opkomst van bepaalde zieken die in verband worden gebracht met toenemende sociale ongelijkheid, met daarnaast nog een aantal andere problemen een toenemende bedreiging vormen voor de gezondheid in de EU en daarbuiten, zodat de behoefte aan ziektepreventie en aan formele en informele gezondheidszorg en andere vormen van zorgverstrekking, alsook aan revalidatie na ziekte hand over hand toeneemt,

E.  gezien de mogelijke nieuwe bedreigingen voor de gezondheid die een grensoverschrijdend karakter hebben, zoals pandemieën, nieuwe patronen van overdraagbare ziekten, tropische ziekten en bioterrorisme, en de gevolgen van klimaatverandering en globalisering, met name op het gebied van water, voedsel, armoede en migratie, alsook de reeds bestaande bedreigingen zoals milieuverontreiniging, die steeds ernstiger worden,

F.  overwegende dat ondersteunende gezondheidszorgstelsels een essentieel element vormen van het Europese sociale model, dat sociale en gezondheidsdiensten in het algemeen een taak van algemeen belang vervullen en daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan sociale rechtvaardigheid en sociale cohesie,

G. overwegende dat ziektepatronen als gevolg van de vergrijzing veranderen – waardoor de behoefte aan formele en informele gezondheids- en ander zorgvoorzieningen groeit – en de duurzaamheid van gezondheidsstelsels onder druk komt te staan, en dat daarom speciale aandacht moet worden geschonken aan de ondersteuning van onderzoek en innovatie door zowel de publieke als de particuliere sector, en voorts overwegende dat krachtig beleid nodig is ter ondersteuning van de eerste levensfasen van kinderen, met name in bepaalde lidstaten,

H. overwegende dat er tussen en binnen lidstaten met betrekking tot de gezondheidszorg grote ongelijkheden bestaan,

I.   overwegende dat de burgers steeds meer een gemeenschappelijk en effectief optreden op het gebied van de gezondheid verwachten,

J.   overwegende dat daarnaast ook de bevoegdheden van de lidstaten op gezondheidsgebied en hun vrijheid om conform het subsidiariteitsbeginsel zelf te bepalen welk soort gezondheidsdiensten zij geschikt vinden, in acht moeten worden genomen, onder andere ook met betrekking tot de verschillende beheerssystemen en de specifieke formules die de afzonderlijke lidstaten hanteren bij het integreren van publieke en particuliere diensten voor gezondheidszorg,

K. overwegende dat het tot de bevoegdheden van de lidstaten blijft behoren om in geval van ethische bezwaren te bepalen of een bepaalde dienst al dan niet als een gezondheidsdienst moet worden beschouwd,

L.  overwegende dat de lidstaten op bepaalde terreinen niet op een effectieve manier zelfstandig kunnen werken en dat de Europese Unie zich sterk wil maken voor een gemeenschappelijk gezondheidsbeleid waarmee het toegevoegde waarde kan creëren (bijvoorbeeld wat betreft de uitwisseling van informatie en goede praktijken),

M. overwegende dat investeringen op gezondheidsgebied essentieel zijn voor de menselijke ontwikkeling en indirect van invloed zijn op de verschillende sectoren van de economie,

N. overwegende dat de mogelijkheden voor ziektepreventie nog voor een deel onbenut blijven,

O. overwegende dat naarmate de resistentie tegen antibiotica toeneemt, het gebruik daarvan steeds minder nut heeft; overwegende dat er tussen de lidstaten verschillen in resistentieniveau bestaan, hetgeen een gevolg is van verschillen in perceptie ten aanzien van het gebruik van en de controle op antibiotica (in sommige lidstaten wordt drie- tot viermaal zoveel antibiotica gebruikt als in andere); voorts overwegende dat resistentie tegen antibiotica een Europees probleem is, omdat er sprake is van frequent personenverkeer tussen de lidstaten (o.a. van toeristen), waardoor het gevaar voor verspreiding van resistente bacteriën toeneemt, en het inadequate gebruik van antibiotica bijgevolg nauwlettend moet worden gecontroleerd en voorzichtig gebruik moet worden aangemoedigd; tevens overwegende dat het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) de aangewezen instantie is om deze activiteiten te coördineren,

P.  overwegende dat veertig procent van de kosten voor gezondheidszorg gerelateerd is aan een ongezonde levensstijl (bv. alcoholgebruik, roken, gebrek aan beweging en slechte eetgewoonten),

Q. overwegende dat door effectieve bescherming van de gezondheid en de veiligheid op de werkvloer bedrijfsongevallen kunnen worden voorkomen, dat kan worden gezorgd dat zich minder beroepsziekten voordoen en het aantal mensen die door hun werk blijvend arbeidsongeschikt raken, wordt teruggedrongen,

R.  overwegende dat ondervoeding, waar een aanzienlijk aantal EU-burgers onder te lijden heeft – namelijk naar schatting 40% van de ziekenhuispatiënten en tussen de 40 en 80% van de bewoners van verzorgingstehuizen – de stelsels van gezondheidszorg in Europa evenveel kost als obesitas en overgewicht,

S.  overwegende dat iemands gezondheid niet alleen wordt bepaald door het al dan niet gebruiken van alcohol of tabak, gebrek aan lichaamsbeweging, eetgewoonten en vergelijkbare externe factoren, en dat er daarom meer aandacht moet worden besteed aan de psychosomatische aspecten van tal van ziekten en aan de diepere oorzaken van het verschijnsel dat steeds meer mensen te kampen hebben met depressies en andere psychische aandoeningen,

T.  overwegende dat de lidstaten moeten doorgaan met het bevorderen van bijstandsverlening aan mensen met een chronische aandoening en/of handicap, zodat deze mensen zo veel mogelijk in de samenleving kunnen worden geïntegreerd,

U. overwegende dat er door de toenemende vraag naar gezondheidszorg in veel lidstaten een dringende behoefte ontstaat aan actieve maatregelen voor het aanwerven en vasthouden van gezondheidswerkers, alsook om diensten aan te bieden ter ondersteuning van familieleden en vrienden die onbetaalde zorg verstrekken aan personen ten laste,

V. overwegende dat er in de gezondheidsstrategie van de EU meer aandacht moet worden besteed aan langetermijnzorg met behulp van nieuwe technologieën, aan de zorg voor mensen die lijden aan chronische ziekten, het bieden van thuiszorg aan ouderen en mensen met lichamelijke of geestelijke gebreken, en aan diensten ten behoeve van degenen die voor hen zorgen, voorts overwegende dat er in dit verband moet worden gestreefd naar synergieën tussen gezondheids- en sociale diensten,

1.  is ingenomen met het bovenvermelde Witboek van de Commissie over een EU-gezondheidsstrategie voor 2008-2013 en ondersteunt de daarin bepleite waarden, beginselen, strategische doelstellingen en specifieke actieplannen;

2.  is van mening dat het, gezien het bestaan van nieuwe bedreigingen voor de gezondheid, zaak is om gezondheid te behandelen als een essentieel beleidsonderdeel van de Lissabonstrategie, hetgeen onder meer betekent dat burgers toegang moet worden verschaft tot fatsoenlijke gezondheidszorg van de hoogste kwaliteit, zodat een gezonde en concurrentiebestendige beroepsbevolking is gewaarborgd;

3.  betreurt het dat in het Witboek geen specifieke kwantificeerbare en meetbare doelen worden aangegeven waarvan de verwezenlijking tastbare resultaten zou opleveren, en beveelt aan dergelijke doelstellingen alsnog te formuleren;

4.  benadrukt dat de gezondheidszorg behoefte heeft aan steun middels doeltreffende beleidsmaatregelen op alle terreinen en op alle niveaus in de lidstaten, in de EU (‘Gezondheid op alle beleidsgebieden’) en op mondiaal niveau;

5.  onderstreept het fundamentele belang van de erkenning van het recht van mannen en vrouwen op meer inspraak in zaken die betrekking hebben tot hun gezondheid en gezondheidszorg, en van het recht van kinderen op onvoorwaardelijke bescherming van hun gezondheid op basis van de algemene beginselen van universaliteit, gelijkwaardigheid en solidariteit;

6.  merkt op dat chronische aandoeningen en met name beroerten en hartkwalen volgens de WHO inmiddels vaker plegen voor te komen dan infectieziekten;

7.  beveelt aan om in het kader van het ziektepreventiebeleid op grote schaal gebruik te maken van gezondheidseffectevaluaties, aangezien de gevolgen voor de menselijke gezondheid van besluiten die door besluitvormingsorganen op de diverse niveaus, ook door lokale en regionale instanties en nationale parlementen, worden genomen meetbaar zijn;

8.  onderstreept dat de actieplannen die worden ondernomen zich met name dienen te richten op de oorzaken van bepaalde ziekten en op de noodzaak epidemieën en pandemieën terug te dringen en te voorkomen; wijst erop dat er ook problemen bestaan die gendergerelateerd zijn (zoals prostaatkanker bij mannen en baarmoederhalskanker bij vrouwen) en dat voor zulke problemen specifieke oplossingen moeten worden ontwikkeld;

9.  pleit ervoor het bevoegdheidsterrein van het ECDC uit te breiden tot niet-overdraagbare ziekten;

10. stelt voor dat de Commissie als prioritaire doelstelling vooropstelt dat vermijdbare ongelijkheden en verschillen op gezondheidsgebied tussen en binnen lidstaten moeten worden weggewerkt, alsook tussen verschillende maatschappelijke groepen en bevolkingscategorieën, waaronder ook mannen en mensen met geestelijke gezondheidsproblemen; roept de lidstaten er voorts toe op communautaire wetgevingsonderdelen zoals de transparantierichtlijn (89/105/EEG) volledig ten uitvoer te leggen;

11. beklemtoont dat de maatregelen die gericht zijn op het terugdringen van ongelijkheden op gezondheidsgebied ook gerichte promotiecampagnes, publieke voorlichtingsacties en preventieprogramma’s moeten omvatten;

12. is van mening dat ziektepreventiemaatregelen en vaccinatiecampagnes – voor zover er op dat terrein effectieve producten voorhanden zijn - fors moeten worden uitgebreid; dringt derhalve bij de Commissie aan op een ambitieus programma met preventiemaatregelen die zich over de volle periode van vijf jaar uitstrekken; onderschrijft de opvatting dat uitgaven voor gezondheidszorg, met name voor preventie en vroege opsporing van ziekten, niet alleen moeten worden gezien als een kostenpost, maar ook als een investering waarvan de waarde in termen van "aantal gezonde levensjaren" kan worden gemeten op basis van de structurele indicator waarin Lissabon voorziet;

13. onderstreept dat gezondheid een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welzijn is, en niet alleen maar de afwezigheid van ziekte of gebrek betekent;

14. wijst er met nadruk op dat het hebben van toegang tot betrouwbare, onafhankelijke en vergelijkbare informatie over gezonde gedragspatronen, ziekten en behandelingsmogelijkheden een eerste vereiste is voor een effectieve ziektepreventiestrategie;

15. onderstreept dat het streven om ziekten te voorkomen niet mag leiden tot een maatschappelijk klimaat waarin kinderen met een chronische aandoening of handicap niet geboren mogen worden; verzoekt de Commissie te bevorderen dat ouders van kinderen met een chronische aandoening en/of handicap concreet worden ondersteund;

16. benadrukt voorts dat het voor de bevordering van investeringen in gezondheid van wezenlijk belang is dat het rendement wordt gemeten van de investeringen die tot dusver zijn gedaan en dat de resultaten daarvan worden gepubliceerd;

17. benadrukt tevens het belang van goed georganiseerde, uitgebreide en effectieve screeningprogramma’s om de vroegtijdige opsporing en onmiddellijke behandeling van ziekten te faciliteren, waardoor de aan die ziekten gerelateerde mortaliteit en morbiditeit terugloopt;

18. is van mening dat het recht van burgers om toegang te krijgen tot gezondheidszorg en de verantwoordelijkheid die zij dragen voor hun eigen gezondheid van essentieel belang zijn wanneer de Europese Unie haar burgers tijdens hun gehele levensduur strenge gezondheids- en voedselveiligheidsnormen wil garanderen, en dringt aan op bijkomende investeringen voor het onderzoek naar ‘de aanwezige basiskennis op gezondheidsgebied’ ten einde de meest adequate strategieën te kunnen bepalen om dit besef onder de respectieve bevolkingsgroepen te vergroten; moedigt alle maatschappelijke sectoren ertoe aan een gezonde levensstijl te hanteren;

19. benadrukt dat het concept ‘gezonde levensstijl’ (d.w.z. gezonde voeding, geen misbruik van geneesmiddelen en voldoende lichaamsbeweging) moet worden aangevuld met een psychosociale dimensie (d.w.z. evenwicht tussen werk en gezin); betoogt dat een gezonde levensstijl bijdraagt aan een goede geestelijke en lichamelijke gezondheid en dat dit ook belangrijke factoren zijn voor het behoud van een concurrerende economie;

20. verwacht dat de Commissie speciale aandacht schenkt aan het vraagstuk van de duurzaamheid van gezondheidsstelsels en, in die context, tevens aan de rol en verantwoordelijkheid van de farmaceutische industrie;

21. juicht het voornemen van de Commissie toe om fundamentele gezondheidswaarden te definiëren en een systeem van gezondheidsindicatoren (op nationaal en subnationaal niveau) op te stellen en programma’s ter verwerving van de nodige basiskennis op gezondheidsgebied en preventieprogramma’s te stimuleren;

22. benadrukt dat het verbod om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als een bron van financieel voordeel aan te wenden, zoals dat is neergelegd in artikel 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet worden gezien als leidend beginsel op het gebied van de gezondheid, en in het bijzonder op het terrein van cel-, weefsel- en orgaandonatie en -transplantatie;

23. verwelkomt het voornemen van de Commissie om, conform het streven naar ‘gezondheid voor allen’, gezondheid en ziektepreventie onder alle leeftijdsgroepen te stimuleren; onderstreept de noodzaak om zowel op de werkplek als thuis veel aandacht te besteden aan belangrijke gezondheidsgerelateerde zaken zoals voeding, obesitas, fysieke activiteit, alcohol-, drugs- en tabaksgebruik en milieurisico’s, en daarnaast – conform het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen – hulp te verlenen bij gezond oud worden en de beperking van de lasten die zijn verbonden aan chronische ziekten;

24. verzoekt de Commissie met klem om ten aanzien van voeding een meer holistische benadering te volgen en ondervoeding, naast obesitas, tot een hoofdprioriteit op gezondheidsgebied te maken, en een en ander zoveel mogelijk te integreren in met EU-middelen gefinancierde initiatieven op het gebied van onderzoek, onderwijs en gezondheidsbevordering en in partnerschappen op EU-niveau;

25. roept de Commissie en de lidstaten op om in het kader van de EU-strategie inzake gezondheidszorg te streven naar de ontwikkeling van richtsnoeren voor een gemeenschappelijke definitie van het begrip "arbeidsongeschiktheid", waaronder o.a. ook mensen met chronische ziekten en kanker kunnen vallen, en dringt er in afwachting daarvan bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, op aan om deze mensen zo snel mogelijk onder hun nationale definitie van arbeidsongeschiktheid te laten vallen;

26. dringt er voorts op aan voorrang te verlenen aan verschaffing van gelijke toegang tot de gezondheidszorg voor personen met een handicap en de nodige financiële middelen uit te trekken om die prioritaire doelstelling te verwezenlijken;

27. dringt aan op effectieve maatregelen voor het bestrijden van antibioticaresistentie, onder andere door het receptplichtig maken van antibiotica, het opstellen van richtsnoeren die moeten bewerkstelligen dat antibiotica alleen nog worden voorgeschreven als ze daadwerkelijk noodzakelijk zijn, het treffen van voorzieningen ter verbetering van markeerproeven om een voorzichtiger gebruik van antibiotica aan te moedigen en, voor zover van toepassing, het invoeren van hygiënecodes; roept ertoe op speciale aandacht te besteden aan de MRSA-bacterie (meticillinresistente Staphylococcus aureus); wijst erop dat het ECDC moet controleren en beoordelen hoe de richtsnoeren en codes worden toegepast;

28. attendeert de Commissie en de lidstaten op de noodzaak tot ondersteuning van onderzoek en tot bevordering van de preventie, vroegtijdige opsporing en passende behandeling van chronische aandoeningen ten einde het welzijn en de levenskwaliteit van de betrokken patiënten te verbeteren;

29. is zich bewust van de vitale rol van zorgverleners en gezondheidszorgvoorzieningen en dringt er daarom op aan dat de nodige aandacht wordt besteed aan beleidsmaatregelen ter ondersteuning van zorgverleners en om naast de gezondheid van degenen waarvoor zij zorgen ook hun eigen gezondheid te beschermen;

30. merkt voorts op dat het van cruciaal belang is dat de lidstaten en hun respectieve toezichthoudende instanties voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg onderling informatie uitwisselen ten einde de mobiliteit van gezondheidswerkers en het bieden van garanties voor de veiligheid van patiënten binnen de gehele Europese Unie te faciliteren;

31. dringt in het kader van de gezondheidsstrategie van de EU aan op effectievere uitwisseling van optimale praktijken binnen de EU op alle terreinen van de gezondheidszorg, in het bijzonder met betrekking tot screeningprogramma's en de diagnose en behandeling van ernstige ziekten zoals kanker;

32. is van oordeel dat de EU verdere stappen moet ondernemen ter bescherming van gezondheidswerkers tegen ongevallen en letsel op de werkvloer indien de behoefte daaraan langs wetenschappelijke of medische weg wordt aangetoond;

33. is van mening dat ook de gebrekkige toepassing van communautaire milieuwetgeving een ongunstig effect heeft op de gezondheidstoestand van de Europese burgers;

34. wijst er met nadruk op dat de Europese burgers in bepaalde situaties worden geconfronteerd met gezondheidsproblemen als gevolg van luchtverontreiniging, die een ernstige bedreiging vormen voor de gezondheid, de ontwikkeling van kinderen verstoren en de levensverwachting in de EU verminderen(14);

35. is van mening dat een plan van aanpak voor de bevordering van een gezonde levensstijl in gezinnen, op school, in ziekenhuizen, verpleeginrichtingen, op het werk en bij de vrijetijdsbesteding van essentieel belang is voor een succesvolle ziektepreventie en een goede geestelijke gezondheid; geeft er zich rekenschap van dat het gezin van cruciaal belang is voor het creëren van een model voor een ‘gezonde levensstijl’, dat vaak later in het leven wordt nagevolgd;

36. vestigt de aandacht van de Commissie en de lidstaten op artikel 3 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin wetgevingsorganen ertoe worden opgeroepen de belangen van kinderen als een primaire aangelegenheid te behandelen, door onder andere de nodige voorzieningen te treffen voor moederschaps- en ouderschapsverlof, bescherming van de gezondheid en toegang tot gezondheidsdiensten in de eerste levensjaren, en daarbij in het bijzonder rekening te houden met het effect van ouderlijke aanwezigheid, toewijding en borstvoeding op de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van kleine kinderen;

37. benadrukt de noodzaak van een betere gezondheidszorg en voorlichting voor zwangere en zogende vrouwen over de risico's van het gebruik van alcohol, drugs en tabak tijdens de zwangerschap en de borstvoeding;

38. onderstreept de noodzaak om het publieke besef omtrent reproductieve en seksuele gezondheid te vergroten teneinde ongewenste zwangerschappen en de verspreiding van seksueel overdraagbare ziekten te voorkomen en maatschappelijke en gezondheidsproblemen als gevolg van onvruchtbaarheid te verminderen;

39. ondersteunt initiatieven ter bestrijding van specifieke ziektecategorieën en is van mening dat ter wille van de effectiviteit moet worden gezocht naar geschikte werkmethoden en organisatorische technieken om de interinstitutionele samenwerking te verbeteren;

40. roept de Commissie en de lidstaten op zich te beraden over de bijdrage die een geïntegreerd maatschappelijk en gezondheidsbeleid (in de zin van maatschappelijk relevante gezondheidszorg) kan bieden bij de ontwikkeling van een eigentijdse benadering voor het bevorderen en beschermen van de gezondheid, met name voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals jonge kinderen en mensen die niet zelfstandig kunnen opereren;

41. is van mening dat de EU zijn onderzoeksinspanningen in toenemende mate moet concentreren op belangrijke maar vaak verwaarloosde patiëntengroepen, zoals mensen met gezondheidsproblemen van psychische aard en mannen;

42. verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het kader van deze strategie de synergieën tussen wetenschappelijk en technologisch onderzoek enerzijds, met name ten aanzien van nieuwe vormen van onderzoek op medische terreinen die momenteel ondergefinancierd zijn, en de ontwikkeling van nieuwe medische sectoren en therapieën anderzijds nader te onderzoeken, teneinde ervoor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot deze therapieën, aangezien deze een zeer positieve invloed op de gezondheidstoestand van de burgers van de EU kunnen hebben en de doelmatigheid van het gezondheidsstelsel kunnen verbeteren;

43. verwelkomt de door de Commissie bepleite aanpak voor het effectief bestrijden van de namaak van medicijnen, en spoort de Commissie ertoe aan te bevorderen dat een internationaal verdrag over dit onderwerp wordt opgesteld of dat er een aanvullend protocol wordt toegevoegd aan het VN-Verdrag ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (Verdrag van Palermo);

44. roept de Commissie en de lidstaten ertoe op om voor elke belangrijke categorie van ziekten expertisecentra op te richten, die voor patiënten en hun gezinnen, voor artsen en gezondheidswerkers, voor de gezondheidssector en ook voor anderen als referentie-, informatie- en voorlichtingspunt zouden kunnen fungeren;

45. wijst erop dat regionale en lokale gezondheidsinstanties in veel lidstaten vaak verantwoordelijk zijn voor de planning, het beheer, de werking en de ontwikkeling van de gezondheidssector en vaak ook de financiële verantwoordelijkheid dragen voor deze sector, een grondige kennis van en inzicht in de sector hebben en wezenlijke partners zijn bij de formulering en uitvoering van het gezondheidsbeleid;

46. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan rekening te houden met het feit dat algemeen wordt erkend dat thermale kuren een positief effect hebben op het herstel en op het behoud van de gezondheid van de mens;

47. roept de Commissie ertoe op de ontwikkeling van e-gezondheidszorg, nieuwe technologieën in de gezondheidszorg en gebruikersgestuurde innovaties op het gebied van medische apparatuur te ondersteunen;

48. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om op EU-niveau een gestructureerd samenwerkingsmechanisme op te zetten en een nauwere samenwerking aan te gaan met de belanghebbenden, met medewerking van de burgersamenleving; onderstreept de noodzaak om ook werkgevers- en werknemersorganisaties bij dit partnerschap te betrekken;

49. roept de lidstaten en de regionale en lokale overheden ertoe op dit samenwerkingsmechanisme te gebruiken voor het verbeteren van de uitwisseling van optimale praktijken; roept de Commissie ertoe op om op basis van dergelijke optimale praktijken proactief richtsnoeren en aanbevelingen op te stellen;

50. is het ermee eens dat initiatieven die deel uitmaken van deze strategie tot het verstrijken van het nu lopende financieringskader (2013) moeten worden ondersteund met behulp van bestaande financiële instrumenten, zonder dat dit bijkomende budgettaire gevolgen heeft;

51. roept de Commissie ertoe op om de lidstaten aan te bevelen bij de formulering van hun nationale gezondheidsstrategieën ook prioriteiten vast te stellen voor andere projecten, die eventueel ook buiten het terrein van de volksgezondheid kunnen liggen;

52. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 301 van 20.11.2007.

(2)

PB C 146 van 22.6.2006, blz. 1.

(3)

PB L 213 van 15.6.2004, blz. 8.

(4)

PB C 146 van 22.6.2006, blz. 4.

(5)

PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 754.

(6)

Aangenomen teksten, P6_TA-PROV(2008)0130.

(7)

Aangenomen teksten, P6_TA-PROV(2008)0121.

(8)

Aangenomen teksten, P6_TA-PROV(2008)0009.

(9)

PB C 175 E van 10.7.2008, blz. 561.

(10)

PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 148.

(11)

PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 264.

(12)

PB C 296 E van 6.12.2006, blz. 273.

(13)

PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

(14)

‘Europe’s environment: 4th assessment, summary’ – Europees Milieuagentschap, 10 oktober 2007.


TOELICHTING

Eind 2007 kwam de Commissie met een EU-gezondheidsstrategie onder de titel ‘Samen werken aan gezondheid: een EU-strategie voor 2008-2013’, die gebaseerd is op de toezegging van de lidstaten en de Gemeenschap om de gemeenschappelijke waarden en beginselen van het gezondheidsbeleid te respecteren, de juiste voorwaarden te scheppen voor burgers, zodat zij gedurende hun leven hun rechten en verantwoordelijkheden kunnen uitoefenen met betrekking tot hun eigen gezondheid en actief betrokken zijn bij het besluitvormingsproces en de aanpassing van de gezondheidszorg aan de wensen van patiënten, ongelijkheden op gezondheidsgebied tussen sociale groepen, lidstaten en regio’s te verminderen, investeringen op gezondheidsgebied te zien als een voorwaarde voor economische ontwikkeling en gezondheid consequent op alle niveaus in het beleid op te nemen.

Gezondheid is een van de belangrijkste waarden in het leven van mensen. Zorgwekkende trends op het gebied van gezondheid, met name het ondanks de verbeterde behandelmethoden groeiende aantal gevallen van kanker, hart- en vaatziekten, diabetes en obesitas, betekenen dat dit principe steeds meer in gevaar komt.

Daarnaast zorgen de vergrijzing, klimaatverandering en mondialisering voor nieuwe uitdagingen. Er wordt gesproken over mogelijke pandemieën en bioterrorisme. De Wereldgezondheidsorganisatie voorspelt een kankerepidemie in de komende jaren. In de tussentijd stijgt de vraag naar mobiliteit van patiënten en gezondheidswerkers.

Gezondheidsstelsels, evenals de financiering daarvan, komen steeds meer onder druk te staan. In de afgelopen jaren zijn de kosten van medicijnen sterker gestegen dan de algemene kosten op het gebied van gezondheid, wat aanleiding gaf tot publieke bezorgdheid over de gelijke behandeling in de gezondheidszorg en de duurzaamheid van gezondheidsstelsels. Een aantal lidstaten doet pogingen om hun gezondheidsstelsels te hervormen.

Er bestaan grote ongelijkheden op gezondheidsgebied tussen en binnen de EU-lidstaten. Wanneer het gaat over kanker, zijn de verschillen in overlevingskans tussen de nieuwe en de oude lidstaten dusdanig groot dat we kunnen spreken van een ‘ijzeren gordijn op gezondheidsgebied’. Ondanks de algemene vergrijzing valt volgens Eurostat een verschil in levensverwachting bij de geboorte voor vrouwen te constateren met negen jaar en voor mannen met dertien jaar, terwijl de kindersterfte zesmaal hoger ligt. De EU moet op dit terrein krachtiger maatregelen nemen om deze ongelijkheden te verminderen, met name door middel van uitwisseling van goede praktijken op diverse gebieden en door gerichte promotie en publieke voorlichting voor een betere gezondheidszorg.

Gezondheid werd al genoemd in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en heeft met ieder daaropvolgend verdrag aan belang gewonnen. Hoewel gezondheid volgens artikel 152 van het Verdrag van Amsterdam onder de bevoegdheid van de lidstaten valt, streeft de EU er, gebruik makend van de communautaire en intergouvernementele methode, naar om een effectief beleid op die terreinen tot stand te brengen waar de lidstaten alléén niet adequaat kunnen handelen. De naleving van het subsidiariteitsbeginsel zou een van de uitgangspunten moeten zijn voor samenwerking, en niet als excuus moeten dienen om geen gezamenlijke actie te ondernemen.

Het is duidelijk dat de gezondheidssector behoefte heeft aan een strategische en brede benadering voor de lange termijn, hetgeen vereist dat alle belangrijke partijen in de lidstaten en op EU-niveau samenwerken. Indien we deze samenwerking willen verbeteren, moeten we beoordelen welke vormen van interinstitutionele samenwerking de effectiviteit van onze gezamenlijke inspanningen kunnen verhogen.

Op het gebied van ziektepreventie is een belangrijke strategische doorbraak vereist. Hoewel het belang van het voorkomen van ziekten al sinds jaren onderstreept wordt, gaat nog steeds slechts drie procent van het gezondheidsbudget naar preventie. Tegelijkertijd weten we dat we met een preventief beleid veel betere resultaten kunnen boeken, aangezien veertig procent van de ziekten verbonden zijn aan een ongezonde levensstijl en we een derde van de kankergevallen zouden kunnen voorkomen.

Uit de strategie van Lissabon blijkt duidelijk dat gezondheid een zeer belangrijke economische factor is. Het geld dat geïnvesteerd wordt in de gezondheidszorg moet niet alleen worden ervaren als een kostenpost, maar tevens worden gezien als een essentieel onderdeel van de kwaliteitsinvesteringen in menselijk kapitaal.

Gezondheid moet daarom worden beschouwd als een van de voornaamste sociale en politieke factoren waar de toekomst van de EU van afhangt. Indien we het algemene niveau van de gezondheid willen verbeteren, moeten we zo snel mogelijk een samenhangend gezondheidsbeleid invoeren dat meerdere sectoren bestrijkt en gecoördineerd wordt tussen de verschillende beleidsniveaus (‘Gezondheid op alle beleidsgebieden’). Dit betekent dat het gezondheidsbeleid zichtbaar aanwezig moet zijn in het hervormde gemeenschappelijke landbouwbeleid (met de nadruk op de productie van gezond voedsel), het milieubeschermingsbeleid, het industriebeleid, het transportbeleid, het ontwikkelingsbeleid, onderzoek en technische innovatie, onderwijs, sport en maatschappelijk welzijn.

Doel van dit beleid moet zijn het bereiken van gezondheid voor allen, waarbij burgers de mogelijkheid krijgen om zelf hun weg te bepalen naar een betere gezondheid.

In dit verband bieden het Witboek van de Commissie en de conclusies van de Raad van december 2007 een goed uitgangspunt om meer gezamenlijke acties met het oog op een effectieve ontwikkeling van het gezondheidsbeleid tot stand te brengen. We moeten de fundamentele gezondheidswaarden, een systeem van EU-gezondheidsindicatoren en manieren voor de vermindering van ongelijkheden op gezondheidsgebied definiëren, een analytisch onderzoeksprogramma ontwikkelen waarmee de gezondheidsstatus, de investeringen op gezondheidsgebied en de economische groei en ontwikkeling kunnen worden onderzocht, maatregelen nemen waarmee de gezondheid van alle leeftijdsgroepen wordt gestimuleerd; voorzieningen treffen met betrekking tot roken, voeding, alcohol, psychisch welzijn en andere factoren die de gezondheid beïnvloeden; mechanismen versterken voor het controleren van en reageren op bedreigingen voor de gezondheid; vernieuwingen in gezondheidsstelsels ondersteunen en werkwijzen voorstellen voor het invoeren van een gestructureerde samenwerking tussen EU-instellingen.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (26.6.2008)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Samen werken aan gezondheid: Een EU-strategie voor 2008-2013

(2007/2115(INI))

Rapporteur voor advies: Milan Cabrnoch

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat ondersteunende gezondheidsstelsels een essentieel element vormen van het Europese sociale model, dat sociale en gezondheidsdiensten in het algemeen een taak van algemeen belang vervullen en daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan sociale rechtvaardigheid en sociale cohesie,

B.  overwegende dat toegang tot gezondheidszorg een grondrecht is dat is neergelegd in artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en het bieden van gelijke toegang voor iedereen tot een hoogwaardige gezondheidszorg een kerntaak is van de openbare instanties van de lidstaten,

C. overwegende dat de lidstaten, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en ingevolge artikel 152, lid 5 van het EG-Verdrag, verantwoordelijk zijn voor het organiseren van gezondheidszorg,

D. overwegende dat alle burgers van de Unie het recht hebben om gezondheidszorg te ontvangen,

E.  overwegende dat een goede gezondheid en een hoog niveau van gezondheidsbescherming een positief effect hebben op de waarborging van de werkgelegenheid en het welzijn van de burgers, en bijdragen tot een grotere productiviteit en een betere concurrentiepositie op nationaal en EU-niveau,

F.  in overweging van het strategisch belang van de gezondheidszorgsector in de nationale economieën, gezien het grote aantal mensen dat momenteel daarin werkzaam is en het potentieel van deze sector om nog veel meer banen te creëren, hetgeen leidt tot meer groeipotentieel voor nationale economieën,

G. overwegende dat de gezondheidszorg zich dient aan te passen aan de veranderende behoeften en kenmerken van de EU-bevolking en gebaseerd dient te zijn op de beginselen van preventie, bescherming van de gezondheid en bevordering van een goede gezondheid – zowel lichamelijk als geestelijk - en op het aanmoedigen van een gezonde levensstijl van jongs af aan,

H. overwegende dat door effectieve bescherming van de gezondheid en veiligheid op de werkvloer bedrijfsongevallen kunnen worden voorkomen, kan worden gezorgd dat zich minder beroepsziekten voordoen, en de hoeveelheid mensen kan worden teruggebracht die omwille van hun werk langdurig arbeidsongeschikt raken,

I.   overwegende dat er in de communautaire gezondheidsstrategie met behulp van nieuwe technologieën meer aandacht dient te worden besteed aan langdurige zorg, de zorg voor mensen die aan chronische ziekten lijden, het bieden van thuiszorg aan ouderen en aan mensen met lichamelijke of geestelijke gebreken, en diensten voor degenen die voor hen zorgen; en overwegende dat, in dit verband, er naar synergie tussen de gezondheidsdiensten en de sociale diensten dient te worden gestreefd,

J.   overwegende dat zorgverleners een onontbeerlijk, maar veelal ondergewaardeerd onderdeel zijn van onze zorgstelsels en onze samenleving,

K. overwegende dat de EU-gezondheidsstrategie en grensoverschrijdende samenwerking in de sector gezondheidszorg tussen de lidstaten onderling enerzijds, en tussen de lidstaten en de Commissie anderzijds, in de politieke, bestuurlijke, medische, onderwijskundige, technische en wetenschappelijke sector, er niet toe mogen leiden dat solidariteitssystemen en de taak van de openbare dienstverlening op het vlak van gezondheidszorg financieel of organisatorisch worden ondermijnd,

L.  overwegende dat door de toenemende vraag naar dienstverlening in de gezondheidszorgsector in veel lidstaten een dringende behoefte aan maatregelen voor het aanwerven en "vasthouden" van vakmensen in deze sector ontstaat, alsmede de behoefte om diensten aan te bieden ter ondersteuning van familieleden en vrienden die onbetaalde zorg verlenen aan personen ten laste,

1.  is het met de Commissie eens dat de EU in een aantal grensoverschrijdende aspecten, waaronder de mobiliteit van gezondheidswerkers, de samenwerking tussen publieke en particuliere instellingen, en het vrije verkeer van goederen, diensten en patiënten, van toegevoegde waarde kan zijn;

2.  merkt echter op dat het van cruciaal belang is dat de lidstaten en hun respectieve toezichthoudende instanties voor zorgmedewerkers onderling informatie uitwisselen, wil men de mobiliteit van zorgmedewerkers mogelijk maken en de veiligheid binnen de gehele Europese Unie waarborgen;

3.  is ervan overtuigd dat patiënten mondiger moeten worden gemaakt en dat in het kader hiervan informatiestrategieën moeten worden opgezet om de patiënten op adequate wijze te informeren over hun rechten en plichten, met inbegrip van hun recht op vrij verkeer ten behoeve van medische zorgverlening, waarbij de normen voor dergelijke zorg binnen de gehele EU gewaarborgd worden, alsook over de aansluiting op de nationale stelsels van gezondheidszorg, hetgeen hen aldus in toenemende mate in staat zal stellen om actieve deelnemers in plaats van alleen maar passieve ontvangers in de gezondheidszorg te worden, en de persoonlijke volwassenheid zal bevorderen, waardoor bevolkingsgroepen in staat zullen zijn om hun eigen reactie te formuleren op bepaalde zorgbehoeften, en om hier actief verantwoordelijkheid voor te dragen;

4.  roept de Commissie op niet voorbij te gaan aan de rol die zorgverleners spelen in de samenleving en vraagt de Commissie passende maatregelen te nemen om te zorgen dat zorgverleners worden opgenomen in de toekomstige beleidsformuleringen;

5.  stelt vast dat de Commissie bijgewerkte gegevens en statistieken over zorgverleners moet verzamelen teneinde deze met toekomstige beleidsinitiatieven te kunnen ondersteunen;

6.  roept de Commissie en de lidstaten op om in het kader van de EU-strategie inzake gezondheidszorg te streven naar het opstellen van richtsnoeren voor een gemeenschappelijke omschrijving van arbeidsongeschiktheid, die onder meer mensen met chronische ziekten en kanker omvat, en roept ondertussen alle lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, op om deze mensen zo snel mogelijk op te nemen in hun nationale omschrijving van arbeidsongeschiktheid;

7.  is van mening dat de opleiding van werkers in de gezondheidszorg dient te worden aangepast aan de dynamiek van de gezondheidszorg en dat dit betekent dat het levenslang leren onder werkers in de gezondheidszorg moet worden bevorderd, zodat zij volledig kunnen profiteren van zowel de ontwikkelingen in de informatie- en communicatietechnologiesector als de nieuwe medische, wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, en de ontwikkeling omvat van stabiele opleidingsstructuren om voor dit levenslang leren zorg te dragen, met de mogelijkheid van erkenning in heel Europa; hecht voorts bijzonder belang aan initiatieven van instellingen en universiteiten die uitvoerige trainingscursussen hebben ingevoerd, welke worden gekenmerkt door bijdragen van tal van deskundigen en gericht zijn op de ontwikkeling van een methode om medische voorzieningen te integreren, met name ten aanzien van de medische behoeften op de lange termijn; wijst er voorts op dat de bescherming van werknemers en gezondheid alsook de arbeidsomstandigheden in de sector gezondheidszorg moeten worden verbeterd;

8.  roept de Commissie en de lidstaten op te garanderen dat patiënten toegang houden tot levensreddende geneesmiddelen, ook als deze zeer kostbaar zijn, teneinde het universele recht op gezondheid te waarborgen;

9.  verzoekt de lidstaten om in het kader van de EU-strategie inzake gezondheidszorg een zorgstelsel en sociale diensten te bieden die beschikbaar zijn voor vakmensen en informele zorgverleners, aangezien de ondersteuning van hen ertoe leidt dat er zorg van hogere kwaliteit wordt geboden;

10. is van mening dat de Europese Unie, in het geval dat wetenschappelijk of medisch komt vast te staan dat hier behoefte aan is, verdere maatregelen moet nemen ter bescherming van zorgmedewerkers tegen ongevallen en letsel op de werkvloer; verwelkomt de plannen van de Commissie om voor het einde van 2008 een richtlijn voor te stellen tot wijziging van Richtlijn 2000/54/EG inzake biologische agentia op het werk, teneinde te zorgen dat zorgmedewerkers worden beschermd tegen infecties als gevolg van verwondingen met naalden of andere scherpe medische gereedschappen;

11. roept de Commissie en de lidstaten op om in het kader van de strategie meer te doen aan het indammen van het aanzienlijke gevaar van in het ziekenhuis opgelopen infecties, zoals MRSA, waar zorgmedewerkers en patiënten aan zijn blootgesteld, door middel van betere uitwisseling van goede praktijkvormen, bij voorbeeld de doorvoering van effectieve screeningprogramma's en de verplichte quarantaine van besmette patiënten en zorgmedewerkers;

12. verzoekt in het kader van de gezondheidsstrategie om effectievere uitwisseling van goede praktijkvormen binnen de Europese Unie op alle vlakken van zorgvoorziening, in het bijzonder met betrekking tot screeningprogramma's en de diagnose en behandeling van ernstige ziekten zoals kanker, en om eventuele toepassing van optimale werkmethoden indien lidstaten met succes hun gezondheids- en sociale diensten hebben geïntegreerd, zodat overige lidstaten hier weer van kunnen leren;

13. verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het kader van de strategie de synergie tussen wetenschappelijk en technologisch onderzoek enerzijds, met name ten aanzien van nieuwe vormen van onderzoek op medische terreinen die momenteel ondergefinancierd zijn, en de ontwikkeling van nieuwe medische sectoren en therapieën anderzijds nader te onderzoeken, teneinde ervoor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot deze therapieën, aangezien deze een zeer positieve invloed op de gezondheidstoestand van de burgers van de Unie kunnen hebben en de doelmatigheid van het stelsel kunnen vergroten;

14. benadrukt dat alle Gemeenschapsinitiatieven op het vlak van gezondheid moeten uitgaan van het beginsel van solidariteit, waarop ook alle nationale zorgstelsels zijn gefundeerd, en waarbij wordt gezorgd dat elke patiënt gelijk behandeld wordt; is van mening dat toegang tot zorg gegarandeerd moet worden door middel van effectieve vergoeding van kosten, uitgaande van gedeelde risico's.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.6.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

4

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Andersson, Edit Bauer, Iles Braghetto, Philip Bushill-Matthews, Alejandro Cercas, Derek Roland Clark, Luigi Cocilovo, Jean Louis Cottigny, Jan Cremers, Proinsias De Rossa, Richard Falbr, Carlo Fatuzzo, Ilda Figueiredo, Roger Helmer, Karin Jöns, Ona Juknevičienė, Jean Lambert, Raymond Langendries, Bernard Lehideux, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Maria Matsouka, Elisabeth Morin, Juan Andrés Naranjo Escobar, Csaba Őry, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Pier Antonio Panzeri, Elisabeth Schroedter, José Albino Silva Peneda, Jean Spautz, Gabriele Stauner, Ewa Tomaszewska, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Jean Marie Beaupuy, Petru Filip, Donata Gottardi, Marian Harkin, Rumiana Jeleva, Sepp Kusstatscher, Roberto Musacchio, Csaba Sógor, Patrizia Toia, Glenis Willmott


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (17.7.2008)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake Samen werken aan gezondheid: Een EU-strategie voor 2008-2013

(2008/2115(INI))

Rapporteur voor advies: Siiri Oviir

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt gesteld dat discriminatie op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst verboden is (artikel 21), dat eenieder recht heeft op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging en dat een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt gewaarborgd (artikel 35),

1.  onderstreept het fundamentele belang van de erkenning van het recht van mannen en vrouwen op meer inspraak in vraagstukken met betrekking tot hun gezondheid en gezondheidszorg, en het recht van kinderen op onvoorwaardelijke bescherming van hun gezondheid, uitgaande van de algemene waarden van universaliteit, gelijkwaardigheid en solidariteit;

2.  is verheugd over het witboek van de Commissie, getiteld: "Samen werken aan gezondheid: Een EU-strategie voor 2008-2013" (COM(2007)0630), maar betreurt het feit dat de uitgangspunten, maatregelen en doelstellingen in het gepresenteerde verslag tekortschieten op het vlak van analyse en gendermainstreaming; dringt er bij de Commissie op aan om bij de toekomstige strategie voor elk gebied gendermainstreaming duidelijk als thema neer te zetten;

3.  benadrukt de noodzaak om kwesties van volksgezondheid te integreren in alle beleidsterreinen van de EU, door ook gebruik te maken van de instrumenten voor effectbeoordeling en –evaluatie, waarmee zowel de promotie en het begrip van gezondheidsvraagstukken alsook de daadwerkelijke aanpak daarvan op communautair niveau kunnen worden verbeterd via de toepassing van een benadering op lange termijn, en de integratie van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in het volksgezondheidsbeleid te versterken;

4.  uit kritiek op de Commissie omdat zij in haar witboek niet naar behoren rekening heeft gehouden met gendermainstreaming;

5.  wijst erop dat gendermainstreaming helpt bij het opsporen en ophelderen van de verschillen tussen vrouwen en mannen, jongens en meisjes, en aantoont welke weerslag deze verschillen hebben op de gezondheidstoestand, de toegang tot en de interactie met het stelsel van gezondheidszorg;

6.  wijst erop dat het geslacht van een patiënt een factor van cruciaal belang is in de manier waarop artsen/gezondheidszorgpersoneel de symptomen interpreteren, de diagnose stellen en een behandeling geven, zelfs indien de symptomen bij vrouwen en mannen precies dezelfde zijn en geen enkel biomedisch feit een onderscheid rechtvaardigt;

7.  doet een beroep op de Commissie om op grond van aanbevelingen van de WHO verslag uit te brengen over de gezondheidstoestand van vrouwen en kinderen opdat maatregelen kunnen worden genomen en analyses kunnen worden opgemaakt van de toegankelijkheid van gezondheidsdiensten en de gevolgen daarvan voor verschillende sociale groepen in verschillende regio's, rekening houdend met demografische veranderingen en milieufactoren;

8.  is er zeker van dat het waarborgen van een goede gezondheidstoestand van de actieve bevolking, van ouderen en kinderen, van mannen en vrouwen eist dat zij via levenslang leren kennis verwerven van gezondheidsvraagstukken en zich fundamentele vaardigheden eigen maken voor de bescherming van hun gezondheid,

9.  dringt erop aan dat een belangrijkere rol wordt toegekend aan het vraagstuk van de solidariteit, hetgeen inhoudt dat steun moet worden gegeven aan vrouwen en mannen, meisjes en jongens die lijden onder een gebrekkige gezondheidstoestand of een handicap; doet een beroep op de Commissie om in de gezondheidsstrategie een voorstel te doen voor verdere activiteiten ter zake;

10. onderstreept dat gezondheid een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn is, en niet enkel de afwezigheid van ziekte of gebrek betekent;

11. beklemtoont de noodzaak om te zorgen voor bewustwording met betrekking tot de milieufactoren die de gezondheid van vrouwen en mannen, meisjes en jongens beïnvloeden, zoals luchtverontreiniging, gevaarlijke chemische stoffen en toxische plantenverdelgingsmiddelen; doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om in hun gezondheidsstrategieën en alomvattende beleidsstrategieën sterker rekening te houden met milieufactoren, teneinde een hoog niveau van gezondheidsbescherming te verzekeren;

12. vestigt de aandacht van de Commissie en de lidstaten op artikel 3 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin wetgevende organen worden opgeroepen de belangen van kinderen als belangrijkste overweging te beschouwen, onder andere door de nodige voorzieningen te treffen voor ouderschapsverlof, bescherming van de gezondheid en toegang tot gezondheidsdiensten in de eerste levensjaren, en daarbij in het bijzonder rekening te houden met het effect van ouderlijke aanwezigheid, toewijding en borstvoeding op de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van kleine kinderen;

13. herinnert aan het gegeven dat er in absolute cijfers beduidend meer vrouwen dan mannen werkzaam zijn in de gezondheids- en ziekenzorg, maar dat vrouwen nog steeds sterk ondervertegenwoordigd zijn in besluitvormende instanties; ook aan dit gegeven moet aandacht worden geschonken; de toekomstige strategie moet hiervan een analyse vanuit genderperspectief te bevatten;

14. betreurt dat jonge meisjes en vrouwen blootstaan aan steeds effectievere en doelgroepsgerichte reclame voor onder meer alcohol;

15. benadrukt de noodzaak om het publieke bewustzijn met betrekking tot reproductieve en seksuele gezondheid te vergroten teneinde ongewenste zwangerschappen en de verspreiding van seksueel overdraagbare ziekten te voorkomen en sociale en gezondheidsproblemen als gevolg van onvruchtbaarheid te verminderen;

16. onderstreept dat er kwetsbare groepen zijn, zoals vrouwen die zwanger zijn of borstvoeding geven, kinderen en meisjes in de puberteit, wier gezondheid aan bijzondere risico's is blootgesteld wegens gevaarlijke milieufactoren; doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om in hun gezondheidsstrategieën en alomvattende beleidsstrategieën een hoog niveau van bescherming van deze kwetsbare groepen te verzekeren;

17. benadrukt de noodzaak van een betere gezondheidszorg en voorlichting voor zwangere en zogende vrouwen over de risico's van het gebruik van alcohol, drugs en tabak tijdens de zwangerschap en de borstvoeding;

18. betreurt het dat de risico's die samenhangen met de leefstijl van zwangere vrouwen (veel moedwillig veroorzaakte en herhaalde abortussen, roken tijdens de zwangerschap), het onderwijsniveau van moeders en de kindersterfte na de 28ste dag nog altijd nauw met elkaar samenhangen, dat tienerzwangerschappen en -bevallingen nog altijd een groter gezondheidsrisico voor de pasgeborene opleveren en dat medische problemen bij pasgeborenen zijn toegenomen;

19. is van mening dat gendergevoelige preventieve maatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met gefundeerde wetenschappelijke gegevens en met plaatselijke en leeftijdsgebonden ongelijkheden, en waarmee de bevordering wordt beoogd van gezondheid en behandeling, evenals van het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) bij de toegang tot diensten en bij de veiligheid en gezondheid van werknemers, helpen bij het verlagen van de aantallen ziektegevallen en van de sterftecijfers bij vrouwen, en de kwaliteit van hun leven in de EU verhogen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.7.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

0

14

Bij de eindstemming aanwezige leden

Edit Bauer, Emine Bozkurt, Hiltrud Breyer, Edite Estrela, Věra Flasarová, Lissy Gröner, Esther Herranz García, Lívia Járóka, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Urszula Krupa, Roselyne Lefrançois, Astrid Lulling, Siiri Oviir, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Zita Pleštinská, Anni Podimata, Karin Resetarits, Eva-Britt Svensson, Anne Van Lancker, Corien Wortmann-Kool, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Gabriela Creţu, Lena Ek, Iratxe García Pérez, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Anna Hedh, Christa Klaß, Marusya Ivanova Lyubcheva, Maria Petre, Zuzana Roithová, Heide Rühle

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Manolis Mavrommatis


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.9.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

53

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Adamos Adamou, Georgs Andrejevs, Liam Aylward, Pilar Ayuso, Johannes Blokland, John Bowis, Frieda Brepoels, Martin Callanan, Dorette Corbey, Chris Davies, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Anne Ferreira, Karl-Heinz Florenz, Elisabetta Gardini, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Satu Hassi, Gyula Hegyi, Jens Holm, Marie Anne Isler Béguin, Caroline Jackson, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Holger Krahmer, Urszula Krupa, Aldis Kušķis, Marie-Noëlle Lienemann, Linda McAvan, Roberto Musacchio, Riitta Myller, Péter Olajos, Miroslav Ouzký, Vladko Todorov Panayotov, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Dagmar Roth-Behrendt, Guido Sacconi, Amalia Sartori, Carl Schlyter, Richard Seeber, María Sornosa Martínez, Evangelia Tzampazi, Thomas Ulmer, Anja Weisgerber, Glenis Willmott

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Giovanni Berlinguer, Iles Braghetto, Bairbre de Brún, Duarte Freitas, Genowefa Grabowska, Jutta Haug, Alojz Peterle, Donato Tommaso Veraldi

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Armando França

Laatst bijgewerkt op: 25 september 2008Juridische mededeling