over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden
(COM(2008)0016 – C6-0043/2008 – 2008/0013(COD))
Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
Rapporteur: Avril Doyle
Rapporteur voor advies(*):
Lena Ek, Commissie industrie, onderzoek en energie
(*) Medeverantwoordelijke commissie – artikel 47 van het Reglement
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0016),
– gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 175, lid 1, van het EGVerdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0043/2008),
– gelet op artikel 51 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie internationale handel, de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0406/2008),
1. hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;
2. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(2) Het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij Besluit 94/69/EG van de Raad van 15 december 1993 betreffende het sluiten van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, heeft als uiteindelijke doelstelling de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarop een gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Om deze doelstelling te halen mag de algehele stijging van het mondiale jaarlijkse gemiddelde van de oppervlaktetemperatuur niet hoger uitkomen dan 2°C boven het pre-industriële niveau. Uit het meest recente evaluatieverslag van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) blijkt dat om dit te bereiken de mondiale emissie van broeikasgassen na 2020 niet verder mag stijgen. Dit betekent dat de activiteiten van de Gemeenschap moeten worden opgevoerd, dat de ontwikkelde landen snel bij de emissiebeperking moeten worden betrokken en dat de deelname van ontwikkelingslanden aan dit proces moet worden gestimuleerd.
(2) Het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij Besluit 94/69/EG van de Raad van 15 december 1993 betreffende het sluiten van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, heeft als uiteindelijke doelstelling de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarop een gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Om deze doelstelling te halen mag de algehele stijging van het mondiale jaarlijkse gemiddelde van de oppervlaktetemperatuur niet hoger uitkomen dan 2°C boven het pre-industriële niveau. Uit het meest recente evaluatieverslag van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) blijkt dat om dit te bereiken de mondiale emissie van broeikasgassen na 2020 niet verder mag stijgen. Uit recent wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de koolstofdioxideconcentratie in de atmosfeer moet worden gereduceerd tot 350 deeltjes per miljoen, wat betekent dat de emissie van broeikasgassen tegen 2035 met ongeveer 60% zou moeten verminderen. Dit betekent dat de activiteiten van de Gemeenschap moeten worden opgevoerd, dat de ontwikkelde en nieuw-geïndustrialiseerde landen snel bij de emissiebeperking moeten worden betrokken en dat de deelname van ontwikkelingslanden aan dit proces moet worden gestimuleerd.
Motivering
Daar de klimaatsituatie ernstiger is dan werd aangenomen, is op het onlangs in Tällberg, Zweden gehouden forum waaraan werd deelgenomen door wetenschappers van NASA en het Milieu-instituut van Stockholm voorgesteld dat we het CO2-gehalte in de atmosfeer om rampzalige gevolgen te voorkomen terugdringen tot minder dan 350 ppm (deeltjes per miljoen). Tot voor kort was de wetenschap het erover eens dat de veiligheidsmarge ter voorkoming van de ernstigste gevolgen van klimaatverandering bij 450 ppm lag, terwijl het kritieke niveau thans reeds bij 350 ppm blijkt te liggen. Dit houdt in dat de emissie van broeikasgassen tegen 2030 ten minste met 60% en tegen 2050 met 100% moet zijn teruggedrongen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(3) De Europese Raad heeft het vaste voornemen uitgesproken om de algehele emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap tegen 2020 met ten minste 20% ten opzichte van 1990 te verlagen en met 30% mits de andere ontwikkelde landen zich vastleggen op een vergelijkbare emissiebeperking en de economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheid en capaciteiten. Tegen 2050 moet de mondiale emissie van broeikasgassen met ten minste 50% ten opzichte van 1990 zijn gedaald. Alle bedrijfstakken van de economie moeten tot deze emissiebeperking bijdragen.
(3) De Europese Raad heeft het vaste voornemen uitgesproken om de algehele emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap tegen 2020 met ten minste 20% ten opzichte van 1990 te verlagen en met 30% mits de andere ontwikkelde landen zich vastleggen op een vergelijkbare emissiebeperking en de economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheid en capaciteiten. Tegen 2050 moet de mondiale emissie van broeikasgassen met ten minste 50% ten opzichte van 1990 zijn gedaald. Alle bedrijfstakken van de economie, met inbegrip van de scheep- en luchtvaart, moeten tot deze emissiebeperking bijdragen.De luchtvaart draagt bij tot de verlagingen van 20% en 30% (op voorwaarde dat andere ontwikkelde landen en andere grote uitstoters van broeikasgassen aan de toekomstige internationale overeenkomst meedoen) doordat zij in de Gemeenschapsregeling is opgenomen.Totdat de scheepvaart in de Gemeenschapsregeling is opgenomen, moeten de emissies van de scheepvaart worden opgenomen in het besluit over de inspanningen van de lidstaten om te voldoen aan de verbintenissen van de Gemeenschap om de broeikasgasemissies tegen 2020 te verlagen.
Motivering
Verduidelijking.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 3 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(3 bis) In zijn resolutie van 31 januari 2008 over de resultaten van de Conferentie op Bali over klimaatverandering (COP 13 en COP/MOP 3) herinnert het Europees Parlement aan zijn standpunt dat de geïndustrialiseerde landen zich moeten vastleggen op het verlagen van hun broeikasgasemissies met ten minste 30% tegen 2020 en met 60-80% tegen 2050, in vergelijking met 1990.Aangezien het anticipeert op een positief resultaat van de COP 15-onderhandelingen in Kopenhagen in 2009, dient de Europese Unie te beginnen met de voorbereidingen voor strengere emissiereductiedoelstellingen voor 2020 en daarna en dient zij ervoor te zorgen dat de Gemeenschapsregeling na 2013 zo nodig strengere emissieplafonds mogelijk maakt, als onderdeel van de bijdrage van de Unie aan een nieuwe internationale overeenkomst.
Motivering
De grote ambities van het Parlement in de strijd tegen klimaatverandering moeten worden benadrukt. De beste manier om dit tot stand te brengen is via een internationale overeenkomst die eind 2009 in Kopenhagen moet worden gesloten. Dit voorstel moet worden gezien als bewijs van de krachtige inzet van de EU terzake, maar ook als een signaal dat de EU zich voorbereidt op de strengere doelstellingen van de nieuwe overeenkomst.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 10
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(10)Wanneer er gelijkwaardige maatregelen voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, met name belastingheffing, zijn ingevoerd voor kleine installaties waarvan de emissie niet hoger ligt dan een drempelwaarde van 10 000 ton CO2 per jaar, dient er een procedure te zijn waarmee de lidstaten deze kleine installaties van de regeling voor de handel in emissierechten kunnen uitsluiten zolang deze maatregelen worden toegepast.Met het oog op administratieve eenvoud biedt deze drempelwaarde relatief gezien de maximale winst qua verlaging van administratieve kosten per ton die van de regeling wordt uitgesloten.Omdat er een einde komt aan de vijfjaarlijkse toewijzingsperioden en om de zekerheid en voorspelbaarheid op te voeren, dienen er bepalingen te worden vastgesteld voor de frequentie van de herziening van emissievergunningen voor broeikasgassen.
(10)Wanneer er gelijkwaardige maatregelen voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, met name belastingheffing, zijn ingevoerd voor kleine installaties waarvan de emissie niet hoger ligt dan een drempelwaarde van 25.000 ton CO2 per jaar, dient er een procedure te zijn waarmee de lidstaten op verzoek van de exploitant deze kleine installaties van de regeling voor de handel in emissierechten kunnen uitsluiten zolang deze maatregelen worden toegepast.Ziekenhuizen kunnen ook worden uitgesloten indien zij gelijkwaardige maatregelen treffen.Deze drempelwaarde is economisch gezien de meest voordelige optie en biedt de maximale winst qua verlaging van administratieve kosten per ton die van de regeling wordt uitgesloten.Omdat er een einde komt aan de vijfjaarlijkse toewijzingsperioden en om de zekerheid en voorspelbaarheid op te voeren, dienen er bepalingen te worden vastgesteld voor de frequentie van de herziening van emissievergunningen voor broeikasgassen.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 12
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(12) Deze bijdrage komt overeen met een emissiebeperking in 2020 in de Gemeenschapsregeling tot 21% onder de gerapporteerde niveaus van 2005, inclusief het effect van de uitgebreide werkingssfeer voor de periode van 2008 tot 2012 ten opzichte van de periode van 2005 tot 2007 en de emissiecijfers van 2005 voor de handelssector die zijn gebruikt voor de beoordeling van het Bulgaarse en Roemeense nationale toewijzingsplan voor de periode van 2008 tot 2012, hetgeen leidt tot een verlening van ten hoogste 1720 miljoen emissierechten in het jaar 2020. De exacte emissiehoeveelheden zullen worden berekend zodra de lidstaten de emissierechten krachtens de beschikkingen van de Commissie inzake hun nationale toewijzingsplannen voor de periode van 2008 tot 2012 hebben verleend, aangezien de goedkeuring van de toewijzing aan bepaalde installaties afhankelijk is gesteld van de staving en verificatie van hun emissie. Zodra de emissierechten voor de periode van 2008 tot 2012 zijn verleend, zal de Commissie de hoeveelheid voor de hele Gemeenschap publiceren. De hoeveelheid voor de hele Gemeenschap dient te worden aangepast in verband met installaties die gedurende de periode van 2008 tot 2012 of vanaf 2013 in de Gemeenschapsregeling worden opgenomen.
(12) Deze bijdrage komt overeen met een emissiebeperking in 2020 in de Gemeenschapsregeling tot 21% onder de gerapporteerde niveaus van 2005, inclusief het effect van de uitgebreide werkingssfeer voor de periode van 2008 tot 2012 ten opzichte van de periode van 2005 tot 2007 en de emissiecijfers van 2005 voor de handelssector die zijn gebruikt voor de beoordeling van het Bulgaarse en Roemeense nationale toewijzingsplan voor de periode van 2008 tot 2012, hetgeen leidt tot een verlening van ten hoogste 1720 miljoen emissierechten in het jaar 2020. De exacte emissiehoeveelheden zullen worden berekend zodra de lidstaten de emissierechten krachtens de beschikkingen van de Commissie inzake hun nationale toewijzingsplannen voor de periode van 2008 tot 2012 hebben verleend, aangezien de goedkeuring van de toewijzing aan bepaalde installaties afhankelijk is gesteld van de staving en verificatie van hun emissie. Zodra de emissierechten voor de periode van 2008 tot 2012 zijn verleend, zal de Commissie de hoeveelheid voor de hele Gemeenschap publiceren. De hoeveelheid voor de hele Gemeenschap dient te worden aangepast in verband met installaties die gedurende de periode van 2008 tot 2012 of vanaf 2013 in de Gemeenschapsregeling worden opgenomen of daarvan worden uitgesloten.
Motivering
Er mag niet alleen sprake zijn van opwaartse aanpassingen.Het is van belang dat de totale hoeveelheid vergunningen wordt verlaagd wanneer installaties worden uitgesloten van de emissiehandel van de EU, dit om te voorkomen dat het plafond voor de resterende installaties minder stringent wordt.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 14
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(14)Alle lidstaten zullen fors moeten investeren om de koolstofintensiteit van hun economie tegen 2020 te verlagen en lidstaten waar het inkomen per hoofd van de bevolking nog aanzienlijk lager ligt dan het communautair gemiddelde en waarvan de economie bezig is de rijkere lidstaten in te halen, zullen hard moeten werken aan een verbetering van hun energie-efficiëntie.Aangezien het de bedoeling is om verstoring van de concurrentie binnen de Gemeenschap te elimineren en te zorgen voor een optimale economische efficiëntie bij de overgang van de EU-economie naar een koolstofarme economie, zou het onjuist zijn bedrijfstakken in de verschillende lidstaten bij de Gemeenschapsregeling verschillend te behandelen.Daarom moeten er andere mechanismen worden ontwikkeld om de lidstaten met een relatief lager inkomen per hoofd van de bevolking en hogere groeivooruitzichten in hun activiteiten te steunen.Van de totale hoeveelheid emissierechten die wordt geveild, dient 90% onder de lidstaten te worden verdeeld aan de hand van hun relatieve aandeel in de emissie in de Gemeenschapsregeling van 2005.Van deze hoeveelheid dient 10% met het oog op solidariteit en groei in de Gemeenschap ten behoeve van die lidstaten te worden verdeeld om met het oog op emissiebeperking en aanpassing aan de effecten van klimaatverandering te worden gebruikt.Bij de verdeling van deze 10% dient rekening te worden gehouden met het inkomen per hoofd van de bevolking in het jaar 2005 en de groeivooruitzichten van de lidstaten en dient het aandeel van lidstaten met een laag inkomen per hoofd van de bevolking en hoge groeivooruitzichten groter te zijn.Lidstaten met een gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking dat meer dan 20% hoger ligt dan het gemiddelde in de Gemeenschap, moeten een bijdrage tot deze verdeling leveren, behalve wanneer de directe kosten van het in SEC(2008) 85 geraamde totaalpakket meer dan 0,7% van het BBP bedragen.
(14)Alle lidstaten zullen fors moeten investeren om de koolstofintensiteit van hun economie tegen 2020 te verlagen en lidstaten waar het inkomen per hoofd van de bevolking nog aanzienlijk lager ligt dan het communautair gemiddelde en waarvan de economie bezig is de rijkere lidstaten in te halen, zullen hard moeten werken aan een verbetering van hun energie-efficiëntie.Aangezien het de bedoeling is om verstoring van de concurrentie binnen de Gemeenschap te elimineren en te zorgen voor een optimale economische efficiëntie bij de overgang van de EU-economie naar een koolstofarme economie, zou het onjuist zijn bedrijfstakken in de verschillende lidstaten bij de Gemeenschapsregeling verschillend te behandelen.Daarom moeten er andere mechanismen worden ontwikkeld om de lidstaten met een relatief lager inkomen per hoofd van de bevolking en hogere groeivooruitzichten in hun activiteiten te steunen.Van de totale hoeveelheid emissierechten die wordt geveild, dient 90% onder de lidstaten te worden verdeeld aan de hand van hun relatieve aandeel in de emissie van 2005-2007.Van deze hoeveelheid dient 10% met het oog op solidariteit en groei in de Gemeenschap ten behoeve van die lidstaten te worden verdeeld om met het oog op emissiebeperking en aanpassing aan de effecten van klimaatverandering te worden gebruikt.Bij de verdeling van deze 10% dient rekening te worden gehouden met het inkomen per hoofd van de bevolking in het jaar 2005 en de groeivooruitzichten van de lidstaten en dient het aandeel van lidstaten met een laag inkomen per hoofd van de bevolking en hoge groeivooruitzichten groter te zijn.Lidstaten met een gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking dat meer dan 20% hoger ligt dan het gemiddelde in de Gemeenschap, moeten een bijdrage tot deze verdeling leveren, behalve wanneer de directe kosten van het in SEC(2008) 85 geraamde totaalpakket meer dan 0,7% van het BBP bedragen.
Motivering
De verdeling van de emissievergunningen dient niet te worden berekend aan de hand van gegevens over een afzonderlijk jaar, maar op grond van gemiddelde waarden over ten minste twee jaar. Het emissievolume kan van jaar tot jaar verschillen om natuurlijke redenen: dit betekent dat een periode en niet een jaar moet worden gekozen als referentiepunt. Het Commissievoorstel vermeldt bovendien dat de Commissie bereid is de emissiecijfers voor 2006, zodra die beschikbaar zijn, in de vergelijking op te nemen. Het is van belang dat een berekeningsgrondslag van een aantal jaren geen verandering brengt in het totaal aantal emissievergunningen dat de Gemeenschap uitgeeft.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 15
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(15) Gezien de forse inspanningen die verbonden zijn aan de bestrijding van klimaatverandering en de aanpassing aan de onvermijdelijke effecten daarvan, zou ten minste 20% van de opbrengsten van de veiling van emissierechten moeten worden gebruikt voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, voor de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering, voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling voor emissiebeperking en aanpassing, voor de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de EU om tegen 2020 20% duurzame energie te gebruiken, om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20% op te voeren, voor het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen, om bij te dragen tot het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, voor maatregelen om ontbossing te voorkomen en aanpassing in ontwikkelingslanden te vergemakkelijken, en voor de aanpak van maatschappelijke aspecten zoals een mogelijke stijging van de elektriciteitsprijzen in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen.Dit percentage ligt aanzienlijk lager dan de verwachte netto-inkomsten voor de overheid uit veilingen, waarbij rekening is gehouden met mogelijkerwijs lagere inkomsten uit de vennootschapsbelastingen. Daarnaast dienen de inkomsten uit de veiling van emissierechten te worden gebruikt voor de administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling. Er dienen bepalingen te worden opgenomen voor de bewaking van het gebruik van de opbrengst van veilingen voor deze doeleinden. Deze kennisgeving ontslaat de lidstaten echter niet van de in artikel 88, lid 3, van het Verdrag neergelegde verplichting om bepaalde nationale maatregelen aan te melden. De richtlijn laat het resultaat van toekomstige staatssteunprocedures die overeenkomstig de artikelen 87 en 88 van het Verdrag kunnen worden ingeleid, onverlet.
(15) Gezien de forse inspanningen die verbonden zijn aan de bestrijding van klimaatverandering en de aanpassing aan de onvermijdelijke effecten daarvan, zou 50% van de opbrengsten van de veiling van emissierechten moeten worden gebruikt in een specifiek internationaal fonds voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, voor de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering en voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling voor emissiebeperking en aanpassing in ontwikkelingslanden die de internationale overeenkomst hebben ondertekend.De resterende opbrengsten van de veiling zouden moeten worden gebruikt om klimaatveranderingskwesties in de Europese Unie aan te pakken, onder meer voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, voor de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering, voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling voor emissiebeperking en aanpassing, voor de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de EU om tegen 2020 20% duurzame energie te gebruiken, om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20% op te voeren, voor het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen, om bij te dragen tot het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, voor maatregelen om ontbossing te voorkomen en voor de aanpak van maatschappelijke aspecten zoals energiearmoede. Daarnaast dienen de inkomsten uit de veiling van emissierechten te worden gebruikt voor de administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling. Er dienen bepalingen te worden opgenomen voor de bewaking van het gebruik van de opbrengst van veilingen voor deze doeleinden. Deze kennisgeving ontslaat de lidstaten echter niet van de in artikel 88, lid 3, van het Verdrag neergelegde verplichting om bepaalde nationale maatregelen aan te melden. De richtlijn laat het resultaat van toekomstige staatssteunprocedures die overeenkomstig de artikelen 87 en 88 van het Verdrag kunnen worden ingeleid, onverlet.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 15 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(15 bis) Gezien de omvang en het tempo van de wereldwijde ontbossing is het van essentieel belang dat de inkomsten van veilingen in het kader van de Gemeenschapsregeling worden gebruikt om de ontbossing te reduceren en duurzame bebossing en herbebossing te doen toenemen.Daarnaast moet de EU werken aan de invoering van een internationaal erkend stelsel om de ontbossing te reduceren en bebossing en herbebossing te doen toenemen.De inkomsten moeten komen van bijdragen van de lidstaten aan een specifiek fonds, dat internationaal daadwerkelijk wordt besteed aan dit en andere doelen.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 15 ter (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(15 ter) Aangezien de voor ontbossing, bebossing en herbebossing bestemde opbrengsten van veilingen niet zullen volstaan om een halt toe te roepen aan de wereldwijde ontbossing, kunnen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Motivering
Men moet realistisch blijven.Men mag niet doen alsof men de bovengenoemde problemen zal kunnen oplossen met 20% van de opbrengsten van veilingen.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 15 quater (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(15 quater) Ter bevordering van een eerlijke en kostenbesparende verdeling van projecten in derde landen en van de verspreiding van positieve praktijkvoorbeelden als genoemd in overweging 15, moeten mechanismen worden opgezet voor een efficiënte uitwisseling van informatie over projecten die door de verschillende lidstaten worden aangepakt.
Motivering
Een goede coördinatie tussen projecten van lidstaten die worden opgezet om te voldoen aan de verplichtingen op grond van artikel 10, lid 3, is belangrijk om te waarborgen dat de financiële middelen aan de noodzakelijkste en efficiëntste projecten worden besteed en dat doublures worden voorkomen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 16
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(16)Dit betekent dat voor de elektriciteitssector met ingang van 2013 regel dient te zijn dat uitsluitend wordt geveild, aangezien deze de hogere kosten van CO2 kan doorberekenen, en dat voor het afvangen en de opslag van CO2 geen gratis toewijzing dient te worden gegeven, aangezien de stimulering hiervan voortvloeit uit het feit dat voor emissies die worden opgeslagen geen emissierechten behoeven te worden ingeleverd.Om concurrentievervalsing te voorkomen kunnen elektriciteitsopwekkers gratis emissierechten krijgen voor warmte die wordt geproduceerd via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, wanneer er voor de productie van dergelijke warmte door installaties in andere bedrijfstakken gratis emissierechten worden gegeven.
(16)Dit betekent dat voor de elektriciteitssector met ingang van 2013 regel dient te zijn dat uitsluitend wordt geveild, aangezien deze de hogere kosten van CO2 kan doorberekenen.Elektriciteitsopwekkers moeten gratis rechten krijgen voor stadsverwarming, en voor warmte die wordt geproduceerd via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG voor de productie van warmte of koeling, tot het peil van de best beschikbare technieken, en voor elektriciteit die wordt opgewekt in verband met industriële warmte via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG of uit residuen van een industrieel proces waarbij gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken, op voorwaarde dat de opwekking gebeurt voor eigen gebruik van de exploitant of de installatie;de toewijzing van deemissierechten moet plaatsvinden op basis van dezelfde beginselen als die welkeworden toegepast op de industriële activiteit als bedoeld in Bijlage 1 bij Richtlijn 2003/87/EG.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 16 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(16 bis) De belangrijkste stimulering op de lange termijn voor het afvangen en de opslag van CO2 en nieuwe hernieuwbare technologieën is dat er geen emissierechten moeten worden ingeleverd voor CO2-emissies van elektriciteitsopwekking die permanent worden opgeslagen, of vermeden.Om de bouw van de eerste commerciële installaties te versnellen, moeten daarnaast de inkomsten uit veilingen worden gebruikt en moeten emissierechten uit de nieuwkomersreserve opzij worden gezet ter financiering van een gegarandeerde beloning voor de tonnen CO2 die worden opgeslagen of vermeden voor de eerste dergelijke installaties in de EU of een derde land dat de toekomstige internationale overeenkomst inzake klimaatverandering heeft geratificeerd, op voorwaarde dat een overeenkomst wordt gesloten over het delen van de intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot de technologie.
Motivering
Nieuwe hernieuwbare technologieën die nog niet commercieel zijn getest, worden opgenomen in het mechanisme voor extra financiering. 180 GW nieuwe windenergiecapaciteit tegen eind 2020 zou een hoeveelheid emissies voorkomen die overeenstemt met 70% van de voorgestelde ETS- doelstelling van 21% vermindering van de emissies. Het ondersteunen van nieuwe grootschalige innovaties op het gebied van hernieuwbare energie biedt reële mogelijkheden voor het snel op gang brengen van technologieën die een significante bijdrage zullen leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen op EU- zowel als op mondiaal niveau.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 16 ter (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(16 ter) Om te zorgen voor een ordelijk functioneren van de koolstof- en elektriciteitsmarkten, moet de veiling van emissierechten voor de periode vanaf 2013 uiterlijk in 2011 beginnen en worden gebaseerd op duidelijke en objectieve beginselen die ruim van tevoren zijn vastgesteld.
Motivering
Het is van essentieel belang dat de koolstofmarkt tijdig, doeltreffend en met voldoende liquiditeit functioneert ten einde de doeltreffende werking van de elektriciteitsmarkt te steunen. Aangezien deze markt wordt gekenmerkt door termijncontracten, moet het veilen ruim voor de periode van start gaan. Verder dienen de veilingsbeginselen en gedetailleerde ontwerpbepalingen ruim van tevoren te worden bekend gemaakt om bedrijven in staat te stellen hun biedingstrategieën te optimaliseren.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 18
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(18) Om concurrentieverstoring binnen de Gemeenschap tot een minimum te beperken dienen de gratis overgangstoewijzingen volgens geharmoniseerde regels voor de hele Gemeenschap ("benchmarks") aan installaties te worden verstrekt. Deze regels dienen rekening te houden met de meest broeikasgas- en energie-efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocédés, het gebruik van biomassa, duurzame energie en het afvangen en de opslag van broeikasgassen. Deze regels mogen niet aanzetten tot een toename van de emissie en moeten ervoor zorgen dat een groeiend percentage van deze emissierechten wordt geveild. De toewijzingen moeten vóór de handelsperiode worden vastgesteld, zodat de markt adequaat kan functioneren. Ook mogen ze niet leiden tot een ongepaste concurrentieverstoring op de markten voor de levering van elektriciteit en warmte aan industriële installaties. Deze regels moeten gelden voor nieuwkomers die dezelfde activiteiten uitvoeren als bestaande installaties die gratis overgangstoewijzingen ontvangen. Om concurrentieverstoring binnen de interne markt te voorkomen mag er geen gratis toewijzing worden verstrekt voor de opwekking van elektriciteit door nieuwkomers. Emissierechten die in 2020 in de reserve voor nieuwkomers resteren, dienen te worden geveild.
(18) Om concurrentieverstoring binnen de Gemeenschap tot een minimum te beperken dienen de gratis overgangstoewijzingen volgens geharmoniseerde regels voor de hele Gemeenschap in de vorm van ex ante sectorspecifieke benchmarks aan installaties te worden verstrekt. Deze regels moeten gebaseerd zijn op de meest broeikasgas- en energie-efficiënte technieken en technologieën, vervangingsproducten, alternatieve productieprocédés, het gebruik van biomassa, duurzame energie en het afvangen en de opslag van broeikasgassen, en moeten rekening houden met de mogelijkheden, waaronder de technische mogelijkheden, om emissies terug te dringen. Deze regels mogen niet aanzetten tot een toename van de totale emissie of de emissie per productie-eenheid.Zij moeten ervoor zorgen dat een groeiend percentage van deze emissierechten wordt geveild.Voor elke sector wordt het benchmark berekend op basis van het eindproduct zodat de vermindering van de broeikasgasemissie en het energieverbruik in het hele productieproces van de betrokken sector maximaal is. De toewijzingen moeten vóór de handelsperiode worden vastgesteld, zodat de markt adequaat kan functioneren. Ook mogen ze niet leiden tot een ongepaste concurrentieverstoring op de markten voor de levering van elektriciteit en warmte aan industriële installaties. Deze regels moeten gelden voor nieuwkomers die dezelfde activiteiten uitvoeren als bestaande installaties die gratis overgangstoewijzingen ontvangen.Onder nieuwkomer wordt een installatie verstaan die na indiening bij de Commissie van de in artikel 11, lid 1, bedoelde lijst een vergunning voor broeikasgasemissie heeft verkregen of een herziene vergunning voor broeikasgasemissie naar aanleiding van een uitbreiding van minstens 20% van de capaciteit van de installatie of een significante wijziging in de aard of de werking van de installatie.Alvorens de principes te omschrijven voor het vastleggen van de ex ante benchmarks in individuele sectoren, dient de Commissie de betrokken sectoren te raadplegen. Om concurrentieverstoring binnen de interne markt te voorkomen mag er geen gratis toewijzing worden verstrekt voor de opwekking van elektriciteit door nieuwkomers. Emissierechten die in 2020 in de reserve voor nieuwkomers resteren, dienen te worden geveild.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 19
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(19) De Gemeenschap zal het voortouw blijven nemen bij de onderhandelingen over een ambitieuze internationale overeenkomst waarmee de doelstelling om de mondiale temperatuurstijging tot 2°C te beperken, wordt gerealiseerd en beschouwt de in Bali geboekte vorderingen op weg naar deze doelstelling als een stimulans. Mochten andere ontwikkelde landen en andere grote uitstoters van broeikasgassen niet aan deze internationale overeenkomst meedoen, dan zou dit kunnen leiden tot een stijging van de emissie van broeikasgassen in derde landen waar de industrie niet onder vergelijkbare CO2-beperkingen zou vallen(“CO2-weglekeffect”) en zouden er tevens economische nadelen kunnen ontstaan voor bepaalde energie-intensieve bedrijfstakken en deeltakken in de Gemeenschap die aan internationale concurrentie onderhevig zijn. Dit kan de milieu-integriteit en de baten van maatregelen van de Gemeenschap ondermijnen. Vanwege het risico op het ontstaan van een weglekeffect zal de Gemeenschap tot maximaal 100% gratis emissierechten toewijzen aan bedrijfstakken of deeltakken die aan de desbetreffende criteria voldoen. De vaststelling van deze bedrijfstakken en deeltakken en de vereiste maatregelen zal opnieuw worden beoordeeld om ervoor te zorgen dat er waar nodig maatregelen worden genomen en overcompensatie wordt voorkomen. Voor de specifieke bedrijfstakken of deeltakken waarvan afdoende kan worden aangetoond dat het risico op het weglekeffect niet op een andere manier kan worden voorkomen en waar elektriciteit een groot deel van de productiekosten uitmaakt en op efficiënte wijze wordt opgewekt, kan bij de genomen maatregelen rekening worden gehouden met het elektriciteitsverbruik bij het productieproces, zonder dat de totale hoeveelheid emissierechten wordt gewijzigd.
(19) De Gemeenschap zal het voortouw blijven nemen bij de onderhandelingen over een ambitieuze internationale overeenkomst en/of internationale sectorale overeenkomsten waarmee de doelstelling om de mondiale temperatuurstijging tot 2°C te beperken, wordt gerealiseerd en beschouwt de in Bali geboekte vorderingen als een stimulans, aangezien landen opgenomen in Bijlage I van het Protocol van Kyoto zich ertoe hebben verbonden de emissie van broeikasgassen tegen 2020 te verminderen met 25-40% in vergelijking met 1990.Om aan kop te blijven van deze groep landen moet de EU de emissie van broeikasgassen verminderen met waarden in de buurt van 40%. Mochten andere ontwikkelde landen en andere grote uitstoters van broeikasgassen niet aan dergelijke internationale overeenkomsten meedoen, dan zou dit kunnen leiden tot een stijging van de emissie van broeikasgassen van minder koolstofefficiënte installaties in derde landen waar de industrie niet onder vergelijkbare CO2-beperkingen zou vallen("CO2-weglekeffect") en zouden er tevens economische nadelen kunnen ontstaan voor bepaalde energie-intensieve bedrijfstakken en deeltakken in de Gemeenschap die aan internationale concurrentie onderhevig zijn. Dit kan de milieu-integriteit en de baten van maatregelen van de Gemeenschap ondermijnen. Vanwege het risico op het ontstaan van een weglekeffect dient de Commissie de opstelling en sluiting van mondiale sectorale overeenkomsten te steunen en, indien dergelijke overeenkomsten onmogelijk blijken te zijn, zal de Gemeenschap tot maximaal 100% gratis emissierechten toewijzen aan deeltakken of installaties die aan de desbetreffende criteria voldoen. De vaststelling van deze deeltakken en installaties en de vereiste maatregelen zal opnieuw worden beoordeeld om ervoor te zorgen dat er waar nodig maatregelen worden genomen en overcompensatie wordt voorkomen. Voor de specifieke deeltakken en installaties waarvan afdoende kan worden aangetoond dat het risico op het weglekeffect niet op een andere manier kan worden voorkomen en waar elektriciteit een groot deel van de productiekosten uitmaakt en op efficiënte wijze wordt opgewekt, kan bij de genomen maatregelen rekening worden gehouden met het elektriciteitsverbruik bij het productieproces, zonder dat de totale hoeveelheid emissierechten wordt gewijzigd.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 20
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(20) De Commissie dient derhalve uiterlijk in juni 2011 de situatie te evalueren, alle relevante maatschappelijke partners te raadplegen en in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen een verslag met eventuele voorstellen in te dienen. In deze context dient de Commissie uiterlijk op 30 juni 2010 te signaleren welke energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken wellicht gevoelig kunnen zijn voor het weglekeffect. Zij dient in haar analyse uit te gaan van een beoordeling in hoeverre het mogelijk is de kosten van de vereiste emissierechten in de productprijzen door te berekenen zonder een significant verlies van marktaandeel aan installaties buiten de Gemeenschap die geen vergelijkbare maatregelen nemen om de emissie te beperken. Energie-intensieve bedrijfstakken waarvan wordt vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt, zouden een grotere gratis toewijzing kunnen krijgen of er zou een effectieve koolstofcompensatie-regeling kunnen worden ingevoerd teneinde installaties uit de Gemeenschap waarvoor het weglekeffect een significante risicofactor vormt en installaties uit derde landen een vergelijkbare uitgangspositie te geven. Een dergelijke regeling zou aan importeurs eisen kunnen opleggen die niet minder gunstig zijn dan de eisen die voor installaties binnen de EU gelden, bijvoorbeeld door de inlevering van emissierechten verplicht te stellen. Alle genomen maatregelen zouden in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van het UNFCCC, met name het beginsel van gezamenlijke doch verschillende verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden, rekening houdend met de specifieke situatie van de minst ontwikkelde landen. Tevens moeten ze in overeenstemming zijn met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, met inbegrip van de WTO-overeenkomst.
(20) De Commissie dient derhalve uiterlijk in juni 2010 de situatie te evalueren, alle relevante maatschappelijke partners te raadplegen en in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen een verslag met eventuele voorstellen in te dienen. In deze context dient de Commissie tegelijkertijd te signaleren welke energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken wellicht gevoelig kunnen zijn voor het weglekeffect. Zij dient in haar analyse uit te gaan van een beoordeling in hoeverre het mogelijk is de hogere kosten van de vereiste emissierechten in de productprijzen die enkel het gevolg zijn van de bepalingen in deze richtlijn door te berekenen zonder een significant verlies van marktaandeel aan installaties buiten de Gemeenschap die geen vergelijkbare maatregelen nemen om de emissie te beperken. Energie-intensieve bedrijfstakken waarvan wordt vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt, zouden een grotere gratis toewijzing kunnen krijgen of er zou een effectieve koolstofcompensatie-regeling kunnen worden ingevoerd teneinde installaties uit de Gemeenschap waarvoor het weglekeffect een significante risicofactor vormt en installaties uit derde landen een vergelijkbare uitgangspositie te geven. Een dergelijke regeling zou aan importeurs eisen kunnen opleggen die niet minder gunstig zijn dan de eisen die voor installaties binnen de EU gelden, bijvoorbeeld door de inlevering van emissierechten verplicht te stellen. Alle genomen maatregelen zouden in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van het UNFCCC, met name het beginsel van gezamenlijke doch verschillende verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden, rekening houdend met de specifieke situatie van de minst ontwikkelde landen. Tevens moeten ze in overeenstemming zijn met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, met inbegrip van de WTO-overeenkomst.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 21
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(21) Teneinde gelijke concurrentievoorwaarden binnen de Gemeenschap te waarborgen moet het gebruik van kredieten voor emissiebeperking buiten de Gemeenschap die door exploitanten binnen de Gemeenschapsregeling worden gebruikt, worden geharmoniseerd. In het Protocol van Kyoto bij het UNFCCC worden gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor ontwikkelde landen voor de periode van 2008 tot 2012 geformuleerd en worden gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's) uit respectievelijk het Mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) en Gemeenschappelijke uitvoeringsprojecten gecreëerd, die door ontwikkelde landen kunnen worden gebruikt om gedeeltelijk aan deze streefwaarden te voldoen. Binnen het Kyoto-kader kunnen weliswaar met ingang van 2013 geen ERU's worden gecreëerd zonder dat er nieuwe gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor de gastlanden worden vastgesteld, maar het genereren van CDM-kredieten blijft mogelijk. Er dient te worden gezorgd voor een verder gebruik van gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's), voor het moment waarop er een internationale overeenkomst over klimaatverandering is, uit landen die deze overeenkomst hebben gesloten. Zonder een dergelijke overeenkomst zou een verder gebruik van CER's en ERU's deze stimulering ondermijnen en het moeilijker maken de doelstellingen van de Gemeenschap voor een toename van het gebruik van duurzame energie te verwezenlijken. Het gebruik van CER's en ERU's dient verenigbaar te zijn met de doelstelling van de Gemeenschap dat 20% van de energie tegen 2020 afkomstig is van duurzame energiebronnen en dat energie-efficiëntie, innovatie en technologische ontwikkeling moeten worden gestimuleerd. Wanneer dit verenigbaar is met de verwezenlijking van deze doelstellingen, moet de mogelijkheid worden gecreëerd dat er overeenkomsten met derde landen worden gesloten om te zorgen voor de stimulering van emissiebeperking in deze landen die zorgt voor reële, aanvullende emissiebeperking van broeikasgassen en tevens de innovatie door binnen de Gemeenschap gevestigde bedrijven en de technologische ontwikkeling in derde landen stimuleert. Deze overeenkomsten kunnen door meer dan een land worden bekrachtigd. Zodra de Gemeenschap een bevredigende internationale overeenkomst sluit, dient de toegang tot kredieten uit projecten in derde landen tegelijk met de stijging van het emissiebeperkingsniveau dat via de Gemeenschapsregeling moet worden gehaald, te worden opgevoerd.
(21) Teneinde gelijke concurrentievoorwaarden binnen de Gemeenschap te waarborgen moet het gebruik van kredieten voor emissiebeperking buiten de Gemeenschap die door exploitanten binnen de Gemeenschapsregeling worden gebruikt, worden geharmoniseerd. In het Protocol van Kyoto bij het UNFCCC worden gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor ontwikkelde landen voor de periode van 2008 tot 2012 geformuleerd en worden gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's) uit respectievelijk het Mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) en Gemeenschappelijke uitvoeringsprojecten gecreëerd, die door ontwikkelde landen kunnen worden gebruikt om gedeeltelijk aan deze streefwaarden te voldoen. Binnen het Kyoto-kader kunnen weliswaar met ingang van 2013 geen ERU's worden gecreëerd zonder dat er nieuwe gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor de gastlanden worden vastgesteld, maar het genereren van CDM-kredieten blijft mogelijk. Er dient te worden gezorgd voor een verder gebruik van gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's), voor het moment waarop er een internationale overeenkomst over klimaatverandering is, uit landen die deze overeenkomst hebben gesloten. CER en ERU-projecten die zijn goedgekeurd krachtens een toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering, moeten ecologische en sociale duurzaamheid ondersteunen, blijk geven van een ecologisch voordeel, het weglekeffect vermijden en een transparant mechanisme voor validering en verificatie bevatten. Zonder een dergelijke overeenkomst zou een verder gebruik van CER's en ERU's deze stimulering ondermijnen en het moeilijker maken de doelstellingen van de Gemeenschap voor een toename van het gebruik van duurzame energie te verwezenlijken. Het gebruik van CER's en ERU's dient verenigbaar te zijn met de doelstelling van de Gemeenschap dat 20% van de energie tegen 2020 afkomstig is van duurzame energiebronnen en dat energie-efficiëntie, innovatie en technologische ontwikkeling moeten worden gestimuleerd. Wanneer dit verenigbaar is met de verwezenlijking van deze doelstellingen, moet de mogelijkheid worden gecreëerd dat er overeenkomsten met derde landen worden gesloten om te zorgen voor de stimulering van emissiebeperking in deze landen die zorgt voor reële, aanvullende emissiebeperking van broeikasgassen en tevens de innovatie door binnen de Gemeenschap gevestigde bedrijven en de technologische ontwikkeling in derde landen stimuleert. Deze overeenkomsten kunnen door meer dan een land worden bekrachtigd. Zodra de Gemeenschap een bevredigende internationale overeenkomst sluit, dient de toegang tot kredieten uit projecten in derde landen tegelijk met de stijging van het emissiebeperkingsniveau dat via de Gemeenschapsregeling moet worden gehaald, te worden opgevoerd.
Motivering
CDM/JI-projecten goedgekeurd krachtens een toekomstige internationale overeenkomst inzake klimaatverandering moeten van hoge kwaliteit zijn en blijk geven van een ecologisch en sociaal voordeel.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 22
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(22) Met het oog op de voorspelbaarheid dienen de exploitanten zekerheid te krijgen over hun mogelijkheden na 2012 om CER's en ERU's te gebruiken tot het restant van het niveau dat zij in de periode van 2008 tot 2012 mochten gebruiken, uit projecttypes die in de periode van 2008 tot 2012 door alle lidstaten in de Gemeenschapsregeling werden geaccepteerd. Aangezien de overdracht door de lidstaten van CER's en ERU's waarover exploitanten beschikken, tussen verbintenisperioden uit hoofde van internationale overeenkomsten("opsparen" van CER's en ERU's) niet vóór 2015 kan gebeuren, en alleen als de lidstaten ervoor kiezen het opsparen van deze CER's en ERU's toe te staan binnen de context van beperkte rechten om dergelijke kredieten op te sparen, dient deze zekerheid te worden gegeven door de lidstaten ertoe te verplichten exploitanten toe te staan deze CER's en ERU's die zijn verleend voor emissiebeperkingen vóór 2012, in te wisselen voor emissierechten die met ingang van 2013 geldig zijn. Aangezien de lidstaten echter niet verplicht moeten worden om CER's en ERU's te accepteren waarvan het niet zeker is dat ze deze met het oog op hun bestaande internationale verplichtingen zullen kunnen gebruiken, dient deze verplichting niet verder te gaan dan 31 december 2014. De exploitanten dienen dezelfde zekerheid te krijgen voor dergelijke CER's die afkomstig zijn van projecten die vóór 2013 zijn vastgesteld met het oog op emissiebeperking met ingang van 2013.
(22) De handel in emissierechten van de Gemeenschap en van andere landen moet de vraag vergemakkelijken naar credits voor echte, verifieerbare, bijkomende en permanente emissieverminderingen van projecten in landen die constructief bijdragen aan de aanpak van de klimaatverandering.Zodra een land de internationale overeenkomst over klimaatverandering heeft bekrachtigd, moeten dergelijke credits van dit land aanvaardbaar zijn voor alle stelsels van handel in emissierechten. Met het oog op de voorspelbaarheid dienen de exploitanten zekerheid te krijgen over hun mogelijkheden na 2012 om CER's en ERU's van hoge kwaliteit te gebruiken die de koppeling van regelingen voor de handel in emissierechten aanmoedigen.De exploitanten moeten deze credits tot een gemiddelde van 4% van hun emissies kunnen gebruiken in de periode 2013-2020, op voorwaarde dat zij in de periode 2008-2020 jaarlijks minder dan 6,5% ERU's en CER's gebruiken in vergelijking met hun emissie van 2005 en op voorwaarde dat zij geen rechten als bedoeld in artikel 11 bis, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG overdragen.Deze regeling moet ervoor zorgen dat in de periode 2008-2020 tot 40% van de inspanning kan worden verwezenlijkt via het gebruik van CER's en ERU's. Aangezien de overdracht door de lidstaten van CER's en ERU's waarover exploitanten beschikken, tussen verbintenisperioden uit hoofde van internationale overeenkomsten("opsparen" van CER's en ERU's) niet vóór 2015 kan gebeuren, en alleen als de lidstaten ervoor kiezen het opsparen van deze CER's en ERU's toe te staan binnen de context van beperkte rechten om dergelijke kredieten op te sparen, dient deze zekerheid te worden gegeven door de lidstaten ertoe te verplichten exploitanten toe te staan deze CER's en ERU's die zijn verleend voor emissiebeperkingen vóór 2012, in te wisselen voor emissierechten die met ingang van 2013 geldig zijn. Aangezien de lidstaten echter niet verplicht moeten worden om CER's en ERU's te accepteren waarvan het niet zeker is dat ze deze met het oog op hun bestaande internationale verplichtingen zullen kunnen gebruiken, dient deze verplichting niet verder te gaan dan 31 december 2014. De exploitanten dienen dezelfde zekerheid te krijgen voor dergelijke CER's die afkomstig zijn van projecten die vóór 2013 zijn vastgesteld met het oog op emissiebeperking met ingang van 2013.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 23
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(23) Wanneer de sluiting van een internationale overeenkomst vertraging oploopt, dient de mogelijkheid te worden gecreëerd dat kredieten uit kwalitatief hoogwaardige projecten via overeenkomsten met derde landen in de Gemeenschapsregeling worden gebruikt. Dergelijke overeenkomsten, die bilateraal of multilateraal kunnen zijn, zouden het mogelijk kunnen maken dat de erkenning van projecten die tot 2012 ERU's hebben opgeleverd maar dit niet langer binnen het Kyoto-kader kunnen doen, in de Gemeenschapsregeling gehandhaafd blijft.
(23) Wanneer de sluiting van een internationale overeenkomst vertraging oploopt, dient de mogelijkheid te worden gecreëerd dat kredieten uit kwalitatief hoogwaardige projecten via overeenkomsten met derde landen in de Gemeenschapsregeling worden gebruikt. Dergelijke overeenkomsten, die bilateraal of multilateraal kunnen zijn, zouden het mogelijk kunnen maken dat de erkenning van projecten die tot 2012 ERU's hebben opgeleverd maar dit niet langer binnen het Kyoto-kader kunnen doen, in de Gemeenschapsregeling gehandhaafd blijft. Dergelijke projecten moeten ecologische en sociale duurzaamheid ondersteunen, blijk geven van een ecologisch voordeel, het weglekeffect vermijden en een transparant mechanisme voor validering en verificatie bevatten.
Motivering
Projecten die met derde landen zijn goedgekeurd bij gebrek aan een toekomstige internationale overeenkomst inzake klimaatverandering moeten van hoge kwaliteit zijn en blijk geven van een ecologisch en sociaal voordeel.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 24
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(24) De minst ontwikkelde landen zijn bijzonder kwetsbaar voor de effecten van klimaatverandering en zijn slechts in zeer geringe mate verantwoordelijk voor de emissie van broeikasgassen. Daarom moet er bijzondere prioriteit worden gegeven aan de behoeften van de minst ontwikkelde landen, wanneer de inkomsten uit veilingen worden gebruikt voor de bevordering van de aanpassing van ontwikkelingslanden aan de effecten van klimaatverandering. Aangezien er in deze landen maar heel weinig CDM-projecten tot stand zijn gekomen, dient er zekerheid te worden gegeven over het accepteren van kredieten uit projecten die daar na 2012 worden gestart, ook als er geen internationale overeenkomst is. Dit recht dient tot 2020 voor de minst ontwikkelde landen te gelden, mits ze tegen die tijd een mondiale overeenkomst inzake klimaatverandering of een bilaterale of multilaterale overeenkomst met de Gemeenschap hebben bekrachtigd.
(24) De minst ontwikkelde landen zijn bijzonder kwetsbaar voor de effecten van klimaatverandering en zijn slechts in zeer geringe mate verantwoordelijk voor de emissie van broeikasgassen. Daarom moet er bijzondere prioriteit worden gegeven aan de behoeften van de minst ontwikkelde landen, wanneer de inkomsten uit veilingen worden gebruikt voor de bevordering van de aanpassing van ontwikkelingslanden aan de effecten van klimaatverandering. Aangezien er in deze landen maar heel weinig CDM-projecten tot stand zijn gekomen, dient er zekerheid te worden gegeven over het accepteren van kredieten uit projecten die daar na 2012 worden gestart, ook als er geen internationale overeenkomst is, wanneer deze projecten duidelijk een toegevoegde waarde hebben en bijdragen tot duurzame ontwikkeling. Dit recht dient tot 2020 voor de minst ontwikkelde landen te gelden, mits ze tegen die tijd een mondiale overeenkomst inzake klimaatverandering of een bilaterale of multilaterale overeenkomst met de Gemeenschap hebben bekrachtigd.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 25
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(25) Zodra er een internationale overeenkomst over klimaatverandering tot stand is gekomen, dienen CDM-kredieten uit derde landen alleen in de Gemeenschapsregeling te worden geaccepteerd wanneer deze landen de internationale overeenkomst hebben bekrachtigd.
(25) Zodra de Gemeenschap een internationale overeenkomst over klimaatverandering heeft bekrachtigd, kunnen bijkomende credits tot de helft van de bijkomende vermindering waarin de Gemeenschapsregeling voorziet worden gebruikt, en dienen CDM-kredieten van hoge kwaliteit uit derde landen alleen in de Gemeenschapsregeling te worden geaccepteerd wanneer deze landen de internationale overeenkomst hebben bekrachtigd.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 31 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(31 bis) Aan de Unie grenzende derde landen moeten worden aangemoedigd om zich aan te sluiten bij de Gemeenschapsregeling indien zij aan de vereisten van deze richtlijn voldoen.De Commissie dient alles in het werk te stellen om in de onderhandelingen met en bij de verlening van financiële en technische bijstand aan kandidaat-landen, potentiële kandidaat-landen en landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, deze doelstelling te bevorderen.Dit zou de overdracht van technologie en kennis aan deze landen vergemakkelijken, hetgeen een belangrijke manier is om allen economische, ecologische en sociale voordelen te verschaffen.
Motivering
Het is van fundamenteel belang aan de EU grenzende landen aan te moedigen zich bij de EU ETS aan te sluiten. Dit is niet alleen van belang vanuit een ecologische en ontwikkelingsoptiek, maar ook voor het vraagstuk van het weglekeffect als gevolg van bedrijven uit de EU die de grens over gaan.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 33
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(33) [Wat de benadering van toewijzing betreft, dient de luchtvaart gelijk te worden behandeld als andere bedrijfstakken die gratis overgangstoewijzingen krijgen en niet als de elektriciteitsopwekkers.Dit betekent dat 80% van de emissierechten in 2013 gratis dient te worden toegewezen en dat de gratis toewijzing aan de luchtvaart vervolgens elk jaar met gelijke hoeveelheden dient te dalen, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.De Gemeenschap en haar lidstaten dienen te blijven werken aan een overeenkomst over mondiale maatregelen om de emissie van broeikasgassen door de luchtvaart terug te dringen en de situatie van deze bedrijfstak als onderdeel van de eerstvolgende toetsing van de Gemeenschapsregeling te evalueren.]
(33) [Wat de benadering van toewijzing betreft, dient de luchtvaart gelijk te worden behandeld als andere bedrijfstakken die gratis overgangstoewijzingen krijgen en niet als de elektriciteitsopwekkers.De Gemeenschap en haar lidstaten dienen te blijven werken aan een overeenkomst over mondiale maatregelen om de emissie van broeikasgassen door de luchtvaart terug te dringen en de situatie van deze bedrijfstak als onderdeel van de eerstvolgende toetsing van de Gemeenschapsregeling te evalueren.]
Motivering
De luchtvaartsector valt onder alle andere sectoren, waarvoor de blootstelling aan het risico op het weglekeffect moet worden bepaald, indien geen internationale overeenkomst wordt bereikt.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 33 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(33 bis) Het is van belang de regeling in de toekomst uit te breiden tot andere grote uitstoters van broeikasgassen, in het bijzonder in de vervoersector, zoals scheepsexploitanten, en mogelijk ook de mijnbouwsector en de afvalsector.Daartoe dient de Commissie zo spoedig mogelijk passende wijzigingen in te dienen, vergezeld van een effectbeoordeling, met het oog op de opname van de scheepvaart in de Gemeenschapsregeling tegen 2013 en de vaststelling van een datum voor de opname van het vrachtvervoer over de weg.
Motivering
Vrachtverkeer over de weg en de scheepvaart moeten worden opgenomen in het ETS evenals mogelijk de mijnbouw en de afvalsector.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 33 ter (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(33 ter) Ten einde te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden op de internationale markt dient de Commissie in voorkomend geval richtsnoeren uit te vaardigen of voorstellen in te dienen met het oog op de verdere harmonisatie van de toepassing van deze richtlijn, bijvoorbeeld ten aanzien van de definities, kosten en sancties.
Motivering
Om meer rechtszekerheid te bieden en werkelijk gelijke concurrentievoorwaarden in de EU te creëren, kan verdere harmonisatie worden overwogen, bijvoorbeeld wat betreft de definities (sluiting), kosten en sancties van de lidstaten.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 34
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(34) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden. Met name dient de Commissie de bevoegdheid te krijgen maatregelen vast te stellen voor de veiling van emissierechten, voor de toewijzing van overgangsemissierechten voor de hele Gemeenschap, voor de bewaking, rapportage en verificatie van emissies, voor de accreditatie van verificateurs en voor de invoering van geharmoniseerde regels voor projecten. Aangezien dit maatregelen van algemene strekking zijn die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen en deze richtlijn aan te vullen door de toevoeging of wijziging van nieuwe niet-essentiële onderdelen, dienen ze te worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.
(34) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden. Met name dient de Commissie de bevoegdheid te krijgen maatregelen vast te stellen voor de veiling van emissierechten, voor de toewijzing van overgangsemissierechten voor de hele Gemeenschap, voor de bewaking, rapportage en verificatie van emissies, voor de harmonisatie van de regels betreffende de definitie van nieuwkomer, voor de accreditatie van verificateurs en voor de invoering van geharmoniseerde regels voor projecten. Aangezien dit maatregelen van algemene strekking zijn die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen en deze richtlijn aan te vullen door de toevoeging of wijziging van nieuwe niet-essentiële onderdelen, dienen ze te worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 34 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(34 bis) Informatie over de toepassing van deze richtlijn dient gemakkelijk toegankelijk te zijn, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's).Om ondernemingen, met name KMO's, te helpen aan de vereisten van deze richtlijn te voldoen, dienen de lidstaten nationale helpdesks te creëren.
Motivering
Zonder stemming in het verslag opgenomen op grond van artikel 47 van het Reglement. Veel van de bedrijven die onder de EU ETS vallen, zijn KMO's die niet over voldoende middelen beschikken en die wellicht in vergelijking met grote bedrijven in een nadelige positie verkeren als het gaat om de verwerving van emissierechten via veilingen en handel. Het minste dat gedaan kan worden is hen gemakkelijk toegankelijke informatie over de gedetailleerde vereisten te verschaffen. De beste praktische oplossing hiervoor varieert per lidstaat, afhankelijk van het bestaande specifieke institutionele kader, zoals het geval was bij de REACH-richtlijn.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 1
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 1 - nieuwe alinea
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Deze richtlijn voorziet tevens in een sterkere verlaging van de emissie van broeikasgassen teneinde bij te dragen tot het reductieniveau dat op wetenschappelijke gronden nodig wordt geacht om een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen.
Deze richtlijn voorziet tevens in een sterkere verlaging van de emissie van broeikasgassen teneinde bij te dragen tot het reductieniveau dat op wetenschappelijke gronden nodig wordt geacht om een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. De Gemeenschap moet de vermindering van 30% onder het peil van 1990 toepassen, die moet ingaan zodra de Gemeenschap de procedure heeft afgerond voor de bekrachtiging van een toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 – letter b)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 - punt h)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
h)"nieuwkomer": een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en die na indiening bij de Commissie van de in artikel 11, lid 1, bedoelde lijst een vergunning voor broeikasgasemissie heeft verkregen;
h)"nieuwkomer": een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en die na indiening bij de Commissie van de in artikel 11, lid 1, bedoelde lijst een vergunning voor broeikasgasemissie heeft verkregen, of een herziene vergunning voor broeikasgasemissie naar aanleiding van een uitbreiding van minstens 20% van de capaciteit van de installatie of een significante wijziging in de aard of de werking van de installatie;
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 – letter c)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – punt v) (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
v) "internationale overeenkomst":een alomvattende overeenkomst tussen landen in het kader van het UNFCCC waarin wordt gestreefd naar een mondiale emissiebeperking met een omvang die nodig is om de klimaatverandering effectief aan te pakken door de temperatuurstijging op aarde tot 2°C te beperken, en die voor de EU toezeggingen inhoudt van vergelijkbare inspanningen door andere ontwikkelde landen alsook passende bijdragen van economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden in verhouding staat tot hun respectieve verantwoordelijkheden en capaciteiten.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 c – lid 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(2 bis) Artikel 3 c, lid 2, komt als volgt te luiden:
"2. Voor 2013, en [...] voor elk daaropvolgend jaar, daalt de totale hoeveelheid aan vliegtuigexploitanten toe te wijzen emissierechten van 95% volgens de lineaire reductiefactor die is vastgesteld in artikel 9."
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 d – lid 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(2 ter) Artikel 3 d, lid 2, komt als volgt te luiden:
"2. Met inachtneming van artikel 10 ter is de hoeveelheid emissierechten die krachtens de leden 3 tot en met 5 van dit artikel [en lid 2 van artikel 3 quater] gratis wordt toegewezen, 80% van de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt vastgesteld, en wordt de gratis toewijzing vervolgens elk jaar met gelijke hoeveelheden verlaagd, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.Vanaf 2014 wordt de gratis toewijzing aan vliegtuigexploitanten overeenkomstig dit lid met gelijke hoeveelheden verlaagd, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing."
Motivering
Sluit aan bij de overeenkomst van Raad en Parlement om de luchtvaart ook op te nemen in de regeling voor de handel in emissierechten. Volgens de overeenkomst kan de hoeveelheid te veilen rechten worden verhoogd in het kader van de algehele evaluatie. De opstellers van het amendement verwezen naar deze mogelijkheid en ondersteunen het idee dat de Europese Commissie bij de algehele evaluatie naar voren bracht.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 4
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(2 bis) Artikel 4 komt als volgt te luiden:
"Artikel 4
Vergunningen voor broeikasgasemissies
De lidstaten dragen er zorg voor dat vanaf 1 januari 2005 geen installatie een in bijlage I genoemde activiteit verricht welke een voor die activiteit gespecificeerde emissie tot gevolg heeft, tenzij haar exploitant in het bezit is van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig de artikelen 5 en 6 verleende vergunning, of de installatie uit hoofde van artikel 27 [...] is uitgesloten van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap.
Motivering
Dit is een technische wijziging aan een lid van Richtlijn 2003/87/EG dat in het voorstel van de Commissie niet wordt gewijzigd. Het amendement verduidelijkt dat overeenkomstig artikel 27 verleende vrijstellingen niet langer tijdelijk zijn, maar permanent in fase III.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 5 – punt d)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
d) de maatregelen die zijn voorgenomen om de emissies overeenkomstig de in artikel 14 bedoelde verordening te bewaken en te rapporteren.
d) een bewakingsplan en andere maatregelen die voldoen aan de eisen uit hoofde van de in artikel 14 bedoelde verordening.
Motivering
Het bewakingsplan is een cruciaal wettelijk instrument om een vergunning voor broeikasgasemissies te krijgen. Daarom moet het worden vermeld in artikel 5 van de EU ETS-richtlijn. Dit plan moet voldoen aan de eisen van de nieuwe bewakings- en rapportageverordening die in artikel 14 wordt genoemd.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 5
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 9 – lid 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
De Commissie publiceert uiterlijk op 30 juni 2010 de absolute hoeveelheid emissierechten voor 2013, die is gebaseerd op de totale hoeveelheden emissierechten die door de lidstaten overeenkomstig de beschikkingen van de Commissie inzake hun nationale toewijzingsplannen voor de periode van 2008 tot 2012 zijn verleend.
De Commissie publiceert uiterlijk op 30 september 2009 de absolute hoeveelheid emissierechten voor 2013, die is gebaseerd op de totale hoeveelheden emissierechten die door de lidstaten overeenkomstig de beschikkingen van de Commissie inzake hun nationale toewijzingsplannen voor de periode van 2008 tot 2012 zijn verleend of nog moeten worden verleend.
Motivering
De hoeveelheid emissierechten die de lidstaten overeenkomstig hun nationale toewijzingsplannen voor de periode 2008-2012 moeten verlenen, moet vóór 2010 gekend zijn; bijgevolg kan deze datum worden vervroegd.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 5
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 9 – lid 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
De Commissie toetst de lineaire factor uiterlijk in 2025.
De Commissie toetst de lineaire factor uiterlijk in 2020.
Motivering
Het is wenselijk dat de lineaire factor wordt herzien vóór de nieuwe periode start. Tegen 2020 zullen we over nieuwe informatie beschikken waaruit blijkt of het al dan niet noodzakelijk/haalbaar is een strenger reductiebeleid te voeren. Het heeft geen zin te wachten tot 2025.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 9 bis – lid 2 – alinea 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
2. Voor de installaties die pas met ingang van 2013 in de Gemeenschapsregeling worden opgenomen, zorgen de lidstaten ervoor dat de exploitanten van deze installaties bij de desbetreffende bevoegde autoriteit onafhankelijk geverifieerde emissiegegevens kunnen indienen, zodat daar met het oog op de te verlenen hoeveelheid emissierechten rekening mee kan worden gehouden.
2. Voor de installaties die pas met ingang van 2013 in de Gemeenschapsregeling worden opgenomen, zorgen de lidstaten ervoor dat de exploitanten van deze installaties bij de desbetreffende bevoegde autoriteit terdege onderbouwde en onafhankelijk geverifieerde emissiegegevens indienen, zodat daar met het oog op de te verlenen hoeveelheid emissierechten rekening mee kan worden gehouden.
Motivering
Het indienen van deze gegevens moet verplicht zijn om ze bij de hoeveelheid toe te kennen rechten mede in overweging te kunnen nemen.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 9 bis – lid 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3. De Commissie publiceert de in de leden 1 en 2 bedoelde aangepaste hoeveelheden.
3. De Commissie publiceert uiterlijk 30 september 2010 de in de leden 1 en 2 bedoelde aangepaste hoeveelheden.
Motivering
Dit is om te verduidelijken tegen wanneer de Commissie de gegevens moet publiceren die de lidstaten hebben bezorgd in verband met installaties die tijdens fase II zijn toegetreden of vanaf 2013 worden opgenomen.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 9 bis – lid 3 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3 bis. Ten aanzien van installaties die overeenkomstig artikel 27 of ingevolge sluiting van de Gemeenschapsregeling zijn uitgesloten, wordt de totale hoeveelheid vanaf 1 januari 2013 te verlenen emissierechten neerwaarts aangepast door het totale gemiddelde van de geverifieerde emissies van deze installaties in de periode 2005 - 2007 te verminderen met 21 % van deze emissies;deze hoeveelheid komt overeen met de reductie die geëist wordt van installaties die onder de Gemeenschapsregeling vallen om de uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van het niveau van de jaren ’90 met ten minste 20% te reduceren.Indien een internationale overeenkomst over klimaatverandering is gesloten, wordt de hoeveelheid emissierechten die uit hoofde van deze alinea wordt aangepast, in neerwaartse zin herzien, teneinde rekening te houden met de herziene vermindering van de broeikasgasemissies onder het niveau van de jaren ’90.
Motivering
Dit amendement sluit aan bij het amendement op artikel 27 dat de emissiedrempel tot 25.000 optrekt. Hierdoor vervalt voor 6300 (in plaats van 4200) kleine installaties de administratieve last van de regeling, maar wordt slechts 2,4% van de totale emissies buiten beschouwing gelaten. Een amendement op artikel 9 bis is nodig voor een overeenkomstige neerwaartse aanpassing van het algemene plafond.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1.Met ingang van 2013 veilen de lidstaten alle emissierechten die niet overeenkomstig artikel 10 a gratis worden toegewezen.
1.Voor de periodes vanaf 2013 veilen de lidstaten alle emissierechten die niet overeenkomstig artikel 10 a gratis worden toegewezen.Uiterlijk op 31 december 2010 bepaalt en publiceert de Commissie, op basis van ingediende verslagen en van artikel 10 a, lid 6, de voor de gehele Gemeenschap geraamde hoeveelheid emissierechten die voor de periode 2013-2020 moeten worden geveild.
Motivering
Voor de goede werking van zowel de ETS als de elektriciteitssector is het van cruciaal belang dat de veiling van emissierechten voor de periodes vanaf 2013 ver vóór 1 januari 2013 plaatsvindt.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 2 – letter a
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
a) 90% van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten die over de lidstaten wordt verdeeld, waarbij elk aandeel identiek is aan het aandeel van de betrokken lidstaat in de geverifieerde emissie krachtens de Gemeenschapsregeling in 2005;
a) 90% van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten die over de lidstaten wordt verdeeld, waarbij elk aandeel identiek is aan het aandeel van de betrokken lidstaat in de gemiddelde geverifieerde emissie krachtens de Gemeenschapsregeling in 2005-2007;
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3. Ten minste 20% van de inkomsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van emissierechten, met inbegrip van alle inkomsten uit de in lid 2, onder b), bedoelde veilingen, zou moeten worden gebruikt voor:
3. Ten minste 50% van de inkomsten uit de in lid 2 bedoelde veiling moet als volgt worden gebruikt in een specifiek internationaal fonds:
a) de beperking van de emissie van broeikasgassen, onder andere door bijdragen aan het Wereldfondsvoor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering en de financiering van onderzoek en ontwikkeling met het oog op emissiebeperking en aanpassing, inclusief deelname aan initiatieven in het kader van het Europees Strategisch plan voor energietechnologie;
a) één vierdevoor maatregelen om bij te dragen aan fondsen om ontbossing te voorkomen en bebossing en herbebossing te doen toenemen in ontwikkelingslanden die de toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering hebben bekrachtigd, waarbij rekening wordt gehouden met:
- de rechten en behoeften van de inheemse bevolking;
- het behoud van de biodiversiteit;en
- het duurzame gebruik van bosgrondstoffen;
b) de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om tegen 2020 20% duurzame energie te gebruiken en om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20% op te voeren;
b) één vierde om de emissies te verminderen in ontwikkelingslanden die de toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering hebben bekrachtigd en om technologie aan deze landen over te dragen, bijv. via het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;
c) het afvangen ende geologische opslag van broeikasgassen, met name degene die afkomstig zijn van kolengestookte elektriciteitscentrales;
c) de helft om de aanpassing aan de negatieve gevolgen van de klimaatverandering te vergemakkelijken in ontwikkelingslanden die de toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering hebben bekrachtigd.
d) maatregelen om ontbossing te voorkomen, met name in de minst ontwikkelde landen;
e) de vergemakkelijking van de aanpassing van ontwikkelingslanden aan de effecten van klimaatverandering;
f) de aanpak van maatschappelijke aspecten in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen, bijvoorbeeld door hun energie-efficiëntie en isolatie te verbeteren;en
g) de dekking van administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3 bis. Inkomsten die niet worden gebruikt overeenkomstig lid 3, met inbegrip van alle inkomsten uit de in lid 2, onder b), bedoelde veilingen, moeten worden gebruikt om klimaatveranderingskwesties aan te pakken, onder meer:
a) de beperking van de emissie van broeikasgassen, de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering en de financiering van onderzoek en ontwikkeling met het oog op emissiebeperking en aanpassing, met inbegrip van deelname aan initiatieven in het kader van het Europees strategisch plan voor energietechnologie en de Europese technologieplatforms;
b) de ontwikkeling van hernieuwbare energie om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om tegen 2020 20% hernieuwbare energie te gebruiken;
c) het voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20% op te voeren;
d) het milieutechnisch veilig afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen die afkomstig zijn van kolengestookte elektriciteitscentrales en van een reeks industriële bedrijfstakken en deeltakken;
e) de financiering van onderzoek en ontwikkeling inzake energie-efficiëntie en schone technologieën in de sectoren die onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen;
f) bijkomende maatregelen om ontbossing te voorkomen, duurzame bebossing en bosbeheer in Europa te bevorderen en duurzame biomassa in de Gemeenschap te produceren en te bevorderen;
g) de aanpak van energiearmoede, bijvoorbeeld via financiële maatregelen om betere energie-efficiëntie en isolatie te bevorderen;
h) het aanmoedigen van het overschakelen op vervoersvormen met een lage emissie, met inbegrip van modal shift, en de compensatie van de gestegen stroomkosten voor elektrische aandrijving in de spoorwegsector;
i) de dekking van administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling;en
j) installaties voor onderzoek, innovatie en investeringen in koolstofarme technologie, inclusief o.a. hernieuwbare energie, het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen en energie-efficiëntere productieprocessen, in verhouding tot de indirecte emissie door het elektriciteitsgebruik van deze installaties en overeenkomstig de regels inzake staatssteun.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 4
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
4. De lidstaten nemen informatie over het gebruik van inkomsten voor elk van deze doelen op in hun krachtens Beschikking nr. 280/2004/EG ingediende verslagen.
4. De lidstaten nemen informatie over het gebruik van inkomsten voor elk van de in de leden 3 en 3 bis genoemde doelen op in hun krachtens Beschikking nr. 280/2004/EG ingediende verslagen.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 5
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
5. Uiterlijk op 31 december 2010 stelt de Commissie een verordening vast over de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van veilingen om te zorgen dat deze op een open, transparante en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd. De veilingen worden zodanig opgezet dat de exploitanten, en met name eventuele kleine en middelgrote ondernemingen die onder de Gemeenschapsregeling vallen, volledige toegang krijgen en dat andere deelnemers het verloop van de veiling niet ondermijnen.Deze maatregel, die bedoeld is om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, wordt vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
5. Uiterlijk op 30 september 2010 stelt de Commissie een verordening vast volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing over de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van veilingen om te zorgen dat deze op een open, transparante en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd. Het veilingsysteem wordt zo opgezet dat de markt voortdurend liquide en doorzichtig is.
Om verwezenlijking van bovengenoemde doelen mogelijk te maken, moet de in de eerste alinea bedoelde verordening gebaseerd zijn op de volgende beginselen:
- er moet één enkel systeem worden gebruikt dat op afstand toegankelijk, doelmatig en tegen aanvaardbare kosten beschikbaar dient te zijn en dat door één enkele bestuurder op Gemeenschapsniveau wordt geleid om de integriteit ervan te waarborgen;
- veilingen moeten tegen zo laag mogelijke kosten toegankelijk zijn voor belanghebbenden die kunnen aantonen solvent te zijn en die beschikken over een in het register van rechten geopende rekening;
- in de verordening moet een tijdschema worden vastgelegd van in veiling te brengen quota, en dit moet aansluiten op de terugbetalingstermijnen die op de rechten van toepassing zijn en met de voor bedrijven geldende liquiditeitseisen;de mogelijkheid van één enkele veiling voor de gehele periode in kwestie dient in het tijdschema uitgesloten te zijn.
In de verordening wordt bepaald dat toezicht op de markt wordt gehouden door een bestaande of toekomstige organisatie, wier taak lijkt op de taak van een controleorgaan voor de grondstoffenmarkt .
Motivering
De EU moet in staat zijn meer te investeren in de technologieën in verband met energie en beperking van de CO2-uitstoot die noodzakelijk zijn om de weg te plaveien voor maatregelen ter beperking van CO2-uitworp die vanaf nu tot 2050 worden uitgevoerd. Indien de inkomsten op Gemeenschapsniveau worden gebruikt, kan het onderzoek in Europa naar behoren worden ingericht en aldus hetzelfde niveau bereiken als in bij voorbeeld de Verenigde Staten en Japan.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 5 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
5 bis. De lidstaten kunnen in overleg met de Commissie een gezamenlijk agentschap of instituut machtigen om namens hen op te treden bij de veiling van emissierechten.De inkomsten van veilingen die zijn verricht door een gezamenlijk agentschap of instituut worden overeenkomstig lid 2 onder de lidstaten verdeeld zodra dit na elke veiling mogelijk is.
Motivering
De totale hoeveelheid te veilen emissierechten voor de gehele Gemeenschap moet worden vastgesteld en meegedeeld zodat de lidstaten de hoeveelheid emissierechten kunnen berekenen die zij overeenkomstig artikel 10, lid 2, kunnen veilen.In het kader van de toekomstige verordening van de Commissie inzake veilingen moet rekening worden gehouden met de complexiteit en de administratieve kosten voor het organiseren van veilingen in 27 lidstaten.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 1 – alinea 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. De Commissie stelt uiterlijk op 30 juni 2011 volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelen voor de hele Gemeenschap vast om de in de leden 2 tot en met 6 en 8 bedoelde emissierechten op een geharmoniseerde wijze toe te wijzen.
1. De Commissie stelt uiterlijk op 30 juni 2010 volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelen voor de hele Gemeenschap vast om de in de leden 2 tot en met 6 en 8 bedoelde emissierechten op een geharmoniseerde wijze toe te wijzen.
Motivering
De verwijzing naar de leden 2 tot en met 6 en 8 schept geen aanvullende duidelijkheid, omdat de derde alinea al betrekking heeft op een geharmoniseerd benchmarksysteem. Om betrokkenen met het oog op hun planning zekerheid te geven dient medio 2010 een besluit te zijn genomen over de benchmarksystemen. Met de wijziging worden het gebruik en de belangrijkste kenmerken van benchmarks benadrukt.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 1 – alinea 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen zorgen er voorzover mogelijk voor dat de toewijzing gebeurt op een wijze die broeikasgas- en energie-efficiënte technieken en emissiebeperking stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocédés, het gebruik van biomassa en het afvangen en de opslag van broeikasgassen, en niet aanzet tot een toename van de emissie.Er wordt geen gratis toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking.
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen stellen voorzover mogelijk geharmoniseerde ex ante sectorspecifieke benchmarks voor de hele Gemeenschap vast om ervoor te zorgen dat de toewijzing gebeurt op een wijze die broeikasgas- en energie-efficiënte technieken en emissiebeperking stimuleert.Ze zijn gebaseerd op de meest efficiënte technieken en technologieën en houden rekening met de mogelijkheden, waaronder de technische mogelijkheden, om emissies terug te dringen, vervangingsproducten, alternatieve productieprocédés en het gebruik van biomassa, warmtekrachtkoppeling en het afvangen, het gebruik en de opslag van broeikasgassen.
Voor elke sector wordt het benchmark indien mogelijk berekend op basis van het eindproduct, en niet slechts op basis van de productiefactoren, zodat de vermindering van de broeikasgasemissies en het energieverbruik in het hele productieproces van de betrokken sector maximaal zijn.
De bovengenoemde maatregelen zetten niet aan tot een toename van de totale emissie of van de emissie per productie-eenheid.Bovendien houden deze geharmoniseerde regels rekening met emissies als gevolg van het gebruik van brandbare rookgassen, met inbegrip van deze die bij de staalproductie vrijkomen, wanneer de productie van deze rookgassen niet kan worden vermeden in het industriële productieproces;hierbij voorzien de regels in de gratis toewijzing van emissierechten aan de operatoren van de installaties die de rookgassen in kwestie verbranden of aan de operatoren van de installaties waar deze gassen ontstaan.
Er wordt geen gratis toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking, behalve voor elektriciteit die wordt opgewekt in verband met industriële warmte via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als omschreven in Richtlijn 2004/8/EG of uit residuen van een industrieel proces waarbij gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken, op voorwaarde dat de opwekking gebeurt voor eigen gebruik van de exploitant van de installatie;de toewijzing van de emissierechten vindt plaats op basis van dezelfde beginselen als die welke worden toegepast op de industriële activiteit als bedoeld in bijlage I.
Bij het bepalen van de grondslagen voor het vaststellen van ex ante benchmarks in afzonderlijke bedrijfstakken raadpleegt de Commissie de betreffende bedrijfstakken.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 1 – alinea 4
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
De Commissie toetst, zodra de Gemeenschap een internationale overeenkomst over klimaatverandering heeft gesloten die leidt tot verplichte beperkingen van de emissie van broeikasgassen die vergelijkbaar zijn met die van de Gemeenschap, deze maatregelen om ervoor te zorgen dat gratis toewijzing alleen plaatsvindt wanneer dit in het licht van die overeenkomst volledig gerechtvaardigd is.
De Commissie toetst, zodra de Gemeenschap een toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering heeft gesloten die leidt tot verplichte beperkingen van de emissie van broeikasgassen die vergelijkbaar zijn met die van de Gemeenschap, deze maatregelen om ervoor te zorgen dat gratis toewijzing alleen plaatsvindt wanneer dit in het licht van die overeenkomst volledig gerechtvaardigd is.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
2. Onverminderd lid 3 wordt er geen gratis toewijzing gegeven aan elektriciteitsopwekkers, installaties voor het afvangen van broeikasgassen of pijpleidingen voor het vervoer of opslagplaatsen voor broeikasgassen.
2. Onverminderd de leden 3 en 6 ter wordt er geen gratis toewijzing gegeven aan elektriciteitsopwekkers, installaties voor het afvangen van broeikasgassen of pijpleidingen voor het vervoer of opslagplaatsen voor broeikasgassen die hun oorsprong vinden in fossiele brandstoffen.
Motivering
Het medeverbranden van biomassa of -afval in kolencentrales is een kosteneffectieve mogelijkheid om het aandeel hernieuwbare energie in Europa te verhogen. Het is van wezenlijk belang dat medeverbranding, samen met het afvangen en opslaan van CO2 (CCS), een aantrekkelijke mogelijkheid blijft. Om investeringen in CCS zeker te stellen is voorgesteld dat er credits mogelijk moeten zijn voor het opslaan van broeikasgassen uit brandstof die CO2-neutraal is en in feite broeikasgasemissies uit de atmosfeer haalt.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3.Aan elektriciteitsopwekkers kan een gratis toewijzing worden gegeven voor de productie van warmte via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, voor economisch aantoonbare vraag om te zorgen dat er sprake is van gelijke behandeling ten opzichte van andere warmteproducenten. In elk jaar na 2013 wordt de totale toewijzing aan deze installaties voor de productie van die warmte aangepast met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor.
3.Er moeten gratis toewijzingen worden gegeven aan stadsverwarming en hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, voor een economisch aantoonbare vraag, met betrekking tot de productie van warmte of koeling. In elk jaar na 2013 wordt de totale toewijzing aan deze installaties voor de productie van die warmte aangepast met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 4
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
4. De maximale hoeveelheid emissierechten die de basis vormt voor de berekening van toewijzingen aan installaties die in 2013 activiteiten uitvoeren en in de periode van 2008 tot 2012 een gratis toewijzing hebben ontvangen, is als percentage van de jaarlijkse totale hoeveelheid voor de hele Gemeenschap niet hoger dan het percentage van de corresponderende emissie door deze installaties in de periode van 2005 tot 2007. Waar nodig wordt een correctiefactor toegepast.
4. De maximale hoeveelheid emissierechten die de basis vormt voor de berekening van toewijzingen aan installaties die in 2013 activiteiten uitvoeren en in de periode van 2008 tot 2012 een gratis toewijzing hebben ontvangen, is als percentage van de jaarlijkse totale hoeveelheid voor de hele Gemeenschap niet hoger dan het percentage van de corresponderende emissie door deze installaties in de periode van 2005 tot 2007. Waar nodig wordt een uniforme correctiefactor voor alle bedrijfstakken toegepast.
Motivering
In het voorstel van de Commissie zouden een aantal bedrijfstakken hun emissies kunnen laten toenemen en de last van hun reductie-inspanningen door kunnen schuiven naar andere bedrijfstakken. Een uniforme correctiefactor voor alle bedrijfstakken waarborgt dat alle bedrijfstakken meewerken aan het terugdringen van de emissies.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 5 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
5 bis. Onverminderd de regels betreffende gratis toewijzing in dit artikel, moet de totale hoeveelheid toewijzingen zoals bedoeld in lid 4 en 5 over sectoren worden verdeeld op basis van hun aandeel in de geverifieerde emissies voor de periode 2005-2007.Elke installatie binnen een sector kan een toewijzing ontvangen uit de hoeveelheid die aan de desbetreffende sector is toegekend uit hoofde van de maatregelen die zijn genomen overeenkomstig lid 1.
Motivering
De Commissie stelt een bottom-upsysteem voor voor het berekenen van de gratis toewijzingen aan elke installatie: het instellen van een benchmark, kijken wat de hoeveelheid toewijzingen wordt als ze zijn "vertaald" in installaties en ze aanpassen als ze het algehele plafond te boven gaan. Om het proces te versnellen en elke sector meer voorspelbaarheid te bieden geniet een top-downsysteem de voorkeur. De Commissie moet eerst het algehele plafond verdelen over sectoren op basis van geverifieerde emissies en vervolgens sectorale benchmarks vaststellen om te bepalen hoeveel toewijzingen elke installatie in een sector ontvangt.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 6 – alinea 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Voor elektriciteitsopwekking door nieuwkomers wordt geen gratis toewijzing gegeven.
Voor elektriciteitsopwekking door nieuwkomers wordt geen gratis toewijzing gegeven, behalve voor elektriciteit die wordt opgewekt in verband met industriële warmte via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als omschreven in Richtlijn 2004/8/EG of uit residuen van een industrieel proces waarbij gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken, op voorwaarde dat de opwekking gebeurt voor eigen gebruik van de exploitant van de installatie;de toewijzing van de emissierechten vindt plaats op basis van dezelfde beginselen als die welke worden toegepast op de industriële activiteit als bedoeld in bijlage I.
Indien echter afvalgas van een productieproces als brandstof wordt gebruikt, worden alle emissierechten toegewezen aan de exploitant van de installatie die het gas genereert, waarbij dezelfde toewijzingsbeginselen worden toegepast als bij de industriële activiteit als bedoeld in bijlage I.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 6 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
6 bis. De Commissie keurt uiterlijk 31 december 2010 volledig geharmoniseerde regels voor de gehele Gemeenschap goed betreffende de definitie van nieuwkomer, met inbegrip van de definitie van "capaciteitsuitbreiding van ten minste 20%" en van "significante wijziging in de aard en de werking".
Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 6 ter (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
6 ter. Maximaal 500 miljoen emissierechten in de nieuwkomersreserve worden toegewezen aan grootschalige commerciële demonstratieprojecten die zich bezighouden met het afvangen en het geologisch opslaan van koolstofdioxide binnen het grondgebied van de EU, of in ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie buiten de EU die de toekomstige internationale overeenkomst ratificeren.
De emissierechten worden toegewezen aan projecten die zich richten op het ontwikkelen, tegen de beste kosten-batenverhouding en geografisch evenwichtig gespreid over de gehele EU, van een breed gamma koolstofafvang- en -opslagtechnologieën waarbij gebruik wordt gemaakt van uiteenlopende geologische opslaglocaties.De toewijzing is afhankelijk van het geverifieerd vermijden van CO2-emissies door toepassing van geologische opslag.
De Commissie doet een voorstel voor structuren en procedures voor het bepalen van de projecten en het toewijzen van emissierechten.Zij streeft naar aantoonbare overtuigende progressie met betrekking tot het toekennen van contracten voor de bouw van 12 grootschalige demonstratieprojecten voorafgaand aan de bijeenkomst van de Conferentie van partijen bij het UNFCCC die in november 2009 in Kopenhagen wordt gehouden.
Motivering
De EU moet een voortrekkersrol vervullen bij de ontwikkeling van technologie voor het afvangen en opslaan van koolstof teneinde China en andere grote kolenverbruikende landen te overtuigen een internationale overeenkomst te ratificeren om CO2-emissies aanzienlijk te reduceren. Dit amendement realiseert binnen het emissieplafond van de EU een onmiddellijk, zeker en Europees financieel mechanisme dat degenen die vooroplopen bij CCS-projecten, in staat stelt de ontwikkelingskosten te verhalen waardoor de technologie aanvankelijk niet commercieel levensvatbaar is. Het biedt de basis voor vervolgonderhandelingen over de verdere invulling met de Raad.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 7
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
7. Met inachtneming van artikel 10 bis is de hoeveelheid emissierechten die krachtens de leden 3 tot en met 6 van dit artikel [en lid 2 van artikel 3 quater] gratis wordt toegewezen, 80% van de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt vastgesteld en wordt de gratis toewijzing vervolgens elk jaar met gelijke hoeveelheden verlaagd, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.
7. Met inachtneming van artikel 10 bis is de hoeveelheid emissierechten die krachtens de leden 3 tot en met 6 van dit artikel [en lid 2 van artikel 3 quater] gratis wordt toegewezen, 85% van de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt vastgesteld en wordt de gratis toewijzing vervolgens elk jaar met gelijke hoeveelheden verlaagd, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.Vanaf 2014 wordt de gratis toewijzing aan luchtvaartexploitanten krachtens artikel 3 quinquies, lid 2, met gelijke hoeveelheden verlaagd zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 8
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
8. In 2013 en in elk daaropvolgend jaar tot 2020 worden aan installaties in bedrijfstakken waar een significant risico op het weglekeffect bestaat, gratis emissierechten toegewezen tot maximaal 100% van de overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 vastgestelde hoeveelheid.
8. In 2013 en in elk daaropvolgend jaar tot 2020 worden aan installaties in bedrijfstakken of deeltakken waar een significant risico op het weglekeffect bestaat, gratis emissierechten toegewezen tot maximaal 100% van de overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 vastgestelde hoeveelheid.Het percentage moet rekening houden met de mate waarin individuele installaties in de betrokken bedrijfstak emissieniveaus kunnen verlagen door gebruik te maken van de meest efficiënte technieken en door rekening te houden met het onvermijdbare elektriciteitsverbruik tijdens het productieproces.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 9
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
9. Uiterlijk op 30 juni 2010 en vervolgens om de drie jaar stelt de Commissie vast welke de in lid 8 bedoelde bedrijfstakken zijn.
9. Uiterlijk op 31 maart 2010 en vervolgens om de vier jaar stelt de Commissie vast welke de in lid 8 bedoelde bedrijfstakken zijn.
De Commissie raadpleegt de betrokken bedrijfstakken en deeltakken en andere relevante belanghebbenden.
Deze maatregel, die bedoeld is om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, wordt vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Deze maatregel, die bedoeld is om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, wordt vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Bij de in de eerste alinea bedoelde vaststelling houdt de Commissie rekening met de mate waarin de betrokken bedrijfstak of deeltak de kosten van de vereiste emissierechten kan doorberekenen in de productprijzen zonder een significant verlies van marktaandeel aan minder koolstofefficiënte installaties buiten de Gemeenschap, waarbij zij rekening houdt met de volgende aspecten:
Bij de in de eerste alinea bedoelde vaststelling houdt de Commissie rekening met de mate waarin de betrokken bedrijfstak of deeltak de kosten van de vereiste emissierechten op communautair niveau kan doorberekenen in de productprijzen zonder een significant verlies van marktaandeel aan minder koolstofefficiënte installaties buiten de Gemeenschap, waarbij zij rekening houdt met de volgende kwantitatieve criteria:
a) de mate waarin veiling tot een aanzienlijke stijging van de productiekosten zou leiden;
a) de mate waarin veiling tot een aanzienlijke stijging van de productiekosten zou leiden berekend als een deel van de bruto toegevoegde waarde of, indien deze gegevens niet op een gepast niveau beschikbaar zijn, als een deel van de totale productiekosten;
b) het bekende niveau van invoer en uitvoer in de betrokken bedrijfstak of deeltak;
c) het marktaandeel van de betrokken bedrijfstakken of deeltakken;
d) winstgevendheid als een potentiële indicator van langetermijninvesterings- en/of verplaatsingsbeslissingen;
e) het effect van het doorberekenen van CO2-kosten in de productprijzen van de betrokken bedrijfstak of deeltak;en
f) het effect van het doorberekenen van de kosten van de emissierechten in de elektriciteitsprijs voor de betrokken bedrijfstak of deeltak;
Voor bedrijfstakken of deeltakken die volgens de kwantitatieve beoordeling onderhevig zijn aan een significant risico van het weglekeffect, dient er een kwalitatieve beoordeling plaats te vinden om te bepalen of deze bedrijfstakken of deeltakken daadwerkelijk aan een significant risico onderhevig zijn en om weloverwogen beslissingen te kunnen nemen overeenkomstig artikel 10 bis. Deze beoordeling dient onder meer betrekking te hebben op:
b) de mate waarin individuele installaties in de betrokken bedrijfstak hun emissieniveau kunnen verlagen, bijvoorbeeld op basis van de meest efficiënte technieken;
a) de mate waarin individuele installaties in de betrokken bedrijfstak hun emissieniveau kunnen verlagen, bijvoorbeeld op basis van de meest efficiënte technieken;
c) de marktstructuur, de relevante geografische en productmarkt en de mate waarin de bedrijfstakken aan internationale concurrentie onderhevig zijn;
b) een beoordeling van de marktstructuur (huidige en verwachte), de relevante geografische en productmarkten, transportkosten, de mate waarin de bedrijfstakken aan internationale concurrentie onderhevig zijn, handelsbarrières op de lange en korte termijn en factoren die locatiekeuzes beïnvloeden (waaronder differentiatie in productkwaliteit of serviceniveau door producenten in de Gemeenschap, productnormen, het belang van de nabijheid van product- en factormarkten en de risico's van verplaatsing);
d) het effect van klimaatverandering en het energiebeleid dat buiten de EU in de betrokken bedrijfstakken wordt of naar verwachting zal worden uitgevoerd.
c) het effect van klimaatverandering en het energiebeleid dat buiten de EU in de betrokken bedrijfstakken wordt of naar verwachting zal worden uitgevoerd.
Met het oog op de beoordeling in hoeverre de kostenstijging ten gevolge van de Gemeenschapsregeling kan worden doorberekend, kunnen onder andere ramingen van de niet-gerealiseerde omzet ten gevolge van de hogere koolstofprijs of de effecten op de rentabiliteit van de betrokken installaties worden gebruikt.
Met het oog op de beoordeling in hoeverre de kostenstijging ten gevolge van de Gemeenschapsregeling kan worden doorberekend, kunnen onder andere ramingen van de niet-gerealiseerde omzet ten gevolge van de hogere koolstofprijs of de effecten op de rentabiliteit van de betrokken installaties worden gebruikt.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Uiterlijk in juni 2011 dient de Commissie in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen en de mate waarin deze leiden tot een mondiale beperking van de emissie van broeikasgassen, na raadpleging van alle betrokken maatschappelijke partners, een analytisch verslag bij het Europees Parlement en de Raad in met een beoordeling van de situatie ten aanzien van energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken waarvan is vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt. Tegelijk hiermee worden eventueel adequate voorstellen ingediend, zoals bijvoorbeeld:
Uiterlijk in juni 2010 dient de Commissie in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen en de mate waarin deze leiden tot een mondiale beperking van de emissie van broeikasgassen, na raadpleging van alle betrokken maatschappelijke partners, een analytisch verslag bij het Europees Parlement en de Raad in met een beoordeling van de situatie ten aanzien van energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken waarvan is vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt. Tegelijk hiermee worden eventueel adequate voorstellen ingediend.
- een aanpassing van het percentage emissierechten dat krachtens artikel 10 a gratis door deze bedrijfstakken of deeltakken wordt ontvangen;
- de opneming in de Gemeenschapsregeling van importeurs van producten die worden geproduceerd door de overeenkomstig artikel 10 a vastgestelde bedrijfstakken of deeltakken.
Bij de beoordeling welke maatregelen in aanmerking komen, wordt ook rekening gehouden met bindende sectorale overeenkomsten die leiden tot een mondiale emissiebeperking die een omvang heeft die nodig is om klimaatverandering effectief aan te pakken, die te bewaken en te verifiëren zijn en waarvoor verplichte handhavingsregelingen bestaan.
Bij de beoordeling welke maatregelen in aanmerking komen, wordt rekening gehouden met bindende sectorale overeenkomsten die leiden tot een mondiale emissiebeperking die een omvangheeft die nodig is om klimaatverandering effectief aan te pakken, die te bewaken en te verifiëren zijn en waarvoor verplichte handhavingsregelingen bestaan.
Bij ontstentenis van een internationale overeenkomst en bindende sectorale overeenkomsten zoals bovengenoemd gaat de Commissie in bovengenoemd verslag met name na of het mogelijk is het percentage emissierechten dat krachtens artikel 10 a gratis door deze bedrijfstakken of deeltakken wordt ontvangen, aan te passen, de importeurs van producten die worden geproduceerd door de overeenkomstig artikel 10 a vastgestelde bedrijfstakken of deeltakken in de Gemeenschapsregeling op te nemen of een grensaanpassingsmechanisme in te voeren.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 9
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 – lid 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. Elke lidstaat publiceert en verstrekt de Commissie uiterlijk op 30 september 2011 de lijst met installaties op zijn grondgebied die onder deze richtlijn vallen en alle gratis toewijzingen aan elke installatie op zijn grondgebied, berekend overeenkomstig de in artikel 10 a, lid 1, bedoelde regels.
1. Elke lidstaat publiceert en verstrekt de Commissie uiterlijk op 30 juni 2011 de nationale uitvoeringsmaatregelen met vermelding van de lijst met installaties op zijn grondgebied die onder deze richtlijn vallen en alle gratis toewijzingen aan elke installatie op zijn grondgebied voor elk jaar in de bestreken periode, berekend overeenkomstig de in artikel 10 a, lid 1, bedoelde regels.
Motivering
In dit lid moet worden verduidelijkt dat de lijst de jaarlijkse toewijzing voor elk jaar in de periode 2013-2020 omvat.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 9
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 – lid 1 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1 bis. De lidstaten kunnen slechts gratis toewijzingen overeenkomstig lid 2 geven als de nationale uitvoeringsmaatregelen door de Commissie zijn aanvaard.
Motivering
De Commissie moet een rol spelen bij de goedkeuring van de nationale uitvoeringsmaatregelen om te waarborgen dat de lidstaten de regels betreffende de gratis toewijzing aan hun installaties consequent toepassen.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 9
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 - lid 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
2. Uiterlijk op 28 februari van elk jaar verlenen de bevoegde autoriteiten de hoeveelheid emissierechten die voor dat jaar dienen te worden verdeeld, berekend overeenkomstig de artikelen 10 en 10 a.
2. Uiterlijk op 28 februari van elk jaar verlenen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig hun nationale uitvoeringsmaatregelen de hoeveelheid emissierechten die voor dat jaar dienen te worden verdeeld, berekend overeenkomstig de artikelen 10 en 10 a.
Een installatie die uit bedrijf wordt genomen, ontvangt geen gratis emissierechten meer.
Een installatie die uit bedrijf wordt genomen, ontvangt geen gratis emissierechten meer.
2 bis. Installaties waar geen in bijlage I genoemde activiteiten meer plaatsvinden of waar de productiecapaciteit voor de in bijlage I genoemde activiteiten is gedaald tot onder de in die bijlage vastgelegde grenswaarden, ontvangen geen gratis emissierechten meer.
De Commissie neemt, in de krachtens artikel 10 a, lid 1, vastgestelde maatregelen, bepalingen op om installaties te definiëren die gedeeltelijk of tijdelijk uit bedrijf worden genomen.Dergelijke installaties kunnen een gratis toewijzing blijven ontvangen overeenkomstig de krachtens artikel 10 a, lid 1, vastgestelde maatregelen inzake gratis toewijzing.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 9
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 a – lid 7
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
7.Zodra een internationale overeenkomst over klimaatverandering tot stand is gekomen, worden alleen CER's uit derde landen die deze overeenkomst hebben bekrachtigd, in de Gemeenschapsregeling geaccepteerd.
7.Vanaf 2013 worden alleen CER's en ERU's van hoge kwaliteit die de koppeling van regelingen voor de handel in emissierechten aanmoedigen uit derde landen die de toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering hebben bekrachtigd, in de Gemeenschapsregeling geaccepteerd.In de periode van 2008 tot 2012 liggen de toewijzingen in de Gemeenschapsregeling 6,5% lager dan de emissies in 2005.Alle exploitanten die in deze periode een lager percentage ERU's en CER's hebben gebruikt in verhouding tot hun emissies en die geen emissierechten overdragen krachtens lid 2, mogen dergelijke credits in de periode van 2013 tot 2020 elk jaar gebruiken tot maximaal 4% van hun emissies in 2005, net als nieuwkomers en nieuwe bedrijfstakken.Dit vertegenwoordigt tot 40% van de reducties die ze in de periode 2008 tot 2020 moeten verwezenlijken.
CER's en ERU's van hoge kwaliteit die de koppeling van regelingen voor de handel in emissierechten aanmoedigen, zijn credits die:
a) reële, verifieerbare, aanvullende en permanente emissiereducties vertegenwoordigen uit projecten met duidelijke voordelen op het gebied van duurzame ontwikkeling en zonder significante negatieve gevolgen op milieu- of maatschappelijk gebied;
b) voortvloeien uit projecten in landen die naar behoren bijdragen aan de mondiale emissiereducties uit hoofde van een toekomstige internationale overeenkomst die zij hebben bekrachtigd;en
c) worden geaccepteerd, of naar verwachting zullen worden geaccepteerd, in andere belangrijke emissiehandelsregelingen, waarbij met name wordt gekeken of ze wellicht zullen worden geaccepteerd in een federale emissiehandelsregeling in de Verenigde Staten.
Ter bevestiging van de projecten of projecttypes die aan deze criteria voldoen, worden geharmoniseerde maatregelen vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 9
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 a – lid 7 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
7 bis. Om de milieu-integriteit van de Gemeenschapsregeling te handhaven en ervoor te zorgen dat de Europese binnenlandse terugdringing het niveau bereikt dat is aangegeven in de doelstellingen inzake emissiereductie, wordt een totale hoeveelheid EU-emissierechten geannuleerd die gelijk is aan de hoeveelheid CER's, ERU's en gelijkwaardige credits die installaties mogen gebruiken.Deze hoeveelheid EU-emissierechten wordt afgetrokken van de rechten die anders geveild zouden worden.
Motivering
Het is belangrijk de kostenefficiëntie te verbeteren. Daarom wordt, in het overeenkomstige amendement, voorgesteld om de hoeveelheid CDM- en JI-credits te vergroten. Tegelijkertijd is het belangrijk om de milieu-integriteit van de regeling te handhaven. Met het amendement wordt hoofdzakelijk beoogd veiling te vervangen door CDM en te voorkomen dat het supplementariteitsbeginsel in gevaar komt.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 10 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 12 – leden 1 bis en 3 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(10 bis) Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
a) het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:
"1 bis. De Commissie dient uiterlijk 1 september 2009 passende wetgevingsvoorstellen in die ervoor moeten zorgen dat de markt voor emissierechten wordt beschermd tegen handel met voorkennis en marktmanipulatie.De Commissie gaat met name na of emissierechten voor de doeleinden van deze richtlijn moeten worden beschouwd als financiële instrumenten als bedoeld in Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake handel met voorkennis en marktmanipulatie (marktmisbruik)(1) .
1 PB L 96 van 12.4.2003, blz. 16."
b) het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:
"3 bis. Voor emissies die worden opgevangen en vervoerd voor permanente opslag in een installatie die een vergunning heeft overeenkomstig Richtlijn 2008/xxx/EG inzake de geologische opslag van koolstofdioxide, ontstaat geen verplichting om emissierechten af te staan."
Motivering
Het juridische karakter van emissierechten op de financiële markt is onduidelijk. Sommige landen beschouwen deze als financiële instrumenten waarvan de handel wordt gecontroleerd door de autoriteit financiële diensten, terwijl andere landen deze als normale goederen beschouwen en alleen de derivaten ervan zien als financiële instrumenten. Het is van belang duidelijkheid te scheppen ten einde het vertrouwen van de bedrijven te bevorderen en de transparantie te vergroten. Handel met voorkennis en marktmanipulatie kunnen de markt verstoren en de geloofwaardigheid ervan en het vertrouwen van de investeerders aantasten.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 12
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 14 – lid 3 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3 bis. De verordening kan eisen bevatten met betrekking tot het gebruik van geautomatiseerde systemen en gegevensuitwisselingsformats met het oog op harmonisatie van de communicatie over het monitoringplan, het jaarlijkse emissieverslag en de verificatieactiviteiten tussen de exploitant, de verificateur en de bevoegde autoriteiten.
Motivering
Het gebruik van IT-systemen verbetert de transparantie van de monitoring en rapportering van emissies binnen de EU-regeling voor emissiehandel. Dit is van belang voor verdere uitbreiding van de regeling voor emissiehandel dan wel voor koppeling van de regeling aan andere sectoren en emissiehandelsystemen.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 13 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 15 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(13 bis) Het volgende artikel 15 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 15 bis
Openbaarmaking van informatie en beroepsgeheim
1. De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat alle besluiten en verslagen die verband houden met de hoeveelheid emissierechten en de toewijzing ervan en met de bewaking, rapportage en verificatie van emissies onverwijld openbaar worden gemaakt op een wijze die zorgt voor snelle toegang tot dergelijke informatie op niet-discriminerende basis.
2. De verplichting inzake het beroepsgeheim geldt voor alle personen die werken of hebben gewerkt voor de Commissie of voor bevoegde autoriteiten van de lidstaten en organen aan welke de Commissie of de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bepaalde taken hebben gedelegeerd.Informatie die onder het beroepsgeheim valt mag niet openbaar worden gemaakt aan andere personen of autoriteiten, tenzij op grond van bestaande wettelijke, bestuursrechtelijke of administratieve bepalingen."
Motivering
Het is van fundamenteel belang te zorgen voor de toepassing van regels voor financiële instrumenten met betrekking tot de handel in emissierechten om het vertrouwen van bedrijven te vergroten en de transparantie te verbeteren. De publicatie van marktgevoelige informatie door de Commissie en de lidstaten moet streng en duidelijk worden gereguleerd.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 17
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 22 – lid 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
De Commissie kan de bijlagen van deze richtlijn, met uitzondering van bijlage I, in het licht van de in artikel 21 bedoelde verslagen en de ervaring met de toepassing van deze richtlijn wijzigen. De bijlagen IV en V kunnen worden gewijzigd teneinde de bewaking, de rapportage en de verificatie van de emissie te verbeteren.
De Commissie kan de bijlagen van deze richtlijn, met uitzondering van de bijlagen I, II en II bis, in het licht van de in artikel 21 bedoelde verslagen en de ervaring met de toepassing van deze richtlijn wijzigen. De bijlagen IV en V kunnen worden gewijzigd teneinde de bewaking, de rapportage en de verificatie van de emissie te verbeteren.
Motivering
Bijlage II bis is een politiek besluit en moet bijgevolg onder de medebeslissing vallen en niet onder de comitologie. De opneming van andere broeikasgassen dan die welke momenteel in bijlage II zijn opgenomen zal leiden tot belangrijke marktverstoringen en tot onzekerheid bij het plannen. Nieuwe gassen in de EU-regeling voor de handel in emissierechten kunnen leiden tot plotselinge verandering in aanbod van en vraag naar emissierechten en derhalve ongewenste plotselinge prijsfluctuaties veroorzaken.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 17 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 24 - lid 1 - alinea 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(17 bis) In artikel 24, lid 1, komt alinea 1 als volgt te luiden:
"1. Vanaf 2008 mogen de lidstaten handel in emissierechten overeenkomstig deze richtlijn toepassen op in bijlage I niet genoemde activiteiten die bij een installatie of elders worden uitgevoerd en broeikasgassen, op voorwaarde dat de opneming van dergelijke activiteiten […] en broeikasgassen door de Commissie wordt goedgekeurd volgens de procedure van artikel 23, lid 2, met inachtneming van alle relevante criteria, in het bijzonder de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van de regeling en de betrouwbaarheid van het geplande bewakings- en rapportagesysteem."
Motivering
Dit is een technische wijziging van Richtlijn 2003/87/EG aan een lid dat in het voorstel van de Commissie niet wordt gewijzigd. Zij zorgt voor flexibiliteit met betrekking tot eventuele toekomstige opnemingen, bijvoorbeeld van verwarming van huishoudens.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 19
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 24 a – lid 1 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1 bis. Broeikasgasemissies die worden afgevangen en opgeslagen worden als niet-uitgestoten beschouwd.Voor deze emissies hoeven geen emissierechten te worden afgestaan.
Motivering
Deze geëmitteerde gassen komen niet in contact met de lucht. Ze moeten daarom als niet-uitgestoten worden beschouwd
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 20
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 25 – leden 1 bis en 1 ter
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1 bis. Er kunnen overeenkomsten worden gesloten om te zorgen voor de erkenning van emissierechten tussen de Gemeenschapsregeling en verplichte regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten met een aftopping van de absolute emissie die in een ander land of in een subfederale of regionale entiteit worden vastgesteld.
1 bis. Er kunnen overeenkomsten worden gesloten om te zorgen voor de erkenning van emissierechten tussen de Gemeenschapsregeling en vergelijkbare verplichte regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten met een aftopping van de absolute emissies die in een andere regio, land of subfederale of subnationale entiteit worden vastgesteld.
1 ter. Er kunnen niet-bindende regelingen met derde landen of met subfederale of regionale entiteiten worden getroffen om te zorgen voor administratieve en technische coördinatie in verband met emissierechten in de Gemeenschapsregeling of andere regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten met een aftopping van de absolute emissie.
1 ter. Er kunnen niet-bindende regelingen met regionale entiteiten, derde landen of subfederale of subnationale entiteiten worden getroffen om te zorgen voor administratieve en technische coördinatie in verband met emissierechten in de Gemeenschapsregeling of andere regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten met een aftopping van de absolute emissie.
Motivering
Verduidelijkt dat koppeling aan regelingen die subnationaal maar niet federaal zijn mogelijk is, en dat regionale entiteiten supranationale entiteiten omvatten.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 20
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 25 – lid 1 quater (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1 quater.De Commissie streeft in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid en het uitbreidingsproces naar de sluiting van overeenkomsten met de betrokken landen om hen in de Gemeenschapsregeling op te nemen of te voorzien in wederzijdse erkenning van de emissierechten.
Motivering
Het is van fundamenteel belang aan de EU grenzende landen aan te moedigen zich bij de EU ETS aan te sluiten. Dit is niet alleen van belang vanuit een ecologische en ontwikkelingsoptiek, maar ook voor het vraagstuk van het weglekeffect als gevolg van bedrijven uit de EU die de grens over gaan.
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 21
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 27 – titel en lid 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Uitsluiting van kleine stookinstallaties onder voorbehoud van gelijkwaardige maatregelen
Uitsluiting van kleine installaties onder voorbehoud van gelijkwaardige maatregelen
1. De lidstaten kunnen stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 25 MW, met een in elk van de voorgaande drie jaren bij de bevoegde autoriteiten gerapporteerde emissie van minder dan 10 000 ton CO2-equivalent, emissie uit biomassa niet meegerekend, waarvoor maatregelen gelden die voor een gelijkwaardige bijdrage tot emissiebeperking zullen zorgen, van de Gemeenschapsregeling uitsluiten als de betrokken lidstaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
1. De lidstaten kunnen op verzoek van de exploitant installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 35 MW, met een in elk van de voorgaande drie jaren bij de bevoegde autoriteiten gerapporteerde emissie van minder dan 25.000 ton CO2-equivalent, emissie uit biomassa niet meegerekend, waarvoor maatregelen gelden die voor een gelijkwaardige bijdrage tot emissiebeperking zullen zorgen, van de Gemeenschapsregeling uitsluiten als de betrokken lidstaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) hij meldt al deze installaties bij de Commissie aan, waarbij de gelijkwaardige maatregelen worden vermeld die van toepassing zijn;
a) hij meldt al deze installaties bij de Commissie aan, waarbij de gelijkwaardige maatregelen worden vermeld die van toepassing zijn;
b) hij bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 10 000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissie uit biomassa niet meegerekend;
b) hij bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissie uit biomassa niet meegerekend;
c) hij bevestigt dat een installatie, indien deze in enig kalenderjaar 10 000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissie uit biomassa niet meegerekend, of indien de gelijkwaardige maatregelen niet langer van toepassing zijn, weer in de regeling zal worden opgenomen;
c) hij bevestigt dat een installatie, indien deze in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissie uit biomassa niet meegerekend, of indien de gelijkwaardige maatregelen niet langer van toepassing zijn, weer in de regeling zal worden opgenomen;
d) hij publiceert de onder a), b) en c) bedoelde informatie, zodat het publiek opmerkingen kan maken.
d) hij publiceert de onder a), b) en c) bedoelde informatie, zodat het publiek opmerkingen kan maken.
Ziekenhuizen kunnen ook worden uitgesloten indien zij gelijkwaardige maatregelen treffen.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 21
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. Na de sluiting door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst over klimaatverandering die uiterlijk in 2020 leidt tot verplichte beperkingen van de emissie van broeikasgassen die groter zijn dan de minimale niveaus waarover de Europese Raad overeenstemming heeft bereikt, zijn de leden 2, 3 en 4 van toepassing.
1. Na de sluiting door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst over klimaatverandering die uiterlijk in 2020 leidt tot verplichte beperkingen van de emissie van broeikasgassen die groter zijn dan de minimale niveaus waarover de Europese Raad overeenstemming heeft bereikt, zijn de leden 2 tot en met 4 ter van toepassing.
2. Vanaf het jaar na de sluiting van de in lid 1 bedoelde internationale overeenkomst wordt de lineaire factor zodanig verhoogd dat de hoeveelheid emissierechten in de Gemeenschap in 2020 ten opzichte van de overeenkomstig artikel 9 vastgestelde hoeveelheid afneemt met een hoeveelheid emissierechten die overeenkomt met de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap onder de 20% waartoe de internationale overeenkomst de Gemeenschap verplicht, vermenigvuldigd met het aandeel in de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen in 2020 die de Gemeenschapsregeling overeenkomstig de artikelen 9 en 9 a bijdraagt.
2. Vanaf het jaar na de sluiting van de in lid 1 bedoelde internationale overeenkomst wordt de lineaire factor zodanig verhoogd dat de hoeveelheid emissierechten in de Gemeenschap in 2020 ten opzichte van de overeenkomstig artikel 9 vastgestelde hoeveelheid afneemt met een hoeveelheid emissierechten die overeenkomt met de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap onder de 20% waartoe de internationale overeenkomst de Gemeenschap verplicht -in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van maart 2007 - vermenigvuldigd met het aandeel in de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen in 2020 die de Gemeenschapsregeling overeenkomstig de artikelen 9 en 9 a bijdraagt.
3. De exploitanten kunnen voor maximaal de helft van de beperking die overeenkomstig lid 2 plaatsvindt, gebruik maken van CER's, ERU's of andere overeenkomstig lid 4 goedgekeurde kredieten uit derde landen die de internationale overeenkomst gesloten hebben.
3. De exploitanten kunnen voor maximaal de helft van de beperking die overeenkomstig lid 2 plaatsvindt, gebruik maken van hoogwaardige CER's, ERU's of andere overeenkomstig lid 4 goedgekeurde kredieten uit derde landen die de internationale overeenkomst gesloten hebben.
4. De Commissie kan maatregelen vaststellen om het gebruik van andere projecttypes dan de in artikel 11 a, leden 2 tot en met 5, bedoelde types door exploitanten in de Gemeenschapsregeling te regelen of het gebruik door deze exploitanten van andere mechanismen die krachtens de internationale overeenkomst worden gecreëerd.
4. De Commissie kan maatregelen vaststellen om het gebruik en de bepaling van de kwaliteit van andere projecttypes dan de in artikel 11 a, leden 2 tot en met 5, bedoelde types door exploitanten in de Gemeenschapsregeling te regelen of het gebruik door deze exploitanten van andere mechanismen die krachtens de internationale overeenkomst worden gecreëerd.
Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, worden vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, worden vastgesteld volgens de in artikel[23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
4 bis. Binnen acht maanden na de sluiting van de in lid 1 bedoelde internationale overeenkomst voert de Commissie een alomvattende studie uit over de gevolgen van het halen van de in die overeenkomst vereiste emissiereducties in de EU, over de maatregelen om deze reducties te bereiken en over andere in de overeenkomst vastgestelde maatregelen.Deze studie wordt aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegd.In de studie wordt in het bijzonder nagegaan in hoeverre de internationale overeenkomst het risico van het CO2-weglekeffect aanzienlijk kan verminderen voor bedrijven die blootstaan aan de internationale concurrentie, onder meer door te zorgen voor vergelijkbare lasten voor bedrijven die buiten de Gemeenschap opereren.
4 ter. Indien uit de studie blijkt dat de internationale overeenkomst het risico van het CO2-weglekeffect waarschijnlijk niet in aanzienlijke mate zal verminderen voor bedrijven die blootstaan aan de internationale concurrentie, dient de Commissie een passend wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.Dit voorstel omvat zo nodig de volgende voorstellen:
a) wijziging van de hoeveelheid emissierechten van de Gemeenschap in 2020, rekening houdend met de algehele beperking van de broeikasgasemissies door de Gemeenschap onder de 20% waartoe de internationale overeenkomst de Gemeenschap verplicht, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van maart 2007;
b) gebruik van CER's, ERU's of andere kredieten door exploitanten in de Gemeenschapsregeling;
c) vermindering van het risico van het CO2-weglekeffect, inclusief o.a. voorstellen als bedoeld in artikel 10 a, leden 1, 8 en 9, en artikel 10 b.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 21 bis
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(21 bis) Het volgende artikel 28 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 28 bis
Gebruik van kredieten voor bebossing, herbebossing en bosbouw
1. Bij de ratificatie van een toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering staan de lidstaten exploitanten van installaties toe, naast de in artikel 11a, lid 7, aangegeven limiet, kredieten te gebruiken voor maximaal 5% van de broeikasgasreducties die vereist zijn voor de installaties die onder deze richtlijn vallen, afkomstig van:
a) duurzame, controleerbare en permanente bosbouwactiviteiten in ontwikkelingslanden waarmee overeenkomstig artikel 11 a, lid 5 een overeenkomst is gesloten;en
b) eventuele duurzame, controleerbare en permanente bosbouwprojecten in ontwikkelingslanden overeenkomstig de internationale overeenkomst als bedoeld in artikel 28.
2. De in lid 1, sub a) en b) vermelde projecten moeten voldoen aan strenge kwaliteitsvereisten die door de Commissie worden vastgelegd.
Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, worden vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing."
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Bijlage I - punt 1
Richtlijn 2003/87/EG
Bijlage I - punt 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. Installaties of delen van installaties die voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen worden gebruikt, en stookinstallaties die uitsluitend biomassa gebruiken, vallen niet onder deze richtlijn.
1. Installaties of delen van installaties die voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen worden gebruikt, installaties waarvoor gelijkwaardige emissieverlagende maatregelen geldenen die voor voorzieningen in de gezondheidszorg en bij activiteiten en structuren in het onderwijs worden gebruikt, en stookinstallaties die uitsluitend biomassa gebruiken, vallen niet onder deze richtlijn.
Motivering
De impactstudie van de Commissie laat zien dat kleine uitstoters zoals ziekenhuizen en universiteiten wat de administratieve lasten aangaat geconfronteerd worden met dezelfde kosten als de grotere uitstoters. Het merendeel van de ziekenhuizen wordt gefinancierd met openbare en beperkte middelen. Het is belangrijk dat er rekening wordt gehouden met hun inspanningen om koolstofemissie te verlagen.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Bijlage I – punt 3 – letter c – letter iii
Richtlijn 2003/87/EG
Bijlage I - punt 2 - tabel - derde rij activiteitscategorieën
Door de Commissie voorgestelde tekst
(iii) de volgende alinea's worden toegevoegd:
"Installaties voor de vervaardiging van steenwol met een capaciteit van meer dan 20 ton per dag.
Kooldioxyde
Installaties voor het drogen of calcineren van gips of voor de productie van gipsplaten en andere gipsproducten, waarbij stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt.
Kooldioxide"
Amendement
(iii) de volgende alinea's worden toegevoegd:
"Installaties voor de vervaardiging van mineraal wolisolatiemateriaal op basis van glas, steen of slak, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.
Kooldioxyde
Installaties voor het drogen of calcineren van gips of voor de productie van gipsplaten en andere gipsproducten, waarbij stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt.
Kooldioxide"
Motivering
Om redenen van technische verduidelijking.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Bijlage I - punt 4
Richtlijn 2003/87/EG
Bijlage I - punt 2 - tabel - nieuwe categorie 1 - rij 8 bis (nieuw )
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Methaan (CH4), dat voorkomt in actieve steenkoolmijnen – geadsorbeerd op de interne structuur van de steenkool, als vrij gas binnen het poriënvolume van de steenkool, of als vrij gas in de aan de kolenlagen grenzende rotslagen – en dat in de eerste plaats ten gevolge van de steenkoolwinning vrijkomt.
Motivering
Emissies uit deze sector zijn goed voor 7,9% van de methaanemissies van de EU-25, hetgeen overeenkomt met 0,7% van de BKG-emissies van de EU-25.
TOELICHTING
Handel in emissierechten is geenszins een nieuw concept en is zeker niet uniek voor Europa. De EU-regeling voor de handel in emissierechten (ETS) is echter uniek in die zin dat ze de eerste internationale regeling voor de handel in CO2-emissies is. Ze omvat momenteel meer dan 10.000 installaties in de energie- en industriesector, die samen verantwoordelijk zijn voor bijna de helft van de CO2-uitstoot van de EU en 40% van haar totale broeikasgasemissies. Deze regeling wordt dan ook terecht de hoeksteen van de EU-strategie ter bestrijding van de klimaatverandering genoemd.
De herziening van de EU-ETS vormt een onderdeel van het 'klimaat- en hernieuwbare-energiepakket' van de Commissie, dat op 23 januari van dit jaar werd goedgekeurd. Het pakket omvat ontwerpvoorstellen op het gebied van inspanningen delen, energie uit hernieuwbare bronnen, het afvangen en opslaan van CO2 en een ontwerpvoorstel voor de herziening van de EU-ETS richtlijn - een voorstel dat zeer evenwichtig is en de EU-ETS aanzienlijk verbetert en uitbreidt.
Dit voorstel beoogt de wijziging van Richtlijn 2003/87/EG(1) waarmee de EU-ETS werd ingevoerd. De bedoeling is, voor de periode na 2012, de werking van de ETS te versterken, uit te breiden en te verbeteren en er een van de belangrijkste en meest kostenefficiënte instrumenten van te maken om de doelstellingen van de EU op het gebied van de vermindering van broeikasgasemissies te verwezenlijken. Het mandaat hiervoor werd gegeven op de Europese Raad van maart 2007, die opriep tot een vermindering van de emissies van de EU met minimum 20% tegen 2020 ten opzichte van het peil van 1990, en met 30% indien andere geïndustrialiseerde landen zich verbinden tot gelijkaardige inspanningen in het kader van een wereldwijde overeenkomst ter bestrijding van de klimaatverandering. Het besluit om onderhandelingen te beginnen met het oog op de sluiting van een 'post-Kyoto overeenkomst' werd afgelopen december genomen op de VN-klimaatveranderingsconferentie in Bali. Het is absoluut noodzakelijk dat op de 'Conference of Parties' bijeenkomst in Kopenhagen in 2009 een overeenkomst op internationaal niveau kan worden bereikt om dit dringende wereldwijde probleem aan te pakken. Als Europa het voortouw wil nemen, moeten we met haalbare oplossingen komen om de wereldwijde klimaatverandering aan te pakken, en een volledig operationele EU-ETS zal hieraan een belangrijke bijdrage leveren.
Het voorstel tot herziening van de richtlijn streeft naar evenwicht tussen economische efficiëntie en eerlijkheid tussen sectoren en lidstaten, en zal de industrie meer zekerheid verschaffen. Het maakt prognoses voor de vereiste emissieverminderingen van de sectoren die onder de ETS vallen, en meer harmonisatie zal het systeem eenvoudiger en transparanter maken, waardoor het voor andere landen en regio's aantrekkelijker wordt om zich erbij aan te sluiten.
De rapporteur looft het werk van de Commissie en steunt het algemene kader van het Commissievoorstel, evenals de doelstelling van een vermindering van de emissies met 21% ten opzichte van het peil van 2005. Van zodra er een internationale overeenkomst is gesloten, zal het plafond automatisch en voorspelbaar worden aangepast, wat de toezegging van de EU moet weerspiegelen om haar reductiedoelstelling van 21% tot 30% op te trekken. De rapporteur is tevens voorstander van één geharmoniseerd plafond, een nieuwe handelsperiode van 8 jaar tot 2020 en een lineaire vermindering van het plafond tegen 2025 - het tijdstip voor een geplande herziening.
100% veilen voor de elektriciteitssector tegen 2013 is redelijk omdat de sector indien nodig alle gelegitimeerde kosten duidelijk aan de consument kan doorrekenen. Bovendien moet worden gestreefd naar volledig veilen voor alle sectoren tegen 2020 omdat dit de meest efficiënte en transparante methode is om emissierechten toe te wijzen.
Op bepaalde gebieden heeft de rapporteur evenwel ook wijzigingen in het verslag aangebracht.
1. Er is werkelijk behoefte aan meer zekerheid voor de sectoren die het meest door het zogenaamde CO2-weglekeffect worden getroffen. De Europese bedrijven en investeerders moeten de garantie krijgen dat, indien er geen internationale overeenkomst wordt bereikt op de COP-15 in 2009, zij de last niet alleen moeten dragen.
De Commissie zal de situatie bekijken met de sectoren en subsectoren die onderhevig zijn aan internationale concurrentie en uiterlijk op 31 december 2010 de nodige voorstellen indienen, d.w.z. 6 maanden vroeger dan oorspronkelijk gepland. Deze sectoren waar het weglekeffect een significante risicofactor vormt, zouden tot 100% gratis toewijzingen kunnen krijgen, of er zou een systeem kunnen worden ingevoerd om deze installaties met een significant risico op dezelfde wijze te behandelen als deze in derde landen. De rapporteur is evenwel van oordeel dat het nadelig zou zijn voor de slagingskansen van internationale onderhandelingen om tot een internationale klimaatovereenkomst te komen, indien nu reeds bepaalde sectoren in het voorstel zouden worden genoemd. Bovendien mag niet worden vooruitgelopen op de binnenkort bekend te maken resultaten van een studie ter zake van de Commissie. Ook heeft de rapporteur de definitie van het begrip CO2-weglekeffect aangescherpt om de wereldwijde voordelen voor het milieu te bevorderen.
2. Alle exploitanten die een lager percentage ERU's en CER's hebben gebruikt in vergelijking met hun emissies in de periode 2008-2012 en die geen rechten overdragen, mogen in de periode 2013-2020 jaarlijks credits gebruiken tot 5% van hun emissies, precies zoals nieuwkomers en nieuwe sectoren. Dit komt neer op bijna de helft van de reductie in de periode 2013-2020. Bovendien zouden dergelijke projecten enkel worden toegestaan voor landen die de internationale overeenkomst over klimaatverandering hebben bekrachtigd en kwaliteitsregels naleven. De rapporteur wil ook benadrukken dat er strengere criteria moeten worden gehanteerd door enkel CER's en ERU's van hoge kwaliteit toe te staan. Indien een internationale overeenkomst over klimaatverandering wordt bereikt, zou de hoeveelheid JI/CDM credits worden verhoogd.
3. Wereldwijd grijpt de ontbossing aan een alarmerend tempo om zich heen, en de ernstige gevolgen hiervan voor CO2-emissies kunnen niet worden ontkend. Daarom stelt de rapporteur voor dat een aanzienlijke hoeveelheid van de veilinginkomsten wordt afgestaan als bijdrage aan fondsen om ontbossing te voorkomen en bebossing en herbebossing te doen toenemen in landen die de internationale overeenkomst over klimaatverandering hebben bekrachtigd.
4. De scheepvaart is tot nu toe niet opgenomen, en hiervoor is een impactstudie vereist. Een gebrek aan recente gecontroleerde emissiegegevens blijkt op dit punt een probleem te zijn. De rapporteur stelt voor dat, zolang de scheepvaart niet in de EU-ETS is opgenomen, de emissies van de scheepvaart moeten worden opgenomen in het besluit over de inspanningen van de lidstaten om te voldoen aan de verbintenissen van de Gemeenschap om de broeikasgasemissies tegen 2020 te verlagen.
5. De rapporteur is overtuigd van het potentieel van de technologie voor het afvangen en opslaan van CO2 (CCS) en ziet dit als een onderdeel van de oplossing om wereldwijd de emissie van CO2 te verminderen. Daarom wordt voorgesteld 500 miljoen toewijzingen uit de nieuwkomersreserve voor te behouden voor de eerste 12 installaties die begonnen zijn met het commercieel afvangen en het geologisch opslaan van koolstofdioxide-emissies.
6. Veilen moet het basisbeginsel voor de toewijzing van emissierechten zijn en moet vanaf 2013 op de elektriciteitssector worden toegepast. Indien producenten van warmte of koeling een gratis toewijzing krijgen voor de productie van warmte of koeling via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, wordt ook een gratis toewijzing gegeven voor de opwekking van elektriciteit uit residuen van een industrieel proces waarbij gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken, op voorwaarde dat de opwekking gebeurt voor eigen gebruik van de installatie.
De rapporteur is van oordeel dat de politici tot op heden ernstig hebben nagelaten daadwerkelijk iets te doen aan de klimaatuitdaging en de 2°C-doelstelling , die onder meer duidelijk beschreven zijn in de vakliteratuur, de IPCC-rapporten en de Stern Review. Deze keer mogen we van onze kinderen niet nog eens een onvoldoende krijgen.
ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie(*) (15.9.2008)
aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden
(*) Medeverantwoordelijke commissie - artikel 47 van het Reglement
BEKNOPTE MOTIVERING
De aanpak van de klimaatverandering en de overgang naar een koolstofarme samenleving hebben mondiaal gezien de allerhoogste prioriteit. Dit komt tot uiting in het feit dat het Europees Parlement een speciale tijdelijke commissie klimaatverandering heeft opgericht. Op basis van de conclusies van de voorjaarstop van de Raad van 2007 en eerdere resoluties van het Parlement heeft de Commissie in januari 2008 een zeer ambitieus pakket gepresenteerd om de broeikasgasemissies in de EU tegen 2020 met ten minste 20% te verminderen, en met 30% in geval van een alomvattende internationale overeenkomst. Deze spectaculaire vooruitgang in de Europese beleidsvorming is voor andere landen een glashelder signaal dat de EU zich serieus inzet voor de strijd tegen de klimaatverandering.
De in 2005 gestarte EU-regeling voor de handel in emissierechten (EU ETS) is 's werelds omvangrijkste regeling inzake uitstootbeperking en emissiehandel die geldt voor tienduizenden exploitanten.Deze regeling is de hoeksteen van het beleid van de EU op het gebied van klimaatverandering.maar fungeert ook als een belangrijke economische motor.Veel bedrijven die onder EU ETS vallen zien hierin een van de belangrijkste regelingen voor een besluitvorming op lange termijn die grote tot middelgrote gevolgen hebben voor besluiten om innovatieve technologieën te ontwikkelen(1). Financiële instellingen zien EU ETS in toenemende mate als een serieuze, goed functionerende en belangrijke markt.
De eerste twee fases van EU ETS hebben aangetoond dat een levensvatbare interne markt van emissierechten in staat is een prijs op koolstof te zetten.Deze fases verliepen echter niet zonder problemen.De afhankelijkheid van de regeling inzake nationale toewijzingsplannen leidde tot een daling van de prijs voor CO2 als gevolg van de te ruimhartige toewijzing door de lidstaten, niet te rechtvaardigen onverwachte winsten voor veel elektriciteitsproducenten, oneerlijke concurrentie in de EU als gevolg van verschillen bij de nationale toewijzing en onzekerheid voor de marktdeelnemers. Deze problemen werden aangepakt via een omvangrijke herziening van EU ETS waartoe werd overgegaan tegen de achtergrond van de internationale onderhandelingen met het oog op een post-Kyoto-overeenkomst. In januari 2008 kwam de Commissie met een voorstel voor een herzien EU ETS.
De rapporteur voor advies is verheugd over de voorgestelde herziening van EU ETS.In de eerste plaats zal het voorstel tot verdere harmonisatie en betere mededingingsvoorwaarden leiden door de invoering van een plafond voor het totaal aantal emissierechten (m.i.v. een nieuwkomersreserve EU, de harmonisatie van de toewijzingsmethode (hoofdzakelijk veilen - voor sectoren e) voor de gehedie geen elektriciteit produceren geleidelijke afschaffing van de gratis toewijzing) en de vaststelling van sleuteldefinities (zoals voor stookinstallatie). In de tweede plaats wordt de voorspelbaarheid van de regeling verbeterd door de vaststelling van een langere toewijzingsperiode en stabiele, voorspelbare reducties van het plafond. In de derde plaats worden door de uitbreiding van de werkingssfeer tot nieuwe bedrijfstakken (bijv. aluminium en ammoniakproducenten) en nieuwe gassen (distikstofoxide en perfluorkoolwaterstoffen) meer mogelijkheden gecreëerd om kosteneffectieve manieren voor emissiereductie te vinden. Tot slot verlicht het voorstel de administratieve last (vooral van KMO's) door de invoering van een opt-out voor kleine installaties.
Om het voorstel verder te versterken en de regeling werkbaarder en doeltreffender te maken, zijn echter meerdere wijzigingen noodzakelijk.De meeste van deze wijzigingen hebben tot doel de onzekerheid te verminderen en de voorspelbaarheid van de regeling te verbeteren.Dit is vanuit milieuoogpunt van cruciaal belang, aangezien onzekerheid fnuikend is voor de planning van toekomstige investeringen, hetgeen tot emissiereducties kan leiden - bijvoorbeeld via energie-efficiëntie of vernieuwing van oude capaciteit.
Beloning van de meest efficiënte exploitanten
Energie-efficiëntie is de hoeksteen van het beleid om een koolstofarme samenleving te creëren. In geval van gratis toewijzing van de emissierechten is het derhalve van belang deze niet op historische basis (waarbij in feite de gevestigde exploitanten worden gesteund) toe te wijzen, maar op basis van de best beschikbare praktijken/best beschikbare technologieën. Door toewijzing van de emissierechten op basis van de meest efficiënte benchmark(s) beloont de regeling energie-efficiënte bedrijven die hebben geïnvesteerd in milieuvriendelijke productieprocessen. Het is voor het bedrijfsleven van fundamenteel belang samen te werken en zo spoedig mogelijk de benchmarks vast te stellen, aangezien er geen sprake dient te zijn van gratis toewijzing als er geen geharmoniseerde benchmark bestaat. Energie-efficiëntie is het meest kosteneffectieve en onmiddellijk beschikbare instrument voor emissiereductie en voor de bevordering van een continue energievoorziening en het concurrentievermogen. Er bestaat al een scala van energie-efficiëntietechnologieën die op korte termijn kunnen worden ingevoerd. In de toekomst kan EU ETS worden gekoppeld aan een geharmoniseerde "witte certificaten"-regeling die energiebesparing en energie-efficiëntie bevordert. Het is van belang dat de Commissie goed naar deze mogelijkheden kijkt.
Veilingopbrengsten
De opbrengsten van het veilen van emissierechten zullen naar schatting ten minste EUR 33 miljard per jaar bedragen (uitgaande van het alleen veilen voor de sectoriële elektriciteitsopwekking en een relatief bescheiden CO2-prijs(2). In het voorstel komen deze opbrengsten ten goede van de begrotingen van de lidstaten die de "morele verplichting" hebben om een deel ervan te bestemmen voor de aanpak van de klimaatverandering in brede zin. Deze morele verplichting is echter niet voldoende, aangezien dit ertoe kan leiden dat de opbrengsten in de nationale begroting "verdwijnen". Dit zou een gemiste kans zijn om deze middelen voor emissiereductie te gebruiken en voor steun aan de ontwikkelingslanden, bij voorkeur op EU-niveau.
Voorkennis en marktmanipulatie
In een normale week worden meer dan 10 miljoen emissierechten verhandeld, hetgeen resulteert in een markt die miljarden euro waard is. Het juridische karakter van deze emissierechten is echter onduidelijk. Sommige landen beschouwen deze als financiële instrumenten waarvan de handel wordt gecontroleerd door de autoriteit financiële diensten, terwijl andere landen deze als normale goederen beschouwen en alleen de derivaten ervan als financiële instrumenten zien(3). Om marktmanipulatie en handel met voorkennis te voorkomen, is het van belang na te gaan hoe de regels voor de financiële markten moeten worden toegepast op emissierechten. Door de toepassing van soortgelijke regels zal de prijsvorming op de markt meer gebaseerd zijn op marktrelevante informatie en minder op speculatie, bijvoorbeeld door hedgefondsen of staatsinvesteringsfondsen. Verder dient de publicatie van marktgevoelige informatie door de Commissie en de lidstaten streng en duidelijk te worden gereguleerd, aangezien het vrijgeven van marktgevoelige gegevens tot enorme financiële consequenties kan leiden. Dezelfde regels moeten worden toegepast op gegevens betreffende beursgevoelige informatie.
Weglekeffect
Zolang er nog geen algemeen kader is, kan een te strenge regeling voor emissiereductie ertoe leiden dat bedrijven hun productie naar buiten de EU verplaatsen. Dit zou niet alleen economische en sociale gevolgen hebben, maar het zou ook de milieudoelstellingen ondergraven, aangezien deze bedrijven niet langer zouden zijn onderworpen aan dezelfde emissiecontroles. De Commissie erkent dit probleem, maar stelt de oplossing uit: tegen 2010 wordt vastgesteld welke sectoren gevoelig zijn voor het CO2-weglekeffect en tegen 2011 zal de Commissie mogelijk maatregelen voorstellen om dit te voorkomen (100% gratis toewijzing van emissierechten en/of opneming van invoer in het kader van EU ETS). Verder wordt de lijst van gevoelige sectoren om de drie jaar herzien. De rapporteur voor advies heeft een duidelijke voorkeur voor een mondiale overeenkomst die geldt voor alle relevante bedrijven en sectoren. Als deze doelstelling niet wordt gehaald, zijn mondiale sectorale overeenkomsten (met objectieve en verifieerbare emissiereductiedoelstellingen) de op een na beste oplossing. Als beide opties niet verwezenlijkt kunnen worden, dient de EU te beschikken over een mechanisme dat zorgt voor de nodige zekerheid en voorspelbaarheid voor langetermijninvesteringen en vernieuwing van de vermogensportefeuilles in deze sectoren. Rekening houdend met het feit dat de regeling in 2013 zal starten, hebben bedrijven en investeerders eerder en op langere termijn zekerheid nodig omtrent de vraag hoeveel emissierechten elke sector krijgt. Anderzijds kunnen de internationale onderhandelingen onnodig worden belemmerd als de EU nu aangeeft welke sectoren via gratis emissierechten zullen worden beschermd. De beste manier om de marktdeelnemers meer zekerheid te bieden zonder de internationale onderhandelingen in gevaar te brengen, is de timing van de Commissie te bespoedigen en de periode tussen de herzieningen te verlengen, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er geen aankondigingen worden gedaan vóór de verwachte afronding van de internationale onderhandelingen in december 2009.
KMO's en administratieve last
Het is voor KMO's voordelig het voortouw te nemen en te investeren in koolstofarme technologie. In de regelgeving dient echter rekening te worden gehouden met hun bijzondere situatie. Volgens het voorstel kunnen kleine stookinstallaties van minder dan 25MW van de regeling worden uitgesloten als gelijkwaardige maatregelen worden getroffen. Deze drempel is tamelijk laag. Een derde van alle stookinstallaties die onder de regeling vallen is relatief klein (minder dan 50MW), maar samen zijn zij goed voor slechts 2% van alle gerapporteerde emissies(4). Het lijkt derhalve kosteneffectief om de drempel voor kleine installaties op te trekken (bijv. tot de drempel van het IPPC).
Verdere harmonisatie
Om meer rechtszekerheid te bieden en werkelijk gelijke concurrentievoorwaarden in de EU te creëren, moet verdere harmonisatie worden overwogen. Dit is het geval voor definities (bijv. voor sluiting), maar ook voor vergoedingen/kosten en boetes/sancties. Zo lopen de maximumboetes voor gelijksoortige overtredingen tussen de lidstaten aanzienlijk uiteen: van € 600 tot € 15 miljoen.
Internationale aspecten
De EU ETS dient de eerste stap te zijn in de richting van een mondiale regeling voor de emissiehandel. Het is derhalve van fundamenteel belang het mogelijk te maken andere regelingen voor de handel in emissierechten aan de EU ETS te koppelen en - met gebruikmaking van alle mogelijke communautaire instrumenten - aan de EU grenzende derde landen aan te moedigen zich bij de EU ETS aan te sluiten. Met betrekking tot de ontwikkelingslanden moet de EU gebruikmaken van de door de EU ETS geboden kansen om deze landen te helpen koolstofneutraal te worden door middel van de noodzakelijke investeringen en overdracht van kennis.
AMENDEMENTEN
De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(2) Het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij Besluit 94/69/EG van de Raad van 15 december 1993 betreffende het sluiten van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, heeft als uiteindelijke doelstelling de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarop een gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Om deze doelstelling te halen mag de algehele stijging van het mondiale jaarlijkse gemiddelde van de oppervlaktetemperatuur niet hoger uitkomen dan 2°C boven het pre-industriële niveau. Uit het meest recente evaluatieverslag van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) blijkt dat om dit te bereiken de mondiale emissie van broeikasgassen na 2020 niet verder mag stijgen. Dit betekent dat de activiteiten van de Gemeenschap moeten worden opgevoerd, dat de ontwikkelde landen snel bij de emissiebeperking moeten worden betrokken en dat de deelname van ontwikkelingslanden aan dit proces moet worden gestimuleerd.
(2) Het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij Besluit 94/69/EG van de Raad van 15 december 1993 betreffende het sluiten van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, heeft als uiteindelijke doelstelling de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarop een gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Om deze doelstelling te halen mag de algehele stijging van het mondiale jaarlijkse gemiddelde van de oppervlaktetemperatuur niet hoger uitkomen dan 2°C boven het pre-industriële niveau. Uit het meest recente evaluatieverslag van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) blijkt dat om dit te bereiken de mondiale emissie van broeikasgassen na 2020 niet verder mag stijgen. Dit betekent dat de activiteiten van de Gemeenschap moeten worden opgevoerd, dat de ontwikkelde en nieuw geïndustrialiseerde landen snel bij de emissiebeperking moeten worden betrokken en dat de ontwikkelingslanden aan dit proces moeten deelnemen.
Motivering
Aangezien het aandeel van de nieuw geïndustrialiseerde landen voortdurend toeneemt, moet het doel zijn dat deze landen deelnemen, niet alleen hen aan te moedigen om deel te nemen. Het doel moet zijn ervoor te zorgen dat de ontwikkelingslanden deelnemen, niet alleen hen aan te moedigen om deel te nemen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 3 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(3 bis) In zijn resolutie van 31 januari 2008 over de resultaten van de Conferentie op Bali over klimaatverandering (COP 13 en COP/MOP 3)herinnert het Europees Parlement aan zijn standpunt dat de geïndustrialiseerde landen zich moeten vastleggen op het verlagen van hun broeikasgasemissies met tenminste 30% tegen 2020 en met 60-80% tegen 2050, in vergelijking met 1990.Aangezien het anticipeert op een positief resultaat van de COP 15-onderhandelingen in Kopenhagen in 2009, dient de Europese Unie te beginnen met de voorbereidingen voor strengere emissiereductiedoelstellingen voor 2020 en daarna en dient zij ervoor te zorgen dat de Gemeenschapsregeling na 2013 zo nodig strengere emissieplafonds mogelijk maakt, als onderdeel van de bijdrage van de Unie aan een nieuwe internationale overeenkomst.
Motivering
De grote ambities van het Parlement in de strijd tegen klimaatverandering moeten worden benadrukt. De beste manier om dit tot stand te brengen is via een internationale overeenkomst die eind 2009 in Kopenhagen moet worden gesloten. Dit voorstel moet worden gezien als bewijs van de krachtige inzet van de EU terzake, maar ook als een signaal dat de EU zich voorbereidt op de strengere doelstellingen van de nieuwe overeenkomst.
Amendement 3 3
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 4
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(4) Als bijdrage tot de verwezenlijking van deze doelstellingen op lange termijn dient er een voorspelbare route te worden uitgestippeld voor de beperking van de emissie van installaties die onder de Gemeenschapsregeling vallen. Om de toezegging van de Gemeenschap om de emissie van broeikasgassen met ten minste 20% ten opzichte van 1990te verlagen, op een kosteneffectieve wijze te realiseren, moeten de voor deze installaties toegekende emissierechten tegen 2020 21% lager liggen dan hun emissieniveau van 2005.
(4) Als bijdrage tot de verwezenlijking van deze doelstellingen op lange termijn dient er een voorspelbare route te worden uitgestippeld voor de beperking van de emissie van installaties die onder de Gemeenschapsregeling vallen. Om de toezegging van de Gemeenschap om de emissie van broeikasgassen met ten minste 20% ten opzichte van het internationaal erkende Kyoto-referentiejaar 1990 te verlagen, op een kosteneffectieve wijze te realiseren, moeten de voor deze installaties toegekende emissierechten tegen 2020 21% lager liggen dan hun emissieniveau van 2005.
Motivering
Op basis van een vermindering van 20% in vergelijking met 1990 zou de totaal toegestane emissie 4,65 miljard ton bedragen. Tegen 2020 zouden sectoren die niet vallen onder de EU-ETS, een vermindering moeten realiseren van 2,67 miljard ton. Uit de berekening blijkt ook – in tegenstelling tot de bewering van de Commissie – dat van de sectoren die wel vallen onder de EU-ETS, een reductie van 15% in vergelijking met 2005 moet worden verlangd.
Amendement 4 4
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 7 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(7 bis) Staande bomen, alsmede hout en zijn derivaten, vormen een zeer belangrijke bron van koolstofvastlegging en -opslag.Bovendien kan het broeikaseffect bestreden worden door werkhout te gebruiken ter vervanging van fossiele energie.Ten slotte zijn bossen echte natuurlijke koolstofreservoirs, maar deze koolstof komt vrij in de atmosfeer wanneer de bossen worden gerooid en afgebrand;daarom is het belangrijk mechanismen ter bescherming van de bossen in te voeren om de opwarming van de aarde tegen te gaan.
Motivering
Verandering in landgebruik (bijv. ontbossing in tropische gebieden) zou verantwoordelijk zijn voor 20% van de mondiale broeikasgasuitstoot. De jaarlijkse broeikasgasuitstoot van de ontbossing alleen bedraagt 6 miljard ton CO2-equivalent.
In Frankrijk alleen vertegenwoordigt de opslag 15,6 miljoen ton koolstof en houdt hij 10% van de broeikasgasuitstoot vast. De vervanging wordt geschat op 14 miljoen ton koolstof. Zonder bossen en hout zou Frankrijk 108 miljoen ton, met andere woorden 20%, meer koolstof uitstoten.
Amendement 5 5
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 7 ter (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(7 ter) Gezien de aanzienlijke mogelijkheden van de bosbouwsector om de opwarming van de aarde tegen te gaan, dienen er stimulansen te worden ingevoerd om deze sector te valoriseren en te ontwikkelen, met inachtneming van de andere functies die bossen vervullen.
Motivering
Het IPCC-rapport van 2007 stelt dat een strategie voor duurzaam bosbeheer gericht op de handhaving of vergroting van de koolstofopslag, met instandhouding van de productie van werkhout, vezelhout of energiehout, op de lange termijn het grootste langdurige reductievoordeel zal opleveren. Er wordt ook herinnerd aan de resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2007, waarin het de Commissie verzoekt om bepaalde bosbouwgerelateerde activiteiten op te nemen in de EU-ETS.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 8 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(8 bis) Richtlijn 2003/87/EG en Richtlijn 2004/101/EG houdende wijziging van die richtlijn moeten in overeenstemming worden gebracht met de maatregelen die zijn vastgelegd in het Protocol van Kyoto betreffende activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF).
Motivering
Het Protocol van Kyoto legt gekwantificeerde doelstellingen inzake broeikasgasuitstoot vast voor de geïndustrialiseerde landen die worden genoemd in bijlage B. In verscheidene artikelen is sprake van LULUCF-activiteiten (van het Engels: land-use, land-use change and forestry), d.w.z. bebossing, herbebossing, ontbossing, bosbeheer, beheer van landbouwgronden, beheer van weidegronden en herbeplanting.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 8 ter (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(8 ter) De Gemeenschapsregeling moet volledig worden gekoppeld aan de “projectmechanismen“ van het Protocol van Kyoto door LULUCF-activiteiten op te nemen in het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/87/EG en Richtlijn 2004/101/EG houdende wijziging van die richtlijn.
Motivering
Richtlijn 2004/101/EG van 27 oktober 2004 houdende wijziging van Richtlijn 2003/87/EG sluit activiteiten inzake bosbouw en landbouw uit van haar toepassingsgebied.
De bosbouwsector en verscheidene milieuorganisaties zijn voorstander van de opname van LULUCF-activiteiten in de EU-ETS. Ze benadrukken de doorslaggevende invloed van deze activiteiten op de klimaatverandering. Immers, ontbossing is verantwoordelijk voor 20% van de mondiale broeikasgasuitstoot. De opname van deze activiteiten zou tevens een manier zijn om duurzame ontwikkeling te bevorderen in niet-geïndustrialiseerde landen.
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 8 quater (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(8 quater) De Commissie dient de modaliteiten om LULUCF-activiteiten op te nemen in het toepassingsgebied van de Richtlijnen 2003/87/EG en 2004/101/EG te onderzoeken in het licht van de technische vooruitgang en de voorstellen die zijn gedaan tijdens de Conferentie van Bali.Zij dient een wetgevingsvoorstel ter zake in te dienen bij het Europees Parlement en de Raad tegen uiterlijk eind 2008.
Motivering
Bepaalde lidstaten verwijten de Commissie dat ze haar beslissing de LULUCF-activiteiten uit te sluiten niet voldoende gemotiveerd heeft en betreuren deze beslissing aangezien de conclusies van de Europese Raad van 9 maart 2007 en de resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2007 over de Klimaatconferentie van Bali de Commissie hebben opgeroepen om de opname van de LULUCF-activiteiten in de EU-ETS te bestuderen. De opname van deze activiteiten in de ontwikkelingslanden zou een niet-verwaarloosbare bron van financiën vormen, die de bescherming van de biodiversiteit en het herstel van beschadigde bossen zou kunnen waarborgen.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 10
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(10) Wanneer er gelijkwaardige maatregelen voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, met name belastingheffing, zijn ingevoerd voor kleine installaties waarvan de emissie niet hoger ligt dan een drempelwaarde van 10 000 ton CO2 per jaar, dient er een procedure te zijn waarmee de lidstaten deze kleine installaties van de regeling voor de handel in emissierechten kunnen uitsluiten zolang deze maatregelen worden toegepast. Met het oog op administratieve eenvoud biedt deze drempelwaarde relatiefgezien de maximale winst qua verlaging van administratieve kosten per ton die van de regeling wordt uitgesloten. Omdat er een einde komt aan de vijfjaarlijkse toewijzingsperioden en om de zekerheid en voorspelbaarheid op te voeren, dienen er bepalingen te worden vastgesteld voor de frequentie van de herziening van emissievergunningen voor broeikasgassen.
(10) Wanneer er gelijkwaardige maatregelen voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, met name belastingheffing, zijn ingevoerd voor kleine installaties waarvan de emissie niet hoger ligt dan een drempelwaarde van 25.000 ton CO2 per jaar, dient er een procedure te zijn waarmee de lidstaten deze kleine installaties van de regeling voor de handel in emissierechten kunnen uitsluiten zolang deze maatregelen worden toegepast, hoewel het mogelijk moet zijn dat dergelijke installaties vrijwillig onder de Gemeenschapsregeling blijven vallen.Met het oog op administratieve eenvoud biedt deze drempelwaarde gezien de maximale winst qua verlaging van administratieve kosten per ton die van de regeling wordt uitgesloten. Bij de herziening van deze richtlijn moet worden overwogen deze drempel te wijzigen, rekening houdend met de bijdragen van kleine installaties aan de totale emissie, de omvang van de administratieve last en de ervaring die is opgedaan bij de invoering van gelijkwaardige maatregelen. Omdat er een einde komt aan de vijfjaarlijkse toewijzingsperioden en om de zekerheid en voorspelbaarheid op te voeren, dienen er bepalingen te worden vastgesteld voor de frequentie van de herziening van emissievergunningen voor broeikasgassen.
Motivering
Het is van belang te blijven zoeken naar mogelijkheden om de administratieve last van de KMO's verder te verminderen, onnodige administratieve kosten en bureaucratie te vermijden en de efficiency van de regeling te verbeteren. Op het moment bestaat een derde van alle installaties die onder de regeling vallen uit kleine installaties die samen slechts goed zijn voor 2% van alle gerapporteerde emissies.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 13
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(13) Vanwege de extra bijdrage die de Europese economie moet leveren, is het onder andere noodzakelijk dat de herziene Gemeenschapsregeling met een optimale economische efficiëntie en op basis van volledig binnen de Gemeenschap geharmoniseerde toewijzingsvoorwaarden functioneert. Veiling dient derhalve het basisbeginsel voor toewijzing te zijn, aangezien dit het eenvoudigste systeem is en algemeen als economisch het meest efficiënt wordt beschouwd. Dit moet ook een eind maken aan onverhoopte winsten en nieuwkomers en sneller dan gemiddeld groeiende economieën in dezelfde concurrentiepositie brengen als bestaande installaties.
(13) Vanwege de extra bijdrage die de Europese economie moet leveren, is het onder andere noodzakelijk dat de herziene Gemeenschapsregeling met een optimale economische efficiëntie en op basis van volledig binnen de Gemeenschap geharmoniseerde toewijzingsvoorwaarden functioneert. Veiling is derhalve het basisbeginsel voor toewijzing, aangezien dit het eenvoudigste systeem is en algemeen als economisch het meest efficiënt wordt beschouwd. Dit moet ook een eind maken aan onverhoopte winsten en nieuwkomers en snel groeiende economieën in dezelfde concurrentiepositie brengen als bestaande installaties. De Commissie dient toezicht te houden op de veilingen en het daaropvolgende functioneren van de koolstofmarkt om ervoor te zorgen dat deze twee doelstellingen worden verwezenlijkt.Om een gemeenschappelijke en consistente aanpak van het veilen in de gehele Unie te waarborgen, dient het veilen door de Commissie of een door de Commissie aangewezen bevoegde autoriteit te worden beheerd.Dit zou er ook voor zorgen dat veilingopbrengsten kunnen worden gepooled en doelmatiger en doeltreffender kunnen worden gebruikt.
Motivering
Om onzekerheid voor ondernemingen tot een minimum te beperken, verder te gaan in de richting van harmonisatie en met het oog op een maximale efficiëntie moet het veilen centraal worden beheerd. Daarnaast moet de Commissie toezicht houden op de gevolgen van het veilen om ervoor te zorgen dat het de beloofde voordelen oplevert.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 16 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(16 bis) Om te zorgen voor een ordelijk functioneren van de koolstof- en elektriciteitsmarkten, moet de veiling van emissierechten voor de periode vanaf 2013 uiterlijk in 2011 beginnen en worden gebaseerd op duidelijke en objectieve beginselen die ruim van tevoren zijn vastgesteld.
Motivering
Het is van essentieel belang dat de koolstofmarkt tijdig, doeltreffend en met voldoende liquiditeit functioneert ten einde de doeltreffende werking van de elektriciteitsmarkt te steunen. Aangezien deze markt wordt gekenmerkt door termijncontracten, dient het veilen ruim voor de periode van start gaan. Verder dienen de veilingsbeginselen en gedetailleerde ontwerpbepalingen ruim van tevoren te worden bekend gemaakt om bedrijven in staat te stellen hun biedingstrategieën te optimaliseren.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 18 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(18 bis) De Commissie dient door te gaan met het onderzoeken van andere manieren ter bevordering van de meest emissie- en energie-efficiënte praktijken in sectoren die onder de Gemeenschapsregeling vallen alsook in andere sectoren.Met name dient zij vóór september 2009 te kijken naar het potentieel voor de ontwikkeling van een stelsel van witte certificaten voor de hele EU dat energie-efficiënte investeringen beloont.
Motivering
In artikel 4, lid 5 van Richtlijn 2006/32/EG inzake energie-efficiëntie bij eindgebruik en energiediensten wordt de Commissie verzocht na te gaan of het wenselijk is een voorstel voor witte certificaten in te dienen, gebaseerd op de eerste drie toepassingsjaren van de richtlijn. Er wordt echter geen vaste datum vastgesteld voor de afronding van dit belangrijke onderzoek. Het "Euro White Cert"- project onderzoekt momenteel het potentieel voor een EU-breed stelsel van witte certificaten en de potentiële links met de EU ETS.
Amendement 1313
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 20 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(20 bis) Er mag geen onnodige concurrentieverstoring tot stand gebracht worden tussen installaties, ongeacht of ze geëxternaliseerd zijn of niet.
Motivering
Er dient te worden voorkomen dat de interne markt verstoord wordt door een toewijzing van emissierechten die zou leiden tot een verschuiving van de productie van externe installaties naar interne installaties met een stijging van de CO2-emissie tot gevolg. Het doel van de EU-ETS is de emissie van broeikasgassen te beperken en de verstoring van de actuele productiemethodes waarbij op een energie-efficiëntie manier wordt uitbesteed, zou het omgekeerde gevolg kunnen hebben.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 29 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(29 bis) Ter verbetering van de transparantie en ter voorkoming van marktmisbruik, waaronder schadelijke speculatie bij de handel in emissierechten en derivaten daarvan, dient de Commissie de toepassing te overwegen van communautaire regels voor financiële instrumenten op de emissiehandel alsook de publicatie van marktgevoelige informatie die deze handel kan beïnvloeden.De Commissie dient toezicht te blijven houden op de ontwikkeling van de koolstofmarkt om ervoor te zorgen dat de Gemeenschapsregeling haar belangrijkste doelstelling, nl. de broeikasgasemissies op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze beperken, blijft verwezenlijken.
Motivering
Het is van fundamenteel belang te zorgen voor de toepassing van regels voor financiële instrumenten met betrekking tot de handel in emissierechten om het vertrouwen van bedrijven te vergroten en de transparantie te verbeteren. Handel met voorkennis en marktmanipulatie kunnen niet alleen de markt verstoren, maar ook de geloofwaardigheid ervan en het vertrouwen van de investeerders aantasten, hetgeen leidt tot verkeerde prijssignalen en gebrek aan liquiditeit op de markt. Verder zal de emissiehandel door emissierechten als financiële instrumenten te definiëren onder toezicht van de financiële autoriteiten vallen, zodat hierop de regels voor bijvoorbeeld investeringsfondsen van toepassing zijn.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 31 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(31 bis) Aan de Unie grenzende derde landen moeten worden aangemoedigd om zich aan te sluiten bij de Gemeenschapsregeling indien zij aan de vereisten van deze richtlijn voldoen.De Commissie dient alles in het werk te stellen om in de onderhandelingen met en bij de verlening van financiële en technische bijstand aan kandidaat-landen, potentiële kandidaat-landen en landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, deze doelstelling te bevorderen.Dit zou de overdracht van technologie en kennis aan deze landen vergemakkelijken, hetgeen een belangrijke manier is om allen economische, ecologische en sociale voordelen te verschaffen.
Motivering
Het is van fundamenteel belang aan de EU grenzende landen aan te moedigen zich bij de EU ETS aan te sluiten. Dit is niet alleen van belang vanuit een ecologische en ontwikkelingsoptiek, maar ook voor het vraagstuk van het weglekeffect als gevolg van bedrijven uit de EU die de grens over gaan.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 33 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(33 bis) Het is van belang de Gemeenschapsregeling in de toekomst uit te breiden tot andere grote uitstoters van broeikasgassen, met name in de vervoerssector, zoals scheepsexploitanten.Daartoe dient de Commissie zo spoedig mogelijk passende wijzigingen in te dienen, vergezeld van een effectbeoordeling, met het oog op de opname van de scheepvaart in de Gemeenschapsregeling tegen 2013 en de vaststelling van een datum voor de opname van het wegvervoer.
Motivering
Het is van belang door te gaan met de opname van het vervoer, met name de scheepvaart, in het EU ETS. Op dit moment ontbreken betrouwbare gegevens en een goede effectbeoordeling. Bij de eerstvolgende evaluatie dient de Commissie de regeling echter uit te breiden.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 33 ter (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(33 ter) Ten einde te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden op de internationale markt dient de Commissie in voorkomend geval richtlijnen uit te vaardigen of voorstellen in te dienen met het oog op de verdere harmonisatie van de toepassing van deze richtlijn, zoals de definities, kosten en sancties.
Motivering
Om meer rechtszekerheid te bieden en werkelijk gelijke concurrentievoorwaarden in de EU te creëren, kan verdere harmonisatie worden overwogen, bijvoorbeeld wat betreft de definities (sluiting), kosten en sancties van de lidstaten.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 34 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(34 bis) Informatie over de toepassing van deze richtlijn dient gemakkelijk toegankelijk te zijn, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's).Om ondernemingen, met name KMO's, te helpen aan de vereisten van deze richtlijn te voldoen, dienen de lidstaten nationale helpdesks te creëren.
Motivering
Veel van de bedrijven die onder de EU ETS vallen, zijn KMO's die niet over voldoende middelen beschikken en die wellicht in vergelijking met grote bedrijven in een nadelige positie verkeren als het gaat om de verwerving van emissierechten via veilingen en handel. Het minste dat gedaan kan worden is hen gemakkelijk toegankelijke informatie over de gedetailleerde vereisten te verschaffen. De beste praktische oplossing hiervoor varieert per lidstaat, afhankelijk van het bestaande specifieke institutionele kader, zoals het geval was bij de REACH-richtlijn.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt -1 (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(-1) Artikel 1 wordt vervangen door:
"Deze Richtlijn stelt een regeling op voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (hierna aangeduid als de "Gemeenschapsregeling") teneinde reducties van broeikasgasemissies op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te bevorderen waarbij innovatie in de hand wordt gewerkt en het concurrentievermogen wordt behouden en verbeterd."
Motivering
Het ETS moet leiden tot koolstofarme vernieuwingen die in de EU gevestigde bedrijven een langdurige voorsprong geven op concurrenten buiten de EU. Waar het ETS leidt tot het risico van een weglekeffect, moet het concurrentievermogen van in de EU gevestigde bedrijven behouden blijven.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 - letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 - letter c
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(c) onder "broeikasgassen" wordt verstaan de in Bijlage II genoemde gassen en andere gasvormige bestanddelen van de atmosfeer, zowel natuurlijk als antropogeen, die infraroodstraling absorberen en weer afgeven;
(c) onder "broeikasgassen" wordt verstaan de in Bijlage II genoemde gassen en andere gassen die als zodanig worden in het kader van een internationale overeenkomst worden gereguleerd;
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 2 - letter (b)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 - letter (h)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
"(h) "nieuwkomer": een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en die na indiening bij de Commissie van de in artikel 11, lid 1, bedoelde lijst een vergunning voor broeikasgasemissie heeft verkregen;"
"(h) "nieuwkomer": een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en die na indiening bij de Commissie van de in artikel 11, lid 1, bedoelde lijst een vergunning voor broeikasgasemissie heeft verkregen of een update van de vergunning voor broeikasgasemissie als gevolg van een wijziging van de aard of de werkwijze of een aanzienlijke uitbreiding van de capaciteit;"
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter u
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
[(u)] "elektriciteitsopwekker": een installatie die op of na 1 januari 2005 elektriciteit heeft geproduceerd om aan derden te worden verkocht en die alleen onder de categorie "Levering van elektriciteit of warmte" in bijlage I valt."
[u)] "Elektriciteitsopwekker": een installatie die op of na 1 januari 2005 elektriciteit heeft geproduceerd om aan derden te worden verkocht,die voornamelijk levert aan de openbare elektriciteitsnetten en die alleen onder de categorie "Levering van elektriciteit of warmte" in bijlage I valt.
Motivering
De blootstelling aan internationale concurrentie dwingt ons om producenten voor eigen gebruik op te nemen in de vrije toewijzing. Andere bedrijven dan openbare elektriciteitsproducenten moeten de mogelijkheid hebben om hun eigen energievoorzieningen te gebruiken waarin al is geïnvesteerd. Daarom moet de definitie worden aangepast. Producenten voor eigen gebruik, zoals gedefinieerd in Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en van de Raad op 19 december 1996 inzake gemeenschappelijke regels voor de interne elektriciteitsmarkt als “een natuurlijke of rechtspersoon die hoofdzakelijk voor eigen gebruik elektriciteit produceert”, mogen niet worden uitgesloten van vrije toewijzing.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter u bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(u bis) onder "geëxternaliseerde installatie" wordt verstaan een installatie die eigendom is van en/of beheerd wordt door een derde, en waarvan de functie tevens kan worden vervuld door een in het productieprocédé van de betreffende bedrijfstak geïntegreerde interne productieactiviteit.
Motivering
De term ‘geëxternaliseerde installaties’ moet worden gedefinieerd om te voorkomen dat ze lijden onder verschillende toewijzingsmethoden en dus verschillende kosten, die hoger zijn dan die van interne productie in de sectoren waaraan ze leveren.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter u ter (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(u ter) onder "internationale overeenkomst" wordt verstaan een overeenkomst tussen landen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) waarin wordt gestreefd naar een mondiale emissiebeperking met een omvang die nodig is om de klimaatverandering effectief aan te pakken door de temperatuurstijging op aarde tot 2°C te beperken en die juridisch afdwingbaar, meetbaar, te rapporteren en te verifiëren is;een dergelijke internationale overeenkomst dient een kritische massa van de mondiale sectorale productie te omvatten.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 6 – lid 1 – alinea 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
De bevoegde autoriteit toetst de vergunning voor broeikasgasemissie ten minste om de vijf jaar en brengt daarin de eventueel benodigde wijziging aan.
De bevoegde autoriteit toetst de vergunning voor broeikasfasemissie ten minste om de vijf jaar en brengt daarin de eventueel benodigde wijzigingen aan overeenkomstig de meest recente wetenschappelijke bevindingen.
Motivering
Er zij op gewezen dat bij het toetsen van de vergunningen voor broeikasgasemissie evenals bij het indienen van wijzigingsvoorstellen de nieuwe wetenschappelijke bevindingen voor ogen gehouden dienen te worden.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 - lid 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. Met ingang van 2013 veilen de lidstaten alle emissierechten die niet overeenkomstig artikel 10 a gratis worden toegewezen.
1. Met ingang van 2013 veilen de Commissie of een door de Commissie aangewezen bevoegde autoriteit alle emissierechten die niet overeenkomstig artikel 10 a gratis worden toegewezen.
Motivering
Om onzekerheid voor ondernemingen tot een minimum te beperken, verder te gaan in de richting van harmonisatie en met het oog op een maximale efficiëntie moet het veilen centraal worden beheerd.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 - lid 2 - inleiding
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
2. De totale hoeveelheid emissierechten die door elke lidstaat wordt geveild, bestaat uit:
2. De totale hoeveelheid emissierechten die in elke lidstaat wordt geveild, bestaat uit:
Motivering
Aangezien er nog steeds een mogelijkheid bestaat dat het niveau van de veilingrechten die aan de deelnemers in de verschillende lidstaten beschikbaar worden gesteld, varieert, dient het veilen centraal te worden beheerd. Deze wijziging is vereist om een en ander te verduidelijken.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 2 – letter a
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(a) 90% van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten die over de lidstaten wordt verdeeld, waarbij elk aandeel identiek is aan het aandeel van de betrokken lidstaat in de geverifieerde emissie krachtens de Gemeenschapsregeling in 2005;
(a) 80% van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten die over de lidstaten wordt verdeeld, waarbij elk aandeel identiek is aan het aandeel van de betrokken lidstaat in de geverifieerde emissie krachtens de Gemeenschapsregeling in 2008;
Motivering
Het jaar 2008 is het eerste jaar met consistente EU ETS-gegevens die gelden voor alle 27 lidstaten. Bovendien is vanaf 2008 de nieuwe installatiedefinitie van toepassing.
Dit is een voorstel voor de introductie van een aanvullende 10% van de totale hoeveelheid emissierechten die worden geveild onder de lidstaten, op basis van de behaalde resultaten tussen het/de basisjaar/-jaren van het Protocol van Kyoto en het jaar 2008, het eerste jaar van de verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto. Deze aanpak biedt een juiste weerspiegeling van de Kyoto-resultaten van de afzonderlijke landen zoals vastgesteld in de conclusies van de Voorjaarsraad van 2007 en 2008.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 2 – letter b bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(b bis) waarbij 10 % van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten onder de lidstaten wordt verdeeld al naar gelang de resultaten die ze tussen het basisjaar van het Kyoto-Protocol en het jaar 2008 hebben geboekt, teneinde rekening te houden met de inspanningen die ze zich tot aan de invoering van de Gemeenschapsregeling hebben getroost.
Motivering
Het jaar 2008 is het eerste jaar met consistente EU ETS-gegevens die gelden voor alle 27 lidstaten.Bovendien is vanaf 2008 de nieuwe installatiedefinitie van toepassing.
Dit is een voorstel voor de introductie van een aanvullende 10% van de totale hoeveelheid emissierechten die worden geveild onder de lidstaten, op basis van de behaalde resultaten tussen het/de basisjaar/-jaren van het Protocol van Kyoto en het jaar 2008, het eerste jaar van de verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto. Deze aanpak biedt een juiste weerspiegeling van de Kyoto-resultaten van de afzonderlijke landen zoals vastgesteld in de conclusies van de Voorjaarsraad van 2007 en 2008.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 - lid 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3. Ten minste 20%van de inkomsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van emissierechten, met inbegrip van alle inkomsten uit de in lid 2, onder b), bedoelde veilingen, zou moeten worden gebruikt voor:
3. De helft van de inkomsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van emissierechten, met inbegrip van alle inkomsten uit de in lid 2, onder b), bedoelde veilingen, moeten in een speciaal fonds worden gebruikt.Maximaal de helft van dit fonds moet zo doeltreffend en doelmatig mogelijk worden gebruikt voor:
(a) de beperking van de emissie van broeikasgassen, onder andere door bijdragen aan het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering en de financiering van onderzoek en ontwikkeling met het oog op emissiebeperking en aanpassing, inclusief deelname aan initiatieven in het kader van het Europees Strategisch plan voor energietechnologie;
(a) de beperking van de emissie van broeikasgassen van de ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen;
(b) de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om tegen 2020 20% duurzame energie te gebruiken en om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20% op te voeren;
(c) het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen, met name degene die afkomstig zijn van kolengestookte elektriciteitscentrales;
(d) maatregelen om ontbossing te voorkomen, met name in de minst ontwikkelde landen;
(d) maatregelen om ontbossing of aantasting van de bodem te voorkomen of tegen te gaan, met name in de minst ontwikkelde landen;
(e) de vergemakkelijking van de aanpassing van ontwikkelingslanden aan de effecten van klimaatverandering;
(e) de vergemakkelijking van de aanpassing van ontwikkelingslanden aan de effecten van klimaatverandering;
e bis) de ontwikkeling van institutionele capaciteit in de minst ontwikkelde landen om met succes projecten op het gebied van emissiebeperking te ontwikkelen en te beheren.
Het resterende deel van het in de eerste alinea genoemde fonds wordt gebruikt voor:
i) de financiering van onderzoek en ontwikkeling met het oog op emissiebeperking en de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering, inclusief deelname aan initiatieven in het kader van het Europees Strategisch plan voor energietechnologie of de Europese Technologieplatforms;
De vergemakkelijking van de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering in de Gemeenschap;
(f) de aanpak van maatschappelijke aspecten in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen, bijvoorbeeld door hun energie-efficiëntie en isolatie te verbeteren; en
(iii)de aanpak van maatschappelijke aspecten in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen, bijvoorbeeld door hun energie-efficiëntie en isolatie te verbeteren;
(iv) het ondervangen van de gevolgen van de Gemeenschapsregeling voor regio's met speciale geografische en demografische uitdagingen door deze te helpen bij het opzetten van een duurzaam energiebeleid;
en
(g) de dekking van administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling.
(v) de dekking van administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling.
3 bis. De lidstaten besteden het resterende deel van de inkomsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van de emissierechten, met inbegrip van alle inkomsten uit de in lid 2 b) bedoelde veiling, overeenkomstig de voorschriften voor overheidssteun aan onderzoek, innovatie en investeringen in koolstofarme technologie, inclusief o.a. hernieuwbare energie, het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen en energie-efficiëntere productieprocessen.De lidstaten stellen maatregelen vast die ervoor moeten zorgen dat de aldus bestede inkomsten voor deze doeleinden worden gebruikt en zij zetten deze maatregelen uiteen in het in lid 4 bedoelde verslag.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 5
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
5. Uiterlijk op 31 december 2010 stelt de Commissie een verordening vast over de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van veilingen om te zorgen dat deze op een open, transparante en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd. De veilingen worden zodanigopgezet dat de exploitanten, en met name eventuele kleine en middelgrote ondernemingen die onder de Gemeenschapsregeling vallen, volledige toegang krijgen en datandere deelnemers het verloop van de veiling niet ondermijnen. Deze maatregel, die bedoeld is om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, wordt vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
5. Uiterlijk op 31 december 2009 stelt de Commissie een verordening vast over de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van veilingen om te zorgen dat deze op een open, transparante en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd.
De Commissie raadpleegt alle belanghebbenden voordat zij die verordening indient.De veilingen worden als volgt opgezet en uitgevoerd:
(a) het doel van de veilingen is om emissierechten toe te wijzen aan de exploitanten en/of tussenpersonen op de markt tegen een prijs die vastgesteld wordt door de markt en niet om zoveel mogelijk inkomsten te genereren of een vooraf bepaalde prijs te halen;
(b) op de markt wordt te allen tijde voldoende liquiditeit gehandhaafd, met name in 2013.Hiertoe moet het proces voorspelbaar zijn, vooral ten aanzien van het tijdstip en de volgorde van veilingen en de hoeveelheden die aangeboden worden;
(c) de veilingen moeten toegankelijk zijn voor elke geldige rekeninghouder binnen het emissiehandelssysteem van de EU die financieel kan garanderen dat biedingen gestand zullen worden gedaan;
(d) exploitanten, en met name eventuele kleine en middelgrote bedrijven die onder de Gemeenschapsregeling vallen, krijgen eerlijke en gelijke toegang en mogen volwaardig participeren;
(e) participatie mag geen onredelijke financiële belasting met zich meebrengen voor exploitanten;
(f) alle deelnemers dienen op hetzelfde tijdstip toegang te hebben tot dezelfde informatie;en
(g) deelnemers mogennietsamenzweren of anderszins handelen om het verloop van de veiling te ondermijnen.
De in de eerste alinea genoemde maatregel, die bedoeld is om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, wordt vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Motivering
Punt c is bedoeld om de definitie van veilingdeelnemers te verduidelijken, en vooral om te verzekeren dat de deelnemers de garantie vestrekken dat ze hun biedingen gestand zullen doen. Indien dit niet gebeurt, biedt dit gelegenheid tot speculatief gedrag.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 5 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
5 bis. De Commissie publiceert vóór 31 december 2008 een duidelijke definitie van emissierechten, die de mogelijkheid uitsluit dat deze op de financiële markten worden geëffectiseerd en dat, bij het veilen ervan, een voorkeurspositie wordt gegeven aan bieders die de emissierechten zullen gebruiken voor het opwekken van elektriciteit of het produceren van industriële goederen.
Motivering
Bij gebrek aan duidelijke regels zullen de emissierechten financiële producten worden. Als de veilingen en de secundaire markten openstaan voor alle bieders (inclusief institutionele beleggers, hedgefondsen, staatsfondsen, etc.) ontstaat het gevaar van puur speculatieve prijsvorming. Daarom moet er alleen toegang zijn tot de oorspronkelijke veilingprocedure voor de bieders die emissierechten nodig hebben in productieprocédés.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. De Commissie stelt uiterlijk op 30 juni 2011 volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelenvoor de hele Gemeenschap vast om de in de leden 2 tot en met 6 en 8 bedoelde emissierechten op een geharmoniseerde wijze toe te wijzen.
1. De Commissie stelt uiterlijk op31 december 2010 volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelenvoor de hele Gemeenschap vast om de in de leden 2 tot en met 6 en 8 bedoelde emissierechten op een geharmoniseerde wijze toe te wijzen.
Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, worden vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, worden vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen zorgen er voorzover mogelijk voor dat de toewijzing gebeurt op een wijze die broeikasgas- en energie-efficiënte technieken en emissiebeperking stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocédés, het gebruik van biomassa en het afvangen en de opslag van broeikasgassen, en niet aanzet tot een toename van de emissie. Er wordt geen gratis toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking.
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen zorgen ervoor dat in de gehele EU ex-ante benchmarks op het niveau van de geringste CO2-intensieve output per eenheid worden vastgesteld voor broeikasgasemissies en energie-efficiëntie voor installaties in elke sector die gratis emissierechten krijgen toegewezen.Deze sectorale benchmarks worden gebaseerd op de beste broeikasgas- en energie-efficiënte technieken, met inbegrip van het technische potentieel voor emissiebeperking,en technologieën die op de markt beschikbaar zijn, waaronder vervangingsproducten, algemeen toepasbare alternatieve productieprocédés, het gebruik van biomassa, warmtekrachtkoppeling en het afvangen en de opslag van broeikasgassen.Gratis toewijzing aan installaties geschiedt op een niveau dat niet hoger is dan aangegeven door de passende sectorale benchmark ten einde de meest efficiënte exploitanten te belonen.Over het algemeen geven de in de eerste alinea bedoelde maatregelen geen aanzet tot een toename van de emissie over de gehele linie of per productie-eenheid. Bij de vaststelling van de benchmarks raadpleegt de Commissie de betrokken sectoren en andere relevante belanghebbenden.Er wordt geen gratis toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking, behalve voor elektriciteit die wordt opgewekt in verband met industriële warmte via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als omschreven in Richtlijn 2004/8/EG of uit residuen van een industrieel proces waarbij gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken, mits de opwekking geschiedt voor eigen gebruik van de exploitant;de toewijzing van de emissierechten vindt plaats op basis van dezelfde beginselen als die welke worden toegepast op de industriële activiteit als bedoeld in Bijlage 1.
Indien echter afvalgas van een productieproces als brandstof wordt gebruikt, worden alle emissierechten toegewezen aan de exploitant van de installatie die het gas genereert, waarbij dezelfde toewijzingsbeginselen worden toegepast als bij de industriële activiteit als bedoeld in Bijlage 1.
De Commissie toetst, zodra de Gemeenschap een internationale overeenkomst over klimaatverandering heeft gesloten die leidt tot verplichte beperkingen van de emissie van broeikasgassen die vergelijkbaar zijn met die van de Gemeenschap, deze maatregelen om ervoor te zorgen dat gratis toewijzing alleen plaatsvindt wanneer dit in het licht van die overeenkomst volledig gerechtvaardigd is.
De Commissie toetst, zodra de Gemeenschap een internationale overeenkomst over klimaatverandering heeft gesloten die leidt tot verplichte beperkingen van de emissie van broeikasgassen die vergelijkbaar zijn met die van de Gemeenschap, deze maatregelen om ervoor te zorgen dat gratis toewijzing alleen plaatsvindt wanneer dit in het licht van die overeenkomst volledig gerechtvaardigd is.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 1 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1 bis. De Commissie stelt vóór 1 september 2009 een verslag op over de resultaten van haar onderzoek naar de wenselijkheid van indiening van een richtlijn inzake witte certificaten als bedoeld in artikel 4, lid 5 van Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 inzake energie-efficiëntie bij eindgebruik en energiediensten1.Dit verslag omschrijft met name het potentieel voor een verplichte handelsregeling voor witte certificaten in de hele Gemeenschap die exploitanten met gratis emissierechten verdere stimulansen biedt om te investeren in de meest energie-efficiënte technieken en technologieën, die verplichte energie-efficiëntiedoelstellingen of -plafonds voor de deelnemers vaststelt en voorziet in een regeling van verhandelbare certificaten die kunnen worden gegenereerd uit de goedkeuring van energie-efficiënte technieken of technologieën.Als het verslag aangeeft dat een dergelijke regeling goed is voor het milieu, kosteneffectief en praktisch uitvoerbaar en overeenkomt met de beginselen van beter wetgeven, zal de Commissie vóór 30 juni 2010 passende wetgevingsvoorstellen indienen.
1 PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64.
Motivering
In artikel 4, lid 5 van Richtlijn 2006/32/EG inzake energie-efficiëntie bij eindgebruik en energiediensten wordt de Commissie verzocht na te gaan of het wenselijk is een voorstel voor witte certificaten in te dienen, gebaseerd op de eerste drie toepassingsjaren van de richtlijn. Er wordt echter geen vaste datum vastgesteld voor de afronding van dit belangrijke onderzoek. Het "Euro White Cert'-project, dat wordt gesteund door Intelligent Energy Europe, onderzoekt momenteel het potentieel voor een EU-breed stelsel van witte certificaten en de potentiële links met de EU ETS.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10a – lid 1 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1 bis. Installaties, al dan niet geëxternaliseerd, worden gelijk behandeld ten aanzien van emissierechten.
Motivering
Om geen prikkels te creëren in het huidige voorstel die leiden tot marktverstoringen en tot meer emissies, is het essentieel dat de tekst van de richtlijn de “outsourcing” van activiteiten in vele sectoren weerspiegelt.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3. Aan elektriciteitsopwekkers kan een gratis toewijzing worden gegeven voor de productie van warmte via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, voor economisch aantoonbare vraag om te zorgen dat er sprake is van gelijke behandeling ten opzichte van andere warmteproducenten. In elk jaar na 2013 wordt de totale toewijzing aan deze installaties voor de productie van die warmte aangepast met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor.
3. Aan elektriciteitsopwekkers wordt een gratis toewijzing gegeven voor de productie van warmte die wordt verkocht aan derden, met inbegrip van stadsverwarmingsnetwerken, via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG op basis van in de gehele Gemeenschap geldende standaard ex-ante benchmarks per productie-eenheid, voor economisch aantoonbare vraag om te zorgen dat er sprake is van gelijke behandeling ten opzichte van andere warmteproducenten. In elk jaar na 2013 wordt de totale toewijzing aan deze installaties voor de productie van die warmte aangepast met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10a – lid 6 – alinea 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
6. Vijf procent van de overeenkomstig de artikelen 9 en 9 bis over de periode van 2013 tot 2020 vastgestelde hoeveelheid emissierechten voor de hele Gemeenschap wordt gereserveerd voor nieuwkomers als de maximale hoeveelheid die overeenkomstig de krachtens lid 1 van dit artikel vastgestelde regels aan nieuwkomers kan worden toegewezen.
6. Vijf procent van de overeenkomstig de artikelen 9 en 9 bis over de periode van 2013 tot 2020 vastgestelde hoeveelheid emissierechten voor de hele Gemeenschap wordt gereserveerd om liquiditeit te verstrekken voor nieuwkomers en voor marktsituaties die aanleiding geven tot buitensporig hoge of lage koolstofprijzen.Dit is de maximale hoeveelheid die overeenkomstig de krachtens lid 1 van dit artikel vastgestelde regels aan nieuwkomers kan worden toegewezen.
Motivering
De reserve verstrekt liquiditeit (emissierechten) voor nieuwkomers. Het is voor de hele koolstofmarkt van essentieel belang te beschikken over instrumenten waarmee op buitengewone marktsituaties kan worden gereageerd. Wij dringen erop aan een deel van de reserve te gebruiken voor het verhogen van de liquiditeit in geval van een gevaarlijk hoge koolstofprijs. In geval van een te lage koolstofprijs moet de liquiditeit worden beperkt (deze maatregel moet in de veilingvoorschriften worden opgenomen). Wij stellen een prijsmarge tussen 20 en 50 Euro voor. Liquiditeitsmaatregelen moeten worden behandeld via de veilingvoorschriften van artikel 10.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 6 – alinea 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Voor elektriciteitsopwekking door nieuwkomers wordt geen gratis toewijzing gegeven.
Voor elektriciteitsopwekking door nieuwkomers wordt geen gratis toewijzing gegeven, behalve voor elektriciteit die wordt opgewekt in verband met industriële warmte via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als omschreven in Richtlijn 2004/8/EG of uit residuen van een industrieel proces waarbij gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken, mits de opwekking geschiedt voor eigen gebruik van de exploitant;de toewijzing van de emissierechten vindt plaats op basis van dezelfde beginselen als die welke worden toegepast op de industriële activiteit als bedoeld in Bijlage 1.
Indien echter afvalgas van een productieproces als brandstof wordt gebruikt, worden alle emissierechten toegewezen aan de exploitant van de installatie die het gas genereert, waarbij dezelfde toewijzingsbeginselen worden toegepast als bij de industriële activiteit als bedoeld in Bijlage 1.
De Commissie publiceert vóór 31 december 2010 volledig geharmoniseerde regels voor de gehele Gemeenschap voor de toewijzing van de reserve voor nieuwkomers.Deze regels bevatten richtlijnen voor de toepassing van de definitie van "nieuwkomer", met inbegrip van aanzienlijke capaciteitsuitbreiding via onder meer uitbreiding van de installatie.
Deze maatregel, die bedoeld is om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, wordt vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 7
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
7. Met inachtneming van artikel 10 bis is de hoeveelheid emissierechten die krachtens de leden 3 tot en met 6 van dit artikel [en lid 2 van artikel 3 quater] gratis wordt toegewezen, 80% van de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt vastgesteld en wordt de gratis toewijzing vervolgens elk jaar met gelijke hoeveelheden verlaagd, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.
7. Met inachtneming van artikel 10 bis is de hoeveelheid emissierechten die krachtens de leden 3 tot en met 6 van dit artikel [en lid 2 van artikel 3 quater] gratis wordt toegewezen, 100% van de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt vastgesteld en wordt de gratis toewijzing vervolgens elk jaar met gelijke hoeveelheden verlaagd, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – leden 8 en 9
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
8. In 2013 en in elk daaropvolgend jaar tot 2020 worden aan installaties in bedrijfstakken waar een significant risico op het weglekeffect bestaat, gratis emissierechten toegewezen tot maximaal 100% van de overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 vastgestelde hoeveelheid.
8. In 2013 en in elk daaropvolgend jaar tot 2020 worden aan installaties in bedrijfstakken waar een significant risico op het weglekeffect bestaat, gratis emissierechten toegewezen tot maximaal 100% van de overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 vastgestelde hoeveelheid. Onverminderd de leden 4 en 5 en zonder overschrijding van de totale hoeveelheid emissierechten als bedoeld in artikel 9 kan de Commissie extra emissierechten aan deze installaties toewijzen om rekening te houden met de gevolgen van het doorberekenen van de kosten van de emissierechten in de elektriciteitsprijs voor de betrokken bedrijfstak of deeltak.
9. Uiterlijk op 30 juni 2010 en vervolgens om de drie jaar stelt de Commissie vast welke de in lid 8 bedoelde bedrijfstakken zijn.
9. Uiterlijk op 1 juni 2010 en vervolgens om de vier jaar stelt de Commissie vast welke de in lid 8 bedoelde bedrijfstakken zijn. De Commissie raadpleegt de betrokken sectoren en andere relevante belanghebbenden.
Deze maatregel, die bedoeld is om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, wordt vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Deze maatregel, die bedoeld is om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, wordt vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Bij de in de eerste alinea bedoelde vaststelling houdt de Commissie rekening met de mate waarin de betrokken bedrijfstak of deeltak de kosten van de vereiste emissierechten kan doorberekenen in de productprijzen zonder een significant verlies van marktaandeel aan minder koolstofefficiënte installaties buiten de Gemeenschap, waarbij zij rekening houdt met de volgende aspecten:
Bij de in de eerste alinea bedoelde vaststelling houdt de Commissie rekening met de mate waarin de betrokken bedrijfstak of deeltak de kosten van de vereiste emissierechten kan doorberekenen in de productprijzen zonder een significant verlies van marktaandeel aan minder koolstofefficiënte installaties of investeringen aan installaties in landen buiten de Gemeenschap die geen vergelijkbare en te verifiëren beperkingen voor emissies opleggen, waarbij zij rekening houdt met de volgende aspecten:
a) de mate waarin veiling tot een aanzienlijke stijging van de productiekosten zou leiden;
a) de mate waarin veiling tot een aanzienlijke stijging van de productiekosten zou leiden;
b) de mate waarin individuele installaties in de betrokken bedrijfstak hun emissieniveau kunnen verlagen, bijvoorbeeld op basis van de meest efficiënte technieken;
b) de mate waarin individuele installaties in de betrokken bedrijfstak hun emissieniveau kunnen verlagen, bijvoorbeeld op basis van de meest efficiënte technieken;
c) de marktstructuur, de relevante geografische en productmarkt en de mate waarin de bedrijfstakken aan internationale concurrentie onderhevig zijn;
c) de marktstructuur, de relevante geografische en productmarkt en de mate waarin de bedrijfstakken aan internationale concurrentie onderhevig zijn;
d) het effect van klimaatverandering en het energiebeleid dat buiten de EU in de betrokken bedrijfstakken wordt of naar verwachting zal worden uitgevoerd.
d) het effect van klimaatverandering en het energiebeleid dat buiten de EU in de betrokken bedrijfstakken wordt of naar verwachting zal worden uitgevoerd;
d bis) de gevolgen van het doorberekenen van de kosten van de emissierechten in de elektriciteitsprijs voor de betrokken bedrijfstak of deeltak;
d ter) het effect op de veiligheid van de aanvoer van grondstoffen in de Gemeenschap.
Met het oog op de beoordeling in hoeverre de kostenstijging ten gevolge van de Gemeenschapsregeling kan worden doorberekend, kunnen onder andere ramingen van de niet-gerealiseerde omzet ten gevolge van de hogere koolstofprijs of de effecten op de rentabiliteit van de betrokken installaties worden gebruikt.
Met het oog op de beoordeling in hoeverre de kostenstijging ten gevolge van de Gemeenschapsregeling kan worden doorberekend, kunnen onder andere ramingen van de niet-gerealiseerde omzet ten gevolge van de hogere koolstofprijs of de effecten op de rentabiliteit van de betrokken installaties worden gebruikt.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 9
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 b
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Uiterlijk in juni 2011 dient de Commissie in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen en de mate waarin deze leiden tot een mondiale beperking van de emissie van broeikasgassen, na raadpleging van alle betrokken maatschappelijke partners, een analytisch verslag bij het Europees Parlement en de Raad in met een beoordeling van de situatie ten aanzien van energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken waarvan is vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt. Tegelijk hiermee worden eventueel adequate voorstellen ingediend, zoals bijvoorbeeld:
Uiterlijk in juni 2010 dient de Commissie in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen en de mate waarin deze leiden tot een mondiale beperking van de emissie van broeikasgassen, na raadpleging van alle betrokken maatschappelijke partners, een analytisch verslag bij het Europees Parlement en de Raad in met een beoordeling van de situatie ten aanzien van energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken waarvan is vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt. Tegelijk hiermee worden eventueel adequate voorstellen ingediend.
- een aanpassing van het percentage emissierechten dat krachtens artikel 10 a gratis door deze bedrijfstakken of deeltakken wordt ontvangen;
- de opneming in een Gemeenschapsregeling van importeurs van producten die worden geproduceerd door de overeenkomstig artikel 10 a vastgestelde bedrijfstakken of deeltakken.
Bij de beoordeling welke maatregelen in aanmerking komen, wordt ook rekening gehouden met bindende sectorale overeenkomsten die leiden tot een mondiale emissiebeperking die een omvang nodig heeft die nodig is om klimaatverandering effectief aan te pakken, die te bewaken en te verifiëren zijn en waarvoor verplichte handhavingsregelingen bestaan.
Bij de beoordeling welke maatregelen in aanmerking komen, wordt ook rekening gehouden met bindende sectorale overeenkomsten die leiden tot een mondiale emissiebeperking die een omvang nodig heeft die nodig is om klimaatverandering effectief aan te pakken, die te bewaken en te verifiëren zijn en waarvoor verplichte handhavingsregelingen bestaan.
Bij ontstentenis van een internationale overeenkomst en bindende sectorale overeenkomsten zoals bovengenoemd gaat de Commissie in bovengenoemd verslag met name na of het mogelijk is het percentage emissierechten dat krachtens artikel 10a gratis door deze bedrijfstakken of deeltakken wordt ontvangen, aan te passen, de importeurs van producten die worden geproduceerd door de overeenkomstig artikel 10a vastgestelde bedrijfstakken of deeltakken in de Gemeenschapsregeling op te nemen of een grensaanpassingsmechanisme in te voeren.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 9
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 a
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Gebruik van CER's en ERU's uit projectactiviteiten in de Gemeenschapsregeling vóór de inwerkingtreding van een toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering
Gebruik van CER's en ERU's uit projectactiviteiten in de Gemeenschapsregeling
1. Tot de inwerkingtreding van een toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering en vooruitlopend op de toepassing van artikel 28, leden 3 en 4, zijn de leden 2 tot en met 7 van dit artikel van toepassing.
1. Tot de inwerkingtreding van een toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering en vooruitlopend op de toepassing van artikel 28, leden 3 en 4, zijn de leden 2 tot en met 7 van dit artikel van toepassing.
2. De exploitanten kunnen de bevoegde autoriteit, mits de door de lidstaten aan hen toegestane mate van CER/ERU-gebruik voor de periode van 2008 tot 2012 niet volledig benut is, verzoeken in ruil voor CER's en ERU's die zijn verleend voor emissiebeperkingen vóór 2012 uit projecttypes die in de periode van 2008 tot 2012 door alle lidstaten in de Gemeenschapsregeling werden geaccepteerd, emissierechten aan hen te verlenen die met ingang van 2013 geldig zijn. Tot 31 december 2014 voert de bevoegde autoriteit een dergelijke ruil op verzoek uit.
2. De exploitanten kunnen de bevoegde autoriteit verzoeken in ruil voor CER's en ERU's die zijn verleend voor emissiebeperkingen vóór 2012 uit projecttypes die in de periode van 2008 tot 2012 in de Gemeenschapsregeling werden geaccepteerd door een meerderheid van lidstatendie een gekwalificeerde meerderheid als gedefinieerd in artikel 205, lid 2, van het Verdrag vertegenwoordigen, emissierechten aan hen te verlenen die met ingang van 2013 geldig zijn. Tot 31 december 2014 voert de bevoegde autoriteit een dergelijke ruil op verzoek uit.
3. Mits de door de lidstaten aan de exploitanten toegestane mate van CER/ERU-gebruik voor de periode van 2008 tot 2012 niet volledig benut is, staan de bevoegde autoriteiten de exploitanten toe met het oog op emissiebeperking met ingang van 2013 verleende CER's uit projecten die vóór 2013 zijn vastgesteld, in te ruilen voor emissierechten die met ingang van 2013 geldig zijn.
3. De bevoegde autoriteiten staan de exploitanten toe met het oog op emissiebeperking met ingang van 2013 verleende CER's uit projecten die vóór 2013 zijn vastgesteld, in te ruilen voor emissierechten die met ingang van 2013 geldig zijn.
De eerste alinea geldt voor alle projecttypes die in de periode van 2008 tot 2012 door alle lidstaten in de Gemeenschapsregeling werden geaccepteerd.
De eerste alinea geldt voor alle projecttypes die in de periode van 2008 tot 2012 in de Gemeenschapsregeling werden geaccepteerd door een meerderheid van lidstaten die een gekwalificeerde meerderheid als gedefinieerd in artikel 205, lid 2, van het Verdrag vertegenwoordigen.
4. Mits de door de lidstaten aan de exploitanten toegestane mate van CER/ERU-gebruik voor de periode van 2008 tot 2012 niet volledig benut is, staan de bevoegde autoriteiten de exploitanten toe met het oog op emissiebeperking met ingang van 2013 verleende CER's in te ruilen voor emissierechten uit nieuwe projecten die met ingang van 2013 in de minst ontwikkelde landen van start gaan.
De eerste alinea geldt voor CER's voor alle projecttypes die in de periode van 2008 tot 2012 door alle lidstaten in de Gemeenschapsregeling werden geaccepteerd, totdat deze landen een overeenkomst met de Gemeenschap hebben bekrachtigd, maar uiterlijk tot 2020.
4. De bevoegde autoriteiten staan de exploitanten toe met het oog op emissiebeperking met ingang van 2013 verleende CER's in te ruilen voor emissierechten uit nieuwe projecten die met ingang van 2013 in de minst ontwikkelde landen van start gaan.
De eerste alinea geldt voor CER's voor alle projecttypes die in de periode van 2008 tot 2012 in de Gemeenschapsregeling werden geaccepteerd door een meerderheid van lidstaten die een gekwalificeerde meerderheid als gedefinieerd in artikel 205, lid 2, van het Verdrag vertegenwoordigen, totdat deze landen een overeenkomst met de Gemeenschap hebben bekrachtigd, maar uiterlijk tot 2020.
5. Mits de door de lidstaten aan de exploitanten toegestane mate van CER/ERU-gebruik voor de periode van 2008 tot 2012 niet volledig benut is en wanneer de sluiting van een internationale overeenkomst over klimaatverandering vertraging oploopt, kunnen kredieten uit projecten of andere emissiebeperkende activiteiten overeenkomstig met derde landen gesloten overeenkomsten in de Gemeenschapsregeling worden gebruikt, waarbij de mate van gebruik wordt gespecificeerd. Overeenkomstig deze overeenkomsten kunnen de exploitanten kredieten uit projectactiviteiten in deze derde landen gebruiken om aan hun verplichtingen uit hoofde van de Gemeenschapsregeling te voldoen.
5. Mits de door de lidstaten aan de exploitanten toegestane mate van CER/ERU-gebruik voor de periode van 2008 tot 2012 niet volledig benut is en wanneer de sluiting van een internationale overeenkomst over klimaatverandering vertraging oploopt, kunnen kredieten uit projecten of andere emissiebeperkende activiteiten overeenkomstig met derde landen gesloten overeenkomsten in de Gemeenschapsregeling worden gebruikt, waarbij de mate van gebruik wordt gespecificeerd. Overeenkomstig deze overeenkomsten kunnen de exploitanten kredieten uit projectactiviteiten in deze derde landen gebruiken om aan hun verplichtingen uit hoofde van de Gemeenschapsregeling te voldoen.
6. In lid 5 bedoelde overeenkomsten regelen het gebruik in de Gemeenschapsregeling van kredieten uit technologieën voor duurzame energie of energie-efficiëntie die overdracht van technologie en duurzame ontwikkeling stimuleren. Een dergelijke overeenkomst kan ook het gebruik regelen van kredieten uit projecten waarbij het gebruikte referentieniveau lager ligt dan het niveau van de gratis toewijzing krachtens de in artikel 10 a bedoelde maatregelen of lager dan het niveau dat krachtens de communautaire wetgeving wordt vereist.
6. In lid 5 bedoelde overeenkomsten regelen het gebruik in de Gemeenschapsregeling van kredieten uit technologieën voor duurzame energie of energie-efficiëntie die overdracht van technologie en duurzame ontwikkeling stimuleren. Een dergelijke overeenkomst kan ook het gebruik regelen van kredieten uit projecten waarbij het gebruikte referentieniveau lager ligt dan het niveau van de gratis toewijzing krachtens de in artikel 10 a bedoelde maatregelen of lager dan het niveau dat krachtens de communautaire wetgeving wordt vereist.
6 bis) Het gebruik van kredieten door installaties overeenkomstig de leden 2, 3, 4 en 5 mag niet meer bedragen dan 35% van de broeikasgasreducties die in de periode 2008 tot 2020 vereist zijn voor installaties die onder Richtlijn 2003/87/EG vallen.
7. Zodra een internationale overeenkomst over klimaatverandering tot stand is gekomen, worden alleen CER's uit derde landen die deze overeenkomst hebben bekrachtigd, in de Gemeenschapsregeling geaccepteerd.
7. Zodra een internationale overeenkomst over klimaatverandering tot stand is gekomen, worden alleen CER's uit derde landen die deze overeenkomst hebben bekrachtigd, in de Gemeenschapsregeling geaccepteerd.
7 bis) De Commissie streeft ernaar ervoor te zorgen dat elke overeenkomst als bedoeld in lid 5 en de internationale overeenkomst als bedoeld in lid 7 een kredietsysteem omvatten voor duurzame, controleerbare en permanente bebossing, herbebossing, beperkte emissies door ontbossing en andere bosbouwprojecten en -activiteiten, met inbegrip van o.a. het voorkomen van bodemerosie en het zuiveren van afvalwater.Dergelijke projecten dienen te voldoen aan strenge kwaliteitscriteria die moeten worden vastgesteld in het door de Verenigde Naties vastgestelde kader, overeenkomstig artikel 28a.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 10 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 12 – lid 1 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(10 bis) In artikel 12 wordt het volgende lid toegevoegd:
"1 bis. De Commissie dient vóór 1 september 2009 passende wetgevingsvoorstellen in die ervoor moeten zorgen dat de markt voor emissierechten wordt beschermd tegen handel met voorkennis en marktmanipulatie.De Commissie gaat met name na of emissierechten voor de doeleinden van deze richtlijn moeten worden beschouwd als financiële instrumenten als bedoeld in Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake handel met voorkennis en marktmanipulatie (marktmisbruik)(1) ."
(1) PB L 96 van 12.4.2003, blz.16.
Motivering
Het juridische karakter van emissierechten op de financiële markt is onduidelijk. Sommige landen beschouwen deze als financiële instrumenten waarvan de handel wordt gecontroleerd door de autoriteit financiële diensten, terwijl andere landen deze als normale goederen beschouwen en alleen de derivaten ervan zien als financiële instrumenten. Het is van belang duidelijkheid te scheppen ten einde het vertrouwen van de bedrijven te bevorderen en de transparantie te vergroten. Handel met voorkennis en marktmanipulatie kunnen de markt verstoren en de geloofwaardigheid ervan en het vertrouwen van de investeerders aantasten.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 13 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Overweging 15 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(13 bis).Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 15 bis
Openbaarmaking van informatie en beroepsgeheim
1. De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat alle besluiten en verslagen die verband houden met de hoeveelheid emissierechten en de toewijzing ervan en met de bewaking, rapportage en verificatie van emissies onverwijld openbaar worden gemaakt op een wijze die zorgt voor snelle toegang tot dergelijke informatie op niet-discriminerende basis.
2. De verplichting inzake het beroepsgeheim geldt voor alle personen die werken of hebben gewerkt voor de Commissie of voor bevoegde autoriteiten van de lidstaten en organen aan welke de Commissie of de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bepaalde taken hebben gedelegeerd.Informatie die onder het beroepsgeheim valt mag niet openbaar worden gemaakt aan andere personen of autoriteiten, tenzij op grond van bestaande wettelijke, bestuursrechtelijke of administratieve bepalingen.
Motivering
Het is van fundamenteel belang te zorgen voor de toepassing van regels voor financiële instrumenten met betrekking tot de handel in emissierechten om het vertrouwen van bedrijven te vergroten en de transparantie te verbeteren. De publicatie van marktgevoelige informatie door de Commissie en de lidstaten moet streng en duidelijk worden gereguleerd.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 14 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 18 – lid 1 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(14 bis) Aan artikel 18 wordt het volgende lid toegevoegd:
"De Commissie of een door de Commissie aangewezen bevoegde orgaan beheert op communautaire niveau de veiling van emissierechten als bedoeld in artikel 10.Dit bevoegde orgaan zorgt voor een nauwe coördinatie van zijn activiteiten met de door de lidstaten aangewezen bevoegde autoriteiten.Het zorgt er met name voor dat aan de bevoegde autoriteiten in elke lidstaat volledige en nauwkeurige gegevens worden verstrekt over de toewijzing van emissierechten door middel van een veiling aan installaties binnen hun rechtsgebied.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 20
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 25 – lid 1b bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
"1 b bis. De Commissie streeft in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid en het uitbreidingsproces naar de sluiting van overeenkomsten met de betrokken landen om deze in de Gemeenschapsregeling op te nemen of te voorzien in wederzijdse erkenning van de emissierechten."
Motivering
Het is van fundamenteel belang aan de EU grenzende landen aan te moedigen zich bij de EU ETS aan te sluiten. Dit is niet alleen van belang vanuit een ecologische en ontwikkelingsoptiek, maar ook voor het vraagstuk van het weglekeffect als gevolg van bedrijven uit de EU die de grens over gaan.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 21
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 27 - titel en lid 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Uitsluiting van kleine stookinstallaties onder voorbehoud van gelijkwaardige maatregelen
Uitsluiting van kleine installaties onder voorbehoud van gelijkwaardige maatregelen
1. De lidstaten kunnen stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan25 MW, met een in elk van de voorgaande drie jaren bij de bevoegde autoriteiten gerapporteerde emissie van minder dan 10 000 ton CO2-equivalent, emissie uit biomassa niet meegerekend, waarvoor maatregelen gelden die voor een gelijkwaardige bijdrage tot emissiebeperking zullen zorgen, van de Gemeenschapsregeling uitsluiten als de betrokken lidstaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
1. De lidstaten kunnen op verzoek van de exploitant installaties met een in elk van de voorgaande drie jaren bij de bevoegde autoriteiten gerapporteerde emissie van minder dan 25.000 ton CO2-equivalent, emissie uit biomassa niet meegerekend, en, in het geval van stookinstallaties, met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 35 MW, waarvoor maatregelen gelden die voor een gelijkwaardige bijdrage tot emissiebeperking zullen zorgen, van de Gemeenschapsregeling uitsluiten als de betrokken lidstaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
(a) hij meldt al deze installaties bij de Commissie aan, waarbij de gelijkwaardige maatregelen worden vermeld die van toepassing zijn;
(a) hij meldt al deze installaties bij de Commissie aan, waarbij de gelijkwaardige maatregelen worden vermeld die van toepassing zijn;
(b) hij bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 10 000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissie uit biomassa niet meegerekend;
(b) hij bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissie uit biomassa niet meegerekend;
(c) hij bevestigt dat een installatie, indien deze in enig kalenderjaar 10 000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissie uit biomassa niet meegerekend, of indien de gelijkwaardige maatregelen niet langer van toepassing zijn, weer in de regeling zal worden opgenomen;
(c) hij bevestigt dat een installatie, indien deze in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissie uit biomassa niet meegerekend, of indien de gelijkwaardige maatregelen niet langer van toepassing zijn, weer in de regeling zal worden opgenomen;
(d) hij publiceert de onder a), b) en c) bedoelde informatie, zodat het publiek opmerkingen kan maken.
(d) hij publiceert de onder a), b) en c) bedoelde informatie, zodat het publiek opmerkingen kan maken.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 21
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. Na de sluiting door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst over klimaatverandering die uiterlijk in 2020 leidt tot verplichte beperkingen van de emissie van broeikasgassen die groter zijn dan de minimale niveaus waarover de Europese Raad overeenstemming heeft bereikt, zijn de leden 2, 3 en 4 van toepassing.
1. Na de sluiting door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst over klimaatverandering die uiterlijk in 2020 leidt tot verplichte beperkingen van de emissie van broeikasgassen die groter zijn dan de minimale niveaus waarover de Europese Raad overeenstemming heeft bereikt, zijn de leden 2 tot en met 4 ter van toepassing.
2. Vanaf het jaar na de sluiting van de in lid 1 bedoelde internationale overeenkomst wordt de lineaire factor zodanig verhoogd dat de hoeveelheid emissierechten in de Gemeenschap in 2020 ten opzichte van de overeenkomstig artikel 9 vastgestelde hoeveelheid afneemt met een hoeveelheid emissierechten die overeenkomt met de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap onder de 20% waartoe de internationale overeenkomst de Gemeenschap verplicht, vermenigvuldigd met het aandeel in de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen in 2020 die de Gemeenschapsregeling overeenkomstig de artikelen 9 en 9 a bijdraagt.
2. Vanaf het jaar na de sluiting van de in lid 1 bedoelde internationale overeenkomst wordt de lineaire factor zodanig verhoogd dat de hoeveelheid emissierechten in de Gemeenschap in 2020 ten opzichte van de overeenkomstig artikel 9 vastgestelde hoeveelheid afneemt met een hoeveelheid emissierechten die overeenkomt met de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap onder de 20% waartoe de internationale overeenkomst de Gemeenschap verplicht -in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van maart 2007 - vermenigvuldigd met het aandeel in de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen in 2020 die de Gemeenschapsregeling overeenkomstig de artikelen 9 en 9 a bijdraagt.
3. De exploitanten kunnen voor maximaal de helft van de beperking die overeenkomstig lid 2 plaatsvindt, gebruik maken van CER's, ERU's of andere overeenkomstig lid 4 goedgekeurde kredieten uit derde landen die de internationale overeenkomst gesloten hebben.
3. De exploitanten kunnen voor maximaal de helft van de beperking die overeenkomstig lid 2 plaatsvindt, gebruik maken van hoogwaardige CER's, ERU's of andere overeenkomstig lid 4 goedgekeurde kredieten uit derde landen die de internationale overeenkomst gesloten hebben.
4. De Commissie kan maatregelen vaststellen om het gebruik van andere projecttypes dan de in artikel 11 a, leden 2 tot en met 5, bedoelde types door exploitanten in de Gemeenschapsregeling te regelen of het gebruik door deze exploitanten van andere mechanismen die krachtens de internationale overeenkomst worden gecreëerd.
4. De Commissie kan maatregelen vaststellen om het gebruik en de kwaliteit van andere projecttypes dan de in artikel 11 a, leden 2 tot en met 5, bedoelde types door exploitanten in de Gemeenschapsregeling te regelen of het gebruik door deze exploitanten van andere mechanismen die krachtens de internationale overeenkomst worden gecreëerd.
Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, worden vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, worden vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
4 bis) Binnen acht maanden na de sluiting van de internationale overeenkomst voert de Commissie een alomvattende studie uit over de gevolgen van het halen van de in die overeenkomst vereiste emissiereducties in de EU, over de maatregelen om deze reducties te bereiken en over andere in de overeenkomst vastgestelde maatregelen.Deze studie wordt aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegd.In de studie wordt in het bijzonder nagegaan in hoeverre de internationale overeenkomst het risico van het CO2-weglekeffect aanzienlijk kan verminderen voor bedrijven die blootstaan aan de internationale concurrentie, onder meer door te zorgen voor vergelijkbare lasten voor bedrijven die buiten de Gemeenschap opereren.
4 ter) Indien uit de studie blijkt dat de internationale overeenkomst het risico van het CO2-weglekeffect waarschijnlijk niet in aanzienlijke mate zal verminderen voor bedrijven die blootstaan aan de internationale concurrentie, dient de Commissie een passend wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.Dit voorstel omvat zo nodig de volgende voorstellen:
a) wijziging van de hoeveelheid emissierechten van de Gemeenschap in 2020, rekening houdend met de algehele beperking van de broeikasgasemissies door de Gemeenschap onder de 20% waartoe de internationale overeenkomst de Gemeenschap verplicht, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van maart 2007;
b) gebruik van CER's, ERU's of andere kredieten door exploitanten in de Gemeenschapsregeling;
c) vermindering van het risico van het CO2-weglekeffect, inclusief o.a. voorstellen als bedoeld in artikel 10a, de leden 1, 8 en 9, en artikel 10b.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 21 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(21 bis) Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 28 bis.
Gebruik van kredieten voor bebossing, herbebossing en bosbouw
1. Onverminderd de artikelen 11a en 28 staan de lidstaten exploitanten van installaties toe, naast de in artikel 11a, lid 6, letter a) aangegeven limiet, kredieten te gebruiken voor maximaal 5% van de broeikasgasreducties die vereist zijn voor de installaties die onder Richtlijn 2003/87/EG vallen:
a) duurzame, controleerbare en permanente bebossings- en herbebossingsprojecten die zijn erkend door de raad van bestuur van het CDM of gecontroleerd door het comité van toezicht in het kader van de JI-procedure;
b) duurzame, controleerbare en permanente bosbouwactiviteiten in ontwikkelingslanden waarmee overeenkomstig artikel 11a, lid 5 een overeenkomst is gesloten;en
c) eventuele duurzame, controleerbare en permanente bosbouwprojecten in ontwikkelingslanden overeenkomstig de internationale overeenkomst als bedoeld in artikel 28.
2. De in lid 1, letters a) t/m c) genoemde projecten dienen te voldoen aan strenge kwaliteitscriteria die door de Commissie moeten worden vastgesteld in het door de Verenigde Naties vastgestelde kader.
Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, worden vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing."
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 21 ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 30
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(21 ter) Artikel 30 komt als volgt te luiden:
"Artikel 30
Evaluatie en verdere ontwikkeling
[…]
1.Uitgaande van de ervaring met de toepassing van deze richtlijn […] en in het licht van de ontwikkelingen in internationaal verband stelt de Commissie een verslag op over de toepassing van deze richtlijn, waarin zij het volgende beoordeelt:
a) […] of […] andere relevante sectoren […] en […] activiteiten, onder meer de sectoren vervoer, verwarming van huizen en gebouwen en landbouw, in de Gemeenschapsregeling moeten worden opgenomen;
b) verdere harmonisatie van definities, kosten en sancties;
c) de drempel voor de uitsluiting van kleine installaties van de Gemeenschapsregeling als gelijkwaardige maatregelen worden getroffen;
d) eventueel benodigde zakelijke maatregelen ter voorkoming van marktmisbruik en schadelijke speculatie.[…]
2. De Commissie dient dat verslag uiterlijk 30 juni 2015 bij het Europees Parlement en de Raad in, zo nodig vergezeld van voorstellen.
3. De Commissie dient zo spoedig mogelijk wetgevingsvoorstellen in om de scheepvaartsector vóór 2013 in de Gemeenschapsregeling op te nemen.
4. De Commissie dient vóór 2013 passende voorstellen in waarin de datum voor de opname van de sector wegvervoer in de Gemeenschapsregeling wordt vastgesteld op basis van een volledige evaluatie van de kosten en voordelen van de mogelijkheden voor opname."
Motivering
Het oorspronkelijke artikel over de evaluatieclausule is achterhaald en moet worden vervangen. Het is van belang de regeling te blijven evalueren om de efficiency ervan te bevorderen, andere sectoren op te nemen en gelijke concurrentievoorwaarden in de EU te waarborgen.
PROCEDURE
Titel
Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten
Medeverantwoordelijke commissie(s) - datum bekendmaking
10.4.2008
Rapporteur voor advies
Datum benoeming
Lena Ek
18.3.2008
Behandeling in de commissie
7.4.2008
5.6.2008
16.7.2008
10.9.2008
Datum goedkeuring
11.9.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
30
21
1
Bij de eindstemming aanwezige leden
Jan Březina, Jerzy Buzek, Dragoş Florin David, Pilar del Castillo Vera, Den Dover, Lena Ek, Nicole Fontaine, Adam Gierek, András Gyürk, David Hammerstein, Erna Hennicot-Schoepges, Romana Jordan Cizelj, Werner Langen, Anne Laperrouze, Patrick Louis, Eugenijus Maldeikis, Eluned Morgan, Angelika Niebler, Reino Paasilinna, Aldo Patriciello, Francisca Pleguezuelos Aguilar, Anni Podimata, Miloslav Ransdorf, Vladimír Remek, Teresa Riera Madurell, Mechtild Rothe, Paul Rübig, Britta Thomsen, Catherine Trautmann, Claude Turmes, Nikolaos Vakalis, Adina-Ioana Vălean, Alejo Vidal-Quadras
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Danutė Budreikaitė, Dorette Corbey, Avril Doyle, Christian Ehler, Göran Färm, Juan Fraile Cantón, Neena Gill, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Satu Hassi, Eija-Riitta Korhola, Toine Manders, Vittorio Prodi, Esko Seppänen, Lambert van Nistelrooij
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
Giovanna Corda, Lily Jacobs, Johannes Lebech, Linda McAvan
"Heeft de EU voldoende middelen om haar doelstellingen op het gebied van het energiebeleid en klimaatverandering te verwezenlijken?". Beleidsdepartement begrotingsaangelegenheden, Europees Parlement, 2008.
ADVIES van de Commissie internationale handel (17.9.2008)
aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden
De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(3) De Europese Raad heeft het vaste voornemen uitgesproken om de algehele emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap tegen 2020 met ten minste 20% ten opzichte van 1990 te verlagen en met 30% mits de andere ontwikkelde landen zich vastleggen op een vergelijkbare emissiebeperking en de economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheid en capaciteiten. Tegen 2050 moet de mondiale emissie van broeikasgassen met ten minste 50% ten opzichte van 1990 zijn gedaald. Alle bedrijfstakken van de economie moeten tot deze emissiebeperking bijdragen.
(3) De Europese Raad heeft het vaste voornemen uitgesproken om de algehele emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap tegen 2020 met ten minste 20% ten opzichte van 1990 te verlagen en met 30% mits de andere ontwikkelde landen zich vastleggen op een vergelijkbare emissiebeperking en de economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheid en capaciteiten. Deze ambitieuze bijdrage van Europa leidt er, samen met het emissiehandelssysteem, toch al toe dat de Europese economie in de internationale context relatief zwaar wordt belast.Tegen 2050 moet de mondiale emissie van broeikasgassen met ten minste 50% ten opzichte van 1990 zijn gedaald. Alle bedrijfstakken van de economie, met inbegrip van de internationale lucht- en scheepvaart, moeten tot deze emissiebeperking bijdragen.
Motivering
Europese bedrijven moeten internationaal kunnen concurreren en worden hierin verhoudingsgewijs zwaar belast door de CO2-emissiedoelstellingen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 6
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(6) Zodra de Gemeenschap en derde landen een internationale overeenkomst sluiten voor een adequaat mondiaal optreden na 2012, dient er aanzienlijke steun te worden gegeven aan kredieten voor emissiebeperkingen in die landen. Vooruitlopend op een dergelijke overeenkomst dient er echter meer zekerheid te worden gegeven over de continuering van het gebruik van kredieten van buiten de Gemeenschap.
(6) Zodra de Gemeenschap en derde landen een internationale overeenkomst sluiten voor een mondiaal optreden na 2012, dient er aanzienlijke steun te worden gegeven aan kredieten voor emissiebeperkingen in die landen. Vooruitlopend op een dergelijke overeenkomst dient er echter meer zekerheid te worden gegeven over de continuering van het gebruik van kredieten van buiten de Gemeenschap.
Motivering
De richtlijn moet een bindend kader creëren voor alle betrokkenen met het oog op de verlening van credits voor emissiereducties.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 15
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(15) Gezien de forse inspanningen die verbonden zijn aan de bestrijding van klimaatverandering en de aanpassing aan de onvermijdelijke effecten daarvan, zou ten minste 20% van de opbrengsten van de veiling van emissierechten moeten worden gebruikt voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, voor de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering, voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling voor emissiebeperking en aanpassing, voor de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de EU om tegen 2020 20% duurzame energie te gebruiken, om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20% op te voeren, voor het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen, om bij te dragen tot het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, voor maatregelen om ontbossing te voorkomen en aanpassing in ontwikkelingslanden te vergemakkelijken, en voor de aanpak van maatschappelijke aspecten zoals een mogelijke stijging van de elektriciteitsprijzen in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen. Dit percentage ligt aanzienlijk lager dan de verwachte netto-inkomsten voor de overheid uit veilingen, waarbij rekening is gehouden met mogelijkerwijs lagere inkomsten uit de vennootschapsbelastingen.Daarnaast dienen de inkomsten uit de veiling van emissierechten te worden gebruikt voor de administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling. Er dienen bepalingen te worden opgenomen voor de bewaking van het gebruik van de opbrengst van veilingen voor deze doeleinden.Deze kennisgeving ontslaat de lidstaten niet van de in artikel 88, lid 3, van het Verdrag geformuleerde verplichting om bepaalde nationale maatregelen aan te melden.De richtlijn laat het resultaat van toekomstige staatssteun-procedures die overeenkomstig de artikelen 87 en 88 van het Verdrag kunnen worden ingeleid, onverlet.
(15) De opbrengsten van de veiling van emissierechten zouden kunnen worden gebruikt om de forse inspanningen die verbonden zijn aan de bestrijding van klimaatverandering en de aanpassing aan de onvermijdelijke effecten daarvan te bekostigen.Zij zouden bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, voor de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering, voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling voor emissiebeperking en aanpassing, voor de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de EU om tegen 2020 20% duurzame energie te gebruiken, om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20% op te voeren, voor het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen, om bij te dragen tot het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, voor maatregelen om ontbossing te voorkomen en aanpassing in ontwikkelingslanden te vergemakkelijken, en voor de aanpak van maatschappelijke aspecten zoals een mogelijke stijging van de elektriciteitsprijzen in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen. Dit percentage ligt aanzienlijk lager dan de verwachte netto-inkomsten voor de overheid uit veilingen, waarbij rekening is gehouden met mogelijkerwijs lagere inkomsten uit de vennootschapsbelastingen.Daarnaast dienen de inkomsten uit de veiling van emissierechten te worden gebruikt voor de administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling. De lidstaten besluiten naar gelang van hun behoeften hoe zij de inkomsten over de afzonderlijke maatregelen verdelen.Er dienen bepalingen te worden opgenomen voor de bewaking van het gebruik van de opbrengst van veilingen voor deze doeleinden.Deze kennisgeving ontslaat de lidstaten niet van de in artikel 88, lid 3, van het Verdrag geformuleerde verplichting om bepaalde nationale maatregelen aan te melden.De richtlijn laat het resultaat van toekomstige staatssteun-procedures die overeenkomstig de artikelen 87 en 88 van het Verdrag kunnen worden ingeleid, onverlet.
Motivering
Gezien het feit dat het milieubeleid een gedeelde bevoegdheid is, moeten de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de besluiten over de toewijzing van inkomsten van veilingen van emissierechten aan afzonderlijke maatregelen voor de bestrijding van de klimaatverandering.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 17 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(17 bis) Er kan gevoeglijk van worden uitgegaan dat in het internationale verdrag (Kyoto II) verschillende verplichtingen voor industrielanden en opkomende landen zullen worden vastgelegd (‘common but differentiated treatment’).Daardoor wordt de Gemeenschap geconfronteerd met de uitdaging om een doeltreffende bijdrage te leveren aan de beperking van de CO2-emissies.Het verdrag zou ertoe kunnen leiden dat en grotere uitstoot van CO2 in bepaalde opkomende landen internationaal zou worden geaccepteerd.Daarom is de Gemeenschap verplicht om rekening te houden met de daaruit voortvloeiende concurrentieverstoring.De zogenaamde "Carbon Leakage"(weglekeffect) ontstaat dus niet alleen als het internationale verdrag niet wordt nageleefd, maar ook als dit verdrag uiteenlopende verplichtingen oplegt.
Motivering
Het is denkbaar dat economisch opkomende landen alleen een internationale overeenkomst tekenen als zij meer speelruimte krijgen voor industriële ontwikkeling. De ongelijke eisen ten aanzien van CO2-reductie die hier het gevolg van zijn zullen ongetwijfeld concurrentieverstoringen veroorzaken, en zo de EU constant voor het probleem stellen hoe zij moet reageren op verplaatsing van productieactiviteiten naar plaatsen waar de CO2-reductie-eisen minder streng zijn.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 18
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(18) Om concurrentieverstoring binnen de Gemeenschap tot een minimum te beperken dienen de gratis overgangstoewijzingen volgens geharmoniseerde regels voor de hele Gemeenschap ("benchmarks") aan installaties te worden verstrekt. Deze regels dienen rekening te houden met de meest broeikasgas- en energie-efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocédés, het gebruik van biomassa, duurzame energie en het afvangen en de opslag van broeikasgassen. Deze regels mogen niet aanzetten tot een toename van de emissie en moeten ervoor zorgen dat een groeiend percentage van deze emissierechten wordt geveild. De toewijzingen moeten vóór de handelsperiode worden vastgesteld, zodat de markt adequaat kan functioneren. Ook mogen ze niet leiden tot een ongepaste concurrentieverstoring op de markten voor de levering van elektriciteit en warmte aan industriële installaties. Deze regels moeten gelden voor nieuwkomers die dezelfde activiteiten uitvoeren als bestaande installaties die gratis overgangstoewijzingen ontvangen. Om concurrentieverstoring binnen de interne markt te voorkomen mag er geen gratis toewijzing worden verstrekt voor de opwekking van elektriciteit door nieuwkomers. Emissierechten die in 2020 in de reserve voor nieuwkomers resteren, dienen te worden geveild.
(18) Om concurrentieverstoring binnen de Gemeenschap en ten opzichte van internationale concurrenten tot een minimum te beperken dienen de gratis overgangstoewijzingen volgens geharmoniseerde regels en sectoriële benchmarks voor de hele Gemeenschap aan installaties te worden verstrekt. Deze regels en benchmarks dienen rekening te houden met de meest broeikasgas- en energie-efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocédés, het gebruik van biomassa, duurzame energie, warmtekrachtkoppeling en het afvangen en de opslag van broeikasgassen. Deze regels mogen niet aanzetten tot een toename van de emissie en moeten ervoor zorgen dat een groeiend percentage van deze emissierechten wordt geveild. De toewijzingen moeten vóór de handelsperiode worden vastgesteld, zodat de markt adequaat kan functioneren. Ook mogen ze niet leiden tot een ongepaste concurrentieverstoring op de markten voor de levering van elektriciteit en warmte aan industriële installaties. Deze regels moeten gelden voor nieuwkomers die dezelfde activiteiten uitvoeren als bestaande installaties die gratis overgangstoewijzingen ontvangen. Om concurrentieverstoring binnen de interne markt te voorkomen mag er geen gratis toewijzing worden verstrekt voor de opwekking van elektriciteit door nieuwkomers, met uitzondering van elektriciteit die voor eigen gebruik uit afvalgassen afkomstig van industriële productieprocessen wordt opgewekt. Emissierechten die in 2020 in de reserve voor nieuwkomers resteren, dienen te worden geveild. De Commissie dient bij de vaststelling van benchmarks de betrokken sectoren te raadplegen.
Motivering
Until a real quantifiable and verifiable international agreement is achieved the Commission has to allow for free allocation of allowances for industries at risk of carbon leakage not only through harmonised Community-wide rules but, more importantly, through sectoral benchmarks discussed with those involved.
Cogeneration is an energy efficient production process and should be not included.
Waste gases resulting from production processes have to be used immediately after their generation. To ensure their efficient recovery maximum flexibility must be allowed. Their use for electricity generation contributes to resources conservation and reduces CO2 emissions. Electricity produced under these special circumstances should be excluded from auctioning.
Under the global economic system, European undertakings are forced to compete with undertakings from third countries subject to different framework conditions. Distortions of competition arriving from less stringent CO2 requirements in third countries increase the danger of production activities being relocated. The situation at international level must therefore be taken into account in seeking to contribute effectively to climate protection.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 19
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(19) De Gemeenschap zal het voortouw blijven nemen bij de onderhandelingen over een ambitieuze internationale overeenkomst waarmee de doelstelling om de mondiale temperatuurstijging tot 2°C te beperken, wordt gerealiseerd en beschouwt de in Bali geboekte vorderingen op weg naar deze doelstelling als een stimulans. Mochten andere ontwikkelde landen en andere grote uitstoters van broeikasgassen niet aan deze internationale overeenkomst meedoen, dan zou dit kunnen leiden tot een stijging van de emissie van broeikasgassen in derde landen waar de industrie niet onder vergelijkbare CO2-beperkingen zou vallen ("CO2-weglekeffect") en zouden er tevens economische nadelen kunnen ontstaan voor bepaalde energie-intensieve bedrijfstakken en deeltakken in de Gemeenschap die aan internationale concurrentie onderhevig zijn. Dit kan de milieu-integriteit en de baten van maatregelen van de Gemeenschap ondermijnen. Vanwege het risico op het ontstaan van een weglekeffect zal de Gemeenschap tot maximaal 100% gratis emissierechten toewijzen aan bedrijfstakken of deeltakken die aan de desbetreffende criteria voldoen. De vaststelling van deze bedrijfstakken en deeltakken en de vereiste maatregelen zal opnieuw worden beoordeeld om ervoor te zorgen dat er waar nodig maatregelen worden genomen en overcompensatie wordt voorkomen.Voor de specifieke bedrijfstakken of deeltakken waarvan afdoende kan worden aangetoond dat het risico op het weglekeffect niet op een andere manier kan worden voorkomen en waar elektriciteit een groot deel van de productiekosten uitmaakt en op efficiënte wijze wordt opgewekt, kan bij de genomen maatregelen rekening worden gehouden met het elektriciteitsverbruik bij het productieproces, zonder dat de totale hoeveelheid emissierechten wordt gewijzigd.
(19) De Gemeenschap zal het voortouw blijven nemen bij de onderhandelingen over een ambitieuze internationale overeenkomst en/of internationale sectoriële overeenkomsten waarmee de doelstelling om de mondiale temperatuurstijging tot 2°C te beperken, wordt gerealiseerd en beschouwt de in Bali geboekte vorderingen op weg naar deze doelstelling als een stimulans. Mochten andere ontwikkelde landen en andere grote uitstoters van broeikasgassen niet aan deze internationale overeenkomst meedoen, dan zal dit leiden tot een stijging van de emissie van broeikasgassen in derde landen waar de industrie niet onder vergelijkbare CO2-beperkingen zou vallen ("CO2-weglekeffect") en zouden er tevens economische nadelen kunnen ontstaan voor bepaalde energie-intensieve bedrijfstakken en deeltakken in de Gemeenschap die aan internationale concurrentie onderhevig zijn. Dit kan de milieu-integriteit en de baten van maatregelen van de Gemeenschap ondermijnen. Vanwege het risico op het ontstaan van een weglekeffect zal de Gemeenschap 100% gratis emissierechten toewijzen aan energie-intensieve bedrijfstakkenof deeltakken die aan de desbetreffende criteria voldoen.De vaststelling van deze bedrijfstakken en deeltakken en de vereiste maatregelen zal opnieuw worden beoordeeld om ervoor te zorgen dat er waar nodig maatregelen worden genomen en overcompensatie wordt voorkomen.Voor de specifieke bedrijfstakken of deeltakken waarvan afdoende kan worden aangetoond dat het risico op het weglekeffect niet op een andere manier kan worden voorkomen en waar elektriciteit een groot deel van de productiekosten uitmaakt en op efficiënte wijze wordt opgewekt, kan bij de genomen maatregelen rekening worden gehouden met het elektriciteitsverbruik bij het productieproces, zonder dat de totale hoeveelheid emissierechten wordt gewijzigd.
Motivering
In order to contribute effectively to climate protection the Community must take effective preventive measures to prevent the relocation of production activities to third countries with less stringent CO2 requirements. In particular, energy-intensive sectors or subsectors are, because of the pressure of international competition, unable to pass on increased costs by raising the price of their products. Therefore additional costs resulting from emission trading would lead to the relocation of production, with a possibly unfavourable impact on global emissions. It is therefore necessary to minimise the burden through the long-term allocation of emission quotas free of charge.
It is important to try not only to achieve a global international agreement but also to secure international sectoral agreements, especially with emerging economies such as China and India.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 19 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(19 bis) Wanneer geen internationaal akkoord over een beperking van de aardopwarming kan worden bereikt, moet de Gemeenschap streven naar bilaterale en multilaterale overeenkomsten met andere grote uitstoters van broeikasgas.Los van het resultaat van de lopende onderhandelingen moet de Gemeenschap het voortouw nemen bij de oprichting van een mondiale milieuorganisatie, in het kader waarvan reeds aangenomen officiële internationale milieuvoorschriften en doeltreffende gerechtelijke mechanismen samengaan.
Motivering
Voor de post-Kyoto-periode moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de lopende onderhandelingen mislukken, en moet nagedacht worden over definitieve en doeltreffende oplossingen.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 20
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(20) De Commissie dient derhalve uiterlijk in juni 2011 de situatie te evalueren, alle relevante maatschappelijke partners te raadplegen en in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen een verslag met eventuele voorstellen in te dienen. In deze context dient de Commissie uiterlijk op 30 juni 2010 te signaleren welke energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken wellicht gevoelig kunnen zijn voor het weglekeffect. Zij dient in haar analyse uit te gaan van een beoordeling in hoeverre het mogelijk is de kosten van de vereiste emissierechten in de productprijzen door te berekenen zonder een significant verlies van marktaandeel aan installaties buiten de Gemeenschap die geen vergelijkbare maatregelen nemen om de emissie te beperken. Energie-intensieve bedrijfstakken waarvan wordt vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt, zouden een grotere gratis toewijzing kunnen krijgen of er zou een effectieve koolstofcompensatie-regeling kunnen worden ingevoerd teneinde installaties uit de Gemeenschap waarvoor het weglekeffect een significante risicofactor vormt en installaties uit derde landen een vergelijkbare uitgangspositie te geven. Een dergelijke regeling zou aan importeurs eisen kunnen opleggen die niet minder gunstig zijn dan de eisen die voor installaties binnen de EU gelden, bijvoorbeeld door de inlevering van emissierechten verplicht te stellen.Alle genomen maatregelen zouden in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van het UNFCCC, met name het beginsel van gezamenlijke doch verschillende verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden, rekening houdend met de specifieke situatie van de minst ontwikkelde landen. Tevens moeten ze in overeenstemming zijn met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, met inbegrip van de WTO-overeenkomst.
(20) De Commissie dient derhalve uiterlijk in juni 2011 de situatie te evalueren, alle relevante maatschappelijke partners te raadplegen en in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen een verslag ter evaluatie van de situatie met eventuele voorstellen in te dienen, die alle bedrijfstakken betreffen, met name de energie-intensieve en de bedrijfstakken die worden getroffen door het weglekeffect.De criteria voor en de identificatie van dergelijke sectoren en subsectoren dienen, na raadpleging van de sociale partners en de betrokken actoren, te worden vastgesteld in een aan het Europees Parlement en de Raad voor te leggen voorstel.In dit voorstel dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat er geen internationale overeenkomst met bindende reducties wordt bereikt, en met alternatieven voor internationale overeenkomsten.De Commissie dient in haar analyse uit te gaan van een beoordeling in hoeverre het mogelijk is de kosten van de vereiste emissierechten in de productprijzen door te berekenen zonder een significant verlies van marktaandeel aan installaties buiten de Gemeenschap die geen vergelijkbare maatregelen nemen om de emissie te beperken. Bedrijfstakken waarvan wordt vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt, zouden een grotere gratis toewijzing kunnen krijgen of er zou een effectieve koolstofcompensatie-regeling kunnen worden ingevoerd, teneinde installaties uit de Gemeenschap waarvoor het weglekeffect een significante risicofactor vormt, en installaties uit derde landen een vergelijkbare uitgangspositie te geven. Een dergelijke regeling zou aan importeurs eisen kunnen opleggen die niet minder gunstig zijn dan de eisen die voor installaties binnen de EU gelden, bijvoorbeeld door de inlevering van emissierechten verplicht te stellen.De Commissie dient de mogelijke concurrentie- en werkgelegenheidseffecten te controleren voor in de EU gevestigde producenten die dergelijke producten als onderdelen in hun productieproces gebruiken.
Alle genomen maatregelen zouden in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van het UNFCCC, met name het beginsel van gezamenlijke doch verschillende verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden, rekening houdend met de specifieke situatie van de minst ontwikkelde landen. Tevens moeten ze in overeenstemming zijn met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, met inbegrip van de WTO-overeenkomst.
Motivering
Het rapport met de evaluatie van de situatie en voorstellen voor oplossingen moet, wanneer het weglekeffect een significante risicofactor vormt, betrekking hebben op alle industriële sectoren en vooral de sectoren die veel energie verbruiken, gezien de juridische onduidelijkheid van de term 'energie-intensief'.
Criteria voor identificatie en classificatie van sectoren die gevolgen ondervinden van het weglekeffect dienen veel eerder te worden vastgesteld dan de datum die door de Commissie wordt voorgesteld. Zo weten de desbetreffende bedrijfstakken op voorhand wat hun te wachten staat. De directe en indirecte gevolgen voor producenten in de EU dienen te worden meegewogen.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 20 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(20 bis) Door de toewijzing van emissierechten die voor 100% gratis zijn, wordt opname van importen in de handel in emissierechten overbodig.Dit waarborgt de naleving van de in het kader van de WTO aangegane verplichting en moet er ook toe leiden dat derde landen geen soortgelijke protectionistische maatregelen nemen.Tevens draagt dit bij tot een verbetering van het onderhandelingsklimaat en verhoogt het de acceptatie van doeltreffende Europese maatregelen ter beperking van de uitstoot van CO2.
Motivering
Krachtens de WTO moet de Gemeenschap niet-discriminerende toegang waarborgen tot haar markten. Toekenning van 100% gratis quota's aan energie-intensieve sectoren maakt de opname van importen in de handel in emissierechtenoverbodig en gaat tegelijk elk risico van eventuele protectionistische maatregelen van de kant van de lidstaten tegen. De doelstelling om het meest omvattend mogelijke emissiehandelssysteem in te voeren kan alleen worden bereikt als de onderhandelingspartners er volledig van overtuigd zijn dat de Gemeenschap geen protectionistische motieven heeft met de invoering van dit systeem.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 21
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(21) Teneinde gelijke concurrentievoorwaarden binnen de Gemeenschap te waarborgen moet het gebruik van kredieten voor emissiebeperking buiten de Gemeenschap die door exploitanten binnen de Gemeenschapsregeling worden gebruikt, worden geharmoniseerd. In het Protocol van Kyoto bij het UNFCCC worden gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor ontwikkelde landen voor de periode van 2008 tot 2012 geformuleerd en worden gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's) uit respectievelijk het Mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) en Gemeenschappelijke uitvoeringsprojecten gecreëerd, die door ontwikkelde landen kunnen worden gebruikt om gedeeltelijk aan deze streefwaarden te voldoen. Binnen het Kyoto-kader kunnen weliswaar met ingang van 2013 geen ERU's worden gecreëerd zonder dat er nieuwe gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor de gastlanden worden vastgesteld, maar het genereren van CDM-kredieten blijft mogelijk.Er dient te worden gezorgd voor een verder gebruik van gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's), voor het moment waarop er een internationale overeenkomst over klimaatverandering is, uit landen die deze overeenkomst hebben gesloten.Zonder een dergelijke overeenkomst zou een verder gebruik van CER's en ERU's deze stimulering ondermijnen en het moeilijker maken de doelstellingen van de Gemeenschap voor een toename van het gebruik van duurzame energie te verwezenlijken.Het gebruik van CER's en ERU's dient verenigbaar te zijn met de doelstelling van de Gemeenschap dat 20% van de energie tegen 2020 afkomstig is van duurzame energiebronnen en dat energie-efficiëntie, innovatie en technologische ontwikkeling moeten worden gestimuleerd. Wanneer dit verenigbaar is met de verwezenlijking van deze doelstellingen, moet de mogelijkheid worden gecreëerd dat er overeenkomsten met derde landen worden gesloten om te zorgen voor de stimulering van emissiebeperking in deze landen die zorgt voor reële, aanvullende emissiebeperking van broeikasgassen en tevens de innovatie door binnen de Gemeenschap gevestigde bedrijven en de technologische ontwikkeling in derde landen stimuleert. Deze overeenkomsten kunnen door meer dan een land worden bekrachtigd. Zodra de Gemeenschap een bevredigende internationale overeenkomst sluit, dient de toegang tot kredieten uit projecten in derde landen tegelijk met de stijging van het emissiebeperkingsniveau dat via de Gemeenschapsregeling moet worden gehaald, te worden opgevoerd.
(21) Teneinde gelijke concurrentievoorwaarden binnen de Gemeenschap te waarborgen moet het gebruik van kredieten voor emissiebeperking buiten de Gemeenschap die door exploitanten binnen de Gemeenschapsregeling worden gebruikt, worden geharmoniseerd. In het Protocol van Kyoto bij het UNFCCC worden gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor ontwikkelde landen voor de periode van 2008 tot 2012 geformuleerd en worden gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's) uit respectievelijk het Mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) en Gemeenschappelijke uitvoeringsprojecten gecreëerd, die door ontwikkelde landen kunnen worden gebruikt om gedeeltelijk aan deze streefwaarden te voldoen. Binnen het Kyoto-kader kunnen weliswaar met ingang van 2013 geen ERU's worden gecreëerd zonder dat er nieuwe gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor de gastlanden worden vastgesteld, maar het genereren van CDM-kredieten blijft mogelijk.Er dient te worden gezorgd voor een gebruik van gecertificeerdeemissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's), ook zonder dat er een internationale overeenkomst over klimaatverandering is. Het gebruik van CER's en ERU's dient verenigbaar te zijn met de doelstelling van de Gemeenschap dat 20% van de energie tegen 2020 afkomstig is van duurzame energiebronnen en dat energie-efficiëntie, innovatie en technologische ontwikkeling moeten worden gestimuleerd. Wanneer dit verenigbaar is met de verwezenlijking van deze doelstellingen, moet de mogelijkheid worden gecreëerd dat er overeenkomsten met derde landen worden gesloten om te zorgen voor de stimulering van emissiebeperking in deze landen die zorgt voor reële, aanvullende emissiebeperking van broeikasgassen en tevens de innovatie door binnen de Gemeenschap gevestigde bedrijven en de technologische ontwikkeling in derde landen stimuleert. Deze overeenkomsten kunnen door meer dan een land worden bekrachtigd. Zodra de Gemeenschap een bevredigende internationale overeenkomst sluit, dient de toegang tot kredieten uit projecten in derde landen tegelijk met de stijging van het emissiebeperkingsniveau dat via de Gemeenschapsregeling moet worden gehaald, te worden opgevoerd. Er dienen evenwel geen kredieten beschikbaar te zijn voor CDM- en JI-projecten in sectoren met een weglekrisico.
Motivering
CDM-maatregelen vormen een effectieve bijdrage aan de bescherming van het klimaat in ontwikkelingslanden. De deelname van minder ontwikkelde landen in dit soort projecten is in elk geval wenselijk, met het oog op het bereiken van de mondiale CO2-doelstellingen. Daarom moeten er maatregelen worden genomen om voor een zo groot mogelijke deelname van ontwikkelingslanden aan CDM-projecten te zorgen, die niet beperkt moet blijven tot eventuele partners bij een internationale overeenkomst. Deelname van afzonderlijke landen aan CDM-regelingen kan hun toetreding tot een internationale overeenkomst over klimaatbescherming vergemakkelijken.
Sectoren met een groot weglekrisico mogen niet onder vuur komen door externe concurrenten die in een voordeliger positie zijn door CDM- en JI-credits.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 24
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(24) De minst ontwikkelde landen zijn bijzonder kwetsbaar voor de effecten van klimaatverandering en zijn slechts in zeer geringe mate verantwoordelijk voor de emissie van broeikasgassen. Daarom moet er bijzondere prioriteit worden gegeven aan de behoeften van de minst ontwikkelde landen, wanneer de inkomsten uit veilingen worden gebruikt voor de bevordering van de aanpassing van ontwikkelingslanden aan de effecten van klimaatverandering. Aangezien er in deze landen maar heel weinig CDM-projecten tot stand zijn gekomen, dient er zekerheid te worden gegeven over het accepteren van kredieten uit projecten die daar na 2012 worden gestart, ook als er geen internationale overeenkomst is. Dit recht dient tot 2020 voor de minst ontwikkelde landen te gelden, mits ze tegen die tijd een mondiale overeenkomst inzake klimaatverandering of een bilaterale of multilaterale overeenkomst met de Gemeenschap hebben bekrachtigd.
(24) De minst ontwikkelde landen zijn bijzonder kwetsbaar voor de effecten van klimaatverandering en zijn slechts in zeer geringe mate verantwoordelijk voor de emissie van broeikasgassen. Daarom moet er bijzondere prioriteit worden gegeven aan de behoeften van de minst ontwikkelde landen, wanneer de inkomsten uit veilingen worden gebruikt voor de bevordering van de aanpassing van ontwikkelingslanden aan de effecten van klimaatverandering. Aangezien er in deze landen maar heel weinig CDM-projecten tot stand zijn gekomen, dient er zekerheid te worden gegeven over het accepteren van kredieten uit projecten die daar na 2012 worden gestart, ook als er geen internationale overeenkomst is. Dit recht dient tot 2020 voor de minst ontwikkelde landen te gelden.
Motivering
CDM-maatregelen vormen een effectieve bijdrage aan de bescherming van het klimaat in ontwikkelingslanden. De deelname van minder ontwikkelde landen in dit soort projecten is in elk geval wenselijk, met het oog op het bereiken van de mondiale CO2-doelstellingen. Daarom moeten er maatregelen worden genomen om voor een zo groot mogelijke deelname van ontwikkelingslanden aan CDM-projecten te zorgen, die niet beperkt moet blijven tot eventuele partners bij een internationale overeenkomst. Deelname van afzonderlijke landen aan CDM-regelingen kan hun toetreding tot een internationale overeenkomst over klimaatbescherming vergemakkelijken.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Artikel 1 bis
De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad een jaarverslag voor over de oprichting en de werking van de herziene ETS.Het eerste jaarverslag wordt een jaar na de goedkeuring van deze richtlijn gepresenteerd.
Motivering
Dit is een zeer complex proces, dat een permanente interinstitutionele controle en evaluatie vergt.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter b – punt h
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(h) "nieuwkomer": een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en die na indiening bij de Commissie van de in artikel 11, lid 1, bedoelde lijst een vergunning voor broeikasgasemissie heeft verkregen;
(h) "nieuwkomer": een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en die na indiening bij de Commissie van de in artikel 11, lid 1, bedoelde lijst een vergunning voor broeikasgasemissie heeft verkregen of een aangepaste vergunning voor broeikasgasemissie als gevolg van een belangrijke wijziging van de aard of de werkwijze of een aanzienlijke uitbreiding van de installatie;
Motivering
In het huidige Commissievoorstel worden capaciteitsuitbreidingen niet meer gedefinieerd als nieuwkomers. Dit leidt tot een verschil doordat broeikasgaskredieten alleen aan nieuwe installaties worden toegewezen en op capaciteitsuitbreidingen veiling wordt toegepast. Het voorstel van de Commissie leidt tot discrepantie tussen nieuwe installaties en capaciteitsvergrotingen, wat niet de meest efficiënte benadering vormt en de innovatie bij bestaande processen mogelijk afremt.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter c – punt u bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(u bis) Recyclinghandelingen als bedoeld in bijlage IIb van Richtlijn 91/156/EEG van 18 maart 1991 tot wijziging van Richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen zijn uitgezonderd van de definitie voor "stookinstallatie"
Motivering
Een van de doelstellingen van het Europese pakket klimaatmaatregelen is het stimuleren van recycling. Het is dan ook zinloos om recyclingactiviteiten op te nemen in een regeling waarin deze strafbaar worden gesteld.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – inleidende formule
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3.Ten minste 20% vande inkomsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van emissierechten, met inbegrip van alle inkomsten uit de in lid 2, onder b), bedoelde veilingen,zou moetenworden gebruikt voor:
3. De inkomsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van emissierechtenmoetwordengebruikt voor:
Motivering
Gezien de ernst en de dringende aard van het probleem moeten de volledige opbrengsten van veilingen van emissierechten worden besteed aan maatregelen voor het terugdringen van broeikasgasemissies, de ontwikkeling van hernieuwbare energie, bestrijding van ontbossing, steun aan ontwikkelingslanden bij aanpassingen aan de klimaatverandering en hulp aan huishoudens met lagere inkomens om hun energiegebruik efficiënter te maken.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – letter g
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
g) de dekking van administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling.
g) administratieve uitgaven, tot maximaal 10% van de gegenereerde inkomsten.
Motivering
De Commissie stelt voor om slechts 20% van de veilinginkomsten te reserveren voor klimaatbescherming, wat uiteraard onvoldoende is, vooral als de administratieve kosten ook hieronder vallen. Nationale begrotingstekorten mogen niet de belangrijkste stimulans worden voor het veilen van emissierechten.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 4
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
4. De lidstaten nemen informatie over het gebruik van inkomsten voor elk van deze doelen op in hun krachtens Beschikking nr. 280/2004/EG ingediende verslagen.
4.De lidstaten besluiten naar gelang van hun behoeften over de verdeling van de inkomsten over de verschillende maatregelen en nemen informatie over het gebruik van inkomsten voor elk van deze doelen en de geografische verdeling van de besteding van de inkomsten op in hun krachtens Beschikking nr. 280/2004/EG ingediende verslagen, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de interne markt, overheidssteun en concurrentiekwesties.
De Commissie brengt het Europees Parlement jaarlijks verslag uit over het gebruik van de inkomsten, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de interne markt, overheidssteun en concurrentiekwesties.
Motivering
Dit is een zeer complex proces, dat een permanente interinstitutionele controle en evaluatie vergt. Het is belangrijk om de transparantie te verbeteren, de mogelijkheid te scheppen om te beoordelen of aan de verplichting van artikel 10, lid 3 bis is voldaan, en ervoor te zorgen dat over het geheel genomen de inspanningen van de Unie effectief worden verdeeld. Gezien het feit dat het milieubeleid een gedeelde bevoegdheid is, moeten de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de besluiten over de toewijzing van inkomsten van veilingen van emissierechten aan afzonderlijke maatregelen voor de bestrijding van de klimaatverandering.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 5
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
5.Uiterlijk op 31 december 2010 stelt de Commissie een verordening vast over de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van veilingen om te zorgen dat deze op een open, transparante en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd.De veilingen worden zodanig opgezet dat de exploitanten, en met name eventuele kleine en middelgrote ondernemingen die onder de Gemeenschapsregeling vallen, volledige toegang krijgen en dat andere deelnemers het verloop van de veiling niet ondermijnen.Deze maatregel, die bedoeld is om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, wordt vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
5.Uiterlijk op 31 december 2009 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raadeen verslag in met een beoordeling van de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van veilingen, inclusief, indien gewenst, een voorstel voor een richtlijn.Dat voorstel heeft tot doel ervoor te zorgen dat veilingen worden uitgevoerd op een open, transparante en niet-discriminerende wijze die de ruimte voor speculatie zo gering mogelijk maakt.De veilingen worden zodanig opgezet dat de exploitanten, en met name eventuele kleine en middelgrote ondernemingen die onder de Gemeenschapsregeling vallen, volledige toegang krijgen en dat andere deelnemers het verloop van de veiling of de klimaatveranderingsdoelstellingen die hun goedkeuring rechtvaardigen, niet ondermijnen.Het voorstel gaat derhalve voldoende in op de details van onder meer de tijdsstippen en de frequentie van de veilingen in de lidstaten, en is adequaat opgezet, en behandelt de mogelijke impact van de veilingen, in het bijzonder op:
- speculatie,
- grensoverschrijdende concurrentie-effecten,
- sectoroverschrijdende effecten,
- het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven en industrie, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen,
- de inflatiedruk, en
- sociaaleconomische effecten.
De praktische werking van veilingen is een essentieel onderdeel van het herziene ETS-voorstel en valt derhalve onder de medebeslissingsprocedure.
Motivering
De Commissie stelt voor om een essentieel onderdeel van de uitgebreide ETS in comitologie te behandelen. De Commissie moet een voorstel voor een medebeslissingsprocedure indienen.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 1 – alinea 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, worden vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Schrappen
Motivering
De Commissie stelt voor om een essentieel onderdeel van de uitgebreide ETS in comitologie te behandelen. De Commissie moet een voorstel voor een medebeslissingsprocedure indienen.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 1 – alinea 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen zorgen er voorzover mogelijk voor dat de toewijzing gebeurt op een wijze die broeikasgas- en energie-efficiënte technieken en emissiebeperking stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocédés, het gebruik van biomassa en het afvangen en de opslag van broeikasgassen, en niet aanzet tot een toename van de emissie. Er wordt geen gratis toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking.
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen zorgen ervoor dat de toewijzing gebeurt op een wijze die broeikasgas- en energie-efficiënte technieken en emissiebeperking stimuleert door gebruik te maken van sectoriële benchmarks en rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocédés, het gebruik van biomassa, warmtekrachtkoppeling en het afvangen en de opslag van broeikasgassen, en niet aanzet tot een toename van de emissie. Er wordt geen gratis toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking, met uitzondering van elektriciteit die uit afvalgassen afkomstig van industriële productieprocessen wordt opgewekt met het doel deze elektriciteit voor eigen gebruik van de exploitant van deze productieprocessen te gebruiken, in welk geval emissierechten worden toegekend aan deze exploitant overeenkomstig de sectoriële benchmarks die voor deze productieprocessen overeengekomen zijn.
De Commissie zorgt ervoor dat geen onnodige kosten aan de eindgebruikers worden doorberekend.
Motivering
Het gebruik van afvalgassen uit het productieproces voor de productie van elektriciteit draagt bij tot het behoud van hulpbronnen en terugdringing van de CO2-emissie. Elektriciteit die onder deze speciale omstandigheden wordt geproduceerd, moet van veiling worden uitgesloten en hiervoor moet dezelfde toewijzingsmethode gelden als voor de respectieve installaties van de producent van deze gassen. Dit sluit aan bij de strekking van punt 92 van Mededeling COM(2008)0830 van de Commissie.
De elektriciteitsproductiesector kan niet worden uitgesloten van zijn eigen inspanningen voor het klimaat door een algemene doorberekening van kosten.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3. Aan elektriciteitsopwekkers kan een gratis toewijzing worden gegeven voor de productie van warmte via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, voor economisch aantoonbare vraag om te zorgen dat er sprake is van gelijke behandeling ten opzichte van andere warmteproducenten. In elk jaar na 2013 wordt de totale toewijzing aan deze installaties voor de productie van die warmte aangepast met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor.
3. Aan elektriciteitsopwekkers wordt een gratis toewijzing gegeven voor de productie van warmte via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, voor economisch aantoonbare vraag op basis van uniforme Europese criteria om ervoor te zorgen dat er sprake is van gelijke behandeling ten opzichte van andere warmteproducenten. Deze criteria worden vastgesteld en gecontroleerd overeenkomstig een geharmoniseerde procedure.
Motivering
Elektriciteitsproductie via warmtekrachtkoppeling is de meest efficiënte vorm van energieopwekking. Verdere maatregelen ter bevordering hiervan moeten daarom ook na 2013 worden gegarandeerd. Vrije toewijzing van emissiequota's dragen bij aan deze doelstelling.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 6 – alinea 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Voor elektriciteitsopwekking door nieuwkomers wordt geen gratis toewijzing gegeven.
Er wordt geen gratis toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking, met uitzondering van elektriciteit die uit afvalgassen afkomstig van industriële productieprocessen wordt opgewekt met het doel deze elektriciteit voor eigen gebruik van de exploitant van deze productieprocessen te gebruiken, in welk geval emissierechten worden toegekend aan deze exploitant overeenkomstig de sectoriële criteria die voor deze productieprocessen overeengekomen zijn.
Motivering
Het gebruik van afvalgassen uit het productieproces voor de productie van elektriciteit draagt bij tot het behoud van hulpbronnen en terugdringing van de CO2-emissie. Elektriciteit die onder deze speciale omstandigheden wordt geproduceerd, moet van veiling worden uitgesloten en hiervoor moet dezelfde toewijzingsmethode gelden als voor de respectieve installaties van de producent van deze gassen. Dit sluit aan bij de strekking van punt 92 van Mededeling COM(2008)0830 van de Commissie.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 a – lid 7
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
7. Met inachtneming van artikel 10 bis is de hoeveelheid emissierechten die krachtens de leden 3 tot en met 6 van dit artikel [en lid 2 van artikel 3 quater] gratis wordt toegewezen, 80% van de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt vastgesteld en wordt de gratis toewijzing vervolgens elk jaar met gelijke hoeveelheden verlaagd, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.
7. Met inachtneming van artikel 10 bis is de hoeveelheid emissierechten die krachtens de leden 3 tot en met 6 van dit artikel [en lid 2 van artikel 3 quater] gratis wordt toegewezen, de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt vastgesteld, met inachtneming, indien van toepassing, van de resultaten van internationale onderhandelingen, en wordt de gratis toewijzing vervolgens elk jaar met gelijke hoeveelheden verlaagd, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.
Motivering
De voorschriften die de Commissie zal voorstellen voor de in de EU gevestigde energie-intensieve industrieën waar het weglekeffect een risicofactor vormt, hangt af van de uitkomsten van de internationale onderhandelingen. De Commissie moet samen met deze bedrijfssectoren vaststellen wat aanvaardbare streefcijfers zijn voor broeikasgasreducties in de EU en op internationaal niveau, die leiden tot werkelijke kwantificeerbare en controleerbare reducties in de EU en daarbuiten.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 9 – alinea 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Uiterlijk op 30 juni 2010 en vervolgens om de driejaar stelt de Commissie vast welke de in lid 8 bedoelde bedrijfstakken zijn.
Uiterlijk op 30 januari 2010 en vervolgens om de vierjaar stelt de Commissie vast welke de in lid 8 bedoelde bedrijfstakken zijn.
Motivering
Er dient zo snel mogelijk te worden besloten welke bedrijfstakken kunnen worden beschouwd als kwetsbaar voor CO2-lekken en welke adequate maatregelen hiervoor dienen te worden getroffen. Een herbeoordeling van de bedrijfstakken om de drie jaar leidt tot onnodige onzekerheid, die negatief uitwerkt op de investeringen.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 9 – alinea 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Deze maatregel, die bedoeld is om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door aanvulling daarvan, wordt vastgesteld volgens de in artikel [23, lid 3,] bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Schrappen
Motivering
Dit is een zeer complex proces, dat een permanente interinstitutionele controle en evaluatie vergt.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 9 – alinea 2 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Elk jaar kan een sector die niet in bijlage I is opgenomen op basis van nieuwe marktinformatie de Commissie verzoeken zijn weglekrisico opnieuw te beoordelen.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 9 – alinea 3 – inleidende formule
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Bij de in de eerste alinea bedoelde vaststelling houdt de Commissie rekening met de mate waarin de betrokken bedrijfstak of deeltak de kosten van de vereiste emissierechten kan doorberekenen in de productprijzen zonder een significant verlies van marktaandeel aan minder koolstofefficiënte installaties buiten de Gemeenschap, waarbij zij rekening houdt met de volgende aspecten:
Bij de in de eerste alinea bedoelde vaststelling houdt de Commissie rekening met de mate waarin de betrokken bedrijfstak of deeltak de kosten van de vereiste emissierechten kan doorberekenen via de productprijzen zonder een significant verlies van zijn internationale concurrentiepositie, waarbij zij rekening houdt met de volgende aspecten:
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 9 – alinea 3 – letter c
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(c) de marktstructuur, de relevante geografische en productmarkt en de mate waarin de bedrijfstakken aan internationale concurrentie onderhevig zijn;
(c) de huidige en verwachte marktstructuur, de relevante geografische en productmarkt,werkgelegenheid en economische relevantie, en de mate waarin de bedrijfstakken aan internationale concurrentie onderhevig zijn, rekening houdend met de kosten van vervoer;
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 9 – alinea 3 – letter d bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
d bis) directe en indirecte gevolgen van de geraamde stijging van de energieprijzen, alsook van bepaalde grondstoffen ten gevolg van klimaatbeleid;
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 9 – alinea 3 – letter d ter (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
d ter) bijkomende sociale effecten van doorberekening van kosten aan de eindgebruikers.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 9 – alinea 4
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Met het oog op de beoordeling in hoeverre de kostenstijging ten gevolge van de Gemeenschapsregeling kan worden doorberekend, kunnen onder andere ramingen van de niet-gerealiseerde omzet ten gevolge van de hogere koolstofprijs of de effecten op de rentabiliteit van de betrokken installaties worden gebruikt.
Met het oog op de beoordeling in hoeverre de kostenstijging ten gevolge van de Gemeenschapsregeling kan worden doorberekend, kunnen onder andere ramingen van de niet-gerealiseerde omzet ten gevolge van de hogere koolstofprijs of de effecten op de rentabiliteit van de betrokken sectoren of subsectoren worden gebruikt.
Motivering
In het gehele voorstel verwijst de Commissie naar sectoren en subsectoren met een weglekrisico. Daarom is raadzaam om overal dezelfde termen te gebruiken om geen verwarring te creëren.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – alinea 1 – inleidende formule
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Uiterlijk in juni 2011 dient de Commissie in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen en de mate waarin deze leiden tot een mondiale beperking van de emissie van broeikasgassen, na raadpleging van alle betrokken maatschappelijke partners, een analytisch verslag bij het Europees Parlement en de Raad in met een beoordeling van de situatie ten aanzien van energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken waarvan is vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt.Tegelijk hiermeeworden eventueel adequate voorstellen ingediend, zoals bijvoorbeeld:
Uiterlijk in januari 2010 dient de Commissie in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen en de mate waarin deze overeenkomst voldoet aan de criteria in bijlage 1 bis (nieuw) bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in voor de sectoren of subsectorenmet een weglekrisico.De sectoren of subsectoren met een weglekrisicoworden in kaart gebracht in overleg met de sociale partners, de betrokken partijen en het Europees Parlement, en daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat er niet in geslaagd wordt een internationale overeenkomst met bindende reducties te sluiten.
Motivering
De tijdstippen moeten naar voren worden geschoven zodat de industrieën die te maken hebben met CO2-lekken, beter weten waar ze aan toe zijn.
Een eventuele internationale overeenkomst moet meetbaar en verifieerbaar zijn en emissiebeperkingen omvatten die vergelijkbaar zijn met die van het Commissievoorstel.
Het Parlement en de Raad moeten worden geïnformeerd en moeten hun goedkeuring verlenen aan het Commissievoorstel; de identificatie van bedrijfstakken en deeltakken waarin het weglekeffect een risicofactor vormt, moet plaatsvinden in overleg met de betrokken partijen.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – alinea 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Bij de beoordeling welke maatregelen in aanmerking komen, wordt ook rekening gehouden met bindende sectorale overeenkomsten die leiden tot een mondiale emissiebeperking die een omvang heeft die nodig is om klimaatverandering effectief aan te pakken, die te bewaken en te verifiëren zijn en waarvoor verplichte handhavingsregelingen bestaan.
Bij de beoordeling welke maatregelen in aanmerking komen alsook de sectoren of subsectoren die overeenkomstig artikel 10 bis, punten 8 en 9, zijn geïdentificeerd als sectoren met een significant weglekrisico, zijn bindende sectorale overeenkomsten die leiden tot een mondiale emissiebeperking die een omvang heeft die nodig is om klimaatverandering effectief aan te pakken, die te bewaken en te verifiëren zijn en waarvoor verplichte handhavingsregelingen bestaan, bepalend.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 9
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 – lid 2 – alinea 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Een installatie die uit bedrijf wordt genomen, ontvangt geen gratis emissierechten meer.
Een installatie die uit bedrijf wordt genomen, ontvangt geen gratis emissierechten meer en levert eventuele niet-gebruikte rechten, of een equivalente hoeveelheid, in bij de bevoegde instanties.De Commissie zorgt voor nationale implementatie en ziet toe op strikte toepassing van de mededingingsregels, met name om misbruik van sterke marktposities te voorkomen.Hiertoe publiceert de Commissie elke drie maanden de prijs voor de eindgebruikers van energieproducten, uitgesplitst naar onderneming, sector en lidstaat.De ETS-component van de prijs voor de eindgebruiker wordt in de prijspublicatie van de Commissie apart vermeld.
Motivering
Any installation that ceases to operate and had received free allowances will not be allowed to sell the remaining allowances on to the market but will instead give them back to the Member State, this will guarantee that there will be no abuse of the system.
The Commission must also ensure that State Aid and competition rules are vigorously applied and monitored.
All parties involved (from industry to end consumer) will require price transparency at all times in order to avoid market distortion, therefore the Commission should publish, on a regular basis, the end consumer price of energy products.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 9
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 bis – lid 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. Tot de inwerkingtreding van een toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering en vooruitlopend op de toepassing van artikel 28, leden 3 en 4, zijn de leden 2 tot en met 7 van dit artikel van toepassing.
1. Tot de inwerkingtreding van een toekomstige internationale overeenkomst of internationale sectoriële overeenkomsten over klimaatverandering en vooruitlopend op de toepassing van artikel 28, leden 3 en 4, zijn de leden 2 tot en met 7 van dit artikel van toepassing. CDM- en JI-kredieten van projecten in sectoren met een weglekrisico worden evenwel van deze toepassing uitgesloten.
Motivering
Het is belangrijk om niet alleen een globale internationale overeenkomst trachten te bereiken maar ook internationale sectoriële overeenkomsten, in het bijzonder met opkomende economieën zoals China en India, om kwantificeerbare en controleerbare emissiereducties te bereiken.
Sectoren met een groot weglekrisico mogen niet onder vuur komen door externe concurrenten die in een voordeliger positie zijn door CDM- en JI-credits.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 9
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 bis – lid 7
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
7. Zodra een internationale overeenkomst over klimaatverandering tot stand is gekomen, worden alleen CER's uit derde landen die deze overeenkomst hebben bekrachtigd, in de Gemeenschapsregeling geaccepteerd."
7. Zodra een internationale overeenkomst of internationale sectoriële overeenkomsten over klimaatverandering tot stand zijn gekomen, worden alleen CER's uit derde landen die deze overeenkomst hebben bekrachtigd, in de Gemeenschapsregeling geaccepteerd.
Motivering
Het is belangrijk om niet alleen een globale internationale overeenkomst trachten te bereiken maar ook internationale sectoriële overeenkomsten, in het bijzonder met opkomende economieën zoals China en India.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 10
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 bis
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
De Gemeenschap en haar lidstaten geven alleen toestemming voor projectactiviteiten wanneer alle deelnemers aan het project hun hoofdkwartier hebben in een land dat de internationale overeenkomst inzake dergelijke projecten heeft gesloten of in een land dat of subfederale of regionale entiteit die overeenkomstig artikel 25 aan de Gemeenschapsregeling is gekoppeld.
De Gemeenschap en haar lidstaten geven alleen toestemming voor projectactiviteiten wanneer alle deelnemers aan het project hun hoofdkwartier hebben in een land dat de internationale overeenkomst inzake dergelijke projecten heeft gesloten of in een land dat of subfederale of regionale entiteit die overeenkomstig artikel 25 aan de Gemeenschapsregeling is gekoppeld. CDM- en JI-kredieten van projecten in sectoren met een weglekrisico zijn uitgesloten.
Motivering
Sectoren met een groot weglekrisico mogen niet onder vuur komen door externe concurrenten die in een voordeliger positie zijn door CDM- en JI-credits.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 12
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 14 – lid 1 – alinea 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. De Commissie stelt een verordening vast voor de bewaking en rapportage van emissie en indien van toepassing activiteitsgegevens ten gevolge van de in bijlage I vermelde activiteiten, die wordt gebaseerd op de in bijlage IV vermelde beginselen voor bewaking en rapportage en waarin het aardopwarmingsvermogen van elk broeikasgas in de vereisten voor de bewaking en rapportage van emissie voor dat gas wordt gespecificeerd.
1. De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2011 een verordening vast voor de bewaking en rapportage van emissie en indien van toepassing activiteitsgegevens ten gevolge van de in bijlage I vermelde activiteiten, die wordt gebaseerd op de in bijlage IV vermelde beginselen voor bewaking en rapportage en waarin het aardopwarmingsvermogen van elk broeikasgas in de vereisten voor de bewaking en rapportage van emissie voor dat gas wordt gespecificeerd.
Motivering
Er moet een datum worden vastgesteld om een voorspelbaar systeem te verkrijgen.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 12
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 14 – lid 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
2. De verordening kan rekening houden met het meest nauwkeurige en actuele beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal, met name van de IPCC, en kan ook eisen specificeren voor de rapportage door exploitanten over de emissie bij de productie van goederen die worden geproduceerd door energie-intensieve bedrijfstakken die aan internationale concurrentie onderhevig kunnen zijn, en voor een onafhankelijke verificatie van deze informatie.
2. De verordening houdt rekening met het meest nauwkeurige en actuele beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal, met name van de IPCC, en specificeert ook eisen voor de rapportage door exploitanten over de emissie bij de productie van goederen die worden geproduceerd door energie-intensieve bedrijfstakken die aan internationale concurrentie onderhevig kunnen zijn, en voor een onafhankelijke verificatie van deze informatie. De verordening specificeert ook rapportage-eisen voor financiële instellingen die bij emissiehandel betrokken zijn.
Hierbij kunnen ook eisen worden gesteld voor de rapportage over emissieniveaus ten gevolge van onder de Gemeenschapsregeling vallende elektriciteitsopwekking bij de productie van dergelijke goederen.
Hierbij worden ook eisen gesteld voor de rapportage over emissieniveaus ten gevolge van onder de Gemeenschapsregeling vallende elektriciteitsopwekking bij de productie van dergelijke goederen.
Motivering
De financiële instellingen die zijn betrokken bij veilingen van emissierechten moeten duidelijke procedurebepalingen hebben.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 13
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 15 – letter b – alinea 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
De Commissie stelt een verordening vast voor de verificatie van emissieverslagen en de accreditatie van verificateurs, waarin de voorwaarden worden vastgesteld voor de accreditatie, wederzijdse erkenning en intrekking van accreditatie voor verificateurs en, indien van toepassing, voor toezicht en collegiale toetsing.
De Commissie stelt uiterlijk op 30 juni 2010 een verordening vast voor de verificatie van emissieverslagen en de accreditatie van verificateurs, waarin de voorwaarden worden vastgesteld voor de accreditatie, wederzijdse erkenning en intrekking van accreditatie voor verificateurs en, indien van toepassing, voor toezicht en collegiale toetsing.
Motivering
De datum moet gespecificeerd worden zodat de betrokken partijen over de noodzakelijke voorspelbaarheid beschikken.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 19
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 24 a – lid 1 – alinea 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. Naast de in artikel 24 bedoelde opneming kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor de verlening van emissierechten voor door de lidstaten beheerde projecten die de emissie van broeikasgassen buiten de Gemeenschapsregeling verlagen.
1. Naast de in artikel 24 bedoelde opneming kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor de verlening van emissierechten voor door de lidstaten beheerde projecten die de emissie van broeikasgassen buiten de Gemeenschapsregeling verlagen. De Commissie sluit CDM- en JI-kredieten van projecten in sectoren met een weglekrisico uit.
Motivering
Sectoren met een groot weglekrisico mogen niet onder vuur komen door externe concurrenten die in een voordeliger positie zijn door CDM- en JI-credits.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 21
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 27, lid 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. De lidstaten kunnen stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 25MW, met een in elk van de voorgaande drie jaren bij de bevoegde autoriteiten gerapporteerde emissie van minder dan 10 000 ton CO2-equivalent, emissie uit biomassa niet meegerekend, waarvoor maatregelen gelden die voor een gelijkwaardige bijdrage tot emissiebeperking zullen zorgen, van de Gemeenschapsregeling uitsluiten als de betrokken lidstaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
1. De lidstaten kunnen stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 50 MW, met een in elk van de voorgaande drie jaren bij de bevoegde autoriteiten gerapporteerde emissie van minder dan 25.000 ton CO2-equivalent, onvermijdelijke CO2-emissie uit grondstoffen en emissie uit biomassa niet meegerekend, waarvoor maatregelen gelden die voor een gelijkwaardige bijdrage tot emissiebeperking zullen zorgen, van de Gemeenschapsregeling uitsluiten als de betrokken lidstaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
(a) hij meldt al deze installaties bij de Commissie aan, waarbij de gelijkwaardige maatregelen worden vermeld die van toepassing zijn;
(a) hij meldt al deze installaties bij de Commissie aan, waarbij de gelijkwaardige maatregelen worden vermeld die van toepassing zijn;
(b) hij bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 10 000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissie uit biomassa niet meegerekend;
(b) hij bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, onvermijdelijke CO2-emissie uit grondstoffen en emissie uit biomassa niet meegerekend;
(c) hij bevestigt dat een installatie, indien deze in enig kalenderjaar 10 000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissie uit biomassa niet meegerekend, of indien de gelijkwaardige maatregelen niet langer van toepassing zijn, weer in de regeling zal worden opgenomen;
(c) hij bevestigt dat een installatie, indien deze in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, onvermijdelijke CO2-emissie uit grondstoffen en emissie uit biomassa niet meegerekend, of indien de gelijkwaardige maatregelen niet langer van toepassing zijn, weer in de regeling zal worden opgenomen;
(d) hij publiceert de onder a), b) en c) bedoelde informatie, zodat het publiek opmerkingen kan maken.
(d) hij publiceert de onder a), b) en c) bedoelde informatie, zodat het publiek opmerkingen kan maken.
Motivering
Kleine installaties moeten de mogelijkheid hebben om niet aan de regeling deel te nemen als er equivalente maatregelen bestaan om de administratieve last voor kleine en middelgrote ondernemingen te beperken, onnodige administratieve kosten en bureaucratie te voorkomen en de efficiëntie van het systeem te vergroten. Een derde van alle installaties die onder de regeling vallen, zijn kleine installaties die tezamen slechts 2% van alle gemelde emissies uitmaken.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 21
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 – titel
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Aanpassingen die van toepassing worden na de sluiting van een toekomstige internationale overeenkomst over klimaatverandering
Aanpassingen die van toepassing worden na de sluiting van een toekomstige internationale overeenkomst of van internationale sectoriële overeenkomsten over klimaatverandering
Motivering
Het is belangrijk om niet alleen een globale internationale overeenkomst trachten te bereiken maar ook internationale sectoriële overeenkomsten, in het bijzonder met opkomende economieën zoals China en India, om kwantificeerbare en controleerbare emissiereducties te bereiken.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 21
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 – lid 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
1. Na de sluiting door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst over klimaatverandering die uiterlijk in 2020 leidt tot verplichte beperkingen van de emissie van broeikasgassen die groter zijn dan de minimale niveaus waarover de Europese Raad overeenstemming heeft bereikt, zijn de leden 2, 3 en 4 van toepassing.
1. Na de sluiting door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst of van internationale sectoriële overeenkomsten over klimaatverandering die uiterlijk in 2020 leiden tot verplichte beperkingen van de emissie van broeikasgassen die groter zijn dan de minimale niveaus waarover de Europese Raad overeenstemming heeft bereikt, zijn de leden 2, 3 en 4 van toepassing.
Motivering
Het is belangrijk om niet alleen een globale internationale overeenkomst trachten te bereiken maar ook internationale sectoriële overeenkomsten, in het bijzonder met opkomende economieën zoals China en India, om kwantificeerbare en controleerbare emissiereducties te bereiken.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 21
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 – lid 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
2. Vanaf het jaar na de sluiting van de in lid 1 bedoelde internationale overeenkomst wordt de lineaire factor zodanig verhoogd dat de hoeveelheid emissierechten in de Gemeenschap in 2020 ten opzichte van de overeenkomstig artikel 9 vastgestelde hoeveelheid afneemt met een hoeveelheid emissierechten die overeenkomt met de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap onder de 20% waartoe de internationale overeenkomst de Gemeenschap verplicht, vermenigvuldigd met het aandeel in de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen in 2020 die de Gemeenschapsregeling overeenkomstig de artikelen 9 en 9 a bijdraagt.
2. Vanaf het jaar na de sluiting van de in lid 1 bedoelde internationale overeenkomst of internationale sectoriële overeenkomsten wordt de lineaire factor zodanig verhoogd dat de hoeveelheid emissierechten in de Gemeenschap in 2020 ten opzichte van de overeenkomstig artikel 9 vastgestelde hoeveelheid afneemt met een hoeveelheid emissierechten die overeenkomt met de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap onder de 20% waartoe de internationale overeenkomst de Gemeenschap verplicht, vermenigvuldigd met het aandeel in de algehele beperking van de emissie van broeikasgassen in 2020 die de Gemeenschapsregeling overeenkomstig de artikelen 9 en 9 a bijdraagt.
Motivering
Het is belangrijk om niet alleen een globale internationale overeenkomst trachten te bereiken maar ook internationale sectoriële overeenkomsten, in het bijzonder met opkomende economieën zoals China en India, om kwantificeerbare en controleerbare emissiereducties te bereiken.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 21
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 – lid 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3. De exploitanten kunnen voor maximaal de helft van de beperking die overeenkomstig lid 2 plaatsvindt, gebruik maken van CER's, ERU's of andere overeenkomstig lid 4 goedgekeurde kredieten uit derde landen die de internationale overeenkomst gesloten hebben.
3. De exploitanten kunnen voor maximaal de helft van de beperking die overeenkomstig lid 2 plaatsvindt, gebruik maken van CER's, ERU's of andere overeenkomstig lid 4 goedgekeurde kredieten uit derde landen die de internationale overeenkomst gesloten hebben, met uitzondering van CDM- en JI-kredieten van sectoren met een weglekrisico.
Motivering
Sectoren met een groot weglekrisico mogen niet onder vuur komen door externe concurrenten die in een voordeliger positie zijn door CDM- en JI-credits.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Bijlage I – punt 2
Richtlijn 2003/87/EG
Bijlage I – punt 2
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
2. In punt 2 wordt de volgende zin toegevoegd:
Schrappen
"Bij de berekening van de totale capaciteit van stookinstallaties worden eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW buiten beschouwing gelaten."
Motivering
De doelstelling van artikel 27, namelijk uitsluiting van kleine installaties, is niet te verwezenlijken vanwege de accumulatie van onderling verbonden kleine installaties voor de berekening van totale emissies.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Bijlage I bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
BIJLAGE 1 A
MINIMUMVEREISTEN VOOR EEN INTERNATIONALE OVEREENKOMST
Een internationale overeenkomst die betrekking heeft op energie-intensieve industrieën waar een significant risico op het weglekeffect bestaat, of een sectoriële internationale overeenkomst inzake dergelijke industrieën beantwoordt aan ten minste de volgende criteria, om voor deze industrieën gelijke voorwaarden te creëren.De overeenkomst:
(i) houdt de deelname in van landen die een kritische massa van ten minste 85% van de productie vertegenwoordigen,
(ii) bevat gelijkwaardige CO2-emissiedoelstellingen,
(iii) houdt gelijke emissiereductiesystemen met gelijke werking in, die verplicht worden door alle deelnemende landen of uit landen met niet-gelijkwaardige CO2-emissiedoelstellingen in sectoren die onder de de EU-regeling voor de handel in emissierechten vallen,
(iv) verzekert dat voor concurrerende materialen gelijke beperkingen gelden waarbij rekening wordt gehouden met de levenscycli,
(v) zorgt voor een doeltreffend internationaal controle- en verificatiemechanisme.
Motivering
In overeenstemming met amendement op artikel 10 bis.
Carlos Carnero González, Daniel Caspary, Françoise Castex, Christofer Fjellner, Béla Glattfelder, Ignasi Guardans Cambó, Jacky Hénin, Alain Lipietz, Erika Mann, Helmuth Markov, David Martin, Vural Öger, Georgios Papastamkos, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Peter Šťastný, Robert Sturdy, Gianluca Susta, Daniel Varela Suanzes-Carpegna, Corien Wortmann-Kool
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Jean-Pierre Audy, Albert Deß, Elisa Ferreira, Vasco Graça Moura, Eugenijus Maldeikis, Rovana Plumb, Salvador Domingo Sanz Palacio, Zbigniew Zaleski
ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken (11.9.2008)
aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden
De EU-doelstelling om de broeikasgasemissie tegen 2020 met 30% te verminderen kan volledig worden onderschreven, op voorwaarde dat andere ontwikkelde delen van de wereld en economisch meer ontwikkelde ontwikkelingslanden zich op vergelijkbare evenredige emissiereducties vastleggen. De toezegging van een vermindering van de broeikasgasemissies tegen 2020 met ten minste 20%, los van enige internationale overeenkomst, kan ook worden onderschreven.
De EU heeft het EU-ETS ontwikkeld als de hoeksteen van de strategie voor het op een kostenefficiënte en economisch verantwoorde manier reduceren van broeikasgasemissies. Een op marktwerking gebaseerd instrument is waardevol en de oprichting door Europa van 's werelds grootste koolstofmarkt, naast de vastlegging van de kosten van koolstof, is een bewijs van zijn enorme potentieel. De ervaring leert evenwel dat de ETS-richtlijn nog verder kan worden verbeterd. Het huidige voorstel voor het wijzigen en uitbreiden van de ETS-regeling is dan ook welkom.
De kwaliteit van het voorstel van de Commissie moet worden onderstreept; overstappen op een EU-plafond voor rechten zal de EU-ETS consistenter en voorspelbaarder maken, en iets doen aan de ernstige tekortkomingen op concurrentiegebied van het bestaande systeem. Veilen is een rationele en transparante manier om verantwoordelijkheden toe te wijzen. Het voorstel van de Commissie ter verduidelijking van de criteria voor het gebruik van CDM- en JI-kredieten is ook positief.
Het voorstel kan op een aantal punten worden verbeterd.
De overtuiging leeft dat de EU-ETS een structuur moet hebben die het, in het geval er een internationale overeenkomst wordt bereikt, in staat stelt aan te sluiten bij een mondiaal systeem voor emissiehandel. Het is net zo belangrijk ervoor te zorgen dat EU-ETS kan functioneren wanneer er geen internationale overeenkomst wordt gesloten.
Bij ontstentenis van internationale bindende overeenkomsten, inclusief sectoriële kwantificeerbare compromissen, vormt het weglekrisico (d.w.z. de verplaatsing van activiteiten die broeikasgasemissies opleveren van de EU naar derde landen), resulterend in méér emissies in de wereld en een mogelijke ondermijning van economische activiteiten in de Unie, een groot probleem, dat een passende oplossing behoeft.
De indeling van industrieën op basis van hun kwetsbaarheid voor het weglekeffect is ingewikkeld; het dient op volledig transparante manier te gebeuren en op zo kort mogelijke termijn, teneinde de voorspelbaarheid voor het bedrijfsleven te vergroten; er dient ook rekening te worden gehouden met de directe en indirecte impact van de verwachte stijging van de prijs van de inputs. Gratis rechten moeten, in omstandigheden waarin internationale overeenkomsten geen garanties bieden voor de concurrentieneutraliteit van veilingsystemen, gekoppeld zijn aan heldere benchmarks. Deze indeling dient te geschieden in overleg met het Europees Parlement, de Raad en de betrokken sectoren en subsectoren.
Het beginsel achter het veilen van rechten door de lidstaten aan de hoogste bieders, waaronder de financiële sector, is vooralsnog onduidelijk; gedetailleerde toelichtingen zijn een 'must'; ondanks de belangstelling van de financiële markten voor deze nieuwe marktmogelijkheden moet het algemene doel van het reduceren van de broeikasgasemissies niet uit het oog worden verloren, met name wat betreft de toegankelijkheid tegen redelijke prijzen voor de primaire actoren (CO2-emittenten). De praktische werking van veilingen is een essentieel onderdeel van het herziene ETS-voorstel en valt derhalve onder de medebeslissingsprocedure.
Ook de inkomsten die de lidstaten verwachten van het veilen moeten niet worden gezien als geld waarmee begrotingstekorten kunnen worden opgevuld, maar veeleer als een nieuwe strategische kans voor steun aan duurzame ontwikkeling, opvanginspanningen, technologie-innovatie en onderzoek, alsook voor bijstand aan ontwikkelingslanden, met name de allerarmste, voor het proces van aanpassing. Deze prioriteiten houden in dat het Europees Parlement en de burgers voldoende moeten worden geïnformeerd, en dat voldoende aandacht wordt besteed aan bezorgdheid in verband met de concurrentiepositie en aan staatssteunkwesties.
De ervaringen die in de voorgaande twee fases zijn opgedaan, leren dat de tendens bestaat dat eindgebruikers met het grootste deel van de kosten worden opgezadeld van meerdere industrieën, met name de energiesector. Het volledig veilen in de energiesector vereist goede controles, alsmede daadwerkelijke inspanningen door de energieproducenten om tot interne reducties te komen. Het verwachte risico dat de energieprijzen voor de eindgebruikers zullen stijgen, is aanleiding tot bezorgdheid in verband met de bijdrage daarvan aan de inflatiedruk in Europa, sociaal-economische gevolgen voor inkomens met een laag en een middeninkomen, en hun indirecte impact op de totale kosten voor energiegebruikers in de economie.
AMENDEMENTEN
De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 3
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(3) De Europese Raad heeft het vaste voornemen uitgesproken om de algehele emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap tegen 2020 met ten minste 20% ten opzichte van 1990 te verlagen en met 30% mits de andere ontwikkelde landen zich vastleggen op een vergelijkbare emissiebeperking en de economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheid en capaciteiten. Tegen 2050 moet de mondiale emissie van broeikasgassen met ten minste 50% ten opzichte van 1990 zijn gedaald. Alle bedrijfstakken van de economie moeten tot deze emissiebeperking bijdragen.
(3) De Europese Raad heeft het vaste voornemen uitgesproken om de algehele emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap tegen 2020 met ten minste 20% ten opzichte van 1990 te verlagen en met 30% mits de andere ontwikkelde landen zich vastleggen op een vergelijkbare emissiebeperking en de economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheid en capaciteiten. Tegen 2050 moet de mondiale emissie van broeikasgassen met ten minste 50% ten opzichte van 1990 zijn gedaald. Alle bedrijfstakken van de economie moeten tot deze emissiebeperking bijdragen, inclusief de internationale luchtvaart, het zeevervoer en de cementindustrie.Emissies van internationaal zeevervoer dienen uiterlijk in 2015 te zijn opgenomen in de Europese handelsregeling voor emissierechten (EU-ETS) of dienen anders te worden opgenomen in enig besluit over de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies terug te dringen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het terugdringen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 7 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(7 bis) Ongekapte bomen, en hout en houtproducten vormen een zeer belangrijke bron voor het afvangen en opslaan van koolstof.Bovendien levert bezaagd hout een bijdrage in de strijd tegen het broeikaseffect doordat het fossiele brandstof vervangt.Bossen vormen dan ook ware natuurlijke koolstofreservoirs.Deze koolstof komt echter weer vrij in de atmosfeer als de bossen gekapt en verbrand worden.Het is derhalve belangrijk beschermingsmechanismen voor de bossen in te stellen teneinde de klimaatverandering te reduceren.
Motivering
Verandering in landgebruik (zoals ontbossing in de tropen) zou verantwoordelijk zijn voor 20% van de mondiale emissie van broeikasgassen. Alleen de met ontbossing verband houdende mondiale emissie van broeikasgassen beloopt jaarlijks al 6 miljard ton CO2.
Alleen al in Frankrijk is enkel de opslag goed voor 15,6 miljoen ton koolstof, en wordt er 10% van de broeikasgasemissies mee afgevangen. De vervanging wordt geschat op 14 miljoen ton koolstof. Zonder bossen en hout zou Frankrijk 108 miljoen ton extra koolstof uitstoten, dat wil zeggen ongeveer 20% meer.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 7 ter (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(7 ter) Uitgaande van het aanzienlijke potentieel van de bosbouwsector om de temperatuurstijging te reduceren, moeten er stimuleringsmaatregelen worden ingesteld om deze sector optimaal te benutten en te ontwikkelen, met inachtneming van de overige functies van de bossen.
Motivering
Gelet op het IPCC-verslag van 2007; daarin wordt vermeld dat de strategieën voor duurzame ontwikkeling van de bossen, die erop gericht zijn de opslag van koolstof in stand te houden of te vergroten, terwijl er tegelijkertijd bezaagd hout, vezelhout en energiehout wordt geproduceerd, op lange termijn de grootste winst zullen opleveren waar het gaat om de beperking van de klimaatverandering. Onder verwijzing naar de resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2007, waarin de Europese Commissie wordt verzocht bepaalde bosbouwactiviteiten in de ETS op te nemen.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 15
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(15) Gezien de forse inspanningen die verbonden zijn aan de bestrijding van klimaatverandering en de aanpassing aan de onvermijdelijke effecten daarvan, zou ten minste 20% van de opbrengsten van de veiling van emissierechten moeten worden gebruikt voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, voor de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering, voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling voor emissiebeperking en aanpassing, voor de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de EU om tegen 2020 20% duurzame energie te gebruiken, om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20% op te voeren, voor het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen, om bij te dragen tot het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, voor maatregelen om ontbossing te voorkomen en aanpassing in ontwikkelingslanden te vergemakkelijken, en voor de aanpak van maatschappelijke aspecten zoals een mogelijke stijging van de elektriciteitsprijzen in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen. Dit percentage ligt aanzienlijk lager dan de verwachte netto-inkomsten voor de overheid uit veilingen, waarbij rekening is gehouden met mogelijkerwijs lagere inkomsten uit de vennootschapsbelastingen. Daarnaast dienen de inkomsten uit de veiling van emissierechten te worden gebruikt voor de administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling. Er dienen bepalingen te worden opgenomen voor de bewaking van het gebruik van de opbrengst van veilingen voor deze doeleinden. Deze kennisgeving ontslaat de lidstaten niet van de in artikel 88, lid 3, van het Verdrag geformuleerde verplichting om bepaalde nationale maatregelen aan te melden. De richtlijn laat het resultaat van toekomstige staatssteunprocedures die overeenkomstig de artikelen 87 en 88 van het Verdrag kunnen worden ingeleid, onverlet.
(15) Gezien de forse inspanningen die verbonden zijn aan de bestrijding van klimaatverandering en de aanpassing aan de onvermijdelijke effecten daarvan, zou ten minste 90% van de opbrengsten van de veiling van emissierechten moeten worden gebruikt voor de beperking van de emissie van broeikasgassen, voor de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering, voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling van de sectoren die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen voor emissiebeperking en aanpassing, voor de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de EU om tegen 2020 20% duurzame energie te gebruiken, om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20% op te voeren, voor het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen, om bij te dragen tot het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, voor maatregelen om ontbossing te voorkomen en aanpassing in ontwikkelingslanden te vergemakkelijken, en voor de aanpak van maatschappelijke aspecten zoals een mogelijke stijging van de elektriciteitsprijzen in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen. Dit percentage ligt aanzienlijk lager dan de verwachte netto-inkomsten voor de overheid uit veilingen, waarbij rekening is gehouden met mogelijkerwijs lagere inkomsten uit de vennootschapsbelastingen. Daarnaast dienen de inkomsten uit de veiling van emissierechten te worden gebruikt voor de administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling. Er dienen bepalingen te worden opgenomen voor de bewaking van het gebruik van de opbrengst van veilingen voor deze doeleinden. Deze kennisgeving ontslaat de lidstaten niet van de in artikel 88, lid 3, van het Verdrag geformuleerde verplichting om bepaalde nationale maatregelen aan te melden. De richtlijn laat het resultaat van toekomstige staatssteunprocedures die overeenkomstig de artikelen 87 en 88 van het Verdrag kunnen worden ingeleid, onverlet.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 16
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(16) Dit betekent dat voor de elektriciteitssector met ingang van 2013 regel dient te zijn dat uitsluitend wordt geveild, aangezien deze de hogere kosten van CO2 kan doorberekenen, en dat voor het afvangen en de opslag van CO2 geen gratis toewijzing dient te worden gegeven, aangezien de stimulering hiervan voortvloeit uit het feit dat voor emissies die worden opgeslagen geen emissierechten behoeven te worden ingeleverd. Om concurrentievervalsing te voorkomen kunnen elektriciteitsopwekkers gratis emissierechten krijgen voor warmte die wordt geproduceerd via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, wanneer er voor de productie van dergelijke warmte door installaties in andere bedrijfstakken gratis emissierechten worden gegeven.
(16) Dit betekent dat voor de elektriciteitssector met ingang van 2013 regel dient te zijn dat uitsluitend wordt geveild, aangezien deze de hogere kosten van CO2 kan doorberekenen, en dat voor het afvangen en de opslag van CO2 geen gratis toewijzing dient te worden gegeven, aangezien de stimulering hiervan voortvloeit uit het feit dat voor emissies die worden opgeslagen geen emissierechten behoeven te worden ingeleverd. Om concurrentievervalsing te voorkomen kunnen elektriciteitsopwekkers gratis emissierechten krijgen voor warmte die wordt geproduceerd via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, wanneer er voor de productie van dergelijke warmte door installaties in andere bedrijfstakken gratis emissierechten worden gegeven. Desalniettemin dient de elektriciteitsproductiesector door te gaan met de inspanningen gericht op het realiseren van interne emissiereducties.Elke doorberekening van kosten dient geëvalueerd en geanalyseerd te worden, met name wat betreft de bijdrage daarvan aan de inflatiedruk in de Europese Unie, de sociaal-economische impact op huishoudens met een laag of een middeninkomen, en hun indirecte impact op de totale kosten voor energiegebruikers in economische sectoren.De concurrentieautoriteiten dienen bij het vaststellen van regelgeving bijzondere aandacht te besteden aan misbruik van sterke marktposities in de vorm van buitensporige en/of onevenwichtige verhogingen van de prijzen voor energie.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 17
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(17) Voor andere bedrijfstakken die onder de Gemeenschapsregeling vallen, dient een overgangsregeling te worden vastgesteld waarvoor de gratis toewijzing in 2013 80% dient te bedragen van de hoeveelheid die overeenkomt met het percentage van de totale emissie van de Gemeenschap in de periode van 2005 tot 2007 die deze installaties hebben uitgestoten, berekend als percentage van de totale jaarlijkse hoeveelheid emissierechten van de Gemeenschap. Daarna dient de gratis toewijzing elk jaar met gelijke hoeveelheden te worden verlaagd, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.
(17) Voor andere bedrijfstakken die onder de Gemeenschapsregeling vallen, dient 100 procent van deze emissierechten gratis te worden toegewezen in het geval er geen doeltreffende en verifieerbare internationale overeenkomst is en/of geen internationale sectoriële overeenkomst.Indien zo'n overeenkomst er wel is, dient een overgangsregeling te worden vastgesteld waarvoor de gratis toewijzing in 2013 80% dient te bedragen van de hoeveelheid die overeenkomt met het percentage van de totale emissie van de Gemeenschap in de periode van 2005 tot 2007 die deze installaties hebben uitgestoten, berekend als percentage van de totale jaarlijkse hoeveelheid emissierechten van de Gemeenschap. Daarna dient de gratis toewijzing elk jaar met gelijke hoeveelheden te worden verlaagd, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing.
Motivering
Idem als overweging 13. Aangezien met de regeling voor de handel in emissierechten (ETS) wordt beoogd koolstofemissies terug te dringen tegen de laagste kosten voor de economie (overweging 1), is gratis toewijzing de meest efficiënte toewijzingsmethode voor de industrie, met uitzondering van de elektriciteitssector. Het enige voordeel van veiling is dat het systeem hiermee wordt uitgebreid naar CO2-vrije technologieën die niet in de ETS zijn opgenomen, zoals de productie van kern-, waterkracht- en windenergie. Veiling kan daarom geschikt zijn voor de energie-industrie, maar is minder efficiënt voor andere sectoren van de industrie.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 18
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(18) Om concurrentieverstoring binnen de Gemeenschap tot een minimum te beperken dienen de gratis overgangstoewijzingen volgens geharmoniseerde regels voor de hele Gemeenschap ("benchmarks") aan installaties te worden verstrekt. Deze regels dienen rekening te houden met de meest broeikasgas- en energie-efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocédés, het gebruik van biomassa, duurzame energie en het afvangen en de opslag van broeikasgassen. Deze regels mogen niet aanzetten tot een toename van de emissie en moeten ervoor zorgen dat een groeiend percentage van deze emissierechten wordt geveild. De toewijzingen moeten vóór de handelsperiode worden vastgesteld, zodat de markt adequaat kan functioneren. Ook mogen ze niet leiden tot een ongepaste concurrentieverstoring op de markten voor de levering van elektriciteit en warmte aan industriële installaties. Deze regels moeten gelden voor nieuwkomers die dezelfde activiteiten uitvoeren als bestaande installaties die gratis overgangstoewijzingen ontvangen. Om concurrentieverstoring binnen de interne markt te voorkomen mag er geen gratis toewijzing worden verstrekt voor de opwekking van elektriciteit door nieuwkomers. Emissierechten die in 2020 in de reserve voor nieuwkomers resteren, dienen te worden geveild.
(18) Om concurrentieverstoring binnen de Gemeenschap tot een minimum te beperken dienen de gratis overgangstoewijzingen volgens geharmoniseerde regels voor de hele Gemeenschap en per bedrijfstak (benchmarks) aan installaties te worden verstrekt. Deze regels en benchmarks dienen rekening te houden met de meest broeikasgas- en energie-efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocedés, het gebruik van biomassa, duurzame energie, warmtekrachtkoppeling en het afvangen en de opslag van broeikasgassen. Deze regels mogen niet aanzetten tot een toename van de emissie en moeten ervoor zorgen dat een groeiend percentage van deze emissierechten wordt geveild. De toewijzingen moeten vóór de handelsperiode worden vastgesteld, zodat de markt adequaat kan functioneren. Ook mogen ze niet leiden tot een ongepaste concurrentieverstoring op de markten voor de levering van elektriciteit en warmte aan industriële installaties. Deze regels moeten gelden voor nieuwkomers die dezelfde activiteiten uitvoeren als bestaande installaties die gratis overgangstoewijzingen ontvangen. Om concurrentieverstoring binnen de interne markt te voorkomen mag er geen gratis toewijzing worden verstrekt voor de opwekking van elektriciteit door nieuwkomers, met uitzondering van elektriciteit die voor eigen verbruik wordt geproduceerd met afvalgassen uit industriële productieprocessen. Emissierechten die in 2020 in de reserve voor nieuwkomers resteren, dienen te worden geveild.
Motivering
Voordat een echt meetbare en verifieerbare internationale overeenkomst is bereikt, moet de Commissie gratis toewijzing van emissierechten toestaan voor bedrijfstakken waarvan het weglekeffect een risicofactor vormt. Deze toewijzing dient niet alleen plaats te vinden op basis van geharmoniseerde regels voor de hele Gemeenschap, maar, wat belangrijker is, op grond van benchmarks per bedrijfstak die vooraf met de desbetreffende sectoren zijn afgesproken.
Warmtekrachtkoppeling is een energie-efficiënt productieproces en zou niet van deze lijst moeten worden uitgesloten.
Afvalgassen die afkomstig zijn van productieprocessen, moeten onmiddellijk nadat deze zijn gegenereerd, worden gebruikt. Voor een efficiënt hergebruik moet er een maximale flexibiliteit worden toegestaan voor het gebruik van deze gassen. Het gebruik van afvalgassen uit productieprocessen voor de productie van elektriciteit draagt bij tot het behoud van hulpbronnen en terugdringing van de CO2-emissie. Elektriciteit die onder deze speciale omstandigheden wordt geproduceerd, moet worden uitgesloten van veiling.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 19
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(19) De Gemeenschap zal het voortouw blijven nemen bij de onderhandelingen over een ambitieuze internationale overeenkomst waarmee de doelstelling om de mondiale temperatuurstijging tot 2°C te beperken, wordt gerealiseerd en beschouwt de in Bali geboekte vorderingen op weg naar deze doelstelling als een stimulans. Mochten andere ontwikkelde landen en andere grote uitstoters van broeikasgassen niet aan deze internationale overeenkomst meedoen, dan zou dit kunnen leiden tot een stijging van de emissie van broeikasgassen in derde landen waar de industrie niet onder vergelijkbare CO2-beperkingen zou vallen ("CO2-weglekeffect") en zouden er tevens economische nadelen kunnen ontstaan voor bepaalde energie-intensieve bedrijfstakken en deeltakken in de Gemeenschap die aan internationale concurrentie onderhevig zijn. Dit kan de milieu-integriteit en de baten van maatregelen van de Gemeenschap ondermijnen. Vanwege het risico op het ontstaan van een weglekeffect zal de Gemeenschap tot maximaal 100% gratis emissierechten toewijzen aan bedrijfstakken of deeltakken die aan de desbetreffende criteria voldoen. De vaststelling van deze bedrijfstakken en deeltakken en de vereiste maatregelen zal opnieuw worden beoordeeld om ervoor te zorgen dat er waar nodig maatregelen worden genomen en overcompensatie wordt voorkomen. Voor de specifieke bedrijfstakken of deeltakken waarvan afdoende kan worden aangetoond dat het risico op het weglekeffect niet op een andere manier kan worden voorkomen en waar elektriciteit een groot deel van de productiekosten uitmaakt en op efficiënte wijze wordt opgewekt, kan bij de genomen maatregelen rekening worden gehouden met het elektriciteitsverbruik bij het productieproces, zonder dat de totale hoeveelheid emissierechten wordt gewijzigd.
(19) De Gemeenschap zal het voortouw blijven nemen bij de onderhandelingen over een ambitieuze internationale overeenkomst en/of internationale sectoriële overeenkomsten waarmee de doelstelling om de mondiale temperatuurstijging tot 2°C te beperken, wordt gerealiseerd en beschouwt de in Bali geboekte vorderingen op weg naar deze doelstelling als een stimulans. Mochten andere ontwikkelde landen en andere grote uitstoters van broeikasgassen niet aan deze internationale overeenkomst meedoen, dan zou dit kunnen leiden tot een stijging van de emissie van broeikasgassen in derde landen waar de industrie niet onder vergelijkbare CO2-beperkingen zou vallen ("CO2-weglekeffect") en zouden er tevens economische nadelen kunnen ontstaan voor bepaalde energie-intensieve bedrijfstakken en deeltakken in de Gemeenschap die aan internationale concurrentie onderhevig zijn. Dit kan de milieu-integriteit en de baten van maatregelen van de Gemeenschap ondermijnen. Vanwege het risico op het ontstaan van een weglekeffect zal de Gemeenschap tot maximaal 100% gratis emissierechten toewijzen aan bedrijfstakken of deeltakken die aan de desbetreffende criteria voldoen. De vaststelling van deze bedrijfstakken en deeltakken en de vereiste maatregelen zal opnieuw worden beoordeeld om ervoor te zorgen dat er waar nodig maatregelen worden genomen en overcompensatie wordt voorkomen. Voor de specifieke bedrijfstakken of deeltakken waarvan afdoende kan worden aangetoond dat het risico op het weglekeffect niet op een andere manier kan worden voorkomen en waar elektriciteit een groot deel van de productiekosten uitmaakt en op efficiënte wijze wordt opgewekt, kan bij de genomen maatregelen rekening worden gehouden met het elektriciteitsverbruik bij het productieproces, zonder dat de totale hoeveelheid emissierechten wordt gewijzigd.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 20
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(20) De Commissie dient derhalve uiterlijk in juni 2011 de situatie te evalueren, alle relevante maatschappelijke partners te raadplegen en in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen een verslag met eventuele voorstellen in te dienen. In deze context dient de Commissie uiterlijk op30 juni 2010 te signaleren welke energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken wellicht gevoelig kunnen zijn voor het weglekeffect. Zij dient in haar analyse uit te gaan van een beoordeling in hoeverre het mogelijk is de kosten van de vereiste emissierechten in de productprijzen door te berekenen zonder een significant verlies van marktaandeel aan installaties buiten de Gemeenschap die geen vergelijkbare maatregelen nemen om de emissie te beperken. Energie-intensieve bedrijfstakken waarvan wordt vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt, zouden een grotere gratis toewijzing kunnen krijgen of er zou een effectieve koolstofcompensatie-regeling kunnen worden ingevoerd teneinde installaties uit de Gemeenschap waarvoor het weglekeffect een significante risicofactor vormt en installaties uit derde landen een vergelijkbare uitgangspositie te geven.Een dergelijke regeling zou aan importeurs eisen kunnen opleggen die niet minder gunstig zijn dan de eisen die voor installaties binnen de EU gelden, bijvoorbeeld door de inlevering van emissierechten verplicht te stellen. Alle genomen maatregelen zouden in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van het UNFCCC, met name het beginsel van gezamenlijke doch verschillende verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden, rekening houdend met de specifieke situatie van de minst ontwikkelde landen. Tevens moeten ze in overeenstemming zijn met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, met inbegrip van de WTO-overeenkomst.
(20) De Commissie dient derhalve uiterlijk in juni 2011 de situatie te evalueren, alle relevante maatschappelijke partners te raadplegen en in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen een verslag met eventuele voorstellen in te dienen. In deze context dient de Commissie vóór30 januari 2010 te signaleren welke energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken wellicht gevoelig kunnen zijn voor het weglekeffect. De criteria voor en de identificatie van deze bedrijfstakken en deeltakken moeten worden vastgesteld na raadpleging van de maatschappelijke partners en andere betrokkenen, in een voorstel dat aan het Europees Parlement en de Raad wordt voorgelegd.In dat voorstel moet rekening worden gehouden met het mogelijk uitblijven van een internationale overeenkomst met verplichte koolstofreducties en suggesties zijn opgenomen voor mogelijke alternatieven voor een internationale overeenkomst.
Zij dient in haar analyse uit te gaan van een beoordeling van de kostenstructuur van installaties binnen en buiten de Europese Unie en in hoeverre het mogelijk is de kosten van de vereiste emissierechten in de productprijzen door te berekenen zonder een significant verlies van marktaandeel aan installaties buiten de Gemeenschap die geen vergelijkbare maatregelen nemen om de emissie te beperken. De Commissie dient nader te bekijken wat op het vlak van concurrentievermogen en werkgelegenheid de potentiële gevolgen zijn voor producenten in de EU voor wie koolstofreductieverplichtingen gelden in hun productieproces. Alle genomen maatregelen zouden in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van het UNFCCC, met name het beginsel van gezamenlijke doch verschillende verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden, rekening houdend met de specifieke situatie van de minst ontwikkelde landen. Tevens moeten ze in overeenstemming zijn met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, met inbegrip van de WTO-overeenkomst.
Motivering
Criteria voor identificatie en classificatie van sectoren die gevolgen ondervinden van het weglekeffect dienen veel eerder te worden vastgesteld dan de datum die door de Commissie wordt voorgesteld. Zo weten de desbetreffende bedrijfstakken op voorhand wat hun te wachten staat. De directe en indirecte gevolgen voor producenten in de EU dienen te worden meegewogen.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 21
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(21) Teneinde gelijke concurrentievoorwaarden binnen de Gemeenschap te waarborgen moet het gebruik van kredieten voor emissiebeperking buiten de Gemeenschap die door exploitanten binnen de Gemeenschapsregeling worden gebruikt, worden geharmoniseerd. In het Protocol van Kyoto bij het UNFCCC worden gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor ontwikkelde landen voor de periode van 2008 tot 2012 geformuleerd en worden gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's) uit respectievelijk het Mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) en Gemeenschappelijke uitvoeringsprojecten gecreëerd, die door ontwikkelde landen kunnen worden gebruikt om gedeeltelijk aan deze streefwaarden te voldoen. Binnen het Kyoto-kader kunnen weliswaar met ingang van 2013 geen ERU's worden gecreëerd zonder dat er nieuwe gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor de gastlanden worden vastgesteld, maar het genereren van CDM-kredieten blijft mogelijk. Er dient te worden gezorgd voor een verder gebruik van gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's), voor het moment waarop er een internationale overeenkomst over klimaatverandering is, uit landen die deze overeenkomst hebben gesloten. Zonder een dergelijke overeenkomst zou een verder gebruik van CER's en ERU's deze stimulering ondermijnen en het moeilijker maken de doelstellingen van de Gemeenschap voor een toename van het gebruik van duurzame energie te verwezenlijken. Het gebruik van CER's en ERU's dient verenigbaar te zijn met de doelstelling van de Gemeenschap dat 20% van de energie tegen 2020 afkomstig is van duurzame energiebronnen en dat energie-efficiëntie, innovatie en technologische ontwikkeling moeten worden gestimuleerd. Wanneer dit verenigbaar is met de verwezenlijking van deze doelstellingen, moet de mogelijkheid worden gecreëerd dat er overeenkomsten met derde landen worden gesloten om te zorgen voor de stimulering van emissiebeperking in deze landen die zorgt voor reële, aanvullende emissiebeperking van broeikasgassen en tevens de innovatie door binnen de Gemeenschap gevestigde bedrijven en de technologische ontwikkeling in derde landen stimuleert. Deze overeenkomsten kunnen door meer dan een land worden bekrachtigd. Zodra de Gemeenschap een bevredigende internationale overeenkomst sluit, dient de toegang tot kredieten uit projecten in derde landen tegelijk met de stijging van het emissiebeperkingsniveau dat via de Gemeenschapsregeling moet worden gehaald, te worden opgevoerd.
(21) Teneinde gelijke concurrentievoorwaarden binnen de Gemeenschap te waarborgen moet het gebruik van kredieten voor emissiebeperking buiten de Gemeenschap die door exploitanten binnen de Gemeenschapsregeling worden gebruikt, worden geharmoniseerd. In het Protocol van Kyoto bij het UNFCCC worden gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor ontwikkelde landen voor de periode van 2008 tot 2012 geformuleerd en worden gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's) uit respectievelijk het Mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) en Gemeenschappelijke uitvoeringsprojecten gecreëerd, die door ontwikkelde landen kunnen worden gebruikt om gedeeltelijk aan deze streefwaarden te voldoen. Binnen het Kyoto-kader kunnen weliswaar met ingang van 2013 geen ERU's worden gecreëerd zonder dat er nieuwe gekwantificeerde emissiestreefwaarden voor de gastlanden worden vastgesteld, maar het genereren van CDM-kredieten blijft mogelijk. Er dient te worden gezorgd voor een verder gebruik van gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's), voor het moment waarop er een internationale overeenkomst over klimaatverandering is, uit landen die deze overeenkomst hebben gesloten. Zonder een dergelijke overeenkomst zou een verder gebruik van CER's en ERU's deze stimulering ondermijnen en het moeilijker maken de doelstellingen van de Gemeenschap voor een toename van het gebruik van duurzame energie te verwezenlijken. Het gebruik van CER's en ERU's dient verenigbaar te zijn met de doelstelling van de Gemeenschap dat 20% van de energie tegen 2020 afkomstig is van duurzame energiebronnen en dat energie-efficiëntie, innovatie en technologische ontwikkeling moeten worden gestimuleerd. Wanneer dit verenigbaar is met de verwezenlijking van deze doelstellingen, moet de mogelijkheid worden gecreëerd dat er overeenkomsten met derde landen worden gesloten om te zorgen voor de stimulering van emissiebeperking in deze landen die zorgt voor reële, aanvullende emissiebeperking van broeikasgassen en tevens de innovatie door binnen de Gemeenschap gevestigde bedrijven en de technologische ontwikkeling in derde landen stimuleert. Deze overeenkomsten kunnen door meer dan een land worden bekrachtigd. Zodra de Gemeenschap een bevredigende internationale overeenkomst sluit, dient de toegang tot kredieten uit projecten in derde landen tegelijk met de stijging van het emissiebeperkingsniveau dat via de Gemeenschapsregeling moet worden gehaald, te worden opgevoerd.Er dienen evenwel geen credits beschikbaar te zijn voor CDM- en JI-projecten in sectoren met een weglekrisico.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 33
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(33) Wat de benadering van toewijzing betreft, dient de luchtvaart gelijk te worden behandeld als andere bedrijfstakken die gratis overgangstoewijzingen krijgen en niet als de elektriciteitsopwekkers.Dit betekent dat 80% van de emissierechten in 2013 gratis dient te worden toegewezen en dat de gratis toewijzing aan de luchtvaart vervolgens elk jaar met gelijke hoeveelheden dient te dalen, zodat er in 2020 geen sprake meer is van gratis toewijzing. De Gemeenschap en haar lidstaten dienen te blijven werken aan een overeenkomst over mondiale maatregelen om de emissie van broeikasgassen door de luchtvaart terug te dringen en de situatie van deze bedrijfstak als onderdeel van de eerstvolgende toetsing van de Gemeenschapsregeling te evalueren.
(33) De luchtvaart is een energie-intensieve bedrijfstak, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit1.Zolang er geen levensvatbaar brandstofalternatief is, is de luchtvaart volledig afhankelijk van kerosine, met zeer hoge reductiekosten.Exploitanten van luchtvaartuigen hebben beperkte mogelijkheden om de kosten van emissierechten door te berekenen aan hun klanten. De Gemeenschap en haar lidstaten dienen te blijven werken aan een overeenkomst over mondiale maatregelen om de emissie van broeikasgassen door de luchtvaart terug te dringen. Zolang er geen internationale overeenkomst is met internationale maatregelen voor de terugdringing van emissies van broeikasgassen door de luchtvaart, bestaan er ernstige risico's van verkeersdiscrepantie en weglekeffect, met name als in de sector een hoge mate van veiling wordt toegepast in het kader van de EU-ETS.De mate van veiling van emissierechten voor de luchtvaart zou een weerspiegeling moeten zijn van het risico van een weglekeffect en de impact van de EU-ETS op het concurrentievermogen van de luchtvaart in de Europese Unie.
_______________
1 PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.
Motivering
Gezien het specifieke karakter van de luchtvaartsector is opname ervan in de EU-ETS ook een van de aandachtspunten bij de lopende herziening van Richtlijn 2003/87/EG volgens Commissievoorstel COM(2006) 818. De mate van veiling voor de luchtvaart binnen het bestek van de algemene herziening wordt bepaald na grondig onderzoek van de effecten van CO2-lekken en de gevolgen voor het concurrentievermogen van de Europese luchtvaart, waarnaar momenteel een studie van de Europese Commissie wordt verricht.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 – letter b
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter h
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
"(h) "nieuwkomer": een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en die na indiening bij de Commissie van de in artikel 11, lid 1, bedoelde lijst een vergunning voor broeikasgasemissie heeft verkregen;"
"(h) "nieuwkomer": een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en die na indiening bij de Commissie van de in artikel 11, lid 1, bedoelde lijst een vergunning voor broeikasgasemissie heeft verkregen of een herziene vergunning voor broeikasgasemissie naar aanleiding van een wijziging in de aard of de werking of van een uitbreiding van de installatie, of een fysieke wijziging met als gevolg een aanzienlijke toename van de capaciteit van de bestaande installatie;"
Motivering
Krachtens het beginsel van non-discriminatie en ter waarborging van een gelijk speelveld moeten alle producenten recht hebben op een vergelijkbare hoeveelheid gratis emissierechten op basis van een efficiëntiedoelstelling (d.w.z. een benchmark), wanneer zij nieuwe installaties openen of wanneer zij de capaciteit van een bestaande installatie vergroten. In het voorstel van de Commissie is gratis toewijzing echter beperkt tot het eerste geval.
Met dit amendement wordt de sluiting van verouderde en inefficiënte installaties gestimuleerd, alsmede de overdracht van productie naar een gecentraliseerde, moderne eenheid waar de schaalvoordelen dienen om de hoge investeringen te kunnen dragen.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter t
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(t) "stookinstallatie": een stationaire technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd, waarbij warmte of mechanische energie of beide worden geproduceerd, en andere rechtstreeks daarmee verband houdende activiteiten worden uitgevoerd, met inbegrip van afvalgasreiniging;
(t) "stookinstallatie": een stationaire technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd, waarbij warmte of mechanische energie of beide worden geproduceerd, en andere rechtstreeks daarmee verband houdende activiteiten worden uitgevoerd, met inbegrip van afvalgasreiniging.Recyclingactiviteiten zoals gedefinieerd in bijlage II B bij richtlijn 91/156/EEG zijn evenwel uitgesloten van deze definitie;
Motivering
Eén van de doelstellingen van het klimaatpakket van de EU is het bevorderen van recycling. Het is derhalve onzinnig recyclingactiviteiten op te nemen in een regeling die tot bestraffing ervan zal leiden.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter u bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(u bis) "tijdelijke gecertificeerde emissiereductie", of "tCER", is een eenheid die wordt verleend naar aanleiding van een projectactiviteit op het gebied van herbebossing of bebossing die afloopt aan het einde van de verbintenisperiode volgend op die waarin zij werd verleend, overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC).
Motivering
Het risico van niet-duurzame bosbouwactiviteiten wordt in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) ondervangen door het creëren van tijdelijke credits; de uitvoeringsbepalingen zijn in 2003 vastgesteld tijdens de conferentie van partijen (COP) in Milaan (Besluit 19/CP.9).
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter u bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(u bis) "bedrijfstakken waarin het weglekeffect een significante risicofactor vormt" zijn bedrijfstakken die zijn vastgesteld overeenkomstig de criteria van artikel 10 a, lid 9.
Motivering
Verduidelijking van sectoren met een risicofactor door te verwijzen naar criteria en de nieuwe bijlage I a.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 9 bis – lid 2 – alinea 1
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
2. Voor de installaties die pas met ingang van 2013 in de Gemeenschapsregeling worden opgenomen, zorgen de lidstaten ervoor dat de exploitanten van deze installaties bij de desbetreffende bevoegde autoriteit onafhankelijk geverifieerde emissiegegevens kunnen indienen, zodat daar met het oog op de te verlenen hoeveelheid emissierechten rekening mee kan worden gehouden.
2. Voor de installaties die pas met ingang van 2013 in de Gemeenschapsregeling worden opgenomen, zorgen de lidstaten ervoor dat de exploitanten van deze installaties bij de desbetreffende bevoegde autoriteit terdege onderbouwde en onafhankelijk geverifieerde emissiegegevens indienen, zodat daar met het oog op de te verlenen hoeveelheid emissierechten rekening mee kan worden gehouden.
Motivering
Het indienen van deze gegevens moet verplicht zijn om ze bij de hoeveelheid toe te kennen rechten mede in overweging te kunnen nemen.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – inleidende formule
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
3. Ten minste 20% van de inkomsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van emissierechten, met inbegrip van alle inkomsten uit de in lid 2, onder b), bedoelde veilingen, zou moeten worden gebruikt voor:
3. Ten minste 50% van de inkomsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van emissierechten, met inbegrip van alle inkomsten uit de in lid 2, onder b), bedoelde veilingen, zou moeten worden gebruikt voor:
Motivering
De veiling van emissierechten moet ertoe leiden dat financiële middelen niet langer worden aangewend voor vervuilende industrieën, maar voor activiteiten die gericht zijn op het ontwikkelen van hernieuwbare energieën, het opslaan van koolstof of het voorkomen dat koolstof vrijkomt.
Het certificeringssysteem waarbij de zes criteria van Helsinki inzake duurzame ontwikkeling, met name het zesde criterium met betrekking tot sociaaleconomische baten, in acht worden genomen, zou de grondslag moeten zijn voor de verdere exploitatie van de tropische bossen.
In de Europese Unie compenseert de bosbouw- en houtsector tussen 10% en 20% van de broeikasgasemissies.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – letter a
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(a) de beperking van de emissie van broeikasgassen, onder andere door bijdragen aan het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering en de financiering van onderzoek en ontwikkeling met het oog op emissiebeperking en aanpassing, inclusief deelname aan initiatieven in het kader van het Europees Strategisch plan voor energietechnologie;
(a) de beperking van de emissie van broeikasgassen, onder andere door bijdragen aan het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering en de financiering van onderzoek en ontwikkeling van de sectoren die onder deze richtlijn vallen met het oog op emissiebeperking en aanpassing, inclusief deelname aan initiatieven in het kader van het Europees Strategisch plan voor energietechnologie en de Europese Technologieplatforms;
Motivering
Aangezien een van de basisaannames van de Gemeenschapsregeling erin bestaat dat de installaties die onder het toepassingsgebied vallen een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan de reductiedoelstellingen van de EU, moeten de inkomsten van deze installaties hieraan worden besteed. De Europese Technologieplatforms (ETP's) vormen een succesvol instrument dat kracht dient te worden bijgezet.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – letter c
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(c) het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen, met name degene die afkomstig zijn van kolengestookte elektriciteitscentrales;
(c) het afvangen en de geologische opslag van broeikasgassen;
Motivering
Aangezien een van de basisaannames van de Gemeenschapsregeling erin bestaat dat de installaties die onder het toepassingsgebied vallen een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan de reductiedoelstellingen van de EU, moeten de inkomsten van deze installaties hieraan worden besteed. De Europese Technologieplatforms (ETP's) vormen een succesvol instrument dat kracht dient te worden bijgezet.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – letter d
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(d) maatregelen om ontbossing te voorkomen, met name in de minst ontwikkelde landen.
(d) maatregelen om ontbossing te voorkomen, met name in de minst ontwikkelde landen, in het bijzonder door het ontwikkelen van certificeringsprocedures, alsmede aanvullende maatregelen in de lidstaten of hun regio's om de bijdrage die bossen en houttoepassingen aan de bestrijding van de opwarming van de aarde leveren te verbeteren, met behoud van de overige functies die de bossen vervullen.
Motivering
De veiling van emissierechten moet ertoe leiden dat financiële middelen niet langer worden aangewend voor vervuilende industrieën, maar voor activiteiten die gericht zijn op het ontwikkelen van hernieuwbare energieën, het opslaan van koolstof of het voorkomen dat koolstof vrijkomt.
Het certificeringssysteem waarbij de zes criteria van Helsinki inzake duurzame ontwikkeling, met name het zesde criterium met betrekking tot sociaaleconomische baten, in acht worden genomen, zou de grondslag moeten zijn voor de verdere exploitatie van de tropische bossen.
In de Europese Unie compenseert de bosbouw- en houtsector tussen 10% en 20% van de broeikasgasemissies.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – letter g bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
(g bis) de financiering van onderzoek en ontwikkeling op het gebied van energie-efficiëntie en schone technologieën in de bedrijfstakken die onder deze richtlijn vallen.
Motivering
De veilinginkomsten dienen in principe te worden gebruikt voor het creëren van de bedrijfstakken van de toekomst met een lage koolstofemissie, waarbij het geld opnieuw wordt geïnvesteerd in de betrokken bedrijfstakken.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Ten minste 50% van de inkomsten afkomstig van het veilen van rechten zoals bedoeld in lid 2 dient te worden gebruikt voor de financiering van het terugdringen van broeikasgasemissies, het voorkomen van ontbossing en aantasting, en het aanpassen aan klimaatverandering.
Motivering
Inkomsten uit de veiling van emissierechten dienen te worden aangewend voor het aanpakken van klimaatverandering, zowel voor matiging als voor aanpassing, en te worden gebruikt voor subsidies waarmee de nodige investeringen kunnen worden gefinancierd, met name voor gezinnen met lagere inkomens. Ten minste de helft van de inkomsten dient te worden gebruikt voor financiering van matiging, aanpassing en het voorkomen van ontbossing en aantasting in ontwikkelingslanden.