over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten
(COM(2007)0619 – C6-0359/2007 – 2007/0216(COD))
Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0619),
– gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 62, lid 2, onder a), van het EGVerdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0359/2007),
– gelet op artikel 51 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0500/2008),
1. hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;
2. keurt de daaraan gehechte gezamenlijke verklaringen goed;
3. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
4. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT
op het voorstel van de Commissie voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten(1)*
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE ,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 62, lid 2, onder a),
Gezien het voorstel van de Commissie ║,
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(2),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) De Europese Raad van Thessaloniki heeft bevestigd dat in de Europese Unie een coherente aanpak nodig is inzake het gebruik van biometrische identificatiemiddelen of biometrische gegevens in documenten voor onderdanen van derde landen, paspoorten voor EU-burgers en informatiesystemen (VIS en SIS II).
(2) De Raad heeft op 13 december 2004 Verordening (EG) nr. 2252/2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten(3) vastgesteld en daarmee een belangrijke stap gezet in de richting van het gebruik van nieuwe elementen waarmee reisdocumenten beter kunnen worden beveiligd en een betrouwbaarder verband kan worden gelegd tussen de houder en zijn paspoort, dat daardoor beter beschermd is tegen frauduleus gebruik.
(3) Verordening (EG) nr. 2252/2004 behelst een algemene verplichting om vingerafdrukken te laten afnemen, die worden opgeslagen op een contactloze chip in het paspoort. Uit testen blijkt echter dat er uitzonderingen moeten kunnen worden gemaakt. Tijdens proefprojecten in sommige lidstaten is gebleken dat de vingerafdrukken van kinderen onder de zes jaar niet van voldoende kwaliteit zijn voor een een-op-een identiteitscontrole. Bovendien zijn deze vingerafdrukken erg veranderlijk, waardoor ze niet goed controleerbaar blijven gedurende de gehele geldigheidsduur van het paspoort.
(4) Om gemeenschappelijke veiligheidsnormen te behouden en de grenscontroles te vereenvoudigen, is het van essentieel belang de uitzonderingen op de verplichte afname van vingerafdrukken te harmoniseren. Zowel uit juridisch oogpunt als uit het oogpunt van veiligheid is het beter de uitzonderingen op de verplichte afname van vingerafdrukken voor paspoorten en andere door de lidstaten afgegeven reisdocumenten, niet bij nationale wetgeving te laten regelen.
(4 bis) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2252/2004 moeten biometrische gegevens worden verzameld en opgeslagen in het opslagmedium voor paspoorten en reisdocumenten, met het oog op de afgifte van zulke documenten. Dit dient ander gebruik of andere opslag van deze gegevens overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaten onverlet te laten. De verordening voorziet niet in een rechtsgrondslag voor het opzetten en bijhouden van gegevensbanken voor de opslag van deze gegevens in de lidstaten; dat is een louter nationale aangelegenheid.
(5) Als extra veiligheidsmaatregel en om kinderen extra bescherming te bieden, dient bovendien het beginsel van "één persoon per paspoort" te worden ingevoerd. Dit wordt ook aanbevolen door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en zorgt ervoor dat het paspoort en de biometrische gegevens uitsluitend aan de houder van het paspoort kunnen worden gekoppeld. Het is veiliger als iedereen een eigen paspoort heeft.
(5 bis) Rekening houdend met het feit dat de lidstaten verplicht zullen zijn individuele paspoorten te verstrekken aan minderjarigen en dat er aanmerkelijke verschillen zouden kunnen zijn tussen de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten door kinderen, dient de Commissie na te gaan of het nodig is maatregelen te nemen om te zorgen voor een gemeenschappelijke aanpak met betrekking tot de regels inzake de bescherming van kinderen die de buitengrenzen van de lidstaten overschrijden.
(6) Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter op communautair niveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 ▌van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen ║ nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
(7) Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaat. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis ║ uit hoofde van de bepalingen van titel IV van het derde deel van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dient Denemarken, overeenkomstig artikel 5 van genoemd protocol, binnen een termijn van zes maanden na de vaststelling van deze verordening te beslissen of het deze ▌ in zijn nationale wetgeving zal omzetten.
(8) Deze verordening vormt een ontwikkeling van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis(4). Het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaat.
(9) Deze verordening vormt een ontwikkeling van bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis(5). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing in Ierland.
(10) Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten Overeenkomst inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(6) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst(7).
(11) Wat Zwitserland betreft, houdt dit besluit een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat gesloten Overeenkomst inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG, juncto artikel 3 van de Besluiten 2008/146/EG(8) en 2008/149/JBZ(9) van de Raad.
(11 bis)Wat Liechtenstein betreft, houdt deze verordening een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein ondertekende Protocol betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(10), die vallen onder het gebied bedoeld inartikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG, juncto artikel 3 van Besluit 2008/261/EG van de Raad(11).
(12) Verordening (EG) nr. 2252/2004 dient daarom dienovereenkomstig te worden gewijzigd,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
▌Verordening (EG) nr. 2252/2004 wordt als volgt gewijzigd:
(1) Artikel 1, lid 1 wordt vervangen door:
"1. Door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten voldoen aan de in de bijlage vervatte minimumveiligheidsnormen.
Zij worden verstrekt als individuele documenten.
De Commissie dient uiterlijk op ...(12)* een verslag in over de voorschriften voor kinderen die alleen of onder begeleiding reizen en daarbij de buitengrenzen van de lidstaten overschrijden, en stelt indien nodig passende initiatieven voor ter waarborging van een gemeenschappelijke aanpak met betrekking tot de regels inzake de bescherming van kinderen die de buitengrenzen van de lidstaten overschrijden."
(1 bis)Artikel 1, lid 2, wordt vervangen door:
"2.Voor deze paspoorten en reisdocumenten wordt een opslagmedium gebruikt dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet en een gezichtsopname bevat. De lidstaten nemen ook tweeplatte vingerafdrukken in een interoperabel formaat op. De gegevens worden beveiligd en het opslagmedium heeft voldoende capaciteit en is voldoende geschikt om de integriteit, de authenticiteit en de vertrouwelijkheid van de gegevens te garanderen."
(2) In artikel 1 wordt het volgende lid 2 bis ingevoegd:
“2 bis. De volgende personen zijn vrijgesteld van de verplichte afname van vingerafdrukken:
a) kinderen jonger dan twaalf jaar.
De leeftijdsgrens van 12 jaar is voorlopig. In het verslag als bedoeld in lid 5 bis wordt een beoordeling van de leeftijdsgrens opgenomen, zonodig vergezeld van een voorstel tot wijziging daarvan.
Onverminderd de gevolgen van de toepassing van artikel 5 bis, kunnen lidstaten wier nationale wet, aangenomen voor ...(13)**, een lagere leeftijdsgrens dan 12 jaar voorschrijft, deze lagere leeftijdsgrens toepassen gedurende een overgangsperiode van 4 jaar, te rekenen vanaf ...**. De tijdens de overgangsperiode gehanteerde leeftijdsgrens mag echter niet lager zijn dan 6 jaar;
b) personen bij wie het nemen van vingerafdrukken fysiek onmogelijk is."
(2 bis)In artikel 1 wordt het volgende lid 2 ter ingevoegd:
"2 ter.Wanneer het nemen van een afdruk van de aangewezen vingers tijdelijk onmogelijk is, staan de lidstaten toe dat afdrukken van andere vingers worden genomen. Indien het nemen van afdrukken van de andere vingers ook tijdelijk onmogelijk is, kunnen zij een tijdelijk paspoort afgeven met een geldigheidsduur van 12 maanden of minder."
(2 ter)Het volgende artikel 1 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 1 bis
1.De biometrische identificatiemiddelen worden afgenomen door gekwalificeerd en bevoegd personeel van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van paspoorten en reisdocumenten.
2.De lidstaten verzamelen biometrische identificatiemiddelen van de aanvrager met inachtneming van de in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind vastgelegde rechten. De lidstaten zorgen voor passende procedures ter waarborging van de waardigheid van de betrokkene ingeval van moeilijkheden bij het opnemen van de gegevens."
(2 quater)Artikel 2 wordt vervangen door:
“Volgens de in artikel 5, lid 2, bedoelde procedure worden, in overeenstemming met internationale normen, waaronder met name de aanbevelingen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, aanvullende technische specificaties voor paspoorten en reisdocumenten vastgesteld voor:
a)aanvullende veiligheidskenmerken en -vereisten, met inbegrip van hogere normen ter voorkoming van vervalsing en namaak;
b)technische specificaties betreffende het medium voor de opslag van de biometrische gegevens en de veiligheid ervan, zoals het voorkomen van ongeoorloofde toegang;
c)kwaliteitseisen en gemeenschappelijke technische normen inzake gezichtsopname en vingerafdrukken.”
(2 quinquies)Artikel 4, lid 3, wordt vervangen door:
"3. Biometrische gegevens worden verzameld en opgeslagen in het opslagmedium voor paspoorten en reisdocumenten, met het oog op de afgifte van zulke documenten. Voor de toepassing van deze verordening mogen de biometrische kenmerken in paspoorten en reisdocumenten alleen worden gebruikt voor het verifiëren van:
a) de authenticiteit van het document;
b) de identiteit van de houder door middel van direct beschikbare vergelijkbare kenmerken wanneer het overleggen van een paspoort of andere reisdocumenten wettelijk vereist is.
De controle van de aanvullende veiligheidskenmerken geschiedt onverminderd het bepaalde in artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 562/2006 ((Schengengrenscode). Een negatief resultaat van de vergelijking doet niet automatisch afbreuk aan de geldigheid van het paspoort voor overschrijding van de buitengrenzen.”
(2 sexies) Het volgende artikel 5 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 5 bis
Uiterlijk op ...(14)* legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor dat gebaseerd is op een grootschalig en diepgaand onderzoek, verricht door een onafhankelijke instantie en gecontroleerd door de Commissie, naar de betrouwbaarheid en de technische haalbaarheid, onder meer op grond van een beoordeling van de nauwkeurigheid van reeds gebruikte systemen, van het gebruik van vingerafdrukken van kinderen onder twaalf jaar voor identificatie en verificatie; dit verslag bevat onder meer, een studie waarin het percentage onterechte weigeringen in de lidstaten wordt vergeleken en - op grond van de resultaten van die studie - een analyse van de behoefte aan gemeenschappelijke voorschriften voor het vergelijkingsproces. Het verslag gaat indien nodig vergezeld van voorstellen tot aanpassing van deze verordening."
(2 septies) In artikel 6 wordt de tweede alinea vervangen door:
“De lidstaten passen deze verordening toe:
a) wat betreft de gezichtsopname: uiterlijk 18 maanden
b) wat betreft de vingerafdrukken: uiterlijk 36 maanden
na de aanneming van de in artikel 2 bedoelde maatregelen. Reeds afgegeven paspoorten en reisdocumenten blijven evenwel geldig.
Artikel 1, lid 1, tweede zin wordt uiterlijk op ..*. ten uitvoer gelegd. Dit heeft echter geen gevolgen voor de initiële geldigheid voor de houder ervan."
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten.
Gedaan te Brussel, ║
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De Voorzitter De Voorzitter
Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad over de noodzaak de veiligheid van paspoorten en reisdocumenten te vergroten door veilige onderliggende documenten te gebruiken
Onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten tot het afgeven van paspoorten en andere reisdocumenten, benadrukken het Europees Parlement en de Raad dat het streven naar veiliger paspoorten kan worden ondermijnd indien paspoorten worden afgegeven op basis van onbetrouwbare onderliggende documenten.
Het paspoort als zodanig is slechts één schakel in een veiligheidsketen die begint met de indiening van de onderliggende documenten, vervolgens de afname van biometrische kenmerken behelst en eindigt met de vergelijking van de gegevens aan grenscontroleposten. Deze keten is niet veiliger dan zijn zwakste schakel.
Het Europees Parlement en de Raad wijzen erop dat de lidstaten een grote verscheidenheid aan situaties en procedures kennen met betrekking tot de voor een paspoortaanvraag vereiste onderliggende documenten, en dat deze documenten minder veiligheidskenmerken vertonen dan het paspoort als zodanig en in hogere mate vatbaar zijn voor namaak en vervalsing.
De Raad zal derhalve een vragenlijst opstellen voor de lidstaten om een vergelijking te kunnen maken tussen de procedures en de documenten die elke lidstaat voorschrijft voor de afgifte van paspoorten of reisdocumenten. Op basis van deze analyse moet kunnen worden beoordeeld of er gemeenschappelijke beginselen of richtsnoeren inzake beste praktijken moeten worden opgesteld.
Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de in artikel 5 bis bedoelde studie
Het Europees Parlement en de Raad noteren dat de Commissie één studie zal verrichten voor de doeleinden van artikel 5 bis van deze verordening en artikel 2 van [het voorstel voor een] Verordening houdende wijziging van de Gemeenschappelijke Visuminstructies.
* Politieke amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.Technische correcties en aanpassingen door de diensten: nieuwe of vervangende tekst staat in cursief, schrappingen zijn met het symbool ║ aangegeven.
*Drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
TOELICHTING
Achtergrond
Op 13 december 2004 werd Verordening (EG) nr. 2252/2004 betreffende de normen voor de veiligheidskenmerken van en de biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten aangenomen door de Raad.
Het Parlement heeft destijds een advies(1) uitgebracht (met verschillende wijzigingsvoorstellen waarvan de meeste niet werden gehonoreerd) ter ondersteuning van het idee om de veiligheidsnormen te harmoniseren en tegelijkertijd biometrische identificatiekenmerken in te voeren (gelaatsopnamen en vingerafdrukken). Deze harmonisatie was bedoeld om op een veiliger wijze paspoorten te kunnen maken en de documenten en de wettelijke houder daarvan op betrouwbaarder wijze te koppelen, waardoor documentvervalsing kan worden tegengegaan en misdaad, terrorisme en clandestiene immigratie effectiever kunnen worden bestreden.
Het Parlement waarschuwde echter ook dat het gebruik van deze nieuwe technologieën nog niet was uitgeprobeerd of getest, en stelde dat de desbetreffende technische specificaties operationeel dienden te zijn vóór de afgifte van biometrische paspoorten, en dat de lidstaten aan verschillende vereisten moesten voldoen met betrekking tot de bescherming van de burgerrechten.
Uw rapporteur verwelkomt de conclusie van de Artikel 29-commissie dat bij de tenuitvoerlegging van de verordening de desbetreffende regels in hun algemeenheid ten volle in acht zijn genomen en dat is voldaan aan de technische specificaties die vervolgens door de Commissie zijn aangenomen.
Niettemin bleek tijdens de in enkele lidstaten uitgevoerde proefprojecten dat de vingerafdrukken van kinderen onder de zes jaar niet van voldoende kwaliteit waren voor een één-op-één verificatie van de identiteit.
De Commissie heeft derhalve besloten dit nieuwe voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2252/2004 voor te leggen en over te gaan tot invoering van:
- een tweetal derogaties van de verplichting vingerafdrukken te laten afnemen, waardoor kinderen onder de zes jaar en alle personen die om verschillende redenen fysiek niet in staat zijn om vingerafdrukken te laten afnemen van deze verplichting zijn vrijgesteld;
- het principe van één persoon – één paspoort.
Standpunt van de rapporteur
Uw rapporteur is van mening dat de door de Commissie voorgestelde maatregelen over het algemeen positief en noodzakelijk zijn, maar wil van de gelegenheid gebruikmaken om verdere verbeteringen in te voeren.
1. Het gebruik van kinderpaspoorten als middel om kinderontvoering en kinderhandel te bestrijden
Uw rapporteur is van oordeel dat de verordening een lacune bevat in die zin dat daarin geen specifieke regels zijn geformuleerd voor kinderen en dat er geen leeftijdsgrens is aangegeven voor het afnemen van vingerafdrukken bij kinderen. Hetzelfde geldt voor mensen die fysiek niet in staat zijn om vingerafdrukken te laten afnemen en speciale behandeling nodig hebben in de vorm van alternatieve procedures.
De verordening laat het aan de nationale wetgevers om te beslissen of er al dan niet eventuele uitzonderingen moeten worden gedefinieerd op de verplichting om vingerafdrukken te laten afnemen voor paspoorten en andere door de lidstaten afgegeven reisdocumenten.
Harmonisatie op dit terrein is van cruciaal belang, en overwegende dat in het eigen land van uw rapporteur, Portugal, alle kinderen die vanaf hun zesde jaar de basisschool bezoeken in het bezit dienen te zijn van een identiteitskaart met vingerafdrukken, heeft uw rapporteur in principe geen al te grote problemen met het accepteren van deze leeftijdsgrens.
Ook dient te worden benadrukt dat de afgifte van paspoorten voor kinderen niet verplicht is, wat wel het geval is bij identiteitskaarten. Het paspoort is een reisdocument dat alleen nodig is als men wil reizen buiten het in het Schengen-akkoord vastgestelde gebied. Dit lijkt dan ook geen al te grote druk te leggen op ouders, die ter bescherming van hun kinderen ongetwijfeld de beste regels en procedures wensen.
Voor wat betreft het afnemen van vingerafdrukken bij kinderen gaat het Parlement uit van een minimumleeftijd van 12 jaar in het geval van identificatiedoeleinden (met opslag van de gegevens in een Europese database); voor deze leeftijdsgrens geldt een clausule die verplicht tot herziening om de drie jaar.
De Europese toezichthouder voor gegevensbescherming heeft er in zijn advies op gewezen dat indien deze biometrische gegevens uitsluitend worden gebruikt voor verificatiedoeleinden (één-op-één vergelijking), de kans op fouten veel kleiner is, en de leeftijdsgrens verlaagd kan worden.
Uw rapporteur acht de minimumleeftijd van zes jaar voor uitsluitend verificatiedoeleinden dan ook aanvaardbaar, en heeft een aantal wijzigingen voorgesteld om dit principe onverkort ingang te doen vinden. Ook stelt hij verdere, speciale maatregelen voor, zoals het gebruik van een specifiek veld in het paspoort met de naam of namen van de persoon of personen die ouderlijke verantwoordelijkheid draagt of dragen voor het kind.
Aangezien er nog weinig ervaring is opgedaan met het gebruik van deze nieuwe technologieën, acht uw rapporteur het van belang om specifieke, betrouwbare gegevens te vergaren om de juiste beslissingen te kunnen nemen. Hij stelt dan ook voor een clausule in te voeren die verplicht tot een herziening om de drie jaar, in afwachting van de resultaten van een grootschalige en diepgaande studie (waarom reeds wordt gevraagd in het biometrieverslag gemeenschappelijke visuminstructies(2) en die voorgesteld wordt door de Artikel 29- commissie en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming) ter vaststelling van de betrouwbaarheid en het nut van de vingerafdrukken die worden afgenomen van kinderen en ouderen. Aangezien wij momenteel alleen beschikken over de resultaten van in enkele lidstaten uitgevoerde proefprojecten (die overigens bevestigen dat vanaf zesjarige leeftijd gebruik kan worden gemaakt van vingerafdrukken van kinderen voor identificatiedoeleinden), kunnen we slechts een voorlopig besluit nemen totdat deze onafhankelijke studie is afgerond en we over de noodzakelijke gegevens beschikken om een meer gedegen beslissing te kunnen nemen.
2. Invoering van het beginsel ‘Eén persoon – één paspoort’
Uw rapporteur ondersteunt dit voorstel van de Commissie tot tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de ICAO (Internationale Burgerluchtvaartorganisatie). Deze worden door het merendeel van de lidstaten reeds toegepast, en bieden de mogelijkheid een einde te maken aan situaties waarin nog paspoorten worden afgegeven waarin wél de namen van kinderen van de houder zijn vermeld, maar die verder alleen de biometrische gegevens van de ouder, dus van de houder van het paspoort, bevatten. Dergelijke situaties werken kinderhandel in de hand omdat het lastig is de identiteit van het kind op betrouwbare wijze te controleren. Iedereen zou een eigen paspoort moeten hebben met zijn of haar biometrische gegevens.
Volgens een recente studie door Childfocus is het risico van kinderontvoering en kinderhandel het grootst voor kinderen die alleen reizen. Volgens de regels van de IATA (Internationale Luchtvaartassociatie) mogen kinderen slechts alleen reizen vanaf zesjarige leeftijd. Het feit dat kinderen vanaf deze leeftijd hun eigen reisdocument met de bijbehorende biometrische gegevens hebben, biedt ongetwijfeld extra bescherming tegen kinderhandel (zoals ook door de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming wordt erkend in zijn advies).
Uw rapporteur heeft niet de bedoeling de huidige wetgeving in twijfel te trekken, allerminst de (Schengen)grenscode, die is bedoeld om minderjarigen te beschermen en die grenswachten verplicht bijzondere aandacht te schenken aan al dan niet onder begeleiding reizende minderjarigen, en die bepaalt dat bij het passeren van de buitengrenzen voor minderjarigen dezelfde controleprocedures gelden als voor volwassenen. Indien controles van volwassenen zijn gebaseerd op hun paspoort, zou derhalve hetzelfde moeten gelden voor kinderen, die dus ook hun eigen paspoort zouden moeten hebben. In het geval van minderjarigen die onder begeleiding reizen, zou het, gelet op het feit dat de grenswacht dient te controleren of deze kinderen onder ouderlijk gezag staan van degene(n) die hen begeleidt of begeleiden, de taak van de grenswacht aanzienlijk verlichten als minderjarigen een paspoort zouden hebben met hun persoonlijke gegevens en de vermelding van de naam van de personen, normaliter de eigen ouders, die ouderlijke verantwoordelijkheid voor hen dragen.
3. Noodzaak van een hoge mate van vertrouwelijkheid bij de vergaring van biometrische gegevens
Willen paspoorten en reisdocumenten veilig zijn, dan is het van cruciaal belang dat een hoge mate van vertrouwelijkheid in acht wordt genomen bij het vergaren van biometrische gegevens die in de betreffende documenten worden verwerkt. Ook zou het wenselijk zijn om gemeenschappelijke minimumnormen te hanteren voor de vergaring van deze gegevens om de veiligheid en betrouwbaarheid daarvan te garanderen.
De verwerking van biometrische gegevens neemt reële risico’s met zich mee voor degenen wier gegevens worden vergaard. Bij een gebrekkige vergaring kunnen hun gegevens immers zoekraken of worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor ze zijn vergaard.
Er zijn dan ook wijzigingen voorgesteld om de procedures voor gegevensvergaring te harmoniseren en om procedures te formuleren waarop kan worden teruggevallen als zich problemen voordoen bij het afnemen van vingerafdrukken.
4.De rol van gegevensbeschermingsautoriteiten
Op 10 december 2007 ontvingen wij een reactie op de brief van de heer Cavada aan de Artikel 29-commissie inzake de tenuitvoerlegging van de Verordening in elk van de lidstaten. In dit antwoord werd erop gewezen dat (in weerwil van de aanbevelingen die het Parlement destijds had gedaan) de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten niet altijd werden betrokken bij de tenuitvoerlegging.
Uw rapporteur betuigt tevens zijn steun aan de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, die het betreurt dat de Commissie bij het formuleren van dit wetsvoorstel niet heeft voldaan aan haar wettelijke verplichting om met hem in overleg te treden ingevolge artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) 45/2001.
Uw rapporteur legt dan ook een aantal voorstellen aan u voor om de autoriteiten voor gegevensbescherming meer bij dit proces te betrekken.
5. Mogelijke invoering van een Europees systeem voor de vergelijking van vingerafdrukken
De wijze waarop vingerafdrukken worden vergeleken (on-site matching – verificatie van de biometrische identificatiegegevens van de houder van het paspoort door deze ter plaatse te vergelijken met de gegevens die zijn opgeslagen in de chip van het paspoort) verschilt per lidstaat, hetgeen kan leiden tot fouten bij de verificatie van de identiteit. Het lijkt van belang om de in de lidstaten geregistreerde eventuele tekortkomingen in identificatiesystemen en de foutpercentages te analyseren om vast te kunnen stellen of er grote verschillen bestaan tussen de lidstaten en of het nodig is een Europees vergelijkingssysteem in te voeren. Welk systeem ook wordt gebruikt, het is van vitaal belang dat het veilig is en dat het een zeer laag percentage onterechte weigeringen heeft. Dergelijke situaties kunnen immers ernstige gevolgen hebben voor de rechtmatige houders van documenten.
Derhalve wordt voorgesteld een clausule te formuleren die verplicht tot een evaluatie om de drie jaar, in afwachting van de resultaten van een studie waarin de in elk van de lidstaten geregistreerde foutpercentages worden vergeleken om te kunnen beoordelen of er gemeenschappelijke regels moeten worden opgesteld voor vergelijkingsprocedures.
6. Mogelijke formulering van gemeenschappelijke regels voor documenten die moeten worden overlegd ten behoeve van de afgifte van paspoorten – de zogenaamde ‘breeder documents’
Er bestaan grote verschillen tussen de lidstaten ten aanzien van de documenten die moeten worden overlegd (zoals geboorteaktes, rijbewijzen, persoonskaarten, bewijzen van ouderlijk gezag, etc.) en de wijze waarop deze documenten worden afgegeven. Gelet op het feit dat de veiligheidsmarge bij deze documenten als regel smaller is dan bij de afgifte van paspoorten met biometrische gegevens die zijn beschermd door strakkere systemen (PKI-systemen), bestaat het risico dat deze documenten gemakkelijker ten prooi vallen aan vervalsing.
Voorgesteld wordt dan ook om binnen de context van het binnen drie jaar door de Commissie voor te leggen verslag tevens de behoefte aan gemeenschappelijke regels te evalueren en, indien deze behoefte bestaat, de noodzakelijke wetsvoorstellen voor te leggen aan het Parlement.
Tot slot moet erop worden gewezen dat de veiligheid van paspoorten niet alleen afhankelijk is van het paspoort zelf. Even belangrijk is de procedure als geheel, beginnend met de overlegging van de documenten die noodzakelijk zijn ter verkrijging van het paspoort, gevolgd door de vergaring van biometrische gegevens, en eindigend met de verificatie en vergelijking bij de grenscontroleposten. Het lijkt weinig zinvol om het huidige veiligheidsniveau met betrekking tot paspoorten te verhogen zonder aandacht te schenken aan de zwakke schakels in de rest van de keten.
Alexander Alvaro, Maddalena Calia, Jean-Marie Cavada, Carlos Coelho, Bárbara Dührkop Dührkop, Armando França, Jeanine Hennis-Plasschaert, Ewa Klamt, Claude Moraes, Rareş-Lucian Niculescu, Inger Segelström
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Edit Bauer, Simon Busuttil, Elisabetta Gardini, Genowefa Grabowska, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Antonio Masip Hidalgo, Bill Newton Dunn, Eva-Britt Svensson