met een voorstel voor een aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad over de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie
(2008/2144(INI))
Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
– gezien het door Roberta Angelilli namens de UENFractie ingediende voorstel voor een aanbeveling aan de Raad over de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie (B6-0216/2008),
– gelet op artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht van kinderen op bescherming en zorg is vastgelegd,
– gelet op artikel 34 van de Conventie van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind(1),
– gelet op Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad van 22 december 2003 ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie(2) ("het Kaderbesluit"),
– gezien het op 16 november 2007 gepubliceerde verslag van de Commissie op basis van artikel 12 van het Kaderbesluit (COM(2007)0716) ("het Commissieverslag"),
– gelet op het Verdrag inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van de Raad van Europa(3) ("het Verdrag van de Raad van Europa"),
– gelet op het Optionele Protocol uit 2000 bij de Conventie van de Verenigde Naties over de rechten van het kind, betreffende verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 januari 2008: Naar een EU-strategie voor de rechten van het kind(4),
– gezien de conclusies van het "Pact van Rio de Janeiro om seksuele uitbuiting van kinderen te voorkomen en te stoppen", die van 25-28 november 2008 op het derde wereldcongres tegen de seksuele uitbuiting van kinderen en jongeren zijn gedaan,
– gelet op artikel 114, lid 3, van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0012/2009),
A. overwegende dat het Verdrag van de Raad van Europa, dat door twintig EU-lidstaten is ondertekend, het eerste internationale juridische instrument is waarmee de diverse vormen van seksueel misbruik van kinderen tot strafbaar feit worden verklaard, inclusief misbruik dat bijvoorbeeld is begaan met gebruikmaking van geweld, dwang of bedreigingen, zelfs binnen het gezin,
B. overwegende dat zeven lidstaten het Verdrag van de Raad van Europa nog steeds niet hebben ondertekend en dat acht lidstaten het Optionele Protocol uit 2000 bij de Conventie van de Verenigde Naties over de rechten van het kind, betreffende verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie, nog steeds niet hebben geratificeerd,
C. overwegende dat kinderen steeds meer gebruik maken van nieuwe technologie en dat een steeds aanzienlijker deel van het sociale leven van kinderen en jongeren online plaatsheeft, waar voortdurend evoluerende geavanceerde technologie en communicatie-instrumenten worden gebruikt; overwegende dat het internet bijgevolg steeds meer wordt gebruikt door potentiële en effectieve zedendelinquenten voor de voorbereiding van seksueel misbruik van kinderen, in het bijzonder via grooming en kinderpornografie,
1. doet de volgende aanbevelingen aan de Raad:
a) die lidstaten die dit niet reeds hebben gedaan aanmoedigen om alle relevante internationale verdragen te ondertekenen, ratificeren en implementeren, allereerst het Verdrag van de Raad van Europa, aangezien dit Verdrag bijkomende bescherming van de rechten van kinderen biedt ten opzichte van het Kaderbesluit, maar ook het Optionele Protocol uit 2000 bij de Conventie van de Verenigde Naties over de rechten van het kind over verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie,
b) de lidstaten bijstaan met betrekking tot de verbetering van hun wetgeving alsmede de extraterritoriale samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied; vragen dat zedendelicten jegens kinderen onder 18 jaar in de hele EU altijd worden geclassificeerd als uitbuiting van een minderjarige, dit conform bovengenoemde resolutie van het Parlement van 16 januari 2008;
c) de lidstaten in staat stellen de vereiste van dubbele strafbaarheid expliciet niet toepasselijk te verklaren voor de vaststelling van de bevoegdheid met betrekking tot overeenkomstig het Kaderbesluit vastgestelde misdaden;
d) de lidstaten aansporen om alle soorten seksueel misbruik van kinderen strafbaar te stellen;
Uitvoering van het Kaderbesluit
e) de lidstaten die het Kaderbesluit nog niet volledig hebben uitgevoerd, helpen dit zo spoedig mogelijk te doen; er moet met name nadruk worden gelegd op de goedkeuring van wetgeving voor de definitie van kinderpornografie overeenkomstig artikel 1, onder b), van het Kaderbesluit, door te voorzien in mechanismen voor de bescherming van slachtoffers en door artikel 8, lid 1, onder b), van het Kaderbesluit inzake extraterritoriale bevoegdheid (sekstoerisme) uit te voeren;
f) vragen om effectieve bescherming tegen seksuele uitbuiting van kinderen doordat sekstoerisme in alle lidstaten als een misdrijf wordt beschouwd; verlangen dat alle burgers van de EU die een zedenmisdrijf jegens kinderen in een land binnen of buiten de EU begaan, onder een uniforme extraterritoriale strafwetgeving vallen, die in de hele EU van toepassing zal zijn;
g) in samenwerking met de Commissie en de lidstaten het toezicht op de uitvoering van het Kaderbesluit verbeteren, om tijdig volledige informatie te verkrijgen via de instelling van mechanismen die de lidstaten in staat stellen relevant informatie, inclusief de definities van misdaden, op te nemen in adequate thematische velden en zo de vergelijking van de rechtstelsels van de lidstaten te vereenvoudigen;
h) de lidstaten aanmoedigen om in detail verslag uit te brengen over de stand van zaken wat betreft grensoverschrijdende samenwerking en met name over de vraag of wettelijk in samenwerking met NGO's is voorzien dan wel of deze samenwerking in de praktijk voorkomt;
i) de lidstaten aanmoedigen verslag uit te brengen over de bestemming van activa die in beslag zijn genomen bij een bewezen geval van kinderprostitutie of kinderpornografie;
Herziening van het Kaderbesluit
j) het Kaderbesluit herzien op basis van het voorstel van het voorzitterschap van de Raad, een voorstel van een andere lidstaat of een voorstel van de Commissie, om het beschermingspeil op zijn minst te verhogen tot het peil waarin het Verdrag van de Raad van Europa voorziet, met onder andere een krachtigere focus op misbruiken die verband houd met het internet en andere communicatietechnologie; beveelt aan de volgende elementen in het voorstel op te nemen:
– de instelling van nationale beheerssystemen voor zedendelinquenten, met risicobeoordeling en interventieprogramma's om het risico van recidive te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, alsmede therapieën die voor zedendelinquenten beschikbaar zijn. Deze interventieprogramma’s en de vrijwillige therapie moeten kunnen worden gefinancierd uit middelen van de algemene begroting van de EU om te garanderen dat in de hele EU het welzijn van de kinderen centraal staat;
– versterking van de op mensenrechten gebaseerde en op het slachtoffer gerichte benadering;
– het strafbaar stellen van grooming (kinderen benaderen voor seksuele doeleinden) en het gebruik van een definitie van groomingop basis van artikel 23 van het Verdrag van de Raad van Europa;
– het strafbaar stellen van het ontplooien van seksuele activiteiten met een persoon die minder- of meerderjarig is voor seksuele contacten maar jonger dan 18 jaar, als gebruik wordt gemaakt van dwang, geweld of dreigementen of als misbruik wordt gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed jegens het kind, ook binnen het gezin, van een bijzonder kwetsbare situatie van het kind, met name door een geestelijke of lichamelijke handicap, of van een situatie van afhankelijkheid, of nog in gevallen waar geld of andere vormen van vergoeding of waardering als betaling in ruil voor het ontplooien van seksuele activiteiten door het kind worden gegeven;
– het strafbaar stellen van het dwingen van een kind tot een huwelijk;
– het strafbaar stellen van het bewust bijwonen van pornografische voorstellingen met kinderen en het met opzet ervoor zorgen dat kinderen getuige van seksueel misbruik of seksuele activiteiten zijn;
– het strafbaar stellen van providers van chatrooms of internetfora voor pedofielen;
– maatregelen om ervoor te zorgen dat de lidstaten, in het kader van een algemene strategie van internationale samenwerking op het gebied van diplomatie, administratie en rechtshandhaving, adequate stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat illegaal materiaal in verband met kindermisbruik aan de bron van het internet worden gehaald, waarbij maximaal bescherming wordt verleend aan slachtoffers, en samen te werken met internetproviders om websites buiten werking te stellen die worden gebruikt om overeenkomstig het Kaderbesluit vastgestelde misdaden te plegen of te adverteren voor de mogelijkheid deze te plegen;
– de nationale rechtshandhavingsinstanties toestaan internetproviders te verplichten de toegang te blokkeren tot websites die worden gebruikt om overeenkomstig het Kaderbesluit vastgestelde misdaden te plegen of te adverteren voor de mogelijkheid deze te plegen, en indien zij dit nalaten, te eisen dat de voor deze doeleinden gebruikte geregistreerde domeinnamen worden geschrapt;
– het werk van de Commissie steunen om samen met de grootste creditcardondernemingen de technische mogelijkheid te onderzoeken tot het sluiten of anderszins belemmeren van het internetbetaalsysteem voor websites die betrokken zijn bij de internetverkoop van kinderpornografisch materiaal; tegelijk andere actoren in het bedrijfsleven, zoals banken, wisselkantoren, internetleveranciers en zoekmachine-ondernemingen aanmoedigen om actief deel te nemen aan de inspanningen tegen kinderpornografie en andere commerciële uitbuiting van kinderen;
– de lidstaten aanmoedigen om ouders te voorzien van gemakkelijk hanteerbare programma’s waarmee zij de toegang van kinderen tot pornografische websites kunnen blokkeren;
– maatregelen nemen om de slachtoffers van seksuele uitbuiting aan te moedigen om bij de nationale gerechten een verzoek tot strafrechtelijke vervolging of een civielrechtelijke vordering tegen zedendelinquenten in te dienen;
– een herziening van artikel 5, lid 3, van het Kaderbesluit, dat slechts een minimale basis biedt om te voorkomen dat veroordeelde zedendelinquenten toegang krijgen tot kinderen via een baan of vrijwilligersactiviteiten die regelmatig contact met kinderen inhouden, waarbij onder andere moet worden overwogen of de lidstaten moeten worden verplicht ervoor te zorgen dat sollicitanten voor bepaalde posten voor werk met kinderen worden onderworpen aan een controle van hun strafblad, alsmede de vaststelling van duidelijke regels of richtsnoeren voor werkgevers met betrekking tot hun verplichtingen op dit gebied;
– internationale samenwerking bevorderen door gebruik te maken van de instrumenten waarin in artikel 38 van het Verdrag van de Raad van Europa is voorzien;
– specifieke beroepsgroepen ontslaan van de geheimhoudingsplicht, wanneer een persoon informatie verkrijgt over een overeenkomstig het Kaderbesluit vastgestelde misdaad of ernstige redenen heeft om aan te nemen dat een dergelijke misdaad is begaan, in gevallen waar de informatie rechtstreeks afkomstig is van een slachtoffer van seksuele uitbuiting;
– een verplichting voor degenen wier werk regelmatig contact met kinderen inhoudt, om melding te maken van situaties waar zij redelijke grond hebben om misbruik te vermoeden;
– de herkenning van misbruikte kinderen verbeteren door personeel dat regelmatig contact met hen heeft, hiervoor op te leiden en door rechtshandhavingspersoneel dat mogelijk contact met misbruikte kinderen heeft, hiervoor op te leiden;
– zorg dragen voor de grootst mogelijke bescherming van kinderen gedurende rechtszittingen alsmede gedurende onderzoek, om trauma's te voorkomen, door te voorzien in specifieke regelingen voor de manier om bij kindslachtoffers via interviews bewijzen te verzamelen;
– advertenties verbieden waarin het plegen van overeenkomstig het Kaderbesluit vastgestelde misdaden wordt aangemoedigd;
– het strafbaar stellen van uitlokking van, medeplichtigheid aan en poging tot alle overeenkomstig het Kaderbesluit vastgestelde misdaden;
– de lidstaten aanmoedigen tot het nemen van elke noodzakelijke maatregel om discriminatie en stigmatisering van de slachtoffers van kindermisbruik te voorkomen;
– de lijst van verzwarende omstandigheden voor de bepaling van de straffen voor overeenkomstig het Kaderbesluit vastgestelde misdaden aanvullen met een lijst van verzwarende omstandigheden overeenkomstig artikel 28 van het Verdrag van de Raad van Europa;
– uitbuiting van een gezagpositie door een delinquent (binnen het gezin, in het onderwijs, in beroepsomstandigheden, in het geval van illegale migratie enz.) kwalificeren als verzwarende omstandigheid;
k) alle lidstaten aanmoedigen om het alarmsysteem voor vermiste kinderen in te voeren, om de samenwerking op Europees niveau te verbeteren;
l) samen met de lidstaten en de Commissie een actieprogramma opzetten om kinderen waarvan met behulp van pornografische beelden is vastgesteld dat zij seksueel zijn misbruikt, passende bescherming en steun te bieden;
o o
o
2. verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Commissie en de lidstaten.
Goedgekeurd en opengesteld voor ondertekening, ratificatie en toetreding bij resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties 44/25 van 20 november 1989.
Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie zijn een ernstige schending van de mensenrechten.
Uit de mededeling van de Commissie kan worden afgeleid dat niet alle lidstaten de voorschriften van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad van 22 december 2003 hebben nageleefd.
Hoewel de wetgeving van de lidstaten in behoorlijk strenge straffen en een behoorlijk hoog peil van bescherming tegen misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie voorziet, is de rapporteur van mening dat het Kaderbesluit van 2004 moet worden bijgewerkt om de bescherming van minderjarigen te verbeteren, mede gelet op de voortdurende ontwikkeling van nieuwe technologie, met name op het internet, en het gebruik door pedofielen van nieuwe methoden om kinderen online voor seksuele doeleinden te lokken (grooming).
Daarnaast moet gevolg worden gegeven aan de volgende aanbevelingen:
-ratificatie van het Verdrag inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van de Raad van Europa van 25 oktober 2007;
-strafbaar stellen van het online lokken van minderjarigen voor seksuele doeleinden (grooming);
-de definitie van grooming moet gebaseerd zijn op artikel 23 van bovengenoemd Verdrag van de Raad van Europa;
-het ontplooien van seksuele activiteiten met een kind onder of boven een bepaalde leeftijd moet als misdaad worden beschouwd in alle gevallen waarin het Kaderbesluit voorziet, maar ook in de gevallen waarin bovengenoemd Verdrag van de Raad van Europa voorziet;
-de lidstaten verplichten informatie op het strafblad die betrekking heeft op veroordelingen voor seksueel misbruik, uit te wisselen, om de toegang tot banen of vrijwilligersactiviteiten die rechtstreeks contact met minderjarigen inhouden, te verbieden;
-de extraterritoriale samenwerking verbeteren en de lidstaten verzoeken de vereiste van dubbele strafbaarheid niet toepasselijk te verklaren;
-uitsluiten dat wie seksueel misbruik heeft gepleegd, beroepsactiviteiten kan ontplooien die contact met minderjarigen inhouden;
-de bescherming van slachtoffers tijdens het onderzoek en vóór en na het eventuele proces verbeteren.
VOORSTEL VOOR EEN AANBEVELING (B6-0216/2008) (13.5.2008)
ingediend overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement
door Roberta Angelilli
namens de UEN-Fractie
ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie
Het Europees Parlement,
– gelet op Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad van 22 december 2003 ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie,
– gezien het verslag van de Commissie op basis van artikel 12 van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad van 22 december 2003,
– gelet op artikel 114, lid 1, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de lidstaten overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad vóór 20 januari 2006 de nodige maatregelen moesten hebben genomen om dit Kaderbesluit uit te voeren,
B. overwegende dat eind april 2007 drie lidstaten Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad nog niet hadden uitgevoerd,
1. doet de volgende aanbevelingen aan de Raad:
(a) de lidstaten die het bovengenoemde Kaderbesluit nog niet hebben uitgevoerd te verzoeken dit zo snel mogelijk te doen;
(b) de lidstaten die nog geen wetgeving hebben goedgekeurd met betrekking tot de definitie van kinderpornografie overeenkomstig artikel 1, onder b), van het Kaderbesluit te verzoeken dit zo snel mogelijk te doen;
(c) de lidstaten die de relevante documentatie voor de evaluatie van hun wetgeving met betrekking tot de definitie van "computersysteem" nog niet hebben doorgestuurd, te verzoeken dit zo snel mogelijk te doen;
(d) de lidstaten die nog niet voldoen aan de minimumvereisten op het gebied van de strafbaarstelling van kinderpornografie te verzoeken hier zo snel mogelijk voor te zorgen,
(e) de lidstaten die nog niet in overeenstemming zijn met de regel betreffende extraterritoriale bevoegdheid wanneer de dader een onderdaan is van het land in kwestie, te verzoeken hier zo snel mogelijk voor te zorgen,
(f) de lidstaten die nog geen wetgeving hebben goedgekeurd om de bescherming van en de bijstand aan kinderen die het slachtoffer zijn van seksuele uitbuiting, te verbeteren te verzoeken dit zo snel mogelijk te doen;
2. verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Commissie en de bevoegde commissie van het Parlement.
ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (8.10.2008)
aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
over de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie
De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. neemt met bezorgdheid nota van de toegenomen verspreiding van kinderpornografie via het internet, waarbij steeds jongere kinderen zijn betrokken; doet een beroep op alle lidstaten om het blokkeren van toegang tot websites met kinderpornografie wettelijk verplicht te stellen, zodat internetproviders gedwongen worden dergelijke criminele sites te blokkeren;
2. roept de Commissie er in het kader van internationale samenwerking toe op om intensiever werk te maken van het filteren en sluiten van websites met kinderpornografie;
3. verzoekt de lidstaten verslag uit te brengen over de stand van zaken in de dialoog met belanghebbenden over het sluiten van illegale websites; verzoekt de Commissie de besprekingen met nationale instanties en belanghebbenden te intensiveren, teneinde een geïntegreerde strategie voor het sluiten van dergelijke websites te ontwikkelen;
4. benadrukt met name de noodzaak om voor ouders en tieners bewustmakingscampagnes te ontwikkelen over het gevaar van kinderpornografie op het internet en met name over het risico van seksuele uitbuiting in chatrooms en op forums; feliciteert lidstaten die dergelijke campagnes reeds hebben gelanceerd;
5. prijst Europese NGO's en professionele organisaties die reeds op ouders en kinderen gerichte campagnes hebben ontwikkeld;
6. verzoekt de lidstaten om adequate ondersteuning te bieden aan de slachtoffers en hun familieleden, en om de Commissie in detail op de hoogte te houden van de daartoe genomen maatregelen, met name als het gaat om taalondersteuning, juridische en psychosociale bijstand, speciaal verleende verblijfsvergunningen en hulp tijdens de strafrechtelijke procedure;
7. doet een beroep op de lidstaten om de bescherming van kinderen die door familieleden zijn misbruikt te verbeteren;
8. verzoekt de lidstaten om in detail verslag uit te brengen over de stand van zaken wat betreft grensoverschrijdende samenwerking en met name over de vraag of samenwerking met NGO's wettelijk of in de praktijk voorzien is;
9. verzoekt EUROPOL om een speciale eenheid belast met kinderpornografie en kinderprostitutie op te richten, die is samengesteld uit deskundigen met een opleiding op het gebied van genderspecifieke kwesties, met het oog op samenwerking met de Virtual Global Taskforce (VGT); roept op tot nauwe samenwerking tussen deze speciale eenheid en de politiediensten van de lidstaten en derde landen die bevoegd zijn op het vlak van kinderpornografie en prostitutie, om een internationaal netwerk op te richten ter bestrijding van deze fenomenen;
10. verzoekt de lidstaten verslag uit te brengen over de bestemming van activa die in beslag zijn genomen bij een bewezen geval van kinderprostitutie of kinderpornografie;
11. verzoekt de lidstaten hun regels van procesrecht in verband met de rechtsmacht en het vraagstuk van de extraterritoriale bevoegdheid te herzien, zodat gegarandeerd wordt dat de daders niet aan rechtsvervolging ontkomen; roept de bevoegde instanties op hierover informatie uit te wisselen;
12. verzoekt de Commissie om, in samenwerking met de lidstaten en de bevoegde internationale organisaties, regelmatig een onderzoek voor te leggen met een analyse van naar sekse uitgesplitste gegevens, dat met name wordt toegespitst op:
- de herkomst van de slachtoffers;
- de sociale en gezinsomgeving;
- de mogelijke verbanden met internationale mensenhandel;
- de rol van de familie bij prostitutie of kinderpornografie;
- gevallen met meerdere slachtoffers;
- vacatures, met name in de dienstensector, die zijn gericht op minderjarige meisjes;
13. roept de lidstaten op om na te gaan of hun kinderbeschermingswetgeving nog steeds een adequate bescherming tegen seksuele uitbuiting van kinderen en tieners garandeert, nu seksuele uitbuiting en intimidatie via nieuwe media en communicatietechnologieën steeds vaker voorkomen en in het licht van de algemene trend van seksualisering van kinderen en tieners;
14. verzoekt de Commissie zich te buigen over verdere behoeften wat betreft de bescherming van slachtoffers en hun families, daarbij rekening houdend met alternatieve gezinsvormen.
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Mary Honeyball, Marusya Ivanova Lyubcheva, Maria Petre, Petya Stavreva
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
21.1.2009
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
45
0
7
Bij de eindstemming aanwezige leden
Alexander Alvaro, Roberta Angelilli, Mario Borghezio, Catherine Boursier, Emine Bozkurt, Philip Bradbourn, Mihael Brejc, Kathalijne Maria Buitenweg, Maddalena Calia, Michael Cashman, Giusto Catania, Jean-Marie Cavada, Carlos Coelho, Elly de Groen-Kouwenhoven, Gérard Deprez, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Bárbara Dührkop Dührkop, Claudio Fava, Urszula Gacek, Kinga Gál, Patrick Gaubert, Roland Gewalt, Jeanine Hennis-Plasschaert, Ewa Klamt, Magda Kósáné Kovács, Stavros Lambrinidis, Henrik Lax, Roselyne Lefrançois, Baroness Sarah Ludford, Viktória Mohácsi, Claude Moraes, Javier Moreno Sánchez, Rareş-Lucian Niculescu, Martine Roure, Sebastiano Sanzarello, Inger Segelström, Csaba Sógor, Vladimir Urutchev, Ioannis Varvitsiotis, Manfred Weber, Tatjana Ždanoka
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Edit Bauer, Simon Busuttil, Iratxe García Pérez, Elisabetta Gardini, Genowefa Grabowska, Ona Juknevičienė, Antonio Masip Hidalgo, Nicolae Vlad Popa, Luca Romagnoli, Eva-Britt Svensson, Stefano Zappalà