Procedure : 2008/2120(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0133/2009

Ingediende teksten :

A6-0133/2009

Debatten :

PV 06/05/2009 - 15
CRE 06/05/2009 - 15

Stemmingen :

PV 07/05/2009 - 9.17
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0388

VERSLAG     
PDF 204kDOC 104k
13 maart 2009
PE 415.140v03-00 A6-0133/2009

over de ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van het Verdrag van Lissabon

(2008/2120(INI))

Commissie constitutionele zaken

Rapporteur: Elmar Brok

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van het Verdrag van Lissabon

(2008/2120(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie dat aan het Verdrag van Amsterdam is gehecht,

–   gelet op het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid dat aan het Verdrag van Amsterdam is gehecht,

–   gelet op het Verdrag van Lissabon, met name artikel 12 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gelet op het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie dat aan het Verdrag van Lissabon is gehecht, met name artikel 9 daarvan,

–   gelet op het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid dat aan het Verdrag van Lissabon is gehecht,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 februari 2002 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van de opbouw van Europa(1),

–   gezien de Richtsnoeren voor de betrekkingen tussen de regeringen en de parlementen inzake communautaire aangelegenheden (instructieve minimumnormen) van 27 januari 2003 (de “Parlementaire richtsnoeren van Kopenhagen”)(2), goedgekeurd op de XXVIIIste conferentie van de commissies voor communautaire en Europese aangelegenheden van de Parlementen van de Europese Unie (COSAC),

–   gezien de Richtsnoeren inzake de interparlementaire samenwerking in de Europese Unie van 21 juni 2008(3),

–   gezien de Conclusies van de XLste bijeenkomst van de COSAC op 4 november 2008 in Parijs, met name punt 1 daarvan,

–   gezien het verslag van de subcommissie van het Ierse parlement voor de toekomst van Ierland in de Europese Unie van november 2008, met name de paragrafen 29 tot en met 37 van de samenvatting, die uitgebreide aanbevelingen bevatten om de parlementaire controle van de nationale regeringen als leden van de Raad te versterken,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0133/2009),

A. overwegende dat de laatste resolutie over de betrekkingen met de nationale parlementen die door het Europees Parlement is aangenomen uit 2002 dateert en het derhalve tijd is voor een nieuwe beoordeling,

B.  overwegende dat op het niveau van de Unie de burgers rechtstreeks vertegenwoordigd zijn in het Europees Parlement en de lidstaten in de Raad vertegenwoordigd worden door hun regeringen, die op hun beurt op democratische wijze verantwoording moeten afleggen aan hun parlementen (zie artikel 10, lid 2, van het EU-Verdrag zoals neergelegd in de versie van het Verdrag van Lissabon); daarom moet de noodzakelijke parlementarisering van de Europese Unie berusten op de volgende twee pijlers: enerzijds de verruiming van de bevoegdheden van het Europees Parlement ten aanzien van alle communautaire besluitvorming, anderzijds de versterking van de positie van de nationale parlementen ten opzichte van hun regeringen,

C. overwegende dat er binnen de Europese Conventie sprake was van een voortreffelijke samenwerking tussen de vertegenwoordigers van de nationale parlementen en de vertegenwoordigers van het Europees Parlement, maar ook tussen de laatstgenoemden en de vertegenwoordigers van de parlementen van de kandidaat-lidstaten,

D. overwegende dat de gezamenlijke parlementaire bijeenkomsten die in het kader van de denkpauze zijn gehouden om bepaalde onderwerpen te bespreken, hun waarde hebben bewezen, en dat er derhalve ook bij een eventuele nieuwe Conventie of bij soortgelijke gelegenheden van deze praktijk gebruik kan worden gemaakt,

E.  overwegende dat de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen de afgelopen jaren zijn verbeterd en gediversifieerd en er steeds meer activiteiten plaatsvinden op het niveau van parlementen als geheel en op het niveau van parlementaire commissies,

F.  overwegende dat bij de toekomstige ontwikkeling van betrekkingen rekening moet worden gehouden met de voors en tegens van de diverse bestaande praktijken,

G. overwegende dat de nieuwe bevoegdheden die onder het Verdrag van Lissabon zijn toegekend aan nationale parlementen, met name met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel, de parlementen ertoe aanzetten al in een vroeg stadium actief betrokken te raken bij de beleidsontwikkeling op EU-niveau,

H. overwegende dat alle vormen van interparlementaire samenwerking met twee onderliggende grondslagen moeten stroken: meer efficiency en parlementaire democratisering,

I.   overwegende dat de belangrijkste taak en functie van het Europees Parlement en de nationale parlementen bestaat in het deelnemen aan de wetgevende besluitvorming en het nauwkeurig overwegen van politieke keuzes op, respectievelijk, het nationale en het Europese niveau; overwegende dat dit nauwe samenwerking voor het algemeen welzijn niet overbodig maakt, met name waar het de omzetting van het EU-recht in nationale wetgeving betreft,

J.   overwegende dat het gepast is politieke richtsnoeren te ontwikkelen op basis waarvan de vertegenwoordigers en organen van het Europees Parlement de toekomstige acties kunnen bepalen inzake de betrekkingen van het Europees Parlement met nationale parlementen en de uitvoering van de bepalingen van het Verdrag van Lissabon met betrekking tot nationale parlementen,

De bijdrage die door het Verdrag van Lissabon is geleverd aan de ontwikkeling van de betrekkingen

1.  is verheugd over de rechten en plichten van de nationale parlementen uit hoofde van het Verdrag van Lissabon, dat een “verdrag van de parlementen” is, waardoor hun rol in de politieke processen van de Europese Unie wordt vergroot; is van mening dat deze in drie categorieën kunnen worden onderverdeeld:

Informatie over:

–   de evaluatie van beleid dat gevoerd wordt op het gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid;

–   handelingen van het Permanente Comité voor interne veiligheid;

–   voorstellen om de Verdragen te wijzigen;

–   aanvragen van het lidmaatschap van de Unie;

–   vereenvoudigde Verdragsherzieningen (zes maanden vooraf);

–   voorstellen voor maatregelen ter aanvulling van het Verdrag;

Actieve deelneming aan:

–   het naar behoren functioneren van de Unie (“paraplu”-bepaling);

–   controle van Europol en Eurojust samen met het Europees Parlement;

 overeenkomsten die betrekking hebben op Verdragswijzigingen;

Bezwaar maken tegen:

–   wetgeving die niet voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel, via de “gele kaart”- en “oranje kaart”-procedures;

–   Verdragswijzigingen in de vereenvoudigde procedure;

–   maatregelen inzake justitiële samenwerking in civielrechtelijke zaken (familierecht);

–   een schending van het subsidiariteitsbeginsel, door een zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie (indien dit is toegestaan onder het nationale recht);

Huidige betrekkingen

2.  merkt tevreden op dat zijn betrekkingen met de nationale parlementen en hun leden zich de afgelopen jaren tamelijk positief, maar nog niet in de vereiste mate, hebben ontwikkeld, met name door de volgende gezamenlijke activiteiten:

–   gezamenlijke parlementaire bijeenkomsten over commissieoverschrijdende, horizontale thema’s;

–   regelmatige vergaderingen van het Gemengd Comité, ten minste twee maal per zes maanden;

–   interparlementaire ad-hocbijeenkomsten op commissieniveau op initiatief van het Europees Parlement of van het parlement van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad bekleedt;

–   interparlementaire bijeenkomsten op het niveau van commissievoorzitters;

–   samenwerking op het niveau van de voorzitters van de parlementen binnen de Conferentie van de voorzitters van de parlementen van de Europese Unie;

–   bezoeken door leden van nationale parlementen aan het Europees Parlement om deel te nemen aan bijeenkomsten van de gelijksoortige gespecialiseerde commissies;

–   bijeenkomsten binnen de fracties of partijen op Europees niveau waar politici uit alle lidstaten bijeenkomen met leden van het Europees Parlement;

Toekomstige betrekkingen

3.  is van mening dat er nieuwe vormen van pre- en postlegislatieve dialoog tussen het Europees Parlement en nationale parlementen moeten worden ontwikkeld;

4.  vraagt de nationale parlementen dringend zich meer inspanningen te getroosten om de nationale regering ter verantwoording te roepen voor de wijze waarop zij de EU-fondsen beheren; verzoekt de nationale parlementen om controle uit te oefenen op de kwaliteit van nationale effectbeoordelingen en op de manier waarop de nationale regeringen de EU-wetgeving omzetten in nationale wetgeving en EU-beleid en financieringsprogramma’s ten uitvoer leggen op nationaal, regionaal en lokaal niveau; verzoekt de nationale parlementen om strikt toezicht uit te oefenen op de verslaglegging over de nationale actieplannen van de agenda van Lissabon;

5.  acht het gepast om nationale parlementen steun te bieden bij hun beoordeling van ontwerpwetgeving voordat deze door de wetgever van de Unie in behandeling wordt genomen, evenals bij de effectieve controle op hun regeringen als deze in de Raad optreden;

6.  stelt dat regelmatige bilaterale bijeenkomsten als Gemengd Comité van de gelijksoortige gespecialiseerde commissies en interparlementaire ad-hocbijeenkomsten op commissieniveau, op uitnodiging van het Europees Parlement, al in een vroeg stadium een dialoog mogelijk maken over bestaande of beoogde wetgeving of politieke initiatieven en derhalve systematisch onderhouden en ontwikkeld moeten worden tot een permanent netwerk van gelijksoortige commissies; is van oordeel dat dergelijke bijeenkomsten voorafgegaan of opgevolgd kunnen worden door bilaterale ad-hocbijeenkomsten van commissies waarin specifieke nationale aandachtspunten kunnen worden behandeld, en dat de Conferentie van commissievoorzitters kan worden belast met het opstellen en coördineren van een programma voor de activiteiten van gespecialiseerde commissies met nationale parlementen;

7.  merkt op dat bijeenkomsten van de voorzitters van gespecialiseerde commissies van het Europees Parlement en van de nationale parlementen, zoals de bijeenkomsten van de voorzitters van de Commissie buitenlandse zaken, van de Commissie constitutionele zaken en van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, vanwege het beperkte aantal deelnemers eveneens een instrument zijn voor het delen van informatie en het uitwisselen van standpunten;

8.  is van mening dat andere vormen van samenwerking dan de bovengenoemde vormen een effectieve bijdrage kunnen leveren aan de totstandkoming van een Europese politieke ruimte en verder ontwikkeld en gediversifieerd moeten worden;

9.  zou in deze context innovaties op het niveau van nationale parlementen verwelkomen, zoals de leden van het Europees Parlement het recht geven eenmaal per jaar te worden uitgenodigd om in plenaire zittingen van nationale parlementen te spreken, in een raadgevende hoedanigheid deel te nemen aan bijeenkomsten van commissies voor Europese aangelegenheden, deel te nemen aan bijeenkomsten van gespecialiseerde commissies waarin relevante wetgeving van de Europese Unie wordt besproken, of in een raadgevende hoedanigheid deel te nemen aan bijeenkomsten van de respectieve fracties;

10. adviseert een toereikend budget toe te kennen voor het organiseren van bijeenkomsten van de gespecialiseerde commissies met de gelijksoortige commissies van de nationale parlementen, evenals van rapporteurs van het Europees Parlement met hun tegenhangers in de nationale parlementen, en te onderzoeken of het mogelijk is de technische voorwaarden te scheppen voor videoconferenties waaraan de rapporteurs in de gespecialiseerde commissies van de nationale parlementen en het Europees Parlement deelnemen;

11. is van mening dat grotere bevoegdheden van de nationale parlementen met betrekking tot de naleving van het subsidiariteitsbeginsel, zoals voorzien in het Verdrag van Lissabon, het mogelijk maken al in een vroeg stadium invloed uit te oefenen op en een beoordeling uit te voeren van Europese wetgeving en zullen bijdragen aan betere wetgeving en meer samenhang tussen wetgevingen op EU-niveau;

12. stelt dat nationale parlementen nu voor het eerst een duidelijk omschreven rol in EU-aangelegenheden krijgen toebedeeld die verschillend is van de rol van hun nationale regeringen, en dat dit bijdraagt aan een intensievere democratische controle en de Unie dichter bij de burger brengt;

13. herinnert eraan dat door de nationale parlementen in de eerste plaats controle moet worden uitgeoefend op de nationale regeringen, in overeenstemming met de betrokken constitutionele regels en wetten;

14. wijst erop dat de nationale parlementen belangrijke spelers zijn waar het de omzetting van Europees recht betreft en dat een mechanisme voor de uitwisseling van goede praktijken op dit gebied van groot belang zou zijn;

15. merkt in deze context op dat de verwezenlijking van een elektronisch platform voor de uitwisseling van informatie tussen parlementen, de IPEX-website(4), een grote stap voorwaarts betekent aangezien dit het mogelijk maakt de beoordeling van EU-documenten, zowel door de nationale parlementen als door het Europees Parlement, en eventueel de omzetting daarvan in nationale wetgeving door de nationale parlementen, in real time te volgen; acht het daarom van wezenlijk belang een passende financiële voorziening te treffen voor dit door het Europees Parlement ontwikkelde en beheerde systeem;

16. beoogt meer systematisch toezicht op de prelegislatieve dialoog tussen de nationale parlementen en de Commissie (het zogenoemde "Barroso-initiatief") teneinde in een vroeg stadium van het wetgevingsproces informatie te verkrijgen over de standpunten van de nationale parlementen; verzoekt de nationale parlementen de adviezen die zij in dit kader uitbrengen tezelfdertijd beschikbaar te stellen aan het Europees Parlement;

17. is verheugd over de vooruitgang die de afgelopen jaren is geboekt in de samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen op het gebied van buitenlandse zaken, veiligheid en defensie;

18. erkent dat de nationale parlementen een belangrijke rol moeten spelen bij het voeden van het nationale debat over het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB);

19. stelt opnieuw met bezorgdheid vast dat er zo weinig verantwoordelijkheid aan de parlementen wordt afgelegd over financiële regelingen in verband met het GBVB en EVDB en dat daarom de samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen moet worden verbeterd, zodat alle aspecten van deze beleidsterreinen aan democratische controle worden onderworpen(5);

20. roept er vanuit het oogpunt van coherentie en efficiëntie en ter voorkoming van dubbel werk toe op de Parlementaire Vergadering van de West-Europese Unie (WEU) te ontbinden, zodra de WEU met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon volledig en definitief is opgegaan in de Europese Unie;

De rol van COSAC

21. is van oordeel dat de politieke rol van COSAC in de toekomst gekenmerkt moet worden door nauwe samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen, en dat COSAC, in overeenstemming met het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie dat aan het Verdrag van Amsterdam is gehecht, allereerst een forum moet blijven voor de uitwisseling van informatie en debat over algemene politieke kwesties en goede praktijken met betrekking tot de toetsing van nationale regeringen(6); is daarnaast van mening dat informatie en debat zich moeten toespitsen op wetgevingsactiviteiten op het gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel op het niveau van de Europese Unie;

22. is vastbesloten om zijn rol ten volle te vervullen, zich van zijn verantwoordelijkheden te kwijten met betrekking tot het functioneren van COSAC en technische ondersteuning te blijven bieden aan het secretariaat van COSAC en de vertegenwoordigers van de nationale parlementen;

23. herinnert eraan dat de activiteiten van het Europees Parlement en van de nationale parlementen binnen COSAC elkaar moeten aanvullen en derhalve niet gefragmenteerd of van buitenaf misbruikt mogen worden;

24. is van oordeel dat zijn gespecialiseerde commissies sterker betrokken moeten zijn bij de voorbereiding van, en de vertegenwoordiging tijdens, de COSAC-bijeenkomsten; is van mening dat zijn delegatie onder leiding van de voorzitter van zijn Commissie constitutionele zaken moet staan en moet bestaan uit de voorzitters en rapporteurs van de gespecialiseerde commissies die zich bezighouden met de zaken die op de agenda van de desbetreffende COSAC-bijeenkomst staan; acht het noodzakelijk dat de Conferentie van voorzitters en de afgevaardigden na elke bijeenkomst over het verloop en de resultaten van de COSAC-bijeenkomsten op de hoogte worden gebracht;

25. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

Aangenomen ingevolge verslag A5-0023/2002 van de Commissie constitutionele zaken (verslag-Napolitano) (PB C 284 E van 21.11.2002, blz. 322).

(2)

PB C 154 van 2.7.2003, blz. 1.

(3)

Herziene versie, zoals vastgesteld door de Conferentie van de voorzitters van de parlementen van de Europese Unie tijdens haar zitting te Lissabon op 20-21 juni 2008.

(4)

IPEX: Interparliamentary EU Information Exchange, officieel in gebruik genomen in juli 2006.

(5)

Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1) en artikel 28, lid 3, VEU.

(6)

Zie de bovengenoemde Richtsnoeren voor de betrekkingen tussen de regeringen en de parlementen inzake communautaire aangelegenheden (instructieve minimumnormen).


TOELICHTING

I. Ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen

De betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen waren tot de eerste rechtstreekse verkiezingen van de leden van het Europees Parlement in zeker opzicht "organisch", aangezien de leden van het Parlement door de nationale parlementen werden afgevaardigd. Met de rechtstreekse verkiezingen viel dit verband weg en ontstond de vraag hoe deze verhouding voor de toekomst ingericht zou kunnen en moeten worden. Na een lange periode waarin individuele contacten zonder ordenend kader plaatsvonden, werd met het Verdrag van Maastricht voor het eerst een poging ondernomen om de wederzijdse betrekkingen te structureren. In twee verklaringen bij het Verdrag wordt benadrukt dat de nationale parlementen met betrekking tot de communautaire wetgeving een rol spelen, zij tijdig door de regeringen geïnformeerd moeten worden over voorgenomen wetgeving en dat samenwerking tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement geboden is(1). Dit kan onder andere bestaan uit het houden van regelmatige ontmoetingen en het toekennen van wederzijdse faciliteiten.

In dezelfde periode werd de Conferentie van de commissies voor communautaire en Europese aangelegenheden van de parlementen van de Europese Unie (COSAC) in het leven geroepen, die met deelname van het Europees Parlement elke zes maanden bijeenkomt om met name ervaringen met en goede praktijken bij de controle van de nationale regeringen met het oog op Europese politieke vraagstukken uit te wisselen. De COSAC mag "bijdragen" tot het Europees Parlement, de Raad en de Commissie richten; deze bijdragen binden de nationale parlementen niet. De deelname van het Europees Parlement bestaat uit de afvaardiging van een delegatie van zes leden, waarvan twee vicevoorzitters van het Bureau die zeer goed bekend zijn met de betrekkingen met de nationale parlementen.

Het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie dat aan het Verdrag van Amsterdam is gehecht, heeft deze stand van zaken geformaliseerd en naar het niveau van het verdragenrecht getild. Het Protocol moedigt de nationale parlementen ertoe aan intensiever deel te nemen aan de activiteiten van de Unie en hun visies op thema's die hen bijzonder raken tot uiting te brengen. Het voorziet voor dit doeleinde in een snellere doorgifte van documenten door de Commissie en in een termijn van zes weken, voordat de Raad een tekst in behandeling mag nemen.

De door de conferentie te Nice aangenomen "Verklaring betreffende de toekomst van de Unie" voorziet erin dat de nationale parlementen betrokken worden bij een uitvoerig debat, waarin onder andere de "rol van de nationale parlementen in de Europese architectuur" moet worden duidelijk gemaakt. Dienovereenkomstig had een van de elf werkgroepen van de daarop volgende Europese conventie de rol van de nationale parlementen als onderwerp. In het slotverslag verklaarde deze werkgroep dat de nationale parlementen alle middelen die zij ter beschikking hebben, moeten inzetten om via hun regeringen de Raad te beïnvloeden. Het "verankeren" van de Unie in de lidstaten zou een zaak zijn van de nationale parlementen. De betrekking tot het Europees Parlement is niet concurrerend. De rol van de verschillende partijen is weliswaar verschillend, maar ze delen het gemeenschappelijke doel de Unie dichter bij de burgers te brengen en op deze manier bij te dragen aan het versterken van de democratische legitimiteit van de Unie.(2)

In 2002 wijdde het Europees Parlement een uitgebreide mededeling aan zijn betrekkingen met de nationale parlementen(3). Daarin wordt gesteld dat de ongerustheid van de nationale parlementen ten opzichte van de Europese Unie het noodzakelijk maakte om hun bevoegdheden ten aanzien van de nationale regeringen en de Europese Unie beter en eenduidiger te definiëren. Daarbij gaat het met name om het op gang brengen van een nauwere en efficiëntere samenwerking tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement(4). De noodzakelijke parlementarisering van de Unie moet berusten op de twee volgende pijlers: enerzijds de verruiming van de bevoegdheden van het Europees Parlement ten aanzien van alle communautaire besluitvorming, anderzijds de versterking van de positie van de nationale parlementen ten opzichte van hun regeringen(5). Wat de praktische kant van de betrekkingen betreft, stelde het Europees Parlement voor de samenwerking tussen de parlementaire commissies van de nationale parlementen en van het Europees Parlement in alle sectoren die samenhangen met de Europese integratie te ontwikkelen en te stroomlijnen, onder andere op het vlak van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de Economische en Monetaire Unie, de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en constitutionele aangelegenheden(6).

In de aan het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa gehechte protocollen betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie en betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid wordt aan de nationale parlementen voor het eerst de mogelijkheid geboden een wetgevingsvoorstel te toetsen op de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel als een derde van de nationale parlementen meewerkt ('gele kaart'-procedure). In bovengenoemde protocollen die aan het Verdrag van Lissabon, ook wel het Hervormingsverdrag genoemd, zijn gehecht, is dit recht nog uitgebreid met de mogelijkheid met een meerderheid van de parlementen en een meerderheid in het Europees Parlement evenals een meerderheid van 55% van de leden van de Raad een wetgevingsvoorstel alsnog van tafel te krijgen ('rode kaart'-procedure). Deze nieuwe ontwikkeling raakt ook aan de verhouding van het Europees Parlement met de nationale parlementen, aangezien dit een termijn van acht weken in acht moet nemen, voordat het zijn beraadslagingen over een voorstel kan afsluiten, en in deze termijn voorgelegde gemotiveerde standpunten in overweging moet nemen. Verder moet het zijn Reglement aan de nieuwe situatie aanpassen. Zelfs al zal de praktische betekenis van deze nieuwe bepalingen zich pas na het in werking treden van het Verdrag van Lissabon doen gelden, komt hen toch een niet te onderschatten "symbolische" betekenis toe, aangezien de nationale parlementen voor het eerst officieel erkend worden als "spelers op het niveau van de Unie".

II. Conclusies

Welke conclusies kan men trekken uit de hier beschreven ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen? Ten eerste dat er geen antagonisme meer is. Het Europees Parlement heeft niet alleen welwillend gestaan tegenover de toenemende betekenis van de rol van de nationale parlementen, maar deze ook actief ondersteund. Bovendien hebben de betrokkenen erkend dat ze alleen door complementair te handelen extra parlementaire controle van de uitvoerende macht zowel op het niveau van de Unie als op het niveau van de lidstaten kunnen realiseren. De leden van het Europees Parlement en de nationale parlementen moeten het met dezelfde ministers stellen, maar dan in hun hoedanigheid als vertegenwoordigers van de regering of in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger van de ministerraad. Duplicering van activiteiten en rivaliteiten moeten daarbij door beiden vermeden worden. De betrekkingen moeten concreet leiden tot een samenwerking die meer gestructureerd maar niet noodzakelijkerwijs meer geformaliseerd moet zijn. De ontwerpresolutie waardoor deze tekst wordt voorafgegaan bevat hiervoor een aantal praktische voorstellen. Anderzijds mag interparlementaire samenwerking niet tot inmenging in de rechten van parlementen met betrekking tot hun beslissingsbevoegdheden leiden. Elke vorm van interparlementaire samenwerking moet op zijn manier op overleg gericht zijn, geen beslissingen met het oog op de bestaande beslissingscycli van de Unie bevatten en zich kenmerken door wederzijdse erkenning van parlementen en parlementariërs als spiegel van de maatschappij(7).

(1)

Verklaringen 13 en 14.

(2)

Document CONV 35302 van 22.10.2002, blz. 2 en 3.

(3)

Resolutie van 7.2.2002, verslag A5-0023/2002 van de Commissie constitutionele zaken, rapporteur: Giorgio Napolitano.

(4)

Paragraaf 1 van de resolutie.

(5)

Paragraaf 3 van de resolutie.

(6)

Paragraaf 13 van de resolutie.

(7)

Andreas Maurer, The Lisbon Treaty: New options for and recent trends of interparliamentary cooperation. Toespraak gehouden op de jaarlijkse conferentie van correspondenten van het Europees centrum voor parlementair onderzoek en documentatie, Brussel, 9 oktober 2008, blz. 7.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (24.2.2009)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van het Verdrag van Lissabon

(2008/2120(INI))

Rapporteur voor advies: Andrew Duff

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

--  herinnerend aan het advies van 22 januari 2008 van zijn Commissie buitenlandse zaken over het Verdrag van Lissabon,

1.  is verheugd over de vooruitgang die de afgelopen jaren geboekt is met betrekking tot het opzetten van samenwerkingsverbanden tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen op het gebied van buitenlandse zaken, veiligheid en defensie;

2.  respecteert en ondersteunt de centrale rol van de nationale parlementen op het gebied van de nationale veiligheid;

3.  is van mening dat het Europees Parlement bij het leveren van bijdragen aan het steeds belangrijker wordende GBVB en EVDB en bij het democratisch toezicht daarop een belangrijke aanvullende rol speelt, een rol die nog versterkt kan worden door de samenwerking met de nationale parlementen te intensiveren op basis van een efficiënte dialoog tussen de leden van het Europees Parlement en de nationale parlementsleden;

4.  herhaalt zijn bezorgdheid over de tekortschietende parlementaire controle op het financieringskader voor het GBVB en het EVDB; dringt aan op een betere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen, teneinde democratische controle op alle aspecten van deze beleidsgebieden te bereiken(1);

5.  erkent dat de nationale parlementen een belangrijke rol moeten spelen bij het voeden van het nationale debat over het GBVB en het EVDB;

6.  merkt op dat artikel 10 van het eerste Protocol bij het Verdrag van Lissabon betreffende de rol van de nationale parlementen voorziet in het organiseren door COSAC van interparlementaire conferenties over vraagstukken op het gebied van met name het GBVB en het EVDB;

7.  benadrukt het belang van ratificatie van het Verdrag van Lissabon door het parlement van de Republiek Tsjechië met het oog op verbetering van de positie van het EVDB en met name de deelname van Tsjechische strijdkrachten aan buitenlandse operaties; betreurt het dat de huidige situatie de positie van de Republiek Tsjechië als voorzitter van de Europese Unie ondermijnt en de rol van de EU op het wereldtoneel verzwakt;

8.  ziet ernaar uit om als het Verdrag van Lissabon in werking treedt zijn nieuwe verantwoordelijkheden inzake de begroting en het toezicht op het gebied van het GBVB en het EVDB, en in het bijzonder het toezicht op de Ondervoorzitter/Hoge Vertegenwoordiger, op zich te nemen;

9.  benadrukt dat de Parlementaire Vergadering van de WEU in het belang van samenhang en efficiëntie en ter voorkoming van overlappingen dient te worden ontbonden op het moment dat de WEU door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon volledig en definitief in de Europese Unie opgaat;

10. dringt aan op een belangrijkere rol voor het Europees Parlement in de Parlementaire Vergadering van de NAVO;

11. signaleert het toenemend aantal multilaterale regionale parlementaire fora, zoals de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de EMPA en EuroLat, en dringt erop aan een omvattend onderzoek te wijden aan de toegevoegde waarde van deze fora, alsmede deze structuren te steunen;

12. ondersteunt de huidige praktijk van de voorzitters van de op dit gebied bevoegde commissies van de nationale parlementen en het Europees Parlement om tweejaarlijkse vergaderingen te houden (COFACC);

13. stelt voor de huidige tweejaarlijkse vergaderingen van de woordvoerders van de nationale parlementaire commissies en fracties naar een hoger plan te brengen zodat zij met hun tegenhangers in het Europees Parlement in debat gaan over actuele onderwerpen en onderwerpen van toekomstig belang op het gebied van internationale aangelegenheden en in het kader van concrete programma’s duidelijke doelstellingen formuleren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.2.2009

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

334

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Vittorio Agnoletto, Angelika Beer, Bastiaan Belder, Marco Cappato, Philip Claeys, Maciej Marian Giertych, Ana Maria Gomes, Klaus Hänsch, Maria Eleni Koppa, Vytautas Landsbergis, Francisco José Millán Mon, Pasqualina Napoletano, Janusz Onyszkiewicz, Ioan Mircea Paşcu, João de Deus Pinheiro, Hubert Pirker, Pierre Pribetich, Flaviu Călin Rus, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, György Schöpflin, Geoffrey Van Orden, Andrzej Wielowieyski, Zbigniew Zaleski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Maria Badia i Cutchet, Andrew Duff, Pierre Jonckheer, Evgeni Kirilov, Alexandru Nazare, Antolín Sánchez Presedo, Jean Spautz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Carlos Coelho, Pilar del Castillo Vera, Cristina Gutiérrez-Cortines, Manolis Mavrommatis, José Javier Pomés Ruiz, José Ribeiro e Castro, Ewa Tomaszewska

(1)

Interinstitutioneel akkoord 2006/C 139/01 en artikel 41, lid 3, van het EU-Verdrag, als gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (18.2.2009)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en nationale parlementen in het kader van het Verdrag van Lissabon

(2008/2120(INI))

Rapporteur voor advies: Thijs Berman

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken om onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verwelkomt het feit dat democratische controle door de nationale parlementen, gebaseerd op het subsidiariteitsbeginsel, de samenhang, transparantie en complementariteit tussen de EU en de lidstaten voor de ontwikkelingssamenwerking zal verbeteren;

2.  benadrukt dat de ontwikkelingsagenda, met als hoofddoelstellingen het uitbannen van armoede en verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's), veel baat zal hebben bij een duidelijke werkverdeling en gecoördineerde inspanning op nationaal en EU-niveau, zoals besloten in de Verklaring betreffende de doelmatigheid van de hulpverlening, aangenomen op 2 maart 2005 in Parijs door het Forum op hoog niveau voor doelmatige hulpverlening;

3.  denkt dat de nationale parlementen bij het versterken van de politieke legitimiteit van het EU-ontwikkelingssamenwerkingsbeleid een cruciale rol spelen omdat gecoördineerde inspanningen tot betere resultaten en efficiënt gebruik van officiële ontwikkelingshulp (ODA) leiden;

4.  benadrukt dat het Verdrag van Lissabon de weg voor de opname van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in de Algemene Begroting van de Europese Unie opent, zonder dat het verdrag daarvoor herzien moet worden ; is er sterk van overtuigd dat de democratische controle van het EOF, totdat de budgettering een feit is, een grondiger aanpak door de nationale parlementen van de lidstaten nodig heeft ; roept de Raad en de Commissie op om het EOF bij de tussentijdse controle van 2009 in de Algemene Begroting van de Europese Unie op te nemen, omdat dat een aanzienlijk gedeelte van het ontwikkelingsbeleid en de begroting van de EU transparantie en democratische legitimiteit zal geven;

5.  betuigt zijn volledige bereidheid om met de nationale parlementen samen te werken voor het democratisch toezicht op het instrument voor ontwikkelingssamenwerking.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.2.2009

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alessandro Battilocchio, Thijs Berman, Thierry Cornillet, Corina Creţu, Alexandra Dobolyi, Fernando Fernández Martín, Alain Hutchinson, Romana Jordan Cizelj, Filip Kaczmarek, Glenys Kinnock, Maria Martens, Gay Mitchell, Luisa Morgantini, José Javier Pomés Ruiz, José Ribeiro e Castro, Toomas Savi, Frithjof Schmidt, Jürgen Schröder, Feleknas Uca

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Miguel Angel Martínez Martínez, Manolis Mavrommatis, Renate Weber, Gabriele Zimmer


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.3.2009

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Enrique Barón Crespo, Bastiaan Belder, Richard Corbett, Jean-Luc Dehaene, Andrew Duff, Anneli Jäätteenmäki, Aurelio Juri, Martin Kastler, Timothy Kirkhope, Jo Leinen, Íñigo Méndez de Vigo, Adrian Severin, József Szájer, Riccardo Ventre, Johannes Voggenhuber, Andrzej Wielowieyski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Costas Botopoulos, Catherine Boursier, Elmar Brok, Carlos Carnero González, Panayiotis Demetriou, Sirpa Pietikäinen, György Schöpflin

Laatst bijgewerkt op: 24 maart 2009Juridische mededeling