– gezien het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend op 13 december 2007,
– gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd door de Europese Akte en de Verdragen van Maastricht, Amsterdam en Nice,
– gezien het Handvest van de grondrechten van 12 december 2007(1),
– gezien de Verklaring van Laken van 15 december 2001 over de toekomst van de Europese Unie(2),
– onder verwijzing naar het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, ondertekend in Rome op 29 oktober 2004,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 juni 2007 over het stappenplan voor het grondwettelijke proces van de Unie(3),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 juli 2007 over de bijeenroeping van de Intergouvernementele Conferentie(4),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 februari 2008 over het Verdrag van Lissabon(5),
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie visserij, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie juridische zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie verzoekschriften (A6-0145/2009),
1. Nieuw beleid
1.1. Nieuwe doelstellingen en horizontale clausules
1. verwelkomt het bindende karakter dat het Verdrag geeft aan het Handvest van de grondrechten en verwelkomt de vastlegging van de erkenning van de rechten, vrijheden en beginselen voor alle burgers en inwoners van de EU; benadrukt dat het Parlement zich zal inzetten om de volledige eerbiediging van het Handvest te waarborgen;
2. verwelkomt de versteviging van de representatieve en participerende democratie als resultaat van de invoering van onder andere het zogenaamde 'burgerinitiatief' (artikel 11 van het EU-Verdrag, in de versie van het Verdrag van Lissabon (VEU)), waardoor één miljoen burgers uit verschillende lidstaten de Commissie kunnen verzoeken een voorstel voor een rechtshandeling in te dienen;
3. verwelkomt het feit dat milieubescherming een prominente plaats heeft gekregen in het hele EU-beleid en dat in artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in de versie van het Verdrag van Lissabon (VwEU), expliciet wordt verwezen naar een internationale aanpak voor de bestrijding van klimaatverandering; benadrukt dat het Parlement druk moet blijven uitoefenen op de Europese Unie zodat deze het voortouw neemt op het gebied van alle beleidsmaatregelen die verband houden met de bestrijding van klimaatverandering en de opwarming van de aarde;
4. verwelkomt het feit dat het VwEU de vorming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht koppelt aan de bescherming van de grondrechten en de rechtsorde van de Europese Unie en haar lidstaten (artikel 67 van het VwEU);
5. neemt in het bijzonder nota van de doelstelling voor de verwezenlijking van "een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en op een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu" (artikel 3, lid 3, van het VEU), waardoor de doelstelling om de interne markt te voltooien wordt gekoppeld aan andere doelstellingen;
6. neemt met tevredenheid nota van het feit dat de gelijkheid van mannen en vrouwen staat vermeld in de waarden (artikel 2 van het VEU) en de doelen (artikel 3, lid 3, van het VEU) van de Unie;
7. verwelkomt het feit dat in artikel 208, lid 1, van het VwEU het volgende staat: "Het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten completeren en versterken elkaar" terwijl in het thans vigerende artikel 177, lid 1, van het EG-Verdrag staat dat "het beleid van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking [...] een aanvulling vormt op het beleid van de lidstaten"; benadrukt de grotere verantwoordelijkheid van het Parlement, gezien het feit dat de Unie een grotere rol zal spelen als het gaat om het nemen van initiatieven voor het vormen van beleid, wat zou moeten leiden tot een verbeterde donorcoördinatie en werkverdeling en een grotere effectiviteit van de hulpverlening om zo "armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen" met het oog op de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;
8. is van mening dat de vermelding van territoriale samenhang als doelstelling van de Unie (artikel 3 van het VEU) een aanvulling is op de doelstellingen voor economische en sociale samenhang, en dat de invoering van rechtsgrondslagen op deze respectieve gebieden zal leiden tot een verbetering van de bevoegdheid van het Parlement om het territoriale effect van belangrijk Uniebeleid te beoordelen; is ingenomen met het feit dat de speciale status van de ultraperifere gebieden wordt bevestigd door artikel 349 en artikel 355 van het VwEU;
9. verwelkomt de invoering van horizontale bepalingen met betrekking tot een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting, een hoog niveau van onderwijs en opleiding, de bescherming van de volksgezondheid, de bestrijding van discriminatie en de bescherming van het milieu, die zullen fungeren als algemene beginselen die ten grondslag liggen aan de beleidsvorming van de EU (artikel 9, artikel 10 en artikel 11 van het VwEU);
10. verwelkomt ook de sterkere horizontale integratie van de consumentenbescherming bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Unie op andere gebieden, aangezien deze horizontale integratie nu met artikel 12 van het VwEU duidelijk een prominentere plaats inneemt;
11. verwelkomt de solidariteitsbepaling die uitdrukkelijk staat vermeld in artikel 122 van het VwEU, waarin staat dat de Raad passende maatregelen mag vaststellen indien zich bij de voorziening van bepaalde producten, in het bijzonder op energiegebied, ernstige moeilijkheden voordoen;
12. verwelkomt het feit dat in artikel 214 van het VwEU humanitaire hulp als volwaardig Uniebeleid wordt erkend; is van mening dat in het vijfde deel, titel III, hoofdstuk 1 (Ontwikkelingssamenwerking) en hoofdstuk 3 (Humanitaire hulp) van het VwEU, een duidelijke rechtsgrondslag wordt vastgesteld voor ontwikkelingshulp en humanitaire hulp waarop de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is;
13. verwelkomt bovendien het feit dat op het gebied van civiele bescherming de macht van de Europese Unie wordt vergroot om ad-hocbijstand en rampenhulp in derde landen te bieden (artikel 214 van het VwEU);
1.2. Nieuwe rechtsgrondslagen
14. benadrukt dat de uitbreiding van het extern optreden van de Unie op grond van het Verdrag van Lissabon, onder meer door de vaststelling van nieuwe rechtsgrondslagen en instrumenten die van invloed zijn op gebieden die verband houden met buitenlands beleid (extern optreden en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid/het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid), noodzaakt tot een nieuw interinstitutioneel evenwicht waarbij een adequaat democratisch toezicht door het Parlement wordt gewaarborgd;
15. verwelkomt het feit dat energiezaken nu zijn geregeld in een afzonderlijke titel XXI in het derde deel van het VwEU en dat optreden op dit gebied nu een rechtsgrondslag heeft (artikel 194 van het VwEU); tekent echter aan dat, hoewel in het algemeen de gewone wetgevingsprocedure wordt gevolgd, besluiten ten aanzien van de energiemix de bevoegdheid zullen blijven van de lidstaten en dat voor fiscale maatregelen op dit gebied nog steeds alleen raadpleging van het Europees Parlement is vereist;
16. is positief over de gedeelde waarden van de Unie ten aanzien van diensten van algemeen economisch belang en verwelkomt de rechtsgrondslag die het mogelijk maakt dat er volgens de gewone wetgevingsprocedure beginselen en voorwaarden worden gedefinieerd voor het verstrekken van diensten van algemeen economisch belang (artikel 14 van het VwEU en protocol nr. 26 betreffende de diensten van algemeen belang);
17. is van mening dat de veranderingen die door het Verdrag van Lissabon worden ingevoerd op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek (artikel 206 en artikel 207 van het VwEU) bijdragen aan de democratische legitimiteit en de doeltreffendheid hiervan, met name door de vaststelling van de gewone wetgevingsprocedure en de vereiste dat er voor alle akkoorden toestemming moet worden verkregen; tekent aan dat alle zaken die binnen het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek vallen de exclusieve bevoegdheid worden van de Unie, wat betekent dat er niet langer gemengde handelsakkoorden zullen worden gesloten door zowel de Unie als de lidstaten;
18. is tevreden over het feit dat er een bepaling over een Europees ruimtevaartbeleid is toegevoegd (artikel 189 van het VwEU) en verwelkomt de gelegenheid die het Parlement en de Raad wordt geboden om, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de nodige maatregelen vast te stellen voor het opzetten van een Europees ruimtevaartprogramma; is evenwel van mening dat de woorden "met uitsluiting van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten" in het voornoemde artikel belemmeringen kunnen opwerpen voor de tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk Europees ruimtevaartbeleid;
19. wijst erop dat het Verdrag van Lissabon een nieuwe rechtsgrondslag bevat die een medebeslissingsprocedure vaststelt op het gebied van intellectuele eigendomsrechten (artikel 118 van het VwEU);
20. verwelkomt de uitbreiding van het toepassingsgebied van het EU-optreden op het gebied van jeugdbeleid, waardoor de deelneming van jongeren aan het democratisch leven van Europa wordt aangemoedigd (artikel 165 van het VwEU);
21. verwelkomt de nieuwe rechtsgrondslag die is vastgesteld in artikel 298 van het VwEU, waarin het volgende staat: "Bij de vervulling van hun taken steunen de instellingen, organen en instanties van de Unie op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat", aangezien deze grondslag de basis biedt voor een verordening die van toepassing is op de bestuurlijke procedure van de Unie;
22. verwelkomt de rechtsgrondslag voor het vaststellen van maatregelen van de Europese Unie ter voorkoming en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad (artikel 325 van het VwEU); benadrukt het feit dat het Verdrag van Lissabon geen gewag maakt van de in het huidige artikel 280 van het EG-Verdrag vervatte beperking volgens welke dergelijke maatregelen "geen betrekking hebben op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling";
23. wijst erop dat de nieuwe bepalingen in het Verdrag aangaande justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken een rechtsgrondslag bevatten voor het vaststellen van maatregelen ter ondersteuning van de opleiding van magistraten en justitieel personeel (artikel 81 en artikel 82 van het VwEU);
24. benadrukt dat het Verdrag van Lissabon ook de mogelijkheid biedt tot het instellen van een Europees openbaar ministerie, ter bestrijding van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden (artikel 86 van het VwEU);
25.verwelkomt het feit dat het Verdrag van Lissabon in de interne en externe doelstellingen van de Europese Unie bindende bepalingen vaststelt ter bescherming van de rechten van het kind (artikel 3, lid 3, alinea 2 en lid 5, van het VEU);
26. verwelkomt het feit dat toerisme als nieuwe titel aan het Verdrag van Lissabon is toegevoegd (artikel 195 van het VwEU) en dat hierin is vastgesteld dat de Unie moet zorgen voor aanvulling van het optreden van de lidstaten; verwelkomt eveneens het feit dat de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is op het vaststellen van wetsvoorstellen die binnen het raamwerk van deze titel vallen;
27. verwelkomt het feit dat er in het Verdrag van Lissabon onder meer een rechtsgrondslag is opgenomen op het gebied van sport (artikel 165 van het VwEU); benadrukt in het bijzonder dat de Unie eindelijk maatregelen kan nemen ten aanzien van de ontwikkeling van sport als het gaat om de Europese dimensie hiervan en op passende wijze rekening kan houden met het specifieke karakter van sport bij de tenuitvoerlegging van andere Europese beleidsmaatregelen;
2.Nieuwe bevoegdheden voor het Parlement
2.1. Nieuwe medebeslissingsbevoegdheden
28. verwelkomt het feit dat het Verdrag van Lissabon de democratische legitimiteit van de Europese Unie aanzienlijk zal versterken doordat de medebeslissingsbevoegdheid van het Parlement wordt uitgebreid;
29. verwelkomt het feit dat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht volledig is geïntegreerd in het VwEU (artikel 67 tot en met 89), waardoor de derde pijler formeel wordt afgesloten; verwelkomt het feit dat de meeste beslissingen op het gebied van burgerlijk recht, asiel, immigratie en visabeleid, evenals de samenwerking tussen politiële en justitiële autoriteiten in strafzaken, volgens de gewone wetgevingsprocedure zullen worden geregeld;
30. is van mening dat de invoering van de gewone wetgevingsprocedure op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de democratische verantwoording van de Europese Unie verbetert, aangezien het Europees Parlement samen met de Raad verantwoordelijk is voor de wetgeving; benadrukt dat de medebeslissingsprocedure van toepassing is op alle wetgeving op het gebied van landbouw op grond van artikel 43, lid 2, van het VwEU, en dat dit met name het geval zal zijn ten aanzien van de vier belangrijkste teksten op het gebied van landbouw (de integrale gemeenschappelijke marktordening, de verordening betreffende rechtstreekse betalingen, de verordening betreffende plattelandsontwikkeling en de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid); wijst er bovendien op dat wetgeving inzake kwaliteit, biologische landbouw en bevordering ook binnen het toepassingsgebied van artikel 43, lid 2, van het VwEU valt;
31. benadrukt dat voor elke bevoegdheid van de Raad om maatregelen vast te stellen krachtens artikel 43, lid 3, van het VwEU de voorafgaande aanneming, volgens de gewone wetgevingsprocedure, vereist is van een wetgevingsbesluit krachtens artikel 43, lid 2, van het VwEU, waarin de voorwaarden en beperkingen worden gedefinieerd die betrekking hebben op de bevoegdheden van de Raad; is van mening dat artikel 43, lid 3, van het VwEU niet voorziet in een rechtsgrondslag of enige autonome bevoegdheid op grond waarvan de aanneming of wijziging van de thans vigerende besluiten van de Raad op het gebied van het GLB kan worden gerechtvaardigd; verzoekt de Raad geen maatregelen zoals bedoeld in artikel 43, lid 3, van het VwEU vast te stellen zonder voorafgaande raadpleging van het Parlement;
32. tekent aan dat het Verdrag van Lissabon verreikende veranderingen doorvoert in het besluitvormingsstelsel voor het gemeenschappelijk visserijbeleid en tevens de democratische verantwoording in dezen vergroot; verwelkomt het feit dat het Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure de noodzakelijke maatregelen zullen vaststellen om de doelstellingen van het visserijbeleid te verwezenlijken (artikel 43, lid 2, van het VwEU); is in dit opzicht van mening dat op elk onderwerp dat formeel is opgenomen in de jaarlijkse verordening de gewone wetgevingsprocedure van toepassing moet zijn, behalve als het gaat om het instellen van vangstmogelijkheden en de verdeling van quota's, zoals de instelling van technische maatregelen of de visserij-inspanning, of als het gaat om de invoering van overeenkomsten die door regionale visserijorganisaties zijn vastgesteld en die hun eigen rechtsgrondslag hebben;
33. verwelkomt de invoering van de gewone wetgevingsprocedure voor de vaststelling van nadere bepalingen voor de multilaterale toezichtprocedure (artikel 121, lid 6, van het VwEU), wat de economische coördinatie zou moeten verstevigen;
34. is van mening dat de verantwoordelijkheid van de Europese Centrale Bank (ECB) om verslag uit te brengen over het monetair beleid nu groter is, aangezien de ECB wordt erkend als instelling van de Europese Unie; verwelkomt het feit dat verschillende bepalingen van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en van de ECB kunnen worden gewijzigd, nadat het Parlement is geraadpleegd overeenkomstig artikel 40, lid 2, van de statuten van het ESCB en van de ECB; verklaart dat dit geen aantasting inhoudt van de onafhankelijkheid van de ECB op het gebied van het monetair beleid noch van de in het Verdrag genoemde prioriteiten;
35. beschouwt artikel 182 van het VwEU als een verbetering, omdat de gewone wetgevingsprocedure van toepassing zal zijn op het meerjarenkaderprogramma en op de invoering van een Europese onderzoeksruimte, waarnaar in dit artikel wordt verwezen; tekent echter aan dat de specifieke programma's die in dit artikel worden genoemd, zullen wordt vastgesteld overeenkomstig een bijzondere wetgevingsprocedure, die alleen raadpleging van het Europees Parlement inhoudt (artikel 182, lid 4, van het VwEU);
36. verwelkomt het feit dat het Verdrag van Lissabon het Europees Parlement op gelijke voet stelt met de Raad als het gaat om de tenuitvoerlegging van de structuurfondsen, door de huidige instemmingsprocedure te vervangen door de gewone wetgevingsprocedure; is van mening dat dit vooral belangrijk is voor de structuurfondsen in de periode na 2013, omdat het de transparantie verbetert en de verantwoordelijkheid van deze fondsen ten opzichte van burgers vergroot;
37. tekent aan dat een bijzondere wetgevingsprocedure van toepassing wordt op wetgeving die discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid verbiedt, en dat hiervoor de goedkeuring van het Parlement vereist is (artikel 19 van het VwEU);
38. verwelkomt het feit dat de gewone wetgevingsprocedure van toepassing zal zijn op maatregelen ter bestrijding van mensenhandel, met name handel in vrouwen en kinderen, en seksuele uitbuiting (artikel 79, lid 2, en artikel 83, lid 1, van het VwEU);
39. verwelkomt het feit dat besluitvorming op basis van een gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt uitgebreid naar onderwijs, waaronder sport (artikel 165, lid 4, van het VwEU);
40. verwelkomt het feit dat medebeslissing voortaan van toepassing zal zijn op het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (artikel 336 van het VwEU), aangezien het Parlement hierdoor op gelijke voet met de Raad kan deelnemen aan de aanpassing van dit statuut;
2.2. Nieuwe begrotingsbevoegdheden
41. tekent aan dat het Verdrag van Lissabon drastische veranderingen aanbrengt op het gebied van de financiën van de Unie, met name als het gaat om interinstitutionele betrekkingen en besluitvormingsprocedures;
42. wijst erop dat de Raad en het Parlement, binnen de grenzen van hun eigen middelen, overeenstemming moeten bereiken over de geplande uitgaven en dat deze overeenstemming juridisch bindend zal zijn (artikel 312 van het VwEU); verwelkomt het feit dat de begroting als geheel door het Parlement en de Raad gezamenlijk moet worden vastgesteld, met in achtneming van het meerjarig financieel kader; verwelkomt de afschaffing van het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven (artikel 314 van het VwEU); verwelkomt het feit dat de gewone wetgevingsprocedure van toepassing wordt op de vaststelling van de financiële verordening (artikel 322 van het VwEU);
43. verwijst naar het verslag over de invloed die de vernieuwingen in het Verdrag van Lissabon op de begroting hebben en de institutionele aspecten en nieuwe bevoegdheden van de Unie, dat is opgesteld door de Begrotingscommissie;
2.3. Nieuwe instemmingsprocedure
44. verwelkomt het feit dat de toestemming van het Parlement vereist is voor de vereenvoudigde herzieningsprocedure ten aanzien van de invoering van een gekwalificeerde meerderheid van stemmen en voor de invoering van de gewone wetgevingsprocedure voor een bepaald gebied dat staat vermeld in titel V van het VEU of in het VwEU;
45. tekent de invoering van een 'terugtrekkingsartikel' voor de lidstaten aan (artikel 50 van het VEU); benadrukt dat het akkoord waarin de regeling voor de terugtrekking van een lidstaat wordt vastgesteld, pas kan worden gesloten als het Parlement zijn toestemming heeft gegeven;
46. verwelkomt het feit dat de toestemming van het Parlement vereist is voor een breed scala aan akkoorden die door de Unie worden ondertekend; benadrukt zijn voornemen om de Raad, waar dit gepast is, te verzoeken geen onderhandelingen voor internationale akkoorden te starten als het Parlement zijn standpunt hierover nog niet kenbaar heeft gemaakt, en het Parlement toe te staan om, op basis van een verslag van de verantwoordelijke commissie, in elk stadium van de onderhandelingen aanbevelingen vast te stellen waarmee rekening moet worden voordat de onderhandelingen zijn afgerond;
47. dringt erop aan dat alle toekomstige 'gemengde' akkoorden, met elementen die zowel binnen als buiten het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen, normaal moeten worden behandeld op basis van één enkele rechtsgrondslag en dat dit de rechtsgrondslag moet zijn die rechtstreeks verband houdt met het belangrijkste onderwerp van het akkoord; tekent aan dat het Parlement het recht zal hebben om te worden geraadpleegd, behalve als het akkoord uitsluitend betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid;
2.4. Nieuwe toezichtsbevoegdheden
48. verwelkomt het feit dat de voorzitter van de Commissie, op basis van een voorstel van de Europese Raad, gekozen zal worden door het Europees Parlement, waarbij rekening wordt gehouden met de verkiezingen van het Europees Parlement; verwijst naar het verslag over het interinstitutionele evenwicht, dat is opgesteld door de Commissie constitutionele zaken;
49. verwelkomt het feit dat de vice-voorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de overige leden van de Commissie als college ter goedkeuring worden onderworpen aan een stemming door het Europees Parlement en in aanmerking kunnen komen voor een motie van afkeuring, en derhalve rekenschap moeten afleggen aan het Parlement;
50. verwelkomt de nieuwe procedure voor de benoeming van de ambten van rechter en advocaat-generaal van het Hof van Justitie en van het Gerecht zoals geregeld in artikel 255 van het VwEU, op grond waarvan het besluit van de nationale regeringen moet worden voorafgegaan door een advies over de geschiktheid van de kandidaten, dat wordt gegeven door een comité van zeven deskundigen waarvan er één wordt gekozen door het Europees Parlement;
51. benadrukt dat transparantie en democratisch toezicht een vereiste zijn bij het opzetten van de Europese dienst voor extern optreden overeenkomstig artikel 27, lid 3, van het VEU, en herinnert aan zijn recht om te worden geraadpleegd bij de oprichting; is van mening dat de Europese dienst voor extern optreden bestuurlijk gezien onder de Commissie moet vallen;
52. verwacht een verduidelijking ten aanzien van de criteria voor en de benoeming en evaluatie van speciale vertegenwoordigers van de EU, waaronder een verduidelijking van de definitie en het doel van hun taken, de lengte van hun mandaat, de coördinatie met toekomstige delegaties van de Unie en in hoeverre zij hier een aanvulling op zijn;
53. benadrukt dat transparantie en democratisch toezicht een vereiste zijn met betrekking tot een Europees Defensieagentschap en de activiteiten die dit agentschap onderneemt, en dat dit kan worden verwezenlijkt door te waarborgen dat er regelmatig informatie wordt uitgewisseld tussen de hoogste functionaris van dit agentschap en de verantwoordelijke commissie in het Europees Parlement;
54. verwelkomt de nieuwe adviserende rol die het Parlement zal vervullen overeenkomstig artikel 40, lid 2, van de statuten van het ESCB en van de ECB ten aanzien van de wijziging van de samenstelling van de Raad van Bestuur van de ECB;
55. verwelkomt het feit dat het parlementaire toezicht op instellingen, met op name Europol en Eurojust, wordt versterkt (artikel 85 en artikel 88 van het VwEU); is derhalve van mening dat de handhaving van de raadplegingsprocedure voor het in het leven roepen van gemeenschappelijke ondernemingen op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling (artikelen 187 en 188 van het VwEU) mogelijkerwijs in strijd is met de geest van de rechtshandelingen van de Unie voor wat betreft het opzetten van agentschappen;
2.5. Nieuwe rechten op informatie
56. verzoekt de voorzitter van de Europese Raad om het Parlement volledig op de hoogte te houden van de voorbereidingen voor vergaderingen van de Europese Raad en om verslag uit te brengen over de resultaten van vergaderingen, waar mogelijk binnen een termijn van twee werkdagen (indien nodig in het kader van een bijzondere vergadering van het Parlement);
57. verzoekt de voorzitter van het roterende voorzitterschap van de Raad het Parlement op de hoogte te houden over de programma's van het voorzitterschap en de behaalde resultaten;
58. dringt er bij de toekomstige vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op aan overeenstemming te bereiken met het Parlement over adequate methoden om het Parlement volledig op te hoogte te houden en te raadplegen over het extern optreden van de Unie, en hierbij alle parlementaire commissies te betrekken die verantwoordelijk zijn voor gebieden die binnen het mandaat van de hoge vertegenwoordiger vallen;
59. benadrukt dat als het gaat om het onderhandelen over en sluiten van internationale overeenkomsten, de Commissie de juridische plicht heeft het Parlement even goed op de hoogte te houden van de voortgang van de onderhandelingen als het bijzonder comité dat door de Raad wordt aangewezen overeenkomstig artikel 218 van het VwEU; verzoekt dat de verstrekte informatie identiek is aan de informatie die op grond van dit artikel wordt verstrekt aan het relevante comité van de Raad, en dat deze informatie ook op hetzelfde moment wordt verstrekt;
2.6. Nieuwe rechten van initiatief
60. verwelkomt de nieuwe rol van het Parlement om amendementen op de Verdragen voor te stellen; zal gebruikmaken van dit recht en nieuwe ideeën over de toekomst van Europa voorstellen, wanneer nieuwe uitdagingen dit nodig maken;
61. verwelkomt het feit dat het Parlement het recht van initiatief zal hebben als het gaat om voorstellen over zijn eigen samenstelling, waarbij de in de Verdragen vastgestelde beginselen worden gerespecteerd (artikel 14 van het VEU);
62. tekent aan dat het Verdrag van Lissabon een bijzondere wetgevingsprocedure invoert voor de vaststelling van bepalingen met voorschriften over de modaliteiten en bevoegdheden van tijdelijke enquêtecommissies (artikel 226 van het VwEU);
3.Nieuwe procedures
3.1. Toezicht door nationale parlementen
63. verwelkomt de nieuwe rechten van nationale parlementen ten aanzien van voorafgaande controle van de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel op alle wetgeving van de Unie; is van mening dat een betere controle van Europese beleidsmaatregelen door nationale parlementen ook tot gevolg zal hebben dat de bevolking beter op de hoogte is van de activiteiten van de Unie;
64. benadrukt dat de nieuwe prerogatieven van de nationale parlementen vanaf het moment van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon volledig moeten worden gerespecteerd;
65. verwelkomt de toewijding van lokale en regionale autoriteiten om het subsidiariteitsbeginsel te respecteren; tekent het recht van het Comité van de Regio's aan om zaken aan te spannen bij het Hof van Justitie als dit comité van mening is dat het subsidiariteitsbeginsel is geschonden (tweede alinea van artikel 8 van protocol nr. 2);
3.2. Gedelegeerde handelingen
66. stelt de verbeteringen op prijs die voortkomen uit de nieuwe bepalingen inzake rechtshandelingen en de hiërarchie van normen, en met name de vorming van gedelegeerde handelingen (artikel 290 van het VwEU), waardoor aan de Commissie de bevoegdheid kan worden gedelegeerd niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen of niet-essentiële onderdelen van wetgevingshandelingen te wijzigen; wijst erop dat de doelstellingen, de inhoud, de strekking en de duur van de bevoegdheidsdelegatie uitdrukkelijk in de wetgevingshandeling moeten worden gedefinieerd door het Parlement en de Raad;
67. verwelkomt met name de bepalingen van artikel 290, lid 2, van het VwEU waarin aan het Parlement (en de Raad) het recht wordt toegekend om de delegatie van bevoegdheden in te trekken en bezwaar aan te tekenen tegen individuele gedelegeerde handelingen;
68. tekent aan dat het VwEU geen rechtsgrondslag biedt voor een raamwerkmaatregel voor gedelegeerde handelingen, maar voorstelt dat de instellingen voor dergelijke delegaties overeenstemming kunnen bereiken over een standaardformule die regelmatig in de wetgevingsvoorstellen zelf zal worden ingevoegd door de Commissie; benadrukt dat hierdoor de vrijheid van de wetgever behouden blijft;
69. vraagt de Commissie te verduidelijken welke interpretatie zij geeft aan verklaring 39 gehecht aan de Slotakte van de Intergouvernementele Conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, betreffende de raadpleging van deskundigen op het gebied van financiële diensten, en hoe de Commissie deze interpretatie gaat toepassen buiten de in het VwEU staande bepalingen betreffende gedelegeerde handelingen;
3.3. Uitvoeringshandelingen
70. tekent aan dat het Verdrag van Lissabon de huidige comitologieprocedure in artikel 202 van het EU-Verdrag herroept en in artikel 291 van het VwEU een nieuwe procedure invoert ten aanzien van 'uitvoeringshandelingen', waarmee het mogelijk wordt om uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie toe te kennen "indien het nodig is dat juridisch bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden worden uitgevoerd";
71. tekent aan dat in artikel 291, lid 3, van het VwEU staat dat het Parlement en de Raad vooraf verordeningen moeten vaststellen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren;
72. tekent aan dat de huidige comitologieprocedure niet langer in overeenstemming is met het Verdrag van Lissabon en dat lopende wetsvoorstellen die niet worden aangenomen vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, moeten worden aangepast zodat ze voldoen aan de eisen van artikel 290 en artikel 291 van het VwEU;
73. is van mening dat er met de Raad kan worden onderhandeld over een interim-oplossing voor de beginperiode, zodat er zich geen hindernissen voordoen als gevolg van een mogelijke juridische leemte en de nieuwe verordening door de wetgever kan worden aangenomen nadat er zorgvuldig naar de voorstellen van de Commissie is gekeken;
4.Prioriteiten voor de overgangsperiode
74. verzoekt de Commissie om de medewetgevers alle lopende voorstellen te verstrekken waarop nieuwe rechtsgrondslagen en wijzigingen in de wetgevingsprocedures van toepassing zijn;
75. wijst erop dat het Parlement zal beslissen welk standpunt wordt ingenomen betreffende adviezen die al zijn aangenomen in raadplegingsprocedures en die gaan over zaken waarop nu de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is, en dat het vorige standpunt kan worden bevestigd maar dat er ook een nieuw standpunt kan worden ingenomen; benadrukt dat er pas kan worden gestemd door het Parlement over een bevestiging van een advies als een in eerste lezing vastgesteld standpunt als het Verdrag van Lissabon in werking is getreden;
76. dringt erop aan dat er een interinstitutionele overeenkomst wordt gesloten waarmee tot de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon wordt voorkomen dat lopende wetsvoorstellen betreffende de derde pijler een grondrechtdimensie krijgen, zodat dergelijke kwesties volledig rechterlijk onderzocht kunnen worden terwijl maatregelen die geen of weinig gevolgen hebben voor grondrechten ook vóór de inwerkingtreding kunnen worden aangenomen;
5. Voorstellen
77. verzoekt de overige instellingen onderhandelingen te starten voor een interinstitutionele overeenkomst die het volgende regelt:
(a) de hoofddoelstellingen die na 2009 door de Europese Unie moeten worden verwezenlijkt, bijvoorbeeld in de vorm van een raamovereenkomst tussen de drie politieke instellingen over een werkprogramma voor de zittingsperiode van het Parlement en de Commissie die in 2009 begint;
(b) de uitvoeringsmaatregelen die moeten worden vastgesteld om het nieuwe Verdrag een succes te maken voor de instellingen en de burgers van de Unie;
78. verzoekt een vervolgbericht over de interinstitutionele overeenkomst tussen het Parlement en de Raad waarin hun werkrelatie ten aanzien van buitenlands beleid wordt gedefinieerd, en waar onder meer het delen van vertrouwelijke informatie wordt beschreven op grond van de artikelen 14 en 36 van het VEU en artikel 295 van het VwEU;
79. verzoekt de Raad en de Commissie om te overwegen met het Parlement te onderhandelen over een nieuwe interinstitutionele overeenkomst waarin het Parlement een wezenlijke definitie wordt geboden van zijn betrokkenheid bij elk stadium voorafgaand aan het sluiten van een internationale overeenkomst;
80. verzoekt, als gevolg van de nieuwe bepalingen over het meerjarig financieel kader (artikel 312 van het VwEU) en over de financiële verordening (artikel 322 van het VwEU), om een herziening van het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer;
81. is van mening dat alle noodzakelijke stappen genomen moeten worden om een Europees informatie- en communicatiebeleid te vormen, en beschouwt de gezamenlijke politieke verklaring over communicatie die de drie instellingen hebben afgegeven als een nuttige eerste stap naar de verwezenlijking van deze doelstelling;
82. verzoekt de Commissie om spoedig een initiatief te presenteren voor de tenuitvoerlegging van het 'burgerinitiatief', waarin duidelijke, eenvoudige en gebruiksvriendelijke voorwaarden worden gesteld aan de uitoefening van dit burgerrecht; verwijst naar het verslag over het 'burgerinitiatief', dat is opgesteld door de Commissie constitutionele zaken;
83. verzoekt de Commissie om vaststelling van verordeningen waarmee artikel 298 van het VwEU over goed bestuur ten uitvoer wordt gelegd, want hiermee zal worden voldaan aan een reeds lang bestaand verzoek van het Parlement en de Europese ombudsman voor een gemeenschappelijk stelsel van bestuurlijke wetten dat van toepassing is op het Europees bestuur;
84. tekent aan dat het Verdrag van Lissabon het mogelijk maakt dat het Europees Ontwikkelingsfonds wordt opgenomen in de begroting van de Unie, waardoor de democratische legitimiteit van een belangrijk deel van het Europese ontwikkelingsbeleid zal worden versterkt; verzoekt de Raad en de Commissie de noodzakelijke maatregelen te nemen voor de begroting van de Europese Unie bij de tussentijdse evaluatie van 2008/2009;
85. adviseert een urgente herziening en bekrachtiging van de status van de Unie bij internationale organisaties zodra het Verdrag van Lissabon in werking is getreden en de Unie de Europese Gemeenschappen heeft opgevolgd;
86. verzoekt de Commissie en de Raad overeenstemming te bereiken met het Parlement over een strategie die er op is gericht de samenhang te waarborgen tussen vastgestelde wetgeving en het Handvest van de grondrechten, alsmede de voorschriften in de Verdragen over beleid inzake het voorkomen van discriminatie, het beschermen van asielzoekers, het verbeteren van de transparantie, het beschermen van gegevens, en het waarborgen van de rechten van minderheden, slachtoffers en verdachten;
87. verzoekt de Commissie en de Raad bij te dragen aan een verbetering van de betrekkingen tussen Europese en nationale autoriteiten, vooral op het gebied van wetgeving en justitie;
88. verzoekt de Commissie en de Raad te zorgen voor een werkelijk gemeenschappelijk energiebeleid om de energiemarkten van de lidstaten van de EU op doelmatige wijze te coördineren en te ontwikkelen, en hierin externe aspecten op te nemen die gericht zijn op de bronnen en de aanvoerroutes van energie;
89. verzoekt de Raad om samen met het Parlement te overwegen welk gebruik er kan worden gemaakt van de bepalingen in artikel 127, lid 6, van het VwEU, die het mogelijk maken "de Europese Centrale Bank specifieke taken op te dragen betreffende het beleid op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen";
90. verbindt zich ertoe zijn interne organisatie aan te passen en zijn nieuwe bevoegdheden uit hoofde van het Verdrag op optimale en efficiënte wijze uit te oefenen;
°
° °
91. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen van de lidstaten.
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande voorstellen in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. onderstreept dat de verbreding van de externe maatregelen van de Unie in het Verdrag van Lissabon, met inbegrip van het versterken van de nieuwe rechtsgrondslagen en instrumenten die van invloed zijn op gebieden die verband houden met buitenlands beleid (externe maatregelen en GBVB-GVDB), een nieuw interinstitutioneel evenwicht en samenwerking vereist om de samenhang van de externe maatregelen van de Unie te waarborgen en de democratische controle door het Europees Parlement te garanderen;
2. is van mening dat de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie verantwoordelijk is voor de ontwikkeling, organisatie, coördinatie en tenuitvoerlegging van de buitenlandse betrekkingen, met name het GBVB en het GVDB, en verantwoording moet afleggen aan het Parlement;
3. benadrukt dat de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie bij de formulering en tenuitvoerlegging van het GBVB niet alleen wordt geacht de beginselen te respecteren die zijn verwoord in de artikelen 2, 3 en 21 van het EU-Verdrag, maar ook het Handvest van de grondrechten volledig dient te respecteren;
4. verwacht dat de betreffende lichamen van de Europese Raad direct samenwerken met de commissies en bevoegde instanties van het Europees Parlement die verantwoordelijk zijn voor het GBVB en GVDB;
5. zal, onder meer via zijn Commissie buitenlandse zaken, trachten het ontstaan van consensus tussen de nationale parlementen van de lidstaten te bevorderen voor wat betreft hun steun voor de initiatieven op het gebied van het extern beleid van de Europese Unie;
De betrekkingen van het Europees Parlement met de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie
6. dringt erop aan dat volledig wordt voldaan aan de rechten van het Europees Parlement in verband met de benoeming van de eerste hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie en in geval van interim-benoeming; benadrukt dat de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie volledige en directe verantwoording schuldig is aan het Europees Parlement;
7. herhaalt dat het toekomstige ambt van hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie haar legitimiteit direct uit het Europees Parlement zal putten en dat zijn/haar twee mandaten binnen de Commissie en de Raad niet scheidbaar zijn en in volledige harmonie worden uitgevoerd; verzoekt hem/haar derhalve op de huidige praktijk voort te bouwen en regelmatig te verschijnen voor het Parlement in plenaire vergadering en zijn Commissie buitenlandse zaken, aan vergaderingen deel te nemen teneinde regelmatige, stelselmatige en substantiële raadplegingen met het Parlement en zijn bevoegde lichamen te houden en het Parlement te betrekken bij het besluitvormingsproces en derhalve verantwoording en transparantie van het buitenlands beleid van de Unie te vergroten;
8. is van mening dat het debat met de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB-GVDB voor het komende jaar een ideale gelegenheid is om het Parlement aan het begin van ieder jaar te raadplegen en dat zes maanden later een follow-up debat gepland moet worden;
9. verwacht van de hoge vertegenwoordiger of zijn/haar plaatsvervanger dat hij/zij de huidige praktijk van het voorzitterschap van de Unie versterkt om voor de Commissie buitenlandse zaken te verschijnen teneinde verslag uit te brengen van de resultaten van de maandelijkse vergaderingen van de Raad buitenlandse zaken, in overeenstemming met de taak van de hoge vertegenwoordiger om het GBVB van de Unie te leiden en de Raad buitenlandse zaken voor te zitten (artikel 18, lid 2 en 3, van het geconsolideerde EU-Verdrag);
10. verzoekt de vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger die het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) voorzit om op gezette tijden voor de Commissie buitenlandse zaken van het Parlement te verschijnen om verslag uit te brengen over actuele kwesties die in de vergaderingen van het PVC worden besproken;
11. wenst dat de speciale vertegenwoordigers van de hoge vertegenwoordiger (zoals bepaald in artikel 33 van het geconsolideerde EU-Verdrag) voor de Commissie buitenlandse zaken verschijnen en desgevraagd voor andere betrokken commissies;
12. verwacht dat de oprichting van een Europese dienst voor extern optreden grotere duidelijkheid zal verschaffen met betrekking tot de criteria voor de benoeming en beoordeling van de speciale vertegenwoordigers van de EU met inbegrip van hun taakomschrijving en doelstellingen, de duur van hun mandaat en de coördinatie en complementariteit met de toekomstige delegaties van de Unie;
De interactie tussen Raad, Parlement en Commissie ten aanzien van het buitenlands beleid
13. is van mening dat het Europees Parlement systematischer standpunten moet innemen met betrekking tot ieder stadium van het GBVB en EVDB-besluitvormingsproces, met inbegrip van inzetbesluiten die in een zeer kort tijdsbestek moeten worden genomen (zoals voorzien voor EU-gevechtsgroepen), om ervoor te zorgen dat de Raad het standpunt van het Europees Parlement in gemeenschappelijke standpunten en optredens kan weerspiegelen en daarmee hun democratische legitimiteit vergroot;
14. onderstreept de noodzaak om het Handvest van de grondrechten te respecteren bij alle aspecten van het extern optreden van de Unie;
15. is voornemens om het respecteren van de beginselen in de artikelen 2, 3 en 21 van het EU-Verdrag en de volledige toepassing van het Handvest van de grondrechten te beschouwen als een van zijn belangrijkste verplichtingen; belast zijn verantwoordelijke commissie met het toezicht op het effectief naleven van deze beginselen;
16. verzoekt om het bijwerken van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Parlement en de Raad waarin hun werkbetrekkingen op het gebied van buitenlands beleid, met inbegrip van het delen van vertrouwelijke informatie op grond van de artikelen 15 en 295 van het geconsolideerde Verdrag betreffende de werking van de EU en artikel 36 van het geconsolideerde EU-Verdrag worden vastgelegd;
17. benadrukt de noodzaak te zorgen voor de democratische verantwoording en transparantie van de door het Europees Defensieagentschap ondernomen activiteiten, namelijk door een regelmatige uitwisseling van informatie te garanderen tussen de algemeen directeur van het EDA en de Commissie buitenlandse zaken en de Subcommissie veiligheid en defensie van het Parlement en door de voorzitter van deze subcommissie de mogelijkheid te geven overleg te plegen met de EDA-stuurgroep;
Het Parlement en de Europese dienst voor extern optreden
18. onderstreept het belang van transparantie en democratisch toezicht met betrekking tot het hele proces en herinnert aan zijn recht, in overeenstemming met artikel 26 van het geconsolideerde EU-Verdrag, geraadpleegd te worden over het opzetten van de Europese dienst voor extern optreden en volledig te worden betrokken bij de voorbereidende werkzaamheden; is van mening dat de Europese dienst voor extern optreden administratief moet worden gekoppeld aan de Commissie en verwijst naar zijn verslag over deze kwestie;
19. uit zijn voornemen om de hoofden van de delegaties van de Europese Unie in derde landen uit te nodigen om voor de Commissie buitenlandse zaken te verschijnen;
Betrekkingen van het Europees Parlement met nationale parlementen in verband met het buitenlands beleid
20. verwelkomt nauwere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van het Verdrag van Lissabon; onderstreept het belang van een nauwere samenwerking tussen de betrokken commissies van het Europees Parlement en van de nationale parlementen, hiermee voortbouwend op de huidige praktijk van vergaderingen tussen de voorzitters van de commissies buitenlandse zaken en defensie en de commissies voor Europese aangelegenheden van de nationale parlementen met de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement; verwijst naar zijn verslag over deze kwestie;
21. verwelkomt het feit dat het Parlement uitgebreidere instemmingbevoegdheden met betrekking tot internationale overeenkomsten zal krijgen, met name voor alle overeenkomsten waarbij de normale wetgevingsprocedure wordt gebruikt voor interne doeleinden; dringt erop aan dat toekomstige "gemengde" overeenkomsten waarin GBVB-elementen met andere dan GBVB-elementen zijn gecombineerd moeten worden behandeld op basis van één enkele rechtsgrondslag, die direct gerelateerd moet zijn aan het onderwerp waarop de overeenkomst hoofdzakelijk betrekking heeft; merkt op dat het Parlement het recht heeft om te worden geraadpleegd in alle overige zaken, behalve wanneer de overeenkomst exclusief betrekking heeft op het GBVB;
Het standpunt van het Parlement inzake de rol van de Unie in internationale organisaties
22. roept de lidstaten op om hun EU-partners en de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie te raadplegen voordat er strategische besluiten worden genomen op het gebied van buitenlands beleid, in het bijzonder in multilaterale organisaties, om ervoor te zorgen dat hun standpunten inzake strategische beslissingen samenhang vertonen en de convergentie van het buitenlands beleid van de EU niet aantasten noch de geloofwaardigheid van de EU als een mondiale actor ten opzichte van derde landen ondermijnen; herinnert eraan dat het Verdrag van Lissabon de lidstaten verplicht om elkaar te raadplegen en onderlinge solidariteit te betrachten;
23. roept alle EU-lidstaten die tevens lid zijn van de VN-Veiligheidsraad op om hierin gecoördineerder op te treden teneinde de doeltreffendheid van het handelen van de EU in de wereld te bevorderen en om op de langere termijn te streven naar een zetel voor de Europese Unie in de Veiligheidsraad;
24. beveelt aan om de status van de Unie in internationale organisaties na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en nadat de Unie de Europese Gemeenschappen opvolgt opnieuw te bespreken en te versterken;
De financiering van het GBVB in het kader van het Verdrag van Lissabon en de rol van het Parlement
25. is van mening dat alle externe optredens van de Europese Unit (met inbegrip van optredens binnen het toekomstige GVDV maar met uitzondering van alle militaire uitgaven) in de toekomst bekostigd moeten worden uit de gemeenschappelijke EU-begroting;
26. beveelt aan dat de voorzitters en/of rapporteurs van de commissies van het Parlement die verantwoordelijk zijn voor het externe optreden, ambtshalve volledig worden betrokken bij de activiteiten van de nieuwe overlegcommissie die wordt voorzien voor de nieuwe begrotingsprocedure;
27. herinnert eraan dat het Europees Parlement verantwoordelijk is voor zijn eigen interne organisatie en de samenhang van zijn werk; handhaaft dan ook de beproefde praktijk voor het instellen en leiden van subcommissies onder auspiciën van de Commissie buitenlandse zaken;
28. verwijst naar haar verslag over deze kwestie.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
3.6.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
46
7
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Monika Beňová, André Brie, Colm Burke, Philip Claeys, Véronique De Keyser, Hanna Foltyn-Kubicka, Georgios Georgiou, Bronisław Geremek, Maciej Marian Giertych, Ana Maria Gomes, Alfred Gomolka, Klaus Hänsch, Anna Ibrisagic, Jelko Kacin, Ioannis Kasoulides, Maria Eleni Koppa, Helmut Kuhne, Willy Meyer Pleite, Francisco José Millán Mon, Philippe Morillon, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Baroness Nicholson of Winterbourne, Alojz Peterle, Tobias Pflüger, João de Deus Pinheiro, Samuli Pohjamo, Raül Romeva i Rueda, Libor Rouček, Christian Rovsing, Katrin Saks, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, György Schöpflin, István Szent-Iványi, Inese Vaidere, Ari Vatanen, Jan Marinus Wiersma, Luis Yañez-Barnuevo García, Zbigniew Zaleski, Josef Zieleniec
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Giulietto Chiesa, Alexandra Dobolyi, Árpád Duka-Zólyomi, Martí Grau i Segú, Evgeni Kirilov, Jaromír Kohlíček, Miloš Koterec, Jo Leinen, Doris Pack, Rihards Pīks, Adrian Severin, Jean Spautz, Karl von Wogau
ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (*) (28.5.2008)
aan de Commissie constitutionele zaken
over de nieuwe rol en verantwoordelijkheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon
(*) Procedure Medeverantwoordelijke commissies - artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. verwelkomt het feit dat in artikel 208, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt bepaald dat “[het] ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten [elkaar] completeren en versterken”. Dit in tegenstelling tot het huidige artikel 177, lid 1 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, waarin gesproken wordt van een “beleid van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, dat een aanvulling vormt op het beleid van de lidstaten”; benadrukt dat het initiatief op het vlak van beleidsvoering hierdoor meer bij de Unie komt te liggen. Dit zou moeten leiden tot een betere coördinatie van donoren, een betere verdeling van de werkzaamheden en tot een grotere effectiviteit van de hulpverlening, maar het impliceert tevens meer verantwoordelijkheden voor de instellingen van de Unie, waaronder het Parlement;
2. spreekt er zijn waardering voor uit dat in artikel 208, lid 1, van het VWEU duidelijk wordt bepaald dat het “[hoofddoel] van het beleid van de Unie op dit gebied is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen”; dringt erop aan dat deze primaire doelstelling wordt geplaatst binnen de context van de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling; herhaalt dat met deze ontwikkelingsdoelstelling rekening moet worden gehouden bij alle beleid dat gevolgen kan hebben voor ontwikkelingslanden en dat het Parlement een zeer belangrijke rol speelt bij het toezicht op de uitvoering van deze Verdragsdoelstelling;
3. verwelkomt het feit dat in artikel 214 van het VWEU humanitaire hulp wordt erkend als volwaardig onderdeel van het EU-beleid en dat humanitaire hulpacties moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de beginselen van het internationaal recht, en de beginselen van onpartijdigheid, neutraliteit en non-discriminatie; is van oordeel dat hoofdstuk 1 (Ontwikkelingssamenwerking) en hoofdstuk 3 (Humanitaire hulp) van titel III een heldere rechtsgrondslag vormen voor ontwikkelings- en humanitaire hulp en aangeven dat dit integraal EU-bevoegdheden zijn waarop de gewone wetgevingsprocedure (op basis van medebeslissing) van toepassing is;
4. dringt erop aan dat de beperking van het aantal Commissarissen met ingang van 1 november 2014 (artikel 17, lid 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (zoals gewijzigd door het Verdrag van Lissabon)) niet mag leiden tot de afschaffing van een Commissaris voor ontwikkeling en humanitaire hulp en dat deze Commissaris verantwoordelijk moet blijven voor het ontwikkelingsbeleid van de EU en voor het directoraat-generaal en de diensten die verantwoordelijk zijn voor de beleidsbepaling, de beleidsadviezen en het beleidsbeheer van de ontwikkelingssamenwerking van de EU. Dit in nauwe samenwerking met de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid teneinde de logische structuur van het externe optreden te waarborgen overeenkomstig artikel 208, lid 1 van het VWEU, waarin wordt bepaald dat de EU “bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking”;
5. wijst erop dat er binnen de EU een sterkere positie moet worden toegekend aan ontwikkelingssamenwerking, versterkt door een bestuurlijke organisatie die verantwoordelijk is voor het beleid en de uitvoering daarvan; benadrukt dat de Commissaris voor ontwikkeling en humanitaire hulp op daadkrachtiger wijze leiding dient te geven aan het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid dan thans het geval is;
6. benadrukt dat de oprichting van de Europese Dienst voor extern optreden de Commissie zal helpen bij de verdere en snellere hervorming en vereenvoudiging van de directoraten-generaal die verantwoordelijk zijn voor extern optreden; dringt erop aan dat het Parlement volledig wordt betrokken bij de besluitvorming over de structuur van de Europese Dienst voor extern optreden; dringt er tevens op aan dat deze nieuwe dienst volledig verantwoording aflegt aan het Parlement; dringt er echter tevens op aan dat de verantwoordelijkheid voor zowel ontwikkelingssamenwerkingsbeleid als de uitvoering van dat beleid moet liggen bij de Commissaris voor ontwikkeling en humanitaire hulp;
7. wijst erop aan dat voor een samenhangend ontwikkelingsbeleid bij voortduring een specifiek directoraat-generaal voor ontwikkelingssamenwerking op bestuurlijk niveau vereist is dat verantwoordelijk is voor beleidsbepaling, beleidsadvies en beleidsbeheer met betrekking tot EU-ontwikkelingssamenwerking;
8. beklemtoont dat de huidige praktijk van opsplitsing van de vaststelling, programmering en uitvoering van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid moet worden beëindigd om de efficiëntie van de ontwikkelingssamenwerking van de EU te vergroten;
9. benadrukt de noodzaak van logische opzet en het integreren van de programmering voor ontwikkelingsteun en humanitaire hulp voor Afrika, het Caribische Gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen), alsook Azië en Latijns-Amerika;
10. verzoekt de Commissie de zowel op beleidsniveau als op budgettair gebied de bestaande onlogische organisatie van de structuur en de bevoegdheden van haar directoraten-generaal te corrigeren; pleit ervoor het directoraat-generaal Ontwikkeling te belasten met de verantwoordelijkheid voor de gehele ontwikkelingssamenwerking van de EU, met inbegrip van de samenwerking met de niet tot de ACS behorende ontwikkelingslanden, en spreekt zich uit voor de integratie van EuropeAid in het directoraat-generaal Ontwikkeling;
11. verwelkomt de eis dat het Parlement toestemming (goedkeuring) moet geven voor het sluiten van internationale overeenkomsten op terreinen waarop de gewone wetgevingsprocedure of de speciale wetgevingsprocedure (waarbij goedkeuring van het Parlement vereist is) van toepassing is (artikel 218, lid 6 (a) (v) van het VWEU); benadrukt dat dit zal leiden tot meer transparantie en meer democratische controle door het Parlement van alle aspecten van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie;
12. stelt vast dat in het Verdrag van Lissabon de gebruikelijke wetgevingsprocedure (medebeslissing) inzake het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid gehandhaafd blijft; wijst er met nadruk op dat dit slechts kan betekenen dat het Parlement volledig gebruik kan maken van zijn recht alle aspecten van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de EU democratisch te controleren;
13. verwelkomt de opname in artikel 5, lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (zoals gewijzigd door het Verdrag van Lissabon) van controle door de nationale parlementen op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel; is van mening dat grotere betrokkenheid van de nationale parlementen op het vlak van ontwikkelingssamenwerking van de EU de wederzijdse complementariteit tussen de Unie en de lidstaten zal vergroten en daarnaast zal leiden tot een groter publiek bewustzijn van de activiteiten van de Unie op dat vlak; benadrukt dat het Europees Parlement en de nationale parlementen dit uiterst efficiënt moeten voorbereiden;
14. verwelkomt het feit dat in het Verdrag van Lissabon dwingende bepalingen zijn opgenomen ter bescherming van de rechten van het kind in de interne en externe doelen van de EU;
15. verwelkomt het feit dat in het Verdrag van Lissabon artikel 179, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is geschrapt volgens hetwelk het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) buiten de werkingssfeer van dat Verdrag valt; en merkt op dat het EOF hierdoor kan worden geïntegreerd in de begroting van de Unie zonder dat het Verdrag te dien einde hoeft te worden gewijzigd; verzoekt de Raad en de Commissie om het EOF bij de tussentijdse herziening in 2008/2009 op te nemen in de begroting van de Europese Unie, teneinde de democratische legitimiteit van een belangrijk onderdeel van het EU-ontwikkelingsbeleid en de bijbehorende begroting te verhogen;
16. benadrukt het feit dat de Unie slechts wanneer er een hoge prioriteit wordt toegekend aan de samenhang in het ontwikkelingsbeleid, in staat zal zijn om de ontwikkelingsdoelstellingen en de in het Verdrag van Lissabon neergelegde waarden van de EU te verwezenlijken;
17. verwelkomt het vooruitzicht op een meer gestroomlijnde institutionele architectuur op EU-niveau ter coördinatie van Europa’s beleid op het gebied van buitenlandse betrekkingen, maar wijst erop dat het ontwikkelingsbeleid om werkelijk effectief te zijn, gebaseerd moet zijn op het beginsel van partnerschap met en eigen inbreng van de begunstigde landen.
RESULTAAT VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
28.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
27
0
2
Bij de eindstemming aanwezige leden
Margrete Auken, Alessandro Battilocchio, Thijs Berman, Danutė Budreikaitė, Marie-Arlette Carlotti, Corina Creţu, Beniamino Donnici, Fernando Fernández Martín, Juan Fraile Cantón, Alain Hutchinson, Filip Kaczmarek, Glenys Kinnock, Maria Martens, Gay Mitchell, Luisa Morgantini, Horst Posdorf, José Ribeiro e Castro, Frithjof Schmidt, Jürgen Schröder, Feleknas Uca, Anna Záborská, Jan Zahradil
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
John Bowis, Ana Maria Gomes, Miguel Angel Martínez Martínez, Manolis Mavrommatis, Mihaela Popa, Renate Weber, Gabriele Zimmer
ADVIES van de Commissie internationale handel (*) (27.5.2008)
aan de Commissie constitutionele zaken
inzake nieuwe taken en verantwoordelijkheden van het Europees Parlement bij de uitvoering van het Verdrag van Lissabon
(*) Medeverantwoordelijke commissies – Artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. is van mening dat de bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde veranderingen op het gebied van de gemeenschappelijk handelspolitiek (GHP) over het algemeen bijdragen tot verbetering van de democratische legitimiteit en doeltreffendheid van dat beleid; wijst in dat verband op de vergroting van de reikwijdte van de GHP, de uitdrukkelijke erkenning van de exclusieve bevoegdheid van de Unie op alle gebieden waarop de GHP betrekking heeft, en in het bijzonder de substantieel versterkte taak en bevoegdheden van het Parlement;
2. benadrukt de uitdrukkelijke eis dat de GHP in dienst moet staan van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie, zoals onder andere de bescherming van haar waarden en fundamentele belangen, de ondersteuning van de democratie en de rechtsstaat, en de bevordering van duurzame ontwikkeling en verantwoord beheer van de aarde; onderstreept de noodzaak om consistentie en wederzijdse versterking tussen de verschillende aspecten van het externe optreden van de EU te waarborgen; ziet echter nog steeds behoefte aan een zelfstandig handelsbeleid dat recht doet aan de betekenis van de handelsbelangen van de Europese Unie voor arbeidsplaatsen en welvaart; waarschuwt ertegen de GHP als inzet van onderhandelingen voor andere politieke doelen te beschouwen;
3. staat geheel achter de effectieve bevordering van niet-commerciële aspecten, zoals de naleving van milieu-, sociale en voedselveiligheidsnormen, door middel van de uitvoering van de GHP op bilateraal, interregionaal en multilateraal niveau;
Toekomstige betrekkingen met de Europese Commissie
4. benadrukt dat de Commissie ten aanzien van onderhandelingen over het sluiten van internationale overeenkomsten in het kader van de GHP wettelijk verplicht is om het Parlement over de voortgang van de onderhandelingen in te lichten op voet van gelijkheid met het speciale comité van de Raad waarnaar wordt verwezen in artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; verlangt even volledig en op hetzelfde tijdstip te worden geïnformeerd als het bevoegde comité van de Raad volgens dit artikel;
5. betreurt de onevenwichtigheid in de taken en verantwoordelijkheden van het Parlement tussen zijn interne en externe bevoegdheden in GHP-verband; vindt het vooral onaanvaardbaar dat het Verdrag van Lissabon het Parlement niet het recht verleent het mandaat van de Commissie voor onderhandelingen over handelsovereenkomsten goed te keuren;
6. is desalniettemin van mening dat het Parlement gerechtigd is voorafgaande voorwaarden te stellen aan zijn instemming, die vereist is voor het sluiten van alle handelsovereenkomsten; benadrukt daarom de noodzaak van een versterkte kaderovereenkomst, en dan met name paragraaf 19 daarvan, over de betrekkingen tussen Parlement en Commissie;
7. vraagt of in deze vernieuwde kaderovereenkomst specifieke paragrafen kunnen worden opgenomen die de Commissie oproepen om:
a) in te gaan op de voorwaarden die het Parlement kan stellen om zijn toestemming te geven aan het sluiten van een handelsovereenkomst alvorens de onderhandelingen werkelijk beginnen;
b) het Parlement alle nodige informatie te verstrekken over de GHP of de onderhandelingen over handelsovereenkomsten of commerciële aspecten van ongeacht welke overeenkomst, met inbegrip van voorstellen en ontwerpvoorstellen voor onderhandelingsmandaten en/of richtsnoeren, dit alles binnen een termijn die het Parlement gelegenheid geeft om zijn opvattingen uit te drukken en de Commissie in staat stelt werkelijk rekening te houden met deze opvattingen;
c) met het oog op de transparantie van de werkzaamheden van het comité zoals bedoeld in artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, alle documenten ter beschikking te stellen van de verantwoordelijke commissie van het Parlement;
d) bij alle onderhandelingen over handelsovereenkomsten of commerciële aspecten van alle overige internationale overeenkomsten een delegatie van waarnemers van het Parlement te laten aanschuiven;
Toekomstige betrekkingen met de Raad
8. wijst erop dat het Parlement en de Raad volgens artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gelijkwaardige medewetgevers zijn bij de vaststelling van het kader voor de uitvoering van de GHP, hetgeen zowel beleidsmatige als technische aspecten van de GHP kan omvatten;
9. is van mening dat de formulering "maatregelen (…) die het kader voor de uitvoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek van de Unie bepalen" in artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inhoudt dat de wezenlijke elementen van de GHP zullen worden opgenomen in wetgevingsbesluiten die worden genomen volgens de gewone wetgevingsprocedure, en dat niet-wezenlijke elementen van die besluiten door de Commissie kunnen worden gewijzigd of aangevuld in de vorm van "gedelegeerde handelingen", indien als zodanig vermeld in het basiswetsbesluit, overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
10. merkt op dat het Parlement ten aanzien van "gedelegeerde handelingen" aanzienlijke bevoegdheden krijgt, tot en met het bezwaar maken tegen de inwerkingtreding van de desbetreffende "gedelegeerde handeling", indien het volgens de medebeslissingsprocedure vastgestelde basisbesluit dit bepaalt;
11. is van mening dat eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van wetgevingsbesluiten in de GHP vereisen dat de wetgevingsbesluiten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden verlenen voor het aannemen van "uitvoeringshandelingen" overeenkomstig artikel 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; dringt er derhalve bij de Commissie op aan zo snel mogelijk een verordening voor te stellen waarin de regels en algemene beginselen betreffende uitvoeringshandelingen worden vastgelegd, met inbegrip van mechanismen waarmee de lidstaten deze bevoegdheden kunnen controleren, en dringt er bij het Parlement en de Raad op aan deze verordening zo snel mogelijk na de inwerkingtreding van het Verdrag aan te nemen;
12. benadrukt dat deze verordening de Commissie moet oproepen om bij de vaststelling van uitvoeringswetgeving betreffende de GHP geen inhoudelijke veranderingen in basisbesluiten of verfijningen met gevolgen voor de in basisbesluiten geformuleerde politieke wil aan te brengen;
13. doet een beroep op de Europese Raad, de Raad en de Commissie om te overwegen een nieuw interinstitutioneel akkoord met het Parlement te sluiten waarin een materiële definitie wordt gegeven van de betrokkenheid van het Parlement in alle stadia die leiden tot het sluiten van een internationale overeenkomst;
14. roept de Raad op vertegenwoordigers van het Parlement uit te nodigen om deel te nemen aan alle Coreper II-vergaderingen die betrekking hebben op zaken die onder het toepassingsgebied van de gewone wetgevingsprocedure vallen;
Toekomstige betrekkingen met de vicevoorzitter van de Europese Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid - extern optreden
15. dringt er bij de toekomstige hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid ("HR/VP") op aan met het Parlement te spreken over geschikte methoden om het Parlement volledig te informeren en te raadplegen over extern optreden van de Unie, en ten behoeve hiervan regelmatige gezamenlijke bijeenkomsten van de groep van Commissarissen voor externe betrekkingen (voorgezeten door de HR/VP) met delegaties van de verantwoordelijke parlementaire commissies, alsmede regelmatige gezamenlijke bijeenkomsten van de werkgroepen van de Raad, het Coreper, het PVC, het comité zoals bedoeld in artikel 207 en de Europese Commissie met rapporteurs en delegaties van het Parlement tot gangbare praktijk te maken;
16. pleit voor de vaststelling van een ad hoc behandelprocedure voor de benoeming van de HR/VP waarbij de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel en de Commissie ontwikkelingssamenwerking worden betrokken;
Toekomstige betrekkingen met de nationale parlementen van de lidstaten
17. vindt het, om recht te doen aan de betekenis van de GHP, essentieel dat binnen het college van de Commissie één Commissaris alleen bevoegd blijft voor het handelsbeleid;
18. merkt op dat alle zaken die vallen onder de GHP, met inbegrip van handel in goederen en diensten, de handelsaspecten van intellectuele eigendom en directe buitenlandse investeringen (deel V, titel II van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), tot de uitsluitende bevoegdheden van de Unie zullen behoren, hetgeen betekent dat overeenkomsten voortaan ‘Unieovereenkomsten’ zijn en dat er geen gemengde handelsovereenkomsten meer zullen zijn die worden afgesloten door zowel de Unie als de lidstaten;
19. wil derhalve een structurele dialoog met de nationale parlementen van de lidstaten aangaan om gezamenlijk de democratische legitimiteit van de GHP van de Unie te waarborgen.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
27.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
26
0
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Kader Arif, Françoise Castex, Christofer Fjellner, Glyn Ford, Béla Glattfelder, Ignasi Guardans Cambó, Jacky Hénin, Marusya Ivanova Lyubcheva, Erika Mann, Helmuth Markov, David Martin, Georgios Papastamkos, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Tokia Saïfi, Peter Šťastný, Robert Sturdy, Daniel Varela Suanzes-Carpegna, Corien Wortmann-Kool
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Jean-Pierre Audy, Albert Deß, Eugenijus Maldeikis, Javier Moreno Sánchez, Salvador Domingo Sanz Palacio, Frithjof Schmidt, Zbigniew Zaleski
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
Emanuel Jardim Fernandes
ADVIES Commissie economische en monetaire zaken (*) (4.6.2008)
aan de Commissie constitutionele zaken
over de nieuwe rol en de nieuwe verantwoordelijkheden van het Parlement in het kader van de uitvoering van het Verdrag van Lissabon
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissie – artikel 47 van het reglement
SUGGESTIES
De Commissie economische en monetaire zaken roept de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken op om de volgende suggesties op te nemen in de ontwerpresolutie:
1. overweegt dat door de erkenning van de Europese Centrale Bank (ECB) als een Europese instelling, hetgeen zijn onafhankelijkheid bij het voeren van monetair beleid niet beïnvloedt, de verantwoordelijkheid van het Parlement en in het bijzonder die van zijn Commissie belast met economische en monetaire zaken als instelling waaraan de ECB verantwoording over haar besluiten inzake het monetair beleid aflegt, wordt versterkt; is tevens van oordeel dat de bijdrage van het Parlement aan de benoeming van leden van de directie van de ECB versterkt zou moeten worden; overweegt dat de rol van de ECB als beschermer van de financiële belangen van de Europese Unie zou moeten leiden tot een nauwe samenwerking tussen de commissies van het Parlement;
2. is verheugd over zijn nieuwe adviserende rol uit hoofde van artikel 40, lid 2, van het ECB-statuut met betrekking tot de wijziging van de samenstelling van de raad van bestuur van de ECB;
3. neemt kennis van de officiële erkenning van de Eurogroep en van haar leidende rol in het economische beleid van de eurozone; acht het dientengevolge noodzakelijk om informatie uit te wisselen op initiatief van de voor economische en monetaire zaken bevoegde commissie; vraagt de Eurogroep en de Commissie te verduidelijken welke gevolgen deze ontwikkeling zal hebben ten aanzien van de middelen en evaluatie; is van oordeel dat de budgettaire consequenties van de erkenning van de Eurogroep onderzocht moeten worden door de begrotingsinstantie;
4. is van oordeel dat de invoering van een wettelijke grondslag voor het vaststellen van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid in de eurozone in artikel 136 van het toekomstige Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de maatregelen ter versterking van de coördinatie en de bewaking van de begrotingsdiscipline van de lidstaten, de Commissie in staat moeten stellen snel van deze wettelijke grondslag gebruik te maken teneinde een voorstel te doen om het Parlement ten volle te betrekken bij de vaststelling en tenuitvoerlegging van de procedure;
5. is van oordeel dat de mogelijkheid van een gemeenschappelijk standpunt en een gemeenschappelijke vertegenwoordiging van de eurozone in de internationale financiële instellingen zo snel mogelijk moet worden verwezenlijkt en er ook toe moet leiden dat de leden van zijn met economische en monetaire zaken belaste commissie die onderdaan zijn van lidstaten die in de Eurogroep zitten bij de vertegenwoordiging van Europa worden betrokken;
6. vraagt de Commissie om te komen met een verordening waardoor het Europees Parlement en de Raad nadere bepalingen kunnen vaststellen voor de multilaterale toezichtprocedure overeenkomstig artikel 121, lid 6 van het VWEU;
7. neemt in de eerste plaats kennis van de versterkte rol van de Commissie uit hoofde van het VWEU, die rechtstreeks adviezen kan doen toekomen aan lidstaten die zich niet aan de globale richtsnoeren van het economisch beleid houden of die de goede werking van de Economische en Monetaire Unie in gevaar brengen, en in de tweede plaats van de instelling van de gewone wetgevingsprocedure voor het vaststellen van gedetailleerde regels inzake de procedure voor multilateraal toezicht, waardoor de economische coördinatie versterkt zou moeten worden;
8. is ingenomen met de aangebrachte wijzigingen in artikel 16 van het EG-verdrag, dat artikel 14 in het VWEU wordt, inzake diensten van algemeen economisch belang, met name de wettelijke grondslag voor het vaststellen van beginselen en voorwaarden voor de levering van deze diensten, evenals de vaststelling van een protocol inzake de diensten van algemeen belang; is tevens ingenomen met de instelling van de gewone wetgevingsprocedure waardoor het Parlement en de Raad de beginselen en voorwaarden voor de verlening van deze diensten kunnen vaststellen;
9. is ingenomen met de versterking van de rol van de nationale parlementen in het toezicht op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel in het kader van de gewone wetgevingsprocedure; verbindt zich er echter toe, bij gebrek aan een specifieke raadpleging van de nationale parlementen, om deze jaarlijks te voegen bij haar eigen beraadslagingen over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid;
10. stelt vast dat via de delegatieprocedure genomen besluiten als voorzien in artikel 290 van het VWEU aangepast zijn aan de financiële wetgeving; is ingenomen met het feit dat het toepassingsgebied en de duur van de aan de Commissie gedelegeerde bevoegdheden duidelijker zijn vastgesteld; benadrukt niettemin de specificiteiten, met name op het gebied van informatieverkeer tussen de verschillende instellingen en de transparantie van de Commissie inzake de ontwikkeling van wetgevingsmaatregelen, de Lamfalussy-procedure en de noodzaak althans deze specificiteiten te handhaven, of zo mogelijk verder te ontwikkelen zodat ze leiden tot meer transparantie, betere samenwerking tussen de verschillende instellingen en beter toezicht op EU-niveau;
11. wil van de Commissie weten welke interpretatie zij denkt te gaan geven aan de verklaring betreffende artikel 290 van het VWEU, dat betrekking heeft op de raadpleging van deskundigen op het gebied van financiële diensten, en welk gebruik zij van die interpretatie denkt te gaan maken, naast de tekst van de bepalingen betreffende gedelegeerde handelingen in het VWEU;
12. vraagt de Commissie zo veel mogelijk gebruik te maken van artikel 290 van het VWEU om het gebruik van de verordening inzake financiële diensten te bevorderen;
13. vraagt de Commissie om onverwijld het nieuwe artikel 197 van het VWEU te gebruiken om maatregelen voor te stellen met betrekking tot bestuurlijke samenwerking op het gebied van belastingen en toezicht op de markten van de financiële diensten;
14. vraagt de Raad om in samenwerking met het Parlement te bezien hoe gebruik gemaakt kan worden van de bepalingen van artikel 127, lid 6, van het VWEU, op grond waarvan hij de ECB specifieke taken kan opdragen “betreffende het beleid op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen”;
15. maakt zich zorgen over de toevoeging aan artikel 57 van het EG-verdrag, dat in het VWEU artikel 64 wordt, van een procedure krachtens welke de lidstaten bij unanimiteit beperkingen kunnen vaststellen aan het vrije verkeer van kapitaal vanuit of naar derde landen indien deze beperkingen strijdig zijn met de marktopenstelling; is van oordeel dat deze nieuwe voorwaarde in de praktijk belemmerend werkt voor nieuwe initiatieven van de EU op het gebied van de financiële markten die van wezenlijk belang zouden kunnen zijn voor handhaving van de financiële stabiliteit in Europa.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
3.6.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
34
0
3
Bij de eindstemming aanwezige leden
Mariela Velichkova Baeva, Zsolt László Becsey, Pervenche Berès, Sharon Bowles, Manuel António dos Santos, Jonathan Evans, Elisa Ferreira, José Manuel García-Margallo y Marfil, Jean-Paul Gauzès, Donata Gottardi, Benoît Hamon, Karsten Friedrich Hoppenstedt, Othmar Karas, Piia-Noora Kauppi, Wolf Klinz, Christoph Konrad, Guntars Krasts, Andrea Losco, Astrid Lulling, Florencio Luque Aguilar, John Purvis, Alexander Radwan, Bernhard Rapkay, Dariusz Rosati, Eoin Ryan, Antolín Sánchez Presedo, Olle Schmidt, Peter Skinner, Margarita Starkevičiūtė, Ivo Strejček, Ieke van den Burg
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Daniel Dăianu, Mia De Vits, Harald Ettl, Vladimír Maňka, Margaritis Schinas
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
Tobias Pflüger
ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (*) (29.5.2008)
aan de Commissie constitutionele zaken
inzake de nieuwe rol en verantwoordelijkheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
A. overwegende dat de Commissie constitutionele zaken in verband met de opstelling van een verslag over de nieuwe rol en verantwoordelijkheden van het Europees Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon alle parlementaire commissies heeft verzocht te antwoorden op een tweetal vragen die worden gesteld in een door deze commissie opgesteld werkdocument,
B. overwegende dat de voorzitter van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken de fracties heeft verzocht om commentaar te geven op deze twee vragen, en zich daarbij heeft bediend van de bijdragen van het secretariaat van deze commissie,
1. wijst erop dat, gelet op de vraag betreffende de politieke prioriteiten van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken ten aanzien van het gebruik van de ruimere democratische verantwoordelijkheden van het Parlement zoals voorzien in het Verdrag van Lissabon, en blijkens zijn werkdocument van 9 april 2008 betreffende wijzigingen in het Verdrag van Lissabon die van belang zijn voor de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, het Verdrag van Lissabon slechts een betrekkelijk gering aantal wijzingen inhoudt ten aanzien van de bevoegdheden van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken zoals haar verleend krachtens Bijlage VI van het Reglement;
2. is derhalve van oordeel dat het gebruik van de ruimere democratische verantwoordelijkheden van het Parlement zoals voorzien in het Verdrag van Lissabon ten opzichte van de huidige stand van zaken slechts marginale invloed zal hebben op zowel de competenties betreffende als het beheer van dossiers door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken;
3. benadrukt echter dat het Verdrag van Lissabon voorziet in verdere inspanningen voor een sociaal Europa en voor een krachtiger sociale wetgeving op basis van het bindende karakter van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – al heeft het Handvest voor sommige lidstaten vanwege een "opt-out" geen bindend karakter – en van een systematischer definitie, zoals gegeven in de artikelen 2 en 3 van het gewijzigde Verdrag betreffende de Europese Unie, van de waarden die ten grondslag liggen aan de handelingen en hoofddoelstellingen van de Europese Unie;
4. benadrukt voorts het belang van de horizontale sociale clausule in artikel 9 van het gewijzigde Verdrag betreffende de Europese Unie, welke dient als algemeen beginsel voor de beleidsvorming door de Europese Unie;
5. is met name ingenomen met artikel 16 van het gewijzigde EG-Verdrag en met het aan het Verdrag van Lissabon gehechte Protocol betreffende de diensten van algemeen belang, die een duidelijke rechtsgrondslag vormen voor de definitie van de verantwoordelijkheden van de lidstaten met betrekking tot de verrichting van universeel toegankelijke openbare diensten van hoge kwaliteit ten behoeve van de gebruikers;
6. verwelkomt het feit dat de medebeslissingsprocedure van toepassing is op wetgeving die discriminatie verbiedt;
7. wijst erop dat er ten aanzien van de vraag hoe de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken denkt te handelen met betrekking tot de overgang van raadpleging naar medebeslissing in wetgevingsprocedures en andere procedurele veranderingen momenteel slechts drie wetgevingsvoorstellen worden onderzocht die zullen worden beïnvloed door de wijzigingen in het Verdrag van Lissabon; wijst er voorts op dat al deze drie voorstellen betrekking hebben op de coördinatie van de sociale zekerheid, en zijn gebaseerd op de artikelen 42 en 308 van het EG-Verdrag:
-een voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad ter vastlegging van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (COM(2006)0016 – C6 0037/2006 – 2006/0006(COD));
-een voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, en tot vaststelling van de inhoud van Bijlage XI (COM(2006)0007 – C6 0029/2006 – 2006/0008(COD)); alsmede
-een voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (COM(2007)0376 – C6 0204/2007 – 2007/0129(COD));
wijst erop dat het tweede en het derde voorstel worden gecombineerd en als een enkel wetgevingsbesluit zullen worden aangenomen;
8. wijst erop dat de enige wijziging in het Verdrag van Lissabon ten aanzien van voormelde drie wetgevingsvoorstellen betrekking heeft op de aanneming daarvan; stemming in de Raad geschiedt met gekwalificeerde meerderheid in plaats van eenparigheid van stemmen op basis van de procedure zoals vastgelegd in artikel 42 van het gewijzigde EG-Verdrag.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
29.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
33
2
2
Bij de eindstemming aanwezige leden
Jan Andersson, Edit Bauer, Philip Bushill-Matthews, Alejandro Cercas, Derek Roland Clark, Luigi Cocilovo, Jean Louis Cottigny, Jan Cremers, Harald Ettl, Richard Falbr, Roger Helmer, Stephen Hughes, Jan Jerzy Kułakowski, Jean Lambert, Bernard Lehideux, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Maria Matsouka, Elisabeth Morin, Juan Andrés Naranjo Escobar, Csaba Őry, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Pier Antonio Panzeri, Rovana Plumb, Jacek Protasiewicz, Bilyana Ilieva Raeva, José Albino Silva Peneda, Jean Spautz, Gabriele Stauner, Ewa Tomaszewska, Anne Van Lancker, Gabriele Zimmer
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (*) (3.6.2008)
aan de Commissie constitutionele zaken
inzake de nieuwe rol en verantwoordelijkheden van het Parlement bij de uitvoering van het Verdrag van Lissabon
(2008/2063)
Rapporteur voor advies (*): David Martin
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies - Artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. verwelkomt het feit dat het milieu zo’n belangrijke plaats heeft gekregen op alle EU-beleidsterreinen in het Verdrag van Lissabon, en dat er expliciet wordt verwezen naar het bevorderen van maatregelen op internationaal niveau voor de aanpak van milieuproblemen, in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering en de opwarming van de aarde;
2. acht het belangrijk dat het Europees Parlement en de Europese Unie een voortrekkersrol blijven spelen in alle beleidsmaatregelen die gericht zijn op de aanpak van de klimaatverandering;
3. onderstreept dan ook dat het een kwestie van prioriteit is voor het Europees Parlement om zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is zijn standpunt in te nemen over het voorgestelde pakket voor klimaatverandering, dat eerder dit jaar is voorgesteld door de Commissie;
4. merkt met voldoening op dat de bevoegdheden van de Europese Unie op het gebied van de volksgezondheid aanzienlijk zijn versterkt, door verwijzingen naar gezondheidsdiensten op grensoverschrijdende terreinen, maatregelen in verband met de bescherming van de volksgezondheid op het gebied van tabak en alcoholmisbruik, en inzake controle op, vroege waarschuwing bij en bestrijding van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, maar met uitsluiting van harmonisatie van wetten en regelingen, evenals maatregelen in verband met medicinale producten en apparaten voor medisch gebruik; juicht de specifieke verwijzingen toe naar initiatieven gericht op de vaststelling van richtsnoeren en indicatoren, de organisatie van de uitwisseling van beste praktijken en de voorbereiding van de noodzakelijke elementen voor periodieke controle en evaluatie, waarvan het Europees Parlement volledig op de hoogte dient te worden gehouden; is ingenomen met het feit dat beleid op het gebied van de volksgezondheid krachtens het nieuwe verdrag duidelijk effectiever kan worden gevoerd;
5. wijst er op dat gezien de toegenomen aandacht voor gezondheidsdiensten, grensoverschrijdende ziektes en klimaatveranderingen, waar mogelijk rekening moet worden gehouden met dergelijke kwesties bij alle aspecten van het EU-beleid, in het bijzonder bij internationale handelsovereenkomsten;
6. juicht het toe dat aan het verdrag een nieuwe titel over energie is toegevoegd (Titel XXI), die onder meer tot doel heeft de energie-efficiëntie en het gebruik van vernieuwbare energiebronnen te bevorderen in de context van de noodzaak het milieu te beschermen en te verbeteren;
7. juicht voorts de versterking toe van de bevoegdheden van de Europese Unie op het gebied van civiele bescherming bij het bieden van ad hoc hulp en rampenbestrijding in derde landen als onderdeel van het humanitaire hulpbeleid van de EU en het geven van aanvullende steun bij acties van lidstaten en het toepassen van de solidariteitsclausule bij een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp;
8. benadrukt dat de verduidelijking van de bevoegdheden van de Unie op de beleidsterreinen milieu, volksgezondheid en consumentenbescherming zichtbare voordelen oplevert voor de burgers van Europa, aangezien het de bevordering van duurzame ontwikkeling in de Unie, het gezondheidsbeleid en de milieubescherming versterkt;
9. verzoekt het Parlement en de Commissie, in het licht van de steeds internationalere aard van haar beleidsopdracht, rechtstreekse betrekkingen mogelijk te maken, bestaande uit een regelmatig overleg tussen de hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de commissie;
10. is van mening dat de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid over een efficiënt systeem beschikt teneinde te kunnen garanderen dat het Parlement voldoet aan zijn rol, en deze ook volledig gebruikt, krachtens de nieuwe comitologiebepalingen inzake toetsing, en benadrukt de uitdaging waarvoor de commissie staat als het gaat om de balans tussen de werklast van haar reguliere wetgevingswerkprogramma en van deze nieuwe toetsing;
11. verwelkomt de versterking van de rol van nationale parlementen in het wetgevingsproces door de nieuwe verplichting tot toetsing van alle wetgevingsvoorstellen, behalve die waarvoor het subsidiariteitsbeginsel niet van toepassing is; merkt op dat het nog te vroeg is om aan te geven hoe deze nieuwe toetsingbepaling in de praktijk van invloed zal zijn op het werk van de commissies en het Parlement.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
3.6.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
49
2
3
Bij de eindstemming aanwezige leden
Georgs Andrejevs, Margrete Auken, Liam Aylward, Pilar Ayuso, Irena Belohorská, Johannes Blokland, John Bowis, Frieda Brepoels, Martin Callanan, Dorette Corbey, Magor Imre Csibi, Chris Davies, Avril Doyle, Edite Estrela, Karl-Heinz Florenz, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Gyula Hegyi, Marie Anne Isler Béguin, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Peter Liese, Jules Maaten, Roberto Musacchio, Riitta Myller, Péter Olajos, Miroslav Ouzký, Vladko Todorov Panayotov, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Dagmar Roth-Behrendt, Guido Sacconi, Carl Schlyter, Horst Schnellhardt, Richard Seeber, Kathy Sinnott, Bogusław Sonik, María Sornosa Martínez, Antonios Trakatellis, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Anders Wijkman, Glenis Willmott
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Inés Ayala Sender, Iles Braghetto, Bairbre de Brún, Genowefa Grabowska, Rebecca Harms, Jutta Haug, Henrik Lax, Johannes Lebech, Alojz Peterle
ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (*) (3.6.2008)
aan de Commissie constitutionele zaken
over de nieuwe rol en verantwoordelijkheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon
(*) Medeverantwoordelijke commissies – Artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. stelt vast dat het beleid op het gebied van de interne markt, consumentenbescherming en douane-unie overeenkomstig het Verdrag van Lissabon ongewijzigd verankerd blijft in de medebeslissingsprocedure, echter wordt omgedoopt tot ‘gewone wetgevingsprocedure’; wijst op het sterkere medebeslissingsrecht van het Europees Parlement door de invoering van de bovengenoemde procedure ten aanzien van een aantal bepalingen;
2. schaart zich volledig achter het Verdrag van Lissabon en neemt met name kennis van:
- het doel om een interne markt tot stand te brengen gekoppeld aan horizontale elementen, zoals duurzame ontwikkeling, een "in hoge mate concurrerende sociale markteconomie die uit is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang", alsmede de bescherming van het milieu en verbetering van de milieukwaliteit;
- het protocol over de interne markt en de mededinging, en verklaart in dit verband dat het mededingingsbeleid een noodzakelijk instrument is voor het functioneren van de interne markt, maar geen doel op zichzelf;
- het feit dat het Verdrag van Lissabon onder meer de interne markt, de economische, sociale en territoriale samenhang, consumentenbescherming en gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van de volksgezondheid als gelijkwaardige beleidsterreinen worden genoemd waarop de Unie en de lidstaten een gedeelde bevoegdheid hebben;
- het dringende verzoek aan de lidstaten zich in te spannen voor verdere liberalisering van de dienstenmarkt, indien hun algemene economische toestand en de toestand in de betrokken sector dit toelaten;
- de wetgevende bevoegdheid van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot diensten van algemeen economisch belang, met name gezien hun betekenis bij het bevorderen van de sociale en territoriale samenhang; wijst op de ruime bevoegdheid die nationale, regionale en lokale autoriteiten toekomt op grond van het protocol betreffende diensten van algemeen belang;
- consolidering en precisering van de definitie van het subsidiariteitsbeginsel en het betrekken van de nationale parlementen bij het wetgevingsproces, zoals bepaald in het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en het protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie;
3. wijst verder op het belang van de consumentenbescherming bij de vastlegging en tenuitvoerlegging van andere communautaire beleidsmaatregelen;
4. wijst er daarnaast op dat de Europese Unie exclusief bevoegd is op het gebied van de douane-unie; benadrukt de wetgevende bevoegdheid van het Europees Parlement en de Raad voor maatregelen tot nauwere samenwerking op douanegebied;
5. stelt vast dat vanaf 1 januari 2009 de subsidiariteitscontrole door de nationale parlementen mogelijk ook van toepassing is op verslagen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming waarvan de eerste lezing wellicht niet wordt afgesloten voor eind 2008.(1)
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
3.6.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
30
1
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Charlotte Cederschiöld, Gabriela Creţu, Janelly Fourtou, Evelyne Gebhardt, Martí Grau i Segú, Małgorzata Handzlik, Malcolm Harbour, Edit Herczog, Iliana Malinova Iotova, Graf Alexander Lambsdorff, Toine Manders, Arlene McCarthy, Nickolay Mladenov, Zita Pleštinská, Zuzana Roithová, Heide Rühle, Leopold Józef Rutowicz, Salvador Domingo Sanz Palacio, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Marianne Thyssen, Barbara Weiler
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Emmanouil Angelakas, Giovanna Corda, Jan Cremers, Joel Hasse Ferreira, Filip Kaczmarek, Manuel Medina Ortega
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
Dit geldt wellicht voor het voorstel voor een richtlijn betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van bepaalde overheidsopdrachten op defensie- en veiligheidsgebied (COM(2007)0766 en COM(2007)0765) en het voorstel voor een richtlijn betreffende de veiligheid van speelgoed (COM(2008)0009).
ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (*) (29.5.2008)
aan de Commissie constitutionele zaken
over de nieuwe rol en verantwoordelijkheden van het Parlement bij de uitvoering van het Verdrag van Lissabon
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies - artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. herinnert eraan dat de Commissie vervoer en toerisme gedurende een aantal jaren met opeenvolgende parlementen een hoog percentage van alle wetgeving met medebeslissingsrecht van het Europees Parlement heeft behandeld, en dat hoewel ook aandacht is besteed aan beleidswerk en adviezen op breder terrein, in feite het grootste deel van het werk van de Commissie vervoer heeft bestaan uit medebeslissingsdossiers; merkt op dat hierin geen verandering zal komen als het Verdrag van Lissabon is geratificeerd en de normale wetgevingsprocedure wordt gevolgd;
2. verwelkomt dat Toerisme als nieuwe titel in het Verdrag van Lissabon is opgenomen; merkt op dat de Unie volgens artikel 195, lid 1, van het Verdrag van Lissabon activiteiten van lidstaten in de toerismesector zal aanvullen, in het bijzonder door het concurrentievermogen van ondernemingen van de Unie in die sector te bevorderen, een voor ondernemingen gunstige omgeving aan te moedigen en door uitwisseling van beste praktijken; verwelkomt de nieuwe bevoegdheden van het Parlement op het gebied van toerisme en hoopt dat deze zullen bijdragen tot de ontwikkeling van een nieuwe toerismebeleid voor de Europese Unie;
3. verwelkomt ook de bepaling dat aanvaarding van wetgevingsvoorstellen die onder deze titel vallen volgens de normale wetgevingsprocedure zal verlopen;
4. verzoekt de Commissie in dit verband dringend te overwegen of wetgeving of andere maatregelen nodig zijn om tegemoet te komen aan de prioriteiten die door het Parlement zijn vastgesteld in zijn resoluties op het gebied van toerisme van 8 september 2005(1) en 29 november 2007(2), vooral over het verzamelen van statistische informatie op het gebied van toerisme, een Europees classificatiesysteem of –systemen voor toeristische accommodatie en uitbreiding van de toepassing van voorschriften voor consumentenbeveiliging naar alle websites die vakanties aanbieden; en om wetgevende voorstellen of andere maatregelen op dit gebied naar voren te brengen;
5. is verheugd over de invoering - met artikel 189 van het Verdrag van Lissabon – van een rechtsgrondslag voor een Europees ruimtevaartbeleid en de uitwerking van een Europees ruimtevaartprogramma, volgens de gewone wetgevingsprocedure;
6. merkt op dat het lanceren van ruimtevoertuigen en de hiervoor noodzakelijke infrastructuur onder de sector transport vallen, en daarom thuishoren onder titel VI van het Verdrag van Lissabon en de bevoegdheid ten principale van de Commissie vervoer en toerisme van het Parlement; wenst dat de initiatieven van de Commissie met betrekking tot dit speciale segment van de ruimtevaartsector expliciet deze rechtsgrondslag hebben;
7. verwelkomt het feit dat volgens artikel 207, lid 5, van het Verdrag van Lissabon de instemmingsprocedure ook van toepassing is op internationale luchtvaartovereenkomsten; dringt er in dit verband op aan dat volledig gebruik wordt gemaakt van artikel 83 en 84 van het Reglement van het Parlement, waarin staat dat het Parlement de Raad kan verzoeken geen onderhandelingen aan te knopen voordat het Parlement zijn standpunt heeft bepaald en dat het Parlement op basis van een verslag van de ten principale bevoegde commissie in elk stadium van de onderhandelingen aanbevelingen kan aannemen, opdat hiermee rekening wordt gehouden voordat de onderhandelingen zijn afgerond;
8. verzoekt dat bij herzieningen van het Reglement met het oog op de aansluiting op het Verdrag van Lissabon, de essentie van de bepalingen in artikel 83 en 84 behouden blijft.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
29.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
23
0
1
Bij de eindstemming aanwezige leden
Inés Ayala Sender, Paolo Costa, Arūnas Degutis, Petr Duchoň, Saïd El Khadraoui, Robert Evans, Emanuel Jardim Fernandes, Francesco Ferrari, Brigitte Fouré, Mathieu Grosch, Georg Jarzembowski, Timothy Kirkhope, Sepp Kusstatscher, Jörg Leichtfried, Marian-Jean Marinescu, Willi Piecyk, Paweł Bartłomiej Piskorski, Luís Queiró, Reinhard Rack, Brian Simpson
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Nathalie Griesbeck, Zita Gurmai, Leopold Józef Rutowicz
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. juicht het toe dat het Verdrag van Lissabon het Europees Parlement wat economische, sociale en territoriale samenhang betreft op voet van gelijkheid plaatst met de Raad door de vervanging van de instemmingsprocedure, die met name van toepassing was op de aanneming van de algemene verordening inzake de structuurfondsen, door de zogeheten gewone wetgevingsprocedure, de medebeslissingsprocedure, waardoor de wetgevende macht van het Parlement en de bevoegdheden van de Commissie regionale ontwikkeling aanzienlijk worden uitgebreid, een verandering die met name van belang zal zijn voor de structuurfondsen in de periode na 2013, en waardoor derhalve de transparantie en de verantwoordingsplicht van het Parlement ten aanzien van de burgers worden vergroot;
2. is van oordeel dat de opneming van territoriale samenhang als een doelstelling van de Unie een aanvulling vormt op de doelstellingen van economische en sociale samenhang en de bevoegdheden van het Parlement en de Commissie regionale ontwikkeling om het territoriale effect van essentiële EU-beleidsmaatregelen te beoordelen, zal vergroten; beklemtoont het belang van de invoering van gedeelde bevoegdheid voor de EU en de lidstaten op het gebied van territoriale samenhang en beveelt aan dat de Commissie regionale ontwikkeling ten volle wordt betrokken bij alle relevante activiteiten op dit terrein, teneinde snel vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van deze doelstelling;
3. verzoekt de Raad en de Commissie samen met het Parlement het concept en de doelstelling van territoriale samenhang (inclusief de relevante indicatoren, methodologie en instrumenten) nader te omschrijven en, uitgaande van deze omschrijving, zonder verder uitstel beter rekening te houden met het territoriale effect van alle EU-beleidsmaatregelen met een sterke territoriale dimensie; onderstreept in dit verband het belang van territoriale cohesie, met name bij het overwegen van een Europese ruimtelijke ordening en de totstandbrenging van een polycentrisch en evenwichtig stedelijk stelsel en een nieuwe relatie tussen stad en platteland;
4. wijst op de belangrijke rol die de Commissie regionale ontwikkeling zal spelen bij de omschrijving van territoriale cohesie en de totstandbrenging van synergie tussen de voor de verwezenlijking van deze doelstelling te gebruiken financieringsinstrumenten van het cohesiebeleid; verzoekt de lidstaten tevens met aandrang blijk te geven van de noodzakelijke politieke wil om de doelstelling van territoriale cohesie in hun nationale wetgeving te integreren;
5. juicht het toe dat het Verdrag van Lissabon een nauwkeuriger en vollediger omschrijving geeft van regio’s, zoals regio’s in plattelandsgebieden, regio’s die geconfronteerd worden met demografische uitdagingen en ultraperifere en grensoverschrijdende regio’s, waaraan de Gemeenschap bij de tenuitvoerlegging van haar cohesiebeleid bijzondere aandacht moet schenken;
6. juicht het tevens toe dat de speciale status van de ultraperifere regio’s bevestigd wordt in de artikelen 349 en 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en er thans ook naar wordt gerefereerd in specifieke bepalingen inzake staatssteun;
7. wijst erop dat het cohesiebeleid een van de belangrijkste uitgavensectoren van de EU-begroting is; is ervan overtuigd dat de wijzigingen in de begrotingsprocedure, met name het bijeenroepen van het bemiddelingscomité ingeval het Parlement amendementen aanneemt in eerste lezing, een versterking van de samenwerking tussen de Commissie regionale ontwikkeling en de Begrotingscommissie zullen vergen, met name via de vertegenwoordiging van de Commissie regionale ontwikkeling op vergaderingen van het bemiddelingscomité;
8. verwelkomt de verruiming van het subsidiariteitsbeginsel, met name ten aanzien van plaatselijke en regionale autoriteiten, en de opneming van een “mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing”, waardoor nationale parlementen beter kunnen beoordelen in hoeverre communautaire wetsvoorstellen consistent zijn met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit; wijst in dit verband op de noodzaak de betrekkingen tussen de Commissie regionale ontwikkeling en de nationale parlementen te verbeteren, bijvoorbeeld door middel van de ontwikkeling of versterking van specifieke communicatiekanalen; gelooft in dit opzicht dat de betrokkenheid van plaatselijke en regionale autoriteiten en parlementen met betrekking tot subsidiariteit een belangrijk aspect kan vormen en herinnert eraan dat een dergelijke betrokkenheid afhangt van nationale bepalingen;
9. uit zich positief over de gedeelde waarden van de Gemeenschap ten aanzien van diensten van algemeen economisch belang, zoals vastgelegd in het Protocol betreffende de diensten van algemeen belang, en beklemtoont met name de essentiële rol en de ruime discretionaire bevoegdheid van de nationale, regionale en lokale autoriteiten in deze context;
10. beklemtoont het belang van de Commissie regionale ontwikkeling ten aanzien van de betrekkingen tussen het Parlement en het Comité van de Regio's;
11 vraagt het Comité van de Regio's de Commissie regionale ontwikkeling een advies te doen toekomen over het effect van het Verdrag van Lissabon op het regionale beleid en op haar bevoegdheidsgebied.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
29.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
44
3
1
Bij de eindstemming aanwezige leden
Emmanouil Angelakas, Stavros Arnaoutakis, Jean Marie Beaupuy, Rolf Berend, Jana Bobošíková, Victor Boştinaru, Wolfgang Bulfon, Bairbre de Brún, Gerardo Galeote, Iratxe García Pérez, Eugenijus Gentvilas, Zita Gurmai, Gábor Harangozó, Mieczysław Edmund Janowski, Tunne Kelam, Evgeni Kirilov, Constanze Angela Krehl, Florencio Luque Aguilar, Sérgio Marques, Markus Pieper, Pierre Pribetich, Wojciech Roszkowski, Elisabeth Schroedter, Grażyna Staniszewska, Catherine Stihler, Kyriacos Triantaphyllides, Lambert van Nistelrooij, Oldřich Vlasák, Vladimír Železný
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers
Bernadette Bourzai, Jan Březina, Den Dover, Emanuel Jardim Fernandes, Fernando Fernández Martín, Francesco Ferrari, Louis Grech, Ramona Nicole Mănescu, Francisca Pleguezuelos Aguilar, Zita Pleštinská, Samuli Pohjamo, Christa Prets, Jürgen Schröder, Richard Seeber, Bart Staes, László Surján, Manfred Weber
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)
Manuel Medina Ortega, Nicolae Vlad Popa
ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (*) (27.5.2008)
aan de Commissie constitutionele zaken
inzake de nieuwe rol en verantwoordelijkheden van het Parlement bij de uitvoering van het Verdrag van Lissabon
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies - Artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. verwelkomt de uitbreiding van de medebeslissingsprocedure met het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB);
2. is van mening dat de introductie van de normale wetgevingsprocedure, d.w.z. medebeslissing op het gebied van het GLB, de democratische verantwoording van de Europese Unie verbetert, omdat het Parlement, dat de burgers van de Unie vertegenwoordigt, medebeslisser wordt op gelijke voet met de Raad, die de lidstaten vertegenwoordigt;
3. benadrukt dat het Parlement de enige democratisch gekozen vertegenwoordiging van de burgers van de Unie is;
4. is van mening dat de bepalingen over landbouw moeten worden uitgebreid om rekening te houden met de huidige situatie; benadrukt voorts dat er met het oog op de mondiale voedselzekerheid verder prioriteit moet worden gegeven aan de voedselproductie, zonder dat we de met de energiezekerheid en milieubescherming verbonden problemen uit het oog verliezen;
5. benadrukt dat het Parlement er voor moet zorgen dat de noodzakelijke bepalingen voor het nastreven van de doelstellingen van het GLB worden neergelegd in wetgevingsbesluiten, en niet in besluiten die uitsluitend door de Raad worden genomen, of door de Commissie in het kader van haar bevoegdheden met betrekking tot gedelegeerde instrumenten en uitvoeringsbesluiten;
6. benadrukt dat alle huidige besluiten van de Raad die zijn vastgesteld op basis van de artikelen 36 en 37 van het EG-Verdrag nu onder het nieuwe artikel 37, lid 2 vallen, d.w.z. de medebeslissingsprocedure; dit is in het bijzonder het geval met betrekking tot de vier belangrijkste horizontale teksten op landbouwgebied (integrale GMO, de verordening inzake rechtstreekse betalingen, de verordening inzake plattelandsontwikkeling en de financiering van het GLB); wijst er bovendien op dat wetgeving over kwaliteit, biologische landbouw en bevordering ook binnen de reikwijdte van artikel 37, lid 2 valt;
7. is van mening dat artikel 37, lid 3 zelf geen onafhankelijke bevoegdheid vormt; benadrukt het feit dat een medebeslissingsbesluit dat wordt vastgesteld op basis van artikel 37, lid 2 noodzakelijk is om aan te geven of en hoe de Raad zijn bevoegdheden krachtens artikel 37, lid 3 mag gebruiken;
8. verzoekt erom te voorkomen dat de maatregelen waarnaar artikel 37, lid 3 verwijst, door de Raad alleen kunnen worden genomen zonder het Parlement te raadplegen;
9. is van mening dat geen enkel bestaand besluit van de Raad zou kunnen zijn vastgesteld op grond van artikel 37, lid 3 en is daarom van mening dat de reikwijdte en mogelijke toepassing van die paragraaf geen algemene grondslag voor wetgevingsbesluiten vormt;
10. merkt op dat de comitologieprocedures die zijn vastgesteld op basis van artikel 202 van het EG-Verdrag worden herroepen; benadrukt de belangrijke rol die het Parlement moet spelen met betrekking tot artikel 249C bij het formuleren van een nieuw comitologisch kader (door besluiten vast te stellen overeenkomstig de normale wetgevingsprocedure), in het bijzonder met betrekking tot de rol van commissies op landbouwgebied; benadrukt daarom dat ervoor moet worden gezorgd dat de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling vertegenwoordigd is bij de interinstitutionele onderhandelingen ter formulering van het nieuwe comitologisch kader;
11. onderstreept dat de gespecialiseerde commissies van het Parlement in voldoende mate moeten worden betrokken bij de lopende discussies over de toekomstige comitologieregeling op basis van het Verdrag van Lissabon, om zo een soepele overgang te bevorderen van het huidige systeem naar de toekomstige bepalingen; is van mening dat de parlementaire controle van gedelegeerde handelingen en uitvoeringsmaatregelen moet zijn gewaarborgd;
12. benadrukt de noodzaak om de betrekkingen te versterken en een meer intense en regelmatige dialoog op te zetten met nationale parlementen, gezien het feit dat het Verdrag van Lissabon in artikel 3 ter, lid 3 een controle door nationale parlementen introduceert, die gebaseerd is op het subsidiariteitsbeginsel;
13. benadrukt dat het Verdrag van Lissabon van toepassing zal zijn op alle wetgevingsvoorstellen die op het moment van zijn inwerkingtreding in behandeling zijn.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
27.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
37
0
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Vincenzo Aita, Peter Baco, Bernadette Bourzai, Niels Busk, Luis Manuel Capoulas Santos, Giuseppe Castiglione, Giovanna Corda, Joseph Daul, Albert Deß, Gintaras Didžiokas, Constantin Dumitriu, Michl Ebner, Ioannis Gklavakis, Lutz Goepel, Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf, Esther Herranz García, Lily Jacobs, Elisabeth Jeggle, Heinz Kindermann, Vincenzo Lavarra, Stéphane Le Foll, Mairead McGuinness, Rosa Miguélez Ramos, James Nicholson, María Isabel Salinas García, Agnes Schierhuber, Czesław Adam Siekierski, Alyn Smith, Petya Stavreva, Witold Tomczak, Donato Tommaso Veraldi, Janusz Wojciechowski, Andrzej Tomasz Zapałowski
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Liam Aylward, Esther De Lange, Hans-Peter Mayer, Brian Simpson, Struan Stevenson, Kyösti Virrankoski
ADVIES van de Commissie visserij (*) (28.5.2008)
aan de Commissie constitutionele aangelegenheden
inzake de nieuwe taken en verantwoordelijkheden van het Europees Parlement krachtens het Verdrag van Lissabon
(*) Medeverantwoordelijke commissie - artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie visserij verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. merkt op dat het Verdrag van Lissabon in het kader van het gemeenschappelijke visserijbeleid (GVB) een grote wijziging betekent in het besluitvormingssysteem, omdat het Parlement vanaf de inwerkingtreding van dit verdrag op 1 januari 2009 niet meer een adviserende instelling is, maar globaal genomen, een wetgevende instantie met een beslissingsbevoegdheid gelijk aan die van de Raad, waarmee het deze bevoegdheid deelt;
2. meent dat de huidige geopolitieke, economische en sociale situatie, alsmede de opstelling van een strategie- en actieplan voor de instandhouding en duurzame ontwikkeling van de zeeën en oceanen in Europa en de rest van de wereld (Europees maritiem beleid), een uitbreiding van de besluitvormende bevoegdheden van het Parlement ten aanzien van het GVB rechtvaardigt;
3. meent dat in dit nieuwe scenario niet ontkomen kan worden aan de noodzaak tot herziening en aanpassing van de bevoegdheden van de Commissie visserij, zoals gedefinieerd in bijlage VI van haar reglement, die dateren van de oprichting van de Commissie visserij in 1994 en die ongewijzigd zijn gebleven bij de grote hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid in 2002 en bij twee naamswijzigingen en daaropvolgende herstructureringen van het voormalige Directoraat-generaal visserij, om deze te laten aansluiten op de nieuwe omstandigheden in het visserijbeheer op wereldschaal;
4. baseert dit verzoek om aanpassing van de bevoegdheden van de Commissie visserij op het feit dat er, te midden van de grote veranderingen die de evolutie van het GVB hebben beïnvloed naast voornoemde hervorming in 2002, achtereenvolgende wijzigingen zijn geweest in de aan visserij toegewezen gelden aangezien deze uit het hoofdstuk over de structuurfondsen van de Gemeenschap zijn geschrapt, dat visserijovereenkomsten zijn uitgegroeid tot partnerschapsovereenkomsten, dat regionale organisaties voor visserijbeheer een prominentere rol zijn gaan spelen en de Europese Unie een grotere rol binnen die organisaties, dat de handel in visproducten diepgaand veranderd is, dat in de visserij nieuwe technologieën worden toegepast en dat de doelstelling van het visserijbeheer in de Gemeenschap is veranderd omdat dit voortaan moet worden uitgevoerd volgens een ecosysteembenadering in het kader van het nieuwe geïntegreerde maritieme beleid dat voor de Europese Unie is goedgekeurd;
5. benadrukt dat het inconsequent is dat een parlementaire commissie met medebeslissingsbevoegdheden een geneutraliseerde commissie moet blijven en doet derhalve de aanbeveling om de noodzakelijke wijzigingen door te voeren om deze situatie te vermijden;
6. is verheugd over dit nieuwe scenario, waarin het Parlement en de Raad conform de gewone wetgevingsprocedure de nodige bepalingen zullen opstellen voor het behalen van de doelstellingen van het GVB (artikel 37, lid 2 van het Verdrag);
7. is van oordeel dat de afwijkingen van dit algemene beginsel dat is gebaseerd op de gelijkheid van beide instellingen, welke strikt beperkt zijn tot in het verdrag voorziene situaties, dienen te worden aangepast aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot afwijkingen van algemene regelgeving;
8. merkt op dat in artikel 37, paragraaf 3 echter wordt vastgesteld dat uitsluitend de Raad bevoegd is om maatregelen te nemen inzake de bepaling en de verdeling van de vangstmogelijkheden (TAC’s en quota) tussen de lidstaten, omdat medewerking van het Parlement op dat gebied niet vereist is, in tegenstelling tot de tot dan toe gebruikelijke gang van zaken;
9. is van mening dat deze exclusiviteit van bevoegdheden moet worden bekeken op grond van de inhoud van de voorstellen, en de bevoegdheid wanneer deze voorstellen hoofdzakelijk het behoud van de visserij tot doel hebben, moet worden toegekend aan het visserijbeleid;
10. is wat dat betreft van oordeel dat voor alle andere kwesties die geen betrekking hebben op het vaststellen van de visserijmogelijkheden en de verdeling van de quota, en die formeel gezien op de jaarlijkse verordening zouden hebben gestaan, zoals kwesties met betrekking tot technische maatregelen, de visserij-inspanning of het opnemen van overeenkomsten met een passende juridische grondslag en die binnen de regionale organisaties voor het visserijbeheer zijn aangenomen, de gewone wetgevingsprocedure van toepassing blijft, dat wil zeggen de medebeslissingsprocedure;
11. benadrukt dat de Europese Unie op het gebied van de visserij de bevoegdheden deelt met de lidstaten, behalve wat betreft de maatregelen ter bescherming van de visbestanden, die onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie vallen; benadrukt dat in het nieuwe verdrag een controleprocedure is vastgesteld voor het subsidiariteitsbeginsel, uit te voeren door de nationale parlementen, en dat deze in het geval van gedeelde bevoegdheden op het gebied van de visserij, over een termijn van acht weken beschikken om hun met redenen omklede advies te sturen tegen het betreffende voorstel; merkt op dat de Raad en het Parlement moeten wachten tot deze termijn verstreken is, omdat het niet in acht nemen van het subsidiariteitsbeginsel een grond is om de zaak aanhangig te maken bij het Hof;
12. merkt op dat milieubescherming over het algemeen een zaak van gedeelde bevoegdheid is; verzoekt derhalve om opheldering van het begrip “biologische rijkdommen van de zee” dat gebezigd worden in artikel 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, alsmede van de omstandigheden waaronder hun instandhouding “in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid” valt, opdat de reikwijdte van de exclusieve bevoegdheid beter kan worden bepaald;
13. neemt er kennis van dat er een nieuw kader is opgesteld voor het goedkeuren van internationale overeenkomsten met betrekking tot de visserij, met als belangrijkste vernieuwing de afsluitingsprocedure voor genoemde overeenkomsten, aangezien duidelijk in het verdrag staat vermeld dat deze overeenkomsten, alvorens door de Raad te worden gesloten, door het Parlement moeten zijn goedgekeurd; benadrukt dat dit vetorecht in praktijk, vanuit het Parlement bekeken, de tot dusver toepasselijke bepalingen verruimt en versterkt die slechts betrekking hebben op overeenkomsten die grote gevolgen hebben voor de begroting of waarvoor een specifiek institutioneel kader in het leven moet worden geroepen, zoals overeenkomsten binnen een regionale organisatie voor visserijbeheer;
14. vindt dat de Commissie visserij van het Europees Parlement, wil zij haar rol bij de goedkeuring van partnerschapsovereenkomsten inzake visserij goed kunnen vervullen, door de Commissie nauwkeurig moet worden ingelicht tijdens de onderhandelingsprocessen met betrekking tot die overeenkomsten;
15. acht het evenzeer van vitaal belang dat de Commissie visserij als waarnemer deelneemt aan de paritaire commissies waarin visserijovereenkomsten voorzien, zoals het Parlement bij vele gelegenheden heeft gevraagd, en bepleit dat deze voorwaarde wordt weerspiegeld in het interinstitutioneel akkoord;
16. brengt, na bestudering van de verscheidene nieuwe elementen die van toepassing zijn op het GVB, naar voren dat:
– het tegenwoordig erg moeilijk is om duidelijk te omschrijven wat het toepassingsgebied is van artikel 37, lid 3;
– het nieuwe verdrag van toepassing moet zijn op alle wetgevingsvoorstellen die op het tijdstip van inwerkingtreding in behandeling zijn;
–de wetgevende macht (de Raad en het Parlement) voor de interpretatie beschikt over een ruime marge, omdat deze in principe moet afwachten hoe alles verloopt, zonder de mogelijkheid uit het oog te verliezen om een interinstitutionele overeenkomst te sluiten die het toepassingsgebied van artikel 37, leden 2 en 3 van het Verdrag duidelijker afbakent.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
28.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
21
0
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Jim Allister, Elspeth Attwooll, Iles Braghetto, Niels Busk, Paulo Casaca, Zdzisław Kazimierz Chmielewski, Avril Doyle, Emanuel Jardim Fernandes, Carmen Fraga Estévez, Duarte Freitas, Ioannis Gklavakis, Ian Hudghton, Heinz Kindermann, Rosa Miguélez Ramos, Philippe Morillon, Seán Ó Neachtain, Willi Piecyk, Struan Stevenson, Catherine Stihler, Margie Sudre, Cornelis Visser
ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (*) (4.6.2008)
aan de Commissie constitutionele zaken
over de nieuwe rol en verantwoordelijkheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon
De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutieop te nemen:
1. om Europa dichter bij haar burgers te brengen, is verheugd dat het Verdrag van Lissabon (artikel 2, punt 124) sport heeft opgenomen in de rechtsgrondslagen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) door artikel 149 van het EG-Verdrag in die zin aan te passen;
2. benadrukt met name dat de Unie zich op het gebied van sport kan inzetten om onder meer de Europese dimensie van sport te ontwikkelen door de sociale en de educatieve functie van sport nauw met elkaar te verbinden, door gelijkheid en openheid bij sportwedstrijden en samenwerking tussen instanties die verantwoordelijk zijn voor sport te bevorderen, en door de fysieke en morele integriteit van sporters, vooral de jongsten onder hen, te beschermen;
3. is blij dat de besluitvorming op het gebied van cultuur wordt uitgebreid naar een gekwalificeerde meerderheid – een procedure die ook voorzien is voor de sport – in het kader van de gewone wetgevingsprocedure, voor “maatregelen ter ondersteuning, coördinatie en aanvulling” van nationale besluiten, met uitsluiting van iedere maatregel ter harmonisering van de interne wetgevingen;
4. is ingenomen met de wijziging van artikel 149 van het EG-Verdrag die erop gericht is om het actieterrein van de Europese Unie op het gebied van jeugd uit te breiden en met name om de participatie van jongeren in het democratische bestel van Europa aan te moedigen en onderstreept, met het oog op haar doelstelling om jonge burgers sterker bij het openbare leven te betrekken, het belang van EU-initiatieven en van de ontwikkeling van beleidsmaatregelen ter bevordering en ter vergemakkelijking van de actieve participatie van jongeren in het democratische bestel op alle niveaus;
5. bekrachtigt nogmaals de beginselen en maatregelen die door het Parlement zijn aangenomen in zijn resolutie van 10 april 2008 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering(1), betreffende de integratie van cultuur in de Lissabon-agenda, naar aanleiding van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Comité van de Regio’s en het Economisch en Sociaal Comité over hetzelfde onderwerp;
6. spreekt haar tevredenheid uit over het feit dat het VwEU het horizontale karakter heeft behouden van artikel 151, lid 4, van het EG-Verdrag, dat bepaalt dat “[de] Gemeenschap […] bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag rekening [houdt] met de culturele aspecten, met name om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen”;
7. is van mening dat deze horizontale bepaling ten aanzien van cultuur, naar analogie van de nieuwe horizontale bepalingen die het VwEU invoert inzake de sociale dimensie van de interne markt, duurzame ontwikkeling en de bestrijding van iedere vorm van discriminatie, waarschijnlijk zal leiden tot de opstelling van algemene actieprogramma’s met doelstellingen die op het gebied van cultuur moeten worden nagestreefd;
8. is van mening dat dergelijke actieprogramma’s het specifieke karakter van cultuur in Europa op de voorgrond moeten stellen, enerzijds als factor ter bevordering van identiteit, wederzijdse kennis en burgerschap alsook als motor van de Europese constructie en anderzijds als kenmerk voor de eigen plaats die Europa in de mondiale context inneemt;
9. acht het noodzakelijk alles in het werk te stellen om de ontwikkeling van een Europees voorlichtings- en communicatiebeleid te waarborgen en herhaalt haar verzoek met betrekking tot de sluiting van een interinstitutioneel akkoord waarin gemeenschappelijke beginselen worden vastgelegd ter kanalisering van de samenwerking tussen de Europese instellingen op dit gebied;
10. gelet op de zeer belangrijke vernieuwing in het VwEU, namelijk dat de nationale parlementen de mogelijkheid krijgen borg te staan voor de correcte verdeling van bevoegdheden tussen de Europese Unie en de lidstaten op basis van het subsidiariteitsbeginsel, moedigt de nationale parlementen aan om zonodig hun werkschema’s en -methoden aan te passen om ervoor te zorgen dat het subsidiariteitsbeginsel wordt toegepast bij de bestudering van ieder wetgevingsvoorstel op het gebied van cultuur, audiovisuele media, onderwijs, jeugd en sport, waarbij waar nodig rekening moet worden gehouden met de regionale en lokale dimensie van de beoogde acties.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
3.6.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
27
0
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Maria Badia i Cutchet, Katerina Batzeli, Ivo Belet, Guy Bono, Nicodim Bulzesc, Marielle De Sarnez, Věra Flasarová, Milan Gaľa, Claire Gibault, Lissy Gröner, Luis Herrero-Tejedor, Ruth Hieronymi, Mikel Irujo Amezaga, Ramona Nicole Mănescu, Manolis Mavrommatis, Marianne Mikko, Ljudmila Novak, Doris Pack, Christa Prets, Pál Schmitt, Hannu Takkula, Helga Trüpel
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Victor Boştinaru, Jean-Marie Cavada, Den Dover, Ignasi Guardans Cambó, Elisabeth Morin
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies - Artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie juridische zaken meent dat het Verdrag van Lissabon een positieve bijdrage levert aan de versterking van haar bevoegdheden, zowel op wetgevend gebied als wat betreft de controle op de wetgevende, delegerende en uitvoerende bevoegdheden van de Commissie, en verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. benadrukt dat het Verdrag van Lissabon de nationale parlementen een substantieel sterkere rol toebedeelt bij de beoordeling van de naleving van het subsidiariteitsbeginsel door de invoering van twee specifieke mechanismen; elk van beide voorziet in een periode van acht weken (die de Commissie verplicht is te gunnen) waarin de nationale parlementen kunnen reageren op wetgevingsvoorstellen; ten eerste is de Commissie verplicht een wetgevingsvoorstel te heroverwegen als één derde van de kamers in de parlementen in de EU met redenen omkleed aangeeft dat het voorstel niet in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel is; ten tweede geldt dat als een meerderheid van de kamers in de parlementen in de Unie zich met redenen omkleed verzet tegen een wetgevingsvoorstel omdat het niet in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel, zowel het Europees Parlement als de Raad over die kwestie moet stemmen voordat het Parlement enige uitspraak in eerste lezing doet over de inhoud van het voorstel;
2. meent – gezien het feit dat de bepalingen van het subsidiariteitsprotocol zullen gelden voor nieuwe wetgevingsvoorstellen zodra het Verdrag van Lissabon in werking treedt – dat een passende interne procedure dient te worden opgenomen in het reglement van orde van het Parlement om het in staat te stellen snel en doeltreffend uitspraken te doen over de subsidiariteitsvraag en te waarborgen dat de met redenen omklede adviezen van de nationale parlementen op de juiste wijze in overweging worden genomen zonder dat daardoor het wetgevend proces onnodig wordt vertraagd;
3. benadrukt dat de overeenstemming tussen het subsidiariteitsbeginsel en communautaire wetgeving krachtens artikel 35 thans tot haar bevoegdheden behoort en meent dat de speciale procedure voor subsidiariteit erin zou kunnen bestaan dat de Commissie juridische zaken in de plenaire vergadering een specifieke motie indient over eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel voordat het voorstel naar de commissies gaat ter voorbereiding van de eerste lezing in het Parlement, indien een meerderheid van de nationale parlementen zich heeft uitgesproken tegen het voorstel van de Commissie;
4. wijst erop dat het Verdrag van Lissabon een nieuwe wettelijke basis bevat die voorziet in een medebeslissingsprocedure met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten doordat in artikel 118 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is bepaald: "In het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt stellen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de maatregelen vast voor de invoering van Europese titels om een eenvormige bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten in de hele Unie te bewerkstelligen, en voor de instelling van op het niveau van de Unie gecentraliseerde machtigings-, coördinatie- en controleregelingen"; betreurt het feit dat eenparigheid van stemmen en eenvoudige raadpleging van het Parlement zijn gehandhaafd in de besluitvormingsprocedure ten aanzien van de talenregelingen met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten;
5. meent dat de Commissie deze nieuwe wettelijke basis zou moeten benutten om het idee van een octrooi voor de Europese Unie opnieuw naar voren te brengen en de Europese wetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten te vervolmaken en te versterken;
6. verwelkomt de nieuwe wettelijk basis die is gelegd in artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarin staat dat "de instellingen, organen en instanties van de Unie" bij de vervulling van hun taken steunen "op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat", omdat hierdoor de basis kan worden gelegd voor een verordening betreffende wetgeving inzake administratieve procedures voor de Unie;
7. meent dat zo'n verordening met spoed moet worden voorgesteld en spreekt de intentie uit al voordat het Verdrag van Lissabon in werking treedt te onderzoeken welke vorm deze verordening moet aannemen, rekening houdend met de verschillende wettelijke tradities van de lidstaten;
8. wijst erop dat de nieuwe bepalingen in het Verdrag betreffende justitiële samenwerking in burgerlijke en strafrechtelijke zaken een wettelijke basis bevatten voor de invoering van maatregelen ter ondersteuning van de opleiding van rechters en justitiële medewerkers; is van mening dat zulke maatregelen, die moeten worden genomen volgens de medebeslissingsprocedure en die zich kunnen uitstrekken tot de aanpassing van de wetten en verordeningen van de lidstaten, als een urgente kwestie moeten worden beschouwd in het licht van de zorgen die in recente verslagen van de Commissie juridische zaken zijn geventileerd;
9. betreurt het dat verdere materiële vooruitgang op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken aanzienlijk zal worden gehinderd door de beperking tot "zaken met grensoverschrijdende gevolgen" in artikel 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
10. verwelkomt de nieuwe procedure voor de benoeming van rechters en advocaten-generaal van het Hof van Justitie en het Gerecht, zoals voorzien in artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, krachtens welke het besluit van de nationale regeringen moet worden voorafgegaan door een advies over de geschiktheid van de kandidaten voor de vervulling van hun taken door een comité van zeven deskundigen, van wie er één moet worden voorgedragen door het Europees Parlement; meent dat het reglement van orde van het Parlement dient te voorzien in een speciale procedure voor de benoeming van dit lid van het comité van deskundigen door een besluit van de plenaire vergadering op basis van het advies van de verantwoordelijke commissie;
11. meent dat de nieuwe bepalingen inzake rechtshandelingen en de hiërarchie der rechtsregels, in het bijzonder de invoering van de gedelegeerde handeling, een beslissende bijdrage zullen leveren aan de kwaliteit van de Uniewetgeving; acht het ter bevordering van de uitvoering van de bepalingen inzake gedelegeerde handelingen noodzakelijk dat de instellingen overeenstemming bereiken over een standaardformulering die in de regel kan worden toegepast in wetgevingsvoorstellen; acht het verder noodzakelijk dat zo snel mogelijk middels de medebeslissingsprocedure wordt overgegaan tot invoering van een verordening betreffende uitvoeringshandelingen op basis van artikel 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
12. meent, omdat er enige tijd nodig zal zijn voor aanpassing aan het nieuwe Verdrag, dat het proces van coördinatie tussen het acquis en het recente comitologiebesluit als urgente zaak moet worden afgerond voordat het Verdrag van Lissabon in werking treedt; huldigt het standpunt dat een nieuwe coördinatie die rekening houdt met gedelegeerde handelingen, en die meer complex is dan de thans uitgevoerde exercitie, zal moeten plaatsvinden nadat het Verdrag in werking is getreden en vertrouwt erop dat de Commissie daartoe de nodige voorstellen zal doen; wijst erop dat, hoewel de definitie van gedelegeerde handelingen gelijksoortig is aan het concept van "quasi-wetgevende handelingen" waarop de verordeningsprocedure met voorbehoud wordt toegepast, de beide concepten niet als identiek kunnen worden beschouwd en meent derhalve dat de thans in uitvoering zijnde coördinatieprocedure niet mag worden beschouwd als een precedent voor de toekomst;
13. spreekt haar zorg uit over het aanzienlijke aantal codificatieprocedures dat in afwachting is van behandeling door de Raad, die hard zal moeten werken om de gecodificeerde wetsvoorstellen aan te nemen voordat het nieuwe Verdrag in werking treedt;
14. verwelkomt het feit dat de medebeslissingsprocedure voortaan zal gelden voor het personeelsstatuut omdat dit het Parlement in staat stelt op gelijke voet met de Raad deel te nemen aan de aanpassing van het statuut; meent dat dit in het bijzonder van belang is voor het toekomstige statuut voor de assistenten van de leden, dat het Parlement heeft besloten in het leven te roepen.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
26.6.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
24
0
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Carlo Casini, Titus Corlăţean, Bert Doorn, Monica Frassoni, Giuseppe Gargani, Neena Gill, Othmar Karas, Piia-Noora Kauppi, Klaus-Heiner Lehne, Hans-Peter Mayer, Manuel Medina Ortega, Hartmut Nassauer, Aloyzas Sakalas, Francesco Enrico Speroni, Diana Wallis, Rainer Wieland, Jaroslav Zvěřina, Tadeusz Zwiefka
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Sharon Bowles, Vicente Miguel Garcés Ramón, Jean-Paul Gauzès, Eva Lichtenberger, József Szájer, Ieke van den Burg
ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (*) (30.6.2008)
aan de Commissie constitutionele zaken
inzake de nieuwe rol en verantwoordelijkheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies - Artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
Het Verdrag van Lissabon: een interinstitutionele uitdaging in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht
1. Men is het er in het algemeen over eens dat de Europese Unie dankzij de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest van de grondrechten) kan uitgroeien tot "… een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd" (artikel 67 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)). De ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (RVVR) wordt niet langer beperkt door specifieke doelstellingen, zoals in het Verdrag van Maastricht het geval was, en daarom zal zij een fundamentele rol gaan spelen in de toekomstige betrekkingen tussen de lidstaten en de EU. Bovendien vinden alle nationale en Europese actoren in deze tamelijk nieuwe ruimte, die het hart raakt van de nationale grondwettelijke stelsels, het bijzonder belangrijk om de gemeenschappelijke dialoog voort te zetten.
2. In dat perspectief en om ervoor te zorgen dat het Parlement meteen vanaf de eerste dag van de inwerkingtreding van het nieuwe Verdrag goed is voorbereid, is het van het grootste belang dat de instellingen van de EU onderhandelen over een interinstitutionele overeenkomst waarin worden opgenomen:
a) een nieuwe visie en de voornaamste doelstellingen die de EU na 2009 dient te realiseren;
b) nieuwe methoden van samenwerking, in de zin dat nationale parlementen bij het beleid op dit gebied worden betrokken;
c) de maatregelen die moeten worden getroffen om de overgang voor de instellingen en de Europese burgers tot een succes te maken.
Rekening houdend met de interinstitutionele strategie dient elke instelling vervolgens haar eigen interne organisatie en methoden aan te passen.
Een nieuwe visie en de voornaamste doelstellingen die de EU na 2009 dient te realiseren
3. De Europese Raad dient voor eind 2009 over de toekomst van de RVVR te beslissen. De lidstaten zelf dragen via discussies in de "FUTURE"-groep (adviesgroep op hoog niveau voor de toekomst van het Europese interne beleid) mogelijke ideeën aan om het volgende meerjarenprogramma vorm te geven. Tevens is de Commissie bezig een alomvattend verslag te schrijven dat in het voorjaar van 2009 gereed moet zijn en dat als basis kan dienen voor de beraadslagingen van Parlement en Raad.
Met inachtneming van dit tijdschema kan het Parlement zijn eigen evaluatieverslag vóór het voorjaar van 2009 opstellen.
Op grond van de bijdragen van de lidstaten (verslag van de FUTURE-groep) en van de Commissie, en van zijn eigen aanbevelingen kan het in juni 2009 verkozen Parlement met de nieuwe Commissie en de Europese Raad onderhandelen over een wetgevingsprogramma voor de RVVR.
4. Het toekomstige wetgevingsprogramma voor de RVVR moet maatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in civiele en strafzaken bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke beslissingen dat in het nieuwe Verdrag is opgenomen, zodat de grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten wordt vergemakkelijkt en met als doel te komen tot een toekomstig Europese strafrecht.
5. In lijn met deze aanpak zou het meer dan welkom zijn wanneer de Commissie een strategie zou vaststellen met de volgende doelstellingen:
a) versterking van de relatie tussen de bepalingen van de Verdragen die de rechtsgrondslag voor specifiek beleid (zoals tegengaan van discriminatie, bescherming van asielzoekers, verbetering van de transparantie, gegevensbescherming, de rechten van minderheden en de rechten van slachtoffers en verdachten) vormen, en de overeenkomstige artikelen van het Handvest van de grondrechten.De goedkeuring van een Handvest van de grondrechten dat bindend is, maakt het mogelijk dit acquis te herzien, waarbij rekening moet worden gehouden met de primaire plicht van de EU-instellingen om de grondrechten te beschermen. Deze ontwikkeling kan worden geïllustreerd aan de hand van het vraagstuk van de gegevensbescherming, die een zelfstandig grondrecht gaat vormen.
b) totstandbrenging van permanente en nauwere betrekkingen tussen Europese en nationale wetgevers enerzijdsentussen Europese en nationale rechters anderzijds betreffende zaken waarin de lidstaten medebevoegd zijn.
6. Zoals het Parlement reeds heeft betoogd(1), dienen de Commissie en de lidstaten te verifiëren of de wetgevingsvoorstellen niet alleen met het Handvest van de grondrechten in overeenstemming zijn, maar ook met alle Europese en internationale instrumenten betreffende grondrechten waarbij de lidstaten partij zijn. De toepassing van het Handvest van de grondrechten, het bindende karakter en de gepastheid ervan, en de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zullen er eveneens toe leiden dat de grondrechten op dit gebieden beter worden geëerbiedigd. Ook door de invoering van de gewone wetgevingsprocedure krijgt het wetgevingsproces een impuls.
7. Het jaarlijks debat over het meerjarenprogramma voor de RVVR moet blijven bestaan en zich richten op de bescherming van de grondrechten in de Europese Unie, de uitvoering van het Handvest van de grondrechten en op de eerbiediging door de lidstaten van de waarden en beginselen die zijn neergelegd in het nieuwe artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)(2). Het moet gebaseerd zijn op verslagen van de Raad, de Commissie en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA). Het Parlement deelt de mening van het trio-voorzitterschap van de Raad(3) (Frankrijk, de Republiek Tsjechië en Zweden) dat een "eventuele herziening van het mandaat van het Bureau voor de grondrechten voor 31 december 2009 plaatsvindt" en dat een dergelijke herziening de mogelijkheid biedt de samenwerking met de Raad van Europa, zijn secretaris-generaal, zijn Commissaris voor de mensenrechten en zijn relevante commissies van de Parlementaire Vergadering te versterken.
Nieuwe methoden van samenwerking, in de zin dat de nationale parlementen bij het RVVR-beleid worden betrokken
8. Het grootste probleem waarop het Parlement zal stuiten bij de uitoefening van de wetgevende taken die het deelt met de Raad op het terrein van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, is het verkrijgen van toegang tot relevante informatie in de lidstaten. Vanwege de zeer gevoelige zaken die aan de orde komen in het kader van het aan de RVVR gerelateerde beleid, is het meer dan nodig zo snel mogelijk de nieuwe Verdragsbepalingen over transparantie in de EU-instellingen uit te voeren en het Parlement de mogelijkheid te bieden vertrouwelijke informatie te onderzoeken waarmee bijvoorbeeld gewerkt wordt door Europol, het Gemeenschappelijk Situatiecentrum (SitCen) en het toekomstige Permanente Comité voor interne veiligheid (COSI) (artikel 71 VWEU). In het nieuwe artikel 15 VWEU wordt het huidige recht op toegang tot documenten van Parlement, Commissie en Raad uitgebreid tot alle EU-instellingen en -instanties (artikel 255 VEG), zodat er sprake zal zijn van een betere verantwoording door de EU-instellingen, met name op deze gebieden.
9. In hetzelfde perspectief van democratische verantwoording is het voor het Parlement van wezenlijk belang:
a) de nationale parlementen continu te betrekken bij de vaststelling van de algemene RVVR-strategieën, bij het nemen van wetgevingsmaatregelen of bij de beoordeling van de effecten daarvan op nationaal niveau(4).
b) op de hoogte gebracht te worden van het officiële standpunt(5) van de Commissie over initiatieven van de lidstaten, vooral over de mogelijke gevolgen van de voorgestelde nieuwe regels voor de bescherming van de grondrechten en de instandhouding van de Europese rechtsorde.
c) het maatschappelijk middenveld te laten deelnemen door rekening te houden met de bepalingen van het Verdrag van Lissabon inzake het burgerinitiatief, door de burgers over dit nieuwe recht te informeren en door erop toe te zien dat de vast te stellen regels voor de uitvoering van het burgerinitiatief heldere, eenvoudige en gebruikersvriendelijke voorwaarden voor de uitoefening van dat recht bevatten.
d) maatschappelijke netwerken te laten deelnemen die op RVVR-gebied samenwerken met Europese en nationale instellingen (zie de netwerken die gerelateerd zijn aan het FRA, het Europees Forum voor strafrechtspleging, enz.).
10. Een meer algemene kwestie betreft de vraag hoe de nieuwe Verdragsbepalingen over gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden (artikel 290 en artikel 291 VWEU) moeten worden toegepast, als het gaat om aan de RVVR gerelateerd beleid. Als algemeen beginsel moet gelden dat een maatregel die de reikwijdte van de bescherming van de grondrechten kan beïnvloeden, onder de gedelegeerde bevoegdheden valt zodat het Parlement het desbetreffende besluit kan herroepen.
11. Tevens dient te worden opgemerkt dat het Parlement nu betrokken wordt bij de onderhandelingen over en goedkeuring van internationale overeenkomsten. Het Parlement houdt daarbij in de gaten of de grondrechten worden geëerbiedigd, bijvoorbeeld bij de overdracht van persoonsgegevens aan derde landen. Als gevolg hiervan moeten de desbetreffende commissies ook nauwe banden aanknopen met de corresponderende instellingen in de Raad van Europa, de VN-agentschappen en de parlementen van de betrokken derde landen.
Hoe in de overgangsfase om te gaan met hangende wetgevingsvoorstellen
12. In de overgangsperiode krijgt het Parlement te maken met diverse veranderingen in de vorm en inhoud van wetgeving die nog in behandeling is. De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken is van mening dat het Parlement zich moet blijven inzetten voor een interinstitutionele overeenkomst die met betrekking tot hangende wetgevingsvoorstellen van de derde pijler moet voorzien in een raadplegingsprocedure zoals we die al kennen, met de eerste lezing van de medebeslissingsprocedure, om volledige rechterlijke toetsing mogelijk te maken.
Derhalve mogen alle hangende voorstellen over de derde pijler met beperkte gevolgen voor de grondrechten en fundamentele vrijheden zonder uitstel worden aangenomen, bijvoorbeeld de kaderbesluiten over de tenuitvoerlegging van verstekvonnissen, het besluit inzake het versterken van Eurojust en het besluit betreffende het Europees Justitieel Netwerk. Al deze dossiers zijn belangrijk voor de verbetering van de justitiële samenwerking.
13. Voorts wil het Parlement samen met de Raad afspreken dat de maatregelen die onder de medebeslissingsprocedure komen te vallen en waarvan het Parlement de huidige formulering uit politiek oogpunt ongeschikt acht, tot na 1 januari 2009 worden opgeschort. Een typisch voorstel dat tot deze categorie behoort, is het voorstel voor een kaderbesluit over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor wetshandhavingsdoeleinden.
14. Een ander gevoelig wetgevingsvoorstel dat nog in behandeling is en dat door de procedurewijziging wordt beïnvloed, is het kaderbesluit inzake de bescherming van persoonsgegevens in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Dit voorstel vult slechts gedeeltelijk het juridische vacuüm dat na de afschaffing van de derde pijler ontstaat. Mogelijk kan een tweestappenstrategie worden gehanteerd waarbij het huidige voorstel over de derde pijler wordt aangenomen op voorwaarde dat het onmiddellijk na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon met een nieuwe tekst wordt aangevuld.
15. Er zijn ook twee hangende voorstellen op het gebied van legale migratie, namelijk de voorwaarden inzake toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (blauwe kaart) en één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken en een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven. Als deze voorstellen niet voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon worden aangenomen, moet de procedure weer van voren af aan beginnen.
16. Sommige wetgevingsvoorstellen zijn reeds jaren in behandeling omdat er geen unaniem besluit kan worden genomen, zoals het kaderbesluit over bepaalde procedurele rechten in strafprocedures, maar zij zijn niet verouderd. Zij zijn urgenter en nodiger dan ooit en de gewone wetgevingsprocedure biedt een uitweg uit deze impasse.
17. Er is ook een hangend voorstel dat door het Parlement is goedgekeurd en dat ertoe strekt de rechtsgrondslag van Europol (momenteel een overeenkomst) om te vormen tot een derdepijlerbesluit op grond waarvan Europol uit de Gemeenschapsbegroting wordt gefinancierd. Als dit voorstel niet voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon wordt aangenomen, moet het Parlement de procedure heropenen om Europol tot een echte Gemeenschapsinstantie te transformeren.
18. Indien de lidstaten gebruik maken van de noodblokkadeprocedure, waarin het VWEU met betrekking tot voor strafzaken voorziet(de artikelen 82(3) en 83(3)), dient de voorzitter van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken de Europese Raad schriftelijk in kennis stellen van de stand van zaken in de discussies.
19. Het lijkt erop dat na 1 januari 2009 de meest urgente initiatieven die de Commissie vanaf dan moet nemen, verband houden met:
a) de EU-verplichting om het EVRM te ratificeren;
b) de EU-verplichting om internationale overeenkomsten te ratificeren waarover wel onderhandeld is maar die nog niet zijn gesloten op grond van artikel 24 van het huidige EU-Verdrag;
c) de eisen van het Hof van Justitie (zie de zaak over de "zwarte lijst"-verordening);
d) de instelling van een Europees Openbaar Ministerie ter verbetering van Eurojust.
Vanuit hetzelfde perspectief dient de Commissie het initiatief te nemen om wetgevingsinstrumenten van de derde pijler met een grondrechtendimensie binnen de Gemeenschapspijler (bijvoorbeeld Europol) te brengen. Tevens geldt dat door een wijziging van de rechtsgrondslag voor de huidige instrumenten van de derde pijler het Hof van Justitie zijn bevoegdheden gedurende de overgangsperiode van vijf jaar behoudt (zie artikel 10 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen).
20. Het Parlement is ingenomen met het oordeel van het trio- voorzitterschap dat "dwangmaatregelen gepaard dienen te gaan met overeenkomstige regels om de rechten van het individu, hetzij verdachte, slachtoffer of getuige, te versterken. De mogelijke ontwikkeling van de rechten van slachtoffers zal worden onderzocht op basis van het oordeel van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het kaderbesluit inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure. Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon wordt een voorstel voor een juridisch instrument met betrekking tot procedurele rechten in strafprocedures verwacht van de Commissie of van lidstaten".
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
24.6.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
43
2
Bij de eindstemming aanwezige leden
Alexander Alvaro, Emine Bozkurt, Philip Bradbourn, Mihael Brejc, Kathalijne Maria Buitenweg, Michael Cashman, Giusto Catania, Jean-Marie Cavada, Carlos Coelho, Esther De Lange, Panayiotis Demetriou, Gérard Deprez, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Armando França, Urszula Gacek, Kinga Gál, Patrick Gaubert, Roland Gewalt, Jeanine Hennis-Plasschaert, Lívia Járóka, Ewa Klamt, Magda Kósáné Kovács, Stavros Lambrinidis, Henrik Lax, Roselyne Lefrançois, Baroness Sarah Ludford, Claude Moraes, Javier Moreno Sánchez, Rareş-Lucian Niculescu, Martine Roure, Inger Segelström, Csaba Sógor, Vladimir Urutchev, Ioannis Varvitsiotis, Manfred Weber, Renate Weber, Tatjana Ždanoka
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Edit Bauer, Evelyne Gebhardt, Ignasi Guardans Cambó, Sophia in ‘t Veld, Ona Juknevičienė, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Nicolae Vlad Popa, Johannes Voggenhuber
Zie de resolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2007 over de naleving van het Handvest van de grondrechten in wetgevingsvoorstellen van de Commissie: methodologie voor een systematische en grondige controle (PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 229).
Er zij op gewezen dat volgens de huidige regels van het Parlement de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verantwoordelijk is voor het meeste aan de RVVR gerelateerde beleid en voor het "waarschuwingssysteem" dat in artikel 7 VEU wordt beschreven.
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies - Artikel 47 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. spreekt haar tevredenheid uit over het feit dat de gelijkheid van vrouwen en mannen wordt beschouwd als een van de waarden en als een van de doelstellingen van de Unie (artikel 2, respectievelijk artikel 3, lid 3, tweede alinea van het VEU);
2. is verheugd over de bredere toepassing van het beginsel van geïntegreerde benadering van de gelijkheid van vrouwen en mannen, dat in de toekomst bij elk optreden van de Unie nagestreefd zal worden, nu aan dit beginsel een specifiek artikel wordt gewijd als onderdeel van de algemeen toepasselijke bepalingen (artikel 8 van het VWEU), waardoor hieraan het karakter wordt toegekend van een echte horizontale bepaling die op alle werkgebieden van de Unie van toepassing is;
3. is verheugd over het feit dat in artikel 8, 9 en 10 van het VWEU duidelijk is bepaald dat het gehele EU-beleid sociale insluiting, sociale bescherming en gelijkheid van vrouwen en mannen actief moet bevorderen en discriminatie moet bestrijden;
4. wenst derhalve dat er een tweeledige benadering wordt gevolgd ter aanvulling op de geïntegreerde benadering van de gelijkheid van vrouwen en mannen in de praktijk, dat wil zeggen positieve acties en duidelijke en bindende doelstellingen en maatregelen;
5. is verheugd over de nieuwe procedure van artikel 19 van het VWEU, op grond waarvan voortaan de goedkeuring van het Europees Parlement benodigd is voordat de Raad maatregelen kan aannemen (hetgeen helaas nog met eenparigheid van stemmen dient te geschieden) om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden;
6. verwelkomt het feit dat volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen zullen worden vastgesteld ter bestrijding van mensenhandel, met name handel in vrouwen en kinderen, en seksuele uitbuiting (artikel 79, lid 2, onder d en artikel 83, lid 1, tweede alinea, van het VWEU);
7. benadrukt met tevredenheid dat aan het handvest van de grondrechten van de Europese Unie dezelfde juridische waarde wordt toegekend als aan de verdragen (artikel 6 van het VEU), zodat het handhaven of aannemen van maatregelen ten behoeve van specifieke voordelen voor het ondervertegenwoordigde geslacht niet wordt belemmerd, en zodat wordt voorzien in een betere bescherming van het moederschap, met name in het beroepsleven (artikel 23, 33 en 34 van het handvest);
8. is van mening dat deze nieuwe bepalingen de Commissie de mogelijkheid bieden onverwijld aan de Raad en het Parlement voorstellen te doen voor wetgevingsmaatregelen die de verschillende communautaire beleidsmaatregelen ter bestrijding van de handel in vrouwen en kinderen met het oog op seksuele uitbuiting leesbaarder en doeltreffender maken;
9. roept de Commissie op binnen drie jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon een eerste overzicht te presenteren van de in de lidstaten geconstateerde effecten van dit verdrag op het gebied van bestrijding van mensenhandel, in het bijzonder de handel in vrouwen en kinderen, met het oog op seksuele uitbuiting;
10. is verheugd over verklaring 19 ad artikel 8 van het VWEU, waarin de lidstaten worden opgeroepen de nodige bepalingen vast te stellen om elke vorm van geweld te voorkomen en te bestrijden, alsmede om de slachtoffers te beschermen en te ondersteunen.
Rapporteur voor advies (*): Carlos Carnero González
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 47 van het Reglement
Suggesties
De Commissie verzoekschriften verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande aanbevelingen in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. benadrukt dat er, naast de aanzienlijke institutionele verbeteringen van de nieuwe verdragen, specifieke voordelen zijn voor EU-burgers als gevolg van de versterking van het democratisch overzicht en de controle op de beleidsmaatregelen van de Unie enerzijds en de verbetering van de rechten van EU-burgers anderzijds;
2. wijst op het feit dat de verzoekschriftenprocedure van het nieuwe verdrag een belangrijk instrument is waarmee de inwoners van Europa actief – individueel of via vrijwilligersorganisaties – betrokken kunnen zijn bij de ontwikkeling van de Unie; wijst erop dat burgers door deze betrokkenheid het Parlement er bijvoorbeeld op kunnen wijzen dat het EU-recht in bepaalde lidstaten onvoldoende wordt nageleefd, zij kunnen het Parlement attenderen op zwakke plekken in de bestaande EU-wetgeving en zij kunnen protesteren wanneer de grondrechten van EU-burgers of ingezetenen van de Unie worden geschonden;
3. onderstreept in dit verband en in de geest van het Verdrag van Lissabon de rol en de verantwoordelijkheden van de Commissie verzoekschriften en het belang om de volledige en daadwerkelijke medewerking van alle instellingen en organen van de EU te krijgen, evenals van alle lidstaten en de regionale en plaatselijke autoriteiten, om een antwoord en een oplossing te bieden voor de zorgen van EU-burgers;
4. wijst op de nieuwe mogelijkheden voor EU-burgers vervat in artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon betreffende het zogenoemde “burgerinitiatief”, wat inhoudt dat ten minste een miljoen burgers van de Unie, afkomstig uit verschillende lidstaten, de Europese Commissie kunnen verzoeken een nieuwe wet op te stellen waarvan zij menen dat deze nodig is ter uitvoering van de Verdragen;
5. besluit ervoor te zorgen dat in de aan te nemen verordening inzake de tenuitvoerlegging van het “burgerinitiatief” heldere, eenvoudige en gebruiksvriendelijke voorwaarden voor het uitoefenen van dit burgerrecht worden vastgelegd; is van oordeel dat de Commissie verzoekschriften nauw betrokken moet zijn bij de initiatieven van burgers en dat deze kan optreden als een platform voor de bevordering van individuele initiatieven en het initiatiefrecht zelf, en erkent tegelijkertijd dat de Commissie het enige aanspreekpunt vormt voor burgers met initiatieven; is van oordeel dat de uitvoeringsverordening mechanismen moet bevatten die het Parlement in staat stellen een standpunt in te nemen over dergelijke initiatieven en, waar nodig, zich hiervoor in te zetten;
6. merkt op dat het burgers reeds vrij staat in een verzoekschrift het Parlement te verzoeken krachtens artikel 192 van het EG-Verdrag zijn recht uit te oefenen en te vragen om een wetgevingsinitiatief, en dat daarnaast niets burgers ervan weerhoudt om, indien zij daarvoor kiezen, eenzelfde oproep tot Europees optreden te doen aan ofwel de Europese Commissie, in de vorm van een burgerinitiatief, ofwel het Europees Parlement, in de vorm van een verzoekschrift;
7. is van mening dat het Parlement moet onderzoeken hoe het passende procedures kan instellen voor het volgen en ondersteunen van burgerinitiatieven, en gelooft dat de Commissie verzoekschriften, die reeds ruime ervaring heeft met het werken met burgers en de kwesties waarover deze zich zorgen maken, een sleutelrol moet spelen in dergelijke procedures;
8. is verheugd over de afkondiging van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de daarin vastgelegde erkenning van de rechten, vrijheden en beginselen voor alle EU-burgers, met name de verschillende rechten ten aanzien van leven, menselijke waardigheid, gelijkheid, rechtvaardigheid, vrijheid en particuliere eigendom; is van plan met de andere instellingen na te gaan of de directe toepasselijkheid van het Handvest ten aanzien van het handelen van de lidstaten niet al te zeer beperkt wordt door een ruime interpretatie van de beperkingen die in dit verband zijn vastgelegd in de horizontale artikelen van het Handvest, met name artikel 51 ervan, dat lidstaten voorschrijft het Handvest uitsluitend toe te passen wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer leggen;
9. merkt op dat de versterkte status van het Handvest van de grondrechten, evenals de grotere draagwijdte van de activiteiten die onderwerp kunnen zijn van een inbreukprocedure, met name op het terrein van justitie en binnenlandse zaken, een direct effect heeft op de werkzaamheden van de Commissie verzoekschriften wanneer deze namens de burger de parlementaire controle uitvoert;
10. tekent aan dat de introductie in artikel 298 van het VWEU van een rechtsgrondslag voor een doeltreffend Europees ambtenarenapparaat, gekoppeld aan het aannemen van verordeningen ter uitvoering van dat artikel, een antwoord vormt op een reeds lang geuite oproep van de Europese Ombudsman en het Europees Parlement tot een gemeenschappelijk systeem van bestuurlijke wetgeving voor het Europese ambtenarenapparaat, en roept de Commissie verzoekschriften op om volledig betrokken te zijn bij de procedure voor het aannemen van de desbetreffende verordeningen.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
27.5.2008
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
23
1
2
Bij de eindstemming aanwezige leden
Sir Robert Atkins, Margrete Auken, Inés Ayala Sender, Victor Boştinaru, Michael Cashman, Alexandra Dobolyi, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, David Hammerstein, Marian Harkin, Carlos José Iturgaiz Angulo, Lasse Lehtinen, Marcin Libicki, Miguel Angel Martínez Martínez, Manolis Mavrommatis, Willy Meyer Pleite, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Frank Vanhecke, Diana Wallis, Rainer Wieland
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Marie-Hélène Descamps, Henrik Lax, Grażyna Staniszewska, Margie Sudre
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)
Christopher Beazley, Tunne Kelam, Vytautas Landsbergis
BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BEGROTINGSCONTROLE
De heer Jo Leinen, lid EP
Voorzitter van de Commissie
constitutionele zaken
Europees Parlement
Brussel
Geachte heer Leinen,
Betreft: Advies van de Commissie begrotingscontrole in briefvorm betreffende het verslag van de Commissieconstitutionele zaken over de nieuwe rol en bevoegdheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon
In uw werkdocument van 3 april 2008 heeft u de commissies verzocht advies uit te brengen over de twee belangrijke vraagstukken:
1) Wat zijn de politieke prioriteiten van de commissie met betrekking tot het gebruik van de nieuwe bevoegdheden die het Parlement door het Verdrag van Lissabon heeft gekregen?
2) Hoe denkt de commissie zich in te stellen op de overgang van raadpleging naar medebeslissing in wetgevingsprocedures en andere procedurele veranderingen?
Uw vraagstukken gaan vooral de echte wetgevende commissies aan. Daarom zal de commissie geen formeel advies uitbrengen. De veranderingen op het vlak van de bevoegdheden van mijn commissie betreffen met name het volgende:
·De verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de uitvoering van de begroting wordt benadrukt (artikel 317 VwEU)(1). De praktische gevolgen van deze bepalingen zijn op dit moment nog onbekend.
·De Commissie dient een evaluatieverslag in over de financiën van de Unie, dat het Parlement in de kwijtingsprocedure zal behandelen (artikelen 318 and 319 VwEU).
·Het financieel reglementwordt niet langer via de raadplegingsprocedure goedgekeurd maar via een gewone wetgevingsprocedure, d.w.z. via medebeslissing (artikel 322 VwEU). Als gevolg van de nieuwe bepalingen over het meerjarig financieel kader (art. 312 VwEU) en over het financieel reglement (art. 322 VwEU) moet het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer worden herzien.
·de rechtsgrondslag voor het vaststellen van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad wordt versterkt (art. 325 VwEU).
·Het Verdrag van Lissabon voorziet ook in de instelling van een Europese procureur ter bestrijding van misdrijven waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad (art. 86 VwEU).
De nummering correspondeert met de geconsolideerde versie van het Verdrag van Lissabon. Zie publicatie in PB C 115, 9.5.2008, blz.1.
BIJLAGE: BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE
De voorzitter
De heer Jo Leinen,
Voorzitter van de Commissie
constitutionele zaken
Brussel
Brussel,
Ref.: D(2008)27597
GC/mlt
Betreft: INI-verslag van de Commissie constitutionele zaken over de nieuwe rol en bevoegdheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon
Advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie in briefvorm
Geachte heer Leinen, beste collega,
Onder verwijzing naar uw brief van 13 maart 2008 deel ik u mee dat de Commissie industrie, onderzoek en energie besloten heeft geen officiële rapporteur te benomen, maar mij als voorzitter heeft verzocht het advies van de Commissie constitutionele zaken in briefvorm uit te brengen. Deze brief heeft de instemming van de coördinatoren van ITRE.
Wat betreft de "twee belangrijke vraagstukken", d.w.z. de prioriteiten van ITRE met het oog op de nieuwe bevoegdheden van het Parlement en de, in uw bij de genoemde brief gevoegde werkdocument vermelde de overgang van raadpleging naar medebeslissing, alsmede op grond van de tekst van het Verdrag van Lissabon (VvL), die is gepubliceerd in PB C 306 van 17 december 2007, zou ik de volgende kanttekeningen willen plaatsen:
Energie
Een prioriteit voor mijn commissie omdat energie thans een afzonderlijke titel XX in het Verdrag heeft en dus ook een rechtsgrondslag (artikel 176A). Er zij evenwel op gewezen dat over het algemeen weliswaar de "gewone wetgevingsprocedure" wordt gevolgd maar dat besluiten over de energiemix onder de bevoegdheid van de lidstaten blijven vallen en dat voor fiscale maatregelen op dit gebied raadpleging van het Parlement en eenparigheid in de Raad vereist blijven.
Er zij eveneens gewezen op de solidariteitsclausule. Deze wordt toegepast"indien zich bij de voorziening van bepaalde producten, in het bijzonder op energiegebied, ernstige moeilijkheden voordoen"(art. 100, lid 1).
Ik zou u er in dit verband op willen wijzen dat mijn commissie alle beschikbare middelen heeft ingezet om tijdig de stemming over het energiepakket inzake elektriciteit en gas en inzake de klimaatverandering (richtlijn inzake hernieuwbare energie) voor te bereiden. Het Europees Parlement zou daardoor voldoende tijd moeten hebben om zijn standpunt in eerste lezing vast te stellen, waarna de Raad zijn standpunt zelfs voor de inwerkingtreding van het VvL zou kunnen innemen. Dat is belangrijk voor onze wetgevingsactiviteiten, met name met het oog op de toepassing van het protocol over subsidiariteit en daarom dienen de lidstaten over alle, per 31 december 2008 lopende wetgevingsvoorstellen, te worden geraadpleegd.
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
Ik ben geneigd te geloven dat het Euratom Verdrag voorlopig een onmisbaar wettelijk kader blijft en stel vast dat het in het VvL geen significante wijzigingen heeft ondergaan.
Protocol nr. 12 wordt aan het VvL toegevoegd en daarin wordt geprobeerd het Euratomverdrag aan te passen zodat rekening wordt gehouden met de algemene voorzieningen die in andere verdragen zijn neergelegd, zoals institutionele en financiële bepalingen. Door de toevoeging van protocol nr. 12 aan het VvL wordt de tekst echter onleesbaar en buitengewoon ingewikkeld door de talloze horizontale verwijzingen en de intrekking van bepaalde artikelen van het Euratom Verdrag. Daarom lijkt het wenselijk het advies van ITRE betreffende de behoefte aan een geconsolideerde tekst van het Euratomverdrag in te trekken.
Elektronische communicatie en de informatiemaatschappij
Afgezien van het feit dat het protocol inzake subsidiariteit ook voor deze sector van toepassing is, verandert er door de inwerkingtreding van Het Verdrag van Lissabon niet veel op dit gebied. Daarom blijft artikel 95 van het vigerende Verdrag de rechtsgrondslag voor de goedkeuring van wettelijke maatregelen onder toepassing van de gewone wetgevingsprocedure.
Om echter de wetgeving op dit gebied "toekomstbestendig" te maken om te kunnen inspelen op snelle technologische veranderingen, zullen gedelegeerde en uitvoeringshandelingen (VvL artikelen 249B en 249C) een belangrijke rol gaan spelen. Daarom bestaat er enige onzekerheid over de impact van het nieuwe regime en de nodige aanpassingen aan de lopende wetgevingsprocedures.
Onderzoek en technologische ontwikkeling en de ruimte
Ik zou uw aandacht willen vestigen op de volgende bepalingen van het VvL. De gewijzigde artikelen 163, 165 en 166 van het EG-Verdrag moeten als een verbetering worden beschouwd, omdat daarin de wetenschappelijke en technologische basis wordt versterkt door de invoering van een Europese onderzoekruimte. "De maatregelen die nodig zijn om
de Europese onderzoeksruimte te realiseren worden vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure." (art. 166, lid 5).
Er zij evenwel gewezen op drie mogelijke geschilpunten tussen het Europees Parlement en de Raad:
a) overeenkomsten tussen de EU en derde landen of internationale organisaties (art. 170) vallen niet langer onder artikel 300, omdat de besluitvormingsprocedure niet expliciet wordt vermeld;
b) handhaving van de artikelen 171 en 172 over de oprichting van gemeenschappelijke ondernemingen zou inhouden dat de raadplegingsprocedure van kracht blijft voor de oprichting van agentschappen en mogelijkerwijs strookt dit niet met de geest van de wettelijke maatregelen van de Unie;
c) terwijl het "meerjarenkaderprogramma volgens de gewone wetgevingsprocedure wordt vastgesteld (art. 166, lid 5), worden de "specifieke programma'sovereenkomstig een bijzondere wetgevingsprocedure" vastgesteld, d.w.z. via eenvoudige raadpleging van het Europees Parlement (art. 166, lid 4).
Ruimte
Ondanks deze bezwaren, is mijn commissie tevreden met de invoeging van een bepaling over een Europees ruimtevaartbeleid (art.172 bis) in het gedeelte betreffende onderzoek en technologische ontwikkeling en is zij ingenomen met de mogelijkheid voor het Parlement en de Raad om, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de nodige maatregelen vast te stellen voor de invoering van een Europees ruimtevaartbeleid.
Mijn commissie is ook van mening dat de formulering "met uitsluiting van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten"(art. 172 bis, lid 2) bepaalde problemen kan opleveren voor de tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk Europees ruimtevaartbeleid.
Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal
Ik zou uw commissie willen wijzen op protocol nr. 11 over het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, waarin procedurele bepalingen worden ingevoerd die de betrokkenheid van het Europees Parlement bij het besluitvormingsproces niet zullen verbeteren (de raadplegingsprocedure wordt gehandhaafd).
Industrie
Ik ben van oordeel dat de amendementen op de vigerende bepalingen van het Verdrag (art.157) geen invloed zullen hebben op de huidige structuur omdat industrie valt onder de bevoegdheid van de EU om de maatregelen van de lidstaten te steunen, te coördineren of aan te vullen. Niettemin zou de bepaling "met uitsluiting van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten" (art. 157, lid 3), kunnen worden opgevat als het einde van de gemeenschappelijke aanpak van de industrie. De gewone wetgevingsprocedure heeft immers betrekking op "specifieke maatregelen ter ondersteuning van de activiteiten die in de lidstaten worden ondernomen" (art. 157, lid 3). Toch wordt het Europees Parlement niet betrokken bij de besluitvorming, wanneer een gecoördineerd optreden noodzakelijk wordt geacht; het wordt op de hoogte gehouden (art. 157, lid 2).
Horizontale thema's
Twee punten moeten, in het kader van thans lopende, of voor de inwerkingtreding van het VvL waarschijnlijk vast te stellen wetsontwerpen, worden genoemd:
a) De comitologieprocedure wordt uitgebreid toegepast op voorstellen die onder de bevoegdheid van ITRE vallen. Daarom is het wenselijk dat het EP erop staat dat Richtlijn 1999/468/EG van de Raad onverwijld wordt ingetrokken en dat, onmiddellijk na de inwerkingtreding van het VvL, een nieuwe en algemene aanpak van het begrip "harmonisatie" van alle bestaande wetgeving wordt gestart.
b) De nationale parlementen hebben, in het kader van de medebeslissing, wetsvoorstellen van de Commissie ontvangen, omdat laatstgenoemde deze parlementen sinds 2006 haar voorstellen op informele basis heeft toegezonden. De, uiteenlopende, antwoorden van de nationale parlementen werden rechtstreeks naar de Commissie, maar niet naar het Europees Parlement, zelfs niet ter informatie, gezonden. Dit kan als een gebrek aan transparantie worden opgevat en misschien wel als een mislukking van de nauwe samenwerking.
Daarom moet, met het oog op protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, en protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, en de ad-hocpraktijk die in de vorige alinea werd aangestipt, een eerlijke politieke oplossing worden gevonden om de geest van het VvL te eerbiedigen, ongeacht de juridische interpretatie van en de praktische regelingen voor lopende medebeslissingsprocedures bij de inwerkingtreding van het nieuwe Verdrag, als het gaat om het nieuwe procedurele element, d.w.z. raadpleging van de nationale parlementen.
Hoogachtend,
Angelika Niebler
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
9.3.2009
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
19
2
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Enrique Barón Crespo, Bastiaan Belder, Richard Corbett, Jean-Luc Dehaene, Andrew Duff, Anneli Jäätteenmäki, Aurelio Juri, Martin Kastler, Timothy Kirkhope, Jo Leinen, Íñigo Méndez de Vigo, Adrian Severin, József Szájer, Riccardo Ventre, Johannes Voggenhuber, Andrzej Wielowieyski
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Costas Botopoulos, Catherine Boursier, Elmar Brok, Carlos Carnero González, Panayiotis Demetriou, Sirpa Pietikäinen, György Schöpflin