Procedure : 2008/2198(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0225/2009

Ingediende teksten :

A6-0225/2009

Debatten :

Stemmingen :

PV 07/05/2009 - 9.1
CRE 07/05/2009 - 9.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0372

VERSLAG     
PDF 175kDOC 86k
3 april 2009
PE 420.027v02-00 A6-0225/2009

over gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming

(2008/2198(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Libor Rouček

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming

(2008/2198(INI))

Het Europees Parlement,

–    gelet op de in artikel 2, artikel 3, lid 2, artikel 13, artikel 137, lid 1, letter i en artikel 141 van het EG-Verdrag vastgelegde beginselen,

–    gelet op het op 7 december 2000 uitgevaardigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 2000,(1)

–    gelet op het op 13 december 2007 in Lissabon ondertekende Verdrag van Lissabon(2),

–    gelet op het VN-Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–    gezien de in 1995 in Beijing gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de Verklaring van Beijing en het in Beijing onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten betreffende verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de Verklaring van Beijing en het actieprogramma die tijdens de speciale VN-vergaderingen Beijing +5 en Beijing +10 respectievelijk op 9 juni 2000 en 11 maart 2005 werden aangenomen,

–    gezien de op 18 juni 2008 door de Raad vastgestelde agenda van de EU voor actie inzake de millenniumdoelstellingen,

–    gezien resolutie 1325 (2000) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die op 31 oktober 2000 werd goedgekeurd, en resolutie 1820 (2008) over vrouwen en vrede en veiligheid, die op 19 juni 2008 werd goedgekeurd,

–    gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen van 23 en 24 mei 2005 betreffende Europese veiligheid,

–    gezien het document van de Raad getiteld ‘Uitvoering van UNSCR 1325 zoals versterkt door UNSCR 1820 in de context van het EVDB van 8 december 2008,

–    gezien de conclusies van de Raad van 13 november 2006 inzake het bevorderen van gendergelijkheid en gendermainstreaming in crisisbeheer(3),

–    gezien de conclusies van de Raad van 8 december 2008 inzake het uitbannen van geweld tegen vrouwen, in het bijzonder in het kader van het EVDB, en van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–    gezien de "globale aanpak voor de uitvoering door de EU van Resolutie 1325 en 1820 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over vrouwen, vrede en veiligheid" van 8 december 2008,

–    gezien het werk dat momenteel wordt verricht aan een werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Toward an EU Action Plan on Gender Equality and Women's Empowerment in EU External Action",

–    gezien de ontwikkeling van het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB) sinds 2004, en in het bijzonder de voortgangsverslagen van de Commissie over de uitvoering ervan en de samen met Armenië, Azerbeidzjan, Egypte, Georgië, Israël, Jordanië, Libanon, Moldavië, Marokko, de Palestijnse Autoriteit, Tunesië en Oekraïne vastgestelde actieplannen,

–    gezien het uitbreidingsproces en op de voortgangsverslagen van de Commissie,

–    onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over het versterken van de positie van vrouwen en hun rol in veiligheid en vrede, in het bijzonder zijn resoluties van 1 juni 2006(4), van 16 november 2006(5) en van 13 maart 2008(6),

–    onder verwijzing naar zijn resoluties over het ENB, de uitbreidingsstrategie van de EU en haar omliggende landen en regio's,

–    onder verwijzing naar zijn resoluties over instrumenten voor externe steun,

–    onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 december 2008 over ontwikkelingsperspectieven voor vredesopbouw en natievorming in postconflictsituaties(7),

–    gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–    gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0225/2009),

A.  overwegende dat de verwezenlijking van mensenrechten van vrouwen en van de versterking van hun positie en macht niet alleen van belang is om komaf te maken met ongelijkheid van mannen en vrouwen en om aan de externe betrekkingen van de EU een echte genderdimensie te verlenen maar essentieel is voor de succesvolle uitvoering van het externe beleid van de EU, inclusief de beleidslijnen inzake steun, ontwikkeling, uitbreiding, nabuurschapsbeleid, het oplossen van conflicten, veiligheid, vredesopbouw en internationale handel,

B.   overwegende dat de lidstaten van de EU weliswaar alle belangrijke internationale kaders inzake gendergelijkheid en rechten van vrouwen hebben onderschreven en op communautair niveau een aantal beleidsdocumenten bestaan, maar dat het praktische engagement om gendermainstreaming en de versterking van de positie van vrouwen in het externe beleid te bevorderen te wensen overlaat, de uitvoering van bestaande beleidsdocumenten bescheiden is en de begrotingsmiddelen die specifiek bestemd zijn voor genderkwesties ontoereikend zijn,

C.  overwegende dat er in de afgelopen jaren aanzienlijke verbeteringen zijn bereikt bij e bevorderen van de gendergelijkheid, maar dat de voornaamste instellingen van de EU - Europees Parlement, Raad en Commissie - niet voldoende personeel hebben dat specifiek benoemd is voor de verwezenlijking van genderdoelstellingen op het gebied van extern beleid en uitbreiding, en overwegende dat de meeste personeelsleden die zich thans met genderkwesties bezig houden dit moeten combineren met één of zelfs twee andere taken,

D.  overwegende dat de EU behoefte heeft aan een holistische en coherente benadering van gendermainstreaming,

Algemene opmerkingen

1.  erkent dat de instellingen van de EU toenemend belang hebben gehecht aan gendermainstreaming en versterking van de positie van vrouwen, maar onderstreept dat nog een hele weg is af te leggen om de politieke verbintenissen in de praktijk om te zetten, en benadrukt het belang van voldoende financiële middelen en van personeel dat verantwoordelijk is voor het toepassen van de genderdoelstellingen;

2.   herinnert aan het feit dat gendermainstreaming niet alleen verklaringen op hoog politiek niveau vereist, maar tevens de politieke wil van de EU-leiding en de regeringen van de lidstaten, prioriteitstelling van doelstellingen en het controleren van de bereikte vooruitgang;

3.   is ingenomen met de vaststelling van een "globale aanpak voor de uitvoering door de EU van resoluties 1325 (2000) en 1820 (2008) van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid", alsmede van richtsnoeren betreffende geweld tegen vrouwen en meisjes en de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen; roept de lidstaten die nog geen nationaal actieplan op basis van Resolutie 1325 hebben aangenomen, op om dringend gehoor te geven aan het verzoek van de Veiligheidsraad om dit te doen; roept de Commissie op om technische bijstand te verlenen en hulp te bieden aan derde landen die een nationale strategie willen ontwikkelen voor de uitvoering van de hoger genoemde resoluties van de VN-Veiligheidsraad;

4.   verheugt zich erover dat de herziene tekst van de Europese veiligheidsstrategie een verwijzing bevat naar de bovengenoemde resoluties 1325 en 1820 van de Veiligheidsraad, alsook naar resolutie 1612 (2005);

5.  roept de Commissie op sneller werk te maken van een "EU-actieplan inzake gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen in het interne en externe optreden van de EU" en dit plan in nauwe samenwerking met de lidstaten en het secretariaat van de Raad tegen juli 2009 voor te leggen, wat zowel in de 27 lidstaten als bij de onderhandelingen met derde landen geldt, alsmede een aantal efficiënte controle-instrumenten die in de verschillende stadia van dit actieplan van toepassing zijn;

6.  verzoekt de Commissie en de Raad om gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen systematisch deel uit te laten maken van de politieke dialoog en beleidsdiscussies tussen de EU en partnerlanden;

7.   vraagt aan de delegaties van het Europees Parlement om kwesties in verband met gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen aan te snijden in zijn relaties met parlementen van derde landen; onderstreept hoe belangrijk het is steun en bijstand te verstrekken aan nationale parlementen van derde landen om hen beter in staat te stellen het genderperspectief een plaats te geven in hun legislatief werk;

8.   onderstreept het belang van organisaties uit het maatschappelijk middenveld voor de versterking van de positie van vrouwen; roept de Commissie op deze organisaties voldoende financiële steun te geven en de deelname van NGO's voor vrouwen in de politieke dialoog met partnerlanden alsmede in vredesonderhandelingen in de hele wereld te bevorderen;

9.   roept de Commissie en de lidstaten op om coherentie van hun beleidsaanpak te bevorderen; vraagt dat de diverse bestaande beleidskaders in een EU-genderconsensus voor zowel het interne als het externe beleid worden samengevoegd;

10. moedigt het regelmatig organiseren van conferenties aan om de problemen omtrent kansengelijkheid voor vrouwen en mannen te bespreken, met deelname van zowel uit vrouwen als mannen bestaande delegaties van de nationale parlementen, alsmede om gemeenschappelijke strategieën vast te stellen voor het uitvoeren van projecten die aan deze thematiek verbonden zijn;

11. vraagt de Commissie een einde te maken aan meer systematische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in de programmering en uitvoering van de instrumenten voor externe bijstand, in het bijzonder wat betreft bijstand voor de hervorming van de veiligheidssector, en dit als een van haar prioriteiten te beschouwen; onderstreept dat genderspecifieke doelstellingen, activiteiten en financieringen moeten worden opgenomen in de strategische landendocumenten en dat de gendermainstreaming in het kader van deze documenten moet worden verbeterd; benadrukt de noodzaak van een holistische benadering in het gebruik van instrumenten voor externe bijstand, met inbegrip van het instrument voor pretoetredingshulp, het instrument van het Europees nabuurschapsbeleid, het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), het stabiliteitsinstrument en thematische programma’s zoals “Investing in People”, om de doelstellingen van gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen te bereiken;

12. is van oordeel dat de middelen van de Commissie ten behoeve van de gezondheidssector en dus van de gezondheidszorg voor meisjes en vrouwen ontoereikend zijn in het licht van haar toezeggingen ten aanzien van het ontwikkelingsbeleid; onderstreept de noodzaak om binnen de instrumenten voor externe bijstand extra financiële middelen speciaal te bestemmen programma's inzake de gezondheid van vrouwen; wijst erop dat uit het Speciale verslag van de Europese Rekenkamer over ontwikkelingshulp van de EG aan de gezondheidsdiensten in Afrika bezuiden de Sahara (januari 2009) blijkt dat over het geheel genomen de EG-financiering van de gezondheidszorg in de Afrikaanse landen bezuiden de Sahara in verhouding tot haar totale ontwikkelingshulp sinds 2000 niet meer is toegenomen, hoewel het scorebord van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen uit 2007 nog steeds een zeer hoge kraamvrouwensterfte in Afrika bezuiden de Sahara te zien geeft;

13. wijst erop dat een doeltreffende gendermainstreaming de noodzaak met zich brengt van een uitgebreide coördinatie tussen donoren en actoren, alsmede verantwoordingsmechanismen en een groter aandeel van de nationale regeringen bij het ontwikkelingsproces; benadrukt in dit opzicht de meerwaarde van het EU/VN-partnerschap over gendergelijkheid voor ontwikkeling en vrede, en over gendergevoelig budgetteren; verwelkomt het initiatief voor een werkgroep over vrouwen, vrede en veiligheid zoals opgenomen in de alomvattende benadering bij de tenuitvoerlegging van Resolutie 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad;

14. herhaalt dat het noodzakelijk is om zich niet alleen op vrouwen te concentreren maar ook de genderrelaties tussen mannen en vrouwen die ongelijkheid veroorzaken en in stand houden; denkt bijgevolg dat projecten oog moeten hebben voor zowel mannen als vrouwen;

15. benadrukt dat de EU bijzondere aandacht moet hebben voor de noden van de kwetsbaarste en sociaal uitgesloten vrouwen, in het bijzonder gehandicapte vrouwen, vluchtelingen of vrouwen uit minderheidsgroepen;

16. roept de Commissie op verdere procedures, benchmarks en indicatoren te ontwikkelen om te verzekeren dat zij haar verbintenissen betreffende gendergelijkheid in haar externe beleid nakomt;

17. is van mening dat het Instituut voor gendergelijkheid zo snel mogelijk operationeel moet worden en dat zijn mandaat met extern beleid moet worden uitgebreid;

18. roept de Commissie en de lidstaten op de Brusselse oproep tot actie voor uitbanning van seksueel geweld in conflicten en daarbuiten uit te voeren;

19. vraagt de Commissie en de lidstaten in actie te komen voor het voorkomen en bestrijden van de mensenhandel;

20. onderstreept dat verkrachting en seksueel geweld als oorlogswapen worden gebruikt; benadrukt dat deze als oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid moeten worden bestraft; verzoekt om meer ondersteuningsprogramma's voor slachtoffers;

21. onderstreept de noodzaak om het partnerschap van de EU en de Verenigde Naties en de wereldwijde expertise van de Verenigde Naties inzake het bevorderen van gendergelijkheid en het versterken van de positie van vrouwen aan te wenden om de effectiviteit en het effect van het beleid en de bijstand van de EU te verbeteren en de coherentie van externe bijstand aan partnerlanden voor het nakomen van hun relevante verbintenissen te verzekeren;

Gendermainstreaming in besluitvorming van de EU

22. is van mening dat het huidige aantal personeelsleden dat zich in de Commissie en de Raad bezighoudt met genderkwesties, te gering is; doet een beroep op deze instellingen om meer personeel in te zetten bij de structuren die zich bezig houden met de externe activiteiten van de EU die specifiek betrekking hebben op gendermainstreaming en het versterken van de positie van vrouwen;

23. stelt het voordurende gebrek van vrouwen op hoge posten in de structuren van de Commissie en de Raad vast, en roept in het bijzonder op meer inspanningen te leveren om het aantal vrouwelijke hoofden van delegaties en speciale vertegenwoordigers van de EU te doen stijgen; benadrukt dat er bij de oprichting van de toekomstige dienst voor extern optreden een beter evenwicht tussen mannen en vrouwen moet zijn, in het bijzonder op de hoge posten, en dat deze dienst meer voor genderkwesties verantwoordelijk personeel zouden moeten hebben;

24. roept de lidstaten op meer vrouwen aan EVDB-missies en –operaties deel te laten nemen en vraagt een grotere participatie van vrouwen op alle niveaus en in alle stadia van de planning en uitvoering; onderstreept de noodzaak om genderexpertise van meet af aan op te nemen in de planning van een missie of een operatie, alsmede het belang van systematische en substantiële genderopleiding voor personeelsleden voor zij worden uitgestuurd;

25. merkt op dat er op dit moment veel moeite wordt gedaan om een gendergevoelige benadering te integreren in de veiligheids- en defensiecultuur van het EVDB, onder andere door het ontwikkelen van de kwantitatieve dimensie van gendermainstreaming in dat beleid (bijv. door vragenlijsten, het ontwikkelen van controlelijsten, het tellen van het aantal mannen en vrouwen in EVDB-activiteiten, enz.); benadrukt echter de noodzaak om het kwalitatieve conceptuele kader te ontwikkelen dat nodig is voor het begrijpen van de sociaaleconomische context waarin EVDB-missies worden ingezet (d.w.z. conflictgebieden) en de gendergevoelige aandachtspunten bij de uitvoering van activiteiten en programma's;

26. is verheugd over de benoeming van een genderadviseur voor bijna alle EVDB-missies, overeenkomstig de conclusies van de Raad van november 2006; onderstreept desalniettemin dat het werk van de adviseurs kan worden ondermijnd door het ontbreken van een concreet genderbeleid van de EU – met name een gebrek aan bewustzijn inzake de genderproblematiek en/of onwil om het belang ervan in te zien – alsmede het ontbreken van genderspecifieke begrotingslijnen bij de financiering van EVDB-missies;

27. prijst de initiatieven om genderopleiding aan te bieden aan personeel dat op EVDB-missie gaat en aan de hoofdkwartieren, alsmede de aanzienlijke inspanning van de Commissie om haar personeel, en dan met name in de delegaties, op te leiden; herhaalt dat al het personeel op elk niveau van de planning, programmering en uitvoering behoorlijk opgeleid moet zijn; vraagt de Commissie en de lidstaten te verzekeren dat alle personeelsleden van missies en delegaties, inclusief het management, verplicht worden een opleiding te volgen en dat zij richtsnoeren krijgen in verband met genderkwesties en de verbetering van de positie van vrouwen;

28. is ervan overtuigd dat bij het plannen van EVDB-missies rekening moet worden gehouden met het betrekken van lokale vrouwenorganisaties bij het vredesproces, zodat kan worden gebouwd op de speciale bijdrage die zij kunnen leveren en als erkenning voor de speciale manieren waarop vrouwen worden geraakt door conflicten;

29. benadrukt dat quota op dit moment een onmisbaar middel vormen om gendergelijkheid te waarborgen in vredes- en veiligheidsmissies en in de besluitvorming bij nationale en internationale wederopbouwprocessen en om de politieke aanwezigheid van vrouwen aan de onderhandelingstafel te garanderen;

30. onderstreept het belang van genderbewuste budgettering; onderstreept dat gender ontwikkeld moet worden als een thematische kwestie in belangrijke instrumenten voor externe bijstand, dat speciale kredieten bestemd moeten worden voor genderkwesties en dat er benchmarks moeten worden ontwikkeld om de doelmatigheid te meten van het gebruik van de verstrekte middelen;

31. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 364, 18.12.2000.

(2)

PB C 306, 17.12.2007.

(3)

www.consilium.europa.eu/ueDocs/cms_Data/docs/pressData/en/gena/91617.pdf.

(4)

PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 287.

(5)

PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 347.

(6)

Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0103.

(7)

Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0639.


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (24.2.2009)

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake gendermainstreaming bij de buitenlandse betrekkingen van de EU en vredesopbouw/natievorming

(2008/2198(INI))

Rapporteur voor advies: Rodi Kratsa-Tsagaropoulou

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert aan het feit dat gendermainstreaming niet alleen verklaringen op hoog politiek niveau vereist, maar tevens de politieke wil van de EU-leiding en de regeringen van de lidstaten, prioriteitstelling van doelstellingen en het controleren van de bereikte vooruitgang;

2.  merkt op dat er al veel wordt gedaan om een genderspecifieke benadering te integreren in het beleid inzake externe betrekkingen en het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB), onder meer door het ontwikkelen van de kwantitatieve aspecten van gendermainstreaming (bijvoorbeeld via vragenlijsten, checklists, de controle van het aantal mannen en vrouwen); onderstreept echter dat ook de kwalitatieve dimensie moet worden ontwikkeld door beter te letten op de sociaaleconomische context waarin EVDB-missies zich voltrekken en op de wijze waarop een genderperspectief actief kan bijdragen aan de doelmatigheid en het welslagen van EU-beleid en -missies;

3.  verzoekt de Raad om een Europese afgevaardigde voor de rechten van de vrouw aan te stellen die het streven van de EU om de rol van vrouwen in buitenlands en ontwikkelingsbeleid te versterken, kracht kan bijzetten;

4.  is verheugd over het feit dat in de herziene tekst van de Europese veiligheidsstrategie verwezen wordt naar Resoluties 1325(2000), 1820(2008) en 1612(2005) van de VN-Veiligheidsraad en dat de Raad van de EU zijn goedkeuring gehecht heeft aan een alomvattende benadering van de uitvoering door de EU van Resoluties 1325(2000) en 1820(2008) van VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, alsmede de richtsnoeren inzake geweld tegen en uitbanning van discriminatie van vrouwen en meisjes;

5.  is verheugd over de benoeming van een genderadviseur voor bijna alle EVDB-missies, overeenkomstig de conclusies van de Raad van november 2006(1); onderstreept desalniettemin dat het werk van de adviseurs kan worden ondermijnd door het ontbreken van een concreet genderbeleid van de EU – met name een gebrek aan bewustzijn inzake de genderproblematiek en/of onwil om het belang ervan in te zien – alsmede het ontbreken van genderspecifieke begrotingslijnen bij de financiering van EVDB-missies; verzoekt om de beschikbaarstelling van voldoende financiële middelen en fulltime personeel, en wijst erop dat genderkwesties een rol moet spelen op alle leidinggevende niveaus, zowel in Brussel als in de operationele praktijk;

6.  benadrukt dat verkrachting en seksueel geweld als oorlogswapen worden gebruikt; benadrukt dat deze als oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid moeten worden bestraft; verzoekt om meer ondersteuningsprogramma's voor slachtoffers;

7.  verzoekt de Commissie om bij de partnerlanden en de lidstaten te blijven aandringen op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van nationale actieplannen in verband met Resolutie 1325(2000) van de VN-Veiligheidsraad; benadrukt dat deze actieplannen over voldoende financiële middelen moeten kunnen beschikken en dat zij bewakings- en verantwoordingsmechanismen moeten omvatten, alsmede ijkpunten en tijdschema's om de voortgang te kunnen beoordelen;

8.  merkt op dat er van de zestien EU-vertegenwoordigers en -afgevaardigden die zijn aangesteld door secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger Javier Solana slechts twee vrouwen zijn; herinnert aan het streven van de Raad naar een betere genderbalans tijdens EVDB-operaties, ook op het niveau van hogere leidinggevende functies, en verzoekt de lidstaten om meer vrouwelijke kandidaten te benoemen voor komende GBVB/EVDB-functies, met name voor de posities van speciale vertegenwoordiger van de EU en missiehoofd;

9.  onderstreept het belang van de lering die kan worden getrokken uit eerdere EU-missies, waaruit blijkt dat het genderperspectief al tijdens de onderzoeksfase van een operatie moet worden geïntegreerd en op een duidelijke, concrete en praktische wijze moet worden voorgelegd; is van oordeel dat het personeel reeds tijdens de opleiding gendertraining moet krijgen en dat genderprioriteiten aan de hand van specifieke criteria in een zo vroeg mogelijk stadium moeten worden geselecteerd en vastgelegd; benadrukt verder het belang van een periodieke rapportage over genderkwesties, zodat tijdens missies de voortgang van de integratie van een genderperspectief kan worden bijgehouden en de gendersituatie in het operatiegebied kan worden beoordeeld;

10. is tevreden over het feit dat nationale en regionale strategiedocumenten en nationale indicatieve programma's systematisch naar de gelijkheid van mannen en vrouwen en de rechten van de vrouw verwijzen, maar betreurt tegelijkertijd dat gender vaak als een transversale kwestie wordt beschouwd, waarvoor er geen specifieke acties, doelstellingen en tijdlijnen bestaan, noch middelen zijn toegewezen; wijst op de noodzaak in de programmering een alomvattende benadering op te nemen met betrekking tot de positie van vrouwen in conflictgebieden en bij de vredesopbouw, en verzoekt de Commissie de gelijkheid van mannen en vrouwen te integreren in deelgebieden van haar steun voor ontwikkelingssamenwerking, zoals justitie, bestuur, gezondheid en onderwijs; dringt sterk aan op de opname van genderspecifieke activiteiten en doelstellingen in toekomstige strategieën;

11. wijst andermaal op het belang van een genderspecifieke benadering bij conflictpreventie, vredeshandhaving en wederopbouw na conflicten, alsmede bij het nabuurschapsbeleid en de ontwikkelingssamenwerking ten einde de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de emancipatie van vrouwen als belangrijk instrument te kunnen inzetten om de situatie inzake de mensenrechten te verbeteren en de armoede te bestrijden;

12. is ervan overtuigd dat bij de planning van EVDB-missies rekening moet worden gehouden met plaatselijke vrouwenorganisaties en dat deze bij het vredesproces moeten worden betrokken om te profiteren van de specifieke bijdrage die vrouwen in dat opzicht kunnen leveren en aandacht te schenken aan de speciale gevolgen die vrouwen ondervinden als gevolg van oorlogsgeweld;

13. merkt op dat alle financieringsinstrumenten voor buitenlandse betrekkingen, uitbreiding en ontwikkelingsbeleid van de EU een algemene verwijzing bevatten naar de gelijkheid van mannen en vrouwen en de rechten van de vrouw, maar dat de financiële en personele middelen die daarvoor worden uitgetrokken niet toereikend lijken te zijn; verzoekt de Commissie op deze beleidsterreinen door te gaan met genderbudgettering en middelen te reserveren voor gendervraagstukken, binnen een redelijk tijdsbestek, en indicatoren en referentiecriteria te ontwikkelen met behulp waarvan de resultaten kunnen worden gemeten;

14. is van oordeel dat de middelen van de Commissie ten behoeve van de gezondheidssector en dus van de gezondheidszorg voor meisjes en vrouwen ontoereikend zijn in het licht van haar toezeggingen ten aanzien van het ontwikkelingsbeleid; wijst erop dat uit het Speciale verslag van de Europese Rekenkamer over ontwikkelingshulp van de EG aan de gezondheidsdiensten in Afrika bezuiden de Sahara (januari 2009) blijkt dat over het geheel genomen de EG-financiering van de gezondheidszorg in de Afrikaanse landen bezuiden de Sahara in verhouding tot haar totale ontwikkelingshulp sinds 2000 niet meer is toegenomen, hoewel het scorebord van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen uit 2007 nog steeds een zeer hoge kraamvrouwensterfte in Afrika bezuiden de Sahara te zien geeft; verzoekt de Commissie om de investeringen in de zorgsector, en met name in millenniumontwikkelingsdoelstelling 5 en in seksuele en reproductieve gezondheid, substantieel te verhogen;

15. wijst erop dat een doeltreffende gendermainstreaming de noodzaak met zich brengt van een uitgebreide coördinatie tussen donoren en actoren, alsmede verantwoordingsmechanismen en een groter aandeel van de nationale regeringen bij het ontwikkelingsproces; benadrukt in dit opzicht de meerwaarde van het EU/VN-partnerschap over gendergelijkheid voor ontwikkeling en vrede, en over gendergevoelig budgetteren; verwelkomt het initiatief voor een werkgroep over vrouwen, vrede en veiligheid zoals opgenomen in de alomvattende benadering bij de tenuitvoerlegging van Resolutie 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad;

16. is bezorgd over de wijze waarop de Commissie voornemens is haar toezegging na te komen om 20% van de communautaire hulp te besteden aan basisgezondheidszorg en onderwijs; benadrukt het belang van onderwijs aan meisjes en gendereducatie aan meisjes en jongens, en verzoekt derhalve om meer ondersteuning voor gendereducatie in hulpprogramma's van de EG.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.2.2009

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Edit Bauer, Hiltrud Breyer, Edite Estrela, Ilda Figueiredo, Věra Flasarová, Claire Gibault, Lissy Gröner, Anneli Jäätteenmäki, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Urszula Krupa, Roselyne Lefrançois, Pia Elda Locatelli, Astrid Lulling, Siiri Oviir, Doris Pack, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Zita Pleštinská, Anni Podimata, Christa Prets, Teresa Riera Madurell, Eva-Riitta Siitonen, Eva-Britt Svensson, Britta Thomsen, Corien Wortmann-Kool, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Gabriela Creţu, Ana Maria Gomes, Donata Gottardi, Elisabeth Jeggle, Maria Petre

(1)

Conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen in document 14884/1/06 Rev1 van het secretariaat van de Raad van de Europese Unie over de bevordering van gendergelijkheid en gendermainstreaming bij crisisbeheersing. www.consilium.europa.eu/ueDocs/cms_Data/docs/pressData/en/gena/91617.pdf


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

31.3.2009

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Sir Robert Atkins, Angelika Beer, Călin Cătălin Chiriţă, Véronique De Keyser, Jas Gawronski, Maciej Marian Giertych, Ana Maria Gomes, Anna Ibrisagic, Jelko Kacin, Helmut Kuhne, Vytautas Landsbergis, Johannes Lebech, Willy Meyer Pleite, Francisco José Millán Mon, Baroness Nicholson of Winterbourne, Raimon Obiols i Germà, Justas Vincas Paleckis, Ioan Mircea Paşcu, Béatrice Patrie, Alojz Peterle, Tobias Pflüger, João de Deus Pinheiro, Pierre Pribetich, Libor Rouček, Flaviu Călin Rus, Katrin Saks, Jacek Saryusz-Wolski, Hannes Swoboda, Konrad Szymański, Inese Vaidere, Geoffrey Van Orden, Andrzej Wielowieyski, Jan Marinus Wiersma, Zbigniew Zaleski, Josef Zieleniec

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Laima Liucija Andrikienė, Milan Horáček, Gisela Kallenbach, Tunne Kelam, Jules Maaten, Nickolay Mladenov, Rihards Pīks

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Brigitte Fouré

Laatst bijgewerkt op: 24 april 2009Juridische mededeling