over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, Afdeling III – Commissie (C7-0127/2009 – 2009/2002(BUD)) en over de nota van wijzingen nr. 1/2010 (SEC(2009)1133) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010
over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, Afdeling III – Commissie (C7-0127/2009 – 2009/2002(BUD)) en over de nota van wijzingen nr. 1/2010 (SEC(2009)1133) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010
Het Europees Parlement,
– gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,
– gezien Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),
– gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (Financieel Reglement)(2),
– gelet op het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 2009 over de jaarlijkse beleidsstrategie van de Commissie voor de begrotingsprocedure 2010(4),
– gezien het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, ingediend door de Commissie op 29 april 2009 (COM(2009)0300),
– gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, opgesteld door de Raad op 10 juli 2009 (C7-0127/2009),
– gezien de nota van wijzigingen nr. 1/2010 (SEC(2009)1133) bij het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010,
– gelet op artikel 75 en bijlage V van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0038/2009),
Belangrijkste punten
1. herinnert eraan dat het zijn politieke prioriteiten en zijn evaluatie van het begrotingskader voor 2010 heeft uiteengezet in zijn resolutie van 10 maart 2009, waarin het Parlement zich zeer kritisch uitliet over de geringe beschikbare marges in de meeste rubrieken van het meerjarig financieel kader (MFK);
2. betreurt het feit dat de Raad in zijn ontwerpbegroting verder heeft gesnoeid in het voorontwerp van begroting (VOB) van de Commissie: in de ontwerpbegroting is in totaal 137 944 miljoen euro aan vastleggingskredieten uitgetrokken, 613 miljoen euro minder dan in het VOB, en 120 521 miljoen euro aan betalingskredieten, 1 795 miljoen euro minder dan in het VOB; wijst erop dat het verschil tussen vastleggingen en betalingen hierdoor nog verder toeneemt, hetgeen strijdig is met het beginsel van goed financieel beheer;
3. herinnert eraan dat de hoofddoelstelling van de begroting 2010 erin moet bestaan bijzondere aandacht te geven aan de recente economische crisis; wijst erop dat het Parlement in deze context de Europese burger voorop wil stellen en wil bewijzen dat de Europese Unie niet de oorzaak van het probleem is, maar wel een oplossing kan helpen vinden; daarom heeft het de ontwerpbegroting van de Raad dienovereenkomstig gewijzigd om de EU-begroting te gebruiken als instrument om de huidige crisis te boven te komen door impulsen te geven aan de economische groei, het concurrentievermogen, de cohesie en de bescherming van de werkgelegenheid;
4. bevestigt, na de ontwerpbegroting te hebben onderzocht, opnieuw dat rubriek 1a geen adequate financiering van de behoeften van de EU inzake “Concurrentievermogen ter bevordering van groei en werkgelegenheid” mogelijk maakt en een tekort vertoont, met name met het oog op de bestrijding van de huidige economische crisis en het beperken van de mogelijke gevolgen daarvan; is van mening dat deze rubriek grondig moet worden onderzocht en zo nodig moet worden herzien zodat de doelstellingen ervan de komende jaren kunnen worden verwezenlijkt;
5. herinnert aan de als bijlage bij deze resolutie gevoegde gezamenlijke verklaring waarover het Parlement en de Raad tijdens het overleg in eerste lezing over de begroting 2010 op 10 juli 2009 overeenstemming hebben bereikt; heeft daarmee rekening gehouden bij de opstelling van zijn amendementen op de ontwerpbegroting;
Europees herstelplan
6. benadrukt dat de financiering van de tweede fase van het Europees economisch herstelplan een prioriteit is voor het Parlement; is van plan de instrumenten waarin het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) voorziet, te gebruiken om deze financiering te garanderen; herinnert er in dit verband aan dat de Europese Raad er in zijn ontwerpbegroting niet in geslaagd is zijn plannen te presenteren; herinnert eraan dat de financieringsovereenkomst de financiële toewijzingen voor de volgens de medebeslissingsprocedure vastgestelde programma’s en voor de jaarlijkse begrotingsprocedure niet op de helling mag zetten, zoals is vermeld in de door de begrotingsautoriteit overeengekomen verklaring van 2 april 2009 over de financiering van het Europees economisch herstelplan; herinnert ook aan zijn standpunt over de beginselen en de zorgvuldigheid die in acht moeten worden genomen wanneer de beschikbare marges in een bepaalde rubriek worden gebruikt;
Rubriek 1a
7. is verbaasd over de extra bezuinigingen van de Raad in lijnen ter ondersteuning van de Lissabon-strategie, die op een besluit van de Europese Raad gebaseerd is; wijst erop dat dit haaks staat op wat er had moeten worden gedaan om de huidige economische crisis te bestrijden;
8. verbindt zich ertoe alles in het werk te stellen om adequate financiële middelen te garanderen voor alle activiteiten en beleidsmaatregelen in het kader van rubriek 1 a die duurzame groei en werkgelegenheid stimuleren en de Europese burgers oplossingen bieden, namelijk door het vergroten van de energiezekerheid, meer steun voor onderzoek en innovatie en met name schone energietechnologie, de bevordering van het midden- en kleinbedrijf en het ondersteunen van levenslang leren; herinnert eraan dat het belangrijk is de uitvoering van kaderprogramma's te optimaliseren en verzoekt de Commissie rekening te houden met het standpunt dat het Parlement heeft vastgesteld in het kader van de kwijtingsprocedure 2007 voor de Commissie (P6_TA(2009)0289), par. 113 t/m 123, in verband met deze uitvoeringsproblemen;
9. herinnert aan de herziene voorschriften in Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(5) ten behoeve van werknemers die te lijden hebben onder de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen, om hen te begeleiden bij hun herintrede op de arbeidsmarkt; benadrukt dat dit fonds bij de tussentijdse herziening grondig moet worden doorgelicht;
Subrubriek 1b
10. betreurt dat de Raad op het VOB besnoeit net nu de structuurfondsen en het Cohesiefonds zouden moeten worden gebruikt om economische groei en herstel te bevorderen; stelt voor om de betalingen voor de voornaamste lijnen (EFRO, ESF en Cohesiefonds) systematisch te verhogen teneinde de tenuitvoerlegging van het structuurbeleid te bevorderen, wat alle Europese burgers ten goede zal komen;
11. wijst erop dat de huidige gebrekkige tenuitvoerlegging van het structuurbeleid en het cohesiebeleid voornamelijk te wijten is aan de geringe flexibiliteit in het stelsel van ingewikkelde regels en vereisten die door de Commissie en de lidstaten worden opgelegd;
12. dringt erop aan dat de lidstaten alle bestaande instrumenten gebruiken om hun operationele programma’s te versnellen of zelfs te herzien, teneinde op doeltreffender wijze het hoofd te bieden aan de gevolgen van de recente economische en financiële crisis; verzoekt de Commissie deze wijzigingen op zo kort mogelijke termijn goed te keuren om de uitvoering ervan niet te vertragen;
13. dringt er bij de Raad op aan overeenstemming te bereiken over het voorstel tot wijziging van de algemene bepalingen inzake het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds dat de Commissie in juli heeft ingediend om de bepalingen betreffende het financieel beheer te vereenvoudigen;
14. onderstreept dat uit deze subrubriek talloze belangrijke beleidsmaatregelen en activiteiten ter bestrijding van de klimaatverandering en ter ondersteuning van groei en werkgelegenheid worden gefinancierd en dat er meer moet worden gedaan om de inspanningen te concentreren op het effectief aanpakken van die prioriteiten;
15. wijst nogmaals op het belang dat het hecht aan het solidariteitsbeginsel binnen de Unie; is van plan alles in het werk te stellen om voldoende financiële middelen voor het cohesiebeleid te garanderen, zodat de huidige en toekomstige uitdagingen het hoofd kan worden geboden;
Rubriek 2
16. is van oordeel dat de EU-begroting in haar huidige opzet niet doelmatig en realistisch de doelen kan aanpakken die de Unie zich heeft gesteld op het gebied van klimaatverandering; is van mening dat de Europese burger behoefte heeft aan een tastbaar Europees initiatief om de klimaatverandering te bestrijden, de gevolgen ervan het hoofd te bieden en de nodige beleidsmaatregelen te financieren;
17. herinnert er met het oog op de conferentie van Kopenhagen in december 2009 aan dat de bestrijding van de klimaatverandering een van zijn topprioriteiten voor de begroting 2010 blijft; is echter van oordeel dat deze prioriteit onvoldoende aan bod komt in de ontwerpbegroting en wil daarom meer nadruk leggen op dit belangrijke beleidsgebied; herinnert de Commissie eraan na de klimaatconferentie tijdig een redelijk financieringsvoorstel in te dienen;
18. benadrukt de prioriteit die zijn bevoegde commissie geeft aan steun voor de melkproducenten; besluit een duidelijke boodschap aan de Commissie en de Raad te richten door een bedrag van 300 miljoen euro voor te stellen voor de oprichting van een Zuivelfonds; vraagt de Commissie met aandrang om met dit verzoek rekening te houden wanneer zij nota van wijzigingen nr. 2 indient;
19. heeft besloten de maatregelen voor breedbandinternet in plattelandsgebieden in het kader van het Europees economisch herstelplan te financieren uit de marge van rubriek 2, overeenkomstig de door de begrotingsautoriteit overeengekomen verklaring van 2 april 2009 over de financiering van het herstelplan;
20. benadrukt dat programma's ter bevordering van de consumptie van landbouwproducten, zoals de schoolmelk- en schoolfruitregeling, meer financiële middelen moeten krijgen;
Subrubriek 3a
21. onderkent dat de Europese burgers een veilig Europa willen en juicht de verhogingen in deze subrubriek ten opzichte van de begroting 2009 toe; onderkent dat alle landen van de Unie met betrekking tot de beleidsmaatregelen in deze rubriek met tal van uitdagingen worden geconfronteerd; dringt er bij de lidstaten op aan de verhoging van de kredieten in deze subrubriek ten opzichte van de begroting 2009 te benutten om deze uitdagingen samen aan te pakken;
22. benadrukt hoe belangrijk het is om via de EU-begroting voldoende middelen beschikbaar te stellen om legale immigratie in goede banen te leiden, ingezetenen van derde landen te integreren en tegelijk illegale immigratie tegen te gaan, met volledige inachtneming van de fundamentele mensenrechten, en de grenzen beter te beschermen, met inbegrip van de versterking van het Europees Terugkeerfonds en het Europees Vluchtelingenfonds om solidariteit tussen de lidstaten te bevorderen;
Subrubriek 3b
23. wijst erop dat subrubriek 3b belangrijke beleidslijnen omvat die een rechtstreeks effect hebben op het dagelijks leven van de Europese burgers; is het oneens met de bezuinigingen van de Raad in deze subrubriek en onderschrijft de benadering van de gespecialiseerde commissies, die garandeert dat de verhoging van de kredieten gerechtvaardigd is;
24. herinnert eraan dat uit de lage opkomst bij de Europese verkiezingen nogmaals is gebleken dat het voorlichtings- en communicatiebeleid in de begroting 2010 moet worden verbeterd; erkent dat dit een gemeenschappelijke uitdaging vormt voor de Commissie, de lidstaten en het Parlement, als noodzakelijk onderdeel van het democratische proces; heeft daarom verscheidene amendementen ingediend om een deel van de kredieten die voor voorlichtings- en communicatiebeleid zijn uitgetrokken, in de reserve op te nemen; verzoekt de Commissie het Parlement haar plannen voor de tenuitvoerlegging van de conclusies van de Interinstitutionele Groep voor voorlichting (IGV) te presenteren;
Rubriek 4
25. steunt de nota van wijzigingen nr. 1 op het VOB 2010 die de Commissie op 2 september 2009 heeft vastgesteld en die voorziet in een verhoging van twee lijnen: Palestina en de klimaatverandering in ontwikkelingslanden, twee prioriteiten van het Parlement;
26. heeft besloten de verhoging van de begrotingslijn “klimaatverandering in ontwikkelingslanden” in de reserve op te nemen in afwachting van de resultaten van de klimaatconferentie van Kopenhagen; benadrukt echter dat er een nieuw financieel instrument nodig is om de ontwikkelingslanden te helpen de gevolgen van de klimaatverandering het hoofd te bieden, zodat het instrument voor ontwikkelingssamenwerking in de toekomst kan worden gebruikt voor de taken waarvoor het oorspronkelijk bedoeld was;
27. herhaalt dat het zeer bezorgd is over de gevaarlijk kleine speelruimte die resulteert uit de chronische onderfinanciering van een rubriek die voortdurend onder druk staat ten gevolge van crises in derde landen;
28. verzoekt de Commissie een plan in te dienen om de financiële middelen die van het Stabiliteitsinstrument naar de Voedselfaciliteit zijn overgeheveld, in de loop van de periode 2010-2013 opnieuw op te nemen, zodat de Unie in rubriek 4 van de begroting over alle nodige financiële middelen beschikt om haar rol als mondiale partner te vervullen zoals de burgers van Europa verwachten; verzoekt de Commissie in dit verband een plan in te dienen om financiële middelen uit te trekken voor eventuele faciliteiten of mechanismen voor buitenlandse noodhulp die buiten het Stabiliteitsinstrument worden opgezet, zodat niet hoeft te worden geput uit de middelen die voor het Stabiliteitsinstrument zijn uitgetrokken;
29. dringt er bij de Europese Raad op aan geen verregaande politieke toezeggingen inzake grotere financiële steun van de EU te doen zonder tegelijkertijd de nodige begrotingskredieten uit te trekken wanneer er een duidelijke tegenspraak is met de middelen die beschikbaar zijn in het kader van de jaarlijkse maxima van het huidige MFK;
30. beschouwt het garanderen van de energievoorziening als een belangrijke kwestie voor de Unie; is daarom verheugd over de ondertekening van het Nabucco-project door alle deelnemende landen, en verwacht dat zij alle een consequente houding aannemen wanneer zij andere projecten behandelen die Nabucco op de helling zouden kunnen zetten;
31. blijft rekenen op steun voor het vredesproces in Palestina en de wederopbouw in de Gazastrook; verzoekt de Commissie mee te delen welke maatregelen zij heeft getroffen om het risico dat uit deze begrotingslijn gefinancierde projecten en programma’s worden misbruikt om terroristische organisaties, terroristische aanslagen of een inefficiënte bureaucratie te financieren, tot een minimum te beperken, en aan te geven of een deel van de steun bestemd is voor de wederopbouw van gebouwen of infrastructuur die eerder door de Unie of de lidstaten zijn gefinancierd en door militaire acties zijn vernield;
32. benadrukt dat er voldoende middelen voor de EU-strategie voor het Oostzeegebied moeten worden uitgetrokken om acties te financieren die niet uit andere begrotingslijnen kunnen worden gefinancierd (coördinatie, voorlichting en proefprojecten in een van de vier onderdelen van het actieplan);
Rubriek 5
33. heeft besloten een aantal van de bezuinigingen van de Raad in de administratieve uitgaven te aanvaarden op basis van een selectieve aanpak waarbij een evenwicht wordt beoogd tussen de algemene begrotingsprioriteiten, met inbegrip van nieuwe prioriteiten, en de noodzaak om de bestaande beleidsmaatregelen uit te voeren;
34. heeft de kredieten voor personeelsuitgaven evenwel opnieuw opgenomen; wijst erop dat het totale bedrag van alle soorten administratieve uitgaven die buiten rubriek 5 worden gefinancierd, de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen; vraagt dat voorstellen van de Commissie om administratieve uitgaven naar de operationele rubrieken over te schrijven, in de toekomst naar behoren worden gemotiveerd; erkent dat operationele programma’s niet kunnen functioneren zonder de nodige administratieve ondersteuning; is echter zeer bezorgd dat in het huidige MFK een deel van het totale bedrag voor meerjarenprogramma’s in andere rubrieken dan rubriek 5 wordt gebruikt voor administratieve uitgaven;
35. is bezorgd over de huidige aanbesteding voor een nieuwe Europese wijk; herhaalt dat het volledig op de hoogte wil worden gehouden over het selectieproces en dat de Commissie nadere informatie moet geven over haar vastgoedbeleid in het algemeen;
36. verzoekt de Commissie een tijdschema te presenteren voor de voorstellen voor de driejaarlijkse herziening van het Financieel Reglement;
Proefprojecten en voorbereidende acties
37. herinnert eraan dat het IIA per begrotingsjaar een totaalbedrag van 40 miljoen euro voor proefprojecten en een totaalbedrag van 100 miljoen euro voor voorbereidende acties toestaat, waarvan 50 miljoen euro kan worden toegewezen aan nieuwe voorbereidende acties;
38. beschouwt deze projecten als een onontbeerlijk instrument waarmee het Parlement de aanzet kan geven tot nieuwe beleidsmaatregelen voor de Europese burgers; betreurt dat de Commissie voor de meeste lopende proefprojecten en voorbereidende acties alleen betalingskredieten heeft toegewezen, wat inhoudt dat er geen follow-up komt; heeft een aantal interessante voorstellen onderzocht, waarvan slechts een aantal in de begroting 2010 kan worden opgenomen vanwege de beperkingen die door het IIA en de maxima van het MFK worden opgelegd;
39. heeft prioriteit gegeven aan de uitvoering van proefprojecten en voorbereidende acties die zich in hun tweede of derde jaar bevinden; is van plan gedurende het begrotingsjaar 2010 nauwlettend toe te zien op de uitvoering van de lopende alsook de nieuw opgezette projecten en acties;
-o0o-
40. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen en wijzigingsvoorstellen op Afdeling III van het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de overige betrokken instellingen en organen.
STATEMENTS AGREED AT THE CONCILIATION OF 10 JULY 2009
JOINT DECLARATION FOR ENTRY IN THE COUNCIL MINUTES
Recruitment in relation with the 2004 and 2007 enlargement
"The European Parliament and the Council stress again the importance of a full recruitment on all posts related to the 2004 and 2007 enlargement, especially for middle and high management level, and insist that all efforts should be made by the institutions and specifically by EPSO to ensure that the necessary action is taken to speed up the whole process of filling up the posts granted by the budgetary authority with officials. The criteria should be as stipulated in Article 27 of the Staff Regulation and to arrive at the broadest possible geographical proportional basis as soon as possible.
The European Parliament and the Council intend to continue to monitor closely the ongoing recruitment process. To this effect, they request each institution and EPSO to provide twice a year, in March and October, an information to the budgetary authority on the state of affairs regarding recruitments in relation with the 2004 and 2007 enlargement."
COUNCIL DECLARATIONS FOR ENTRY IN THE COUNCIL MINUTES
1.Payment appropriations
"The Council asks the Commission to submit an amending budget if the appropriations entered in the 2010 budget are insufficient to cover expenditure under sub-heading 1a(Competitiveness for growth and employment), sub-heading 1b (Cohesion for growth and employment), heading 2 (Preservation and management of natural resources) and heading 4 (EU as a global player)."
2.Heading 4
"The Council, noting the Commission's intention to present a letter of amendment to the 2010 PDB covering at a later stage additional needs in the field of external actions, especially the priorities covered by previous letters of amendment and those referred to in the European Council conclusions of June 2009, has established its draft budget for 2010 with an appropriate margin under heading 4 allowing it to be taken into account."
3.Building policy of EU Institutions and bodies
"The Council recalls its conclusions on the Court of Auditors' special report No. 2/2007 concerning the Institutions' expenditure on buildings and, acknowledging that building costs represent a significant part of the overall administrative expenditure of the EU Institutions, considers that a sound financial management of building expenses is essential.
The Council reiterates the importance of a strong interinstitutional cooperation in this field. It underlines the need for the Institutions to cooperate to the highest possible extent and to join their forces, both for the rental or purchase of buildings and for connected current expenses. It invites the Institutions to share facilities whenever appropriate in order to limit building expenses to the necessary minimum.
In this context, the Council welcomes the efforts already made by the Institutions to cooperate at interinstitutional level and to harmonise their building management methods. It notes with satisfaction the agreement on common guidelines for defining and measuring building space which was recently reached by interinstitutional working groups set up in Brussels and Luxembourg. The Council asks the Institutions to look into the potential for further interinstitutional cooperation which could include sharing of premises, joint management of premises and the scope for a possible interinstitutional buildings office.
The Council calls on the Institutions to establish long-term building strategies, based on realistic estimates of future staff numbers and ensuring the necessary flexibility by means of an equilibrium between owned and rented buildings, in order to avoid as far as possible any ad-hoc decisions on buildings. It also requests the Institutions to use available space in the most efficient way and to take any possible measures of internal rationalisation. The Council welcomes the work already carried out by the Institutions on alternative financing methods and awaits the coming report from the Commission.
The Council attaches great importance to receive the information required by the relevant provisions of the Financial Regulation as soon as possible. The information should include thorough need assessments and comprehensive cost-benefit analyses, the various alternatives, outlining the options to rent or buy as well as the alternative financing possibilities, and taking all financing costs into account. Well before decisions need to be taken, the information should be made available to both arms of the budgetary authority, so that they can establish their position without time pressure.
Moreover, it reiterates its call on the Secretaries-General of the Institutions to provide information before the presentation of the preliminary draft budget. While recognising each Institution's own specificities and additional particularities characterising each project, the Council asks the Institutions to pursue their work towards harmonising this information through common definitions and indicators to allow comparisons of building space and building costs between the different Institutions, including the common understanding of the method for calculating annual costs of own property spread over the entire period of their utilisation.
The Council encourages the Institutions to continue and to intensify the energy-efficiency and environment measures in their buildings, including the certification according to environmental standards, wherever this is appropriate and feasible with the given resources.
The Council takes note of the excellent cooperation between the Institutions and the administrations of their host Member States, which contribute significantly to the sound management of building issues.
The Council recalls that its observations apply equally to the specific situation of the executive agencies, and where applicable to the decentralised agencies."
UNILATERAL DECLARATION FOR ENTRY IN THE COUNCIL MINUTES
"With regard to the adoption of the Council's position on the draft budget for 2010 and in view of proceedings pending before the Court of First Instance, Germany states that the programme "Food aid for the most deprived persons in the European Union" must be implemented in accordance with Community law. Germany states its view that market purchasing should not be used for this programme. The programme must be implemented in the light of the proceedings before the Court of First Instance."
BIJLAGE 2
European Parliament declarations issued during the Conciliation of the First reading of the budgetary procedure 2010
Implementation of the 2009 Budget (Budget Forecast Alert)
The European Parliament is concerned about the situation of implementation of the 2009 Budget as described in the most recent Budget Forecast alert, in particular commitments under headings 3a and 3b and payments under headings 1a, 3a, 3b and 5. It stresses the importance of progressing according to the implementing schedule foreseen in the PDB.
The European Parliament asks the Commission to present by 31 August 2009 a report providing more detailed information concerning the reasons (structural, organisational, managerial, procedural) of the delays registered in the implementation of each programme or policy area concerned.
The European Parliament also requests to the Commission to provide justifications for each programme or policy area where implementation diverts from the decisions taken by the budgetary authority in the 2009 Budget.
The simplification and a more targeted use of Structural funds in the context of the economic crisis
The European Parliament recalls the joint declarations of the three institutions on the implementation of the Cohesion policy of November 2008 and April 2009 and underlines the necessity to continue the efforts for accelerating the implementation of structural and cohesion funds. It considers that the progress made in the simplification of assessment, approval and management procedures has been insufficient, which is demonstrated in the low approval rate of Management and Control Systems (MCSs) and Major Projects (MPs). It urges the Commission to continue its efforts to simplify implementing procedures in close cooperation with Member States and in particular, to speed up the approval of MCSs and MPs, and thus accelerate payments while respecting the N+2 rule.
The EP believes that all opportunities provided by the use of Structural Funds including the adaptation or revision of the operational programs could be mobilised for more targeted actions that facilitate overcoming the effects of the economic crisis, particularly those which support growth and competitiveness and limit job losses, and invites Member States to use this possibility. Calls on the Commission to encourage and enable by means of efficient and fast procedures the use of all measures foreseen by the Structural Funds regulations aimed at supporting growth and employment. Moreover EP recalls the importance of full and efficient use of the available appropriations.
Payment appropriations
"The European Parliament asks the Commission to submit an amending budget if the appropriations entered in the 2010 budget are insufficient to cover expenditure under a specific heading, where necessary."
Heading 4
The European Parliament notes the Commission's intention to present a letter of amendment to the 2010 PDB covering, at a later stage, additional needs in the field of external actions, especially the priorities covered by previous letters of amendment and those referred to in the European Council conclusions of June 2009. The European Parliament recalls that, during the budget conciliation procedure on 21 November 2008, the Commission committed itself to present an assessment of the situation within heading 4 accompanied, if necessary, by relevant proposals. It expects the Commission to accompany the Amending Letter by a multiannual assessment of the needs in this area.
TOELICHTING
WERKDOCUMENT NR. 1 OVER DE BEGROTING 2010: CONTEXT, WERKMETHODE EN TIJDSCHEMA
I. Context van de begrotingsprocedure 2010
1. Aan het begin van de tweede periode van 50 jaar dat de Europese Unie bestaat, verkeren de burgers in angst en onzekerheid. Uit de huidige problemen van economische crisis, energieaanvoer, klimaatverandering , illegale immigratie, misdaad en terrorisme blijkt dat de EU duidelijke en vastberaden hulp moet verlenen: wij zouden de Europese burgers meer zekerheid en veiligheid willen geven.
2. De gezamenlijke uitgaven van de Europese Unie moeten in zo groot mogelijke omvang gericht zijn op sectoren waar kredieten meer veiligheid en zekerheid opleveren en doelmatiger kunnen worden gebruikt.
3. Ieder jaar wordt door Europees Parlement en Raad, de twee takken van de begrotingsautoriteit, langdurig en hard onderhandeld over het niveau van de betalingskredieten in het EU-begroting. Het Europees Parlement is erin geslaagd deze hoogte enigszins op te voeren, maar hiervan is niet op doelmatige wijze gebruik gemaakt, voornamelijk door gebrek aan tenuitvoerleggingsvermogen van de lidstaten, met het gevolg dat de maatregelen en het gezag van het Europees Parlement in de publieke opinie in betekenis zijn afgenomen. Ondanks de moeizame tenuitvoerlegging van deze "aanvullende -kredieten" stelt uw rapporteur vast dat gezamenlijke programma's in verhouding tot de talrijke doelen die de Europese Unie nastreeft, nog steeds onvoldoende worden gefinancierd. De nadruk moet vallen op de sectoren die werkelijk aanvullende financiële middelen nodig hebben, en tegelijkertijd moeten de Europese economie en de welstand van de Europese burgers worden gestimuleerd.
4. In tijden van mondiale financiële en economische crisis, wanneer iedere lidstaten reageert met zijn eigen hulpmaatregelen, is het de taak van het Europees Parlement erop te wijzen dat de Europese Unie beschikt over omvangrijke en langdurig inzetbare instrumenten ter bevordering van economische groei, schepping van werkgelegenheid en cohesie. Het zou een slecht signaal zijn als deze instrumenten die eveneens de solidariteit tussen lidstaten vormen, werden overschaduwd door nationale oplossingen.
5. De mondiale problemen van de afgelopen tijd hebben aangetoond dat de EU niet in staat is tot snelle maatregelen. Tegelijkertijd worstelt zij met het antwoord op deze problemen en tot dusverre heeft zij gereageerd met oplossingen zoals het Economisch-Herstelprogramma, de "voedselfaciliteit ", het Fonds voor aanpassing aan de globalisering of zelfs met het Solidariteitsfonds.
6. Het Europees Parlement moet in het kader van de begrotingsprocedure 2010 handelen te midden van institutionele en juridische onzekerheden. De verkiezingen van 2009, een nieuwe Commissie, het proces voor de ratificering van het Verdrag van Lissabon , de tussentijdse herziening van het MFK 2007-13 zijn zonder uitzondering bijzondere problemen.
7. De situatie is moeilijk, maar wij kunnen voortbouwen op het werk van de rapporteurs uit de eerste jaren van de financiële periode 2007-13. James Elles, Kyösti Virrankoski en Jutta Haug ervoeren het als een bijzondere verantwoordelijkheid begrotingskredieten te gebruiken als instrument voor het scheppen van waarden (waar voor je geld, begroting van resultaten). Uw rapporteur wenst het werk van deze opmerkelijke persoonlijkheden voort te zetten.
8. We moeten een stap voorwaarts zetten in de richting van opvoering van met name de lijnen waarop we waar ontvangen voor EU-geld, en wellicht verlaging van de begrotingskredieten die geen toegevoegde waarde of resultaten opleveren.
II. Jaarlijkse Beleidsstrategie - een bestuursinstrument
9. In 2000 zag de Commissie in dat het bestuur in hogere mate resultaatgericht diende te zijn en zij besloot over te stappen op het concept sturing op basis van activiteiten (ABM). Daartoe splitste zij haar werkzaamheden in een reeks "activiteiten" met politieke betekenis. Toen de ABM werd ingevoerd, werden de "activiteiten", zoals het Parlement had gevraagd, het centrale beheerselement. In relatie tot deze activiteiten worden prioriteiten bepaald, doelen vastgelegd, middelen toegewezen en beheerd en resultaten gecontroleerd en gerapporteerd.
10. De werkzaamheden van de Commissie worden gepland en hierover wordt verslag gedaan in een jaarlijkse strategische plannings-, programmerings- en verslagleggingsscyclus.
11. De cyclus voor het begrotingsjaar 2010 is in november/december 2008 (jaar n-2) begonnen met een beleidsgericht debat. Op de grondslag van de daarop volgende voorstellen van de diensten beslist de Commissie momenteel over de Jaarlijkse Beleidsstrategie (APS), waarin de politieke prioriteiten voor 2010 en richtsnoeren voor de toewijzing van personeel en kredieten worden vastgelegd. In de jaarlijkse strategie, die op 18 of 25 februari 2009 door de Commissie wordt vastgesteld, wordt het raamwerk bepaald voor het voorontwerp van begroting (VOB) en voor het jaarlijkse werkprogramma van de Commissie. Vanuit begrotingsoogpunt is het belangrijk dat een van de doelen van de APS(1) eruit bestaat dat een begrotingskader kan worden aangenomen, waarin de prioritaire initiatieven, zoals omschreven, de nodige fondsen ontvangen.
12. De voorzitter van de Commissie legt het APS voor aan het Europees Parlement en aan de Raad. De drie instellingen voeren voorts gestructureerd overleg en elk lid van de Commissie wisselt van gedachten met de desbetreffende Parlementaire commissie. Uit dit overleg komt een inventariserend document voort dat wordt gebruikt om het werkprogramma van de Commissie voor het daarop volgende jaar voor te bereiden. In het werkprogramma van de Commissie wordt beleidsstrategie omgezet in een concreet actieprogramma en een reeks doelstellingen(2).
13. Rekening houdend met het meerjarig financieel kader en de APS, stelt de Europese Commissie vervolgens het VOB op en legt dat eind april of begin mei voor aan de Raad (overeenkomstig artikel 272, lid 3 van het Verdrag "uiterlijk op 1 september").
14. Nadat de strategie is vastgesteld, gaat de cyclus verder met de begrotingsprocedure (die begint met de opstelling van het voorontwerp van begroting) aan de ene kant en de interinstitutionele dialoog (met Parlement en Raad) aan de andere(3).
15. De Begrotingscommissie steunt de in het Parlement bepaalde prioriteiten actief en daarom pleit uw rapporteur er ten eerste voor dat de begrotingsprioriteiten voor 2010 door de Begrotingscommissie worden opgesteld en ten tweede dat dit document lang genoeg vóór het VOB wordt aangenomen, zodat het daadwerkelijk bijdraagt tot vormgeving en concrete verwezenlijking van de prioriteiten.
III. Procedurele aspecten en tijdschema
16. In aansluiting op het besluit dat de Conferentie van voorzitters heeft genomen op de grondslag van de voorstellen van de Werkgroep parlementaire hervorming(4), staat er een strategisch debat op het programma nadat de Commissie de Jaarlijkse Beleidsstrategie heeft gepresenteerd die in februari moet worden goedgekeurd.
17. Dit debat wordt gesteund door twee resoluties. Eén van de fracties over de Jaarlijkse Beleidsstrategie van de Commissie en één van de Begrotingscommissie over Richtsnoeren voor de begroting 2010.
·Het tijdschema voor de resolutie over Richtsnoeren voor de begroting 2010 zou er als volgt kunnen uitzien:
·10-11 februari: indiening van het ontwerpverslag, gevolgd door een termijn voor de indiening van amendementen.
·23-24 februari: stemming in de commissie over het ontwerpverslag.
·Vergaderperiode maart I (eventueel maart II) Aanneming van de resolutie.
18. Uw rapporteur wijst op de bijzondere bijdrage die het EP door zijn begrotingsbevoegdheden kan leveren en wenst hiertoe te zijner tijd over te gaan. De resolutie moet door de plenaire vergadering bij voorkeur tijdens de vergaderperiode van maart I worden aangenomen om de bijdrage tot het VOB van de Commissie (aanneming hiervan staat voor 29 april op de agenda) optimaal te houden.
19. Wegens de verkiezingen is het niet mogelijk dat de plenaire vergadering stemt over een resolutie met opmerkingen over het VOB en waarin de taak van de delegatie van het EP bij het overleg van juli wordt omschreven. In het verleden is het verslag inzake de taakomschrijving tijdens het begrotingsoverleg, met name in verkiezingsjaren, vóór de eerste lezing van de Raad uitsluitend in de Begrotingscommissie en niet in de plenaire vergadering in stemming gebracht.
IV. Werkmethode
20. De afgelopen jaren heeft de Begrotingscommissie bijzondere nadruk gelegd op een aanhoudende en constructieve samenwerking met de commissies om hun prioriteiten voor de volgende jaarlijkse begrotingsprocedure te volgen. De gespecialiseerde EP-commissies zijn reeds schriftelijk verzocht hun begrotingsrapporteurs te benoemen en regelmatige vergaderingen te beleggen; de eerste wordt voorgesteld voor begin februari, voordat de Commissie de Jaarlijkse Beleidsstrategie presenteert.
21. Deze samenwerking wordt dit jaar verder formeel vastgelegd daar de Conferentie van voorzitters op 18 september 2008(5) heeft besloten dat iedere Parlementaire commissie aan het begin van het jaar rapporteurs benoemt voor de begroting en voor programmering van de wetgeving; en de Conferentie van commissievoorzitters moet een werkgroep van deze rapporteurs opstellen om de verbanden te bepalen tussen begrotings- en wetgevingsprioriteiten tijdens de gehele duur van het jaarlijkse begrotings- en wetgevingsproces.
V. Prioriteiten voor 2010
22. Uw rapporteur verzoekt leden een bijdrage te leveren tijdens het debat in de commissie zodat een begin wordt gemaakt met de vormgeving van de prioriteiten die ingebed dienen te zijn in de EU-begroting van volgend jaar. De aanpak van tal van vraagstukken in de begroting van 2009 wordt in de begroting van 2010 voortgezet en verder ontwikkeld, en nieuwe thema's worden aangepakt.
·Veiligheid en zekerheid voor de Europese burgers , waaronder een groot aantal aspecten valt en antwoord wordt gegeven op alle angsten en onzekerheden van Europese burgers .
·Structuurfondsen vereenvoudiging en versnelling van de tenuitvoerlegging als vervolg op de verklaring die tot stand is gebracht op de bemiddelingsbijeenkomst van 21 november 2008.
·Instrumenten voor financiële planning - beschikbare speelruimten - tussentijdse herziening.
·Stand van zaken en nieuwe behoeften in verband met extern optreden van de EU.
·Doorlichting van het personeels- en onroerend-goedbeleid van de Commissie.
23. Bovengenoemde interessante punten vormen een indicatieve lijst van werkdocumenten, die een aanvulling vormen op de "procedurele" werkdocumenten over VOB, OB en Organen, die diepgaander onderzoek en overleg mogelijk maken.
WERKDOCUMENT NR. 2 OVER VEILIGHEIDSINSTRUMENTEN VOOR EUROPESE BURGERS
I. Inleiding
Europa gold jarenlang als een vreedzaam en stabiel deel van de wereld, en werd alom als zodanig erkend door alle wereldmachten. In de loop der tijd zijn deze stabiliteit en welvaart echter overschaduwd door problemen als klimaatverandering en globalisering, georganiseerde grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme. Bovenop deze uitdagingen heeft de recente financiële crisis nog meer onzekerheid gebracht in het dagelijks leven van de Europese burgers. Europeanen hebben steeds meer last van deze problemen; het is dan ook niet verbazingwekkend dat de volgende vragen onze burgers sterk bezighouden:
·Heb ik volgend jaar nog wel een baan?
·Kan ik mijn spaargeld straks nog wel opnemen?
·Kan ik komende winter mijn huis nog wel verwarmen?
·Zijn de pensioenrechten die ik heb opgebouwd, wel veilig?
De Europese Unie kan haar burgers laten zien dat zij antwoorden kan geven op deze vragen en dat deze problemen op communautair niveau kunnen worden opgelost. Op die manier zal de boodschap aan de burgers helder zijn: individueel zijn we niet bij machte om de wereldwijde problemen op te lossen. We kunnen dus beter samenwerken.
Maar om efficiënt te kunnen optreden en zo de verwachte resultaten te bereiken, moet de EU de juiste middelen en instrumenten vinden en gebruiken, en bestaande hindernissen overwinnen. Het is van cruciaal belang om het nu bestaande strenge begrotingssysteem te herschikken op die gebieden waarop dringende vragen niet snel genoeg kunnen worden beantwoord, en om ons niet de handen te laten binden door de beperkingen van de financiële instrumenten die momenteel beschikbaar zijn en die goed zijn voor slechts 1% van het Europese bnp. Deze stappen voorwaarts zijn onvermijdelijk om van Europa weer een regio van vrede, stabiliteit en welvaart te maken.
II. Veiligheid voor Europese burgers
De Europese integratie is een van de belangrijkste prestaties in de geschiedenis van ons werelddeel. Zij heeft niet alleen vrede, vrijheid en stabiliteit gebracht, maar ook een periode van ongeëvenaarde welvaart. In eerste instantie werden de volkeren van Europa tot elkaar gebracht door de noodzaak tot vrede; momenteel zijn er echter verschillende problemen die een direct effect op de levens van onze burgers hebben – de huidige financiële crisis, de strijd tegen klimaatverandering, de vergrijzing en terrorisme/georganiseerde criminaliteit – en die vragen om nauwe samenwerking op Europees niveau en een sterk en stabiel Europa in de wereld.
Dit werkdocument bouwt voort op de onlangs door het EP aangenomen resolutie "Richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2010"(6) en is bedoeld om die EU-begrotingslijnen die als essentieel zijn aangemerkt, in die zin om te zetten. Deze lijnen worden gedetailleerd genoemd in de bijlage bij dit werkdocument. Aan de hand van de bijlage kan het definitieve bestedingspercentage sinds 2007 worden gevolgd, inclusief de gevolgen voor de financiële programmering door de Commissie vanaf 30 januari 2009.
1.Reageren op de wereldwijde financiële en economische crisis
Recente uitdagingen op het wereldtoneel hebben laten zien dat de EU niet in staat is snel te handelen. Het kost de Unie grote moeite om antwoorden te vinden op deze uitdagingen en ze heeft tot dusver gereageerd met oplossingen als de "voedselfaciliteit", het Fonds voor aanpassing aan de globalisering en het Solidariteitsfonds. Tot deze programma's werd pas besloten na langdurige en tijdrovende debatten in de Raad, terwijl het Europees Parlement er voortdurend bij de lidstaten op aandrong hun besluitvorming en het zoeken naar onderlinge compromissen te bespoedigen. Daarnaast wordt de levering van financiële steun vanuit het Fonds voor aanpassing aan de globalisering en het Solidariteitsfonds aan regio's die daaraan behoefte hebben, ook vertraagd als gevolg van onnodige administratieve en procedurele formaliteiten.
De afgelopen tijd zijn de lidstaten met antwoorden op de problemen gekomen, maar dat zij ook in staat zijn om gezamenlijk op Europees niveau op te treden moeten ze nog bewijzen. Het feit dat het economisch herstelplan maandenlang heeft vastgezeten in de Raad is wat dat betreft veelzeggend.
De Europese Unie beschikt in haar begroting over belangrijke lange-termijninstrumenten om de economische groei en het scheppen van werkgelegenheid te bevorderen, evenals de cohesie. Deze programma's (in rubriek 1a en 1b) zijn bedoeld om de economische groei te stimuleren en kunnen helpen bij het tegengaan van het gevaar van banenverlies, het scheppen van werkgelegenheid en het ondersteunen van KMO's. Uw rapporteur is echter bang dat de huidige marge onder rubriek 1a, geschat op 111 599 000 euro, niet voldoende is om de effecten van de economische crisis adequaat aan te pakken.
KCI-ondernemerschap en innovatie, het Europees sociaal fonds, het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling zijn van het allergrootste belang.
a) Lissabondoelstellingen
Met de vaststelling van de Lissabonagenda in 2000 heeft de EU zichzelf het strategische doel gesteld om in 2010 een concurrerende, innovatieve en op kennis gebaseerde Europese economie op te zetten die in staat is tot duurzame economische groei, met meer en betere banen en meer sociale cohesie. De begrotingsprocedure voor 2010 biedt zeker een kans om een goed evenwicht te vinden.
Hoewel essentiële delen van de Lissabonagenda duidelijk vragen om beslissingen van meer juridische dan begrotingstechnische aard, en financiering op EU-niveau een aanvulling vormt op nationale financiering, kan de communautaire begroting een belangrijke bijdrage leveren op essentiële gebieden als onderzoek en innovatie, innovatieve maatregelen voor KMO's en levenslang leren. In deze context herinnert uw rapporteur eraan dat rubriek 1a een centraal onderdeel vormt van de communautaire bijdrage aan de inspanningen van Europa op dit gebied. Het 7e kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling en het KCI-propgramma (begrotingslijn 01 04 04 – zie bijlage) moeten in de loop van de begrotingsprocedure worden bekeken.
b) Cohesiebeleid en economisch herstel
Hoewel de door de Commissie voorgestelde maatregelen maandenlang vastzaten in de Raad, is het van belang om de aandacht te vestigen op de bedoelingen van de Commissie: het Economisch herstelplan en de daaruit voortvloeiende maatregelen bevatten een communautaire bijdrage van naar schatting 30 miljard euro, als volgt te verdelen: 5 miljard euro voor koppeling van energienetten en snel internet via een herziening van het MFK 2007-2013, vooruitbetalingen krachtens Structuurfondsen en het Cohesiefonds, frontlading met betrekking tot het ELFPO (1,5 miljard euro), initiatieven op het vlak van onderzoek en innovatie, zoals de Europese initiatieven voor groene auto's, fabrieken van de toekomst en energie-efficiënte gebouwen, en een verhoging van de voorfinanciering voor de meest geavanceerde trans-Europese vervoersprojecten en voor initiatieven ten gunste van KMO's of het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (KCI).
Het EP moet de balans opmaken van de ontwikkelingen op zowel nationaal als EU-niveau en ernaar streven om bepaalde acties prioriteit te geven, zodat de spoeling niet te dun wordt. In dit opzicht moet ook de Commissie haar verantwoordelijkheid nemen en in haar eerstvolgende VOB duidelijk aangeven welke keuzen zijn gemaakt en op welke gronden.
Met een totaalbedrag van 237 miljard euro voor 2007-2013 biedt het cohesiebeleid aanzienlijke steun voor publieke investeringen door lidstaten en regio's. Er bestaat echter een risico dat de druk op de nationale begrotingen het tempo van de geplande investeringen zal vertragen. Om de economie een onmiddellijke stimulans te geven, stelt het Economisch herstelplan van de Commissie voor om de besteding van de structuurfondsen te versnellen en de voorfinanciering van programma's te laten toenemen om maximaal 4,5 miljard euro eerder beschikbaar te maken in 2009. Er zij op gewezen dat de Commissie een aantal andere maatregelen voorstelt om de uitvoering van grote investeringsprojecten naar voren te halen, het gebruik van financiële-structureringsfondsen te vergemakkelijken, de behandeling van de betaling van voorschotten aan begunstigden te vereenvoudigen en de mogelijkheden voor forfaitaire subsidiabele uitgaven voor alle fondsen te verruimen. Te bezien valt nog hoe dit in overeenstemming moet worden gebracht met de juridische vereisten van het Financieel Reglement en de juridische grondslag voor structuurfondsen. Tijdens het overleg 2008 (begroting 2009) is in een gemeenschappelijke verklaring door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie opnieuw het belang bevestigd van samenhang en consistentie op het gebied van ontwikkelingshulp, met name wat betreft het gebruik van middelen.(7)
Daarnaast is een sleutelrol weggelegd voor de Europese Investeringsbank, aangezien cohesie en convergentie een van de zes belangrijkste doelstellingen voor haar kredietverlening vormen, zoals vastgesteld in het bedrijfsplan. In de huidige situatie met strenge kredietvoorwaarden zijn financiële operaties en wederzijdse samenwerking met de EIB van groot belang voor de publieke en private sector. Zo is de financiering van KMO's bijvoorbeeld essentieel in de EU. Ook in aan de EU grenzende regio's heeft deze sector het zwaar te verduren.
De verantwoordelijkheid voor kwalitatieve en kosten-batenaspecten van de uitgaven liggen bij de begrotingsautoriteit. Alleen een krachtig juridisch kader kan juridische veiligheid en een resultaatgerichte begroting voor de burgers garanderen. Daarom moet de Commissie een voorstel presenteren voor de eerstvolgende regelmatige herziening van het Financieel Reglement in de loop van het jaar 2009, inclusief voorstellen voor echte vereenvoudiging. Verder moet de Commissie druk uitoefenen op de Raad voor het ontwikkelen en verbeteren van de juridische werkomstandigheden in de strijd van het Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) tegen fraude met betrekking tot voorstellen die door het Parlement zijn gedaan.(8)
2. Energiezekerheid en veilig vervoer
Uw rapporteur herinnert eraan dat de Gemeenschap zal bijdragen aan de totstandbrenging en ontwikkeling van de trans-Europese netwerken op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energie-infrastructuur (artikel 154 VEG). De recente gascrisis heeft duidelijk gemaakt dat de zekerheid van de energievoorziening niet vanzelfsprekend is. De Europese Unie is uiterst afhankelijk van externe energiebronnen: de invoer is momenteel goed voor gemiddeld 54% van de behoefte (in sommige landen zelfs meer dan 90%). Als de huidige trends doorzetten, kan dit percentage stijgen tot 70% in 2030. In de behoefte aan olie wordt voor 77% voorzien door invoer, in de behoefte aan gas voor 51%, en een toenemende vraag vanuit derde landen zal leiden tot meer concurrentie om de energiebronnen die de lidstaten van de EU nodig hebben. Tegelijkertijd wordt verwacht dat het energieverbruik in de EU in de periode 1990 tot 2020 met 22% zal toenemen. Verder hebben stijgende energieprijzen een direct en belangrijk effect op consumenten en het concurrentievermogen van de Europese economie. In het licht van deze uitdagingen moet het belang van kernenergie opnieuw worden geëvalueerd.
Uw rapporteur onderstreept dat het gebrek aan alternatieve (hernieuwbare) energiebronnen, alternatieve routes voor energievervoer, opslagcapaciteit voor energiebronnen en netwerken voor energievervoer tussen lidstaten schadelijk is voor de energieonafhankelijkheid van Europa en het welzijn van de bevolking; daarom moet de Unie zich beter voorbereiden op tijden van energietekorten, zoals uiteengezet door het EP in zijn verslag over de richtsnoeren voor de begroting 2010.
Als onderdeel van het herstelplan voor de EU heeft de Europese Commissie ook begeleidende voorstellen gepresenteerd om te investeren in belangrijke energie-infrastructuurprojecten. Deze zouden strategische doelen realiseren, zoals energiezekerheid.
Het voorstel van de Commissie om te investeren in trans-Europese energie-interconnecties heeft maandenlang vastgezeten als gevolg van onenigheid binnen de Raad, in strijd met de wens van de Europese Raad zoals geformuleerd in december 2008.
Daarnaast heeft de Europese Gemeenschap juridische stappen ondernomen op een aantal energiepunten, zoals het gebruik van biobrandstoffen, de bevordering van hernieuwbare energiebronnen, vraagbeheersmaatregelen, de verbetering van energie-efficiëntie en de liberalisering van energiemarkten. De tenuitvoerlegging van veel van deze maatregelen door de lidstaten is echter nog niet voltooid.
Het huidige energieprogramma "Intelligente energie – Europa", dat deel uitmaakt van het KCI-programma van de EU, is het middel van de EU voor het financieren van acties om de marktomstandigheden te verbeteren, teneinde te profiteren van een groot aantal nog onbenutte kansen om energie te besparen, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te stimuleren en te komen tot een energie-intelligenter Europa. Het programma wil een bijdrage leveren aan de drie belangrijkste doelstellingen van het Europese energiebeleid: de veiligheid van de energievoorziening, het concurrentievermogen en de bescherming van het milieu.
Voor eind maart 2009 zal de Commissie 500 miljoen euro uittrekken voor een oproep om voorstellen in te dienen voor trans-Europese vervoersprojecten ("TEN-T-projecten"). Daarmee zullen bestaande middelen naar voren worden gehaald die vóór de tussentijdse evaluatie van het TEN-T-meerjarenprogramma in 2010 sowieso een andere bestemming zouden hebben gekregen.
3. Versterking van de interne veiligheid
Rubriek 3a heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke toename ondergaan en deze trend lijkt door te zetten, zoals reeds voorzien in het MFK. Dit is met name duidelijk op gebieden die direct te maken hebben met zaken als immigratie of de strijd tegen terrorisme en georganiseerde grensoverschrijdende criminaliteit.
Volgens de financiële programmering van 30 januari 2009 wordt voor rubriek 3a een aanzienlijke toename van de financiering voorzien, van 863,095 miljoen euro in 2009 naar 1 009 miljoen in 2010 (meer dan 15%). Cijfers over de besteding van de begroting 2008 (88% in vastleggingen en 86% in betalingen) laten zien dat de begrotingsautoriteit de uitgaven op dit gebied zorgvuldig moet bewaken.
Het Buitengrenzenfonds voorziet een stijging van 22 miljoen euro, van 185,5 tot 207,5 miljoen euro (na een stijging van 16 miljoen van 2008 tot 2009).
In de tussentijd heeft de Commissie een voorstel gepresenteerd voor de oprichting van een nieuw agentschap op dit gebied, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken.(9) Aan de financiële implicaties van dit nieuwe agentschap zal op adequate aandacht moeten worden geschonken, in het bijzonder op het punt van de toepassing van artikel 47 van het IIA. Ook moet worden benadrukt dat de oprichting van het nieuwe agentschap tevens een afname met zich mee zal brengen van de middelen van het Europees Vluchtelingenfonds. Een ander punt van overweging is hoe dit voorstel past in het kader van de aan de gang zijnde bezinning op de toekomst van gedecentraliseerde agentschappen, in het bijzonder het werk van de onlangs ingestelde Interinstitutionele Werkgroep agentschappen.
Aan de andere kant moet het Parlement heldere informatie krijgen over de voorziene ontwikkelingen met betrekking tot EURODAC, VIS en met name SIS II. Over de financiële programmering vanaf 2010 stelt de Commissie dat de programmering ingevolge lijn 18 02 05 de lijnen 18 02 04, 18 02 05 en 18 03 11 dekt, waarbij de financiële programmering van deze drie instrumenten wordt gecombineerd tot één begrotingslijn (18 02 05). Het Parlement dient hierover gedetailleerde informatie te ontvangen.
Ook is verdere opheldering nodig over een opmerking in de mededeling over de JBS(10): de Commissie suggereert "gezien het gebrek aan rechtsinstrumenten (…) een verlaging van 30 miljoen euro (…). Daarmee zijn nog steeds ontwikkelingen mogelijk op het gebied van grenscontroles, zoals de voor 2010 geplande start van een inreis-uitreissysteem en een systeem voor geregistreerde reizigers", aangezien deze niet voortvloeien uit de financiële programmering.
De financiële programmering van 30 januari 2009 laat ook grote verschillen zien in de ontwikkeling van uitgaven voor elk van de drie hoofdprogramma's van deze rubriek:
- "Solidariteit en beheer van de migratiestromen" stijgt met ongeveer 7,6%, van 620,572 miljoen naar 667,9 miljoen (buitengrenzen, visumbeleid en vrij verkeer van personen stijgt met bijna 10%, van 338,475 naar 372,5, en Migratiestromen, gemeenschappelijk immigratie- en asielbeleid stijgt met zo'n 4,7%).
- "Veiligheid en bescherming van de vrijheden" laat meer dan een verdubbeling zien (van 99,370 miljoen naar 196,900 miljoen), vooral als gevolg van de omvorming van EUROPOL tot een communautair agentschap en een stijging van bijna 20% op het gebied van Preventie van en strijd tegen misdaad.
- "Grondrechten en justitie" zal een korting laten zien van ongeveer 1,5% (van 134,118 miljoen naar 132,118 miljoen), voornamelijk als gevolg van bezuinigingen bij Strafrecht.
Het Financieringsinstrument voor civiele bescherming (rubriek 3 B – lijn 07 04 01) is aanzienlijk gekort door de Commissie: van 20 miljoen euro in 2008 tot 18,5 miljoen euro in 2009) en alleen de interventie door het EP (waardoor het korting op het VOB-bedrag ongedaan is gemaakt) heeft verdere kortingen door de Raad helpen voorkomen.
De redenen voor deze grote verschillen zullen zorgvuldig worden onderzocht door het EP.
4. Milieubescherming en de strijd tegen klimaatverandering
Het klimaat vertegenwoordigt een klein gedeelte van het huidige MFK 2007-2013. Zo is bijvoorbeeld voor 2007-2011 voor onderzoek naar niet-nucleaire energie 2,35 miljard euro voorzien en voor nucleair onderzoek 2,75 miljard euro. Verder is er een klein bedrag vastgelegd voor klimaat in structuur-, cohesie- en GLB-fondsen. Voor de periode 2000-2006 geven schattingen aan dat ongeveer 13% van de structuur-/cohesiefondsen is uitgegeven aan klimaatvriendelijke investeringen.
De wereldwijde financiële vereisten worden volgens een recent onderzoek van het CEPS(11) geschat op 0,6% tot 1,6% van het mondiale BBP, ofwel 230 tot 614 miljard euro per jaar (gebaseerd op het mondiale BBP van 2006).
De kosten voor de 27 EU-lidstaten zouden 60 miljard euro per jaar kunnen zijn volgens de schatting van de auteurs van het CEPS-onderzoek.
Het is ook vermeldenswaard dat de EIB eveneens actief is in het bevorderen van projecten die zijn gericht op het bestrijden van klimaatverandering en het stimuleren van hernieuwbare energiebronnen.
Aan de inkomstenkant lijkt het erop dat het Europese EHS (systeem voor verhandelbare emissierechten) wordt genoemd als een van de bronnen die in de nabije toekomst potentieel aanzienlijke inkomsten kunnen opleveren voor de begroting. Er is momenteel in de begroting geen gemeenschappelijke aanpak van punten met betrekking tot energie, klimaatverandering en buitenlands beleid. Naast acties die worden gedekt door titel 7 – Milieu, zijn in de begroting 2009 de volgende begrotingslijnen gekoppeld aan "Klimaatverandering": in rubriek 2: 07 03 12 – Acties in verband met klimaatverandering (nieuwe begrotingslijn) met kredieten van 20 miljoen euro in reserve geplaatst, 07 03 16 – Proefproject – Preventieve acties voor het tegengaan van verwoestijning in Europa, met 1 miljoen euro aan vastleggings- en betalingskredieten, 07 03 17 – Voorbereidende actie – Klimaat van het Karpatenbekken, met 2,5 miljoen euro aan vastleggings- en betalingskredieten, 17 03 09 – Onderzoek op het gebied van gezondheid, milieu, vervoer en klimaatverandering (HETC) – Verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten, met vastleggings- en betalingskredieten van 4 miljoen euro voor 2009.
In rubriek 1a: hoofdstuk 08 06: Samenwerking – Milieu (inclusief klimaatverandering). met 216 303 000 euro.
III. Conclusies
De mondiale uitdagingen zijn sinds de oprichting van de Europese Unie nog nooit zo groot geweest: financiële crisis, crisis in de energievoorziening, klimaatverandering, toenemende illegale immigratie, criminaliteit en terrorisme. Het ziet er echter naar uit dat de middelen in het meerjarig financieel kader onvoldoende zijn om de problemen aan te pakken.
Uw rapporteur is van mening dat kwalitatief rendement een van de instrumenten zou moeten zijn ter compensatie van het gebrek aan kwantiteit in de begrotingsmiddelen. De begroting van de Europese Unie wordt door de Europese belastingbetalers betaald om activiteiten te financieren die naar verwachting een Europese meerwaarde opleveren en stroken met de beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en solidariteit. Bij een krap MFK, met erg weinig ruimte voor nieuwe acties, is het nu tijd om de kwaliteit van de Europese uitgaven onder de loep te nemen. De criteria voor het meten van de kwaliteit van uitgaven die voornamelijk zijn vastgesteld tijdens de begrotingsprocedure 2007 (door rapporteur James Elles) gelden nog steeds:
-Heeft het beleid de doelstellingen zoals vastgesteld door de begrotingsautoriteit gerealiseerd?
-Hoe verhoudt de effectbeoordeling zich tot de kwantiteit van de betrokken financiering?
-Welk deel van de financiering is besteed aan administratieve uitgaven en welk deel aan beleidsuitgaven?
-Zijn de financiën en het personeel op efficiënte wijze ingezet?
-Wat is de Europese toegevoegde waarde van de programma's/actie?
-Hoe kan fraude worden tegengegaan?
Uw rapporteur weet zeker dat een adequate begroting 2010 de Europese Unie zal helpen om de mondiale crisis te overwinnen. Daardoor zullen de burgers overtuigd raken van de noodzaak tot samenwerking. Het verenigde Europa biedt zijn burgers veiligheid. Een dergelijke mate van veiligheid kan nooit worden gegarandeerd door de afzonderlijke lidstaten.
Als we aan Europese burgers bewijzen dat de Europese Unie de verschillende crises aankan, geven we een heldere boodschap af: samenwerking is waardevol en het bestaan van de Europese Unie is een noodzaak.
BIJLAGE:ESSENTIËLE BEGROTINGSLIJNEN – Informatiebladen besteding 2007-2009 en Financiële programmering 2010
De in dit werkdocument vastgestelde en genoemde essentiële onderdelen worden gepresenteerd vanaf de begroting 2007, met definitief bestedingspercentage per eind 2007 en 2008, de definitieve cijfers van de begroting 2009 en de financiële programmering door de Commissie per 30 januari 2009.
Begroting 2007
Begroting 2008
Begroting 2009
Fin. progr.2010
Begrotingslijn
Omschrijving
Cat. MFK
Definitief
Besteding
2e lezingEP
Definitieve cijfers(incl. kosten en voordelen)
Besteding(31.12.2008)
2e lezing EP (aangenomen 18.12.2008)
08 01 04 30
Uitvoerend agentschap voor de Europese Onderzoeksraad (ERCEA)
VK
VK
VK
BK
VK
BK
VK
BK
VK
BK
Reageren op de wereldwijde financiële en economische crisis
1. Groei, concurrentievermogen, innovatie en onderzoeksprogramma's, KMO's, ondernemerschap
08 01 04 30
1a
-
-
19,994
19,994
12,13
12,13
92,54 %
25 ,31%
32,41
32,41
Zevende kaderprogramma voor onderzoek (inclusief het zesde kaderprogramma voor onderzoek)
08 13 01
Capaciteiten — Onderzoek ten behoeve van kleine en middelgrote ondernemingen
Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie — Programma voor ondernemerschap en innovatie
1a
142,100
100,00%
143,000
113,000
146,900
113,000
100,00%
99,95%
150,150
133,217
170,000
02 01 04 04
KCI-programma — Programma voor ondernemerschap en innovatie — Uitgaven voor administratief beheer
1a
9,018
79,35%
7,064
7,064
96,60%
38,12%
6,707
02 01 04 30
Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie — Subsidie uit het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie — Programma voor ondernemerschap en innovatie
1a
3,082
6,936
6,936
7,790
02 02 01
Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie — Programma voor ondernemerschap en innovatie
1a
111,100
100,00%
114,245
97,900
114,245
97,900
99,48%
86,88%
139,210
125,951
127,300
02 02 03 02
Steun voor kleine en middelgrote ondernemingen in de nieuwe financiële omgeving
1a
p.m.
p.m
3,500
p.m
3,500
100,00%
p.m
1,500
KCI — ICT-beleidsondersteuning
09 01 04 03
Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie — Programma ter ondersteuning van het ICT-beleid — Uitgaven voor administratief beheer
1a
0,900
97,32%
1,410
1,410
90,25%
48,33%
09 03 01
Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie — Programma ter ondersteuning van het ICT-beleid
1a
56,485
99,93%
51,000
23,000
51,000
23,000
99,97%
99,53%
110,300
36,000
Overige acties en programma's
02 02 02 01
Aanvulling van de werkzaamheden betreffende het beleid ten aanzien van het concurrentievermogen van de industrie voor de Europese Unie
1a
3,060
94,07%
3,100
3,100
1,100
782,000
79,23%
81,86%
3,100
2,991
3,200
02 02 05
Uitbreiding van het midden- en kleinbedrijf
1a
p.m
2,500
p.m
0,740
02 02 05 01
Uitbreidingsprogramma voor het midden- en kleinbedrijf
1a
p.m.
p.m
0,500
p.m
0,500
30,25%
p.m
0,180
29 02 04
Modernisering van de Europese ondernemings- en handelsstatistieken (MEETS)
1a
p.m
p.m
p.m
p.m
Doelstelling "Europese territoriale samenwerking"
13 03 15
Financiële bijstand voor de vorming van een organisatie van kleine en middelgrote ondernemingen ter verbetering van netwerkvaardigheden
1b
p.m.
p.m
p.m
p.m
p.m
Instrument voor geïndustrialiseerde landen (ICI)
19 05 01
Samenwerking met de geïndustrialiseerde derde landen
4
22,200
100,00%
24,870
20,000
24,870
20,000
99,97%
79,66%
25,207
18,797
2. SCHEPPEN VAN WERKGELEGENHEID EN WERKZEKERHEID
Agenda voor het sociaal beleid
04 03 04
Eures (European Employment Services)
1a
19,050
94,00%
20,050
16,000
20,050
16,000
100,00%
89,95%
19,050
17,154
04 04 01 01
Werkgelegenheid
1a
17,000
89,14%
20,000
12,000
20,000
12,000
80,66%
89,63%
22,120
21,014
32,450
04 04 01 02
Sociale bescherming en integratie
1a
22,900
99,76%
28,030
17,500
28,030
17,500
97,52%
100,00%
30,400
17,500
10,320
Doelstelling "Regionaal concurrentie-vermogen en werkgelegenheid"
04 02 19
Europees Sociaal Fonds (ESF) — Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid
1b
3 669,983
100,00%
3 483,764
1 732,666
3 483,764
767,666
100,00%
99,70%
3 477,243
2 018,600
3. COHESIEBELEID (REGIONALE STRUCTUURFONDSEN)
Convergentiedoelstelling
13 03 16
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) — Convergentie
1b
20 676,478
98,47%
21 267,270
10 606,637
21 593,537
9 479,637
100,00%
100,00%
22 417,259
9 588,000
Doelstelling "Europese territoriale samenwerking"
13 03 17
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) — PEACE
1b
30,244
100,00%
30,849
13,437
30,849
13,437
100,00%
100,00%
31,466
1,000
13 03 19
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) — Europese territoriale samenwerking
1b
1 055,260
86,00%
1 004,703
559,011
1 053,228
401,011
98,63%
100,00%
1 028,767
85,000
13 05 03 01
Grensoverschrijdende samenwerking (CBC) — Bijdrage uit rubriek 1b
1b
p.m.
6,84%
45,387
25,000
48,602
25,000
100,00%
49,611
21,282
19 08 02 02
Grensoverschrijdende samenwerking (CBC) — Bijdrage uit rubriek 1b (Regionaal beleid)
1b
47,579
81,289
45,000
81,289
45,000
100,00%
100,00%
75,527
45,000
Cohesiefonds
13 01 04 03
Cohesiefonds — Uitgaven voor administratief beheer
1b
4,950
85,89%
4,207
4,950
4,207
4,207
86,54%
43,35%
13 04 02
Cohesiefonds
1b
7 121,426
99,91%
8 150,101
4 786,634
8 150,101
3 351,249
99,91%
99,98%
9 291,684
3 385,000
Europees Solidariteitsfonds
13 01 04 04
Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU) — Uitgaven voor administratief beheer
3b
p.m.
p.m
p.m
p.m
p.m
p.m
p.m
13 06 01
Solidariteitsfonds van de Europese Unie — lidstaten
3b
196,566
100,00%
p.m
p.m
280,796
280,796
97,29%
97,29%
p.m
p.m
Energiezekerheid en veilig vervoer
1. ENERGIEVOORZIENING
Zevende kaderprogramma voor onderzoek (inclusief zesde kaderprogramma voor onderzoek)
06 06 01 02
Onderzoek in verband met energie — Gemeenschappelijke Onderneming brandstofcellen en waterstof (FCH)
1a
20,160
19,200
19,200
TEN's
06 03 04
Financiële steun aan projecten van gemeenschappelijk belang van het trans-Europese vervoersnetwerk
1a
21,200
100,00%
22,260
4,200
22,260
4,200
100,00%
74,79%
26,048
6,000
20,760
Overige acties en programma's
06 04 08
Energie-observatorium
1a
p.m
p.m
06 04 09
Investeringsfonds voor hernieuwbare energie en bioraffinaderijen
1a
3,000
3,000
3,000
3,000
100,00%
p.m
0,900
06 07 04
Veiligheid van energie-installaties en -infrastructuur
1a
0,500
80,00%
0,400
0,350
0,400
350,000
100,00%
0,250
0,750
0,580
21 04 05
Wereldwijd Fonds voor energie-efficiënte en hernieuwbare energie (GEEREF)
4
0,500
100,00%
p.m
p.m
p.m
p.m
p.m
2,200
Instrument voor pretoetredingssteun (IPA)
06 04 11
Energiegemeenschap
4
2,940
2,940
2. BEVEILIGING VAN HET VERVOER
Zevende kaderprogramma voor onderzoek (inclusief zesde kaderprogramma voor onderzoek)
06 06 02 01
Onderzoek in verband met energie en vervoer (inclusief luchtvaart)
1a
119,550
134,000
61,550
74,100
59,760
06 06 02 02
Onderzoek in verband met energie (inclusief luchtvaart) — Gemeenschappelijke onderneming brandstofcellen en waterstof (FCH)
Financiële steun aan projecten van gemeenschappelijk belang van het trans-Europese vervoersnetwerk
1a
p.m.
100,00%
955,852
370,000
955,852
370,000
100,00%
100,00%
921,738
613,000
1 048,640
Overige acties en programma's
06 02 03
Ondersteunende activiteiten in het kader van het Europees beleid inzake vervoer en passagiersrechten
1a
10,000
94,22%
10,500
14,500
16,900
20,725
90,60%
78,79%
17,600
14,500
17,500
06 07 01
Beveiliging van het vervoer
1a
4,000
55,95%
2,500
3,500
2,500
3,500
87,43%
96,99%
2,750
2,530
2,500
3. VEILIGHEIDSONDERZOEK
Zevende kaderprogramma voor onderzoek (inclusief zesde kaderprogramma voor onderzoek)
02 04 01 02
Onderzoek op het gebied van veiligheid
1a
100,00%
98,717
42,000
102,044
45,327
100,00%
82,18%
127,093
50,868
214,100
4. KCI-PROGRAMMA "INTELLIGENTE ENERGIE"
KCI – Intelligente energie
06 01 04 10
Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie — Programma „Intelligente energie – Europa” (2003-2006) — Uitgaven voor administratief beheer
1a
0,840
79,47%
0,800
0,840
0,770
770,000
92,74%
52,47%
1,000
06 01 04 30
Uitvoerend agentschap voor concurrentievermogen en innovatie – Subsidiëring uit het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie - programma "Intelligente energie – Europa"
1a
5,737
99,98%
6,684
5,737
6,684
5,737
100,00%
91,30%
6,780
06 04 06
Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie — Programma „Intelligente energie – Europa”
1a
58,423
100,00%
66,061
19,000
66,061
19,000
100,00%
88,37%
88,741
72,502
101,800
Versterking van de interne veiligheid
1. GRENSBESCHERMING
Solidariteit en beheer van de migratiestromen
18 01 04 08
Buitengrenzenfonds — Uitgaven voor administratief beheer
3a
0,300
99,50%
0,500
0,500
0,500
0,500
99,38%
37,60%
0,500
0,500
18 02 06
Buitengrenzenfonds
3a
170,000
100,00%
169,500
98,500
169,500
98,500
78,44%
100,00%
185,500
116,000
207,500
2. STRIJD TEGEN TERRORISME
Veiligheid en bescherming van de vrijheden
18 01 04 16
Preventie, paraatheid en beheersing van de gevolgen van terrorisme — Uitgaven voor administratief beheer
3a
0,140
100,00%
180,000
180,000
12,35%
35,70%
18 02 04
Schengeninformatiesysteem
3a
15,0
70,6 %
26,62
16,1
28,18
10,34
79,74 %
100%
39,28
23,0
dekt 18 02 05
95,0
18 02 05
Visuminformatiesysteem
3a
32,0
73,33%
18,0
12,0
18,0
1
13,91
91,68%
100%
35,6
23,0
18 02 06
Buitengrenzenfonds
3a
170,0
100%
169,5
98,5
169,5
117,73
78,44%
100%
185,5
116,0
207,5
18 05 08
Preventie, paraatheid en beheersing van de gevolgen van terrorisme
3a
12,700
100,00%
15,200
8,900
15,200
8,900
100,00%
55,70%
19,470
12,000
20,3
3. VOEDSELVEILIGHEID
Gezondheid van dieren en planten
17 04 07 01
Voeder- en voedselveiligheid en hiermee verband houdende werkzaamheden — Nieuwe maatregelen
2
20,000
84,72%
20,000
15,000
20,000
15,000
95,43%
80,72%
25,000
19,000
17 04 07 02
Voeder- en voedselveiligheid en hiermee verband houdende werkzaamheden — Voltooiing van vorige maatregelen
2
p.m.
p.m
p.m
4. STRIJD TEGEN FRAUDE
Overige acties en programma's
07 04 01
Financieringsinstrument voor civiele bescherming
3b
14,860
49,06%
20,000
15,000
20,000
15,000
74,47%
57,70%
18,500
14,250
19,150
24 02 01
Algemene fraudebestrijdingsmaatregelen — Hercules II
1a
p.m.
100,00%
13,800
10,000
13,800
10,000
100,00%
70,00%
14,000
10,500
14,100
24 02 03
Antifraude-informatiesysteem (AFIS)
1a
5,750
91,18%
6,500
5,500
6,500
5,500
84,19%
72,89%
5,500
5,000
6,500
WERKDOCUMENT NR. 3 OVER DE BEGROTINGSPROCEDURE 2010 - TENUITVOERLEGGING VAN HET EUROPEES COHESIEBELEID
I. Instrumenten van het EU-cohesiebeleid
1. Cohesiefonds (CF)
Het Cohesiefonds(12) is bedoeld voor lidstaten waarvan het bruto nationaal inkomen (BNI) per inwoner minder is dan 90% van het communautair gemiddelde. Het is opgezet om hun economische en maatschappelijke achterstand te verminderen en hun economie te stabiliseren. Het biedt steun aan maatregelen in het kader van de convergentiedoelstelling. Momenteel valt het onder dezelfde regels als het ESF en het EFRO, voor wat betreft programmering, beheer en controle. Voor het tijdvak 2007 - 2013 heeft het Cohesiefonds betrekking op Bulgarije, Cyprus, de Tsjechische Republiek, Estland, Griekenland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije en Slovenië. Spanje komt in aanmerking voor een afbouwregeling, omdat het BNI per inwoner nog lager is dan het gemiddelde van de EU-15.
Het Cohesiefonds financiert maatregelen in de volgende categorieën: trans-Europese vervoersnetwerken, met name voorrangsprojecten van Europees belang, die door de Unie zijn vastgesteld. Het CF kan ook milieuprojecten ondersteunen die betrekking hebben op energie en vervoer, voor zover zij het milieu duidelijk ten goede komen, zoals energie-efficiency, toepassing van hernieuwbare energie, ontwikkeling van het vervoer per spoor, ondersteuning van inter-modale vervoerswijzen en verbetering van het openbaar vervoer.
De financiële bijstand van het CF kan bij besluit van de Raad (met gekwalificeerde meerderheid) worden opgeschort indien een lidstaat een buitensporig begrotingstekort heeft, in deze situatie geen verbetering heeft gebracht en niet de nodige stappen heeft genomen om hierin te voorzien.
2. Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)
Het EFRO(13) is gericht op versterking van de economische en sociale cohesie van de Europese Unie via het opheffen van onevenwichtigheden tussen de regio's. Het EFRO houdt zich bezig met rechtstreekse hulp bij investeringen in ondernemingen (met name KMO) met het oog op het scheppen van duurzame werkgelegenheid; infrastructuur die met name gekoppeld is aan onderzoek en innovatie, telecommunicatie, milieu, energie en verkeer en met financiële instrumenten (risicokapitaalfondsen, plaatselijke ontwikkelingsfondsen, enz.) ter ondersteuning van de regionale en lokale ontwikkeling, het stimuleren van samenwerking tussen steden en regio's en het bieden van technische bijstand.
Het EFRO kan optreden in het kader van de drie doelstellingen van regionaal beleid, te weten, convergentie, mededinging en werkgelegenheid en territoriale samenwerking op Europees niveau.
Convergentie (voorheen Doelstelling 1)
In regio's die vallen onder de doelstelling van de convergentie, richt het EFRO zijn acties op modernisering en diversificatie van economische structuren en op behoud of totstandkoming van duurzame werkgelegenheid, met name op de volgende terreinen: onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO), innovatie en ondernemerschap, de informatiemaatschappij; het milieu, risicopreventie, toerisme, cultuur, vervoer, energie, onderwijs en gezondheidszorg.
Mededinging en werkgelegenheid op regionaal niveau (voorheer doelstelling 2)
De doelstelling mededinging en werkgelegenheid op regionaal niveau kent drie voorrangsgebieden; ten eerste innovatie en kenniseconomie, zoals versterking van de regionale capaciteit voor de ontwikkeling van onderzoek en technologie, stimulering van innovatie en ondernemerschap en versterking van financiële instrumenten, bijvoorbeeld voor ondernemingen op het terrein van de kenniseconomie; ten tweede milieu en risicopreventie, zoals zuivering van verontreinigde gebieden, stimulering van energie-efficiency, bevordering van schoon openbaar vervoer in streden en het opstellen van plannen ter voorkoming en beperking van natuurrampen en technologische risico's; en ten derde toegang tot vervoersdiensten en telecommunicatiediensten van algemeen economisch belang.
Europese territoriale samenwerking (voorheen doelstelling 3)
Wat betreft de Europese territoriale samenwerking richt het EFRO zijn bijstand op drie hoofdsectoren: ontwikkeling van economische en maatschappelijke, grensoverschrijdende acties; de totstandkoming en ontwikkeling van transnationale samenwerking zoals bilaterale samenwerking tussen maritieme gebieden; en de verbetering van de efficiency van het regionaal beleid door middel van interregionale stimulering en samenwerking, networking en uitwisseling van ervaringen tussen regionale en plaatselijke autoriteiten.
Specifieke territoriale kenmerken
Het EFRO schenkt bijzondere aandacht aan specifieke territoriale kenmerken. Het optreden van het EFRO is daarbij gericht op de aanpak van de stedelijke problematiek op het terrein van economie, milieu en maatschappij. Door de natuur benadeelde gebieden (afgelegen, bergachtig of dunbevolkt) kunnen aanspraak maken op een bijzondere behandeling. Tenslotte ontvangen ultraperifere gebieden eveneens specifieke bijstand uit het EFRO om problemen aan te pakken die te maken hebben met hun afgelegen ligging.
3. Het Europees Sociaal Fonds (ESF)
Het ESF(14) is gericht op werkgelegenheid en banengroei in de Europese Unie. Het treedt op in het kader van de doelstellingen van convergentie en mededinging en werkgelegenheid op regionaal niveau (zie hierboven).
Het ESF biedt steun aan acties in de lidstaten op de volgende terreinen: omscholing van werknemers en omschakeling van bedrijven, zoals projecten voor permanente scholing, ontwerpen en verspreiden van innovatieve arbeidsorganisaties; toegang tot werk voor werkzoekenden, werklozen, vrouwen en migranten; maatschappelijke integratie van mensen met een handicap en bestrijding van discriminatie op de arbeidsmarkt; versterking van het menselijk kapitaal door hervorming van onderwijsstelsels en het opzetten van een netwerk van onderwijsinstellingen.
II. Tenuitvoerlegging van het fonds 2002 - 2008
Het cohesiebeleid neemt 35,6% van het financieel kader 2007 - 2013 voor zijn rekening - te weten 347 miljard EUR (huidige prijzen)
Onderstaande tabel(15) is een samenvatting van de onderverdeling van de structuurfondsen en het Cohesiefonds voor de jaren 2002 - 2008. Het verschil tussen de oorspronkelijke en de definitieve begrotingscijfers is het gevolg van de kredieten die zijn overgedragen uit het voorafgaande jaar, gewijzigde begrotingen en overschrijvingen waartoe in de loop van het jaar werd besloten. Het niveau van tenuitvoerlegging (in percentages) van de oorspronkelijke en definitieve begroting moeten worden bezien in het licht van de overeenkomstige absolute cijfers en kunnen voor de oorspronkelijke begroting hoger zijn dan 100%.
Verdeling van de structuurfondsen (Begroting en tenuitvoerlegging) 2002 - 2008 in miljoenen €
2002
Oorspronkelijke begroting
Tenuitvoerlegging
Definitieve begroting
Tenuitvoerlegging
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Doelstelling 1
21.329,6
18.818,0
100,00%
82,00%
21.329,6
18.818,0
100,00%
82,00%
Doelstelling 2
3.729,8
4.360,0
100,00%
48,00%
3.729,8
4.360,0
100,00%
48,00%
Doelstelling 3
3.646,0
3.360,0
100,00%
72,00%
3.646,0
3.360,0
100,00%
72,00%
Andere structurele operaties
168,9
380,0
100,00%
41,00%
168,9
380,0
100,00%
41,00%
Communautaire initiatieven
1.860,3
2.327,0
100,00%
25,00%
1.860,3
2.327,0
100,00%
25,00%
Innovatieve maatregelen en technische bijstand
144,3
245,0
98,00%
76,00%
144,3
245,0
98,00%
76,00%
Andere specifieke structurele operaties
170,0
39,0
100,00%
100,00%
170,0
39,0
100,00%
100,00%
Cohesiefonds
2.789,0
2.600,0
100,00%
100,00%
2.789,0
2.600,0
100,00%
100,00%
TOTAAL
33.837,9
32.129,0
100,00%
74,00%
33.837,9
32.129,0
100,00%
74,00%
2003
Oorspronkelijke begroting
Tenuitvoerlegging
Definitieve begroting
Tenuitvoerlegging
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Doelstelling 1
21.577,1
19.366,6
100,00%
98,71%
21.577,1
20.035,7
100,00%
95,00%
Doelstelling 2
3.651,8
4.405,6
100,00%
82,45%
3.651,8
3.950,0
100,00%
91,00%
Doelstelling 3
3.718,9
3.695,8
100,00%
71,32%
3.718,9
3.427,1
100,00%
77,00%
Andere structurele operaties
171,9
506,1
100,00%
34,76%
171,9
293,4
100,00%
60,00%
Communautaire initiatieven
1.866,0
2.280,1
99,34%
36,71%
1.866,4
1.685,7
99,00%
50,00%
Innovatieve maatregelen en technische bijstand
143,3
180,0
95,12%
81,06%
144,2
161,5
95,00%
90,00%
Andere specifieke structurele operaties
12,0
89,0
100,00%
100,00%
12,0
89,0
100,00%
100,00%
Cohesiefonds
2.839,0
2.650,0
100,93%
82,84%
2.870,1
2.195,2
100,00%
100,00%
TOTAAL
33.980,0
33.173,2
100,00%
86,90%
34.012,4
31.837,6
100,00%
91,00%
2004
Oorspronkelijke begroting
Tenuitvoerlegging
Definitieve begroting
Tenuitvoerlegging
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Doelstelling 1
21.952,1
18.330,0
115,72%
120,04%
25.473,0
22.155,6
100,00%
99,00%
Doelstelling 2
3.573,8
3.061,2
101,16%
140,82%
3.618,9
4.310,8
100,00%
100,00%
Doelstelling 3
3.793,3
3.134,8
100,22%
93,12%
3.834,8
2.929,7
99,00%
100,00%
Andere structurele operaties
174,9
360,4
98,40%
61,21%
175,3
267,4
98,00%
62,00%
Communautaire initiatieven
1.940,2
1.209,2
109,58%
162,48%
2.138,4
1.992,8
99,00%
99,00%
Innovatieve maatregelen en technische bijstand
106,7
155,7
80,88%
62,17%
112,0
123,7
77,00%
78,00%
Andere specifieke structurele operaties
69,0
57,00%
69,0
57,00%
Cohesiefonds
2.785,0
2.642,1
201,86%
100,03%
5.685,4
2.778,1
99,00%
95,00%
TOTAAL
34.326,0
28.962,4
118,94%
118,08%
41.037,8
34.627,1
99,00%
99,00%
2005
Oorspronkelijke begroting
Tenuitvoerlegging
Definitieve begroting
Tenuitvoerlegging
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Doelstelling 1
27.283,1
20.214,8
100,18%
101,80%
27.353,7
19.564,5
100,00%
100,00%
Doelstelling 2
3.544,3
3.951,4
100,10%
98,73%
3.548,0
3.975,1
100,00%
94,00%
Doelstelling 3
3.911,1
3.505,1
100,85%
101,00%
3.944,2
3.400,1
100,00%
100,00%
Andere structurele operaties
180,0
250,1
98,61%
119,67%
180,3
373,1
98,00%
91,00%
Communautaire initiatieven
2.258,6
1.273,6
99,59%
165,64%
2.260,0
1.870,3
99,00%
99,00%
Innovatieve maatregelen en technische bijstand
114,6
195,4
90,66%
52,71%
118,8
168,7
90,00%
80,00%
Andere specifieke structurele operaties
Cohesiefonds
5.131,9
3.005,5
68,74%
74,16%
5.134,0
3.133,5
69,00%
94,00%
TOTAAL
42.423,6
32.395,9
100,16%
101,11%
42.539,0
32.485,3
100,00%
99,00%
2006
Oorspronkelijke begroting
Tenuitvoerlegging
Definitieve begroting
Tenuitvoerlegging
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Doelstelling 1
28.472,0
23.342,4
100,13%
87,48%
28.510,2
20.474,7
100,00%
100,00%
Doelstelling 2
3.405,1
3.187,6
100,00%
97,54%
3.405,1
3.109,1
100,00%
100,00%
Doelstelling 3
3.988,8
3.634,9
100,00%
107,52%
3.988,8
3.908,3
100,00%
100,00%
Andere structurele operaties
185,1
185,2
101,57%
77,27%
190,9
177,5
98,00%
81,00%
Communautaire initiatieven
2.371,5
1.621,4
99,70%
103,67%
2.369,9
1.686,7
100,00%
100,00%
Innovatieve maatregelen en technische bijstand
100,5
157,6
75,92%
74,24%
101,4
143,1
75,00%
82,00%
Andere specifieke structurele operaties
5,0
0,0
Cohesiefonds
6.032,1
3.505,5
100,00%
85,70%
6.032,1
3.008,8
100,00%
100,00%
TOTAAL
44.555,1
35.639,6
100,09%
90,86%
44.598,4
32.508,2
100,00%
100,00%
Wat betreft het tijdvak 2007 - 2013 zijn ter verhoging van de door het cohesiebeleid toegevoegde waarde, de werkzaamheden van de structuurfondsen en het Cohesiefonds geconcentreerd en vereenvoudigd en zijn de doelstellingen in Verordening (EG) nr.1260/1999 opnieuw vastgesteld: convergentie van lidstaten en regio's, mededinging en werkgelegenheid op regionaal niveau en Europese territoriale samenwerking. De kredieten zijn opgenomen in het overeenkomstige beleidsterrein (04, 13 en 19).
2007
Oorspronkelijke begroting
Tenuitvoerlegging
Definitieve begroting
Tenuitvoerlegging
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Convergentiedoelstelling:
04 02 17– Werkgelegenheid en sociale zaken
7.416,8
6.245,8
91,26%
102,14%
6.781,8
6.381,1
100,00%
100,00%
13 – Regionaal beleid
20.713,7
15.859,9
101,29%
108,09%
21.306,6
17.142,5
98,00%
100,00%
Doelstelling mededinging en werkgelegenheid op regionaal niveau
04 02 19 – Werkgelegenheid en sociale zaken
3.648,2
5.108,5
102,15%
96,28%
3.726,7
4.925,9
100,00%
100,00%
13 – Regionaal beleid
5.349,8
4.222,6
99,54%
69,08%
5.325,4
2.918,0
100,00%
100,00%
19 08 02 02 – Externe betrekkingen
p.m.
p.m.
47,6
p.m.
Doelstelling Europese territoriale samenwerking
13 – Regionaal beleid
1.140,7
1.278,2
80,36%
101,53%
1.085,5
1.304,8
84,00%
99,00%
Technische bijstand
04 – Werkgelegenheid en sociale zaken
27,7
22,7
75,81%
40,53%
27,3
26,5
77,00%
35,00%
13 – Regionaal beleid
68,2
105,6
56,16%
33,81%
68,0
66,4
56,00%
54,00%
Cohesiefonds
7.121,8
4.946,9
100,04%
86,42%
7.131,5
4.283,3
100,00%
100,00%
TOTAAL
45.486,9
37.790,2
98,71%
97,84%
45.500,4
37.048,5
99,00%
100,00%
2008
Oorspronkelijke begroting
Tenuitvoerlegging
Definitieve begroting
Tenuitvoerlegging
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Vastleggingen
Betalingen
Convergentiedoelstelling
04 02 17– Werkgelegenheid en sociale zaken
7.614,8
6.574,7
92,02%
72,78%
7.007,3
4.889,5
100,00%
98,00%
13 – Regionaal beleid
21.267,3
17.579,6
104,45%
94,51%
22.214,2
16.618,7
100,00%
100,00%
Doelstelling mededinging en werkgelegenheid op regionaal niveau
04 02 19 – Werkgelegenheid en sociale zaken
3.483,8
4.185,9
103,50%
95,22%
3.605,7
4.122,0
100,00%
97,00%
13 – Regionaal beleid
5.108,7
3.926,5
97,65%
86,83%
4.988,6
3.411,6
100,00%
100,00%
Doelstelling Europese territoriale samenwerking
13 – Regionaal beleid
1.080,9
1.399,1
115,35%
97,28%
1.262,8
1.377,5
99,00%
99,00%
19 – Externe betrekkingen
81,3
45,0
84,11%
0,89%
68,3
0,4
100,00%
100,00%
Technische bijstand
04 – Werkgelegenheid en sociale zaken
25,3
41,5
101,19%
71,81%
28,1
49,5
91,00%
60,00%
13 – Regionaal beleid
56,1
66,2
87,70%
117,37%
58,1
91,7
85,00%
85,00%
Cohesiefonds
8.154,3
6.727,6
100,00%
78,64%
8.162,5
5.295,5
100,00%
100,00%
TOTAAL
46.872,5
40.546,1
101,04%
87,69%
47.395,6
35.856,4
100,00%
99,00%
Het verschil tussen de oorspronkelijke en de definitieve begrotingscijfers is het gevolg van verlagingen van de oorspronkelijke begroting, die in de loop der jaren hebben plaatsgevonden. Hieruit komt duidelijk naar voren dat er grote verschillen bestaan tussen de bedragen die feitelijk zijn besteed en de oorspronkelijk toegewezen kredieten. (zo zijn bijvoorbeeld 8.5 miljard EUR "verloren gegaan" ten opzichte van de oorspronkelijke betalingskredieten voor 2006 - 2008).
Een vermelding van een besteding van 100% van de definitieve begroting in plaats van de oorspronkelijke begroting, kan dus een vertekend beeld geven.
III. Naar een betere tenuitvoerlegging
In overweging nemende dat de cijfermatige tenuitvoerlegging minder is dan vereist en dat de crisis van 2008 en de daaruit voortvloeiende economische crisis een betere uitvoering vergen van het cohesiebeleid, dringt het EP aan op omvangrijke veranderingen in procedures en verordeningen.
Vereenvoudiging van de procedures
Bij diverse gelegenheden heeft het EP erop gewezen dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor een correct beheer van de fondsen, onder supervisie van de Commissie. De meeste EU-middelen worden niet rechtstreeks door de Commissie betaald, maar via nationale of regionale autoriteiten in de betrokken lidstaten. Iedere lidstaat beschikt over zijn eigen nationaal strategisch referentiekader, waarin de bestedingsprioriteiten zijn opgenomen.
Het nationale beheer voor de tenuitvoerlegging van de fondsen is in een aantal landen uiterst gecompliceerd en loopt over diverse toezichthoudende en controle-instanties. Hierdoor ontstaat een grote administratieve rompslomp, die een beletsel vormt voor een snelle en efficiënte besteding van de kredieten die bestemd zijn voor de nationale operationele programma's en de daarbij behorende projecten.
Het Parlement heeft voorts de nadruk gelegd op het belang van de toekenning aan de beleidsinstanties, bijvoorbeeld in de context van de vereenvoudiging, van passende middelen voor concrete ondersteuning van projectontwikkelaars, zodat bijvoorbeeld de verwachte hefboomeffecten op economie en werkgelegenheid van publiek/private partnerschappen, worden gestimuleerd.
Vertragingen bij betaling moeten worden teruggebracht
Bij diverse gelegenheden heeft het EP erover geklaagd dat de vertragingen bij betalingen in het kader van het cohesiebeleid te veel oplopen: Hoofdstuk 1b wordt geacht voor de Europese Unie binnen het financieel kader 2007 - 2013 een beleidsprioriteit te zijn. Het Parlement is dan ook van mening dat vertragingen moeten worden teruggebracht, eventueel door snellere financiering. Het Parlement legt er voorts de nadruk op dat de opgetreden vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de kredieten voor het structuurbeleid gedeeltelijk veroorzaakt worden door overdreven restrictieve procedures, die dan ook dienen te worden vereenvoudigd.
Voorts zij herinnerd aan de verklaringen van het Europees Parlement tijdens de bemiddelingsvergadering van 21 november 2008 over betalingen en de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, waarbij het Europees Parlement opnieuw heeft verzocht om maatregelen door de lidstaten die ervoor zorgen dat het cohesiebeleid naar behoren kan worden uitgevoerd, dat wil zeggen ook binnen de gestelde termijnen.
Het Parlement heeft voorts aangedrongen op het terugdringen van de uitstaande verplichtingen voor het lopende en het komende jaar, ondanks de N+1 -, N+2 - en N+3 -regel, die voor de structuurfondsen van toepassing is.
Toezicht van het EP over beheers- en controlesystemen
In november 2008 heeft het Europees Parlement, ter gelegenheid van de bemiddeling inzake de tweede lezing van de begrotingsprocedure, eveneens met de Commissie en de Raad een gemeenschappelijke verklaring aangenomen over de noodzaak van toezicht op de beheers- en controlesystemen. Dit heeft ertoe geleid dat de Commissie maandelijks verslag uitbrengt aan het Parlement over de ontwikkeling van de systemen en de goedkeuring ervan.
Inter-institutionele verplichtingen voor het beter functioneren van het cohesiebeleid
Tijdens de triloog van 2 april 2009 tussen het Parlement, de Raad en de Commissie, hebben de drie instellingen hun goedkeuring gehecht aan een gezamenlijke verklaring over de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid.
In de verklaring erkennen zij dat de economie baat kan hebben bij het versnellen van de tenuitvoerlegging van de structuurfondsen en het Cohesiefonds, binnen de limieten van het overeengekomen meerjaarlijks financieel kader 2007 - 2013. Zij verklaarden voorts dat onder het bestaande controlekader voorlopige betalingen niet kunnen plaatsvinden totdat de beheers- en controlesystemen in de lidstaten worden geacht aan de gestelde eisen te voldoen. Bovendien is de lidstaten verzocht om een spoedige presentatie van de beschrijving van hun beheers- en controlesystemen en de conformiteitsbeoordeling, zodat de Commissie snel met een analyse kan beginnen. Tot slot merken de drie instellingen op dat als de wijzigingen in de wetgeving door de wetgevingsautoriteit worden goedgekeurd, de uitvoering van de structurele maatregelen worden vereenvoudigd en voorlopige betalingen voor omvangrijke projecten mogelijk worden, voordat ze officieel door de Commissie zijn goedgekeurd.
Bij dezelfde gelegenheid hebben Parlement en Raad aangedrongen op onderstaande acties van Commissie en lidstaten:
- de Commissie dient, binnen het bestaande rechtskader, de nodige maatregelen te nemen om de kwetsbaarste aspecten van de beheers- en controlesystemen te kunnen evalueren, zodat met voorlopige betalingen kan worden begonnen voor de eerste lezing door het Europees Parlement van de begroting 2010;
- de lidstaten dienen op korte termijn hun prioritaire hoofdprojecten voor te leggen en de Commissie dient goedkeuring daarvan te bespoedigen, zodat er bij de tenuitvoerlegging een stabiel en geautoriseerd kader bestaat;
- de Commissie dient voor de eerste lezing door het Europees Parlement van de begroting 2010, verslag uit te brengen over de door de lidstaten gepresenteerde prioritaire hoofdprojecten;
- de Commissie dient nauw met de lidstaten samen te werken om snel tot overeenstemming te komen over alle conformiteitsaspecten van de beheers- en controlesystemen;
- de lidstaten dienen ervoor te zorgen dat alle maatregelen die worden gefinancierd uit de EU-begroting in 2009 volledig operationeel zijn, zodat het economisch herstel wordt bespoedigd en er een constante stroom van voorlopige betalingen op gang komt;
- De Commissie dient, in verband met de begrotingsprocedure, uiterlijk in september 2009 een verslag in te dienen over de tenuitvoerlegging.
In dezelfde verklaring verzoeken het Parlement en de Raad de Rekenkamer en de kwijtingsautoriteit, bij de evaluatie van het beheer van de Europese fondsen rekening te houden met deze kwestie en met het meerjaarlijks karakter van de toezichthoudende activiteiten van de Commissie.
IV Conclusies
Het cohesiebeleid blijft voor de Europese Unie de spil in de strijd tegen de economische en sociale verschillen tussen de regio's, die sinds de uitbreiding fors zijn toegenomen. Voor het bereiken van concrete veranderingen en een echte cohesie tussen de Europese regio's moet het Europees Parlement streven naar vereenvoudiging en rationalisering van procedures voor de tenuitvoerlegging van de middelen. In samenwerking met de Europese Commissie moet het Parlement controleren welke waarden en resultaten het cohesiebeleid heeft opgeleverd. (is het BBP is gegroeid, is de werkloosheid in de ondersteunde regio gedaald, heeft het programma de doelstellingen bereikt die in de planningfase werden vastgesteld). Er mag geen twijfel over bestaan: het cohesiebeleid is van het grootste belang voor de Europese Unie, maar alleen programma's die concrete successen laten zien, zijn een argument voor een verdere groei van de kredieten. De Europeanen willen dat hun geld goed besteed wordt.
WERKDOCUMENT NR. 4 OVER HET VOORONTWERP VAN BEGROTING 2010 – AFDELING III – COMMISSIE – EERSTE ANALYSE
I. Overzicht
Op 29 april diende de Commissie het voorontwerp van begroting voor 2010(16) in, met een totaal van EUR 139,489 miljard. Volgens de Commissie is economisch herstel het hoofddoel en het grootste deel van de middelen (45%) gaat naar maatregelen voor groei en werkgelegenheid.
Tabel 1: De algemene cijfers zijn als volgt (per rubriek van het financiële kader):
in miljoen EUR
H
Begroting 2009
Plafond financieel meerjarenkader
VOB 2010
VK
BK
VK
BK
Marge VK
1 A
13.774,797
11.106,386
12.388,000
12.769,410
10.982,271
118,590
1 B
48.426,885
34.963,349
49.394,000
49.382,092
36.382,385
11,908
H' 1 TOTAAL
T
TORAT
62.201,682
46.069,734
61.782,000
62.151,502
47.364,656
130,498
2
56.721,437
52.566,130
60.113,000
59.003,698
58.074,906
1.109,302
waarvan marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen
41.127,356
41.079,823
47.146,000
43.744,927
43.626,433
1.001,273
3 A
863,925
617,440
1.025,000
980,187
720,010
44,813
3 B
662,748
690,745
668,000
649,265
639,718
18,735
H' 3 TOTAAL
1.526,673
1.308,185
1.693,000
1.629,452
1.359,728
63,548
4
8.103,930
8.324,169
7.893,000
7.921,091
7.664,619
220,791
5
7.694,931
7.694,931
8.008,000
7.857,803
7.858,298
230,197
TOTAAL
139.489,000
138.563,547
122.322,206
1.754,335
Het algemene plafond van het financiële meerjarenkader komt voor vastleggingskredieten overeen met 1,19% van het bruto nationaal inkomen (BNI). Het plafond voor betalingskredieten is EUR 134 155 miljoen of 1,14% van het BNI.
Wat de vastleggingskredieten betreft, bedraagt het totaal van het voorontwerp (VOB) voor 2010 EUR 138.563,547 miljoen, hetgeen overeenkomt met 1,18% van het BNI en 1,54 % extra is ten opzichte van de vastleggingen in de begroting 2009. Zo blijft een marge over van EUR 1.754,3 miljoen.
Wat de betalingskredieten betreft, bedraagt het totaal EUR 122 322,2 miljoen, hetgeen overeenkomt met 1,04% van het BNI. Dit is een toename met 5,3% ten opzichte van de betalingen in de begroting 2009.
Het deel van de begroting met de grootste stijging van de uitgaven is rubriek 3 A (bestrijding van misdaad en terrorisme en beheer van de migratiestromen), met een toename van 13,5% tot bijna EUR 1 miljoen vastleggingskredieten.
II. De rubrieken in detail
Rubriek 1 A
Concurrentiekracht ter bevordering van groei en werkgelegenheid: vastleggingskredieten EUR 12.769,410 miljoen, betalingskredieten EUR 10.982,271 miljoen. Zo blijft er een marge van EUR 118,6 miljoen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de kredieten in verband met het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, in het kader waarvan is voorzien in EUR 500 miljoen per jaar extra.
Het VOB 2010 voorziet, zowel wat de vastleggingen (7,3%) als wat de betalingen (1,1%) betreft, in een afname ten opzichte van 2009, met respectievelijk EUR 12,769 miljard vastleggingen en EUR 10,982 miljard betalingen. (Zie tabel 1.)
Beleidsterreinen die geheel of gedeeltelijk in rubriek 1 A vallen, zijn Economische en financiële zaken (01), Ondernemingen (02), Werkgelegenheid en sociale zaken (04), Energie en vervoer (06), Onderzoek en Eigen onderzoek (08, 10), Informatiemaatschappij en media (09), Regionaal beleid (13), Interne markt (12), Onderwijs en cultuur (15), Fraudebestrijding (24) en Statistiek (29). (Zie tabel 2.)
De belangrijkste programma's van deze subrubriek zijn het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (7th Framework Programme for research and technological development, FP7), het Programma voor concurrentievermogen en innovatie (Competitiveness and Innovation Programme, CIP), het programma Levenslang Leren (Lifelong Learning Programme), het Progress-programma, de Trans-Europese Netwerken (TEN), Marco Polo II en Galileo. Andere acties die bijdragen tot de doelstellingen op het gebied van concurrentievermogen, duurzame groei en werkgelegenheid zijn Interne markt, Statistiek, Fraudebestrijding en Belastingen en douane-unie.
In een verhoging van de kredieten, zowel de vastleggings- als de betalingskredieten, ten opzichte van de begroting 2009 is voorzien voor de volgende begrotingstitels: Ondernemingen (+16,9%), Informatiemaatschappij (+7,6%), Eigen onderzoek (+10,9%) en Statistiek (+5,8%). (Zie tabel 2.)
Wat Energie en vervoer betreft, dalen de vastleggingen, terwijl de betalingen stijgen (respectievelijk -40% en +13%). Voor Economische en financiële zaken en voor Onderzoek voorziet het VOB dan weer in een verhoging van de vastleggingen en een daling van de betalingen (+1% en -28,8 % voor de eerstgenoemde en +10% en -15,3 % voor de laatstgenoemde titel).
Onderzoek en technologische ontwikkeling
Deze sector is goed voor 59,2% van alle uitgaven in subrubriek 1 A . De Commissie stelt een totaalbedrag voor van EUR 7.565,703 miljoen.
Drie grote partnerschappen tussen de publieke en de particuliere sector zullen worden voorbereid en opgestart om onderzoek en innovatie te ondersteunen, namelijk:
– het Europees initiatief voor groene auto's (European green cars initiative);
– het Europees initiatief voor energie-efficiënte gebouwen (European energy-efficient buildings);
– het Europees initiatief voor fabrieken van de toekomst (Factories for the future initiative).
De Commissie is ook van plan te focussen op schoneenergie, energie-efficiëntie en onafhankelijkheid op energiegebied.
Op het gebied van kernfusie en -splijting zal het onderzoek ook gericht zijn op het garanderen van een vroege deelname van de sector aan de voorbereiding van demonstratie-acties op het gebied van kernfusie en de start van een Europees Industrieel Initiatief (European Industrial Initiative).
De Commissie is van plan bijkomende acties te ondernemen in het kader van het FP7 om de Europese vervoerssystemen groener te maken, met de ontwikkeling en uitvoering van een Europese op kennis gebaseerde bio-economie (Knowledge Based Bio-Economy, KBBE).
Het samenwerkingsprogramma van het FP7 voorziet in steun voor vijf publiek-private partnerschappen op lange termijn in de vorm van gezamenlijke technologie-initiatieven (JTI)(17) op grond van artikel 171 van het EG-Verdrag.
Concurrentievermogen en innovatie (CIP)
Deze sector is goed voor 4,1% van alle uitgaven in subrubriek 1 A. In het VOB stelt de Commissie een totaalbedrag voor van EUR 524,980 miljoen.
Het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (Competitiveness and Innovation Framework Programme, CIP) omvat drie specifieke programma's: het Programma voor ondernemerschap en innovatie (Entrepreneurship and Innovation Programme, EIP), het Programma ter ondersteuning van het beleid inzake informatie- en communicatietechnologie (Information and Communications Technologies Policy Support programme, ICT-PSP) en het Programma "Intelligente energie — Europa" (Intelligent Energy-Europe Programme). Het initiatief inzake wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid (Global Monitoring for Environment and Security, GMES) zal voort geleidelijk de overgang maken van onderzoek naar operationele diensten, die is begonnen in 2008.
Bevordering van duurzame EU-netwerken voor vervoer en energie
Deze sector is goed voor 16% van alle uitgaven in subrubriek 1 A. In het VOB stelt de Commissie een totaalbedrag voor van EUR 2.043,340 miljoen.
Vervoer - In het kader van de Trans-Europese Netwerken (TEN) voor vervoer zal tussen 2007 en 2013 worden gefocust op 30 prioritaire projecten, met bijzondere aandacht voor projecten die betrekking hebben op grensoverschrijdende stukken en de verwijdering van
knelpunten. De andere prioriteiten voor communautaire financiering binnen het TEN-T- programma zullen zijn: het Europese spoorverkeersleidingsysteem (European Railway Traffic Management System, ERTMS), de rivierinformatiedienst (River Information Services, RIS), Intelligente Vervoerssystemen (Intelligent Transport Systems, ITS) en een instrument voor leninggaranties voor TEN-projecten.
Op het gebied van Vervoer over land, door de lucht en over zee zijn de belangrijkste kwesties het Marco Polo-programma, het Naiades-programma, de uitbreiding van de activiteiten van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (European Aviation Safety Agency, EASA) en de activiteiten van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (European Maritime Safety Agency, EMSA) dat belast is met de ontwikkeling van het Europese gegevenscentrum voor identificatie en volgen van schepen op lange afstand (European Long Range Identification and Tracking (LRIT) Data Centre).
De Commissie is ook voornemens voort te gaan met de uitvoering van de EU-programma's voor navigatie per satelliet (Egnos en Galileo) zoals dit in de financiële programmering is bepaald.
Energiebeleid - In 2010 zal een nieuw energieplan voor de periode 2010-2014 worden goedgekeurd en het nieuwe energiebeleid, dat is gericht op bestrijding van de klimaatverandering en bevordering van de continuïteit van de energievoorziening in de EU en het concurrentievermogen, voort worden uitgevoerd. 2010 wordt ook het eerste jaar van de uitvoering van het pakket interne energiemarkt (Internal Energy Market Package) en wordt het eerste bestaansjaar van het nieuwe communautaire regelgevingsagentschap (EU-agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers, European Agency for the Cooperation of the Energy Regulators, ACER).
Op de trialoogvergadering van 2 april 2009 bereikten het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeenkomst over de financiering van energieprojecten als onderdeel van het Europees plan voor economisch herstel. EUR 3 980 miljoen zal ter beschikking worden gesteld voor de financiering van energieprojecten in het kader van rubriek 1 A van het financiële kader, waarvan EUR 2 000 miljoen in 2009 en EUR 1 980 miljoen in 2010. De financiering van het bedrag voor 2010 is nog niet veiliggesteld.
Verbetering van de kwaliteit van onderwijs en opleiding
Deze sector is goed voor 8,6% van alle uitgaven in subrubriek 1 A. In het VOB stelt de Commissie een totaalbedrag voor van EUR 1.102,078 miljoen.
Het programma Levenslang Leren(18) is bedoeld om bij te dragen tot de ontwikkeling van de Europese Unie als geavanceerde kennismaatschappij, met duurzame economische ontwikkeling, meer en betere banen en meer sociale cohesie. In 2010 zal het Erasmus Mundus II-programma nieuwe categorieën individuele beurzen financieren (voor doctoraatsstudenten en voor Europese studenten die Erasmus Mundus Master-cursussen volgen). Deze sector dekt ook het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie (European Institute of Innovation and Technology, EIT) en de kennis- en innovatiegemeenschappen (Knowledge and Innovation Communities) hiervan die operationeel zullen worden.
Agenda voor het sociaal beleid
Deze sector is goed voor 1,5% van alle uitgaven in subrubriek 1 A. In het VOB stelt de Commissie een totaalbedrag voor van EUR 190,170 miljoen.
In deze sector is de Commissie van plan te focussen op drie hoofdterreinen: het geïntegreerde programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit (Programme for Employment and Social Solidarity, Progress) ter ondersteuning van de uitvoering van de agenda voor het sociaal beleid; voortzetting van de sociale dialoog, vrij verkeer van werknemers en onderzoeken en speciale verslagen op sociaal gebied; uitvoering van het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting 2010.
Deze sector van subrubriek 1 A omvat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF)(19). Als bepaald in het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (IIA) mag het bedrag van EUR 500 miljoen per jaar niet worden overschreden.
Andere acties en programma's
Dit onderdeel van subrubriek 1 A omvat de volgende acties: versterking van het Beleid inzake elektronische communicatie en netwerkveiligheid, de verzameling van statistische gegevens om te zorgen voor essentiële input voor het beleid en het Gemeenschapsprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële diensten, financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen(20).
Deze sector is goed voor 3,3% van alle uitgaven in subrubriek 1 A. In het VOB stelt de Commissie een totaalbedrag voor van EUR 423,840 miljoen.
Tabel 2: Beleidsterreinen die geheel of gedeeltelijk in rubriek 1 A vallen: verschillen tussen de begroting 2009 en het VOB 2010, voor vastleggingskredieten en betalingskredieten
in miljoen EUR
TITEL
Begroting 2009: VK
Begroting 2009:
BK
VOB 2010:
VK
VOB 2010:
BK
VOB verschil VK
VOB verschil BK
Titel 01:
Economische en financiële zaken
181,150
214,167
183,000
152,445
1%
-28,8%
Titel 02:
Ondernemingen
577,891
515,956
690,333
541, 424
19,5%
4,9%
Titel 04 -
Werkgelegenheid en sociale zaken (allen subrubriek 1 A)(21)
218,526
190,068
229,920
198,080
5,2%
4,2%
Titel 06:
Energie en vervoer
4632,20
2446,725
2777,06
2764,765
-40%
13%
Titel 08
Onderzoek
4649,18
4951,64
5156,26
4193,06
10,9%
-15,3%
Titel 09
Informatiemaatschappij en media
1350,97
1206,69
1466,29
1445,64
8,5%
19,8%
Titel 10:
Eigen onderzoek
370,84
365,720
383,32
391,547
3,4%
7,1%
Titel 12:
Interne markt
9,20
9,14
14,80
12,60
60,9%
37,8%
Titel 13
Regionaal beleid (alleen subrubriek 1 A)
15,00
15,00
15,00
15,00
0%
0%
Titel 15:
Onderwijs en cultuur (alleen subrubriek 1 A)
1803,36
1061,15
1149,19
1116,13
6,1%
5,2%
Titel 24:
Fraudebestrijding
20,50
16,30
21,60
16,40
5,4%
0,6%
Titel 29:
Statistiek
57,57
25,40
65,32
44,90
13,5%
76,8%
Rubriek 1 B
Voor deze subrubriek (Cohesie ter bevordering van groei en werkgelegenheid) voorziet het VOB in een stijging, zowel van de vastleggingen (2%) als van de betalingen (4,1%), met als totaalbedragen EUR 49,382 miljard voor de vastleggingen en EUR 36,382 miljard voor de betalingen.
Terwijl er voor de structuurfondsen slechts een bescheiden toename is van de vastleggingen (0,2 %), is de stijging van de betalingen aanzienlijk groter (6,7%), hetgeen het gevolg is van het voornemen van de Commissie om in 2010 te focussen op de uitvoering, omdat alle operationele programma's en beheer- en controlesystemen af moeten zijn en moeten lopen. Voor het Cohesiefonds is de trend omgekeerd: de vastleggingen moeten toenemen met 9,6%, terwijl de betalingen afnemen met 5,9%.
Het VOB laat een bescheiden marge van EUR 12 miljoen onder het plafond van het financiële meerjarenkader van EUR 49,4 miljard.
De begroting 2010 bevat nog steeds een groot pakket betalingen voor de programmeringsperiode 2000-2006 (EUR 5,45 miljard, waarvan de helft voor het Cohesiefonds). Ongeveer EUR 6 miljoen is zelfs gereserveerd voor programma's van vóór 2000.
Rubriek 2
Ter verduidelijking: consumentenbeleid, menselijke gezondheid en voedselveiligheid (de "consumentendimensie" hiervan) vallen onder rubriek 3 B.
Rubriek 2 blijft de grootste rubriek, met een voorgestelde begroting (vastleggingen) van EUR 59 miljard (EUR 58 miljard voor de betalingen).
De vastleggingen voor verplichte uitgaven stijgen met 5,7% en die voor niet-verplichte uitgaven nemen af met 0,4%. De betalingen voor verplichte uitgaven stijgen met 5,5% ten opzichte van 2009, die voor niet-verplichte uitgaven stijgen met 5,2%.
De Commissie stelt een aanzienlijke toename voor van de uitgaven voor landbouw en plattelandsontwikkeling (05), milieu (07), maritieme zaken en visserij (11) en delen van gezondheidszorg en consumentenbescherming (17). De voorgestelde stijging bedraagt 4,0% voor de vastleggingen en 10,5% voor de betalingen ten opzichte van de begroting 2009. De beschikbare marge is zo EUR 1,1 miljard.
Landbouw en plattelandsontwikkeling
Voor marktgerelateerde uitgaven en directe betalingen wordt EUR 43,3 miljard voorgesteld, een toename met 6,4% ten opzichte van de begroting 2009. Plattelandsontwikkeling komt op een niveau van EUR 14 miljard voor de vastleggingen en EUR 13,4 miljard voor de betalingen, d.w.z. dat de vastleggingen licht dalen ten opzichte van de begroting 2009 (-1,9%), terwijl de betalingen toenemen met bijna 1/3 (namelijk met EUR 3,2 miljard). Als gevolg van schommelingen op de internationale markt stijgen de traditionele uitgaven voor landbouw in 2010 opnieuw, hetgeen met name zichtbaar is in de begrotingslijnen voor interventies op de markten en directe betalingen voor melk, boter en room. De algemene stijging van directe betalingen is vooral het gevolg van de geleidelijke invoering van rechtstreekse steun in de nieuwe lidstaten.
Visserij
De voorgestelde totale uitgaven voor het visserijbeleid, inclusief internationale akkoorden, bedragen EUR 960 miljoen, waarvan EUR 930 miljoen voor het Europees Visserijfonds (EVF) en internationale visserijakkoorden. Ten opzichte van de begroting 2009 stijgen de vastleggingen voor het EVF met 2 % en dalen die voor internationale akkoorden met 5%. Wat de betalingen betreft, vertonen beide een neerwaartse trend: EVF -14,3% en visserijbeheer en internationale visserijakkoorden - 5,1%, vooral doordat de begroting 2009 voorzag in aanzienlijke betalingskredieten voor de nog te vereffenen vastleggingen van de programmeringsperiode 2000-2006.
Milieu
LIFE+ is het enige financiële instrument dat uitsluitend is ontworpen voor het milieu en dekt een ruime waaier aan activiteiten die door de Commissie en de lidstaten worden beheerd. Er zijn ook diverse proefprojecten en voorbereidende acties aan de gang. Ten opzichte van de begroting 2009 liggen de voorgestelde uitgaven enigszins lager (vastleggingen EUR 307 miljoen, -3,2%). De daling van de betalingen is aanzienlijk: -37,7%. De Commissie verantwoordt deze cijfers door te verwijzen naar de verhoging die de begrotingsautoriteit voor de begroting 2009 heeft goedgekeurd en de vertraging bij de uitvoering als gevolg van de late goedkeuring van het programma. In het licht van de enorme uitdagingen als gevolg van de klimaatverandering en vele andere milieugevaren, behoeft deze neerwaartse trend een nadere analyse.
Toch is lijn 07 03 12 Acties in verband met klimaatverandering geschrapt (EUR 20 miljoen).
Gezondheid van gewassen en diergezondheid
De voorgestelde vastleggingen voor maatregelen op het gebied van gezondheid van gewassen en diergezondheid liggen 17,4% hoger dan in de begroting 2009, met een totaal van EUR 372 miljoen, als gevolg van een stijging van de financiering van programma's voor de uitroeiing en de bewaking van dierziekten (+ EUR 52 miljoen).
Rubriek 3 A
De rapporteur is tevreden met de stijging met 13,5% van de vastleggingskredieten tot een bedrag van EUR 980,2 miljoen (zodat een marge overblijft van EUR 44,8 miljoen), hetgeen lijkt te stroken met het financiële meerjarenkader. De betalingen stijgen ook met 16,6%, tot EUR 720 miljoen. Door deze stijging wordt met betrekking tot dit zeer delicate terrein een zeer positief signaal uitgezonden naar de burgers.
Er is evenwel een groot verschil tussen de evolutie van de drie algemene programma's: terwijl "Solidariteit en beheer van de migratiestromen" een stijging vertoont met 6,3%, is er voor "Veiligheid en bescherming van de vrijheden" een stijging met 15,5%, en voor "Grondrechten en justitie" een daling met 5,4%.
Solidariteit en beheer van de migratiestromen (+6,3%)
In "Solidariteit en beheer van de migratiestromen" is er voor het Buitengrenzenfonds een stijging met ongeveer 12% (tot EUR 207,5 miljoen) en voor het Europees Terugkeerfonds een stijging met meer dan 24,4% (tot EUR 83 miljoen), terwijl er voor het Europees Vluchtelingenfonds (EVF) een daling is met 15,6% (tot EUR 82,5 miljoen).
De daling van de financiering van het EVF wordt maar gedeeltelijk verklaard door de oprichting van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (European Asylum Support Office, EASO), aangezien dit in het VOB maar EUR 5,35 miljoen krijgt. De rapporteur zou van de Commissie meer uitleg over de enorme daling willen krijgen, aangezien het EP het financieringsniveau voor het EVF in de begrotingsprocedure 2009 precies met EUR 10 miljoen EUR had verhoogd en het uitvoeringspeil eind 2008 99,17% bedroeg.
Er is ook een stijging van de financiering voor het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen (+8,2%).
De daling van de financiering voor het VIS (van EUR 35,7 miljoen tot EUR 21 miljoen) lijkt verklaarbaar door de voltooiing van het systeem in 2009. Parallel hiermee zal de verlaging van de financiering voor SIS II (van EUR 39,3 miljoen tot EUR 35 miljoen) van nabij worden gevolgd, omdat deze evolutie verre van duidelijk is.
Het VOB 2010 voorziet in een behoud van de operationele financiering voor Frontex op hetzelfde niveau als in de begroting 2009 (EUR 55 miljoen, nadat het EP het oorspronkelijk door de Commissie voorgestelde bedrag met EUR 10 miljoen heeft verhoogd); er is uitleg nodig over het feit dat de betalingen een daling vertonen van bijna 50% (van EUR 55 miljoen tot EUR 22 miljoen).
Veiligheid en bescherming van de vrijheden (+15,5%)
De rapporteur is tevreden met de stijging voor Terrorisme: preventie, paraatheid en beheersing van de gevolgen (+5%) en voor Preventie en bestrijding van criminaliteit (+19%) en ook met de integratie van Europol in de EU-begroting, aansluitend op de omvorming ervan tot gedecentraliseerd agentschap van de EU, en merkt op dat de instantie aanzienlijke financiering ontvangt (EUR 79,7 miljoen voor 2010); hij bevestigt van plan te zijn adequate controle uit te oefenen over de financiering van dit agentschap, alsmede over het budgettaire en administratieve beheer ervan.
Grondrechten en justitie (-5,4%)
De daling van de financiering van deze begrotingslijn (18 06 06) is vooral het gevolg van de daling van de financiering van het programma Strafrecht (EUR 26 miljoen voor de vastleggingen, d.i. EUR 4,9 miljoen minder), hetgeen strookt met de financiële programmering en het gevolg is van de daling van de behoeften met betrekking tot sommige technische aspecten van het programma waarin intussen is voorzien.
De programma's Grondrechten en burgerschap (lijn 18 04 06) (-2,8% voor de vastleggingen) en Daphne (lijn 18 04 07) (-1% voor de vastleggingen) lijden ook onder een verlaging ten opzichte van de begroting 2009.
De stijging van de financiering van Eurojust (+34% tot een totaal van EUR 30,2 miljoen) lijkt het gevolg te zijn van het feit dat het agentschap een belangrijkere coördinerende rol zal spelen in het kader van de samenwerking tussen de lidstaten; de uitvoering van deze opgevoerde financiering zal van nabij worden gevolgd.
Rubriek 3 B
Rubriek 3 B, die betrekking heeft op kwesties die voor de burgers van essentieel belang zijn, omvat een deel van Gezondheidszorg en consumentenbescherming (17), de programma's op het gebied van Onderwijs en cultuur (15), het instrument voor civiele bescherming en delen van het beleidsterrein Communicatie (16).
In het VOB 2010 zijn de middelen voor rubriek 3 B, zowel wat de vastleggingen als wat de betalingen betreft, gedaald ten opzichte van de cijfers in de begroting 2009, met 2% voor de VK en 7,4% voor de BK.
Het VOB voorziet respectievelijk in EUR 649,26 miljoen voor de vastleggingen en EUR 639,76 miljoen voor de betalingen, hetgeen overeenkomt met 0,47% van de totale begroting (cijfers van de VOB 2010) wat de vastleggingen betreft en met 0,52% wat de betalingen betreft, zodat een marge overblijft van EUR 18,735 miljoen onder het plafond van het financiële meerjarenkader van EUR 668 miljoen voor 2010.
In het VOB 2010 is voor de vijf belangrijkste uitgaventerreinen binnen deze subrubriek voorzien in de volgende verdeling:
- Bevordering van cultuur en verscheidenheid in Europa: EUR 221,564 miljoen, met o.a. de meerjarenprogramma's Cultuur, Jeugd in actie, Europa voor de burger en Media 2007, bepaalde elementen van Informatiemaatschappij en media en Sport.
- Communicatie over Europees beleid en beter contact met de burgers: EUR 93,350 miljoen.
- Toegang garanderen tot fundamentele goederen en diensten: EUR 73,390 miljoen, inclusief het programma voor volksgezondheid en delen van het beleidsterrein consumentenbescherming.
- Instrument voor civiele bescherming: EUR 18,550 miljoen.
- Solidariteitsinstrument: Solidariteitsinstrument van de Europese Unie (European Union Solidarity Instrument, EUSF), een financieel mechanisme om financiële hulp mogelijk te maken in geval van grote rampen op het grondgebied van een lidstaat of kandidaat-land. Tot EUR 1 miljard is jaarlijks beschikbaar. Dit bedrag is niet begrepen in het maximum van het financiële meerjarenkader, noch in het VOB, en er wordt indien nodig een beroep op gedaan via een gewijzigde en aanvullende begroting in de loop van het jaar.
- Gedecentraliseerde agentschappen: Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (European Centre for Disease Prevention and Control, ECDC) en Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (European Food Safety Authority, EFSA): EUR 125,296 miljoen.
- Rubriek 3 B dekt de volgende meerjarenprogramma's (2007-2013): Volksgezondheid, Consumentenbescherming, Cultuur 2007, Jeugd, Media 2007, Burger en het financieringsinstrument voor civiele bescherming. Voor slechts twee van deze programma is de financiering in het VOB 2010 verhoogd, zowel wat de vastleggingen als wat de betalingen betreft: Cultuur 2007 (+3,7% voor de VK en +4,9% voor de BK) en Media 2007 (+4,2% voor de VK en +15,1% voor de BK).
De andere programma's (ten opzichte van de begroting 2009):
oJeugd in acte: 0% voor de VK en +5,2% voor de BK.
oEuropa voor de burger: +0,1% voor de VK en -16% voor de BK.
oProgramma voor communautair optreden op het gebied van consumentenbeleid: -2,6% voor de VK en +13% voor de BK.
oProgramma voor communautair optreden op het gebied van gezondheid (2008-2013): -2,8% voor de VK en +60% voor de BK.
oFinancieringsinstrument voor civiele bescherming - 2,7% voor de VK en -15,8% voor de BK.
De rapporteur wenst te wijzen op het volgende:
- Binnen rubriek 3 B is er een daling voor alle beleidsterreinen, behalve "Informatiemaatschappij", waar een stijging is met 3,8% voor de vastleggingen en 8,4% voor de betalingen. Opmerking: het grootste deel van dit beleidsterrein wordt gefinancierd binnen rubriek 1 A van het financiële meerjarenkader, waarvoor het VOB ook in een verhoging voorziet.
- Er zijn aanzienlijke verlagingen van de betalingen voor de beleidsterreinen milieu, communicatie en bescherming van gezondheid en consumenten (respectievelijk -18,6%, -11% en -10,9% ten opzichte van de cijfers voor 2009).
- Vanaf 2010 wordt de Steun voor de werkingskosten van het Europees Platform van niet-gouvernementele organisaties uit de sociale sector verstrekt via begrotingslijn 15 06 66 (Europa voor de burger) in plaats van 04 04 09 zoals in de begrotingen 2008 en 2009. De Commissie stelt dat deze verandering strookt met de specifieke doelstellingen van het programma Europa voor de burger, met ondersteuning voor de ontwikkeling van de civiele maatschappij op EU-niveau, inclusief de verstrekking van structurele steun voor geselecteerde organisaties.
In 2008 en 2009 zijn EUR 0,68 miljoen toegewezen aan het Europees Sociaal Platform via de goed uitgevoerde begrotingslijn 04 04 09; het VOB 2010 voorziet slechts in een lichte verhoging van begrotingslijn 15 06 66 met 0,1% voor de vastleggingen en een verlaging met 16% voor de betalingen.
Rubriek 4
Algemeen
- Voor de vastleggingskredieten wordt EUR 7,92 miljard voorgesteld, tegenover 8,10 miljard in 2009; dit is een daling met 2,3%. De betalingskredieten worden gebudgetteerd op EUR 7,66 miljard, een daling met EUR 0,66 miljard (7,9%).
Deze eigenaardige situatie moet worden begrepen in het licht van de financiering van de Voedselfaciliteit, die in december 2008 is goedgekeurd, maar waarvan de kredieten vooral zullen worden gefinancierd uit de begroting 2009 (57% van de vastleggingen zullen worden gedaan in het lopende jaar). Ter herinnering: de begrotingsautoriteit heeft besloten een bedrag van EUR 1 miljard aan de financiering van dit instrument toe te wijzen.
Daarom moet voor een vergelijking van de begroting 2009 (inclusief de gewijzigde en aanvullende begrotingen) en het VOB 2010 rekening worden gehouden met het feit dat het VOB 2010 zonder de financiering van de Voedselfaciliteit voorziet in een stijging van de vastleggingskredieten met 1,8%. De betalingen dalen nog steeds met 7,1% ten opzichte van de begroting 2009 als gevolg van het aflopen van diverse begrotingslijnen voor voltooiing.
- Aangezien het financiële meerjarenkader voor 2010 voorziet in een plafond van EUR 7,89 miljard, is er met het VOB 2010 een marge van EUR 220,8 miljoen (zonder rekening te houden met de Reserve voor spoedhulp van EUR 248,9 miljoen, zoals het IIA van 17 mei bepaalt). De rapporteur wenst te onderstrepen dat deze relatief beperkte marge (ongeveer 2,9% van de rubriek) onder hoge druk zal komen, aangezien de Commissie heeft aangekondigd dat de voorgestelde kredieten voor Palestina in de loop van de begrotingsprocedure zullen worden opgetrokken (een gewijzigde en aanvullende begroting wordt verwacht in september 2009) en dat Georgië, Kosovo, Cuba, het herenigingsproces in Cyprus en de klimaatverandering belangrijke kwesties zijn die met gebruik van de marge moeten worden aangepakt. Ter herinnering: de proefprojecten en voorbereidende acties in rubriek 4 zullen ook met binnen deze marge worden gefinancierd.
Beleid en instrumenten
- De begroting voor het GBVB (hoofdstuk 19 03) is in het VOB 2010 aanzienlijk verhoogd (+ EUR 39 miljoen, voor een totaal bedrag van EUR 281,5 miljoen, d.i. een stijging met 15,9% voor de vastleggingen) om de waarnemingsmissie van de Europese Unie in Georgië (19 03 01) te financieren, die naar verwachting in 2010 zal worden verlengd.
- Voor de Europese Nabuurschapsbeleid en de samenwerking met Rusland is voorzien in EUR 1,55 miljard, een daling met EUR 67 miljoen (4,2%). De rapporteur wil toch onderstrepen dat:
- er voor ENBI-Oost een substantiële stijging is met EUR 55 miljoen (13,5%) voor de vastleggingskredieten, vooral door de politieke prioriteiten van de EU wat Georgië en het oostelijke partnerschap betreft;
- voor ENBI-Palestina als elk jaar een onrealistisch bedrag wordt voorgesteld, nl. EUR 175 miljoen (in vergelijking met EUR 300 miljoen in de begroting 2009); de Commissie heeft wel gemeld waarschijnlijk aangepaste en realistischere kredieten te zullen vragen in de loop van de begrotingsprocedure 2010; de rapporteur wijst erop dat deze aanpak in twee fasen niet bevorderlijk is voor een algemene en alomvattende beoordeling van de reële behoeften in rubriek 4 en betreurt ten zeerste dat de Commissie elk jaar opnieuw op deze manier tewerk gaat. De nettodaling van de kredieten voor Palestina leidt tot de bovengenoemde daling van de totale ENBI-enveloppe;
- er voor ENBI-Zuid een lichte stijging is (+EUR 3 miljoen).
- In de begroting 2009 heeft het Europees Parlement een nieuwe begrotingslijn gecreëerd voor Steun voor herstel en wederopbouw in Georgië (lijn 19 08 01 07) om te zorgen voor duidelijke budgettaire en financiële steun van Europa voor dit land in de nasleep van het regionale conflict van augustus 2008; de rapporteur stelt uiterst ontevreden vast dat de Commissie weigerachtig is om kredieten op deze specifieke lijn in te schrijven (p.m.), ondanks de duidelijke politieke impuls die het Parlement heeft gegeven.
- Als gevolg van het akkoord tijdens het overleg van november 2008 is het Stabiliteitsinstrument herschikt om de Voedselfaciliteit te financieren met EUR 240 miljoen. Om de gevolgen van deze herschikking te temperen en verhoging van de kredieten van het Stabiliteitsinstrument te behouden stelt de Commissie voor dat een bedrag van EUR 100 miljoen wordt geprefinancierd door de overheveling van bedragen van andere posten (DCI, IPA en ENBI); deze bijdragen zullen uit het Stabiliteitsinstrument worden terugbetaald in 2011-2013.
- Aan het Instrument voor pretoetredingssteun wordt in het VOBeen algemeen bedrag toegewezen van EUR 1,593 miljard, een verhoging met 4,9% voor de vastleggingen (terwijl de betalingen dalen met meer dan 22%), waarvan de helft is bestemd voor Bijstand voor het overgangsproces en institutionele opbouw.
- Drie nieuwe begrotingslijnen (19 09 03, 19 10 04 en 21 06 06) worden gecreëerd als gevolg van het voorstel in de op 21 april 2009 door de Commissie gepresenteerde tussentijdse evaluatie van de financieringsinstrumenten voor externe acties: het instrument voor samenwerking met geïndustrialiseerde landen (ICI) zal worden gewijzigd om in landen die onder de DCI-verordening vallen andere maatregelen dan officiële ontwikkelingshulp te kunnen financieren. Voor deze actie worden financiële middelen voorgesteld ten belope van EUR 176 miljoen voor de periode 2010-2013 (deels herschikt uit het DCI) en 34,5 miljoen vastleggingen die gebudgetteerd zijn in het VOB 2010 bovenop de EUR 23,9 miljoen reeds geprogrammeerde middelen.
- Wat het Financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking betreft, stelt de Commissie een lichte verhoging voor (+1,7%, voor een totaal bedrag van EUR 2,414 miljard); in het VOB zijn twee van de diverse prioriteiten in het kader van het DCI geïdentificeerd voor mogelijke verdere fine-tuning wat de vastleggingen betreft in de loop van de begrotingsprocedure: EU-hulp aan Afghanistan en Pakistan en de ondersteuning van maatregelen in de belangrijkste bananenexporterende ACS-landen. De rapporteur steunt van harte de intentie van de Commissie om de behoeften met betrekking tot hulp aan Afghanistan opnieuw te beoordelen.
- Als overeengekomen tijdens het overleg van november 2008 is het gros van de kredieten voor de Voedselfaciliteit vastgelegd voor 2009 (EUR 262 miljoen voor 2008, EUR 568 miljoen EUR voor 2009 en EUR 170 miljoen voor 2010). Op lijn 21 02 03 wordt EUR 162,7 miljoen toegewezen (operationele uitgaven) en op lijn 21 01 04 05 EUR 7,3 miljoen (administratieve uitgaven).
- Voor het Europees instrument voor democratie en mensenrechten is er een daling met 1,2% voor de vastleggingen (tot EUR 155,5 miljoen), maar een stijging voor de betalingen (+6,7%, voor een totaal van EUR 157,8 miljoen).
- De Commissie stelt een duidelijke verhoging voor met 8,1% (van EUR 99 miljoen tot EUR 107 miljoen) voor macrofinanciële bijstand, deels om mogelijke EU-acties te financieren om de gevolgen van de financiële en economische crisis te temperen in landen die hiervoor in aanmerking komen, en een verhoging met 3% van de vastleggingskredieten voor Humanitaire hulp (van EUR 777 miljoen tot EUR 800,5 miljoen) voor de verstrekking van eerste hulp aan landen die zijn getroffen door de gevolgen van natuurrampen.
Rubriek 5
De evaluatie van de kredieten die nodig zijn voor 2010, is gebaseerd op de individuele ontwerpraming van alle instellingen.
De vastleggingen en betalingen voor Administratieve uitgaven stijgen met 2,1 %, zodat de vastleggingen komen op EUR 7.857,8 miljoen EUR en de betalingen op EUR 7.858,3 miljoen en de marge EUR 230,197 miljoen bedraagt. De Commissie benadrukt dat haar deel van de administratieve begroting maar stijgt met 0,9 %.
De Commissie stelt dat de marge van EUR 230,197 miljoen naar verwachting zal volstaan om de gedeclareerde behoeften in 2010 te dekken. Zij kan evenwel bijvoorbeeld niet voorzien wat de definitieve begroting van het Parlement of de andere instellingen zal zijn. Er is altijd enige onzekerheid wat de berekeningen van de marge betreft.
In rubriek 5 wordt een voldoende marge normaal belangrijk geacht om de schommelingen te dekken van de jaarlijkse salaris- en pensioenaanpassingen (inflatie), die hoger kunnen liggen dan de vaste deflator van 2% die op het plafond van rubriek 5 wordt toegepast.
Human resources
In de doorlichting van de human resources begin 2007 verplichtte de Commissie zich ertoe in alle personeelsbehoeften tot 2013 te voorzien met een constante personeelsformatie, zodra de laatste uitbreidingsposten voor Bulgarije en Roemenië zouden zijn toegevoegd.
Aangezien de laatste nieuwe posten in verband met de laatste uitbreiding met Bulgarije en Roemenië zijn goedgekeurd in de begroting 2009, strookt het VOB 2010 met deze toezegging: er staat geen enkel verzoek om een nieuwe post in.
Doordat de laatste 250 nieuwe posten voor de Commissie in 2009 nu gebudgetteerd zijn voor en volledig jaar, zal er evenwel nog altijd een stijging zijn van het bedrag voor salarissen ten opzichte van dit jaar.
De Commissie stelt dat een inspanning zonder voorgaande voor interne herschikking zal plaatshebben, met name om de diensten te versterken die belast zijn met het beheer en de follow-up van de financiële en economische crisis en de uitvoering van het Europese plan voor economisch herstel (European Economic Recovery Plan, EERP). Het EP kan dit proces later in de procedure meer in detail bekijken.
Tot slot wil de rapporteur meer informatie vragen wat de steeds verder stijgende kosten betreft van:
- de veiligheid bij delegaties;
- energie en onderhoud van de gebouwen;
- de werken met betrekking tot een tweede kinderverzorgingsinstelling in Brussel;
- de IT-diensten;
- EPSO, waar de kosten stijgen met 14%, van EUR 27 miljoen tot EUR 31 miljoen.
WERKDOCUMENT NR. 5 OVER DE BEGROTINGSPROCEDURE 2010 – EERSTE COMMISSIEVERSLAG OVER DE UITVOERING VAN PROEFPROJECTEN EN VOORBEREIDENDE ACTIES 2009
1. Algemene opmerkingen
1. Proefprojecten en voorbereidende acties zijn traditioneel parlementaire initiatieven. Het Europees Parlement probeerde voor het eerst gebruik van proefprojecten en voorbereidende acties te maken in 1975.(22) Vandaag bieden zij het Parlement de mogelijkheid om de weg te banen voor nieuw beleid en nieuwe activiteiten die de acties van de Unie verrijken en die kunnen leiden tot de goedkeuring van wetgevingsbesluiten waarmee nieuwe EU-activiteiten en programma's worden vastgesteld.
2. De rapporteurs voor de begrotingen 2009 en 2010 benadrukken dat het de prerogatieve van het Parlement blijft om binnen de grenzen van het Interinstitutioneel Akkoord alle proefprojecten en voorbereidende acties goed te keuren die volgens het Parlement een toegevoegde waarde hebben voor de Europese burgers, en dat de Commissie in weerwil van eventuele bedenkingen verplicht is al het mogelijke te doen om een geslaagde uitvoering te geven aan de projecten en acties die door de begrotingsautoriteit zijn goedgekeurd. Het is in het belang van alle partijen om een duidelijk beeld te krijgen van de wenselijke aard van de proefprojecten en voorbereidende acties, gevolgd door een diepgaande discussie tussen de instellingen over mogelijke obstakels voor de uitvoering en hoe deze overwonnen kunnen worden.
Proefprojecten/voorbereidende acties in het Financieel Reglement
3. De rechtsgrondslag voor proefprojecten/voorbereidende acties is artikel 49, lid 6, van het Financieel Reglement(23) en artikel 32 van de uitvoeringsvoorschriften(24). Hierin staan de uitzonderingen aangegeven op de regel (artikel 49, lid 1, van het Financieel Reglement) dat kredieten alleen in de begroting kunnen worden opgenomen, als vooraf een basisbesluit is vastgesteld. Voor proefprojecten/voorbereidende acties komt eerst een begrotingsbesluit, dat pas in een tweede fase kan leiden tot een overeenkomstig wetgevingsbesluit (artikel 49, lid 6, van het Financieel Reglement).
4. Volgens het Financieel Reglement zijn proefprojecten "van experimentele aard om de haalbaarheid en het nut van een actie te bepalen.De desbetreffende vastleggingskredieten mogen slechts voor twee achtereenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen".
5. Voorbereidende acties worden gedefinieerd als acties die bedoeld zijn "om voorstellen voor te bereiden met het oog op de vaststelling van toekomstige acties. Voor de voorbereidende acties geldt een samenhangende aanpak en zij kunnen uiteenlopende vormen hebben. De desbetreffende vastleggingskredieten mogen voor ten hoogste drie achtereenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen. De wetgevingsprocedure moet vóór het einde van het derde begrotingsjaar zijn beëindigd".
Proefprojecten/voorbereidende acties in het Interinstitutioneel Akkoord
6. Naast het Financieel Reglement is de tweede belangrijke tekst met betrekking tot de proefprojecten/voorbereidende acties het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006, dat het kader verder vaststelt.
7. In punt D van bijlage II bij het Interinstitutioneel Akkoord is bepaald dat "om de Commissie in staat te stellen, tijdig de uitvoerbaarheid te onderzoeken van de door de begrotingsautoriteit overwogen wijzigingen waarbij nieuwe voorbereidende acties/proefprojecten in het leven worden geroepen of bestaande worden verlengd, geven de twee takken van de begrotingsautoriteit de Commissie tegen half juni kennis van hun voornemens dienaangaande, opdat een eerste bespreking daarvan reeds kan plaatsvinden tijdens het overleg bij de eerste lezing van de Raad".
8. Het Interinstitutioneel Akkoord geeft ook duidelijke budgettaire plafonds aan voor proefprojecten/voorbereidende acties: "Voorts komen de drie instellingen overeen, het totale bedrag aan kredieten voor proefprojecten te begrenzen tot 40 miljoen EUR per begrotingsjaar. Tevens komen zij overeen, dat het totale bedrag aan kredieten voor nieuwe voorbereidende acties 50 miljoen EUR per begrotingsjaar en het totale bedrag aan daadwerkelijk vastgelegde kredieten voor voorbereidende acties 100 miljoen EUR niet mogen overschrijden".
9. De rapporteur voor 2010 is zich ten volle bewust van deze verplichting en betreurt het feit dat deze bepaling in het Interinstitutioneel Akkoord niet kon worden nageleefd, als gevolg van de verkiezing van het nieuwe Parlement op 7 juni. Een lijst met de proefprojecten/voorbereidende acties moet zo spoedig mogelijk na de constituerende vergadering in september 2009 worden meegedeeld.
2. Bestaande proefprojecten/voorbereidende acties (in de begroting 2009)
10. In het VOB 2010 zijn er, net als in het VOB 2009, voor de meeste bestaande proefprojecten/voorbereidende acties geen vastleggingskredieten. Voor de meeste lopende proefprojecten en voorbereidende acties zijn er bijgevolg alleen betalingskredieten.
11. De Commissie heeft in haar VOB 2010 maar aan drie voorbereidende acties vastleggingskredieten toegewezen:
15 05 11 — Voorbereidende actie op het gebied van sport (EUR 1,5 miljoen).
12. De Commissie heeft in het VOB 2010 aan geen enkel proefproject vastleggingskredieten toegewezen.
Voorts zijn er voor vier lopende proefprojecten en voorbereidende acties niet eens betalingskredieten:
13 03 22 — Proefproject — Erasmus voor lokale en regionale afgevaardigden
07 03 16 — Proefproject — Preventieve acties voor het tegengaan van verwoestijning in Europa
17 02 03 — Voorbereidende actie — Toezichtmaatregelen op het gebied van het consumentenbeleid
19 06 07 — Proefproject — Steun voor bewakings- en beschermingsmaatregelen voor vaartuigen uit de Gemeenschap die door gebieden varen waar piraterij een bedreiging vormt.
13. De cijfers kunnen in detail worden geraadpleegd in de bijgevoegde tabel. Het totale bedrag dat momenteel wordt voorgesteld voor "bestaande" proefprojecten is EUR 0 in VK en EUR 28,23 miljoen EUR in BK, voor "lopende" voorbereidende acties is het EUR 12,6 miljoen in VK en EUR 62,444 miljoen in BK. Aangezien proefprojecten/voorbereidende acties een prerogatieve zijn van het EP, stelt de Commissie geen nieuwe proefprojecten voor.
3. Conclusies
14. Uiteindelijk wordt het kader waarin alle proefprojecten/voorbereidende acties moeten passen, bepaald door de globale plafonds van het MFK 2007-2013. Het is mogelijk dat het Parlement op een gegeven moment geen proefprojecten/voorbereidende acties kan goedkeuren tot het maximumfinancieringsniveau waarin bijlage II, punt D, van het Interinstitutioneel Akkoord voorziet (EUR 40 miljoen voor proefprojecten, EUR 100 miljoen voor voorbereidende acties, per jaar), omdat er gewoon niet voldoende marge is binnen de desbetreffende rubriek van het MFK.
15. Alle nieuwe EU-activiteiten in de begroting zullen de beschikbare marges binnen het MFK verlagen. De rapporteur voor de begroting 2010 zal daarom moeten bekijken of de prioriteiten van het Parlement met de marges in de verschillende rubrieken überhaupt voldoende gefinancierd kunnen worden.
16.De rapporteurs 2009 en 2010 willen graag de aandacht vestigen op het feit dat de beschikbaarheid van middelen voor nieuwe proefprojecten en voorbereidende acties rechtstreeks verband houdt met de wens van het EP om de financiering van bestaande proefprojecten en voorbereidende acties voort te zetten. Daarom is het uitermate belangrijk om in een vroeg stadium van de voorbereiding van de begrotingsprocedure 2010 een idee te krijgen over de mogelijke projecten/acties die het niet waard zijn om in 2010 te worden voortgezet.
17. Het succes van het Parlement op het gebied van proefprojecten en voorbereidende acties mag niet worden gemeten aan het aantal proefprojecten/voorbereidende acties dat in de plenaire vergadering wordt goedgekeurd. De rapporteurs adviseren veeleer zich te concentreren op de kwaliteit, de uitvoerbaarheid en de toegevoegde waarde van de voorgestelde proefprojecten/voorbereidende acties, die beter kunnen, als de beschikbare middelen voor elk project/elke actie geen kritisch minimum halen.
18. De rapporteurs hopen dat de Begrotingscommissie er in nauwe samenwerking met de andere EP-commissies in slaagt zo spoedig mogelijk een lijst met proefprojecten en voorbereidende acties voor de begrotingsprocedure 2010 op te stellen.
Status
Begrotingslijn en titel 2008 2009 2010 Begroting 2009 Voorontwerp van begroting 2010
PROEFPROJECTEN
1a: Concurrentievermogen ter bevordering van groei en werkgelegenheid
02 02 03 01 CPP CPP CPP p.m. p.m. p.m. p.m.
Consolidering van de interne markt — Proefproject
«Samenwerking en clustervorming van
ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf (mkb)»
02 02 03 03 CPP CPP CPP p.m. 750.000 p.m. p.m.
Proefproject — Kennisoverbrenging in het midden- en kleinbedrijf