– gelet op artikel 3, lid 5, en de artikelen 18, 21, 24, 26, 27 en 47 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de versie van het Verdrag van Lissabon,
– gezien Verklaring nr. 15 ad artikel 27 van het Verdrag betreffende de Europese Unie die is gehecht aan de slotakte van de Intergouvernementele Conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 februari 2008 over het Verdrag van Lissabon, en met name punt 5, onder e)(1),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 september 2000 over de gemeenschappelijke communautaire diplomatieke dienst(2),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 juni 2001 over de mededeling van de Commissie over de ontwikkeling van de buitenlandse dienst(3),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 mei 2005 over de institutionele aspecten van de oprichting van een Europese Dienst voor extern optreden(4),
– gezien de workshop van 10 september 2008 van de Commissie constitutionele zaken,
– gelet op artikel 48 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0041/2009),
A. overwegende dat de opzet van de toekomstige Europese Dienst voor extern optreden (EEAS) van het grootste belang is om de externe betrekkingen van de Unie coherenter en efficiënter te maken en meer zichtbaarheid te geven,
B. overwegende dat de EEAS voortvloeit uit drie nieuwe elementen die door het Verdrag van Lissabon worden ingevoerd, namelijk de verkiezing van een niet-roterende voorzitter van de Europese Raad, die verantwoordelijk zal zijn voor de externe vertegenwoordiging van de Unie op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders, de aanwijzing door de Europese Raad, met de instemming van de voorzitter van de Commissie, van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die tevens vicevoorzitter van de Commissie verantwoordelijk voor externe betrekkingen zal zijn ("de VV/HV"), en de uitdrukkelijke toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de Unie, die haar volledige vrijheid geeft om op internationaal niveau op te treden,
C. overwegende dat de EEAS een logische uitbreiding van het communautair acquis op het gebied van de externe betrekkingen van de Unie vormt, aangezien de EEAS voor meer coördinatie tussen de betrokken administratieve diensten zal zorgen met het oog op een gezamenlijke aanpak van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en de overeenkomstig het communautaire model onderhouden externe betrekkingen van de Gemeenschap; overwegende dat de EEAS een aanvulling op de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten vormt, zonder deze ter discussie te stellen,
D. overwegende dat de Europese Unie de laatste decennia op het wereldtoneel een steeds belangrijker rol is gaan spelen, en dat een nieuwe benadering nodig is wil de EU coherent, consistent, efficiënt en gezamenlijk kunnen optreden en de mondiale opgaven aankunnen,
E. overwegende dat het Europees Parlement steeds heeft gepleit voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese diplomatieke dienst die in verhouding staat tot de internationale rol van de Unie, en die de zichtbaarheid van de Unie en haar vermogen tot effectief optreden in de internationale arena moet vergroten; roept de Raad, de Commissie en de lidstaten op de oprichting van een gemeenschappelijke Europese diplomatieke dienst aan te grijpen als gelegenheid voor de totstandbrenging van een coherenter, consistenter en doelmatiger buitenlands beleid,
F. overwegende dat de oprichting van de EEAS ertoe moet bijdragen dat dubbel werk, inefficiëntie en verkwisting van middelen in het externe optreden van de Unie worden vermeden,
G. overwegende dat de EEAS moet dienen om de EU meer zichtbaarheid te geven als leidende partner van de ontwikkelingslanden en moet voortbouwen op de nauwe betrekkingen van de EU met de ontwikkelingslanden,
H. overwegende dat ontwikkelingssamenwerking in het Verdrag van Lissabon wordt vermeld als autonoom beleidsgebied met eigen doelstellingen, op gelijke voet met andere onderdelen van het extern beleid,
I. overwegende dat de regeringen van de lidstaten in Verklaring nr. 15 ad artikel 27 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verklaard hebben dat de VV/HV, de Commissie en de lidstaten met voorbereidende werkzaamheden voor de EEAS moeten beginnen zodra het Verdrag van Lissabon ondertekend is,
J. overwegende dat de VV/HV verantwoordelijk zal zijn voor de samenhang van het externe optreden van de Unie; overwegende dat hij in het kader van zijn taak als vicevoorzitter van de Commissie de bevoegdheden van de Commissie op het gebied van de externe betrekkingen zal uitoefenen en tegelijk in opdracht van de Raad verantwoordelijk zal zijn voor het GBVB ("dubbel mandaat"); overwegende dat de VV/HV gebruik zal maken van de EEAS; overwegende dat het personeel van de EEAS zal worden samengesteld uit ambtenaren van het secretariaat van de Raad en de Commissie en gedelegeerd personeel van nationale diplomatieke diensten,
K. overwegende dat de Commissie, uit hoofde van de Verdragen en het in de jurisprudentie van het Hof van Justitie erkende recht van de communautaire instellingen zelf verantwoordelijk te zijn voor hun organisatie, naarmate het externe optreden van de Gemeenschappen zich uitbreidde tal van delegaties in derde landen en bij internationale organisaties heeft ingesteld; overwegende dat de Raad verbindingsbureaus in New York en Genève heeft om de betrekkingen met de Verenigde Naties te onderhouden; overwegende dat de gecombineerde inbreng van deze delegaties van de Commissie en verbindingsbureaus van de Raad, of de samenvoeging daarvan tot gezamenlijke vertegenwoordigingen van de Raad en de Commissie, een netwerk met ongeveer 5 000 personeelsleden zal vormen, dat een van de grondslagen voor de oprichting van de EEAS zal zijn,
L. overwegende dat de organisatie en de werkwijze van de EEAS zodra het Verdrag van Lissabon in werking is getreden, zullen worden vastgesteld bij een besluit van de Raad op voorstel van de VV/HV, na raadpleging van het Parlement en met instemming van de Commissie,
M. overwegende dat een aantal principekwesties in verband met de opzet van de EEAS tijdig moet worden opgelost zodat de dienst zijn werkzaamheden zo spoedig mogelijk na de aanwijzing van de VV/HV kan aanvatten,
N. overwegende dat - in aanmerking nemende dat het Europees Parlement over de oprichting van de EEAS zal moeten worden geraadpleegd, en lettend op de budgettaire consequenties - een vroegtijdige en inhoudelijke dialoog met het Parlement van essentieel belang is om te zorgen dat EEAS daadwerkelijk van start gaat en de nodige financiële middelen krijgt,
1. wijst erop dat Conventie na diepgaande discussies over de opzet van de EEAS een model heeft voorgesteld waarin een belangrijke rol is weggelegd voor het Parlement en de Commissie; wijst erop dat de bijzondere procedure die de Intergouvernementele Conferentie uiteindelijk in het Verdrag van Lissabon heeft vastgesteld – namelijk een eenparig besluit van de Raad op voorstel van de VV/HV, na raadpleging van het Europees Parlement en met instemming van de Commissie – het evenwicht tussen de instellingen van de Unie handhaaft en vereist dat er consensus bestaat over een oplossing;
2. herinnert de Commissie er nogmaals aan dat het besluit tot oprichting van de EEAS niet kan worden vastgesteld zonder instemming van de Commissie; verzoekt de Commissie bij de voorbereidende werkzaamheden ter zake haar volle institutionele gewicht in de schaal te leggen om het communautaire model op het gebied van de externe betrekkingen van de Unie te behouden en verder te ontwikkelen; herinnert er bovendien aan dat bij de oprichting van de EEAS overeenstemming moet worden bereikt over de begrotingsaspecten;
3. vraagt de Commissie, de Raad, de lidstaten en de volgende HV/VV om duidelijk te kiezen voor een alomvattend en ambitieus plan voor de oprichting van de EEAS, waarbij ook het Parlement betrokken wordt;
4. beveelt aan om de aanpak van de EEAS, die zal worden opgericht overeenkomstig de artikelen 18, 27 en 40 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de versie van het Verdrag van Lissabon, te laten evolueren naar gelang van de ervaring; is van mening dat een orgaan als de EEAS niet volledig van tevoren kan worden omschreven of vastgelegd, maar volgens een geleidelijk, door wederzijds vertrouwen, toenemende knowhow en gemeenschappelijke ervaring geschraagd proces moet worden opgezet;
5. herinnert eraan dat de EEAS de volledige toepassing van het Handvest van de grondrechten moet waarborgen, bij het externe optreden van de Unie in al zijn aspecten, in overeenstemming met de geest en het doel van het verdrag van Lissabon; onderstreept de verantwoordelijkheid van de EEAS voor het waarborgen van de samenhang tussen het externe optreden en andere beleidsterreinen, overeenkomstig artikel 21, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon;
6. bevestigt de volgende beginselen en verzoekt de Commissie met aandrang om in toekomstige voorstellen vast te houden aan de naleving van deze beginselen, overeenkomstig de geest en het doel van de bepalingen van het Verdrag van Lissabon en de in de geest van de beraadslagingen van de Conventie:
(a) het personeel van de EEAS moet op grond van verdienste, deskundigheid en uitmuntendheid worden benoemd en in passende en evenwichtige verhoudingen afkomstig zijn van de Commissie, de Raad en nationale diplomatieke diensten via open en transparante procedures, zodat de VV/HV op gelijke wijze een beroep kan doen op de kennis en ervaring van alle drie; voorts moet de institutionele opzet van de EEAS een genderarchitectuur omvatten die een juiste afspiegeling is van de verplichtingen die de Unie ten aanzien van gendermainstreaming is aangegaan;
(b) de EEAS moet een vorm aannemen die het externe optreden van de Unie en haar vertegenwoordiging in buitenlandse betrekkingen coherenter maakt; daartoe moeten met name de eenheden die met externe betrekkingen in engere zin belast zijn, alsook leidinggevende functies in de delegaties in derde landen bij de EEAS worden ondergebracht; in de loop van de verdere ontwikkeling kan vervolgens worden overwogen welke andere functies aan de EEAS moeten worden toegewezen;
(c) het is niet nodig alle directoraten-generaal van de Commissie hun bevoegdheden op het gebied van externe betrekkingen te ontnemen; met name op gebieden waar de Commissie uitvoeringsbevoegdheden heeft, moeten de huidige communautaire beleidsgebieden met een externe dimensie een geheel blijven vormen; de Commissie moet ter vermijding van dubbel werk een specifiek model voorleggen voor de desbetreffende diensten, zoals de directoraten-generaal Handel, Uitbreiding en Ontwikkeling en betrekkingen met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, EuropeAid, het Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap, de dienst voor mensenrechten en democratie, de dienst voor verkiezingsondersteuning, en de diensten van het directoraat-generaal Economische en financiële zaken die met externe betrekkingen te maken hebben;
(d) de eenheden voor militaire en civiele crisisbeheersing moeten onder het gezag van de Hoge Vertegenwoordiger worden geplaatst, terwijl er voor het militaire personeel wellicht een andere bevels- en organisatiestructuur nodig zal zijn dan voor het civiele personeel; het is van essentieel belang dat de verschillende functionarissen binnen de EEAS hun inlichtingenanalyses delen om de Hoge Vertegenwoordiger behulpzaam te kunnen zijn bij de vervulling van diens mandaat tot het voeren van een samenhangend, consistent en doelmatig extern beleid voor de Unie;
(e) de delegaties van de Commissie in derde landen en de verbindingsbureaus van de Raad, alsmede zo mogelijk de bureaus van de speciale EU-gezanten, moeten worden samengevoegd tot "ambassades van de Unie" onder leiding van personeelsleden van de EEAS die verantwoording verschuldigd zijn aan de VV/HV; er mag niet worden belet dat gespecialiseerde adviseurs van de directoraten-generaal van de Commissie worden gedelegeerd om in dat kader te gaan werken;
(f) de EEAS moet ervoor zorgen dat het Europees Parlement contactpersonen in de EU-delegaties heeft die garant staan voor de samenwerking met het Europees Parlement (bijvoorbeeld om de parlementaire contacten in derde landen te bevorderen);
7. is van mening dat de EEAS als dienst met een uit organisatorisch en budgettair oogpunt eigen aard moet worden opgenomen in de administratieve structuur van de Commissie, daar dit volledige transparantie garandeert; is van oordeel dat in het besluit tot oprichting van de EEAS op juridisch bindende wijze, door middel van de leidinggevende bevoegdheden van de VV/HV, moet worden gegarandeerd dat de dienst overeenkomstig het Verdrag van Lissabon onderworpen is aan de besluiten van de Raad op de klassieke gebieden van het externe beleid (GBVB en GVDB) en de besluiten van het college van commissarissen op het gebied van de gezamenlijke externe betrekkingen; is van mening dat de EEAS als volgt moet worden opgezet:
(a) alle personeelsleden van de EEAS moeten dezelfde vaste of tijdelijke status en dezelfde rechten en plichten hebben, ongeacht hun oorsprong; er mag bijvoorbeeld geen verschil zijn tussen tijdelijke en vaste functionarissen wat hun taken of hun plaats in het organisatieschema betreft; op grond van hun respectieve herkomst moeten tijdelijke personeelsleden onder het statuut van de EU-ambtenaren vallen, met dien verstande dat de autoriteiten van hun dienst van oorsprong hen in het belang van de dienst naar de EEAS delegeren;
(b) de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag moeten worden toegewezen aan de VV/HV, zodat de dienstinstructies worden verstrekt overeenkomstig de uit het Verdrag voortvloeiende verantwoordelijkheden en zodat de VV/HR beslist over benoemingen, bevorderingen en beëindiging van arbeidsovereenkomsten;
(c) in de context van de instructies die uit de in de Verdragen omschreven verantwoordelijkheden voortvloeien, moet het personeel van de EEAS over een zekere objectieve onafhankelijkheid beschikken, zodat de dienst zijn taken optimaal kan uitvoeren; deze onafhankelijkheid kan worden gegarandeerd door benoemingen voor een vaste termijn, bijvoorbeeld vijf jaar, die eventueel kan worden verlengd en die slechts kan worden verkort indien het personeelslid zich niet aan zijn ambtelijke verplichtingen houdt;
(d) naar analogie van precedenten(5) moet de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de taken van het tot aanstelling bevoegde gezag met betrekking tot het beheer van de indienstneming van het EEAS-personeel en de uitvoering van de besluiten van de VV/HV betreffende benoemingen, bevorderingen en verlenging of beëindiging van arbeidsovereenkomsten, worden toegewezen aan het bevoegde directoraat-generaal van de Commissie;
(e) detachering bij de EEAS door een nationale diplomatieke dienst moet worden beschouwd als integraal deel van de loopbaan binnen die dienst;
(f) in het besluit tot oprichting van de EEAS moet de organisatiestructuur van de dienst worden vastgesteld, met dien verstande dat de personeelsformatie in het kader van de begrotingsprocedure wordt goedgekeurd als onderdeel van de begroting van de Commissie (administratieve uitgaven), zodat de dienst op structurele wijze en gelijke tred houdend met de vastgestelde behoeften kan worden opgebouwd;
(g) de oprichting van de EEAS noopt tot aanpassing van het interinstitutioneel akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(6), zoals bepaald in artikel 4 en deel G daarvan; wijst erop dat het beginsel van de verdeling in beleidsuitgaven en administratieve uitgaven (artikel 40, lid 2 van het Financieel Reglement(7)) strikt aangehouden moet worden; herinnert aan de noodzaak om met het Parlement tot overeenstemming te komen over de toekomstige voorstellen van de Commissie tot wijziging van het Financieel Reglement en het Statuut van het personeel;
(h) verklaart zich nogmaals vastbesloten om ten volle gebruik te maken van zijn begrotingsbevoegdheden waar het gaat om deze institutionele vernieuwingen; benadrukt dat alle aspecten rond de financieringsafspraken voor de EEAS onder toezicht moeten blijven staan van de begrotingsautoriteit, overeenkomstig de Verdragen;
(i) de VV/HV moet per geval en naar gelang van de te verrichten taken beslissen wie hem vervangt als hij afwezig is;
8. is van mening dat de EEAS:
(a) onder leiding moet staan van een directeur-generaal die verantwoording verschuldigd is aan de VV/HV en dat de directeur-generaal de VV/HR in bepaalde gevallen kan vertegenwoordigen;
(b) moet worden onderverdeeld in een aantal directoraten die elk verantwoordelijk zijn voor een geostrategisch belangrijk gebied van de externe betrekkingen van de Unie, alsmede directoraten voor veiligheids- en defensiebeleid, civiele crisisbeheersing, multilaterale en horizontale kwesties, waaronder mensenrechten, en administratieve kwesties;
(c) in het kader van elk directoraat de samenwerking tussen de landeneenheden in Brussel en de delegaties (ambassades) van de Unie in derde landen structureert;
(d) merkt op dat waar de delegaties van de EU in derde landen de bestaande diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten zullen aanvullen, zich mogelijkheden aandienen voor efficiëntiewinst op langere termijn, doordat de toekomstige EU-delegatie in veel gevallen consulaire diensten kan overnemen en kwesties rond Schengenvisa kan afhandelen;
9. is van mening dat in het besluit betreffende de organisatie en het functioneren van de EEAS ook moet worden bepaald dat de ambassades van de Unie in derde landen de leden van alle instellingen van de Unie zo nodig en al naar gelang de middelen waarover zij beschikken, logistieke en administratieve ondersteuning moeten bieden; gaat ervan uit dat de delegaties van de Europese Unie integraal deel zullen uitmaken van de EEAS en dat zij hun instructies krijgen van de VV/HV en onder diens toezicht staan, terwijl zij administratief tot de Commissie behoren; verlangt echter van de volgende VV/HV de toezegging, dat hij/zij de EP-Commissie buitenlandse zaken zal informeren omtrent zijn/haar benoemingen op hoge posten van de EEAS en de commissie zal toestaan hoorzittingen te houden met de kandidaten indien de commissie daartoe besluit; verlangt tevens dat de volgende VV/HV zich verbindt met het Europees Parlement opnieuw te zullen onderhandelen over het huidige Interinstitutioneel Akkoord, met name over toegang tot gevoelige informatie en andere kwesties die van belang zijn voor een soepele interinstitutionele samenwerking;
10. gaat ervan uit dat de delegaties van de Europese Unie integraal deel zullen uitmaken van de EEAS en dat zij hun instructies krijgen van de VV/HV en onder diens toezicht staan, terwijl zij administratief tot de Commissie behoren; verlangt echter van de volgende VV/HV de toezegging, dat hij/zij de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking van het Europees Parlement zal informeren omtrent zijn/haar benoemingen op hoge posten van de EEAS en de commissies zal toestaan hoorzittingen te houden met de kandidaten indien de commissies daartoe besluiten; verlangt tevens dat de volgende VV/HV zich verbindt met het Europees Parlement te zullen onderhandelen over het huidige Interinstitutioneel Akkoord, met name over toegang tot gevoelige informatie en andere kwesties die van belang zijn voor een soepele interinstitutionele samenwerking;
11. stelt voor te onderzoeken in hoeverre de bij ambassades van de Unie gedelegeerde personeelsleden van nationale consulaire diensten naast de vervulling van hun politieke en economische taken zo nodig ook geleidelijk verantwoordelijk kunnen worden voor consulaire taken ten behoeve van burgers van derde landen en taken met betrekking tot de diplomatieke en consulaire bescherming van burgers van de Unie in derde landen, zoals reeds is bepaald in artikel 20 van het EG-Verdrag; stelt verder voor om mogelijkheden voor samenwerking tussen ambtenaren van het Parlement en de EEAS te overwegen;
12. acht het noodzakelijk verdere maatregelen te nemen om ambtenaren van de Unie te scholen in externe betrekkingen; stelt voor om een Europese diplomatenschool op te richten die ambtenaren van de Unie en de lidstaten die taken op het gebied van externe betrekkingen moeten vervullen, in samenwerking met bevoegde instellingen in de lidstaten een passende opleiding in consulaire en gezantschapsprocedures, diplomatie en internationale betrekkingen, alsmede over de geschiedenis en het functioneren van de Europese Unie kan verstrekken;
13. verzoekt de VV/HV om, rekening houdend met de in deze resolutie vermelde richtsnoeren, een ontwerpvoorstel voor een besluit betreffende de organisatie en het functioneren van de EEAS op te stellen; behoudt zich het recht voor om overeenkomstig artikel 27, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de versie van het Verdrag van Lissabon een gedetailleerd standpunt over dat voorstel vast te stellen en de financiële aspecten ervan in de loop van de begrotingsprocedure te onderzoeken; beveelt echter aan dat in een vroeg stadium over alle kwesties een politiek akkoord met het Parlement wordt bereikt, zodat na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon geen kostbare tijd wordt verspild met politieke controverse over de vorm die de EEAS moet aannemen;
14. verzoekt de Commissie slechts met het voorstel van de VV/HV in te stemmen als het grotendeels overeenstemt met de in deze resolutie vermelde richtsnoeren of als er via contacten tussen de instellingen, waaronder het Parlement, consensus wordt bereikt over een andere compromisoplossing;
15. is vastbesloten de voorgedragen vicevoorzitter van de volgende Commissie te verzoeken een standpunt in te nemen over de kwesties die in deze resolutie aan de orde worden gesteld, wanneer hij voor de ter zake bevoegde commissie verschijnt in de loop van de procedure voor de benoeming van de volgende Commissie;
16. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Verordening (EG, Euratom) Nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.).
ADVIES VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN (*) (19.10.2009)
aan de Commissie constitutionele zaken
inzake de institutionele aspecten van de oprichting van de Europese dienst voor extern optreden
Rapporteur voor advies (*) : Annemie Neyts-Uyttebroeck
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. wijst erop dat de Europese Unie de laatste decennia op het wereldtoneel een steeds belangrijker rol is gaan spelen, en dat een nieuwe benadering nodig is wil de EU coherent, consistent, efficiënt en gezamenlijk kunnen optreden en de mondiale opgaven aankunnen;
2. is verheugd over de uitslag van het Ierse referendum die de weg vrijmaakt voor de voltooiing van de ratificatieprocedure van het Verdrag van Lissabon en de opzet van een nieuwe institutionele structuur, die voorziet in een permanente voorzitter van de Europese Raad die zorg draagt voor de externe vertegenwoordiging van de EU in aangelegenheden die het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) betreffen, en de nieuwe functie van Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, die tevens zal optreden als vicevoorzitter van de Commissie; merkt op dat de Hoge Vertegenwoordiger in opdracht van de Raad het GBVB van de Unie uitvoert en voorstellen indient voor de ontwikkeling van dat beleid en dat de Raad en de Hoge Vertegenwoordiger zullen toezien op de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het externe optreden van de Unie; herinnert eraan dat de Hoge vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn mandaat zal worden bijgestaan door de Europese Dienst voor extern optreden (EESA);
3. onderstreept dat het Europees Parlement steeds heeft gepleit voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese diplomatieke dienst die in verhouding staat tot de internationale rol van de Unie, en die de zichtbaarheid van de Unie en haar vermogen tot effectief optreden in de internationale arena moet vergroten; roept de Raad, de Commissie en de lidstaten op de oprichting van een gemeenschappelijke Europese diplomatieke dienst aan te grijpen als gelegenheid voor de totstandbrenging van een coherenter, consistenter en doelmatiger buitenlands beleid;
4. de institutionele opzet van de EESA moet een genderarchitectuur omvatten die in een juiste verhouding staat tot de verplichtingen die de Unie ten aanzien van gendermainstreaming is aangegaan;
5. beschouwt - in aanmerking nemende dat het Europees Parlement over de oprichting van de EESA zal moeten worden geraadpleegd, en lettend op de budgettaire consequenties - een vroegtijdige en inhoudelijke dialoog met het Parlement van essentieel belang om te zorgen dat EESA daadwerkelijk van start gaat en de nodige financiële middelen krijgt;
6. vraagt de Hoge Vertegenwoordiger zo snel mogelijk met voorstellen te komen; houdt vast aan inachtneming van de volgende beginselen:
(a) de EESA moet geen autonome dienst zijn, maar moet worden opgericht binnen de administratieve en budgettaire structuur van de Commissie, om vandaar uit getrouw haar verdragsmandaat uit te voeren, namelijk de vicevoorzitter/Hoge Vertegenwoordiger bij te staan bij het namens de Raad voeren van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie en het uitvoeren van het buitenlandse optreden van de Commissie;
(b) de EESA zal zich bezighouden met het GBVB en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en met de taken en beleidsterreinen die tot dusver worden waargenomen door het directoraat-generaal voor buitenlandse betrekkingen (DG Relex) van de Commissie; daarnaast dient de Hoge Vertegenwoordiger een omvattend voorstel voor te leggen voor de wijze waarop andere belangrijke beleidsgebieden in verband met het extern optreden binnen de nieuwe institutionele opzet moeten worden georganiseerd; uitbreiding, handel, ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulpverlening vormen tezamen een wezenlijk bestanddeel van het algemene externe beleid van de EU; er zijn dringende redenen om ontwikkelingsbeleid ook bij de nieuwe dienst onder te brengen;
(c) de EESA moet ook de eenheden voor militaire en civiele crisisbeheersing binnen het secretariaat van de Raad omvatten, ook al zal er voor het militaire personeel wellicht een andere bevels- en organisatiestructuur nodig zijn dan voor het civiele personeel; het is van essentieel belang dat de verschillende functionarissen binnen de EESA hun inlichtingenanalyses delen om de Hoge Vertegenwoordiger behulpzaam te kunnen zijn bij de vervulling van diens mandaat tot het voeren van een samenhangend, consistent en doelmatig extern beleid voor de Unie;
(d) de Hoge Vertegenwoordiger moet bijzondere aandacht schenken aan de aanwerving en andere personeelsaangelegenheden, aangezien het personeelsbestand van de EESA ambtenaren van de Commissie, de Raad en de lidstaten zal omvatten; om de EESA te laten uitgroeien tot een professionele diplomatieke dienst moet het adequaat zijn toegerust met middelen en personeel, te selecteren op basis van verdienste, volgens daarvoor geëigende procedures, en in een passend geografisch evenwicht;
(e) de diplomaten uit de lidstaten en de ambtenaren die van de Commissie en de Raad afkomstig zijn, moeten een gelijkwaardige status en rol te krijgen, en dezelfde aanstellings-/arbeidsvoorwaarden genieten, ongeacht of zij als gedetacheerd nationaal ambtenaar, tijdelijk functionaris of als EU-ambtenaar werkzaam zijn;
(f) het kweken van een "esprit de corps" door gezamenlijke opleiding en professionele ontwikkeling is van essentieel belang voor het uiteindelijke doel van de EESA: een kader voor een geïntegreerde diplomatie die de nationale en de Europese diplomatie in zich verenigt; voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke Europese diplomatieke cultuur in de internationale betrekkingen van de EU zijn gezamenlijke opleidingsprogramma's en een gemeenschappelijke diplomatieke studieopzet nodig; de bestaande opleidingsmaatregelen en netwerken voor diplomatieke opleidingscentra zouden op een nuttige manier kunnen worden versterkt. Ze kunnen eventueel ook worden ondergebracht in een Europese Diplomatenschool, op basis van, onder meer, gepaste instellingen van de lidstaten;
(g) de EESA moet ervoor zorgen dat het Europees Parlement beschikt over contactpersonen in de EU-delegaties die samenwerking met het Europees Parlement waarborgen (bijvoorbeeld om zich bezig te houden met parlementaire contacten in derde landen);
7. gaat ervan uit dat de delegaties van de Europese Unie integraal deel zullen uitmaken van de EESA en dat zij hun instructies krijgen van de Hoge Vertegenwoordiger en onder diens toezicht staan, terwijl zij administratief tot de Commissie behoren; verlangt echter van de volgende Hoge Vertegenwoordiger de toezegging, dat hij/zij de bevoegde parlementaire commissies zal informeren omtrent zijn/haar benoemingen op hoge posten van de EESA en de commissies zal toestaan hoorzittingen te houden met de kandidaten indien de commissies daartoe besluiten; verlangt tevens dat de volgende Hoge Vertegenwoordiger zich verbindt met het Europees Parlement te zullen onderhandelen over het huidige Interinstitutioneel Akkoord, met name over toegang tot gevoelige informatie en andere kwesties die van belang zijn voor een soepele interinstitutionele samenwerking;
8. merkt op dat waar de delegaties van de EU in derde landen de bestaande diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten zullen aanvullen, zich mogelijkheden aandienen voor efficiëntiewinst op langere termijn, doordat de toekomstige EU-delegatie indien nodig geleidelijk aan consulaire diensten kan overnemen;
9. vraagt de Commissie, de Raad, de lidstaten en de volgende Hoge Vertegenwoordiger om in overleg met het Europees Parlement duidelijk te kiezen voor een alomvattend, ambitieus en eenstemmig plan voor de oprichting van de EESA, omdat een geleidelijke en stapsgewijze aanpak kan leiden tot tegenstrijdigheden en verspilling van middelen; gelet op de complexiteit van de betrokken kwesties, en om een eerlijke vertegenwoordiging van alle lidstaten in de EESA te waarborgen, moet worden gekozen voor een geleidelijke aanpak; er moet binnen een redelijke termijn worden voorzien in een herzieningsclausule;
10. beveelt aan een stroomlijningsproces op te starten voor de bestaande EU-vertegenwoordigingen in multilaterale fora, zoals de bureaus van de Raad en de Commissie bij de Verenigde Naties; stelt voor de mogelijkheid te onderzoeken EU-delegaties te vestigen bij multilaterale fora waar momenteel geen dergelijke delegatie bestaat en waar er een praktische nood is aan aanwezigheid van de EU, zoals bij de NAVO en de OVSE;
11. verklaart zich nogmaals vastbesloten om ten volle gebruik te maken van zijn begrotingsbevoegdheden waar het gaat om deze institutionele vernieuwingen en roept op tot een financiële doorlichting vóór de volgende begrotingsperiode; benadrukt dat alle aspecten rond de financieringsafspraken voor de EESA onder toezicht moeten blijven staan van de begrotingsautoriteit, overeenkomstig de Verdragen.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
19.10.2009
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
42
9
6
Bij de eindstemming aanwezige leden
Gabriele Albertini, Dominique Baudis, Bastiaan Belder, Franziska Katharina Brantner, Elmar Brok, Arnaud Danjean, Mário David, Michael Gahler, Ana Gomes, Anneli Jäätteenmäki, Jelko Kacin, Ioannis Kasoulides, Nicole Kiil-Nielsen, Andrey Kovatchev, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Eduard Kukan, Vytautas Landsbergis, Krzysztof Lisek, Barry Madlener, Mario Mauro, Jean-Luc Mélenchon, Willy Meyer, Alexander Mirsky, María Paloma Muñiz De Urquiza, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Norica Nicolai, Raimon Obiols, Kristiina Ojuland, Ria Oomen-Ruijten, Pier Antonio Panzeri, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Bernd Posselt, Hans-Gert Pöttering, Cristian Dan Preda, Jacek Saryusz-Wolski, Werner Schulz, Ernst Strasser, Charles Tannock, Zoran Thaler, Johannes Cornelis van Baalen, Geoffrey Van Orden, Kristian Vigenin, Graham Watson, Boris Zala
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Marije Cornelissen, Marielle De Sarnez, Andrew Duff, Diogo Feio, Lorenzo Fontana, Roberto Gualtieri, Liisa Jaakonsaari, Barbara Lochbihler, Vittorio Prodi, György Schöpflin, Traian Ungureanu
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)
Franz Obermayr
ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING (19.10.2009)
aan de Commissie constitutionele zaken
inzake de institutionele aspecten van de oprichting van de Europese dienst voor extern optreden
Het ontwikkelingsbeleid van de EU komt de Unie duidelijk ten goede, aangezien het de geopolitieke stabiliteit in de wereld bevordert, de migratiedruk doet afnemen en nieuwe markten opent. Daarnaast heeft het echter in de eerste plaats tot doel de armoede terug te dringen en de duurzame sociale en economische ontwikkeling van de ontwikkelingslanden en hun burgers te bevorderen.
De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Dienst voor extern optreden zullen uiteraard het EU-beleid op gebieden als buitenlandse zaken, handel en veiligheid ondersteunen, maar het is niet vanzelfsprekend dat de nieuwe dienst evenveel belang zal hechten aan het verwezenlijken van de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de EU en de millenniumdoelstellingen.
Daarom vinden wij het essentieel dat in het advies van het Parlement uitdrukkelijk wordt gewezen op ontwikkeling, en met op name de verplichting van de EU krachtens het Verdrag van Lissabon om armoede te helpen uitbannen en voor een samenhangend beleid ten behoeve van de ontwikkelingslanden te zorgen, alsook op het belang van het behoud van ontwikkelingssamenwerking als autonoom beleidsgebied, op gelijke voet met andere beleidsgebieden in verband met internationale betrekkingen en met een passende politieke en administratieve structuur.
SUGGESTIES
De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
Overweging D bis (nieuw)
D bis. overwegende dat het Verdrag van Lissabon bepaalt dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de EU en dat van de lidstaten elkaar "completeren en versterken"; overwegende dat dit moet resulteren in meer duidelijkheid in de respectieve rol van de Commissie en de lidstaten, minder overlapping, meer coördinatie tussen de donoren en een betere taakverdeling, zodat de hulp doeltreffender en kosteneffectiever wordt,
Overweging D ter (nieuw)
D ter. overwegende dat de EEAS moet dienen om de EU meer zichtbaarheid te geven als leidende partner van de ontwikkelingslanden en moet voortbouwen op de nauwe betrekkingen tussen de EU en de ontwikkelingslanden, die gebaseerd zijn op de status van de EU als grootste donor van officiële ontwikkelingshulp en humanitaire hulp en voornaamste handelspartner van de ontwikkelingslanden,
Overweging D ter bis (nieuw)
D ter bis. overwegende dat de EEAS een sterke ontwikkelingsdimensie moet hebben; overwegende dat de beginselen van het ontwikkelingsbeleid, die op doelstellingen op lange termijn gericht zijn, namelijk multilateralisme, solidariteit, dialoog en verzoening van belangen, wenselijke hoekstenen van een toekomstig buitenlands beleid van de EU zouden zijn,
Overweging D quater (nieuw)
D quater. overwegende dat ontwikkelingssamenwerking in het Verdrag van Lissabon wordt vermeld als autonoom beleidsgebied met eigen doelstellingen, op gelijke voet met andere onderdelen van het extern beleid en geenszins ondergeschikt aan het buitenlands, veiligheids- of defensiebeleid, waarbij het belang van een coherent ontwikkelingsbeleid en samenhang tussen de verschillende externe maatregelen van de EU wordt erkend, en waarvoor er ook opnieuw een echte Raad van ministers van ontwikkelingssamenwerking moet komen,
Overweging D quinquies (nieuw)
D quinquies. overwegende dat het uitbannen van armoede een van de algemene doelstellingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de versie van het Verdrag van Lissabon op het gebied van internationale betrekkingen is (artikel 21, lid 2, onder d)), alsook het hoofddoel van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, zoals bepaald in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; overwegende dat artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorts bepaalt dat de EU "bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking"; overwegende dat alle activiteiten van de EEAS die gevolgen hebben voor de ontwikkelingslanden dus armoede moeten helpen uitbannen,
Paragraaf 4 – letter b
(b) de EEAS moet een vorm aannemen die het externe optreden van de Unie en haar vertegenwoordiging in buitenlandse betrekkingen coherenter maakt; daartoe moeten met name de eenheden die met externe betrekkingen in engere zin belast zijn, alsook leidinggevende functies in de delegaties in derde landen bij de EEAS worden ondergebracht; in de loop van de verdere ontwikkeling kan vervolgens worden overwogen welke andere functies aan de EEAS moeten worden toegewezen;
Paragraaf 4 – letter c
(c) het is niet nodig alle directoraten-generaal van de Commissie hun bevoegdheden op het gebied van externe betrekkingen te ontnemen; met name op gebieden waar de Commissie uitvoeringsbevoegdheden heeft, moeten de huidige communautaire beleidsgebieden met een externe dimensie een geheel blijven vormen; de Commissie moet een specifiek model voorleggen voor de desbetreffende diensten, zoals de directoraten-generaal Handel, Uitbreiding en Ontwikkeling en betrekkingen met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, EuropeAid, het Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap, de dienst voor mensenrechten en democratie, de dienst voor verkiezingsondersteuning, en de diensten van het directoraat-generaal Economische en financiële zaken die met externe betrekkingen te maken hebben;
Paragraaf 4 – letter d bis (nieuw)
(d bis) een onafhankelijke commissaris voor ontwikkeling en humanitaire hulp moet lid zijn van het college van commissarissen, op gelijke voet met de andere commissarissen die bevoegd zijn voor andere beleidsgebieden in verband met internationale betrekkingen; deze commissaris moet, in nauwe samenwerking met de hoge vertegenwoordiger, verantwoordelijk zijn voor zowel de vaststelling als de uitvoering van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid in zowel de ACS-landen als de overige ontwikkelingslanden;
Paragraaf 4 – letter d ter (nieuw)
(d ter) bij uitbreiding moet er bij de Commissie één specifiek directoraat-generaal voor ontwikkeling zijn, dat verantwoordelijk is voor de beleidsvorming, beleidsadvies en de uitvoering van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie; dit directoraat-generaal, alsook al het personeel dat het ontwikkelingsbeleid van de Unie uitvoert, zowel in Brussel als in de delegaties in het buitenland, moet verantwoording afleggen aan de commissaris voor ontwikkeling;
Paragraaf 5 – letter c bis (nieuw)
(c bis) bij de EEAS moeten voldoende ontwikkelingsdeskundigen van nationale ministeries en het directoraat-generaal Ontwikkeling van de Commissie werken; de ambtenaren van dat directoraat-generaal moeten hun instructies krijgen van de commissaris voor ontwikkeling;
Paragraaf 6 – letter b
(b) wordt onderverdeeld in een aantal directoraten die elk verantwoordelijk zijn voor een geostrategisch belangrijk gebied van de externe betrekkingen van de Unie, alsmede directoraten voor ontwikkeling, veiligheids- en defensiebeleid, civiele crisisbeheersing, multilaterale en horizontale kwesties, waaronder mensenrechten, en administratieve kwesties.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
19.10.2009
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
26
1
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Thijs Berman, Michael Cashman, Corina Creţu, Véronique De Keyser, Nirj Deva, Catherine Greze, Enrique Guerrero Salom, András Gyürk, Eva Joly, Filip Kaczmarek, Franziska Keller, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Birgit Schnieber-Jastram, Eleni Theocharous, Patrice Tirolien, Ivo Vajgl, Iva Zanicchi, Gabriele Zimmer
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Proinsias De Rossa, Harlem Désir, Santiago Fisas Ayxela, Fiona Hall, Isabella Lövin, Louis Michel, Bart Staes, Patrizia Toia
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
19.10.2009
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
18
2
2
Bij de eindstemming aanwezige leden
Michel Barnier, Carlo Casini, Andrew Duff, Ashley Fox, Roberto Gualtieri, Zita Gurmai, Stanimir Ilchev, Morten Messerschmidt, Paulo Rangel, Potito Salatto, Algirdas Saudargas, György Schöpflin, Indrek Tarand, Rafał Kazimierz Trzaskowski, Luis Yáñez-Barnuevo García
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Elmar Brok, Jean-Luc Dehaene, Enrique Guerrero Salom, Sylvie Guillaume, Íñigo Méndez de Vigo, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Helmut Scholz, Alexandra Thein
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)
Franziska Katharina Brantner, Daniel Hannan, Alain Lamassoure