Procedure : 2009/2217(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0333/2010

Ingediende teksten :

A7-0333/2010

Debatten :

PV 15/12/2010 - 16
CRE 15/12/2010 - 16

Stemmingen :

PV 16/12/2010 - 6.5
CRE 16/12/2010 - 6.5
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0490

VERSLAG     
PDF 292kDOC 169k
22 november 2010
PE 440.141v03-00 A7-0333/2010

over een nieuwe strategie voor Afghanistan

2009/2217(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Pino Arlacchi

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over een nieuwe strategie voor Afghanistan

(2009/2217(INI))

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over Afghanistan, met name zijn resoluties van 8 juli 2008 over stabilisering van Afghanistan (1), 15 januari 2009 over de begrotingscontrole op de financiële middelen van de EU in Afghanistan (2), en 24 april 2009 over de rechten van de vrouw in Afghanistan(3),

–   gezien de op 16 november 2005 ondertekende gezamenlijke politieke verklaring EU-Afghanistan, die steunt op gedeelde prioriteiten voor Afghanistan, zoals de oprichting van sterke en verantwoordelijke instellingen, een hervorming op het gebied van veiligheid en justitie, drugsbestrijding, ontwikkeling en wederopbouw,

–   gezien de Afghanistan Compact van 2006, die de drie belangrijkste activiteitenterreinen van de Afghaanse regering voor de volgende vijf jaar heeft afgebakend: veiligheid; governance, rechtsstaat, mensenrechten; en economische en sociale ontwikkeling, alsmede de toezegging een einde te maken aan de drugsindustrie,

–   gezien de in januari 2010 in Londen gehouden Conferentie over Afghanistan, ter gelegenheid waarvan de internationale gemeenschap haar engagement ten aanzien van Afghanistan bevestigd heeft, en die de fundamenten heeft gelegd voor een internationale consensus over een strategie die moet leiden tot een "niet-militaire" oplossing voor de crisis in Afghanistan, waarbij tevens is bepaald dat de verantwoordelijkheden op het gebied van veiligheid vanaf 2011 zullen worden overgedragen aan de Afghaanse krachten, een proces dat in 2014 grotendeels zal moeten zijn voltooid,

–   gezien Resolutie 1890 (2009) van de VN-Veiligheidsraad, op grond waarvan de missie in Afghanistan van de Internationale strijdmacht voor bijstand aan de veiligheid (ISAF) wordt verlengd met een periode van 12 maanden na 13 oktober 2009, in het kader van Hoofdstuk VII van het VN-Handvest, zoals omschreven in Resoluties 1386 (2001) en 1510 (2003), en waarin de aan ISAF deelnemende lidstaten van de VN worden opgeroepen om alle noodzakelijke maatregelen te treffen voor de uitvoering van het mandaat,

–   gezien de toezegging van de deelnemers aan de Conferentie van Londen voor een aanvankelijk bedrag van 140 miljoen USD bij te dragen aan het voorgestelde "Peace and Re-integration Trust Fund", met het oog op de herintegratie van de Taliban en andere opstandelingen,

–   gezien de Vredesjirga die begin juni 2010 in Kabul is gehouden, en die tot doel had een nationale consensus te bereiken over de kwestie van de verzoening met vijanden,

–   gezien de op 20 juli 2010 gehouden "Conferentie van Kabul", waarop de vorderingen werden geëvalueerd die zijn gemaakt bij de tenuitvoerlegging van de op de Conferentie van Londen genomen besluiten, en die de Afghaanse regering een nieuwe kans heeft geboden leiderschap en zeggenschap te tonen, in samenwerking met de internationale gemeenschap, over het proces van versterking van de veiligheid en de vermogens van de Afghaanse veiligheidstroepen, de waarborging van een goed bestuur en de rechtsstaat, en de verder te volgen weg in kaart te brengen, met inbegrip van de bestrijding van de drugsproductie en -handel en de corruptie en de totstandbrenging van vrede en veiligheid, economische en sociale ontwikkeling, de mensenrechten en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen; gezien de conclusies van de "Conferentie van Kabul" van 20 juli 2010, waarin is overeengekomen dat de overdracht van de leiding van de militaire operaties aan het Afghaanse leger in alle provincies uiterlijk eind 2014 moet zijn afgerond,

–   gezien het presidentieel besluit van 17 augustus 2010, op grond waarvan er een termijn is gesteld van vier maanden voor de ontbinding van particuliere beveiligingsbedrijven in Afghanistan, met uitzondering van bedrijven die werkzaam zijn binnen compounds die gebruikt worden door buitenlandse ambassades, ondernemingen en ngo's,

–   gezien de in augustus 2009 in Afghanistan gehouden presidentsverkiezingen, het in december 2009 gepubliceerde kritische eindverslag van de waarnemingsmissie van de EU bij die verkiezingen, en de op 18 september 2010 gehouden parlementsverkiezingen,

–   gezien alle relevante conclusies van de Raad, met name de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 27 oktober 2009 en het Actieplan van de Raad voor een intensiever engagement in Afghanistan en Pakistan, alsmede de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 22 maart 2010,

–   gezien de benoeming per 1 april 2010 van een "double-hatted" speciale EU-vertegenwoordiger/hoofd van de EU-delegatie voor Afghanistan, en gezien het besluit van de Raad van 11 augustus 2010, op grond waarvan het mandaat van de speciale vertegenwoordiger Vygaudas Usackas wordt verlengd tot 31 augustus 2011,

–   gezien de verklaring van de Raad van 18 mei 2010, waarbij de politiemissie van de Europese Unie in Afghanistan (EUPOL Afghanistan) voor een periode van drie jaar werd verlengd, van 31 mei 2010 tot 31 mei 2013,

–   gezien het strategiedocument (Country Strategy Paper) voor 2007-2013, waarin het engagement van de Commissie ten aanzien van Afghanistan tot 2013 wordt geformuleerd,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010,

–   gezien het VN-verslag 2009 over menselijke ontwikkeling, waarin Afghanistan plaats 181 bekleedt op 182 landen,

–   gezien de door Afghanistan zelf verrichte "nationale risico- en kwetsbaarheidsbeoordeling 2007-2008", waarin is berekend dat het circa 570 miljoen USD zou kosten om de armoede in Afghanistan uit te bannen door al degenen die onder de armoedegrens leven op te trekken tot die grens,

–   gezien het verslag van het "Agency Coordinating Body for Afghan Relief (ACBAR)", getiteld "Falling Short – Aid Effectiveness in Afghanistan", waarin wordt onderstreept dat een aanzienlijk deel van de financiële hulp eindigt in bedrijfswinsten voor contractanten (tot 50% per contract), dat het de procedures voor overheidsopdrachten en aanbestedingen aan minimale transparantie ontbreekt, en dat de kosten van salarissen en vergoedingen van uitgezonden werknemers zeer hoog zijn,

–   gezien het verslag van de VN-missie voor bijstand in Afghanistan (UNAMA) over de bescherming van de burgers tijdens de gewapende conflicten van augustus 2010,

–   gezien de aanbevelingen van de "Peace Dividend Trust", waarin wordt gepleit voor een "Afghanistan first"-beleid, door het bevorderen van lokale, Afghaanse leveringen van goederen en diensten, in plaats van import, zodat eerst en vooral de Afghanen ervan kunnen profiteren,

–   gezien de anti-oproerstrategie van de NAVO/ISAF voor Afghanistan en de uitvoering daarvan onder het bevel van generaal Petraeus, alsook de nieuwe strategie die President Obama voor december 2010 heeft aangekondigd,

–   gezien het verslag van de "US Congressional Majority Staff", getiteld "War Lords Inc: Extortion and Corruption Along the US Supply Chain in Afghanistan" (Committee on Oversight and Government Reform, US House of Representatives, June 2010),

–   gezien het werk van het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding (UNOCD), met name zijn verslag van oktober 2009 over "Drugsverslaving, criminaliteit en opstandigheid – de transnationale bedreiging van de Afghaanse opium", alsook zijn "World Drug Report" 2010,

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0333/2010),

A. overwegende dat de internationale gemeenschap herhaaldelijk zijn steun heeft betuigd voor de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad waarin de veiligheid, welvaart en mensenrechten van alle Afghaanse burgers worden nagestreefd; overwegende dat de internationale gemeenschap impliciet erkend heeft dat negen jaar oorlog en internationale betrokkenheid het niet mogelijk hebben gemaakt de opstand van de Taliban te onderdrukken en vrede en stabiliteit tot stand te brengen in Afghanistan; en overwegende dat er sinds 2009 een nieuw anti-oproerbeleid is ingevoerd en circa 45 000 troepen ter versterking zijn ingezet,

B.  overwegende dat er geen spoedig einde van de crisis in Afghanistan in zicht is, met een coalitie van internationale troepen die niet in staat is de Taliban en de andere opstandelingen te verslaan, en een beweging van opstandelingen en Taliban die er niet in slaagt de overhand te krijgen op deze militaire macht;

C. overwegende dat generaal Stanley McChrystal in 2009 verklaarde geen aanwijzingen te hebben voor een grote aanwezigheid van Al Qaeda in Afghanistan, en dat hoge Amerikaanse ambtenaren bevestigen dat Al Qaeda nog nauwelijks in Afghanistan aanwezig is,

D. overwegende dat de veiligheids- en levensomstandigheden zijn verslechterd, waardoor de aanvaarding die op een bepaald ogenblik onder de bevolking bestond wat de aanwezigheid van de coalitie betreft is afgebrokkeld, en dat de coalitie door de bevolking steeds meer als bezettingsmacht beschouwd wordt, overwegende dat er behoefte is aan een nieuw, breder partnerschap met het Afghaanse volk, waarbij niet-vertegenwoordigde groeperingen en het maatschappelijk middenveld worden betrokken bij vredes- en verzoeningsinspanningen,

E.  overwegende dat de EU een van de grootste donors is van humanitaire en ontwikkelingshulp aan Afghanistan; overwegende dat zij een toegewijde partner is bij de inspanningen voor wederopbouw en stabilisering,

F.  overwegende dat de donoren van de Afghanistan Compact van 2006 en de Conferentie van Kabul hebben besloten een toenemend percentage van hun hulp (tot 50%) door te sluizen via de kernbegroting van de Afghaanse regering, hetzij rechtstreeks, hetzij via trustfondsmechanismen, voor zover mogelijk, maar dat op dit moment slechts 20% van de ontwikkelingshulp via de regeringsbegroting wordt uitgekeerd,

G. overwegende dat het gebrek aan coördinatie afbreuk doet aan de doeltreffendheid van de bijdragen van de EU aan de hulpverlening aan Afghanistan,

H. overwegende dat tussen 2002 en 2009 meer dan 40 miljard USD aan internationale steun naar Afghanistan is gevloeid; overwegende dat het aantal schoolgaande kinderen in deze periode is gestegen maar dat volgens schattingen van UNICEF 59% van de Afghaanse kinderen jonger dan vijf jaar nog altijd niet genoeg te eten heeft, en vijf miljoen kinderen niet de mogelijkheid hebben naar school te gaan,

I.   overwegende dat de situatie van vrouwen in het land zorgwekkend blijft; overwegende dat Afghanistan volgens VN-rapporten de op één na hoogste moedersterfte heeft met bijna 25 000 sterfgevallen per jaar, en dat slechts 12,6% van de vrouwen boven de 15 jaar kan lezen en schrijven, en 57% van de meisjes vóór de wettelijk toegestane leeftijd van zestien jaar wordt uitgehuwelijkt; overwegende dat geweld tegen vrouwen een wijdverbreid verschijnsel blijft; overwegende dat de discriminerende sjiitische wet inzake het personenrecht nog van kracht is, op grond waarvan het onder meer strafbaar is voor vrouwen hun echtgenoot seksuele gemeenschap te weigeren en verboden is voor vrouwen zonder toestemming van hun echtgenoot het huis te verlaten,

J.   overwegende dat Afghanistan partij is bij verschillende internationale verdragen ter bescherming van vrouwen en kinderen, met name het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979 en het Internationaal VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989, en overwegende dat in de Afghaanse grondwet, en in het bijzonder in artikel 22 daarvan, wordt vastgesteld dat "de burgers van Afghanistan, zowel mannen als vrouwen, voor de wet gelijke rechten en plichten hebben"; overwegende dat de Afghaanse familiewetgeving momenteel wordt herzien met het oog op een betere aanpassing aan de grondwet,

K. overwegende dat het Amerikaanse Congres in juli 2010 een audit geëist heeft naar miljarden dollars aan financiële steun die al naar Afghanistan zijn gegaan, en gestemd heeft voor een voorlopige verlaging met bijna 4 miljard USD van de steun aan de Afghaanse regering,

L.  overwegende dat de Afghaanse minister van Financiën Omar Zakhilwal kritiek heeft geleverd, enerzijds, op de aanbestedingsprocedure van de NAVO/ISAF omdat deze niet ten goede zou komen aan de lokale Afghaanse economie, en, anderzijds, op de eenzijdige interpretatie van ISAF van de regels inzake belastingvrijstelling in het kader van de overeenkomst tussen ISAF en de Afghaanse regering, en overwegende dat de minister buitenlandse contractanten ervan heeft beschuldigd aan de haal te zijn gegaan met het grootste deel van de door ISAF gefinancierde contracten, ten bedrage van circa 4 miljard dollar, wat naar verluidt een aanhoudende kapitaaluitstroom in de hand werkt; overwegende dat de Afghaanse regering een internationaal onderzoek heeft geëist,

M. overwegende dat het duidelijk is geworden dat militaire oplossingen geen uitkomst zullen bieden in Afghanistan, en dat de Verenigde Staten hebben verklaard dat zij in de zomer van 2011 een begin zullen maken met de terugtrekking van hun troepen uit Afghanistan, en dat andere landen zich al hebben teruggetrokken of hun terugtrekking aan het plannen zijn; overwegende echter dat de terugtrekking van de strijdkrachten een geleidelijke en gecoördineerde procedure moet zijn in het kader van een politiek project waarmee kan worden verzekerd dat de overdracht van de verantwoordelijkheid aan de Afghaanse veiligheidstroepen vlekkeloos verloopt,

N. overwegende dat op de Conferentie van Kabul is bepaald dat het nationale Afghaanse leger moet worden uitgebreid tot 171 600 manschappen en de Afghaanse nationale politie tegen oktober 2011 tot 134 000, met de nodige financiële en technische steun van de internationale gemeenschap,

O. overwegende dat de EUPOL-Afghanistanmissie vooral tot doel heeft bij te dragen aan het opzetten van een Afghaans politiesysteem dat beantwoordt aan de internationale normen,

P.  overwegende dat Afghanistan niet alleen de grootste opiumproducent ter wereld is, en de voornaamste heroïneleverancier van de EU en de Russische Federatie, maar volgens een recent rapport van de UNODC ook een van de belangrijkste cannabisproducenten ter wereld; overwegende dat de opiumproductie in Afghanistan de laatste twee jaar echter met 23% is gedaald en vergeleken met de piek van 2007 zelfs met een derde; overwegende dat het UNODC heeft vastgesteld dat er een duidelijk verband bestaat tussen de opiumteelt en de gebieden waar de opstand onder controle is, en dat in de delen van Afghanistan waar de regering er beter in slaagt de wet te handhaven, bijna twee derde van de landbouwers heeft aangegeven geen opium te telen vanwege het daarop heersende verbod - overwegende dat in het zuidoosten, waar de reikwijdte van de autoriteiten kleiner is, iets minder dan 40% van de landbouwers het verbod als reden heeft opgegeven voor het niet cultiveren van papaver,

Q. overwegende dat het aantal drugsverslaafde Afghaanse burgers volgens een recent rapport van de UNODC de laatste jaren dramatisch is gestegen, een trend die verreikende sociale gevolgen heeft voor de toekomst van het land,

R.  overwegende dat de EU vanaf het begin van het proces van wederopbouw een actieve rol gespeeld heeft bij de ondersteuning van de drugsbestrijding, zonder dat tot nog toe significante resultaten zijn geboekt om de wijdverbreide invloed van de drugsindustrie op de economie, het politieke stelsel, de staatsinstellingen en de maatschappij effectief terug te dringen,

S.  overwegende dat aanplantingen van papaver in Afghanistan zijn uitgeroeid met gebruikmaking van chemische herbiciden, en dat deze praktijk ernstige schade toebrengt aan mens en milieu in termen van bodem- en watervervuiling; overwegende, echter, dat er nu consensus bestaat over het feit dat de repressieve maatregelen moeten worden gericht op de drugshandel en de laboratoria voor heroïneproductie, en niet op de landbouwers; overwegende dat de grootste inspanningen nu zijn toegespitst op het bieden van alternatieve middelen van bestaan voor de landbouwers,

T.  overwegende dat Afghanistan opmerkelijke natuurlijke rijkdommen heeft, waaronder hoogwaardige delfstoffen als gas en olie, met een geschatte waarde van drie biljoen USD, en overwegende dat de Afghaanse regering erop vertrouwt dat de economische ontwikkeling door deze rijkdommen zal worden bevorderd zodra vrede en veiligheid in het land zijn hersteld,

Een nieuwe EU-strategie

1.  is zich bewust van de talrijke factoren die vooruitgang in Afghanistan belemmeren, maar geeft er de voorkeur aan zich in dit verslag te concentreren op vier hoofdterreinen waar de geleverde inspanningen naar zijn mening kunnen leiden tot verbeteringen: internationale hulp en coördinatie; de implicaties van het vredesproces; de impact van de politieopleiding; en de uitbanning van de opiumteelt via alternatieve ontwikkeling;

2.  spreekt zijn steun uit voor het nieuwe concept voor een strategie tegen de opstand, dat gericht is op de bescherming van de lokale bevolking en de wederopbouw van de gebieden waarvan de veiligheid is verzekerd, en voor het Actieplan van de EU voor Afghanistan and Pakistan;

3.  is dan ook van oordeel dat de EU-strategie voor Afghanistan de volgende twee uitgangspunten moet hebben: het besef dat de sociaaleconomische en veiligheidsindicatoren in Afghanistan gestaag verslechteren, ondanks bijna tien jaar van betrokkenheid en engagement van de internationale gemeenschap, en de noodzaak om verandering in de zienswijze van de internationale gemeenschap verder te stimuleren – de internationale gemeenschap, die in het verleden, en vooral vóór de afkondiging van de strategie tegen de opstand, al te vaak plannen heeft uitgewerkt en besluiten heeft genomen zonder veel acht te slaan op de betrokkenheid van de Afghanen zelf – zodat zij in de toekomst plannen uitwerkt en besluiten neemt in nauwe samenwerking met de Afghanen; wijst erop dat de Conferenties van Londen en Kabul een belangrijke stap in deze richting vormden;

4.  waardeert en steunt de conclusies van de Raad van oktober 2009, onder de titel "Versterking van het optreden van de EU in Afghanistan en Pakistan", waarin een meer samenhangende en gecoördineerde EU-benadering in de regio wordt geschetst en de nadruk wordt gelegd op het belang van regionale samenwerking en een meer civiele gerichtheid van het beleid inzake Afghanistan;

5.  onderstreept dat een duurzame oplossing van de Afghaanse crisis moet beginnen met het belang van de Afghaanse burgers in hun binnenlandse veiligheid, civiele bescherming en economische en sociale ontwikkeling, en concrete maatregelen moet omvatten voor de uitbanning van armoede, onderontwikkeling en vrouwendiscriminatie, meer eerbied voor de mensenrechten en de rechtsstaat, sterkere verzoeningsmechanismen, de beëindiging van de opiumproductie, inspanningen voor de opbouw van de staat, de volledige integratie van Afghanistan in de internationale gemeenschap en de verdrijving van Al Qaeda uit het land;

6.  is ingenomen met de conclusies van de Internationale Conferentie van Kabul over Afghanistan; benadrukt dat de toezeggingen van de Afghaanse regering met betrekking tot de verbetering van de veiligheid, het bestuur en de economische kansen voor de burgers, evenals de toezeggingen van de internationale gemeenschap wat betreft de ondersteuning van het overgangsproces en de gezamenlijke doelstellingen, moeten worden nageleefd;

7.  herhaalt dat de EU en haar lidstaten Afghanistan moeten helpen bij de wederopbouw van een eigen staat met steviger democratische instellingen die in staat zijn de nationale soevereiniteit, de eenheid van de staat, veiligheid op basis van een leger en politiemacht die democratische verantwoording verschuldigd zijn, een bekwame en onafhankelijke rechterlijke macht, de territoriale integriteit, gelijke behandeling van mannen en vrouwen, vrije media, meer aandacht voor onderwijs en volksgezondheid, de duurzaamheid van de economische ontwikkeling en de welvaart van de bevolking van Afghanistan en eerbiediging van de historische, religieuze, spirituele en culturele tradities en rechten van alle etnische en religieuze gemeenschappen die zich op Afghaans grondgebied bevinden te waarborgen, waarbij moet worden erkend dat er een fundamentele verandering moet komen in de houding jegens vrouwen; dringt aan op meer steun voor de ontwikkelingsprojecten van de lokale overheden uit de provincies die blijk geven van goed bestuur;

8.  constateert dat 80% van de bevolking op het platteland gevestigd is, en dat het landbouwareaal per hoofd van de bevolking is gedaald van 0,55 ha in 1980 tot 0,25 ha in 2007; beklemtoont dat Afghanistan uiterst kwetsbaar blijft voor ongunstige klimaatomstandigheden en stijgende voedselprijzen op de wereldmarkt, terwijl het wijdverbreide en ongedifferentieerde gebruik van landmijnen een aanzienlijk risico vormt voor een succesvolle plattelandsontwikkeling; acht het in die context van essentieel belang dat de financiering van plattelandsontwikkeling en lokale levensmiddelenproductie wordt voortgezet en versterkt, teneinde de voedselzekerheid te garanderen;

9.  neemt kennis van de toezegging van de Afghaanse regering om het programma voor subnationaal bestuur in de komende 12 maanden gefaseerd en op fiscaal houdbare wijze uit te voeren, en daarbij de lokale autoriteiten en hun institutionele vaardigheden te versterken, en subnationale regelgevings-, financierings- en begrotingskaders te ontwikkelen;

10. merkt op dat een zwak openbaar bestuur en een beperkte capaciteit van het ambtenarenapparaat nauwere Afghaanse betrokkenheid bij het wederopbouwproces in de weg kunnen staan; is er daarom van overtuigd dat er meer aandacht moet worden besteed aan deze belangrijke gebieden; is verheugd over het idee voor de ontwikkeling van een speciaal kernprogramma voor de lange termijn door de Commissie en de lidstaten, met het oog op de versterking van het openbaar bestuur door het opstellen van een leerplan, te helpen bij de bouw of het gebruik van bestaande panden, het leggen van contacten met het netwerk van openbare bestuursinstellingen van de EU, en begeleiding te bieden aan overheidsinstellingen in een aantal grote Afghaanse steden, zoals Kabul, Herat en Mazar i Sherif;

11. wijst er nogmaals op dat de ontwikkelingsinspanningen in de eerste plaats gericht moeten zijn op het verbeteren van de capaciteit van de Afghaanse overheidsstructuren en dat de Afghanen nauw moeten worden betrokken zowel bij de vaststelling van de prioriteiten als bij de opeenvolgende fasen van omzetting ervan, teneinde het proces van toe-eigening en overname van de verantwoordelijkheid op nationaal en lokaal niveau te versterken; onderstreept dan ook de sleutelrol die het maatschappelijk middelveld speelt als factor om te garanderen dat de Afghaanse bevolking wordt betrokken bij het proces van democratisering en wederopbouw, en als barrière tegen de risico's van corruptie;

12. blijft, ondanks een zekere verbetering in de leefomstandigheden van vrouwen sinds het einde van het Taliban-regime in 2001, ten zeerste bezorgd over de algemene mensenrechtensituatie in Afghanistan, in het bijzonder over de verslechtering van de grondrechten, de burgerrechten, de politieke en sociale rechten van de afgelopen jaren; baart zich zorgen over negatieve ontwikkelingen zoals het feit dat de meeste gevangenen in Afghaanse gevangenissen vrouwen zijn die aan onderdrukkende familieleden ontsnappen, en over de recente wijzigingen in de kieswet, waarbij de quota voor parlementszetels voor vrouwen zijn verlaagd;

13. is er van overtuigd dat de eerbiediging van de rechten van vrouwen een deel zijn van de oplossing van het veiligheidsprobleem en dat onmogelijk stabiliteit tot stand kan worden gebracht in Afghanistan indien vrouwen niet ten volle hun rechten genieten in het politieke, sociale en economische leven; vraagt de Afghaanse autoriteiten en de vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap daarom ervoor te zorgen dat de vrouwen aan elke fase van de vredesbesprekingen en de verzoenings- en herintegratieacties kunnen deelnemen, in overeenstemming met Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad; verzoekt om speciale bescherming van vrouwen die in het openbaar of politiek actief zijn en daardoor gevaar lopen op fundamentalistische acties; benadrukt dat vorderingen in de vredesbesprekingen in geen enkel geval ten koste mogen gaan van de tijdens de afgelopen jaren verworven vrouwenrechten; vraagt de Afghaanse regering om betere bescherming van de vrouwenrechten door de huidige wetgeving, net als het wetboek van strafrecht, dusdanig te wijzigen dat discriminerende praktijken worden voorkomen;

14. verzoekt de Commissie, de Raad en de EU-lidstaten in hun bilaterale betrekkingen met Afghanistan de kwesties van discriminatie jegens vrouwen en kinderen en van de mensenrechten in het algemeen aan de orde te blijven stellen, in overeenstemming met de verplichting op lange termijn van de EU om het land te blijven ondersteunen bij zijn vredes- en wederopbouwinspanningen;

15. verzoekt de EU en de internationale gemeenschap het niveau van financiële, politieke en technische ondersteuning voor maatregelen ter verbetering van de situatie van Afghaanse vrouwen en niet-gouvernementele vrouwenorganisaties, met inbegrip van de verdedigers van vrouwenrechten, op te voeren;

16. merkt op dat de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, ondanks de verbetering na de val van de Talibanregering, de afgelopen jaren weer is verslechterd; neemt kennis van aanvallen en bedreigingen van journalisten door gewapende milities en Talibanactivisten, teneinde te voorkomen dat zij berichten over de door hen beheerste gebieden; verzoekt om maatregelen op dit gebied die journalisten in staat stellen gegarandeerd veilig hun werk te doen;

17. uit zijn bezorgdheid over het feit dat de parlementsverkiezingen van 18 september 2010 in Afghanistan, met ondanks de veiligheidsomstandigheden in het land een opkomst van circa 40%, wederom werden ontsierd door fraude en geweld, waarbij volgens de NAVO 25 mensen omkwamen; betreurt dat veel Afghanen zijn weerhouden van de uitoefening van hun fundamentele recht om te stemmen;

18. neemt kennis van de onregelmatigheden die zich voordoen bij gerechtelijke procedures in het land, die niet aan internationale justitiële normen voldoen; betreurt dat in 2008 zestien ter dood veroordeelde personen terecht zijn gesteld; dringt erop aan dat de EU de goedkeuring van een moratorium op de doodstraf bevordert, zoals overeengekomen in Resolutie 62/149 van de Verenigde Naties van 2007, met het oog op de uiteindelijke afschaffing ervan;

Internationale hulp – gebruik en misbruik

19. wijst er opnieuw op dat de gecombineerde EU-begroting (Europese Gemeenschap en lidstaten) voor hulpverlening aan Afghanistan voor de periode 2002-2010 in totaal circa 8 miljard euro bedroeg;

20. benadrukt het belang van het versterken van de vrijheid van de media en het maatschappelijk middenveld in Afghanistan voor een snellere democratisering van het land; prijst de conclusies van de waarnemingsmissie van de EU bij de verkiezingen van 2009;

21. wijst erop dat ondanks de aanzienlijke financiële injecties uit het buitenland de toestand in Afghanistan ontmoedigend blijft en de meest kwetsbare groepen in dit gebied geen toegang krijgen tot humanitaire hulp en gezondheidszorg; dat er nog steeds meer Afghanen sterven van armoede dan als een direct gevolg van het gewapende conflict en dat – schokkende vaststelling – de kindersterfte sinds 2002 is toegenomen, terwijl de levensverwachting bij geboorte en de geletterdheid aanzienlijk zijn afgenomen, en dat het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft sinds 2004 met 130% is gestegen;

22. beklemtoont het belang van de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen en betreurt dat ondanks de vorderingen die op sommige terreinen zijn gemaakt, Afghanistan is gedaald van rang 173 in 2003 naar rang 181 (op 182 landen) in de Index van de menselijke ontwikkeling van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en dat het sterftecijfer bij kinderen onder de 5 jaar en bij kraamvrouwen er tot de hoogste ter wereld blijft behoren; is van oordeel dat deze specifieke doelstellingen, alsmede de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, met name voor vrouwen, niet mogen worden verwaarloosd en dringt erop aan dat bijzondere aandacht wordt geschonken aan het genereren van inkomen en de totstandbrenging van een functionerend rechtsstelsel;

23. onderstreept dat het UNOCD in zijn studie van januari 2010 constateert dat corruptie de voornaamste bron van zorg is onder de bevolking en dat door omkoperij gegenereerd inkomen bijna een vierde (23%) van het BBP van Afghanistan uitmaakt;

24. dringt er bij de Commissie op aan de transparantie en de controleerbaarheid met betrekking tot de financiële bijstand aan de Afghaanse regering, internationale organisaties en plaatselijke ngo's te waarborgen om de samenhang van de hulp en het welslagen van de wederopbouw en ontwikkeling van Afghanistan te verzekeren;

25. wenst dat de humanitaire hulp in geografisch opzicht homogener wordt verdeeld, op basis van een analyse van de behoeften en rekening houdend met het dringende karakter van de acties;

26. constateert echter de beperkte vorderingen die zijn gemaakt op het gebied van infrastructuur, telecommunicatie en basisonderwijs, die de donoren en de Afghaanse regering gewoonlijk vermelden als sectoren waarin duidelijke successen zijn geboekt;

27. wijst op de enorme kosten van de oorlog die van 2001 tot 2009 in Afghanistan is gevoerd, die worden geraamd op meer dan 300 miljard USD, meer dan 20 keer het BBP van Afghanistan, en die, met de geplande aanvullende "military surge", nog zouden moeten toenemen met meer dan 50 miljard USD per jaar;

28. onderkent de wijdverbreide mening dat de corruptie van de Afghaanse regering alleen verantwoordelijk is voor de tekortkomingen wat betreft de voorziening in essentiële diensten ten behoeve van de burgers van het land, maar merkt ook op dat de meeste financiële middelen voor sociaaleconomische ontwikkeling zijn doorgesluisd via internationale organisaties, regionale ontwikkelingsbanken, ngo's, internationale contractanten, consultants, enz., en niet via de centrale regering; dringt er bij de Afghaanse regering en de internationale gemeenschap op aan meer controle uit te oefenen om corruptie uit te bannen en ervoor te zorgen dat de hulp op de juiste plaats terecht komt;

29. is van oordeel dat de bestrijding van corruptie de kern moet zijn van het vredesproces in Afghanistan, aangezien omkoperij leidt tot onjuiste toewijzing van middelen, de toegang tot essentiële overheidsdiensten zoals gezondheidszorg en onderwijs belemmert, en een aanzienlijk obstakel vormt voor de sociaaleconomische ontwikkeling van het land; onderstreept tevens dat corruptie het vertrouwen in de overheidssector en de regering ondermijnt, en bijgevolg een grote bedreiging vormt voor de stabiliteit van het land; vraagt de EU dan ook met aandrang, wanneer zij dit land hulp verleent, bijzondere aandacht te schenken aan de bestrijding van corruptie;

30. wijst erop dat volgens de Afghaanse minister van Financiën, en zoals werd bevestigd door andere onafhankelijke bronnen, tussen 2002 en 2009 slechts 6 miljard USD (15%) van de 40 miljard USD aan hulp effectief de regering heeft bereikt, en dat van de overblijvende 34 miljard USD die via internationale organisaties, regionale ontwikkelingsbanken, ngo's, internationale contractanten, enz. zijn doorgesluisd, tussen 70% en 80% nooit de beoogde begunstigden, het Afghaanse volk, heeft bereikt; is ingenomen met het besluit van de Conferentie van Kabul volgens welk tegen 2012 50% van de internationale steun via de nationale Afghaanse begroting zal worden gesluisd, overeenkomstig de wens van de Afghaanse autoriteiten;

31. benadrukt het essentiële belang van de vaststelling van coördinatiemechanismen tussen de internationale donorlanden en van de planning van gedetailleerde evaluaties van de internationale en Europese ondersteuning van de bestrijding van het gebrek aan transparantie en van de beperkte mechanismen om donoren ter verantwoording te roepen;

32. hekelt het feit dat een aanzienlijk deel van de Europese en de andere internationale financiële steun ergens in de loop van de verdeling verloren is gegaan, hetgeen op eclatante wijze aan het licht is gekomen in het recente schandaal rond de Kabul Bank, en vestigt de aandacht op de vier voornaamste manieren waarop dit geschiedt: verspilling, te hoge kosten voor intermediairs en veiligheid, overfacturering en corruptie;

33. constateert evenwel dat de EU-verliezen worden getemperd door het feit dat 50% van de EU-hulp wordt toegewezen via multilaterale trustfondsen (tegenover 10% in het geval van de Verenigde Staten), waarvan de effectiviteit bijzonder hoog is (rond 80%);

34. verzoekt de EU een gecentraliseerde databank over alle EU-steun aan Afghanistan op te zetten en een analyse van de kosten en de impact van die steun door te voeren, aangezien het gebrek aan alomvattende, bijgewerkte en transparante gegevens de doeltreffendheid van de hulp ondermijnt;

35. verzoekt tevens alle belangrijke humanitaire en ontwikkelingsorganen die in Afghanistan actief zijn, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, de VS, UNAMA, de VN-agentschappen, de voornaamste NGO's en de Wereldbank, hun operationele uitgaven drastisch te verminderen door kredieten toe te wijzen aan concrete projecten die in daadwerkelijk en evenwichtig partnerschap met Afghaanse instellingen worden uitgevoerd en ervoor te zorgen dat de hulp effectief daar terechtkomt waarvoor hij bestemd is; wijst er in dat verband op dat de Afghaanse instellingen het recht moeten hebben om te beslissen over het gebruik van de financiële middelen en moeten zorgen voor deugdelijke transparantie en verantwoording;

36. beklemtoont het belang van de coördinatie van de wederopbouw- en ontwikkelingsinspanningen op regionaal niveau, teneinde grensoverschrijdende ontwikkeling te bevorderen in een regio waar etnische en tribale banden vaak de nationale grenzen overschrijden;

37. onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat de Afghaanse lokale en regionale besturen nauwer worden betrokken, en dat op dit niveau gezagsgetrouwheid, de rechtsstaat en democratie wezenlijke voorwaarden zijn voor een deugdelijk gebruik van de middelen; wijst erop dat de toekenning van middelen op plaatselijk en regionaal niveau de goedkeuring van de centrale regering vereist, waardoor haar rol en verantwoordelijkheid worden versterkt;

38. verzoekt de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad en de Commissie een gezamenlijk onderzoekersteam op te zetten dat alle maatregelen en missies van de EU en de lidstaten in Afghanistan eenmaal per jaar moet evalueren aan de hand van expliciete kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, in het bijzonder met betrekking tot ontwikkelingshulp (inclusief volksgezondheid en landbouw), behoorlijk bestuur (inclusief justitie en naleving van de mensenrechten), en veiligheid (met name de opleiding van de Afghaanse politie); dringt in dit verband tevens aan op een evaluatie van de relatieve impact van EU-maatregelen op de algemene situatie in het land en van de coördinatie en samenwerking tussen de EU-organen en andere internationale missies en maatregelen, en op publicatie van de bevindingen en aanbevelingen van deze evaluatie;

39. benadrukt dat de veiligheidssituatie en de geografische spreiding van hulp nauw samenhangen, en verlangt daarom dat hulp voor Afghanistan rechtstreeks aan de direct getroffen bevolking in Afghanistan wordt verstrekt;

40. wijst er met klem op dat de strijd tegen de corruptie in Afghanistan een prioriteit moet zijn; beseft dat corruptie op lokaal vlak bestaat maar hoopt dat deze kan worden gepareerd door de legitimiteit van de instellingen van de Afghaanse staat te versterken door ze verantwoordelijk te maken voor de goedkeuring van de toewijzing van de financiële steun en het toezicht op de doeltreffendheid van de hulp;

41. pleit voor een beleid waarbij, waar mogelijk, meer goederen en diensten binnen Afghanistan zelf worden aangekocht, eerder dan deze in te voeren;

42. is dan ook van oordeel dat onpartijdige humanitaire organisaties verantwoordelijk moeten zijn voor de hulpverlening in het land en dat militairen maar in zeer uitzonderlijke gevallen humanitaire hulp mogen verlenen, teneinde de neutraliteit, de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de humanitaire organisaties in acht te nemen, in volledige overeenstemming met de internationale normen, zoals die zijn vastgelegd in de "Richtsnoeren voor het gebruik van militaire en civiele defensiemiddelen voor humanitaire activiteiten in complexe noodsituaties" (MCDA) en worden voorgestaan in de "Europese consensus over humanitaire hulp";

43. wijst erop dat elke merkbare inbreuk van deze organisaties op de beginselen van neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid deze kwetsbaarder maakt in hun optreden, met name omdat zij na de terugtrekking van de troepen nog lang ter plaatse zullen blijven;

44. benadrukt dat de inzet van provinciale wederopbouwteams (PWT's) bij reconstructie- en/of ontwikkelingswerk niet gepast is, aangezien zo het onderscheid tussen de civiele ontwikkelingswerkers en de strijdkrachten vertroebelt en de pogingen tot wederopbouw en ontwikkeling van Afghanistan in gevaar worden gebracht;

45. wijst erop dat, zoals uitvoerig is gemeld in de pers en het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, de Amerikaanse krijgsmacht in Afghanistan het grootste deel van haar logistiek uitbesteed heeft aan particuliere contractanten, die op hun beurt de bescherming van militaire konvooien hebben onderaanbesteed aan plaatselijke Afghaanse beveiligingsbedrijven, met alle desastreuze gevolgen van dien;

46. wijst erop dat het besluit de Amerikaanse militaire toeleveringsketen in privé-handen te geven, zonder enige betrouwbare criteria voor het waarborgen van verantwoording, transparantie en legaliteit, afpersing en corruptie in de hand heeft gewerkt, en ertoe geleid heeft dat krijgsheren, plaatselijke maffiabazen en uiteindelijk ook Talibanleiders een aanzienlijk deel van de 2,2-3 miljard USD die in Afghanistan aan militaire logistiek zijn besteed, hebben kunnen bemachtigen;

47. is ontsteld over het feit dat beschermingsgeld en afpersing op alle niveaus van de militaire toeleveringsketen de belangrijkste bron van financiering van de rebellie is, zoals de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Hilary Clinton, in haar getuigenis voor de Commissie buitenlandse betrekkingen van de Senaat in december 2009 toegegeven heeft;

48. is evenzeer ontsteld over de constatering dat, aangezien de militaire logistiek van de Verenigde Staten en die van de NAVO/ISAF dezelfde lijnen volgen, de financiële bijdragen van de EU misschien niet in alle gevallen volledig getraceerd kunnen worden;

49. is zonder meer ingenomen met de nieuwe richtsnoeren die in september 2010 zijn uitgevaardigd door het militaire commando van de NAVO in Afghanistan over aanbestedingen – die momenteel op 14 miljard USD per jaar worden geraamd – en die bedoeld zijn om de corruptie te verminderen en ervoor te zorgen dat er minder middelen indirect naar de opstand en de Taliban vloeien; hoopt dat deze koerswijziging in het aanbestedingsbeleid snel haar beslag krijgt;

50. juicht in dit verband het recente decreet toe van President Karzai die alle plaatselijke en buitenlandse particuliere beveiligingsfirma's vier maanden de tijd geeft om hun activiteiten te staken;

Het vredesproces

51. benadrukt dat behoorlijk bestuur, de rechtstaat en de mensenrechten de fundamenten zijn van een stabiel en welvarend Afghanistan; wijst er daarom op dat een geloofwaardige rechtsgang een fundamenteel aspect is van het vredesproces en dat eerbiediging van de mensenrechten en preventie van wijdverspreide straffeloosheid onvoorwaardelijke aspecten zijn in alle stadia van het vredesproces; verzoekt in dit verband de Afghaanse regering prioriteit te geven aan de uitvoering van een strategie voor justitiële hervormingen;

52. is van oordeel dat de huidige patstelling in Afghanistan grotendeels te wijten is aan aanvankelijke misrekeningen van vóór de nieuwe strategie tegen de opstand van de coalitiemachten, die een snelle militaire overwinning op de Taliban hadden verwacht en een gemakkelijke overgang naar een stabiel land, bestuurd door een wettige regering met sterke steun van het Westen;

53. is dan ook de mening toegedaan dat de aanwezigheid van de Taliban werd onderschat en de capaciteit van de regering-Karzai om het land te besturen werd overschat, en dat dientengevolge weinig aandacht is besteed aan de wederopbouw en ontwikkeling van het land;

54. vreest dat deze vergissingen de opleving van de Taliban in meer dan de helft van het land hebben bevorderd, waardoor in de gehele regio de veiligheidssituatie alsook de eerbiediging van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van de vrouw, nog is verslechterd;

55. wijst erop dat de gerichtheid op militair ingrijpen in het verleden niet heeft geleid tot de gewenste resultaten en steunt daarom krachtig een meer civiele aanpak;

56. ziet in dat de enige mogelijke oplossing een politieke oplossing is, die inhoudt dat onderhandelingen worden gevoerd - die uiteindelijk moeten plaatsvinden tegen de achtergrond van een staakt-het-vuren - met de Taliban en andere strijdende partijen, alsook met andere politieke actoren in het land, die bereid zijn deel te nemen aan een regering van nationale eenheid die een einde kan maken aan de burgeroorlog die daar nu al bijna drie decennia lang woedt en kan zorgen voor volledige eerbiediging van de rechtsstaat en de fundamentele mensenrechten; is van oordeel dat, om een politieke oplossing kans op slagen te geven, de nieuwe strategie tegen de opstand de tijd moet krijgen om vruchten af te werpen volgens het door president Obama aangekondigde tijdschema;

57. is de stellige mening toegedaan dat voor de EU de drie voornaamste voorwaarden voor het vredesproces waarbij de Taliban betrokken zijn de volgende moeten zijn: de toezegging van alle bij de onderhandelingen betrokken partijen om Al Qaeda en zijn bevordering van het internationale terrorisme, alsook alle andere terreurgroepen uit het land te verdrijven; maatregelen te nemen om een einde te maken aan de papaverteelt; en een beleid te voeren ter bevordering en eerbiediging van de fundamentele mensenrechten en de Afghaanse grondwet;

58. is tevens van oordeel dat alle andere kwesties moeten worden overgelaten aan de wil en de capaciteit van het Afghaanse volk zelf;

59. ziet in dat de Taliban geen uniform blok vormen en dat ze op zijn minst 33 topleiders, 820 aanvoerders van het middenkader of lager kader, en 25.000 à 36.000 man "voetvolk" tellen, verspreid over 220 gemeenschappen, waarvan er sommige om ideologische, en andere om financiële redenen strijden; meent daarom dat er van nu af moet worden aangestuurd op onderhandelingen op plaatselijk niveau tussen het democratisch gekozen plaatselijke bestuur en leden van de gewapende oppositie die afzien van geweld, geen banden hebben met internationale terroristische organisaties, de Grondwet eerbiedigen en bereid zijn mee te werken aan de opbouw van een vreedzaam Afghanistan, zoals omschreven in de paragrafen 13 en 14 van het communiqué van de Kabul-conferentie van 20 juli 2010;

60. is ingenomen met het vredes- en herintegratieprogramma van de Afghaanse regering, dat openstaat voor alle Afghaanse leden van de gewapende oppositie en hun gemeenschappen, op basis van de eerder vermelde paragrafen 13 en 14 van het communiqué van de Kabul-conferentie;

61. wijst erop dat elke mogelijke ontwapenings- en herintegratiestrategie terdege rekening moet houden met het probleem van de terugkeer van voormalige strijders en vluchtelingen naar hun plaatsen van herkomst;

62. wijst op het belang van vergroting van de geloofwaardigheid, verantwoordelijkheid en competentie van de Afghaanse regering en het bestuur, met het oog op verbetering van haar reputatie onder de eigen bevolking;

63. onderstreept de sleutelrol die Pakistan speelt, aangezien de Taliban er niet toe geneigd zullen zijn serieuze onderhandelingen te beginnen zolang de grenzen met Pakistan voor hen openblijven; pleit voor meer internationale coördinatie en betrokkenheid in dit proces, onder meer van andere buurlanden en vooraanstaande regionale actoren - in het bijzonder Iran, Turkije, China, India en de Russische Federatie;

64. verzoekt de Commissie een evaluatie uit te voeren van de strategische en politieke gevolgen voor Afghanistan en de omliggende regio van de recente verwoestende overstromingen in Pakistan, en alles in het werk te stellen om de getroffen bevolking van Pakistan en de Afghaanse vluchtelingen wier kampen zijn overstroomd, hulp te bieden;

65. benadrukt het belang van goed waterbeheer in en rond Afghanistan en onderstreept dat regionale en grensoverschrijdende samenwerking op dit gebied een gunstige invloed heeft, ook op het vertrouwen tussen buurlanden in Zuidwest-Azië;

66. veroordeelt met klem de betrokkenheid van de Pakistaanse inlichtingendienst (ISI) bij de opstand, die vastbesloten is ervoor te zorgen dat elk mogelijk vredesdividend ook voor Pakistan een bevredigend resultaat inhoudt;

67. beklemtoont evenwel dat de vrede in Afghanistan pas echt wortel kan schieten indien de belangrijkste regionale machten, met inbegrip van India, Pakistan, Iran en de Centraal-Aziatische staten, Rusland, China en Turkije, politieke overeenkomsten sluiten en overeenstemming bereiken over een gemeenschappelijk standpunt van niet-inmenging en ondersteuning van een onafhankelijk Afghanistan; dringt eveneens aan op normalisering van de betrekkingen tussen Afghanistan en Pakistan door het grensgeschil tussen beide landen definitief op te lossen;

68. verzoekt de EU het vredes- en verzoeningsproces in Afghanistan te blijven steunen, alsook de Afghaanse pogingen tot herintegratie van degenen die bereid zijn af te zien van geweld, waardoor de regering-Karzai genoeg armslag krijgt bij haar keuze van gesprekspartners, maar beklemtoont dat de Afghaanse grondwet en de eerbiediging van de fundamentele mensenrechten het algemene wettelijke en politieke kader van het vredesproces moeten vormen;

69. is ingenomen met de nationale prioritaire programma's die de Afghaanse regering overeenkomstig de Afghaanse nationale ontwikkelingsstrategie heeft uitgewerkt en die gesteund worden door de Conferentie van Kabul, en roept ertoe op deze volledig en effectief in de praktijk te brengen;

70. kan niet genoeg de noodzaak beklemtonen van een actievere rol van de EU bij de wederopbouw en ontwikkeling van Afghanistan, aangezien blijvende vrede niet mogelijk is zonder een significante beperking van de armoede en zonder duurzame ontwikkeling in het land zelf of in de hele omliggende regio; onderkent dat er geen ontwikkeling is zonder veiligheid, en geen veiligheid zonder ontwikkeling;

71. verzoekt de EU en haar lidstaten om er samen met de Verenigde Staten voor te zorgen dat meer internationale steun via lokale overheden en de regering in Kabul wordt uitgekeerd en de VS ertoe aan te sporen af te zien zowel van hun beleid waarbij binnenlandse instellingen bij de internationale hulpverlening en de privatisering van de beveiliging worden omzeild, als van hun parallelle en (ten aanzien van het vredesproces) blijkbaar contradictoire pogingen om de leiding van de rebellie te "onthoofden" door gebruik te maken van drones, speciale VS-eenheden en lokale milities, methodes waarvan de legitimiteit in twijfel kan worden getrokken, vaak slachtoffers maken onder de burgerbevolking en de internationale interventie in diskrediet brengen; bewijst eer aan de militairen van de geallieerde strijdkrachten die zijn gesneuveld terwijl zij de vrijheid verdedigden, en condoleert hun nabestaanden, alsook de nabestaanden van alle onschuldige Afghaanse slachtoffers;

72. wijst erop dat de militaire aanwezigheid van enkele EU-lidstaten en hun geallieerden in Afghanistan deel uitmaakt van de NAVO/ISAF-operatie, die tot doel heeft het internationale terrorisme en de dreiging die ervan uitgaat te bestrijden, en de strijd tegen de drugsteelt en -handel aan te binden;

73. onderstreept dat deze aanwezigheid kan helpen een veiligheidssituatie te creëren waarin de Afghaanse regering haar recente plannen kan realiseren om 's lands groot potentieel aan mijnbouw- en grondstoffenindustrie tot ontwikkeling te brengen, en zo de dringend noodzakelijke eigen middelen voor de nationale begroting kan verwerven;

74. onderstreept tevens dat de mijnbouw- en grondstoffenreserves op Afghaans grondgebied, die aanzienlijke perspectieven bieden, uitsluitend het Afghaanse volk toebehoren, en dat de "bescherming” van deze middelen nooit als voorwendsel mag worden gebruikt voor een permanente aanwezigheid van buitenlandse troepen op Afghaanse bodem;

Politie en rechtsstaat

75. wijst erop dat er in Afghanistan geen stabiliteit of vrede tot stand kan worden gebracht zonder dat de staat op eigen verantwoordelijkheid allereerst de veiligheid van de burgers van dit land waarborgt;

76. is ingenomen met de doelstelling van president Karzai dat vóór het eind van 2014 uitsluitend Afghaanse nationale veiligheidstroepen in alle provincies militaire operaties uitvoeren en aanvoeren, en met het streven van de Afghaanse regering naar stapsgewijze verwerving van volledige zeggenschap over haar eigen veiligheid;

77. beklemtoont dat Afghanistan moet kunnen beschikken over een efficiënte politiemacht en een autonoom leger die in staat zijn de veiligheid te garanderen, zodat naderhand de terugtrekking van de buitenlandse militairen uit het land mogelijk wordt;

78. hecht waarde aan het idee van generaal Petraeus om lokale, democratisch gekozen autoriteiten te laten beschikken over een lokale gendarmerie waarmee zij de orde kunnen handhaven en de plaatselijke bevolking kunnen beschermen;

79. erkent evenwel dat het functioneren van autonome veiligheidstroepen in het land een min of meer langetermijndoelstelling is en vestigt daarom in het bijzonder de aandacht op de noodzaak om bij de politieopleiding en bij de opleiding van legerofficieren - die gescheiden van elkaar plaatsvinden - een beter gecoördineerde en meer geïntegreerde benadering te volgen, en wijst er voorts op dat de financiële middelen die ervoor worden uitgetrokken weinig resultaten hebben opgeleverd; dringt er op aan dat alle betrokkenen hun optreden goed coördineren om onnodige overlappingen te voorkomen, en vraagt hun bijkomende taken op strategisch en operationeel niveau uit te voeren;

80. onderstreept de noodzaak van een grondige hervorming van het ministerie van Binnenlandse Zaken, zonder welke het streven naar hervorming en de opbouw van een politiemacht kunnen afketsen, en wijst in dit verband op de betekenis van toezicht, ondersteuning, advisering en opleiding op het niveau van het Afghaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken, de regio's en de provincies, hetgeen door EUPOL als bijkomend doel is gesteld;

81. is van oordeel dat de onloochenbare vaagheid van de opdracht van EUPOL en de beperkte verwezenlijkingen ervan tot nu toe tot gevolg hebben dat deze missie niet de leidende EU-rol heeft verworven die zij verdient; betreurt dat EUPOL drie jaar na aanvang nog geen 3/4 van de toegelaten sterkte heeft bereikt; en herhaalt zijn oproep tot de Raad en de EU-lidstaten om hun verplichtingen in het kader van deze missie ten volle na te komen;

82. is ingenomen met het door EUPOL Afghanistan opgerichte openbaar ministerie voor bestrijding van corruptie, met als taak aanklachten tegen hooggeplaatste ambtenaren en ander van corruptie verdacht overheidspersoneel te onderzoeken;

83. is ernstig verontrust over de door de ISAF verschafte informatie dat van de 94.000 manschappen die de Afghaanse nationale politie telt, er nagenoeg 90% ongeletterd zijn, 20% drugs gebruiken en 30% na een jaar vermist worden, om nog niet te spreken van de circa 1.000 die elk jaar in de uitoefening van hun dienst worden gedood;

84. is van oordeel dat de inefficiëntie van de opleiding in het algemeen vooral te wijten is aan een gebrek aan coördinatie van de diverse aspecten van de politieopleidingsmissies en aan het feit dat opleidingstaken aan particuliere militaire en beveiligingsondernemingen (PMSC) worden overgedragen;

85. wijst erop dat het streven van de EU en haar lidstaten naar de oprichting van een professionele Afghaanse politiemacht dreigt te worden gefrustreerd door steeds vaker voorkomende praktijken, zoals de "fast-track"-benadering (gebrekkige medische keuring, zes weken durende opleiding zonder handboek, gezien de ongeletterdheid van de rekruten, minimale praktische training, de rekruten krijgen vervolgens een badge, een uniform en een geweer en worden op patrouille gestuurd), die door een paar grote US-beveiligingsbedrijven worden toegepast; benadrukt de noodzaak van een meer samenhangende en duurzamere politieopleiding die de verschillende Afghaanse politiemachten de mogelijkheid biedt samen te werken; benadrukt dat politieopleidingsmissies zich niet alleen op technische aspecten moeten concentreren, maar ook moeten garanderen dat de rekruten geletterd zijn en een basiskennis van nationaal en internationaal recht krijgen;

86. is verontrust over de gebrekkige financiële controles waaraan deze particuliere bedrijven worden onderworpen, en verwijst wat dat betreft naar een gemeenschappelijk verslag van 2006 van het Amerikaanse Ministerie van Defensie en het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarvan de conclusies nog altijd actueel zijn, en waarin geconstateerd werd dat de politiemacht in Afghanistan niet in staat was routinetaken voor wetshandhaving uit te voeren, en dat er geen doeltreffende programma’s voor praktische training bestonden; erkent dat door het algemeen commando in het kader van de strategie tegen de opstand pogingen zijn ondernomen om een zekere mate van controle uit te oefenen op de buitenlandse privémilities die ongestraft in Afghanistan opereren;

87. pleit ervoor het toevertrouwen van de politieopleiding aan particuliere contractanten zo gauw mogelijk te beëindigen;

88. roept op tot meer internationale samenwerking en coördinatie om de capaciteit van de politieopleidingen aanzienlijk te verhogen en de doelmatigheid van de opleidingsprogramma's te verbeteren; stelt voor dat EUPOL en NAVO/ISAF een grootschalig politieopleidingsprogramma lanceren waarin, zoals overeengekomen met de Afghaanse regering, de nationale politie-eenheden zijn geïncorporeerd, zodat overlappingen, verspilling en fragmentering kunnen worden voorkomen;

89. dringt er bij de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de EU-lidstaten op aan de intensiteit van de politieopleiding in Afghanistan op te voeren en het aantal politieopleiders ter plaatse ruimschoots te verhogen, zodat de doelstelling van de Conferentie van Londen om vóór het eind van 2010 134 000 opgeleide Afghaanse politiefunctionarissen paraat te hebben een realistisch scenario wordt; verzoekt de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het mandaat van de EUPOL-missie in Afghanistan te wijzigen door ook opdracht te geven tot de opleiding van lager personeel in alle provincies, door het aantal aan de basisopleiding te besteden weken te verhogen en ervoor te zorgen dat gezamenlijk patrouilles en andere politieactiviteiten in het veld worden uitgevoerd; verzoekt de EU-lidstaten hun bilaterale politieopleidingsmissie te integreren in EUPOL en zonder voorbehoud nationale politie bij EUPOL in te zetten;

90. pleit ervoor dat de salarissen van de Afghaanse politie worden verhoogd en dat het hele aanwervingsproces wordt herzien, waarbij de voorkeur wordt gegeven aan rekruten die voldoen aan basisnormen wat geletterdheid betreft, geen druggebruikers zijn en in psychologisch en fysiek opzicht beter gekwalificeerd zijn dan het huidige contingent;

91. benadrukt dat de politieopleiding geen vruchten kan afwerpen zonder een goed functionerend gerechtelijk apparaat en vraagt de internationale gemeenschap daarom om meer financiële en technische ondersteuning ter versterking van het gerechtelijk apparaat, mede door verhoging van de salarissen van rechters op alle niveaus; verzoekt de Raad voorts om in samenwerking met de VN een gespecialiseerde missie op te zetten voor de opleiding van rechters en van ambtenaren die werkzaam zijn bij het Ministerie van Justitie en bij het strafrechtelijk apparaat in Afghanistan;

92. is ingenomen met het feit dat de Afghaanse regering op de Conferentie van Kabul heeft beloofd om, met steun van de internationale partners, in het hele land de toegang tot de rechter te verbeteren door de komende 12 maanden concrete maatregelen te nemen, en om de capaciteit van de justitiële instellingen te vergroten, onder meer door ontwikkeling en uitvoering van een omvattende strategie op het gebied van menselijke hulpbronnen;

Verdovende middelen

93. wijst erop dat 90% van de illegale opium in de wereld afkomstig is uit Afghanistan, terwijl wanneer de coalitietroepen in 2001 Kabul zijn binnengekomen er in Afghanistan geen papaver werd geteeld, omdat de VN een verbod op deze teelt hadden weten door te voeren;

94. is van oordeel dat een sterke militaire macht die over aanzienlijke middelen beschikte het vervolgens niet moeilijk zou hebben gehad deze opiumvrije situatie te handhaven via de tenuitvoerlegging van lokale projecten voor plattelandsontwikkeling, waarbij de militaire troepen bescherming hadden kunnen bieden tegen de Taliban en de lokale krijgsheren;

95. constateert evenwel dat de opiumproductie nog altijd een cruciaal probleem is op sociaal, economisch en veiligheidsgebied, en roept de EU op dit gegeven als strategische prioriteit in haar beleid voor Afghanistan op te nemen;

96. wijst erop dat meer dan 90% van de heroïne in Europa afkomstig is uit Afghanistan en dat de kosten voor de volksgezondheid in de Europese landen miljarden dollars belopen; onderstreept dat de problemen in verband met de drugseconomie in Afghanistan niet alleen op nationaal, maar ook op internationaal niveau moeten worden aangepakt, in alle fasen van de drugsketen, met name door steunverlening aan de landbouwers met het oog op het beperken van het aanbod, drugspreventie en -behandeling om de vraag terug te dringen, en wetshandhaving ten aanzien van tussenpersonen; stelt meer in het bijzonder voor dat massaal wordt geïnvesteerd in de ontwikkeling van een alomvattend landbouw- en plattelandsbeleid opdat de opiumproducenten een geloofwaardig en duurzaam alternatief wordt geboden. beklemtoont tevens de noodzaak de milieuproblematiek te integreren in de landbouw- en plattelandsstrategie, aangezien aantasting van het milieu als gevolg van bijvoorbeeld gebrekkig beheer van de watervoorraden of vernieling van natuurbossen een van de voornaamste belemmeringen voor de ontwikkeling van een landbouweconomie vormt;

97. constateert dat als gevolg van de straffeloosheid die de telers en handelaars genieten, de teelt in twee jaar tijd weer het niveau van vóór 2001 heeft bereikt, waarbij een klein aantal machtige krijgsheren een enorm kartel beheren;

98. drukt zijn ernstige bezorgdheid uit over de dramatische toename van het aantal Afghanen dat, volgens een recent rapport van de UNODC, aan drugs verslaafd is; vraagt dat onmiddellijk gerichte acties worden ondernomen om het aantal drugsverslaafden te verminderen en te zorgen voor hun medische verzorging; benadrukt in die zin de noodzaak om programma's te financieren voor de oprichting van ontwenningscentra in het land, met name in de provincies waar geen toegang is tot gezondheidszorg;

99. wijst erop dat ondanks een tijdelijke prijsdaling als gevolg van overproductie, de handel in verdovende middelen in 2009 een bedrag vertegenwoordigde van 3,4 miljard dollar en dat de potentiële bruto-exportwaarde van opium in dat jaar 26% van het bbp van Afghanistan bedroeg, en dat naar verluidt circa 3,4 miljoen Afghanen (12% van de bevolking) bij de illegale industrie van verdovende middelen betrokken waren;

100. vestigt evenwel de aandacht op de bevindingen van een recent UNODC-rapport, waaruit blijkt dat de Taliban slechts 4% van de jaarlijkse opbrengst van de handel in verdovende middelen in de wacht slepen, en plaatselijke landbouwers 21%, terwijl 75% naar regeringsambtenaren, de politie, plaatselijke en regionale makelaars, en trafikanten gaat; stelt dus vast dat de Afghaanse NAVO-geallieerden in feite het leeuwendeel van de winsten van de drugshandel bemachtigen;

101. wijst erop dat de Verenigde Staten en de internationale gemeenschap van 2001 tot 2009 1,6 miljard dollar besteed hebben aan drugsbestrijdingsmaatregelen, zonder dat dit een significant effect heeft gehad op de productie en de handel, en herinnert eraan dat Richard Holbrook, de speciale VS-afgezant voor Afghanistan en Pakistan, de inspanningen die de Verenigde Staten tot nu toe op dit gebied hebben geleverd bestempeld heeft als "het meest verkwistende en het minst efficiënte programma dat ik ooit heb gezien, binnen of buiten de regering";

102. wijst erop dat, indien de Afghaanse economie zich niet definitief onafhankelijk maakt van drugs en geen alternatief levensvatbaar economisch ontwikkelingsmodel vindt, de doelstellingen van veiligheid en stabiliteit in de regio niet kunnen worden gerealiseerd;

103. onderstreept het belang van de tot nog toe weinig succesvolle inspanningen om de opiumteelt in Afghanistan geleidelijk aan uit te roeien en verlangt in dit verband dat wordt voorzien in levensvatbare alternatieve middelen van bestaan voor de 3,4 miljoen Afghanen die van de opium leven en dat de situatie van de rest van de Afghaanse bevolking in plattelandsgebieden wordt verbeterd;

104. wijst op de succesvolle pogingen in Pakistan, Laos en Thailand om de opiumteelt geleidelijk aan uit te roeien door ze te vervangen door de teelt van alternatieve gewassen; constateert eveneens dat ook in Afghanistan nieuwe veelbelovende gewassen worden geteeld, zoals saffraan, die een veel hoger inkomen kunnen genereren dan papaver;

105. wijst erop dat een soortgelijk proces van geleidelijke uitroeiing van de opiumteelt kan worden overwogen voor Afghanistan, voor een bedrag van 100 miljoen euro per jaar, door gedurende vijf jaar 10% van de jaarlijkse EU-steun aan dit land speciaal daartoe te bestemmen;

106. wijst erop dat de onlangs ondertekende handels- en transito-overeenkomst tussen Afghanistan en Pakistan een opening biedt aan producenten van granaatappels, het beroemdste legale gewas in de regio, dat door buitenlandse ontwikkelingswerkers meermaals is genoemd als de sleutel tot het creëren van fatsoenlijke alternatieve middelen van bestaan voor de papavertelers in Zuid-Afghanistan;

107. prijst UNODC voor zijn inzet en activiteiten ter ondersteuning van de Afghaanse regering in haar strijd tegen illegale drugs, en dringt aan op versterking van UNODC en zijn programma's in Afghanistan;

108. vraagt dat een nationaal vijfjarenplan ten uitvoer wordt gelegd voor de uitroeiing van illegale aanplantingen van opium, met specifieke termijnen en benchmarks, via een daartoe op te richten bureau, met zijn eigen begroting en personeel;

109. beklemtoont dat de tenuitvoerlegging van dit plan moet worden bevorderd door samenwerking tussen de EU en de Russische Federatie, die het voornaamste slachtoffer is van de Afghaanse heroïne en de op een na grootste opiatenmarkt ter wereld, na de EU;

110. vraagt de regering en het parlement van Afghanistan specifieke wetgeving vast te stellen die erop gericht is alle uitroeiingspraktijken te verbieden waarbij niet-manuele en niet-mechanische middelen worden gebruikt;

111. verzoekt de Raad en de Commissie de voorgestelde strategie volledig te integreren in hun huidige strategieën, en dringt erop aan dat de EU-lidstaten ten volle rekening houden met dit voorstel bij de vaststelling van hun nationale plannen;

112. verzoekt de Raad en de Commissie ten volle rekening te houden met de gevolgen die de voorstellen in dit verslag voor de begroting hebben;

-o0o-

113. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de NAVO, en de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Islamitische Republiek Afghanistan.

(1)

PB C 297E van 3.12.2009, blz. 11.

(2)

PB C 43E van 24.2.2010, blz. 87.

(3)

PB C 181E van 8.7.2010, blz. 57.


TOELICHTING

Algemene opmerkingen

Dit verslag is gebaseerd op de uitgebreide consultaties die uw rapporteur de laatste zes maanden heeft gevoerd over de situatie in Afghanistan en de betrekkingen van dat land met de internationale gemeenschap, in een poging om uit te leggen waarom zo weinig is verwezenlijkt in Afghanistan, ondanks de enorme inspanningen die de laatste negen jaar zijn geleverd, met name ook in financieel opzicht. De kloof tussen hoop en werkelijkheid is in Afghanistan groter dan ooit, en een nieuwe EU-strategie voor dat land moet dan ook uitgaan van deze constatering.

Uw rapporteur heeft besloten zich te concentreren op vier terreinen waar volgens hem een gerichte actie werkelijke veranderingen kan teweegbrengen: internationale hulp, de implicaties van het onlangs gelanceerde vredesproces, de impact van de politieopleiding en de uitroeiing van de opiumteelt.

Dat dit de sleutelkwesties zijn, is gebleken uit het door uw rapporteur verrichte onderzoek, in de loop waarvan deze diverse ministers van de regering van president Karzai heeft ontmoet, alsmede de president zelf, de voorzitters van het Hogerhuis en het Lagerhuis van het Afghaanse parlement, ISAF-bevelhebbers, vertegenwoordigers van internationale organisaties, ambassadeurs van buurlanden en leiders van de voormalige Taliban-regering. Uw rapporteur heeft ook onderzoek gedaan in het veld, met name naar de evolutie van projecten die in Herat ten uitvoer worden gelegd door provinciale wederopbouwteams en organisaties voor internationale samenwerking. Hij heeft in Europa en de Verenigde Staten consultaties gevoerd met ambassadeurs - of hun vertegenwoordigers - van landen die in Afghanistan aanwezig zijn, internationale ngo's en leden van het Amerikaanse Congres.

Na negen jaar van internationale betrokkenheid dienen thans significante vorderingen te worden gemaakt in Afghanistan. De veiligheidssituatie is verslechterd en de belangrijkste sociaaleconomische indicatoren zijn uiterst teleurstellend. Dit is onder andere te wijten aan het feit dat te vaak besluiten zijn genomen zonder dat de Afghanen daar voldoende bij betrokken zijn geweest, en dat buitenlandse militaire of civiele entiteiten hebben gehandeld op een wijze die de Afghanen als respectloos en aanmatigend hebben ervaren. De grondstelling van dit verslag is dan ook dat de voorwaarden moeten worden gecreëerd om een spoedige "Afghanisering” van de Afghaanse crisis te bewerkstelligen, zodat een stabiele regering kan worden gevormd die wordt gesteund door de internationale gemeenschap, en alle inspanningen kunnen worden gericht op de sociaaleconomische ontwikkeling van het land. De EU zou dan ook een internationale impuls moeten geven om Afghanistan als een soevereine staat te behandelen, en niet langer als een soort van "no man's land".

Internationale hulp

Het grootste probleem van Afghanistan is de armoede. Het is ontstellend te moeten constateren dat veel meer Afghanen sterven van armoede dan als gevolg van het gewapende conflict. De moedersterfte eist meer dan 25.000 levens per jaar, tegenover “slechts” 2.186 doden onder de burgerbevolking in het gewapende conflict van januari tot november 2009, en meer dan de helft van de bevolking leeft onder de armoedegrens, dit alles tegen de achtergrond van de aanzienlijke bedragen aan internationale hulp die naar Afghanistan vloeien.

Wat gaat er eigenlijk mis? Ten eerste, het is buitengewoon moeilijk geweest betrouwbare gegevens te verkrijgen over de modaliteiten en de impact van de internationale civiele en militaire interventie tot nu toe, en dit blijft een groot struikelblok om te begrijpen wat momenteel in Afghanistan gaande is. Daarnaast is er een duidelijk gebrek aan coördinatie en communicatie tussen de donoren, en zeker tussen de donoren en degenen die verondersteld worden de begunstigden te zijn, de Afghanen zelf. Tijdens een recente ontmoeting die uw rapporteur in Kabul gehad heeft met de minister van Financiën, heeft deze laatste zich erover beklaagd dat de regering niet de geringste informatie ontvangen heeft over circa een derde van de internationale financiële steun die sinds 2001 in Afghanistan is gespendeerd. Andere gesprekspartners hebben soortgelijke klachten geuit.

De Verenigde Staten zijn, zij het laat, begonnen aan de verzameling van relevante gegevens over de hulpverlening en de impact ervan via hun "Special Inspector General for Afghanistan Reconstruction" (SIGAR), wat moet worden toegejuicht. De EU van haar kant dient te zorgen voor een alomvattende gegevensbank en een analyse van alle EU-hulp aan Afghanistan, teneinde de transparantie te vergroten en mechanismen op te zetten om de donoren ten volle ter verantwoording te kunnen roepen.

Uit talrijke studies, inclusief een verslag van 2007 van de "Peace Dividend Trust", getiteld "Afghanistan Compact Procurement Monitoring Project", blijkt dat veruit de grootste lokale economische impact (rond 80%) wordt bereikt wanneer de middelen rechtstreeks aan de regering worden verschaft, en dat de impact minder is dan 20% wanneer de financiering naar (intermediairs zoals) internationale bedrijven of ngo's gaat. De wijdverbreide praktijk om het grootste deel van de hulp toe te zenden via een overvloed aan internationale organisaties, IFI's, regionale ontwikkelingsbanken, ngo's en particuliere contractanten, en niet via de centrale regering, houdt aan, en een groot deel van de hulp kan op die manier verloren gaan op diverse punten van de hulpverleningsketen. Aanzienlijke bedragen gaan verloren in vergoedingen (tot 50% van het contract) voor contractanten en subcontractanten. Hoge lonen en gulle vergoedingen voor uitgezonden werknemers die voor adviesbureaus en contractanten werken slorpen eveneens veel geld op.

Uw rapporteur pleit dan ook voor een "heroriëntering" van de wijze waarop de hulp Afghanistan bereikt, en stelt voor meer financiële hulp rechtstreeks via Afghaanse instellingen toe te zenden, in plaats van via internationale samenwerkings- en ontwikkelingsorganen.

De lokale corruptie is duidelijk een probleem, en de internationale gemeenschap heeft haar aandacht dan ook vooral daarop gericht, in plaats van op haar eigen tekortkomingen. Corruptie is corruptie, waar zij ook ontstaat, maar er dient te worden herhaald dat niet meer dan 15% van de internationale hulp via de centrale Afghaanse regering gaat. De plaatselijke corruptie betreft niet meer dan 7,5 à 9% van de totale civiele hulp aan Afghanistan. Er dient wat dat betreft in elk geval te worden gezorgd voor door de donoren en de Afghaanse regering overeen te komen indicatoren inzake de doeltreffendheid van de hulp, en voor versterkte controlemechanismen. Indien de Afghaanse regering verantwoordelijk wordt voor de tenuitvoerlegging van de hulp, zal haar legitimiteit ook toenemen, en dit zal ook bijdragen aan de bestrijding van de lokale corruptie.

Het vredesproces

De regering-Karzai heeft in het verleden weliswaar de contouren geschetst van een vredesproces voor Afghanistan, maar het is pas sinds de Conferentie van Londen dat specifieke elementen naar voren zijn gekomen, o.a. het voornemen gesprekken te beginnen met de Taliban en een overeenkomst tussen meer dan 70 landen met het oog op de instelling van een trustfonds (van circa 1 miljard USD over een periode van vijf jaar), ten einde de Taliban en andere opstandelingen te helpen zich te integreren.

Er ontwikkelen zich momenteel blijkbaar twee parallelle benaderingen: gesprekken tussen een breed spectrum van Taliban, van Mullah Omar tot de gewone militanten, en de regering-Karzai, Pakistan en de Verenigde Naties enerzijds, en gesprekken tussen de ISAF en het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en Taliban van de lagere en middenrangen (de helft van de 820 jonge leiders en leiders van de middenrangen en het merendeel van de gewone militanten, die bereid zouden zijn hun wapens neer te leggen en zich te herintegreren in lokale gemeenschappen) anderzijds. De Amerikaanse regering aarzelt op dit ogenblik nog om zich bij de eerste benadering aan te sluiten, maar president Obama zal na het militaire zomeroffensief waarschijnlijk meer duidelijkheid verschaffen daaromtrent.

Uw rapporteur is er vast van overtuigd dat de EU het vredesproces resoluut moet steunen, waarbij de regering-Karzai volledig autonoom haar dialoogpartners moet kunnen kiezen, maar daarnaast ook moet worden voldaan aan drie voorwaarden: de toezegging van Afghanistan om Al Qaeda uit het land te verdrijven, de uitroeiing van de papaverteelt en de vaste wil de fundamentele mensenrechten te doen eerbiedigen Alle andere kwesties moeten door het Afghaanse volk zelf worden geregeld.

Politieopleiding

De Conferentie van Londen heeft bepaald dat in 2011 een begin zal worden gemaakt met de overdracht van de verantwoordelijkheden op het gebied van veiligheid aan de Afghaanse krachten, en dat deze overdracht tegen 2014 grotendeels zal zijn voltooid. Het voornaamste instrument ter versterking van de capaciteit van de Afghaanse staat om zijn burgers de nodige bescherming te bieden is de uitbreiding van zijn leger tot 171.000 soldaten, en van zijn politiemacht van de huidige 94.000 tot 134.000 manschappen. Het uiteindelijke doel is binnen vijf jaar deze contingenten op respectievelijk 240.000 en 160.000 manschappen te brengen.

Deze doelstellingen zijn moeilijk te verwezenlijken en zouden moeten worden vervangen door realistischer doelstellingen, waarbij meer het accent moet worden gelegd op het kwalitatieve aspect. Alleen maar de bestaande parameters verruimen (een "meer van hetzelfde"-benadering) zonder substantiële wijzigingen aan te brengen in de opleiding en organisatie van de politie en haar betrekkingen met parallelle gerechtelijke instellingen zal de veiligheidssituatie in Afghanistan niet veel verbeteren.

Vijf jaar na de val van de Taliban bleek uit een gemeenschappelijk verslag van het Amerikaanse Ministerie van Defensie en het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken dat de politiemacht in Afghanistan niet in staat was routinetaken voor wetshandhaving uit te voeren. In dit verslag werd ook geconstateerd dat de beheerders van het 1,1 miljard USD kostende opleidingsprogramma (de kosten worden thans al op 6 miljard USD geraamd) niet konden zeggen hoeveel ambtenaren werkelijk in dienst waren of waar duizenden trucks of andere onderdelen van de uitrusting gebleven waren. Er was blijkbaar ook niet voorzien in programma’s voor praktische training in het veld, ofschoon experts op het gebied van politieopleiding er al jaren op wezen dat training in het veld de ruggengraat was van een succesvolle opleiding.

Deze bevindingen gelden thans nog evenzeer als in 2006. De politieopleiding wordt weliswaar niet uitsluitend verzorgd door de Amerikanen. Er worden ook nog andere opleidingsprogramma's in situ ten uitvoer gelegd, zoals het EU-programma van EUPOL en andere kleinere programma’s van lidstaten, en een kleine NAVO-missie, maar deze programma’s worden overschaduwd door de negatievere praktijken van de Amerikaanse opleiding. Een van de grootste problemen in termen van kwaliteit, kosten en doeltreffendheid is het feit dat de Amerikanen doorgaans een beroep doen op particuliere contractanten.

Europa zou dan ook een significante bijdrage kunnen leveren aan het oplossen van het probleem van de politieopleiding in Afghanistan door er via alle beschikbare kanalen voor te zorgen dat de fouten zich niet herhalen: gebrekkige medische keuring van de rekruten, veel te weinig praktische training in het veld, gebrekkige tracering van de uitrusting en het feit dat de eigenlijke opleiding wordt toevertrouwd aan particuliere contractanten. De EU dient een grootschalig opleidingsprogramma onder NAVO-bevel voor te stellen, waarin alle bestaande opleidingsmissies zouden worden geïntegreerd.

Verdovende middelen

De internationale gemeenschap heeft van 2001 tot 2009 circa 1,61 miljard USD besteed aan drugsbestrijdingsacties in Afghanistan, zonder dat de drugsproductie en -handel daar een duidelijke deuk van heeft opgelopen. Afghanistan is nog steeds de bron van meer dan 90% van de illegale opium in de wereld. Volgens cijfers van het UNODC zijn 242.000 families (of 3,4 miljoen mensen, 6,4% van de bevolking) bij deze handel betrokken.

Het is overduidelijk dat de illegale opiumteelt alleen kan worden uitgeroeid indien de betrokken landbouwers een realistisch economisch alternatief wordt geboden. Er bestaan in andere landen (Pakistan, Vietnam, Laos, Thailand) succesvolle voorbeelden van de geleidelijke uitroeiing van de opiumteelt, op voorwaarde dat wordt voorzien in levensvatbare alternatieven. Deze doelstelling kan ook in Afghanistan worden verwezenlijkt, door jaarlijks 10% van de Europese civiele steun aan het land, i.e. 100 miljoen euro, speciaal daartoe te bestemmen.

Om alternatieve middelen van bestaan te kunnen verschaffen moet worden voorzien in de nodige infrastructuur, die op haar beurt veiligheid vereist. Dit probleem zal moeten worden opgelost. De ontwikkeling van niche-industrieën in de landbouw in elke provincie zal ertoe bijdragen dat het land geleidelijk aan meer zelfvoorzienend wordt en zijn regionale markten kan bevoorraden, en dat een transformatie tot stand wordt gebracht in het leven en de verwachtingen van de Afghanen

Uw rapporteur is er dan ook vast van overtuigd dat de beste - de enig mogelijke – benadering een vijfjarenplan impliceert voor de uitroeiing van de illegale opiumteelt door alternatieve ontwikkeling, met specifieke benchmarks en termijnen, en de oprichting van een totaal nieuw bureau om dit vijfjarenplan ten uitvoer te leggen.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (11.5.2010)

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake een nieuwe strategie in Afghanistan

2009/2217(INI))

Rapporteur voor advies: Charles Goerens

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst er nogmaals op dat de ontwikkelingsinspanningen in de eerste plaats gericht moeten zijn op het verbeteren van de capaciteit van de Afghaanse overheidsstructuren en dat de Afghanen nauw moeten worden betrokken bij de vaststelling van de prioriteiten en de opeenvolgende fasen van omzetting ervan, ten einde het proces van toe-eigening en overname van de verantwoordelijkheid op nationaal en lokaal niveau te versterken; vestigt dan ook opnieuw de aandacht op de rol van de organisaties van de civil society als een essentiële factor om te garanderen dat de Afghaanse bevolking wordt betrokken bij het proces van democratisering en wederopbouw, en als een barrière tegen de risico's van corruptie;

2.  wenst dat de humanitaire hulp in geografisch opzicht homogener wordt verdeeld, op basis van een analyse van de behoeften en rekening houdend met het dringende karakter van de acties;

3.  wijst erop dat elke inbreuk op de beginselen van neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid die de humanitaire actoren huldigen deze laatsten kwetsbaarder maakt in hun lokale acties, met name omdat zij na de terugtrekking van de troepen nog lang ter plaatse zullen blijven; is dan ook van ook van oordeel dat militairen maar in zeer uitzonderlijke gevallen humanitaire hulp mogen verlenen, teneinde de neutraliteit, de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de humanitaire actoren in acht te nemen, in volledige overeenstemming met de internationale normen, zoals die zijn vastgelegd in de "Richtsnoeren voor het gebruik van militaire en civiele defensiemiddelen voor humanitaire activiteiten in complexe noodsituaties" (MCDA) en worden voorgestaan in de "Europese consensus over humanitaire hulp";

4.  beklemtoont het belang van de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen en betreurt dat ondanks de vorderingen die op sommige terreinen zijn gemaakt, Afghanistan is gedaald van rang 173 in 2003 naar rang 181 (op 182 landen) in de Index van de menselijke ontwikkeling van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en dat het sterftecijfer bij kinderen onder de 5 jaar en bij kraamvrouwen er tot de hoogste ter wereld blijft behoren; is van oordeel dat deze specifieke doelstellingen, alsmede de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, met name voor vrouwen, niet mogen worden verwaarloosd en dringt erop aan dat bijzondere aandacht wordt geschonken aan het genereren van inkomen en de totstandbrenging van een functionerend rechtsstelsel;

5.  onderstreept dat het United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC) in zijn studie van januari 2010 constateert dat corruptie de voornaamste bron van zorg is onder de bevolking en dat door omkoperij gegenereerd inkomen bijna een vierde (23%) van het BBP van Afghanistan uitmaakt;

6.  is van oordeel dat de bestrijding van corruptie de kern moet zijn van het vredesproces in Afghanistan, aangezien omkoperij leidt tot onjuiste toewijzing van middelen, de toegang tot essentiële overheidsdiensten zoals gezondheidszorg of onderwijs belemmert, en een aanzienlijk obstakel vormt voor de sociaaleconomische ontwikkeling van het land; onderstreept tevens dat corruptie het vertrouwen in de overheidssector en de regering ondermijnt, en bijgevolg een grote bedreiging vormt voor de stabiliteit van het land; vraagt de EU dan ook met aandrang wanneer zij dit land hulp verleent bijzondere aandacht te schenken aan de bestrijding van corruptie;

7.  constateert dat 80% van de bevolking op het platteland gevestigd is, terwijl het landbouwareaal per hoofd van de bevolking is gedaald van 0,55 ha in 1980 tot 0,25 ha in 2007; beklemtoont dat Afghanistan uiterst kwetsbaar blijft voor ongunstige klimaatomstandigheden en stijgende voedselprijzen op de wereldmarkt, terwijl het wijdverbreide en ongedifferentieerde gebruik van landmijnen een aanzienlijk risico vormt voor een succesvolle plattelandsontwikkeling; acht het in die context van essentieel belang dat de financiering van plattelandsontwikkeling en lokale levensmiddelenproductie wordt voortgezet en versterkt, teneinde de voedselzekerheid te garanderen;

8.  wijst erop dat meer dan 90% van de heroïne in Europa afkomstig is uit Afghanistan en dat de kosten voor de volksgezondheid in de Europese landen miljarden dollars belopen; onderstreept opnieuw dat de problemen in verband met de drugseconomie in Afghanistan niet alleen op nationaal, maar ook op internationaal niveau moeten worden aangepakt, in alle fasen van de drugsketen, met name door steunverlening aan de landbouwers met het oog op het beperken van het aanbod, drugspreventie en -behandeling om de vraag terug te dringen, en wetshandhaving ten aanzien van tussenpersonen; stelt met name voor dat massaal wordt geïnvesteerd in de ontwikkeling van een alomvattend landbouw- en plattelandsbeleid dat de opiumproducenten een geloofwaardig en duurzaam alternatief biedt; beklemtoont tevens de noodzaak de milieuproblematiek te integreren in de landbouw- en plattelandsstrategie, aangezien aantasting van het milieu als gevolg van bijvoorbeeld gebrekkig beheer van de watervoorraden of vernieling van natuurbossen een van de voornaamste belemmeringen voor de ontwikkeling van een landbouweconomie vormt;

9.  neemt er nota van dat ondanks de 350 miljoen euro aan donorhulp de provinciale en presidentsverkiezingen die in augustus 2009 in Afghanistan zijn gehouden zijn ontsierd door onregelmatigheden en fraude, waardoor de legitimiteit van de regering-Karsai sterk onder druk is komen te staan; veroordeelt wat dat betreft het feit dat de president in februari 2010 de onafhankelijke status van de Electorale klachtencommissie, die de laatste mogelijkheid vormde om een onafhankelijke analyse te maken van het verkiezingsproces en mogelijke fraude aan het licht te brengen, heeft uitgehold;

10. wijst erop dat elke mogelijke ontwapenings- en herintegratiestrategie terdege rekening moet houden met het probleem van de terugkeer van voormalige strijders en vluchtelingen naar hun plaatsen van herkomst;

11. beklemtoont het belang van de coördinatie van de wederopbouw- en ontwikkelingsinspanningen op regionaal niveau, teneinde grensoverschrijdende ontwikkeling te bevorderen in een regio waar etnische en tribale banden vaak de nationale grenzen overschrijden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.5.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Thijs Berman, Michael Cashman, Nirj Deva, Leonidas Donskis, Charles Goerens, Catherine Grèze, Enrique Guerrero Salom, Eva Joly, Franziska Keller, Gay Mitchell, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Michèle Striffler, Ivo Vajgl, Anna Záborská, Iva Zanicchi

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Kriton Arsenis, Krzysztof Lisek, Miguel Angel Martínez Martínez, Emma McClarkin, Cristian Dan Preda, Niccolò Rinaldi

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Sylvie Guillaume, Jolanta Emilia Hibner, Anna Ibrisagic, Derek Vaughan, Marie-Christine Vergiat


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.11.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

60

1

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gabriele Albertini, Pino Arlacchi, Bastiaan Belder, Frieda Brepoels, Elmar Brok, Mário David, Marietta Giannakou, Ana Gomes, Andrzej Grzyb, Takis Hadjigeorgiou, Heidi Hautala, Richard Howitt, Anna Ibrisagic, Anneli Jäätteenmäki, Ioannis Kasoulides, Tunne Kelam, Nicole Kiil-Nielsen, Maria Eleni Koppa, Andrey Kovatchev, Paweł Robert Kowal, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Eduard Kukan, Alexander Graf Lambsdorff, Vytautas Landsbergis, Ulrike Lunacek, Barry Madlener, Mario Mauro, Kyriakos Mavronikolas, Francisco José Millán Mon, María Muñiz De Urquiza, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Norica Nicolai, Raimon Obiols, Pier Antonio Panzeri, Alojz Peterle, Bernd Posselt, Cristian Dan Preda, Libor Rouček, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, Werner Schulz, Adrian Severin, Marek Siwiec, Ernst Strasser, Charles Tannock, Zoran Thaler, Inese Vaidere, Geoffrey Van Orden, Kristian Vigenin

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Laima Liucija Andrikienė, Elisabeth Jeggle, Jaromír Kohlíček, Norbert Neuser, Vittorio Prodi, Marietje Schaake, Helmut Scholz, György Schöpflin, Konrad Szymański, Indrek Tarand, László Tőkés, Ivo Vajgl, Dominique Vlasto, Renate Weber

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Leonidas Donskis, Filip Kaczmarek, Eleni Theocharous

Laatst bijgewerkt op: 2 december 2010Juridische mededeling