Procedure : 2010/2053(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0012/2011

Ingediende teksten :

A7-0012/2011

Debatten :

PV 14/02/2011 - 13
CRE 14/02/2011 - 13

Stemmingen :

PV 15/02/2011 - 9.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0051

VERSLAG     
PDF 240kDOC 141k
28 januari 2011
PE 452.694v02-00 A7-0012/2011

over de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn 2006/123/EG

(2010/2053(INI))

Commissie interne markt en consumentenbescherming

Rapporteur: Evelyne Gebhardt

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn 2006/123/EG

(2010/2053(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gelet op de artikelen 9, 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt(1),

–   gezien de informatieve nota van de Commissie van 18 mei 2010 aan de Raad "Concurrentievermogen" over de stand van zaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een Single Market Act" (COM(2010)0608),

–   gezien het verslag aan de voorzitter van de Commissie over een nieuwe strategie voor de interne markt,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 mei 2010 over het verwezenlijken van een interne markt voor consumenten en burgers(2),

–   gelet op artikel 48 en artikel 119, lid 2, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0012/2011),

A. overwegende dat de dienstenrichtlijn gericht is op de voltooiing van de interne markt voor diensten maar ook op een hoog niveau van kwaliteit en sociale cohesie,

B.  overwegende dat de dienstenrichtlijn een instrument vormt voor de groei van de Europese Unie en dat de tenuitvoerlegging ervan moet worden ingebed in het kader van de strategie Europa 2020 en de Single Market Act,

C. overwegende dat de vrijheid van dienstverlening is verankerd in de Verdragen,

D. overwegende dat de omzetting van de dienstenrichtlijn een grote uitdaging vormt voor de lidstaten, de overheden en de plaatselijke autoriteiten vanwege de bepalingen op het gebied van vrijheid van vestiging en vrij verkeer van diensten en de opening van specifieke loketten om de dienstverrichters te begeleiden, met name het MKB,

E.  overwegende dat de gevolgen van de richtlijn voor de economie, de ondernemingen en de burgers pas kunnen worden beoordeeld wanneer de richtlijn in alle lidstaten van de Unie volledig en naar behoren is omgezet,

F.  overwegende dat de kwaliteit van de tenuitvoerlegging van de richtlijn door de lidstaten even essentieel is als de inachtneming van de erin gestelde termijnen,

G. overwegende dat de dienstenrichtlijn het vooral voor zelfstandige ondernemers en het MKB aanzienlijk gemakkelijker maakt in andere lidstaten te werken, nieuwe terreinen voor hun onderneming te ontsluiten en ook nieuw personeel in dienst te nemen,

H. overwegende dat door de dienstenrichtlijn bestreken activiteiten 40% van het BBP en de werkgelegenheid van de EU uitmaken en dat deze sector derhalve van cruciaal belang is voor de economische groei en voor de bestrijding van werkloosheid; overwegende dat de dienstenrichtlijn ten doel heeft het enorme economische en werkgelegenheidspotentieel van de Europese interne dienstenmarkt, dat geschat wordt op 0,6-1,5% van het BBP van de EU, te ontsluiten; overwegende dat met de dienstenrichtlijn tevens wordt beoogd de doelstellingen van artikel 3, VWEU te verwezenlijken,

I.  overwegende dat een dynamischer en arbeidsintensiever dienstensector kan helpen bij het bestendigen van de groei,

1. herinnert aan het ongekende publieke en politieke debat over de dienstenrichtlijn en de sleutelrol van het Europees Parlement hierin; is derhalve van mening dat het Europees Parlement moet zorgen voor een efficiënte follow-up van het proces van tenuitvoerlegging van de richtlijn door de lidstaten; verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig op de hoogte te stellen van de stand van zaken met betrekking tot de omzetting;

2.  benadrukt dat de dienstenrichtlijn een wezenlijke stap betekent op weg naar de totstandbrenging van een werkelijke interne markt voor diensten, die ondernemingen, en met name het MKB, in staat zal stellen overal op de interne markt de burgers een betere dienstverlening te bieden tegen concurrerende prijzen; is echter van mening dat het van het grootste belang is na de volledige omzetting van de richtlijn een allesomvattende evaluatie uit te voeren van de gevolgen van de dienstenrichtlijn;

3. is verheugd dat de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn in alle lidstaten een ongekende dynamiek van modernisering teweegbrengt die zijn weerslag vindt in nieuwe werk- en evaluatiemethoden; benadrukt de sleutelrol van de sociale partners en beroepsorganisaties in het omzettingsproces; verzoekt de Commissie hen volledig te betrekken in de fase van de wederzijdse beoordeling;

4. wijst erop op dat het merendeel van de lidstaten heeft gekozen voor een omzetting via horizontale wetgeving; merkt echter op dat de wijze van omzetting afhangt van de specifieke interne organisatie van de lidstaten; verzoekt bijgevolg de betrokken lidstaten een grotere transparantie te betrachten, met name door de nationale parlementen er sterker bij te betrekken en door correlatietabellen op te stellen;

5. herinnert eraan dat de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn door de meeste lidstaten niet mag worden gezien als een eenvoudige uitvoeringsprocedure die erin bestaat speciale regelingen en bepalingen mechanisch en horizontaal af te schaffen, maar veeleer moet worden beschouwd als een gelegenheid om de wetgeving bij te werken en te vereenvoudigen, en om de diensteneconomie ingrijpend te herstructureren, waarbij rekening wordt gehouden met de doelstellingen van de bescherming van het algemeen belang, zoals overigens in de richtlijn zelf wordt aangegeven;

6. is van oordeel dat, willen de dienstverrichters werkelijk van de voordelen van de dienstenrichtlijn profiteren, deze in alle lidstaten volledig en tijdig, zowel vanuit juridisch als operationeel oogpunt, ten uitvoer moet worden gelegd;

7. verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de toepassing van de richtlijn in alle lidstaten en periodiek uitvoeringsverslagen op te stellen; is van mening dat in deze verslagen moet worden ingegaan op de werkelijke gevolgen van de richtlijn voor de werkgelegenheid in de EU op middellange en lange termijn;

8. hoopt dat de dienstenrichtlijn werkelijk een positieve impact zal hebben door te zorgen voor de schepping van behoorlijke, duurzame kwaliteitsbanen en een verbetering van de kwaliteit en veiligheid van de aangeboden diensten;

9. erkent het potentieel van de dienstenrichtlijn voor de verdere eenwording van de economie van de EU en de nieuwe start van de interne markt door de bevordering van de economische welvaart en de mededinging en door de bijdrage tot werkgelegenheid en schepping van banen, aangezien diensten een aanzienlijk deel van het BBP en de werkgelegenheid in de EU voor hun rekening nemen; is van mening dat de correcte en snelle tenuitvoerlegging van de richtlijn in alle lidstaten een belangrijke voorwaarde is voor de verwezenlijking van de nagestreefde cohesie en het regionaal beleid en dat zij een stimulans kan zijn voor de verhouding tussen interne markt en cohesiebeleid, die elkaar onderling versterken, bij kan dragen tot verwezenlijking van de doelen van de strategie Europa 2020, en tevens tot neutralisering van de interne-marktmoeheid in de dienstensector;

10. spreekt de hoop uit dat de in de richtlijn gestelde doelen in de nabije toekomst worden verwezenlijkt en dat de gehele EU en haar regio’s hiervan profiteren en aldus bijdragen tot werkelijke economische, sociale en territoriale samenhang;

11. verzoekt de Commissie de gevolgen van de richtlijn voor de regio’s daadwerkelijk in het oog te houden en vanaf het begin te beoordelen, en te zorgen voor doelmatige coördinatie van alle vormen van beleid die verband houden met de tenuitvoerlegging van de richtlijn; verzoekt de Commissie een voorlichtingscampagne ten behoeve van plaatselijke en regionale instanties te steunen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de richtlijn, om de verwezenlijking van de doelen te vergemakkelijken;

12. verwacht dat de administratieve lasten en de rechtsonzekerheid door de richtlijn daadwerkelijk afnemen, met name voor het MKB, dat het leeuwendeel van de diensten voor zijn rekening neemt; is van mening dat verlichting van administratieve lasten eveneens de ontwikkeling van aanvullende diensten op het platteland en in veraf gelegen en perifere gebieden zal vergemakkelijken;

13. pleit voor tenuitvoerlegging van nationale strategieën ter ondersteuning van innovatief MKB, dat het meest gebukt gaat onder de gevolgen van de financiële en economische crisis;

Beoordelingsproces

14. is van mening dat het screeningsproces van de nationale wetgevingen betreffende de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten een pijler van de richtlijn vormt; merkt op dat de vergunningsstelsels aan de hand dit proces gemoderniseerd moeten kunnen worden, alsmede de eisen op het gebied van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten, ten einde het grensoverschrijdend verrichten van diensten te vergemakkelijken;

15. is ervan overtuigd dat de wederzijdse beoordeling een wezenlijke bijdrage levert tot de kwaliteit en doeltreffendheid van de regelgeving inzake de interne markt, aangezien een systematische beoordeling van de omzetting en de daarmee verbonden omzettingscontrole de nationale instanties dwingen zich bezig te houden met de richtsnoeren van de EU en de nationale omzetting ervan;

16. doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om samen te werken ten einde de ontwikkeling van de interne markt voor diensten te stimuleren op basis van de in de dienstenrichtlijn vastgelegde procedure van wederzijdse beoordeling, die momenteel door de lidstaten wordt omgezet;

17. herinnert eraan dat de lidstaten hun vergunningsstelsels en bepaalde eisen alleen kunnen handhaven in gevallen waarin deze duidelijk noodzakelijk, proportioneel en non-discriminatoir zijn; benadrukt in dit verband dat de lidstaten een aantal vergunningstelsels hebben gehandhaafd door ze toegankelijker en transparanter te maken voor de dienstverrichters; betreurt het feit dat een aantal lidstaten niet ambitieuzer is geweest en het potentieel van de dienstenrichtlijn ten aanzien van de vereenvoudiging van administratie en regelgeving niet volledig heeft benut;

18. benadrukt de moeilijkheden die ondervonden worden bij de erkenning van de beroepskwalificaties, met name in de medische sector; herinnert eraan dat de dienstenrichtlijn niet van toepassing kan zijn op bepalingen die reeds zijn opgenomen in sectorale richtlijnen; verzoekt de Commissie duidelijkheid te scheppen in deze situatie middels een herziening van de richtlijn inzake beroepskwalificaties;

19. herinnert aan het specifieke karakter van de bepalingen inzake de vrijheid van vestiging en het tijdelijk verrichten van diensten in een andere lidstaat; verzoekt de Commissie bij haar evaluatie ten volle rekening te houden met dit specifieke karakter;

20. vraagt de Commissie en de lidstaten een einde te maken aan de ongerechtvaardigde discriminatie van consumenten op grond van hun nationaliteit of verblijfplaats, te zorgen voor een doelmatige uitvoering van artikel 20, lid 2, van de dienstenrichtlijn en erop toe te zien dat de nationale autoriteiten en rechtbanken de nationale bepalingen ter omzetting van deze non-discriminatieregel in de rechtsstelsels van de lidstaten correct toepassen; herinnert eraan dat artikel 20, lid 2, niet tot doel heeft verschillen in behandeling in de algemene voorwaarden op basis van objectieve overwegingen, zoals afstand of hogere kosten door de dienstverlening aan afnemers in andere lidstaten, te voorkomen;

21. benadrukt dat dit screeningsproces voor de nationale overheden veel werk met zich meebrengt en dat hier bij de beoordeling van de omzetting rekening gehouden moet worden;

22. neemt kennis van de inspanningen van de lidstaten om een proces van wederzijdse beoordeling op gang te brengen; is van oordeel dat het beoordelingsproces een belangrijk instrument vormt om te kunnen oordelen over de voortgang die bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de lidstaten wordt geboekt; is van mening dat het proces nog niet dermate is gevorderd dat de doelmatigheid ervan kan worden beoordeeld; onderstreept dat het proces in kwestie moet helpen om te verifiëren of de vigerende regels in de lidstaten voldoen aan de voorschriften van de interne markt en geen nieuwe belemmeringen opwerpen; wenst dat de Commissie een diepgaand onderzoek instelt naar het potentieel van deze nieuwe methode in het kader van de Single Market Act;

23. betreurt dat het Europees Parlement en de nationale parlementen niet meer worden betrokken bij dit proces van wederzijdse beoordeling;

24. verzoekt de Commissie om problematische beroepsgroepen en sectoren op het vlak van de grensoverschrijdende dienstverlening af te bakenen en een diepgaande evaluatie te verrichten van de toepasselijke wetgevingen en de oorzaken van de problemen;

Specifieke loketten (één-loket)

25. is van mening dat de opening van specifieke loketten (één-loket) een essentieel element is van een doelmatige tenuitvoerlegging van de richtlijn; erkent dat dit een substantiële inspanning vergt van de lidstaten op financieel, technisch en organisatorisch vlak; benadrukt dat sociale partners en bedrijfsverenigingen erbij moeten worden betrokken;

26. verzoekt de lidstaten om de specifieke loketten in allesomvattende e-overheidsportalen te veranderen voor dienstverrichters die een bedrijf willen opzetten of grensoverschrijdende dienstverlening willen bieden; verzoekt de lidstaten om de toegankelijkheid van de specifieke loketten te blijven verbeteren, o.a. door het mogelijk te maken dat procedures en formaliteiten via deze loketten op afstand worden geregeld, via elektronische weg, alsmede de kwaliteit te verbeteren en de relevantie van de informatie en de procedures die beschikbaar zijn voor de gebruikers, met name van het MKB, met inbegrip van de informatie en de afhandeling van de in de lidstaten geldende arbeidsrechtelijke en fiscale procedures die relevant zijn voor dienstverrichters, zoals BTW-procedures en sociale-zekerheidsregistratie; verzoekt de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat alle informatie die verstrekt wordt door deze loketten eveneens beschikbaar is in andere dan de nationale taal en hierbij vooral rekening te houden met de talen van de buurlanden;

27. verzoekt de lidstaten om de beschikbaarheid van elektronische procedures te vergroten, met inbegrip van de vertaling van alle relevante formulieren; verzoekt de lidstaten om de gebruikers van deze loketten opzoekfaciliteiten aan te bieden die hen in staat stellen de voortgang van de lopende procedures te controleren;

28. erkent de problemen die zich bij de werking van het deze loketten voordoen in verband met het bewijzen van de identiteit, het gebruik van e-handtekeningen en de indiening van originelen of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften, met name in een grensoverschrijdende context; verzoekt de Commissie om maatregelen voor te stellen om voor deze kwesties een oplossing te vinden ten einde het MKB in staat te stellen van de interne markt te profiteren en juridische en technische onzekerheden te voorkomen;

29. onderstreept dat het met het oog op de gebruiksvriendelijkheid zeer belangrijk is te verduidelijken welke vereisten op de permanente vestiging van een bedrijf van toepassing zijn in tegenstelling tot de tijdelijke grensoverschrijdende dienstverlening;

30. betreurt dat het door deze loketten geboden advies de potentiële dienstverrichters nog niet bereikt en dat informatie over de wijze waarop deze loketten kunnen worden gecontacteerd, niet wijdverbreid is; verzoekt de Commissie in haar ontwerpbegroting voor 2012 voldoende middelen te oormerken om een ruim opgezette campagne te starten om deze loketten op Europees niveau te promoten en aldus onder de aandacht te brengen wat zij de dienstverrichters hebben te bieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in samenwerking met alle belanghebbenden, zo spoedig mogelijk een goed gerichte promotie-, voorlichtings- en opleidingscampagne te starten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de zichtbaarheid en herkenbaarheid van het EUGO-domein te verbeteren en case-studies te tonen van bedrijven die van deze loketten gebruik maken, alsmede de voordelen die zij daaruit hebben gehaald;

31. is van oordeel dat een dialoog en een uitwisseling van optimale werkmethoden tussen de lidstaten zeer belangrijk zijn voor de verbetering en ontwikkeling van de loketten in kwestie; onderstreept dat urgente maatregelen noodzakelijk zijn in de lidstaten waar de loketten nog niet bestaan of nog niet tot tevredenheid functioneren; verzoekt alle lidstaten om hun inspanningen te verdubbelen, opdat alle nodige stappen en procedures via deze loketten kunnen worden afgehandeld;

32. verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat de nationale één-loket-websites de nieuwe, aan de dienstverrichter opgelegde voorlichtingsverplichtingen ten behoeve van de burgers bekendmaken;

33. verzoekt de lidstaten de Commissie regelmatig te voorzien van de nodige vergelijkbare statistische gegevens voor de evaluatie van de werking van de loketten en de gevolgen ervan op Europees niveau, met name op het gebied van de grensoverschrijdende dienstverlening; verzoekt de Commissie om duidelijke criteria op te stellen voor de evaluatie van de specifieke loketten; is van oordeel dat deze criteria gebaseerd moeten zijn op zowel kwantitatieve als kwalitatieve indicatoren;

34. neemt nota van het feit dat sommige lidstaten een aantal wettelijke en technische kwesties moeten aanpakken om het grensoverschrijdende gebruik van deze loketten mogelijk te maken; dringt er bij die lidstaten op aan om de nodige maatregelen te treffen en daarbij vooral te letten op de erkenning van elektronische handtekeningen; verzoekt de Commissie om haar huidige inspanningen ter vergroting van de interoperabiliteit en de wederzijdse erkenning van elektronische procedures voort te zetten en de nodige ondersteunende maatregelen te nemen om het grensoverschrijdend gebruik van deze loketten te vergemakkelijken; adviseert dat de Commissie aan de dienstverrichters in alle officiële talen van de Unie een rechtstreekse elektronische verbinding met de specifieke loketten van de lidstaten biedt;

35. verzoekt de lidstaten en de Commissie om hun inspanningen te intensiveren ten einde de volledige elektronische interoperabiliteit van deze loketten te waarborgen; onderstreept het verband met voorstel 22 van de Single Market Act over e-handtekeningen, e-authenticatie en e-identificatie;

36. herinnert eraan dat de lidstaten gehouden zijn een risicobeoordeling uit te voeren om ervoor te zorgen dat bedrijven geen buitensporige belasting ondervinden, wanneer zij elektronisch hun procedures willen afhandelen; verzoekt de Commissie na te gaan in hoeverre bedrijven hun eigen nationale middelen voor elektronische identificatie/authenticatie kunnen gebruiken, wanneer zij van deze loketten in andere lidstaten gebruik maken;

37. is van oordeel dat, gelet op de complexiteit van de wetgeving, iedere burger de bevoegde autoriteiten moet kunnen raadplegen om een exact antwoord op zijn of haar vragen te krijgen; is van mening dat daarom het concept van een voorafgaande administratieve beslissing op het gebied van het arbeidsrecht en op het terrein van de sociale zekerheid moet worden ontwikkeld, om rechtsonzekerheid te voorkomen; is verder van oordeel dat de genomen besluiten ter wille van de transparantie openbaar gemaakt moeten worden;

Administratieve samenwerking

38. herinnert aan het belang van de bepalingen op het gebied van administratieve samenwerking en wederzijdse bijstand; is van mening dat de tenuitvoerlegging van deze bepalingen onontbeerlijk is voor een effectieve controle van de dienstverrichters en kwalitatief hoogwaardige en veilige diensten binnen de Europese Unie;

39. is verheugd over het toenemend aantal aanmeldingen van de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor de controle van de diensten bij het Informatiesysteem voor de interne markt (IMI), waardoor de gegevens direct, snel en doelmatig kunnen worden uitgewisseld; is van mening dat het IMI voor andere relevante richtlijnen kan worden gebruikt;

40. is van mening dat het IMI en het één-loketsysteem - doordat zij een hoge mate van ambtelijke samenwerking tussen alle betrokken instanties vereisen - de weg kunnen effenen naar meer interoperabiliteit en de ontwikkeling van netwerken op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau in de gehele EU; is van mening dat in de opstelling van voorschriften en procedures voor de werking daarvan een mate van soepelheid moet worden ingebouwd overeenkomstig de regionale verscheidenheid op EU-niveau en dat maatregelen voor dit doel in een geest van samenwerking en na werkelijk overleg op plaatselijk en regionaal niveau moeten worden vastgesteld;

41. acht het nuttig een samenwerking tot stand te brengen in het kader van een Europees netwerk dat wordt gevormd door de overheidsinstanties van de lidstaten en een onderlinge uitwisseling op te zetten over de betrouwbaarheid van aanbieders van diensten, met het oog op afschaffing van de aanvullende controles op grensoverschrijdende activiteiten;

42. benadrukt dat er opleidingsactiviteiten moeten worden georganiseerd voor ambtenaren van nationale en regionale overheden die belast zijn met de controle van de diensten; erkent de inspanningen die de lidstaten reeds in die zin hebben gedaan en verzoekt de lidstaten om de nationale IMI-netwerken verder te consolideren door voortdurend toezicht te houden op de praktische werking en voor adequate opleidingen te zorgen; wijst er andermaal op dat het duurzame succes van het IMI afhangt van toereikende investeringen op communautaire niveau; verzoekt de Commissie derhalve hiervoor een meerjarenprogramma op te zetten en alle middelen in te zetten die voor het goede verloop hiervan nodig zijn;

43. is van mening dat administratieve procedures doelmatiger moeten worden; acht het in dit verband nuttig nauwe samenwerking tot stand te brengen tussen de één-loket-aanspreekpunten zodat deze ervaringen kunnen uitwisselen op het gebied van grensoverschrijdende diensten in de diverse regio’s van Europa;

Toepassingsgebied

44. herinnert eraan dat in de richtlijn een reeks terreinen van het toepassingsgebied ervan worden uitgesloten, met name niet-economische diensten van algemeen belang, diensten van de gezondheidszorg en de meeste sociale diensten; merkt op dat de richtlijn niet van toepassing is op het arbeidsrecht en evenmin gevolgen heeft voor de wetgeving van de lidstaten op het gebied van sociale zekerheid;

45. neemt nota van de discussies in sommige lidstaten over de diensten die zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de richtlijn; merkt op dat de meeste lidstaten geen grote problemen hebben ondervonden bij de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn ten aanzien van haar toepassingsgebied; herinnert eraan dat deze diensten zijn uitgesloten vanwege hun specifieke karakter en dat zij in sommige gevallen een sectoraal communautair wetgevingskader vereisen; stelt vast dat in de mededeling van de Commissie "Naar een Single Market Act" wordt toegezegd dat in 2011 een pakket maatregelen inzake de diensten van algemeen economisch belang zal worden voorgesteld;

46. dringt erop aan dat de toepassing van de in de richtlijn bepaalde beperkingen ten aanzien van diensten van algemeen economisch belang naar behoren en grondig wordt gecontroleerd, rekening houdend met de verdeling van bevoegdheden tussen Unie en lidstaten; wijst erop dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de vrijheid van de lidstaten om in overeenstemming met het EU-recht vast te stellen wat zij als diensten van algemeen economisch belang beschouwen, hoe deze diensten, in overeenstemming met de regels inzake staatssteun, moeten worden georganiseerd en gefinancierd en aan welke bijzondere verplichtingen zij onderworpen zijn;

47. dringt erop aan bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn meer rekening te houden met het grondbeginsel van plaatselijk zelfbestuur, en bureaucratische administratieve druk op en beperkingen van lokale besluitvormende overheden met betrekking tot diensten van algemeen economisch belang zo veel mogelijk te voorkomen;

48. is van mening dat bijkomende maatregelen die nodig zijn voor de voltooiing van de interne dienstenmarkt moeten worden opgenomen in het kader van de discussie over de Single Market Act;

49. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0186.


TOELICHTING

Op 28 december 2006 is de Europese dienstenrichtlijn (2006/123/EG) in werking getreden. Doel van de dienstenrichtlijn is de markt voor dienstverrichters in de Europese Unie te openen, protectionistische beperkingen van de lidstaten voor de uitoefening van een dienstverrichtingsactiviteit op te heffen en het beginsel van vrij verkeer, dat de grondslag vormt van de interne markt, toe te passen: kortom, de Europese dienstverrichters moeten hun werk zonder bureaucratische belemmeringen overal in de EU kunnen aanbieden.

Ten onrechte wordt altijd beweerd dat de richtlijn de dienstensector zou dereguleren of liberaliseren. Dat is niet zo. Doel van de dienstenrichtlijn is de toegang tot de markten in de lidstaten zo te regelen dat willekeurige belemmeringen worden weggenomen en dat regels die in de lidstaten gehandhaafd worden, terecht en non-discriminatoir zijn. Er werd uitdrukkelijk bepaald dat het wetsvoorstel geen gevolgen zou hebben voor het arbeidsrecht noch voor de rechten van werknemers, daar heeft het Europees Parlement veel waarde aan gehecht.

Europese en nationale verworvenheden konden zo veilig worden gesteld. Het oorspronglandbeginsel, dat sociale dumping in de hand zou werken en erop neer zou komen dat de dienstverrichter bij werkzaamheden in het EU-buitenland alleen gehouden zou zijn aan de regels van zijn land van oorsprong, werd geschrapt en vervangen door het gastlandbeginsel. De richtlijn staat de landen nu toe hun eigen regelingen inzake arbeidsvoorwaarden toe te passen, inclusief regelingen die in algemeen verbindende cao-overeenkomsten zijn vastgelegd.

Vastgesteld moet worden dat het Europees Parlement de motor van de wetgevingsmachine is geworden en het is uniek dat de Raad in grote lijnen heeft ingestemd met de voorstellen van het Europees Parlement. Met name wat de formulering van artikel 16 betreft waarin het volgende benadrukt wordt: "De lidstaat waarnaar de dienstverrichter zich begeeft, wordt niet verhinderd om, ... , eisen ... te stellen als deze gerechtvaardigd zijn om redenen in verband met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Ook wordt die lidstaat niet verhinderd om in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht zijn voorschriften inzake de arbeidsvoorwaarden toe te passen, waaronder die welke zijn neergelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten".

Het Europees Parlement constateerde in de eerste plaats vertraging bij de omzetting van de dienstenrichtlijn in de lidstaten en voor een deel hevige discussies. Het besloot daarop het omzettingsproces nauwkeurig te volgen en te begeleiden. Haperende omzetting en vragen over de interpretatie en de toepassing van de richtlijn werden aan de orde gesteld. Dat was de aanleiding voor dit verslag.

Toepassingsgebied

Het toepassingsgebied van de dienstenrichtlijn omvat in wezen alle commerciële diensten die worden aangeboden door in een lidstaat gevestigde dienstverrichters. Niet onder het toepassingsgebied vallen niet-economische diensten van algemeen belang, financiële diensten, diensten op het gebied van vervoer, diensten van uitzendbureaus, diensten van de gezondheidszorg en sociale diensten op het gebied van verzorging, kinderzorg en woningbouw. De diensten van algemeen belang worden door de richtlijn niet ter discussie gesteld en de richtlijn dient in geen geval tot uitholling van de publieke basiszorg.

De rapporteur benadrukt dat het toepassingsgebied van de richtlijn duidelijk moet worden geïmplementeerd. Want alleen zo kan rechtszekerheid worden gecreëerd. De rapporteur benadrukt ook met name dat de omzetting van de dienstenrichtlijn in de lidstaten niet als voorwendsel voor deregulering of privatisering mag worden gebruikt. Wanneer een regering een privatisering wil doorvoeren moet zij ook de verantwoordelijkheid voor haar eigen handelen op zich nemen.

In de loop van het omzettingsproces is duidelijk geworden dat het vele dienstverrichters niet duidelijk is of de door hen aangeboden diensten onder de richtlijn vallen of niet. Dat geldt met name voor artikel 2, letter j). Hier wordt een beroep gedaan op de lidstaten om gebruik te maken van de instrumenten van de richtlijn en ze aan te wenden, bijvoorbeeld om de kinderzorg uit het toepassingsgebied van de dienstenrichtlijn te halen.

De rapporteur benadrukt verder dat het noodzakelijk is niet alleen de onder de richtlijn vallende diensten en de diensten van algemeen belang duidelijk af te bakenen, maar ook te waarborgen dat de diensten in het algemene economische belang door kaderwetgeving worden beschermd.

Specifieke loketten (één-loket)

Voor de dienstverrichters zijn de vereenvoudiging van de administratieve procedures en de opening van specifieke loketten grote voordelen. Dit instrument kan, wanneer het juist wordt ingericht, van bijzonder belang zijn voor het midden- en kleinbedrijf (MKB).

Alle procedures en formaliteiten die voor de start en uitoefening van een dienstverrichtingsactiviteit bij het grensoverschrijdend verrichten van diensten nodig zijn, moeten via dit loket geregeld kunnen worden. Hier moet nauwkeurige, volledige en begrijpelijke informatie over formaliteiten, administratieve procedures, geldende wetgeving enz. ter beschikking worden gesteld. Bovendien moeten de ondernemers bij het afhandelen van de nodige administratieve procedures worden begeleid. De procedure zou zo mogelijk via elektronische weg afgehandeld moeten kunnen worden.

De rapporteur gaat ervan uit dat bij de totstandkoming van het loket alle belanghebbenden, d.w.z. naast de ondernemingen ook vertegenwoordigers van werknemers, betrokken worden om te waarborgen dat alle relevante informatie ook kan worden verstrekt en met name over het geldende arbeidsrecht, opdat eventuele problemen zo snel en eenvoudig mogelijk kunnen worden opgelost.

De rapporteur vindt het echter onjuist als het loket zich uitsluitend zou beperken tot de elektronische vorm. Een persoonlijk advies door gekwalificeerd personeel zou de regel moeten zijn. Om die reden moet het loket ertoe worden verplicht de dienstverrichters te informeren over het geldende arbeidsrecht en het sociale-zekerheidsrecht. Alleen op die manier kan ervoor worden gezorgd dat een dienstverrichter zich er niet op kan beroepen dat hij niet op de hoogte was van de wettelijke normen van het betreffende land. Verder zou een coördinatie van de verschillende loketten nodig zijn om ervoor te zorgen dat de dienstverrichters beschikken over de actueelste informatie.

Het spreekt tevens voor zich dat de aangeboden informatie in meerdere talen beschikbaar is.

Administratieve samenwerking

In de dienstenrichtlijn wordt duidelijk gemaakt dat de vestigingslidstaat en de lidstaat waarin de dienst wordt verricht verplicht zijn om met elkaar samen te werken op het administratieve vlak. Daarbij helpt het Informatiesysteem voor de interne markt (IMI) de bevoegde autoriteiten in de lidstaten om praktische belemmeringen weg te nemen. Het IMI is een prijzenswaardig instrument, omdat het het werk van de instanties ondersteunt doordat verschillende beheerssystemen, taalbarrières of ontbrekende informatie over het loket in andere lidstaten hier opgenomen kunnen worden. De rapporteur zal er in de toekomst nog meer op letten dat dit systeem ook daadwerkelijk wordt benut. Hier schijnen de lidstaten nog de nodige achterstand te moeten inlopen.

Wederzijdse beoordeling

De rapporteur zou nogmaals willen benadrukken dat de destijds door de Raad ingevoerde procedure voor de wederzijdse beoordeling tot onnodige bureaucratische belasting van de nationale, regionale en lokale autoriteiten leidt.

Naast het grote aantal nationale wetten die aan de dienstenrichtlijn moeten worden aangepast, moeten de lidstaten aan de Commissie verslag uitbrengen over hun vergunningsstelsels (artikel 9, lid 2), hun eisen betreffende de vrijheid van vestiging (artikel 15), alsmede over hun eisen betreffende de multidisciplinaire activiteiten (artikel 25, lid 3).

De mogelijke voordelen van deze procedure moeten nog nauwkeurig worden nagegaan aangezien de bureaucratische rompslomp en de kosten die dat met zich mee brengt volgens de rapporteur zullen blijven bestaan.


ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken (16.12.2010)

aan de Commissie interne markt en consumentenbescherming

inzake de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn 2006/123/EG

(2010/2053(INI))

Rapporteur voor advies: Sophie Auconie

SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie interne markt en consumentenbescherming onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat de vrijheid van dienstverlening verankerd is in de Verdragen,

B.  overwegende dat door de dienstenrichtlijn bestreken activiteiten 40% van het BBP en de werkgelegenheid van de EU uitmaken en dat deze sector derhalve van cruciaal belang is voor economische groei en voor de bestrijding van werkloosheid; overwegende dat de dienstenrichtlijn ten doel heeft het enorme economische en werkgelegenheidspotentieel van de Europese interne dienstenmarkt, dat geschat wordt op 0,6-1,5% van het BBP van de EU, te ontsluiten; overwegende dat met de dienstenrichtlijn tevens wordt beoogd de doelstellingen van artikel 3, VWEU te verwezenlijken,

1.  benadrukt dat de dienstenrichtlijn een wezenlijke stap betekent op weg naar de totstandbrenging van een werkelijke interne markt voor diensten, die ondernemingen, en met name het MKB, in staat zal stellen overal op de interne markt de burgers een betere dienstverlening te bieden tegen concurrerende prijzen; is echter van mening dat het van het grootste belang is na de volledige omzetting van de richtlijn een allesomvattende evaluatie uit te voeren van de gevolgen van de dienstenrichtlijn voor de economische bedrijvigheid, de kwalitatieve en kwantitatieve werkgelegenheid, sociale bescherming, de verwezenlijking van milieudoelstellingen en de kwaliteit van de aan de consumenten geboden diensten;

2.  wijst op het belang van een goede toegankelijkheid, doeltreffendheid en interoperabiliteit van de één-loketvoorzieningen (points of single contact: PSC's) in alle lidstaten; is met name van mening dat deze PSC's juiste en volledige informatie dienen te verstrekken over de rechten van werknemers en het fiscale regime in de lidstaten, en dan met name de geldende BTW-regelingen; is van mening dat één digitaal loket voor toegang tot de PSC's ontoereikend is om dienstverleners een goede ondersteuning te bieden en dringt aan op een prestatieanalyse van de PSC's op basis van meetbare indicatoren die aan het Europees Parlement ter beschikking wordt gesteld; beveelt aan de administratieve lasten voor lokale en regionale overheden ten gevolge van de dienstenrichtlijn te allen tijde op een proportioneel en redelijk niveau te houden;

3.  merkt op dat het definiëren van het toepassingsgebied van de dienstenrichtlijn soms moeilijk is, met name waar het gaat om diensten van algemeen belang; verzoekt de Commissie daarom te zorgen voor een duidelijk wettelijk kader voor alle diensten door middel van de "Single Market Act";

4.  benadrukt dat de omzetting zo spoedig mogelijk en op transparante wijze moet plaatsvinden; benadrukt het belang van administratieve samenwerking en is van mening dat de bevoegde overheden van alle lidstaten sneller en doeltreffender kunnen communiceren als zij beter gebruik maken van het informatiesysteem voor de interne markt (IMI); verwacht dat het rapport van de Commissie een analyse omvat van de aanpassingen die nodig zijn voor een volledige en doeltreffende uitvoering van de richtlijn; is met name van mening dat onderzocht moet worden wat de gevolgen van de keuze voor een bepaalde omzettingsmethode (verticale of horizontale methode) zijn voor de kwaliteit en leesbaarheid van de wetgeving voor dienstverleners en burgers.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.12.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

2

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Burkhard Balz, Udo Bullmann, Pascal Canfin, Nikolaos Chountis, George Sabin Cutaş, Leonardo Domenici, Derk Jan Eppink, Diogo Feio, Markus Ferber, Elisa Ferreira, Vicky Ford, Ildikó Gáll-Pelcz, José Manuel García-Margallo y Marfil, Jean-Paul Gauzès, Sven Giegold, Sylvie Goulard, Liem Hoang Ngoc, Gunnar Hökmark, Othmar Karas, Wolf Klinz, Jürgen Klute, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Philippe Lamberts, Ivari Padar, Anni Podimata, Olle Schmidt, Edward Scicluna, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Ramon Tremosa i Balcells, Corien Wortmann-Kool

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Marta Andreasen, Elena Băsescu, Pervenche Berès, Thijs Berman, Sari Essayah, Robert Goebbels, Carl Haglund, Syed Kamall, Klaus-Heiner Lehne, Thomas Mann, Gay Mitchell


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (10.11.2010)

aan de Commissie interne markt en consumentenbescherming

inzake de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn 2006/123/EG

(2010/2053(INI))

Rapporteur voor advies: Jean-Luc Bennahmias

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie interne markt en consumentenbescherming onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat de interne markt voor diensten volledig tot ontwikkeling moet komen, terwijl het Europese sociale model niet mag worden aangetast, vooral wat behoorlijk en vast werk en universeel welzijn betreft,

B.  overwegende dat de dienstenrichtlijn het vooral voor zelfstandige ondernemers en het midden- en kleinbedrijf aanzienlijk gemakkelijker maakt in andere lidstaten te werken, nieuwe terreinen voor hun onderneming te ontsluiten en ook nieuw personeel in dienst te nemen,

C. overwegende dat de uitvoering van de dienstenrichtlijn van cruciaal belang blijft voor de voltooiing van de interne markt,

D. overwegende dat de dienstensector goed is voor 70% van de banen en het BBP in de Europese Unie en zo de grootste sector van de EU-economie is en dat de stijgende vraag de afgelopen decennia in het grootste deel van de eurozone tot een nettobanenschepping in de dienstensector heeft geleid,

E.  overwegende dat een dynamischer en arbeidsintensiever dienstensector kan helpen bij het bestendigen van de groei,

1.  hoopt dat de dienstenrichtlijn werkelijk een positieve impact zal hebben door te zorgen voor de schepping van behoorlijke, duurzame kwaliteitsbanen en een verbetering van de kwaliteit en veiligheid van de aangeboden diensten;

2.  constateert dat een volledige, coherente en spoedige omzetting van de dienstenrichtlijn nodig is om de doelstellingen ervan volledig te halen;

3.  is van oordeel dat de dienstenrichtlijn moet zorgen voor meer maatschappelijk welzijn, sterkere werknemersrechten en billijke arbeidsvoorwaarden voor alle EU-burgers;

4.  herinnert eraan dat de dienstenrichtlijn moet worden geïnterpreteerd in het licht van de nieuwe bepalingen van de verdragen, met name artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), de horizontale sociale clausule van artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 14 van het VWEU, protocol nr. 26 dat aan de verdragen is gehecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

5.  wijst erop dat er in de afgelopen jaren een aantal problemen met de interne markt is geweest, in het bijzonder in verband met het vrije verkeer, en dat de detacheringsrichtlijn bijvoorbeeld in sommige landen voor problemen heeft gezorgd; verzoekt zowel de lidstaten als de EU-instellingen om aan de oplossing van deze problemen te blijven werken, met name door de dienstenrichtlijn te interpreteren in het licht van de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaak-Viking, de zaak-Laval en de zaak-Rüffert en door de detacheringsrichtlijn te herzien; wijst er in verband hiermee op dat bij de opstelling en uitvoering van EU-wetgeving een evenwicht moet bestaan tussen de economische fundamentele vrijheden van de interne markt en de grondrechten, inclusief de sociale grondrechten, zodat de interne markt niet vóór het Europese sociale model gaat of belangrijker dan dit model is;

6.  herinnert eraan dat in de richtlijn een reeks terreinen van het toepassingsgebied ervan worden uitgesloten, met name niet-economische diensten van algemeen belang, diensten van de gezondheidszorg en de meeste sociale diensten; merkt op dat de richtlijn niet van toepassing is op het arbeidsrecht en evenmin gevolgen heeft voor de wetgeving van de lidstaten op het gebied van sociale zekerheid;

7.  verzoekt de Commissie verdere verduidelijkingen te geven zowel met betrekking tot het toepassingsgebied van de richtlijn, met name wat de noties "economische activiteiten","niet-economische diensten van algemeen belang" en "sociale diensten van algemeen belang" betreft, als met betrekking tot de toepassing van de richtlijn op vergunningsstelsels op het gebied van sociale diensten van algemeen belang, maar hierbij naar behoren rekening te houden met het subsidiariteitsbeginsel;

8.  is van mening dat de één-loketten zowel elektronisch als in de vorm van een fysiek contactpunt toegankelijk moeten zijn in alle lidstaten en dat zij bijzonder effectief zijn, als zij gemakkelijk te vinden zijn en op praktische wijze en in meer talen werken; is voorts van mening dat de één-loketten met meer engagement onbureaucratisch advies moeten verlenen aan het midden- en kleinbedrijf (MKB) en informatie moeten verstrekken aan burgers over vragen in verband met de richtlijn, met name het toepasselijke arbeidsrecht, het sociale-zekerheidsrecht en de werknemersrechten die krachtens de richtlijn gelden; is van oordeel dat, gezien het complexe karakter van de wetgeving, bij de door de arbeidsorganen of sociale-zekerheidsinstellingen uitgevoerde controles dialoog, adviesverlening en voorlichting centrale elementen moeten zijn;

9.  is van oordeel dat, gelet op de complexiteit van de wetgeving, iedere burger de bevoegde autoriteiten moet kunnen raadplegen om een exact antwoord op zijn of haar vragen te krijgen; is van mening dat daarom het concept van een voorafgaande administratieve beslissing op het gebied van het arbeidsrecht en op het terrein van de sociale zekerheid moet worden ontwikkeld, om rechtsonzekerheid te voorkomen; is verder van oordeel dat de genomen besluiten ter wille van de transparantie openbaar gemaakt moeten worden;

10. betreurt dat niet alle lidstaten op dit moment de dienstenrichtlijn volledig ten uitvoer hebben gelegd en dringt erop aan dat dit zo spoedig mogelijk gebeurt;

11. is van mening dat wie de toepasselijke nationale arbeidswetgeving omzeilt, bij voorbeeld door zwartwerk of schijnzelfstandigheid, vervolgd en bestraft moet worden;

12. verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de toepassing van de richtlijn in alle lidstaten en periodiek uitvoeringsverslagen op te stellen; is van mening dat in deze verslagen moet worden ingegaan op de werkelijke gevolgen van de richtlijn voor de werkgelegenheid in de EU op middellange en lange termijn.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.11.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

1

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Edit Bauer, Jean-Luc Bennahmias, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Sergio Gaetano Cofferati, Marije Cornelissen, Frédéric Daerden, Karima Delli, Proinsias De Rossa, Frank Engel, Sari Essayah, Richard Falbr, Ilda Figueiredo, Pascale Gruny, Marian Harkin, Roger Helmer, Stephen Hughes, Martin Kastler, Ádám Kósa, Jean Lambert, Patrick Le Hyaric, Veronica Lope Fontagné, Olle Ludvigsson, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Csaba Őry, Siiri Oviir, Rovana Plumb, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Jutta Steinruck

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Georges Bach, Raffaele Baldassarre, Jürgen Creutzmann, Julie Girling, Jelko Kacin, Jan Kozłowski, Antigoni Papadopoulou, Evelyn Regner, Csaba Sógor


ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling (3.12.2010)

aan de Commissie interne markt en consumentenbescherming

inzake de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn 2006/123/EG

(2010/2053(INI))

Rapporteur voor advies: Filiz Hakaeva Hyusmenova

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de Commissie interne markt en consumentenbescherming als commissie ten principale onderstaande suggesties op te nemen in haar ontwerpresolutie:

1.  erkent het potentieel van de dienstenrichtlijn voor de verdere eenwording van de economie van de EU en de nieuwe start van de interne markt door bevordering van de economische welvaart en de mededinging en door de bijdrage tot werkgelegenheid en schepping van banen, aangezien diensten een aanzienlijk deel van BBP en werkgelegenheid in de EU voor hun rekening nemen; is van mening dat de correcte en snelle tenuitvoerlegging van de richtlijn in alle lidstaten een belangrijke voorwaarde is voor de verwezenlijking van de nagestreefde cohesie en het regionaal beleid en dat zij een stimulans kan zijn voor de verhouding tussen interne markt en cohesiebeleid, die elkaar onderling versterken, en bij kan dragen tot verwezenlijking van de doelen van de strategie Europa 2020, en tevens tot neutralisering van de interne-marktmoeheid in de dienstensector;

2.  is van mening dat het informatiesysteem voor de interne markt (IMI) en het één-loketsysteem doordat zij een hoge mate van administratieve samenwerking tussen alle betrokken instanties vereisen, de weg kunnen effenen naar meer interoperabiliteit en de ontwikkeling van netwerken op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau in de gehele EU; is van mening dat in de opstelling van voorschriften en procedures voor de werking daarvan een mate van soepelheid moet worden ingebouwd overeenkomstig de regionale verscheidenheid op EU-niveau en dat maatregelen voor dit doel in een geest van samenwerking en na werkelijk overleg op plaatselijk en regionaal niveau moeten worden vastgesteld; is van mening dat de één-loket-aanspreekpunten voorts moeten worden aangemoedigd te werk te gaan volgens het veeltaligheidsbeginsel zodat de administratieve procedures nauwkeuriger zijn afgesteld op de behoeften en doelmatige, rechtstreekse en snelle communicatie mogelijk wordt; is van mening dat het in dit opzicht nuttig zou zijn als de één-loket-aanspreekpunten meertalige websites hadden; stelt echter vast dat erop dient te worden toegezien dat dit voor de betrokken partijen, met name plaatselijke en regionale overheden, geen extra lasten met zich meebrengt;

3.  stelt vast dat deze aanspreekpunten moeten worden ingesteld als overheidsinstanties en als één loket voor aanbieders van diensten;

4.  acht het nuttig samenwerking tot stand te brengen in het kader van een Europees netwerk dat wordt gevormd door de overheidsinstanties van de lidstaten en een onderlinge uitwisseling op te zetten over de betrouwbaarheid van aanbieders van diensten, met het oog op afschaffing van de aanvullende controles op grensoverschrijdende activiteiten;

5.  spreekt de hoop uit dat de in de richtlijn gestelde doelen in de nabije toekomst worden verwezenlijkt en dat de gehele EU en haar regio’s hiervan profiteren en aldus bijdragen tot werkelijke economische, sociale en territoriale samenhang; wijst met nadruk op de rol die de Structuurfondsen en andere financieringsinstrumenten spelen om te zorgen voor een goede infrastructuur in sectoren als vervoer, telecommunicatie, onderzoek en vernieuwing, voor toegang tot collectieve voorzieningen en overheidsdiensten in de regio’s, met name in voor investeerders minder aantrekkelijke gebieden door ontwikkeling en het bieden van investeringsstimuli in dergelijke gebieden, en om de stimulering van de uitwisseling van optimale werkmethoden bij het verlenen van essentiële diensten te ondersteunen; dringt in dit verband aan op meer samenhang en coördinatie van alle vormen van beleid;

6.  is van mening dat de administratieve procedures doelmatiger moeten worden; acht het in dit verband nuttig nauwe samenwerking tot stand te brengen tussen de één-loket-aanspreekpunten zodat deze ervaringen kunnen uitwisselen op het gebied van grensoverschrijdende diensten in de diverse regio’s van Europa;

7.  verzoekt de Commissie de gevolgen van de richtlijn voor de regio’s daadwerkelijk in het oog te houden en vanaf het begin te beoordelen, en te zorgen voor doelmatige coördinatie van alle vormen van beleid die verband houden met de tenuitvoerlegging van de richtlijn; verzoekt de Commissie een voorlichtingscampagne ten behoeve van plaatselijke en regionale instanties te steunen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de richtlijn, om de verwezenlijking van de doelen mogelijk te maken;

8.  verwacht dat de administratieve lasten en de rechtsonzekerheid door de richtlijn daadwerkelijk afnemen, met name voor het MKB, dat het leeuwendeel van de diensten voor zijn rekening neemt; verzoekt de Commissie en de lidstaten met dit doel om vermindering van de huidige administratieve druk op plaatselijke en regionale autoriteiten ten gevolge van de huidige eis om kennis te geven van wijzigingen van de statuten; is van mening dat verlichting van administratieve lasten eveneens de ontwikkeling van aanvullende diensten op het platteland en in veraf gelegen en perifere gebieden zal vergemakkelijken;

9.  pleit voor tenuitvoerlegging van nationale strategieën ter ondersteuning van innovatief MKB, dat het meest gebukt gaat onder de gevolgen van de financiële en economische crisis;

10. wijst erop dat diensten van algemeen belang kunnen en moeten worden gereguleerd op hun plaats van oorsprong en waar de burgers ervan kunnen profiteren; dringt er dan ook op aan voor gemeenten in dit opzicht voldoende speelruimte te laten;

11. dringt erop aan dat de toepassing van de in de richtlijn bepaalde beperkingen ten aanzien van diensten van algemeen economisch belang naar behoren en grondig wordt gecontroleerd, rekening houdend met de verdeling van bevoegdheden tussen Unie en lidstaten; wijst erop dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de vrijheid van de lidstaten om in overeenstemming met het EU-recht vast te stellen wat zij als diensten van algemeen economisch belang beschouwen, hoe deze diensten, in overeenstemming met de regels inzake staatssteun, moeten worden georganiseerd en gefinancierd en aan welke bijzondere verplichtingen zij onderworpen zijn;

12. dringt erop aan bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn meer rekening te houden met het grondbeginsel van plaatselijk zelfbestuur, en bureaucratische administratieve druk op en beperkingen van lokale besluitvormende overheden met betrekking tot diensten van algemeen economisch belang zo veel mogelijk te voorkomen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.11.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Charalampos Angourakis, Sophie Auconie, Jean-Paul Besset, Victor Boştinaru, Zuzana Brzobohatá, Alain Cadec, Francesco De Angelis, Tamás Deutsch, Danuta Maria Hübner, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Juozas Imbrasas, María Irigoyen Pérez, Seán Kelly, Evgeni Kirilov, Constanze Angela Krehl, Jacek Olgierd Kurski, Petru Constantin Luhan, Ramona Nicole Mănescu, Riikka Manner, Iosif Matula, Erminia Mazzoni, Wojciech Michał Olejniczak, Markus Pieper, Tomasz Piotr Poręba, Monika Smolková, Georgios Stavrakakis, Csanád Szegedi, Nuno Teixeira, Michail Tremopoulos, Viktor Uspaskich, Lambert van Nistelrooij, Hermann Winkler, Joachim Zeller, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Vasilica Viorica Dăncilă, Jens Geier, Andrey Kovatchev, Elisabeth Schroedter, Dimitar Stoyanov, László Surján, Evžen Tošenovský, Derek Vaughan, Sabine Verheyen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Andrea Češková


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.1.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

1

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pablo Arias Echeverría, Cristian Silviu Buşoi, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, António Fernando Correia De Campos, Jürgen Creutzmann, Christian Engström, Evelyne Gebhardt, Louis Grech, Małgorzata Handzlik, Malcolm Harbour, Iliana Ivanova, Sandra Kalniete, Eija-Riitta Korhola, Edvard Kožušník, Kurt Lechner, Toine Manders, Hans-Peter Mayer, Gianni Pittella, Mitro Repo, Zuzana Roithová, Heide Rühle, Matteo Salvini, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Laurence J.A.J. Stassen, Catherine Stihler, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Kyriacos Triantaphyllides, Emilie Turunen, Bernadette Vergnaud, Barbara Weiler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Damien Abad, Cornelis de Jong, Ashley Fox, Liem Hoang Ngoc, Morten Løkkegaard, Konstantinos Poupakis

Laatst bijgewerkt op: 4 februari 2011Juridische mededeling