– gelet op artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gelet op artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
– gelet op het Verdrag inzake de rechten van het kind van de Verenigde Naties, in het bijzonder de artikelen 3, 18 en 29,
– gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,
– gezien Besluit nr. 1720/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 tot vaststelling van een actieprogramma op het gebied van een leven lang leren(1),
– gezien de mededeling van de Commissie 'Opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen' (COM(2011)0066),
– gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Parlement: 'Doelmatigheid en rechtvaardigheid in de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels' (COM(2006)0481),
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 januari 2010 over kinderopvang en voorschools onderwijs(2),
– gezien de conclusies van de Raad van 11 mei 2010 over de sociale dimensie van onderwijs en opleiding(3),
– gezien de conclusies van de Raad van 26 november 2009 over het onderwijs aan kinderen met een migrantenachtergrond(4),
– gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding ('ET 2020')(5),
– gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen op 21 november 2008, betreffende het voorbereiden van jongeren op de 21ste eeuw: een agenda voor Europese samenwerking op het gebied van scholen(6),
– gezien de conclusies van de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 september 2008 over de verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleiding(7),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 maart 2009: 'Meertaligheid: een troef voor Europa en een gemeenschappelijk engagement'(8),
– gelet op artikel 48 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A7-0099/2011),
A. overwegende dat voorschools leren de basis legt voor een succesvol leven lang leren, hetgeen van centraal belang is voor de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen,
B. overwegende dat kinderen op zeer jonge leeftijd bijzonder leergierig, ontvankelijk en bereid tot leren zijn, en dat belangrijke vaardigheden zoals taalvaardigheid en uitdrukkingsvermogen, maar ook sociale vaardigheden dan worden aangeleerd; overwegende dat op deze leeftijd de basis wordt gelegd voor de toekomstige school- en beroepsloopbaan,
C. overwegende dat er binnen de Europese Unie op verschillende manieren wordt voorzien in kinderopvang en voorschools onderwijs (Early Childhood Education and Care - ECEC), waarbij de definitie van 'kwaliteit' varieert en sterk afhangt van de culturele normen en waarden van een land en een regio en hun interpretatie van het begrip 'kind',
D. overwegende dat een duidelijk verband bestaat tussen een arme en achtergestelde gezinssituatie en lage prestaties op school, en overwegende dat gezinnen met zo'n achtergrond aantoonbaar het meest baat hebben bij toegang tot kinderopvang en voorschools onderwijs;overwegende dat deze achtergestelde groepen vanwege beschikbaarheids- en betaalbaarheidsproblemen minder snel toegang tot kinderopvang en voorschools onderwijs zoeken,
E. overwegende dat vaak minder aandacht en geld naar de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs gaat dan naar alle andere fasen van het onderwijs, ondanks duidelijke bewijzen dat investeringen in de eerste fasen van onderwijs juist zeer veel opleveren,
F. overwegende dat de doelstellingen inzake kinderopvang en voorschools onderwijs vaak te sterk op de arbeidsmarkt zijn afgestemd en te veel gericht zijn op de noodzaak van meer werkende vrouwen en te weinig op de behoeften en belangen van het kind,
G. overwegende dat vele huishoudens grote moeilijkheden ondervinden om gezinsverplichtingen te combineren met beroepsverplichtingen, welke het gevolg zijn van de veranderingen die momenteel plaatshebben op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld de ontwikkeling van atypische en flexibele werkuren die werknemers worden opgelegd, en de toename van het aantal banen zonder arbeidszekerheid,
H. overwegende dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het welzijn van ouders en kinderen en het aanbod, zowel kwantitatief als kwalitatief, van voorschoolse voorzieningen,
I. overwegende dat de kinderopvang van oudsher beschouwd wordt als een natuurlijke bezigheid voor vrouwen, wat ertoe geleid heeft dat voornamelijk vrouwen in de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs werken,
J. overwegende dat de kwalificaties van het personeel per lidstaat en per soort voorziening aanzienlijk uiteenlopen, en dat de meeste lidstaten voorzieningen voor kinderopvang en voorschools onderwijs niet verplichten personeel met specifieke kwalificaties aan te stellen,
K. overwegende dat op EU-niveau zeer weinig onderzoek gedaan is naar educatie van jonge kinderen, dat kan bijdragen aan de ontwikkeling en invoering van EU-breed beleid voor kinderopvang en voorschools onderwijs,
Een op het kind gerichte aanpak
1. is ingenomen met de doelstellingen in de conclusies van de Europese Raad van Barcelona om vóór 2010 te voorzien in kinderopvang voor ten minste 90% van de kinderen tussen drie jaar en de leerplichtige leeftijd en voor ten minste 33% van de kinderen onder de drie jaar; meent echter dat de Raad en de Commissie deze doelstellingen zodanig moeten herzien en bijstellen dat de behoeften en belangen van het kind centraal staan in het EU-beleid voor kinderopvang en voorschools onderwijs;
2. erkent dat de Europa 2020-strategie, die door meer werkgelegenheid, minder vroegtijdige schoolverlaters en minder armoede een inclusieve samenleving wil creëren, alleen haalbaar is wanneer alle kinderen een goede start in het leven krijgen;
3. merkt op dat de vroege kinderjaren cruciaal zijn voor de cognitieve, zintuiglijke en motorische ontwikkeling, alsook voor de affectieve en persoonlijke ontwikkeling en voor de taalverwerving, en de basis leggen voor een leven lang leren; onderkent dat kinderopvang en voorschools onderwijs een gezonde psychische en lichamelijke ontwikkeling van kinderen ten goede komt en hen helpt stabielere mensen te worden; beveelt de lidstaten dan ook aan te overwegen een verplicht voorschooljaar vóór het begin van het basisonderwijs in te voeren;
4. benadrukt dat vroege ontwikkeling van een gezonde levensstijl, zoals goede eetgewoonten en voldoende en uitgebalanceerde lichaamsbeweging, een grote invloed kan hebben op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling en in hoge mate bepalend is voor de gezondheid in het latere leven; waarschuwt dat kinderen niet te vroeg met bepaalde intensieve, resultaatgerichte sporten moeten beginnen;
5. herinnert eraan dat al wat op jonge leeftijd wordt geleerd, belangrijk is voor de verwerving van kennis, met name op het gebied van talen, meertaligheid en taaldiversiteit;
6. stimuleert de invoering en ondersteuning van vernieuwende pedagogische modellen voor taalonderwijs, met name meertalige crèches en kleuterscholen, die beantwoorden aan de in 2002 in Barcelona bepaalde doelstelling, die onder meer het leren van streektalen, minderheidstalen en talen van buurlanden omvat;
7. vestigt de aandacht op het belang van uitbreiding en verbetering van instellingen voor kinderopvang waar kinderen na het volgen van voorschools onderwijs worden opgevangen;
8. onderstreept dat alle kinderen niet alleen recht hebben op onderwijs en zorg, maar ook op rust, recreatie en spel;
Universele voorzieningen voor kinderopvang en voorschools onderwijs
9. merkt op dat onderwijsachterstand overeenkomstig de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 moet worden bestreden door middel van kwalitatief hoogstaand onderwijs in de vroege kinderjaren en gerichte steun, en door bevordering van op integratie gericht onderwijs;
10. erkent dat kinderopvang en voorschools onderwijs idealiter aan alle ouders en kinderen moeten worden verstrekt, ongeacht hun achtergrond of financiële situatie, ook al kunnen achtergestelde sociale groepen baat hebben bij aanvullende hulp;
11. onderstreept dat kinderen met een handicap zo mogelijk van de reguliere kinderopvang en het reguliere voorschoolse onderwijs gebruik moeten maken, en dat hun zo nodig aanvullende specialistische hulp moet worden geboden;
12. roept de lidstaten op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap onverwijld om te zetten;
13. onderstreept dat de lidstaten uiteenlopende benaderingen in het lesprogramma en in de praktijk van het voorschoolse onderwijs moeten toestaan;
De betrokkenheid van de ouders
14. onderstreept dat ouders, zowel vaders als moeders, gelijkwaardige partners zijn op het gebied van kinderopvang en het voorschoolse onderwijs; onderkent dat voorzieningen voor kinderopvang en voorschools onderwijs gericht moeten zijn op volledige betrokkenheid van al het personeel, alle ouders en, waar mogelijk, de kinderen zelf;
15. onderstreept dat voldoende zwangerschaps- en ouderschapsverlof en de invoering van een efficiënt en flexibel arbeidsmarktbeleid essentiële onderdelen zijn van doeltreffend beleid inzake kinderopvang en voorschools onderwijs;
16. moedigt de lidstaten aan te investeren in educatieprogramma's voor ouders en, zo nodig, te zorgen voor andere vormen van bijstand aan ouders die aanvullende hulp nodig hebben, zoals huisbezoeken; meent voorts dat ouders gebruik moeten kunnen maken van gratis en laagdrempelige adviesdiensten die in crèches aanwezig zijn;
17. benadrukt dat culturele activiteiten een bron van verrijking voor kinderen zijn, de dialoog tussen verschillende culturen bevorderen en openheid van geest en verdraagzaamheid tot stand brengen; herinnert er in dit verband aan dat het voor beroepsgroepen die werken met en voor kinderen, belangrijk is interculturele activiteiten met de kinderen en hun ouders te ontplooien;
18. wijst erop dat kinderen van ouders zonder legale verblijfstitel nog steeds niet in alle lidstaten toegang hebben tot voorschools onderwijs;
19. roept de lidstaten op kinderen van asielzoekers, vluchtelingen, personen met een subsidiaire-beschermingsstatus of een verblijfsvergunning om humanitaire redenen toegang te verlenen tot voorschools onderwijs, zodat hun kansen in het leven niet van meet af aan worden beknot;
Een betere integratie van voorzieningen
20. moedigt de lidstaten aan de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs te integreren en de oprichting en activiteiten van deze voorzieningen te steunen, en tevens te zorgen voor betere coördinatie tussen de verschillende instellingen en ministeries die beleid en programma's voor jonge kinderen ontwikkelen;
21. roept de lidstaten op de voorzieningen voor kinderopvang en voorschools onderwijs voldoende autonomie te verlenen, zodat zij in staat zijn hun zelfstandigheid en creativiteit bij het zoeken naar oplossingen ten gunste van kinderen te behouden;
22. onderstreept het belang van innovatieve voorzieningen voor kinderopvang en voorschools onderwijs met een lokaal karakter, die leden uit de gemeenschap van de zorg-, maatschappelijke, onderwijs-, culturele en andere sectoren bij elkaar brengen;
23. roept de lidstaten op in samenwerking met lokale autoriteiten en non-profitorganisaties maatregelen en projecten te stimuleren en te financieren waarmee kinderen uit achterstandsgezinnen kinderopvang en voorschools onderwijs kan worden geboden, en deze maatregelen en projecten kritisch te volgen en te evalueren;
24. erkent dat rekening moet worden gehouden met de zeer uiteenlopende levensomstandigheden van gezinnen en de daarmee samenhangende uiteenlopende behoeften, en spreekt zich dan ook uit voor een breed geschakeerd, flexibel en innoverend aanbod van voorschools onderwijs en kinderopvang;
25. roept op tot ontwikkeling van een Europees kader voor kinderopvang en voorschools onderwijs dat recht doet aan de culturele diversiteit van de lidstaten en gezamenlijke doelen, normen en waarden benadrukt;
Economische voordelen
26. onderstreept dat in een instabiel economisch klimaat aanzienlijke investeringen in kinderopvang en voorschools onderwijs niet veronachtzaamd mogen worden; onderstreept dat de lidstaten de nodige middelen aan voorzieningen voor kinderopvang en voorschools onderwijs moeten toekennen;
27. herhaalt dat investeringen in de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs later aantoonbare economische en maatschappelijke voordelen opleveren, zoals hogere belastingafdrachten door een grotere beroepsbevolking, alsmede lagere zorgkosten, lagere misdaadcijfers en minder asociaal gedrag; benadrukt dat preventie doeltreffender en kostenefficiënter is dan interventie in een later stadium;
28. erkent dat voorschools onderwijs van goede kwaliteit kan bijdragen aan minder vroegtijdige schoolverlaters, aan bestrijding van de onderwijsachterstand van kinderen uit sociaal en cultureel achtergestelde gezinnen en aan de terugdringing van de hieruit voortvloeiende sociale ongelijkheid, hetgeen van invloed is op maatschappij als geheel; merkt op dat jongeren uit sociaal kwetsbare groepen het grootste risico lopen;
29. onderstreept dat voorzieningen voor kinderopvang en voorschools onderwijs van hoge kwaliteit een sterk sociaal zekerheidsstelsel met een breed scala van instrumenten ter bestrijding van armoede eerder aanvullen dan vervangen; verzoekt de lidstaten de maatschappelijke armoede te bestrijden;
Personeel en kwaliteit van de instellingen
30. onderstreept dat de voorschoolse leeftijd de belangrijkste fase voor de emotionele en sociale ontwikkeling van het kind is en dat personen die met kinderen in de voorschoolse leeftijd werken daarom de juiste kwalificaties daarvoor moeten hebben; benadrukt dat het welzijn en de veiligheid van het kind van het grootste belang is bij de aanwerving van nieuw personeel;
31. merkt op dat de positieve effecten van vroege interventieprogramma's alleen op lange termijn kunnen worden behouden wanneer deze programma's worden gevolgd door basis- en middelbaar onderwijs van hoge kwaliteit;
32. erkent dat gekwalificeerd, goed opgeleid personeel dat met jonge kinderen werkt de kwaliteit van kinderopvang en voorschools onderwijs het duidelijkst beïnvloedt, en verzoekt de lidstaten derhalve door de invoering van erkende kwalificaties voor medewerkers in de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs de beroepsnormen te verhogen; merkt op dat ook andere factoren van invloed kunnen zijn op de kwaliteit, zoals de getalsmatige verhouding tussen personeel en kinderen, de grootte van groepen en de inhoud van het lesprogramma;
33. erkent dat meer contact en meer uitwisseling van methodes tussen medewerkers in de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs en leerkrachten in het basisonderwijs noodzakelijk is, waarbij de nadruk ligt op continuïteit van de onderwijsmethoden;
34. verzoekt de lidstaten mechanismen te ontwikkelen om de voorzieningen te evalueren en erop toe te zien dat de kwaliteitsnormen in acht worden genomen, zodat de kwaliteit van kinderopvang en voorschools onderwijs wordt verhoogd;
35.dringt erop aan dat bij de omzetting van het Europees kwalificatiekader (EKK) rekening wordt gehouden met de kwaliteit van de opleiding en dus met de studieresultaten;roept de lidstaten op te zorgen voor permanente bijscholing van werknemers in de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs, zodat zij hun specifieke vaardigheden kunnen uitbreiden en actualiseren;
36. moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat alle gekwalificeerde medewerkers in de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs bij voorkeur een salaris ontvangen dat overeenkomt met dat van leerkrachten op de basisschool;
37. verzoekt de lidstaten het probleem van hoofdzakelijk vrouwen in de opvang aan te pakken door de invoering van beleid ter verhoging van het aantal mannen op opleidingen voor kinderopvang en voorschools onderwijs;
Onderzoek en uitwisseling van beste praktijken
38. wijst erop dat weliswaar empirische gegevens over jonge kinderen uit sommige lidstaten bestaan (onder meer vergaard door de National Association for the Education of Young Children, UNICEF, het International Early Years Education Journal en de OESO), maar dat nog steeds behoefte is aan meer kennis over de ontwikkeling van kinderen in het voorschoolse onderwijs; roept dan ook op tot meer onderzoek en tot uitwisseling van de verkregen resultaten binnen de hele EU, rekening houdend met de culturele diversiteit van de lidstaten;
39. betreurt dat onvoldoende gebruik wordt gemaakt van de structuurfondsen en de regelingen van de EU, zoals Comenius, die leerkrachten in staat stellen deel te nemen aan uitwisselingen tussen de lidstaten; verzoekt de lidstaten de bekendheid van dergelijke regelingen en fondsen bij medewerkers in de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs te verhogen;
40. is ingenomen met het voornemen van de Commissie om identificatie en uitwisseling van goed beleid en goede praktijken door middel van de open coördinatiemethode te bevorderen, zoals zij aangeeft in de mededeling over kinderopvang en voorschools onderwijs, en beveelt de lidstaten aan samen te werken en beste praktijken uit te wisselen, zodat de bestaande programma's voor kinderopvang en voorschools onderwijs kunnen worden verbeterd;
o
o o
41. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.
Europa kent een rijke, gevarieerde mix aan onderwijstradities, waarbij op tal van manieren in voorschools onderwijs wordt voorzien. Er bestaan duidelijke verschillen tussen de lidstaten wat betreft onder meer het aantal en de kwaliteit van de voorzieningen, het aantal aanmeldingen, het soort dienstverlening en het bestuur daarover. In dit verslag wordt erkend dat een universele aanpak van de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs (ECEC) in de EU ongepast is en lastig te realiseren valt. Het is veel beter om een Europees kader van gezamenlijke doelstellingen, normen en waarden, met inbegrip van gezamenlijke aanspraken en structuren, te ontwikkelen. Hoewel veel EU-lidstaten onmiskenbaar wereldleiders zijn op het vlak van de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs, moet er meer worden gedaan om over de hele linie verbeteringen door te voeren. In dit verslag wordt onder 'vroege kinderjaren' de leeftijd van 0 tot 6 jaar verstaan.
In 2002 heeft de Europese Raad van Barcelona de EG-lidstaten verzocht voor 2010 te zorgen voor kinderopvang voor ten minste 90% van de kinderen tussen drie jaar en de leerplichtige leeftijd en ten minste 33% van de kinderen onder drie jaar. Deze doelstellingen wijzen op een arbeidsmarktgerichte benadering die berust op de toentertijd vastgestelde behoefte aan meer werkende vrouwen. Hoewel voldoende aandacht voor het verband tussen kinderopvang en voorschools onderwijs en gelijke kansen voor vrouwen van vitaal belang is, zijn deze doelstellingen duidelijk problematisch en achterhaald, omdat ze een groot aantal cruciale kwaliteitsaspecten van een sterk voorschools-onderwijsbeleid negeren. Centra voor kinderopvang en voorschools onderwijs zijn niet alleen plekken waar werkende vrouwen hun kinderen kunnen 'stallen', maar leveren ook een uitermate grote bijdrage aan het welzijn van het kind en vergroten de kansen in zijn latere leven.
Een op het kind gerichte aanpak
Het is van cruciaal belang om in dit verslag eerst de belangrijke vragen, problemen en moeilijkheden vast te stellen en niet meteen ingewikkelde oplossingen aan te dragen. Een zinvol begin is te bedenken welk beeld wij precies van 'het kind' hebben. Als we kinderen beschouwen als actieve, betrokken burgers met rechten, die vol potentiële creativiteit zitten en een eigen mening kunnen vormen en uiten over zaken die hen aangaan, dan moeten we het erover eens zijn dat de discussies over kinderopvang en voorschools onderwijs vanuit het standpunt van het kind moeten worden gevoerd. De periode vanaf de geboorte tot het derde jaar is van essentieel belang voor de hersen-, lichamelijke en cognitieve ontwikkeling en taalverwerving van het kind. In deze vroege kinderjaren wordt tevens de basis gelegd voor een leven lang leren, wat centraal staat bij de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon. Derhalve staan de behoeften en belangen van het kind in dit verslag voorop.
Universele in plaats van gerichte voorzieningen
Arme gezinnen maken, vooral op geprivatiseerde markten, minder snel dan andere groepen gebruik van kinderopvang en voorschools onderwijs. Tot de grootste risicogroepen in de EU behoren de Roma, wier toegang tot voorschoolse voorzieningen extreem laag is en ver onder het Europese gemiddelde ligt. Dat is zorgwekkend, omdat benadeelde kinderen juist aantoonbaar het meest van de toegang tot die voorzieningen profiteren. Verscheidene EU-lidstaten hebben veel kinderen uit immigrantengezinnen en kinderen met hun eigen taal als tweede taal op hun scholen toegelaten, wat grote didactische uitdagingen meebrengt, vooral omdat kinderen uit etnische minderheden ook minder vaak dan andere kinderen kinderopvang en voorschools onderwijs hebben genoten.
Het probleem van lidstaten die zich rechtstreeks op arme gezinnen richten, is de mogelijke stigmatisering, die deze gezinnen kan ontmoedigen om optimaal van de aangeboden voorzieningen te profiteren. Het is belangrijk te erkennen dat veel arme gezinnen op het vlak van de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs extra aanmoediging behoeven, maar deze diensten moeten universeel aan alle gezinnen en kinderen, ongeacht hun achtergrond of financiële situatie, worden verstrekt.
De betrokkenheid van de ouders
De ouders zijn de eerste opvoeders van hun kinderen. Ze hebben in de meeste gevallen een diep, niet te evenaren begrip van en hechte band met hun kind. Het wordt algemeen erkend dat de beste plek voor een kind om in zijn eerste jaar te floreren en zich te ontwikkelen thuis bij een ouder is. Een lang ouderschapsverlof kan bijdragen aan een lagere vraag naar plekken in de kinderopvang. Helaas verlenen momenteel maar zeer weinig lidstaten betaald verlof voor periodes van voldoende lange duur. Ouders kunnen in de problemen raken wanneer er een gat zit tussen het einde van het betaalde ouderschapsverlof en het recht op een kinderopvangplek van goede kwaliteit. In dit verslag wordt onderstreept dat het verlenen van een voldoende lang ouderschapsverlof een essentieel onderdeel vormt van doeltreffend ECEC-beleid.
De ouders moeten ook in de daarop volgende jaren betrokken blijven. Arme, benadeelde ouders worden minder snel dan andere ouders betrokken bij de vaststelling van strategieën voor de educatie van hun kind. Ook mannen staan bij de ontwikkeling van programma’s en beleid inzake kinderopvang en voorschools onderwijs en als het gaat om deelname aan activiteiten met betrekking tot hun kind vaak aan de zijlijn. In dit verslag wordt benadrukt dat ouders bij alle besluitvorming omtrent hun kind als partner centraal moeten staan en dat centra voor kinderopvang en voorschools onderwijs hun interactie met ouders, en dan vooral vaders, moeten heroverwegen. Voorschoolse programma’s, zoals Reggio Emilia in Italië, waarbij de ouders rechtmatig meewerken aan de tweeledige taak van de zorg voor en educatie van hun kind, tonen aan hoe doeltreffend dit soort voorzieningen kan zijn.
Een geïntegreerde, holistische aanpak
Kinderopvang en voorschools onderwijs kunnen sterke vangnetten voor ouders zijn. In dit verslag wordt gesteld dat deze voorzieningen in de hele EU niet innovatief genoeg zijn. Centra voor voorschoolse opvang moeten kinderen niet alleen onderwijs en zorg bieden, maar ook allerlei verschillende projecten mogelijk maken. Om slechts een paar voorbeelden te noemen: voorschoolse centra kunnen formeel of informeel leren combineren met gezondheidszorg voor moeder en kind, ondersteuning van borstvoeding, therapie en gezinsplanning. Voorschoolse centra die gezien worden als verzamelplekken voor mensen uit alle sectoren van de gemeenschap, kunnen gezinnen beter ondersteunen, de sociale samenhang en solidariteit binnen de gemeenschap vergroten en de gendergelijkheid bevorderen.
Voor hun voorschoolse beleid moeten de lidstaten een soortgelijke aanpak en organisatie hanteren. Vrijwel alle landen neigen naar een tweeledige aanpak van kinderopvang en voorschools onderwijs, waarbij het welzijn (de 'kinderopvang') en de educatie in de vroege kinderjaren worden opgesplitst. Dat heeft geleid tot gebrekkige aandacht voor de cognitieve ontwikkeling van kinderen tussen de 0 en 3 jaar en te weinig aandacht voor de gezondheid en psychosociale ontwikkeling van kinderen van 3 jaar en ouder. Het heeft ook de ongelijkheid en tegenstrijdigheden vergroot en een tekort aan samenhang voor gezinnen tot gevolg gehad.
Werken de verschillende sectoren en instanties wel samen, dan kan het ontbreken van een gemeenschappelijk begrip of gemeenschappelijke taal veel potentieel goed werk in de kiem smoren.
Net zoals voorschoolse centra door de aanpak van een aantal kwesties met betrekking tot jonge kinderen innovatiever moeten worden, moeten de lidstaten voor de ontwikkeling van voorschools beleid en voorschoolse programma’s een aantal instanties bij elkaar brengen. Daarbij moet gedacht worden aan gezondheidszorg, migratie, gendergelijkheid en werkgelegenheid. Geïntegreerde voorzieningen, hoofdzakelijk op onderwijsgebied, dragen bij aan de vervulling van de behoeften van kinderen tussen 0 en 6 jaar op educatief, gezondheidkundig en ander vlak. De bestaande voorzieningen en sectoren moeten tevens een gezamenlijke visie en gemeenschappelijke vocabulaire ontwikkelen.
Economische voordelen
Het Netwerk Kinderopvang van de Europese Commissie heeft de Europese landen in 1996 aanbevolen om ten minste 1% van het BBP in kinderopvang en voorschools onderwijs te investeren, maar volgens een enquête van de OESO uit 2004 hebben slechts vijf van de twintig geënquêteerde landen dat investeringsniveau gehaald(1). Dat is verrassend, aangezien onderzoek heeft uitgewezen dat investeringen in kinderopvang en voorschools onderwijs meer opleveren dan investeringen in welke andere fase ook.
In een instabiel economisch klimaat en een tijd van fikse bezuinigingen wordt voorschools onderwijs snel verwaarloosd. Toch wordt in dit verslag onderstreept dat voorschoolse voorzieningen geen luxe zijn waarin straffeloos te snijden valt. Het besluit om daar niet in te investeren brengt kosten mee die wellicht niet direct merkbaar zijn, zoals minder potentiële economische winst in de toekomst, maar die de financiële stabiliteit van de lidstaten extra onder druk kunnen zetten. Investeringen in de vroege kinderjaren verlagen aantoonbaar de latere kosten; zo kunnen overheden door vergroting van de toekomstige beroepsbevolking bijvoorbeeld potentiële belastingverliezen voorkomen. Daarnaast kunnen ze de toekomstige zorgkosten en misdaadcijfers en toekomstig asociaal gedrag verminderen.
Personeel en kwaliteit van de voorzieningen
Er is een universele definitie voor 'kwaliteit' nodig om goede en slechte praktijken binnen de EU te onderscheiden. Toch bestaat een dergelijk ondubbelzinnige, alom aanvaarde definitie niet. Het idee over de betekenis van kwaliteit varieert per land. Dat komt omdat dat idee gekoppeld is aan de culturele normen en waarden van de afzonderlijke lidstaten en aan hun begrip en definitie van de term 'kind'. In dit verslag wordt getracht helderder te maken wat de term 'kwaliteit' voor de EU-lidstaten zou moeten betekenen.
In het verslag wordt gesteld dat gekwalificeerd, goed opgeleid personeel dat met jonge kinderen werkt het grootste effect op de kwaliteit van kinderopvang en voorschools onderwijs heeft. Slecht opgeleid en betaald personeel in de opvang van jonge kinderen is simpelweg niet duurzaam. Hoewel we reeds hebben vastgesteld dat de eerste drie jaar van een kinderleven extreem belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de hersenen en de totstandkoming van houdingen en denkpatronen, zien we dat medewerkers in de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs binnen de EU zich vaak niet bewust zijn van het cruciale belang van die eerste kinderjaren. Omdat de meeste lidstaten van verzorgers van jonge kinderen geen beroepsopleiding of specifieke kwalificaties verlangen, ontbreekt het velen van hen aan de benodigde interactieve vaardigheden en algemene bekwaamheid om te waarborgen dat de kinderen onder hun hoede goede cognitieve vaardigheden ontwikkelen.
Het grote aantal vrouwelijke verzorgers is een ander probleem dat in dit verslag wordt vastgesteld. Veel meer vrouwen dan mannen zoeken werk in de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs. Dat versterkt het idee dat de kinderopvang vooral vrouwenwerk is, wat weer gevolgen heeft voor de gendergelijkheid. Kinderen hebben twee voorbeeldfiguren nodig, zeker als ze uit eenoudergezinnen komen waarin meestal de vader afwezig is. Helaas hebben slechts een handjevol EU-landen doelen gesteld voor het werven van mannen in het vak of getracht het heersende idee te ontzenuwen dat kinderopvang en voorschools onderwijs ten eerste vooral 'vrouwenwerk' is en dat er ten tweede iets wezenlijk 'mis' is met mannen die met jonge kinderen willen werken. Voorbeelden van goede praktijken zijn te vinden in Denemarken, waar momenteel circa 25% mannen zich inschrijft voor opleidingen voor het werken met jonge kinderen, en het VK, waar lokale onderwijsinstanties met speciale programma’s al een aantal jaren mannen voor werk in de kinderopvang werven.
Het is van vitaal belang om beleid te ontwikkelen voor de werving en het behoud van een gevarieerde beroepsgroep van beide seksen, en om te waarborgen dat de mensen die kiezen voor een loopbaan in de opvang van jonge kinderen daarin voldoening vinden alsmede respect en een goed salaris ontvangen.
Onderzoek en uitwisseling van de beste praktijken
Momenteel zijn er geen duidelijke empirische gegevens over jonge kinderen beschikbaar, die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling en invoering van EU-breed beleid inzake kinderopvang en voorschools onderwijs. Er is wel enig onderzoek verricht, maar dan voornamelijk in Engels sprekende landen, in het bijzonder de VS, met het gevolg dat het meestal zeer beperkt is en vaak berust op een ander begrip van het kind dan in veel niet-Engels sprekende landen heerst.
Omdat de kinderopvang en het voorschoolse onderwijs binnen de EU sterk uiteenlopen, is een goede vergelijking vaak moeilijk. Toch kan een grensoverschrijdende, vergelijkende aanpak heel nuttig zijn, omdat de lidstaten daardoor van elkaar kunnen leren. Zo is het bijvoorbeeld zinvol gebleken om de overtuiging van veel ouders en medewerkers in de sector in de Engels sprekende wereld dat 'echt' leren in een klaslokaal moet plaatsvinden, aan de kaak te stellen. Het Noordse model ziet daarentegen het belang van de buitenwereld voor het leerproces en de ontwikkeling van het kind in.
Meer onderzoek zou de EU in staat stellen om de reeds vastgestelde doelen inzake kinderopvang en voorschools onderwijs te herzien en bij te stellen.
Starting Strong II, Early education and care, OESO 2006.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
17.3.2011
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
27
0
0
Bij de eindstemming aanwezige leden
Maria Badia i Cutchet, Zoltán Bagó, Malika Benarab-Attou, Lothar Bisky, Piotr Borys, Jean-Marie Cavada, Silvia Costa, Santiago Fisas Ayxela, Mary Honeyball, Cătălin Sorin Ivan, Morten Løkkegaard, Emma McClarkin, Marek Henryk Migalski, Doris Pack, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid, Marietje Schaake, Emil Stoyanov, Hannu Takkula, Helga Trüpel, Marie-Christine Vergiat, Sabine Verheyen, Milan Zver
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)