– gezien het verzoek van Bruno Gollnisch om verdediging van zijn immuniteit in het kader van een strafrechtelijke procedure bij een Franse rechtbank, dat op 10 juni 2010 werd ingediend, en van de ontvangst waarvan op 14 juni 2010 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,
– na Bruno Gollnisch op 26 januari 2011 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,
– gelet op artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie van 8 april 1965 en op artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,
– gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008 en 19 maart 2010(1),
– gelet op artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek,
– gelet op artikel 6, lid 3, en artikel 7 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0154/2011),
A. overwegende dat Bruno Gollnisch, lid van het Europees Parlement, heeft verzocht om verdediging van zijn parlementaire immuniteit in verband met volgens hem vrijheidsbeperkende maatregelen van de Franse autoriteiten in het kader van een gerechtelijk onderzoek betreffende een klacht met civiele eis tot schadeloosstelling die op 26 januari 2009 door de Internationale Liga tegen racisme en antisemitisme tegen onbekenden is ingediend wegens aanzetten tot rassenhaat,
B. overwegende dat artikel 8 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie niet is aangevoerd in het verzoek om verdediging van de immuniteit en dus niet van toepassing is,
C. overwegende dat artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat Bruno Gollnisch uitdrukkelijk aanvoert in zijn brief aan de Voorzitter van 10 juni 2010 en dat op deze zaak van toepassing is, bepaalt dat de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur van het Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend, en overwegende dat deze immuniteit niet kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen,
D. overwegende dat artikel 26, tweede alinea, van de Franse grondwet bepaalt: "Leden van het Parlement kunnen zonder toestemming van de vergadering waarvan zij deel uitmaken niet in een strafrechtelijke of correctionele zaak worden vervolgd of aangehouden of anderszins aan vrijheidsbenemende of -beperkende maatregelen worden onderworpen, tenzij indien er een misdrijf is gepleegd, indien zij op heterdaad zijn betrapt of indien er een definitieve veroordeling is uitgesproken", en overwegende dat artikel 23, derde alinea, bepaalt: "De hechtenis, de vrijheidsbenemende of -beperkende maatregelen of de vervolging van leden van het Parlement worden voor de duur van de vergaderperiode opgeschort indien de vergadering waarvan zij deel uitmaken daarom verzoekt",
E. overwegende dat het Parlement een ruime discretionaire bevoegdheid heeft als het een besluit neemt over een verzoek van een van zijn leden om verdediging van zijn immuniteit(2),
F. overwegende dat het Parlement in deze zaak geen aanwijzingen heeft gevonden van fumuspersecutionis, d.w.z. een voldoende ernstig en precies vermoeden dat de zaak aanhangig is gemaakt met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen,
G. overwegende dat de zaak geen verband houdt met de politieke activiteiten van Bruno Gollnisch als lid van het Europees Parlement; overwegende dat het daarentegen gaat om louter regionale en lokale activiteiten als lid van de regioraad van Rhône-Alpes, een mandaat waarvoor Bruno Gollnisch via rechtstreekse algemene verkiezingen verkozen is en dat verschilt van dat van lid van het Europees Parlement,
H. overwegende dat Bruno Gollnisch in een toelichting over de reden voor de publicatie van het persbericht van zijn fractie in de regioraad van Rhône-Alpes, dat de aanleiding voor het verzoek om verdediging van de immuniteit vormde, heeft verklaard dat het is opgesteld door het Front National-team in die regio, waaronder het hoofd communicatie, dat "gemachtigd was om namens de verkozenen van het Front National te spreken"; overwegende dat de toepassing van de parlementaire immuniteit op een dergelijke situatie een ongepaste uitbreiding zou inhouden van die regels, die bedoeld zijn om te voorkomen dat het Parlement in zijn werking en onafhankelijkheid wordt belemmerd,
I. overwegende dat het een betreurenswaardige inbreuk op de prerogatieven van het Parlement is dat de Franse autoriteiten blijkbaar bepaalde vrijheidsbeperkende maatregelen tegen Bruno Gollnisch hebben genomen alvorens om de opheffing van zijn immuniteit te verzoeken; overwegende dat het, aangezien de Franse autoriteiten nu formeel om opheffing van zijn immuniteit hebben verzocht teneinde in de toekomst dergelijke maatregelen te kunnen nemen, niet langer nodig is de immuniteit van Bruno Gollnisch in dat opzicht te verdedigen,
J. overwegende dat het niet aan het Parlement, maar aan de bevoegde gerechtelijke instanties is om, met inachtneming van alle democratische garanties, te besluiten in hoeverre de Franse wet inzake aanzetten tot rassenhaat is overtreden en welke gerechtelijke gevolgen daaraan verbonden zijn,
K. overwegende dat de parlementaire immuniteit van Bruno Gollnisch bijgevolg niet dient te worden verdedigd,
1. besluit gezien het bovenstaande de immuniteit en voorrechten van Bruno Gollnisch niet te verdedigen;
2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Franse Republiek en Bruno Gollnisch.
Op de vergadering van 14 juni 2010 maakte de Voorzitter overeenkomstig artikel 6, lid 3, van het Reglement bekend dat hij op 10 juni 2010 een verzoek van Bruno Gollnisch had ontvangen waarin deze om verdediging van zijn parlementaire rechten verzocht. De Voorzitter verwees dit verzoek om verdediging van de immuniteit overeenkomstig artikel 6, lid 3, naar de Commissie juridische zaken.
In zijn brief verklaarde Bruno Gollnisch dat een Franse rechter had "geprobeerd [hem] op vrijdag 4 juni 2010 om 9 uur door de politie te laten aanhouden om [hem] in verband met een zaak betreffende de uiting van politieke meningen te laten voorgeleiden". Voorts voerde hij aan dat een dergelijke "aanhoudingmaatregel" niet toegestaan is omdat de Franse rechter niet om opheffing van zijn parlementaire immuniteit uit hoofde van artikel 26 van de Franse grondwet en artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie had verzocht. Bruno Gollnisch verzoekt de Voorzitter van het Parlement om met klem bij de Franse autoriteiten te protesteren.
Het verzoek betreft het gerechtelijke onderzoek betreffende een klacht met civiele eis tot schadeloosstelling die op 26 januari 2009 door de Internationale Liga tegen racisme en antisemitisme (hierna "LICRA") tegen onbekenden is ingediend wegens aanzetten tot rassenhaat(1).
De achtergrond is als volgt: Op 3 oktober 2008 publiceerde de Front National-fractie in de regioraad van Rhône-Alpes, waarvan Bruno Gollnisch voorzitter was, een persbericht met als titel "Kaartsysteemaffaire in de regio Rhône-Alpes: de hypocrieten protesteren". Het persbericht volgde op een open brief van de voorzitter van de regioraad van Rhône-Alpes, Jean-Jack Queyranne, aan de minister van Binnenlandse Zaken, Michèle Alliot-Marie, waarin hij kritiek uitte over een enquête onder ambtenaren die tot doel had na te gaan of personeelsleden van andere godsdiensten dan het christendom om aangepaste werktijden of arbeidsvoorwaarden hadden gevraagd om hun godsdienst te kunnen beleven.
De LICRA vermeldt in haar klacht dat Bruno Gollnisch, voorzitter van de Front National-fractie in de regioraad van Rhône-Alpes, tijdens een persconferentie op 10 oktober 2008 in Lyon toelichting gaf over de publicatie van het persbericht van zijn fractie in de regioraad van Rhône-Alpes en met name verklaarde dat het was opgesteld door het Front National-team in die regio, waaronder het hoofd communicatie, dat "gemachtigd was om namens de verkozenen van het Front National te spreken".
De LICRA beschouwt de volgende bewoordingen als aanzetten tot rassenhaat:
"[de reactie van de regioraad van Rhône-Alpes is] voorbijgaan aan de actualiteit, want het lijken geen christenen te zijn die het einde van een "vastentijd" (overdag, terwijl ze 's nachts het gemis vrolijk inhalen) "vieren" door vernielingen aan te richten, brand te stichten en stenen te gooien.
Voorbijgaan aan de actualiteit, want het waren geen christenen die Romans in brand hebben gestoken."
en
"Het is waar dat links in die tijd godsdienst wilde bestrijden!Nu beoogt het daarentegen zijn steun te verlenen aan de invasie van ons vaderland en de vernietiging van onze cultuur en onze waarden door een islam waarvan men gemakkelijk de tolerantie, de eerbied voor de mensenrechten en vrijheid constateert waar hij aan de macht is:Saudi-Arabië, Iran, Sudan, Afghanistan… onze voorsteden en weldra ons hele land, met de zegen van de loges en links?"
Op 22 januari 2009 is een gerechtelijk onderzoek tegen onbekenden geopend wegens aanzetten tot rassenhaat.
De Franse autoriteiten verklaren dat Bruno Gollnisch, met als argument dat hij als lid van het Europees Parlement immuun is voor vervolging, weigerde in te gaan op de dagvaardingen door de onderzoekers en vervolgens door de onderzoeksmagistraat, die een proces-verbaal van eerste verschijning wenste op te stellen. Aangezien noch het op 17 november 2009 verstrekte bevel om voor de onderzoeksmagistraat te verschijnen, noch het op 11 mei 2010 verstrekte bevel om de gedaagde voor de onderzoeksrechter te brengen kon worden uitgevoerd, stuurde de onderzoeksmagistraat het dossier voor verdere behandeling door naar het Openbaar Ministerie. Tijdens zijn hoorzitting voor de Commissie juridische zaken voerde Bruno Gollnisch aan dat hij herhaaldelijk met aanhouding was bedreigd en dat er daartoe politieagenten naar het gebouw van de regioraad waren gestuurd, maar dat hij daar toen niet aanwezig was.
In een brief van de Franse autoriteiten aan het Parlement van 3 november 2010 verklaart de openbare aanklager dat Bruno Gollnisch blijkbaar het volste recht heeft om zich op zijn parlementaire onschendbaarheid te beroepen. De openbare aanklager is echter van mening dat hij in deze zaak evenzeer het recht en de plicht heeft om de opheffing van de parlementaire immuniteit van Bruno Gollnisch te verzoeken zodat hij kan worden voorgeleid en zich kan verdedigen tegen de beschuldigingen van de LICRA.
2.Wetgeving en procedure betreffende de immuniteit van leden van het Europees Parlement
De artikelen 8 en 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van 8 april 1965 luiden als volgt:
Artikel 8:
Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.
Artikel 9:
Tijdens de duur van de zittingen van het Europees Parlement genieten de leden:
a)op hun eigen grondgebied, de immuniteiten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;
b)op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.
De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.
Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.
Artikel 26 van de Franse grondwet(2) luidt als volgt:
"Leden van het Parlement kunnen niet worden vervolgd, aangehouden, in hechtenis genomen of berecht op grond van meningen die zij hebben geuit of een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun mandaat.
Leden van het Parlement kunnen zonder goedkeuring van de vergadering waarvan zij deel uitmaken niet in een strafrechtelijke of correctionele zaak worden vervolgd of aangehouden of anderszins aan vrijheidsbenemende of -beperkende maatregelen worden onderworpen.Deze toestemming is niet vereist, wanneer sprake is van een misdrijf waarbij zij op heterdaad worden betrapt of van een definitieve veroordeling.
De hechtenis, de vrijheidsbenemende of -beperkende maatregelen of de vervolging van leden van het Parlement worden voor de duur van de vergaderperiode opgeschort, indien de vergadering waarvan zij deel uitmaken daarom verzoekt.
De betrokken vergadering wordt van rechtswege bijeengeroepen voor extra zittingen om in voorkomende gevallen bovengenoemde alinea te kunnen toepassen."
In het Reglement van het Europees Parlement wordt een en ander geregeld in de artikelen 6 en 7. Deze luiden als volgt:
Artikel 6 – Opheffing van de immuniteit:
1.Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten streeft het Parlement in de eerste plaats naar handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en naar waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken. […]
3.Ieder door een lid of voormalig lid tot de Voorzitter gericht verzoek om verdediging van de immuniteit en de voorrechten wordt ter plenaire vergadering medegedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie.
4.Indien een lid wordt aangehouden of van zijn bewegingsvrijheid wordt beroofd en daarbij sprake is van een vermoedelijke schending van zijn voorrechten en immuniteiten, kan de Voorzitter in dringende gevallen, na raadpleging van de voorzitter en rapporteur van de bevoegde commissie, het initiatief nemen om de voorrechten en immuniteiten van het betrokken lid te bevestigen.De Voorzitter stelt de commissie en het Parlement van zijn maatregel in kennis.
Artikel 7 – Immuniteitsprocedures:
1.De bevoegde commissie behandelt de verzoeken om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de immuniteit en voorrechten onverwijld in volgorde van binnenkomst.
2. De commissie stelt een met redenen omkleed ontwerpbesluit op waarin wordt aanbevolen het verzoek om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de immuniteit en voorrechten in te willigen dan wel af te wijzen.
3.De commissie kan de betrokken autoriteit om informatie of opheldering verzoeken die zij nodig acht om zich een oordeel te vormen over de wenselijkheid van opheffing of verdediging van de immuniteit.Het betrokken lid krijgt de gelegenheid te worden gehoord en kan alle documenten of andere schriftelijke bewijsstukken overleggen die het voor het vormen van bovengenoemd oordeel nodig acht.Het betrokken lid kan zich doen vertegenwoordigen door een ander lid. […]
6.In geval van verdediging van een voorrecht of immuniteit geeft de commissie aan of de omstandigheden een bestuursrechtelijke of andersoortige beperking vormen van de bewegingsvrijheid van de leden op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst van het Parlement, dan wel een mening die is geuit of een stem die is uitgebracht tijdens de uitoefening van hun ambt, ofwel onder bepaalde aspecten vallen van artikel 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten die niet onder het nationale recht vallen, en stelt zij een voorstel op om de betrokken autoriteit te verzoeken de nodige conclusies te trekken.
7.De commissie kan een met redenen omkleed advies uitbrengen over de bevoegdheid ter zake van de desbetreffende autoriteit en over de ontvankelijkheid van het verzoek, maar spreekt zich in geen geval uit over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de meningen of handelingen die het lid worden verweten, strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt. […]
3.Motivering van het voorgestelde besluit
Artikel 8 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is niet door Bruno Gollnisch aangevoerd in zijn verzoek en is in deze zaak niet van toepassing.
Wat artikel 9 van het Protocol betreft is, in aanmerking genomen dat de procedure betrekking heeft op een misdrijf dat zou gepleegd zijn in Frankrijk, het land waarvan Bruno Gollnisch op het moment in kwestie de nationaliteit had, alleen het volgende deel van toepassing: "Tijdens de duur van de zittingen van het Europees Parlement genieten de leden:a)op hun eigen grondgebied, de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend". Het toepasselijke Franse recht is artikel 26 van de Franse grondwet, en met name lid 2, dat als volgt luidt:
"Leden van het Parlement kunnen zonder toestemming van de vergadering waarvan zij deel uitmaken niet in een strafrechtelijke of correctionele zaak worden vervolgd of aangehouden of anderszins aan vrijheidsbenemende of -beperkende maatregelen worden onderworpen.Deze toestemming is niet vereist, wanneer sprake is van een misdrijf waarbij zij op heterdaad worden betrapt of van een definitieve veroordeling.
De hechtenis, de vrijheidsbenemende of -beperkende maatregelen of de vervolging van leden van het Parlement worden voor de duur van de vergaderperiode opgeschort, indien de vergadering waarvan zij deel uitmaken daarom verzoekt."
Uit de feiten over de zaak die de Franse autoriteiten hebben meegedeeld, blijkt dat de dagvaardingen van Bruno Gollnisch door de onderzoeksrechter van respectievelijk 17 november 2009 en 11 mei 2010 "vrijheidsbenemende of -beperkende maatregelen" als bedoeld in artikel 26, tweede alinea, van de Franse grondwet vormen. Dat artikel bepaalt echter ook dat toestemming van het Parlement vereist is alvorens dergelijke vrijheidsbeperkende maatregelen kunnen worden genomen. Het Parlement heeft het verzoek van de Franse autoriteiten om opheffing van de immuniteit echter slechts op 3 november 2010 ontvangen. Het gevolg van deze discrepantie, indien deze zich daadwerkelijk zou hebben voorgedaan, is een betreurenswaardige inbreuk op de prerogatieven van het Parlement. Aangezien de Franse autoriteiten nu formeel om opheffing van zijn immuniteit hebben verzocht teneinde in de toekomst dergelijke vrijheidsbeperkende maatregelen te kunnen nemen, is het echter niet langer nodig de immuniteit van Bruno Gollnisch in dat opzicht te verdedigen.
Om te beslissen of de parlementaire immuniteit al dan niet wordt verdedigd, hanteert het Parlement zijn eigen vaste beginselen. In deze zaak heeft het Parlement geen aanwijzingen gevonden van fumus persecutionis, d.w.z. een voldoende ernstig en precies vermoeden dat de zaak aanhangig is gemaakt met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen. Ten tweede houdt de zaak geen verband met de politieke activiteiten van Bruno Gollnisch als lid van het Europees Parlement. Het gaat om louter regionale en lokale activiteiten van Bruno Gollnisch als lid van de regioraad van Rhône-Alpes, een mandaat waarvoor hij via rechtstreekse algemene verkiezingen verkozen is(3) en dat verschilt van dat van lid van het Europees Parlement(4). Ten derde heeft Bruno Gollnisch in een toelichting over de publicatie van het aangeklaagde persbericht van zijn fractie in de regioraad van Rhône-Alpes verklaard dat het is opgesteld door het Front National-team in die regio, waaronder het hoofd communicatie, dat "gemachtigd was om namens de verkozenen van het Front National te spreken". De toepassing van de parlementaire immuniteit op een dergelijke situatie wordt geacht een ongepaste uitbreiding in te houden van die regels, die bedoeld zijn om te voorkomen dat het Parlement in zijn werking en onafhankelijkheid wordt belemmerd. Ten slotte is het niet aan het Parlement, maar aan de bevoegde gerechtelijke instanties om, met inachtneming van alle democratische garanties, te besluiten in hoeverre de Franse wet inzake aanzetten tot rassenhaat is overtreden en welke gerechtelijke gevolgen daaraan verbonden zijn.
4.Conclusies
Op grond van bovengenoemde overwegingen en overeenkomstig artikel 6, lid 3, van het Reglement beveelt de Commissie juridische zaken, na de redenen vóór en tegen de verdediging van de immuniteit van het betrokken lid te hebben overwogen, het Europees Parlement aan de parlementaire immuniteit van Bruno Gollnisch niet te verdedigen.
Zie, naar analogie, het besluit van het Europees Parlement van 6 oktober 1998 inzake het verzoek tot opheffing van de parlementaire immuniteit van de heer Jean-Marie Le Pen, PB C 328 van 26.10.1998, blz. 15, en het daarmee samenhangende verslag van de Commissie Reglement, onderzoek geloofsbrieven en immuniteiten.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
11.4.2011
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
9
2
1
Bij de eindstemming aanwezige leden
Marielle Gallo, Klaus-Heiner Lehne, Alajos Mészáros, Bernhard Rapkay, Francesco Enrico Speroni, Alexandra Thein, Diana Wallis, Cecilia Wikström, Zbigniew Ziobro, Tadeusz Zwiefka
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)