betreffende het standpunt, door de Raad in eerste lezing vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het standpunt, door de Raad in eerste lezing vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen
– gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (15145/1/2010 – C7-0045/2011),
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 december 2009(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio's van 12 februari 2009(2),
– gezien het advies van de Commissie (COM(2011)0069),
– gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0436),
– gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien artikel 66 van zijn Reglement,
– gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0171/2011),
1. stelt onderstaand standpunt in tweede lezing vast;
2. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Amendement 1
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Overweging 5 bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
(5 bis) Andere vervoerswijzen hebben reeds een begin gemaakt met de internalisering van externe kosten en de relevante wettelijke maatregelen van de Unie zijn op zo'n internalisering gericht of verhinderen deze tenminste niet. CO2-emissies moeten in het emissiehandelssysteem (ETS) worden aangepakt. Dit geldt ook voor de luchtvaart. De stroomvoorziening voor treinen valt ook onder het ETS en binnenkort zal ook de scheepvaart in het ETS worden opgenomen. Andere externe kosten kunnen worden doorberekend via luchthavenbelastingen, die voor milieudoeleinden kunnen worden gespecificeerd en via infrastructuurheffingen voor het gebruik van treinen, overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur. In de wegvervoersector zijn reeds verschillende belastingen en heffingen van toepassing, met inbegrip van bepaalde belastingen en heffingen om de externe kosten, zoals CO2, ten dele te compenseren, zoals bijvoorbeeld het geval is met accijnsheffingen op brandstof. Dit proces dient echter gevolgd en aangemoedigd te worden, opdat er een Uniebreed kader tot stand wordt gebracht voor de internalisering van externe kosten in alle vervoerswijzen.
Amendement 2
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Overweging 10
Standpunt van de Raad
Amendement
(10)Voor deze richtlijn levert het door de Commissie uitgewerkte model voor de berekening van de externe kosten van de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging en geluidhinder betrouwbare methoden op, alsook een reeks eenheidswaarden die nu al kunnen worden gebruikt als basis voor de berekening van heffingen voor externe kosten.
(10)Voor deze richtlijn levert het door de Commissie uitgewerkte model voor de berekening van de externe kosten betrouwbare methoden op, alsook een reeks eenheidswaarden die nu al kunnen worden gebruikt als basis voor de berekening van heffingen voor externe kosten.
Motivering
Komt overeen met amendement 9 van de eerste lezing van het EP.
Amendement 3
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Overweging 12
Standpunt van de Raad
Amendement
(12) Op tijd gebaseerde gebruiksrechten, geheven op dag-, week-, maand- of jaarbasis, mogen echter geen discriminatie inhouden van incidentele gebruikers, die immers voor een groot deel buitenlandse vervoerders zullen zijn. Er moet bijgevolg een meer gedetailleerde verhouding tussen dag-, week-, maand- en jaartarieven voor zware vrachtvoertuigen worden vastgesteld.
(12)Op tijd gebaseerde gebruiksrechten vormen een overgangsstelsel om het beginsel van "de gebruiker betaalt" alvast te kunnen toepassen waar een op afgelegde afstand gebaseerd stelsel, dat het werkelijke gebruik van de infrastructuur beter weerspiegelt, nog niet kan worden toegepast. Op tijd gebaseerde gebruiksrechten, geheven op dag-, week-, maand- of jaarbasis, mogen echter geen discriminatie inhouden van incidentele gebruikers, die immers voor een groot deel buitenlandse vervoerders zullen zijn. Er moet bijgevolg een meer gedetailleerde verhouding tussen dag-, week-, maand- en jaartarieven voor zware vrachtvoertuigen worden vastgesteld.
Motivering
Vervangt amendement 11 van de eerste lezing van het EP (ook eerste lezing EP m.b.t. artikel 11).
Zie ook artikel 7, lid 2, over de combinatiemogelijkheden tussen op tijd en op het aantal kilometers gebaseerde heffingssystemen.
Amendement 4
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Overweging 12 bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
(12 bis)Om te waarborgen dat Europese wegvervoerders duidelijke prijssignalen ontvangen die hen stimuleren hun beleid te optimaliseren, moeten er op middellange termijn inspanningen worden geleverd om te zorgen voor convergentie van de methoden die in alle heffingssystemen van de lidstaten worden gehanteerd om externe kosten te berekenen.
Motivering
Amendement 10 eerste lezing EP.
Amendement 5
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Overweging 18 bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
(18 bis)Wanneer er een variatie met het doel de congestie te verminderen wordt toegepast, moet die variatie worden uitgewerkt en toegepast op een opbrengstneutrale wijze die vervoerders die ervoor kiezen het betrokken traject tijdens daluren te gebruiken aanzienlijke financiële voordelen biedt ten opzichte van vervoerders die ervoor kiezen hetzelfde traject tijdens piekuren te gebruiken.
Motivering
Variatie moet zo worden toegepast dat er duidelijke financiële stimulansen worden gegeven om het gebruik van een bepaald traject tijdens piekuren te vermijden. Deze overweging maakt duidelijk dat een variatie met het doel de congestie te verminderen gepaard gaat met financiële compensatie op hetzelfde traject. De exacte berekening en aritmetische verificatie van de compensatie vinden plaats op dezelfde wijze als de variatie in de huidige richtlijn, d.w.z. voor "het betrokken infrastructuurnetwerk" (artikel 7 ter, lid 1).
Amendement 6
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Overweging 21 bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
(21 bis) De corridor waarvoor een tariefverhoging is toegestaan kan parallelle, nabijgelegen en rechtstreeks concurrerende bergachtige trajecten omvatten waarnaar de verkeersstroom kan worden afgeleid als gevolg van de invoering van de verhoging. In geval van grensoverschrijdende projecten moeten de betrokken lidstaten en de Commissie overeenstemming bereiken over de toepassing van deze regeling.
Motivering
Het is zinvol om de woorden "parallelle" en "bergachtige" in te voegen in combinatie met de woorden "nabijgelegen en rechtstreeks concurrerende". Het woord "nabijgelegen" is noodzakelijk om te voorkomen dat een tariefverhoging wordt geaccordeerd voor trajecten die op grote afstand gelegen zijn van trajecten waar de verhoging reeds is toegestaan. Het ontbreken van een verwijzing naar de afstand kan de mogelijkheid bieden willekeurig overal een tariefverhoging in te voeren. De invoeging van de woorden "rechtstreeks concurrerende" is nodig om de tariefverhoging in verband te brengen met een substantiële hoeveelheid sluipverkeer.
Amendement 7
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Overweging 27
Standpunt van de Raad
Amendement
(27) Het gebruik van elektronische tolsystemen is wenselijk om belemmering van een vrije doorstroming van het verkeer en negatieve effecten op het plaatselijke milieu ten gevolge van wachtrijen aan tolbarrières te voorkomen. Het is derhalve wenselijk middels dergelijke systemen een heffing voor externe kosten te innen, met inachtneming van Richtlijn 2004/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer in de Gemeenschap.
(27) Het gebruik van elektronische tolsystemen is wenselijk om belemmering van een vrije doorstroming van het verkeer en negatieve effecten op het plaatselijke milieu ten gevolge van wachtrijen aan tolbarrières te voorkomen. Het is derhalve wenselijk middels dergelijke systemen een heffing voor externe kosten te innen, met inachtneming van Richtlijn 2004/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer in de Gemeenschap. Het is belangrijk dat de doelstelling van deze richtlijn gerealiseerd wordt op een wijze die geen afbreuk doet aan de goede werking van de interne markt. De Commissie moet daarom toezien op de vorderingen die worden geboekt in het kader van Richtlijn 2004/52/EG met het oog op de invoering, binnen de overeengekomen termijnen, van een volwaardig Europees Elektronisch tolheffingssysteem waarmee het aantal elektronische tolapparaten in het voertuig wordt teruggebracht tot één apparaat dat volledig compatibel is met de tolnetwerken van alle lidstaten. Bovendien moet de Commissie lidstaten ondersteunen die willen samenwerken om tot een gemeenschappelijk systeem voor tolheffingen op hun gezamenlijk grondgebied in zijn geheel te komen.
Motivering
Deze overweging vervangt de amendementen 15, 16, 17, 20, 51 en 53 van de eerste lezing van het EP.
Het nieuwe amendement zorgt ervoor dat de Commissie herinnert aan haar taak om toe te zien op de juiste tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen, zodat interoperabiliteit werkelijk binnen de overeengekomen termijnen een feit wordt. Het heeft ook betrekking op het tussentijds verslag dat de Commissie overeenkomstig artikel 21 van de richtlijn aan het EP moet voorleggen. Zie ook standpunt van de Raad artikel 1, punt 3 (artikel 8 ter, leden 1 en 2).
Amendement 8
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Overweging 28 bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
(28 bis) De lidstaten moeten het budget voor het trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-T) en de structuurfondsen kunnen gebruiken voor de verbetering van hun vervoersinfrastructuur met het doel de externe kosten van het vervoer in het algemeen te verlagen en elektronische systemen in te voeren voor het innen van de gebruiksrechten krachtens deze richtlijn.
Motivering
Amendement 18 eerste lezing EP.
Amendement 9
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Overweging 34
Standpunt van de Raad
Amendement
(34)Wanneer lidstaten alternatieve wetenschappelijke methodes gebruiken voor het berekenen van externekostenheffingen, moeten zij de externe effecten in geld kunnen waarderen volgens de methode van het"Handbook on the estimation of external cost in the transport sector", waarin de meest recente inzichten omtrent de theoretische en praktische aspecten van het ramen van externe kosten worden gepresenteerd.
(34)Wanneer lidstaten alternatieve wetenschappelijke methodes gebruiken voor het berekenen van externekostenheffingen, moeten zij rekening houden met de berekeningsmethoden voor de externe effecten in geld die zijn opgenomen in het"Handbook on the estimation of external cost in the transport sector", waarin de meest recente inzichten omtrent de theoretische en praktische aspecten van het ramen van externe kosten worden gepresenteerd.
Motivering
Komt overeen met de eerste lezing van het EP. Het "Handbook" moet de leidraad vormen voor de berekening van de waarde van externe kosten - zie overweging 10.
Amendement 10
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 – lid 5
Standpunt van de Raad
Amendement
5. Een lidstaat kan ervoor kiezen tolheffingen en/of gebruiksrechten uitsluitend toe te passen op voertuigen met een maximaal toegestaan totaalgewicht van minimaal 12 ton indien hij van oordeel is dat een uitbreiding tot voertuigen van minder dan 12 ton onder meer:
5. Een lidstaat kan ervoor kiezen tolheffingen en/of gebruiksrechten uitsluitend toe te passen op voertuigen met een maximaal toegestaan totaalgewicht van minimaal 12 ton indien hij van oordeel is dat een uitbreiding tot voertuigen van minder dan 12 ton:
a) als gevolg van sluipverkeer via alternatieve routes aanzienlijke ongunstige gevolgen zou hebben voor de doorstroming van het verkeer, het milieu, de geluidsniveaus, de congestie, de volksgezondheid of de verkeersveiligheid;
a) als gevolg van sluipverkeer via alternatieve routes aanzienlijke ongunstige gevolgen zou hebben voor de doorstroming van het verkeer, het milieu, de geluidsniveaus, de congestie, de volksgezondheid of de verkeersveiligheid; of
b) administratieve kosten zou meebrengen die meer bedragen dan 30% van de extra door die uitbreiding voortgebrachte inkomsten.
b) administratieve kosten zou meebrengen die meer bedragen dan 30% van de extra door die uitbreiding voortgebrachte inkomsten.
Lidstaten die ervoor kiezen tolheffingen en/of gebruiksrechten alleen toe te passen op voertuigen met een maximaal toegestaan totaalgewicht van minimaal 12 ton, stellen de Commissie van hun besluit in kennis, met opgave van redenen.
Motivering
De voertuigen waarop de richtlijn van toepassing is, moeten overeenkomen met de definitie van voertuigen die de Raad juist in artikel 1, lid 1, d) heeft herhaald. Als compromis kunnen we instemmen met terugvallen op het compromis van 2006, op grond waarvan in bepaalde omstandigheden afwijkingen van de regel kunnen worden toegestaan (a of b). Er zouden dan nog andere redenen dan die van 2006 kunnen worden toegevoegd. Bovendien ontstaat zo een transparant kader waarin de lidstaten duidelijk moeten uitleggen waarom zij voertuigen van 3,5 t niet belasten.
Amendement 11
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 ter – lid 1
Standpunt van de Raad
Amendement
1. De infrastructuurheffing wordt gebaseerd op het beginsel van het terugverdienen van de infrastructuurkosten. De gewogen gemiddelde infrastructuurheffing is gerelateerd aan de kosten van de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het betrokken infrastructuurnet. De gewogen gemiddelde infrastructuurheffing mag eveneens een rendement op het kapitaal of een winstmarge op grond van de marktvoorwaarden omvatten.
1. De infrastructuurheffing wordt gebaseerd op het beginsel van het terugverdienen van de infrastructuurkosten. De gewogen gemiddelde infrastructuurheffing is gerelateerd aan de kosten van de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het betrokken infrastructuurnet. De gewogen gemiddelde infrastructuurheffing mag eveneens een rendement op het kapitaal en/of op een winstmarge op grond van de marktvoorwaarden omvatten.
Motivering
Het is de moeite waard erop te wijzen dat het doel van dit voorstel is het economisch en financieel evenwicht te beschermen tussen respectievelijk bestaande concessies en concessies waarvan de toewijzingsprocedure al is gestart. Zoals bekend heeft de hoogte van tolheffingen invloed op de hoogte van het verkeersaanbod, hetgeen betekent dat een buitensporige verhoging van de tolheffing waarmee in de overeenkomst geen rekening is gehouden, tot een lager verkeersaanbod kan leiden, met daaruit voortvloeiende repercussies voor de concessies en de daaraan gerelateerde economische en financiële plannen (wat weer tot geschillen kan leiden).
Amendement 12
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 quater – lid 1 – alinea 1
Standpunt van de Raad
Amendement
1. De externekostenheffing kan gerelateerd zijn aan de kosten van de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging. Op trajecten door gebieden met een bevolkingsconcentratie die is blootgesteld aan door het wegverkeer veroorzaakte geluidhinder mag de externekostenheffing de kosten van de door het verkeer veroorzaakte geluidhinder omvatten.
1. De externekostenheffing kan gerelateerd zijn aan de kosten van de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging. Op trajecten door gebieden met een bevolking die is blootgesteld aan door het wegverkeer veroorzaakte geluidhinder mag de externekostenheffing de kosten van de door het verkeer veroorzaakte geluidhinder omvatten.
De externekostenheffing varieert en wordt vastgesteld overeenkomstig de in bijlage III bis vermelde minimumvoorschriften en methoden en met inachtneming van de in bijlage III ter vastgestelde maximumwaarden.
De externekostenheffing varieert en wordt vastgesteld overeenkomstig de in bijlage III bis vermelde minimumvoorschriften en methoden en met inachtneming van de in bijlage III ter vastgestelde maximumwaarden.
Motivering
Er kon niet overtuigend duidelijk worden gemaakt dat de term "bevolkingsconcentratie" in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad in voldoende mate van toepassing is op bergvalleien.
Amendement 13
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 quater – lid 3
Standpunt van de Raad
Amendement
3. De aan de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging gerelateerde externekostenheffing is niet van toepassing op voertuigen die voldoen aan de strengste EURO-emissienormen gedurende 4 jaar na de toepassingsdata als vastgesteld in de regelgeving waarbij die normen zijn ingevoerd.
3. De aan de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging gerelateerde externekostenheffing is niet van toepassing op voertuigen die voldoen aan de strengste EURO-emissienormen gedurende 3 jaar na de toepassingsdata als vastgesteld in de regelgeving waarbij die normen zijn ingevoerd.
Motivering
In amendement 35 eerste lezing EP staat: Tot januari 2013/2014 (Euro VI wordt verplicht voor alle nieuwe typegoedkeuringen vanaf 31 december 2012, de registratie van nieuwe voertuigen een jaar later) mogen er geen externe kosten worden aangerekend voor Euro VI. Dat was een effectieve prikkel voor vlootvernieuwing. In het standpunt van de Raad wordt een langere derogatie ingevoerd waardoor een vrij belangrijk percentage van het internationale vervoer zou worden vrijgesteld van luchtverontreinigingsbelasting (rond 60% eind 2017).Een uitstel van 3 jaar zou daarom het maximum moeten zijn.
Amendement 14
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 septies – lid 5
Standpunt van de Raad
Amendement
5. Het bedrag van de verhoging wordt afgetrokken van het bedrag van de externekostenheffing berekend overeenkomstig artikel 7 quater.
5. Het bedrag van de verhoging wordt afgetrokken van het bedrag van de externekostenheffing berekend overeenkomstig artikel 7 quater,behalve voor voertuigen van EURO-emissieklassen 0, I, II en III. Alle gegenereerde opbrengsten worden gebruikt om investeringen in het opzetten van in bijlage III bij Beschikking Nr. 1692/96/EG vastgestelde prioritaire projecten van Europees belang te financieren.
Motivering
Het is noodzakelijk om te voorzien in positieve financiële prikkels voor vlootvernieuwing in combinatie met financiële straffen voor de meest vervuilende vrachtwagens. Tegelijkertijd wordt er rekening mee gehouden dat, overeenkomstig de richtlijn, de opbrengsten uit tariefverhogingen worden toegewezen aan de financiering van prioritaire projecten die onderdeel zijn van het TEN-T-netwerk.
Amendement 15
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 octies – lid 3 – letter c
Standpunt van de Raad
Amendement
(c) geen enkele infrastructuurheffing het maximumniveau van de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing als bedoeld in artikel 7 ter met meer dan 175% overschrijdt; en
c) geen enkele infrastructuurheffing het maximumniveau van de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing als bedoeld in artikel 7 ter met meer dan 200% overschrijdt; en
Motivering
Intelligent belasting heffen betekent een systeem dat duidelijke prijssignalen afgeeft naar de gebruikers toe, als onderdeel van de diverse beleidsmaatregelen die nodig zijn om doelstellingen als vlootvernieuwing, efficiënter gebruik van vervoerinfrastructuur en verkleining van de milieugevolgen te verwezenlijken. Eurovignette II biedt al een opbrengstneutrale variatie (minder variatie in % maar geen beperking voor wat betreft de uren van de dag). De uitbreiding van de variatiemogelijkheden die het EP al in eerste lezing had voorgesteld (zie am. 43) moet interessant genoeg zijn om deze duidelijke prijssignalen af te geven.
Amendement 16
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 octies – lid 3 – letter d
Standpunt van de Raad
Amendement
(d) de piekperioden waarin, ter beperking van de congestie, de hoogste infrastructuurheffingen worden toegepast, niet meer dan 5 uur per dag duren.
d) de piekperioden waarin, ter beperking van de congestie, de hoogste infrastructuurheffingen worden toegepast, niet meer dan 8 uur per dag duren.
Motivering
Regels voor uren waarop de hoogste heffing kan worden toegepast zijn problematisch (en stroken niet met de eerste lezing van het EP), aangezien ze de mogelijkheden van de lidstaten beperken om congestie daar te bestrijden waar zij zich voordoet. Het werkelijke aantal piekuren op de EU-wegen bedraagt eerder circa 8 uur per dag dan rond de 5 uur in het voorstel. Met een combinatie van redelijke flexibiliteit voor de lidstaten en de voorgestelde specificaties (alleen op wegtrajecten waar sprake is van congestie, variatie op hetzelfde wegtraject (amendementen 5 en 15) en nieuwe verplichtingen (zie amendementen 16 en 17)) moeten de exploitanten extra zekerheid krijgen omtrent de correcte toepassing van deze maatregel.
Amendement 17
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 octies – lid 3 – letter d bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
d bis)de variatie op een wegtraject waarop zich congestie voordoet zo wordt uitgewerkt en toegepast dat vervoerders die ervoor kiezen in daluren te reizen verlaagde toltarieven betalen en dat voor vervoerders die ervoor kiezen om op datzelfde wegtraject gedurende piekuren te reizen verhoogde toltarieven gelden.
Amendement 18
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 octies – lid 3 – letter d ter (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
d ter) een lidstaat die zo'n variatie wenst in te voeren, de Commissie daarvan in kennis stelt en haar de nodige informatie doet toekomen om te verzekeren dat aan de voorwaarden is voldaan;
Amendement 19
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 octies – lid 4 bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
4 bis. De Commissie maakt een handleiding beschikbaar voor gebruikers, die handelt over de uitvoering van de richtlijn, te publiceren in de talen van de lidstaten die de richtlijn zullen toepassen, met bijzondere aandacht voor de differentiatie aan de hand van congestiekosten; het doel hiervan is om publieke en private actoren in staat te stellen om hun bedrijfsplannen af te stemmen op de mogelijke gevolgen van de toepassing van deze differentiatie. Deze handleiding wordt beschikbaar gemaakt op*.
* PB: gelieve datum in te voeren: drie maanden na inwerkingtreding van deze richtlijn.
Motivering
De differentiatie zal grote gevolgen hebben voor de opstelling van transportcontracten, omdat de kosten die het transportbedrijf rekent voor een enkele reis niet vaststaan. Er moet helderheid worden verschaft over de manier waarop deze maatregel vanuit technologisch en economisch oogpunt zal worden toegepast.
Amendement 20
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 nonies – lid 3 – letter d bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
d bis) een specifiek plan waarin wordt aangegeven hoe extra opbrengsten van de externekostenheffing moeten worden aangewend.
Amendement 21
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 nonies – lid 4 – alinea 2
Standpunt van de Raad
Amendement
De lidstaat past de voorgestelde externekostenheffing conform het besluit aan. Het besluit van de Commissie wordt ter kennis gebracht van het in artikel 9 quinquies bedoelde comité.
De lidstaat past de voorgestelde externekostenheffing conform het besluit aan. Het besluit van de Commissie wordt ter kennis gebracht van het in artikel 9 quinquies bedoelde comité en van het Europees Parlement.
Amendement 22
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 7 undecies – lid 4
Standpunt van de Raad
Amendement
4. Indien economisch haalbaar, verrichten en innen de lidstaten externekostenheffingen door middel van een elektronisch systeem dat voldoet aan de eisen van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2004/52/EG.
4. Indien economisch haalbaar, verrichten en innen de lidstaten externekostenheffingen door middel van een elektronisch systeem dat voldoet aan de eisen van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2004/52/EG. De Commissie bevordert iedere vorm van samenwerking tussen lidstaten die nodig kan zijn om interoperabele tolheffingssystemen te waarborgen die op elkaars grondgebied kunnen worden gebruikt.
Amendement 23
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 9 – lid 2
Standpunt van de Raad
Amendement
2. De lidstaten bepalen hoe de inkomsten uit hoofde van deze richtlijn worden gebruikt. De inkomsten uit de externekostenheffing, of het financiële waarde-equivalent van deze inkomsten, zoudenmoeten worden aangewend ten voordele van de vervoerssector, tot verduurzaming van het vervoer en tot optimalisering van het gehele vervoersysteem, hetgeen het volgende omvat:
2. De lidstaten bepalen hoe de inkomsten uit hoofde van deze richtlijn worden gebruikt. De inkomsten uit de externekostenheffing, of het financiële waarde-equivalent van deze inkomsten, worden aangewend ten voordele van de vervoerssector, tot verduurzaming van het vervoer en tot optimalisering van het gehele vervoersysteem, hetgeen het volgende omvat:
a) een efficiënte prijsstelling vergemakkelijken;
a) een efficiënte prijsstelling vergemakkelijken;
b) de door het wegvervoer veroorzaakte verontreiniging aan de bron verminderen;
b) de door het wegvervoer veroorzaakte verontreiniging aan de bron verminderen;
c) de gevolgen van de door het wegvervoer veroorzaakte verontreiniging aan de bron beperken;
c) de gevolgen van de door het wegvervoer veroorzaakte verontreiniging aan de bron beperken;
d) de CO2- en de energieprestatie van voertuigen verbeteren;
d) de CO2- en de energieprestatie van voertuigen verbeteren;
e) alternatieve infrastructuur voor vervoergebruikers te ontwikkelen en/of de bestaande capaciteit uit breiden;
e) alternatieve infrastructuur voor vervoergebruikers te ontwikkelen en/of de bestaande capaciteit uit breiden;
f) de logistiek optimaliseren; of
f) de logistiek optimaliseren; of
g) de verkeersveiligheid verbeteren.
g) de verkeersveiligheid verbeteren.
g bis) zorgen voor veilige parkeerplaatsen.
Een lidstaat waar een infrastructuurheffing wordt geïnd, bepaalt waarvoor de door die heffing gegenereerde opbrengsten moeten worden gebruikt. Omwille van de ontwikkeling van het vervoernetwerk in zijn geheel moeten de opbrengsten van de heffingen hoofdzakelijk worden gebruikt ten behoeve dan de wegvervoersector en ter optimalisering van het wegvervoerstelsel.
Ten minste 15% van de opbrengsten van de externekostenheffing en de infrastructuurheffing in elke lidstaat wordt aan de financiering van TEN-T-projecten ter verbetering van de duurzaamheid van het vervoer besteed. Dit percentage wordt in de loop der tijd gaandeweg verhoogd.
Motivering
Gebaseerd op de amendementen 55, 56 en 57 van de eerste lezing van het EP.
Amendement 24
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 5
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 9 quater
Standpunt van de Raad
Amendement
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:
- de aanpassing van bijlage 0 aan het acquis van de Unie;
- de aanpassing van bijlage 0 aan het acquis van de Unie;
- de aanpassing van de formules van de delen 4.1 en 4.2 in bijlage III bis aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
- de aanpassing van de formules van de delen 4.1 en 4.2 in bijlage III bis en de berekeningsmethoden van de delen 2 en 3 in bijlageIII aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
Op de in dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen zijn de procedures van de artikelen 9 sexies, 9 septies en 9 octies van toepassing.
Op de in dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen zijn de procedures van de artikelen 9 sexies, 9 septies en 9 octies van toepassing.
Motivering
Komt overeen met amendement 58 van de eerste lezing van het EP. Bepaalde technische aanpassingen moeten op technisch niveau worden overeengekomen.
Amendement 25
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 11 – lid 1 – alinea 1
Standpunt van de Raad
Amendement
1. Uiterlijk …* en daarna om de vier jaar, doen de lidstaten die een externekostenheffing en/of een infrastructuurheffing toepassen een verslag over de op hun grondgebied geheven tol, alsmede concessietolgelden, toekomen aan de Commissie, die het beschikbaar stelt aan de overige lidstaten. Tolregelingen die op 10 juni 2008 reeds bestonden en geen externekostenheffing behelzen, mogen in dat verslag buiten beschouwing worden gelaten voor zover die regelingen van kracht blijven en niet ingrijpend worden gewijzigd. Dit verslag bevat inlichtingen over:
1. Uiterlijk …* en daarna om de vier jaar, doen de lidstaten die een externekostenheffing en/of een infrastructuurheffing toepassen een verslag over de op hun grondgebied geheven tol, alsmede concessietolgelden, toekomen aan de Commissie, die het beschikbaar stelt aan de overige lidstaten. Tolregelingen die op 10 juni 2008 reeds bestonden en geen externekostenheffing behelzen, mogen in dat verslag buiten beschouwing worden gelaten voor zover die regelingen van kracht blijven en niet ingrijpend worden gewijzigd. Dit verslag bevat inlichtingen over:
a) de gewogen gemiddelde externekostenheffing en de specifieke tarieven die zijn opgelegd voor elke combinatie van voertuigklasse, soort weg en tijdsperiode;
a) de gewogen gemiddelde externekostenheffing en de specifieke tarieven die zijn opgelegd voor elke combinatie van voertuigklasse, soort weg en tijdsperiode;
b) het variëren van de infrastructuurheffingen naar gelang van het voertuigtype en de tijdsperiode en
b) het variëren van de infrastructuurheffingen naar gelang van het voertuigtype en de tijdsperiode en
c) de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing en de totale inkomsten uit de infrastructuurheffingen.
c) de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing en de totale inkomsten uit de infrastructuurheffingen.
*PB: 48 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
*PB: 36 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
Motivering
Verkorting van de termijn overeenkomstig het standpunt van het EP in eerste lezing
Amendement 26
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 11 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
c bis) het gebruik van de opbrengsten en de overeenkomstig artikel9, lid2 genomen maatregelen.
Motivering
Zorgt voor meer transparantie en verantwoordingsplicht, overeenkomstig het standpunt van het EP in eerste lezing
Amendement 27
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 11 – lid 2 – alinea 1
Standpunt van de Raad
Amendement
2. Uiterlijk …* legt de Commissie, bijgestaan door het in artikel 9 quater bedoelde comité, het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de uitvoering en de gevolgen van deze richtlijn, met name wat de doeltreffendheid betreft van de bepalingen inzake het terugverdienen van de kosten van met het verkeer verband houdende verontreiniging en inzake het opnemen van voertuigen van meer dan 3,5 en minder dan 12 ton. Het verslag bevat tevens een op continue monitoring gebaseerde analyse en een beoordeling van, onder meer:
2. Uiterlijk …* legt de Commissie, bijgestaan door het in artikel 9 quater bedoelde comité, het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de uitvoering en de gevolgen van deze richtlijn, met name wat de doeltreffendheid betreft van de bepalingen inzake het terugverdienen van de kosten van met het verkeer verband houdende verontreiniging en inzake het opnemen van voertuigen van meer dan 3,5 en minder dan 12 ton. Het verslag bevat tevens een op continue monitoring gebaseerde analyse en een beoordeling van, onder meer:
*PB: 60 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
*PB: 48 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
Motivering
Verkorting van de termijn overeenkomstig het standpunt van het EP in eerste lezing
Amendement 28
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 11 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
c bis) de technische en economische haalbaarheid van de invoering van minimale, op de afgelegde afstand gebaseerde gebruiksrechten op de voornaamste interlokale wegen. In het verslag worden de voor gebruiksrechten in aanmerking te nemen wegtrajecten, de mogelijke manieren om dergelijke gebruiksrechten op kosteneffectieve manier te innen en te handhaven en een gemeenschappelijke eenvoudige methode voor de vaststelling van minimumtarieven uiteengezet.
Motivering
Dit punt was door de Commissie voorgesteld en door het EP in eerste lezing bevestigd.
Amendement 29
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 11 – lid 2 –alinea 1 – letter c bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
c bis)de mate van interoperabiliteit tussen verschillende tolsystemen in de lidstaten als vereist bij Richtlijn 2004/52/EG.
Amendement 30
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 11 – lid 2 – letter c ter (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
c ter) de technische en economische haalbaarheid van de geleidelijke afschaffing van op tijd gebaseerde heffingssystemen en invoering van op afstand gebaseerde systemen;
Motivering
Gebaseerd op amendement 61 van de eerste lezing van het EP.
Amendement 31
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 11 – lid 2 – alinea 2 bis (nieuw)
Standpunt van de Raad
Amendement
Het verslag gaat vergezeld van een voorstel aan het Europees Parlement en de Raad voor een verdere herziening van deze richtlijn.
Motivering
Gebaseerd op amendement 63 eerste lezing EP.
Amendement 32
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 11 – lid 3 – alinea 2
Standpunt van de Raad
Amendement
Om een eerlijke intermodale concurrentie te waarborgen bij het geleidelijk in rekening brengen van de externe kosten van alle vervoerswijzen, bevat dat verslag een tijdschema van de maatregelen die nog moeten worden genomen ten aanzien van de nog niet in overweging genomen vervoerswijzen en/of externekostenelementen.";
Om een eerlijke intermodale concurrentie te waarborgen bij het geleidelijk in rekening brengen van de externe kosten van andere categorieën voertuigen of andere vervoerswijzen, bevat dat verslag een tijdschema van de maatregelen die nog moeten worden genomen ten aanzien van de nog niet in overweging genomen vervoerswijzen en/of externekostenelementen, met name de kosten van CO2-emissies, ingeval de vaststelling van een gemeenschappelijk brandstofbelastingelement met betrekking tot de klimaatverandering geen bevredigend resultaat zou opleveren, de kosten van congestie en ongevallen en van de kosten van biodiversiteitsverlies.
Motivering
Gebaseerd op amendement 62 eerste lezing EP en de Commissietekst van lid 2, a) en b).
Amendement 33
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Artikel 2
Richtlijn 1999/62/EG
Lid 1 – alinea 1
Standpunt van de Raad
Amendement
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk …* aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk …* aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede en voegen een tabel bij die het verband weergeeft tussen die bepalingen en de richtlijn.
*PB: 36 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
*PB: 24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
Motivering
Komt overeen met het standpunt van het EP in eerste lezing
Amendement 34
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Bijlage
Richtlijn 1999/62/EG
Bijlage III bis – punt 2 – alinea 2
Standpunt van de Raad
Amendement
Indien van toepassing stellen zij de Commissie in kennis van de exacte tijdsperiodes die overeenstemmen met de nachtperiode tijdens welke een hogere externekostenheffing mag worden opgelegd ter compensatie van hogere geluidhinder.
Indien van toepassing stellen zij de Commissie in kennis van de exacte tijdsperiodes die overeenstemmen met de nachtperiode tijdens welke een hogere heffingvan externe geluidhinderkosten mag worden opgelegd ter compensatie van hogere geluidhinder.
Motivering
Verduidelijking van de intentie van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad.
Amendement 35
Standpunt van de Raad – wijzigingsbesluit
Bijlage
Richtlijn 1999/62/EG
Bijlage III ter – punt 1 – Tabel 1
Standpunt van de Raad
Tabel 1: Maximale in rekening te brengen luchtverontreinigingskosten
Eurocent/voertuig.kilometer
Voorstadswegen (inclusief autosnelwegen)
Interlokale wegen (inclusief autosnelwegen)
EURO 0
16
12
EURO I
11
8
EURO II
9
7
EURO III
7
6
EURO IV
3
EURO V
na 31 december 2013
0
3
0
2
EURO VI
na 31 december 2017
0
2
0
1
Minder vervuilend dan EURO VI
0
0
Amendement
Tabel 1: Maximale in rekening te brengen luchtverontreinigingskosten
Er is nogal wat tijd verstreken sinds het Europees Parlement zijn standpunt in eerste lezing over Eurovignette III heeft vastgesteld.
Het standpunt van de Raad werd door de Voorzitter van het Parlement aangekondigd tijdens de vergaderperiode van februari II, en het Parlement heeft nu tot juni de tijd om zijn tweede lezing af te ronden.
Uw rapporteur wenst de hoofddoelen van de richtlijn in herinnering te brengen:
De richtlijn moet de lidstaten de mogelijkheid geven om desgewenst bepaalde – beperkte – externe kosten door te berekenen aan de weggebruikers, zodat het 'de vervuiler betaalt'-beginsel eindelijk wordt ingevoerd in het wegvervoer.
Zij biedt de lidstaten extra mogelijkheden om hun nationale tolsystemen efficiënter te maken, m.a.w. tot een beter instrument voor het beheer van de vraag op transportgebied te maken.
Deze doelstellingen worden in het standpunt van de Raad bevestigd.
Mijn wensen en mijn politieke standpunt over dit dossier, die ook in de toelichting bij mijn eerste verslag waren vermeld, zijn u bekend.
Het lijkt nu tijd te worden voor een pragmatische aanpak, zodat er niet nog meer tijd verloren gaat en er een zo goed mogelijk compromis tussen het Parlement en de Raad kan worden bereikt.
De voorgestelde amendementen zijn het resultaat van overleg met de fracties.
Uw rapporteur heeft zo pragmatisch mogelijk de kernpunten van het EP-standpunt in eerste lezing heringevoerd (daarbij rekening houdend met de nieuwe politieke samenstelling van na de jongste verkiezingen) en heeft in ruime mate de redelijke nieuwe elementen die de Raad heeft toegevoegd, geaccepteerd.
In mijn amendementen ligt de nadruk op de volgende hoofdpunten:
1) de keuze van externe kosten en de mechanismen voor opbrengstneutrale variatie in infrastructuurheffingen in plaats van de mogelijkheid van een heffing op grond van congestiekosten. Het gaat hier met name om het dagelijkse aantal piekuren, de maximale variatiemogelijkheid en een nauwkeuriger formulering, ten einde het opbrengstneutrale karakter van deze variatie te waarborgen.
2) De earmarking van de opbrengsten van infrastructuur- en externekostenheffingen, die vooral moeten worden gebruikt voor duurzaam vervoer en voor het trans-Europese netwerk. Een efficiënte toewijzing van de opbrengsten (die voor meer verantwoordingsplicht en transparantie zorgt) maakt het systeem niet alleen makkelijker te aanvaarden voor het publiek, maar zal ook de vermindering van de externe kosten van wegvervoer bespoedigen.
3) Doeltreffende prikkels voor vlootvernieuwing (derogatie van luchtverontreinigingsheffing voor de Euro-emissieklasse V/VI en het thema van verhoging van de toltarieven).
4) Voertuigen die onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen. Vrijstellingen kunnen alleen onder bepaalde omstandigheden worden toegestaan.
5) Rapportagemechanisme en volgende stappen. Belang van regelmatig toezicht op de nationale tolsystemen en nieuwe initiatieven van de Commissie om geleidelijk tot een optimaal wegentolstelsel te komen.
Ik vertrouw erop dat wij de komende weken op basis van mijn ontwerpverslag nauw zullen kunnen samenwerken om een zo goed mogelijke overeenkomst met de Raad te bereiken.
Datum bekendmaking ontvangst standpunt van de Raad in eerste lezing
17.2.2011
Commissie ten principale
Datum bekendmaking
TRAN
17.2.2011
Rapporteur(s)
Datum benoeming
Saïd El Khadraoui
24.1.2011
Behandeling in de commissie
28.2.2011
14.3.2011
11.4.2011
24.5.2011
Datum goedkeuring
12.4.2011
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
27
1
11
Bij de eindstemming aanwezige leden
Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Antonio Cancian, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Saïd El Khadraoui, Ismail Ertug, Carlo Fidanza, Knut Fleckenstein, Jacqueline Foster, Mathieu Grosch, Jim Higgins, Juozas Imbrasas, Ville Itälä, Dieter-Lebrecht Koch, Georgios Koumoutsakos, Werner Kuhn, Eva Lichtenberger, Gesine Meissner, Hubert Pirker, Vilja Savisaar-Toomast, Olga Sehnalová, Brian Simpson, Dirk Sterckx, Keith Taylor, Silvia-Adriana Ţicău, Giommaria Uggias, Thomas Ulmer, Peter van Dalen, Artur Zasada
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Philip Bradbourn, Spyros Danellis, Bogdan Kazimierz Marcinkiewicz, Guido Milana, Dominique Riquet, Corien Wortmann-Kool
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)