over EU-wetgeving inzake overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE) en inzake de desbetreffende controles van diervoeders en levensmiddelen - tenuitvoerlegging en vooruitzicht
(2010/2249(INI))
Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
over EU-wetgeving inzake overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE) en inzake de desbetreffende controles van diervoeders en levensmiddelen - tenuitvoerlegging en vooruitzicht
– gezien de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 16 juli 2010 getiteld "Het TSE-stappenplan 2: een beleidsnota betreffende overdraagbare spongiforme encefalopathieën voor de periode 2010-2015" (COM(2010)0384),
– gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 25 augustus 2010 over de algemene werking van de officiële controles in de lidstaten op het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, en plantgezondheid (COM(2010)0441),
– gezien de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2010 over de toekomstige noodzaak en het gebruik van separatorvlees in de Europese Unie, met inbegrip van het voorlichtingsbeleid voor de consument (COM(2010)0704),
– gezien Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën(1),
– gezien Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong(2) en het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de bij de toepassing van de hygiëneverordeningen opgedane ervaring (COM(2009)0403),
– gezien Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame(3),
– gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn(4) en het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van deze verordening (COM(2009)0334),
– gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(5),
– gezien Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad(6),
– gezien Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1772/2002(7),
– gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over het proteïnetekort in de EU: welke oplossing voor een allang bestaand probleem?(8),
– gezien de Beschikking van de Commissie tot wijziging van Beschikking 2009/719/EG tot machtiging van bepaalde lidstaten om hun jaarlijkse programma voor toezicht op BSE te herzien,
– gezien de conclusies van de Raad van 22 oktober 2010 over de bovengenoemde Mededeling van de Commissie van 16 juli 2010 getiteld "Het TSE-stappenplan 2: een beleidsnota betreffende overdraagbare spongiforme encefalopathieën voor de periode 2010-2015",
– gezien artikel 48 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0195/2011),
A. overwegende dat het aantal gevallen van BSE in de Europese Unie medio de jaren 90 van de vorige eeuw epidemische proporties bereikte hetgeen leidde tot de invoering van een reeks maatregelen die gericht waren op de uitroeiing van BSE en andere TSE's,
B. overwegende dat het aantal positieve BSE-gevallen in de EU is afgenomen van 2167 gevallen in 2001 tot 67 gevallen in 2009; overwegende dat gezien dit afnemende aantal gevallen ervan kan worden uitgegaan dat de wetgeving die tijdens deze periode ten uitvoer is gelegd, heeft bijgedragen aan de uitroeiing van BSE en andere TSE's in de EU, en verder overwegende dat deze afnemende epidemiologische ontwikkeling gepaard moet gaan met een aanpassing van de wettelijke regelingen aan het werkelijk bestaande risico,
C. overwegende dat gezien het voortdurend afnemende aantal BSE-gevallen, de wetgeving inzake TSE's de afgelopen jaren is aangepast en toekomstige wijzigingen overwogen zouden kunnen worden waarbij tegelijkertijd het hoge niveau van de dier- en volksgezondheid in de Europese Unie moet worden gegarandeerd en behouden; overwegende dat deze wijzigingen maatregelen zouden kunnen omvatten inzake SRM-verwijdering, herziening van bepalingen van het totale veevoerverbod, uitroeiing van scrapie, ruiming van cohorten en bewaking,
D. overwegende dat een hogere binnenlandse proteïnegewasproductie noodzakelijk is om minder afhankelijk te worden van de invoer van soja en andere bronnen van eiwitten,
Algemene opmerkingen
1. is verheugd over het TSE-stappenplan 2 - een beleidsnota betreffende overdraagbare spongiforme encefalopathieën van de Commissie en de voorstellen van de Commissie voor bepaalde herzieningen van de huidige TSE-wetgeving in de Europese Unie; onderstreept echter dat bepaalde bepalingen grondig beoordeeld moeten worden en alleen onder bepaalde voorwaarden gesteund zullen worden;
2. onderstreept het belang van het garanderen dat de aanzienlijke afname in BSE-gevallen in de Europese Unie niet tot minder strenge TSE-maatregelen of tot een vermindering van de strenge controle- en bewakingsmechanismen in de EU leidt; neemt kennis van de bijdrage van eerdere en huidige TSE-wetgeving aan de uitroeiing van TSE's in de EU;
BSE-bewaking
3. neemt kennis van de verhoging van de leeftijdsgrenzen voor de TSE-tests op runderen tot boven 72 maanden in 22 lidstaten, zoals is geïntroduceerd door de bovengenoemde Beschikking van de Commissie tot wijziging van Beschikking 2009/719/EG tot machtiging van bepaalde lidstaten om hun jaarlijkse programma voor toezicht op BSE te herzien;
4. dringt er bij de Commissie op aan de leeftijdsgrenzen in de overige lidstaten alleen te verhogen indien dit wordt ondersteund door gedegen risico-inventarisaties teneinde een hoog niveau van diergezondheid en consumentenbescherming niet in gevaar te brengen;
5. onderstreept dat het bewakingsmechanisme een belangrijk instrument is bij het toezicht op TSE in de EU; spreekt zijn bezorgdheid uit over een verdere stijging van de leeftijdsgrenzen voor het testen van runderen met name met het oog op het testen op basis van een steekproefgrootte dat vanaf januari 2013 van toepassing zal zijn op het BSE-toezichtstelsel voor runderen; verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van de vorderingen en nieuwe bevindingen ten aanzien van de te kiezen steekproefgrootten;
6. dringt er bij de Commissie op aan het testen van risicodieren als belangrijk element aan te houden bij het verdere toezicht op de trend van BSE-gevallen in de EU en toe te zien op de vroegtijdige opsporing van het zich eventueel opnieuw voordoen hiervan in de toekomst;
Herziening van het voederverbod
7. ondersteunt - met name gezien het bestaande proteïnetekort in de EU - het voorstel van de Commissie om de bepalingen van het verbod op het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten in diervoeders voor niet-herkauwers op te heffen, mits dit alleen geldt voor niet-herbivoren, en mits:
– de verwerkte dierlijke eiwitten slechts van soorten afkomstig zijn die geen relatie met TSE-ziekten hebben,
– de productie- en sterilisatiemethoden die gebruikt worden voor verwerkte dierlijke eiwitten voldoen aan de hoogste veiligheidsnormen en aan de regels die zijn vastgelegd in de Verordening dierlijke bijproducten en gebruikmaken van de nieuwste en veiligste technologie die beschikbaar is,
– de bestaande verboden op recycling binnen de soort ("intra-species recycling", ofte wel "kannibalisme") van kracht blijven,
– productiekanalen van verwerkte dierlijke eiwitten die afgeleid zijn van verschillende soorten volledig gescheiden worden,
– de scheiding van deze productiekanalen door de bevoegde autoriteiten in de lidstaten bestuurd en door de Commissie gecontroleerd wordt,
– er voordat het veevoerverbod wordt opgeheven een betrouwbare soortspecifieke methode toegepast wordt om vast te stellen van welke diersoort de eiwitten afkomstig zijn in diervoeder dat verwerkte dierlijke eiwitten bevat zodat recycling binnen de soort en de aanwezigheid van verwerkte dierlijke eiwitten van herkauwers kan worden uitgesloten, en
– de productie van verwerkte dierlijke eiwitten van materiaal van categorie 1 of categorie 2 verboden wordt en dat alleen materiaal van categorie 3 dat geschikt is voor menselijke consumptie gebruikt wordt voor de productie van verwerkte dierlijke eiwitten;
8. benadrukt dat deze maatregelen hand in hand dienen te gaan met een GLB dat gericht is op het verbinden van gewasproductie en veeteelt, adequaat gebruik van graslandgebieden, een hogere binnenlandse productie van eiwitten en het ondersteunen van vruchtwisselingssystemen;
9. dringt er bij de Commissie op aan maatregelen in te voeren die ervoor zorgen dat, als het voederverbod wordt opgeheven, de mogelijkheid van kruisbesmetting van niet van herkauwers afkomstig materiaal met van herkauwers afkomstig materiaal via transportkanalen wordt uitgesloten;
10. verzoekt de Commissie de noodzaak te onderzoeken van een afzonderlijke vergunning voor slachthuizen waar dierlijke bijproducten voorkomen die zowel afkomstig zijn van niet-herkauwers als van herkauwers, zodat zeker wordt gesteld dat deze bijproducten duidelijk gescheiden worden;
11. verwerpt het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten die afkomstig zijn van niet-herkauwers of herkauwers in voer voor herkauwers;
12. verzoekt de Commissie de noodzaak te beoordelen van het controleren van de invoer van verwerkte dierlijke eiwitten teneinde zeker te stellen dat recycling binnen de soort, het gebruik van materiaal van categorie 1 en 2 en schendingen van hygiëneregels kunnen worden uitgesloten; onderstreept dat regelmatige en onaangekondigde controles op locatie hiervoor ook nodig zijn;
13. is voorstander van een kritisch onderzoek naar de mogelijkheid van vaststelling van een tolerantieniveau voor onbeduidende hoeveelheden van niet-toegestane dierlijke eiwitten, die niet van herkauwers afkomstig zijn, in diervoeders op grond van toevallig en technisch onvermijdbare besmetting, mits er een methode voor het bepalen van het aandeel van deze eiwitten beschikbaar is;
SRM-lijst
14. verwacht dat de Commissie de strenge normen zoals vervat in de SRM-lijst van de EU in stand zal houden; benadrukt dat deze strenge normen niet afgezwakt mogen worden door pogingen van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE) om EU-normen in overeenstemming te brengen met de lijst van de OIE;
15. dringt er bij de Commissie op aan aanpassingen aan de SRM-lijst van de EU uitsluitend in overweging te nemen indien deze ondersteund worden door wetenschappelijke feiten, onder toepassing van het voorzorgsbeginsel, indien risico's aan de volksgezondheid en diergezondheid kunnen worden uitgesloten en indien de veiligheid van de voedsel- en voederketen gegarandeerd kan worden;
Onderzoek naar TSE's
16. dringt bij de Commissie aan op verdere bevordering van de genetische bescherming tegen scrapie bij schapen door middel van fokprogramma's, ter voorkoming van inteelt en genetische afwijkingen;
17. dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te treffen om lopend onderzoek naar resistentie tegen scrapie bij geiten en naar atypische scrapie te stimuleren, aangezien dit zou kunnen bijdragen aan de uitroeiing van TSE's in de EU;
18. verzoekt de Commissie lopend onderzoek te stimuleren om snelle diagnostische ante- en postmortemtests op BSE te ontwikkelen;
19. wijst het voorstel van de Commissie af om minder communautaire middelen beschikbaar te stellen voor onderzoek naar TSE's;
Ruiming van cohorten
20. neemt nota van het voorstel van de Commissie om het huidige ruimingsbeleid in geval van het optreden van BSE in rundveebeslagen te herzien; benadrukt dat voor iedere aanpassing van het beleid met betrekking tot ruiming van cohorten de volgende aspecten in overweging moeten worden genomen om een hoog niveau van consumentenvertrouwen te handhaven: (1) consumentenbescherming, (2) risico voor de gezondheid van mens en dier, en (3) handhaving van de mogelijkheid voor risicomanagers en wetgevers om onmiddellijk de noodzakelijke actie te ondernemen voor het geval BSE opnieuw de kop opsteekt in de EU;
Voedsel- en voederveiligheid
21. neemt kennis van het bovengenoemde verslag van de Commissie over de algemene werking van de officiële controles in de lidstaten op het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en plantgezondheid; wijst erop dat het verslag bepaalde tekortkomingen aan het licht brengt ten aanzien van de kwaliteit van verslagen van de lidstaten en dringt er bij de lidstaten op aan de kwaliteit van de verslaglegging te verbeteren door verbetering van de uitvoering van nationale controles met het oog op vervulling van de criteria van de verordening, door de niet-conforme gevallen aan te geven en door verbetering van de prestaties van de controlerende autoriteiten en van bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie; verzoekt de Commissie efficiënt toezicht te houden op de controles die worden uitgevoerd door de lidstaten;
22. spreekt zijn bezorgdheid uit over de verontreiniging van levensmiddelen en diervoeders, bijv. met dioxine, en roept de lidstaten ertoe op bestaande voorschriften inzake levensmiddelen- en voedercontroles en risicobeheer zeer streng te handhaven en toe te passen en, zo nodig, deze regels aan te scherpen en te zorgen voor een geharmoniseerde uitvoering in de interne markt middels gemeenschappelijke richtsnoeren;
23. verzoekt de Commissie de maximaal aanvaarde concentratie van dioxine in vismeel te herbeoordelen aangezien de huidige maximaal aanvaarde concentratie een hoge dioxineconcentratie toestaat die een gevaar kan vormen voor de volksgezondheid en diergezondheid;
24. verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen die waarborgen dat aan de eisen van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 142/2011 over de behandeling van dierlijke bijproducten voor de omzetting in biogas alsmede voor het gebruik of de verwijdering van gistingsresiduen wordt voldaan en dat illegale omleiding naar de voedselketen wordt voorkomen; dringt er bij de Commissie op aan de uitvoering van de huidige regels in de lidstaten te controleren om een gesloten systeem te realiseren voor deze activiteit;
Separatorvlees
25. spreekt zijn bezorgdheid uit over huidige EU-wetgeving en de tenuitvoerlegging in de lidstaten inzake separatorvlees;
26. verzoekt de lidstaten hun toepassing van definities van separatorvlees te herzien, in overeenstemming met de bestaande regels;
27. roept op tot verplichte etikettering van separatorvlees in levensmiddelen teneinde consumenten beter voor te lichten zodat zij gefundeerde keuzes kunnen maken;
28. verzoekt de Commissie om derde landen op de hoogte te brengen van wijzigingen in de TSE-verordening en van maatregelen in verband met TSE's;
°
° °
29. verzoekt zijn Voorzitter dit tenuitvoerleggingsverslag te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Volgens bijlage I bij het werkdocument van de diensten van de Commissie waarvan de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over het TSE-stappenplan 2 vergezeld gaat, worden overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) veroorzaakt door een overdraagbare agens, prion genaamd, die een abnormale vorm van eiwit is. TSE's zijn een familie van ziekten die voorkomen bij mensen en dieren en gekenmerkt worden door een degeneratie van hersenweefsel die leidt tot een "sponsvormig" uiterlijk en uiteindelijk de dood tot gevolg heeft. De familie omvat zulke ziekten als de ziekte van Creutzfeld-Jakob bij mensen, bovine spongiforme encefalopathie (BSE) bij runderen, scrapie bij kleine herkauwers (schapen en geiten) en Chronic Wasting Disease (CWD) bij hertachtigen. BSE wordt geacht langs orale weg te kunnen worden overgedragen op mensen hetgeen de variant Creutzfeld-Jakob veroorzaakt. In 1997/1998 had BSE in de EU epidemische proporties aangenomen doordat vee gevoerd was met verwerkte dierlijke eiwitten (VDE) die besmet waren met BSE.
In reactie op de BSE-epidemie in de EU werd Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) vastgesteld (deze staat bekend als "de TSE-verordening") en werd voor het eerst voorzien in een uniforme rechtsgrondslag voor de bestrijding en voorkoming van TSE's en BSE. In de verordening werd alle eerdere EU-wetgeving inzake TSE's samengebracht. Deze verordening is sinds de invoering ervan een groot aantal malen herzien en er zijn veel aanvullende maatregelen gewijzigd of ingevoerd teneinde de verspreiding van TSE's verder uit te roeien, te controleren en er toezicht op uit te oefenen. In aanvulling daarop dragen andere maatregelen bij aan een uitgebreid veiligheids- en bewakingsstelsel inzake TSE's. Een belangrijk instrument is onder andere de controleverordening voor levensmiddelen en diervoeders, Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn.
Veel wijzigingen aan de TSE-verordening zijn het gevolg van comitologiebesluiten, hetgeen heeft geleid tot een lappendeken van maatregelen en een lijst van complexe aanpassingen. Dit heeft geresulteerd in een onduidelijk totaalbeeld. Daarom heeft uw rapporteur de Commissie in 2005 gevraagd het Parlement op de hoogte te stellen van haar gezichtspunten en voornemens voor toekomstige wijzigingen aan de TSE-verordening en de strijd tegen TSE/BSE. In juli 2005 presenteerde de Commissie "Het TSE-stappenplan". In vervolg op het eerste stappenplan presenteerde de Commissie in 2010 haar mededeling "Het TSE-stappenplan 2 - een beleidsnota betreffende overdraagbare spongiforme encefalopathieën voor de periode 2010-2015". In de mededeling zet de Commissie haar visie uiteen ten aanzien van verdere wijzigingen aan de TSE-uitroeiingsmaatregelen en het TSE-bewakingsstelsel.
In het licht van de voorstellen van de Commissie, de levensmiddelen- en voedercontroleverslagen en andere aanverwante zaken zoals hoge dioxineniveaus en separatorvlees, benadrukt uw rapporteur dat consumentenbescherming, diergezondheid en de uitroeiing van TSE's altijd de hoofddoelen moeten zijn en van het allerhoogste belang moeten zijn bij het overwegen van wijzigingen aan de huidige regels. Daarom verzoekt uw rapporteur de commissie en de lidstaten waakzaam te blijven en de ontwikkeling van TSE's nauw in het oog te blijven houden ingeval TSE/BSE opnieuw de kop opsteekt.
In dit verslag houdt uw rapporteur rekening met de voorstellen die zijn gedaan door de Commissie en andere relevante zaken in verband met TSE's en levensmiddelen- en voedercontroles. Uw rapporteur is het eens met bepaalde wijzigingen die zijn voorgesteld door de Commissie, maar maakt zich zorgen over bepaalde punten. Wat betreft de wijzigingen aan de leeftijdsgrenzen binnen het TSE-bewakingsstelsel dient te worden benadrukt dat een voorstel van de Commissie de nieuwe regels in januari 2011 via een comitologieprocedure geïntroduceerd heeft. In principe is uw rapporteur het eens met de verhoging van de leeftijdsgrenzen, maar uw rapporteur uit haar bezorgdheid over een eventuele verdere verhoging van de leeftijdsgrenzen bij ontstentenis van gedegen wetenschappelijk bewijs, teneinde te garanderen dat positieve BSE-gevallen niet onopgemerkt blijven. Hoewel SRM-verwijdering de belangrijkste beschermingsmaatregel is voor de volksgezondheid, en het bewakingsprogramma toezicht moet houden op het zich voordoen van BSE bij de runderpopulatie, zouden onopgemerkte gevallen van invloed kunnen zijn op de degelijkheid van de bewakingsgegevens. Gezien de lange incubatieperiode zal het nog jaren duren voordat BSE helemaal is uitgeroeid. Het bewakingsmechanisme mag daarom niet onderschat worden als instrument voor observatie en controle.
In aanvulling op de bovengenoemde zaken volgen hier de hoofdpunten die in het verslag naar voren worden gebracht:
1. Het aantal gevallen van TSE/BSE in de Europese Unie is de afgelopen jaren drastisch afgenomen. Dit is een belangrijk bewijs dat de TSE-uitroeiingsmaatregelen van de EU succes hebben gehad. Uw rapporteur wijst er echter op dat deze neerwaartse trend niet mag leiden tot minder strikte controle- en bewakingsmaatregelen in de toekomst. Het overkoepelende doel van maatregelen op dit gebied moet altijd zijn het realiseren van het hoogste niveau van consumentenbescherming en voedselveiligheid. Bovendien moet, waar wetenschappelijke kennis niet breed genoeg of niet voldoende geavanceerd is, het voorzorgsbeginsel altijd prevaleren;
2. Wat betreft het verhogen van de leeftijdsgrenzen voor het op BSE testen van runderen, stelt het verslag dat voor de overgebleven lidstaten een verhoging alleen in overweging mag worden genomen na een risico-inventarisatie. Met ingang van januari 2013 heeft de Commissie een regel ingevoerd voor het testen op basis van steekproefgrootte in plaats van algemeen testen voor gezonde geslachte dieren ouder dan 72 maanden. Alleen als de steekproefgrootten op basis van een wetenschappelijke beoordeling worden gekozen, kan worden zeker gesteld dat er binnen het bewakingsstelsel geen BSE-gevallen over het hoofd worden gezien. Uw rapporteur verzoekt de Commissie ook het Parlement op de hoogte te brengen van nieuwe bevindingen in deze;
3. De voorgestelde wijzigingen op het voederverbod kunnen onder bepaalde voorwaarden gesteund worden. Het verslag onderstreept dat het voederverbod een van de belangrijkste maatregelen is voor het uitroeien van TSE's. Het afzwakken van de bepalingen van het voederverbod is derhalve alleen mogelijk als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Het verbod op recycling binnen de soort ("intra-species recycling", oftewel "kannibalisme"), strikte scheiding van de productie- en transportkanalen voor materialen afkomstig van herkauwers en niet-herkauwers, en een betrouwbare methode om vast te stellen van welke diersoort verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig zijn, zijn de belangrijkste voorwaarden die beschreven worden in het verslag. De scheiding van productie- en transportkanalen wordt beschouwd als de enige geschikte maatregel om kruisbesmetting van materiaal afkomstig van herkauwers met materiaal afkomstig van niet-herkauwers te voorkomen. Aangezien herkauwers herbivoor (vegetariërs) zijn, mag het aan herkauwers voeren van dierlijke eiwitten onder geen enkele voorwaarde worden toegestaan (er bestaan al uitzonderingen voor het gebruik van vismeel in melkvervangers voor vee jonger dan 12 maanden gezien de speciale dieetbehoeften van deze dieren). Wat betreft het voederverbod is het bestaande proteïnetekort in de EU een belangrijke factor bij de overweging over te gaan tot een herinvoering van verwerkte dierlijke eiwitten die ontleend zijn aan niet-herkauwers. Niet-vegetarische dieren hebben voldoende aminozuren nodig. Deze treft men aan in eiwitten. Verwerkte dierlijke eiwitten zijn een waardevolle bron van eiwitten. Een herinvoering van verwerkte dierlijke eiwitten die ontleend zijn aan materiaal van niet-herkauwers dat geschikt is voor menselijke consumptie, kan deel uitmaken van de oplossing voor het bestaande proteïnetekort in de EU. Momenteel is de EU afhankelijk van de invoer van proteïnegewassen uit derde landen, omdat de eigen proteïnegewasproductie niet met de vraag overeenstemt. Waardevolle bronnen van eiwitten van dieren worden verspild vanwege het huidige voederverbod en de behoefte aan waardevolle bronnen van eiwitten is groeiende en urgent. Uw rapporteur beschouwt het proteïnetekort in de EU als een belangrijke factor in verband met het gedeeltelijk opheffen van het voederverbod. Tevens dient opnieuw te worden onderstreept dat verwerkte dierlijke eiwitten die alleen ontleend worden aan dierlijke delen die geschikt zijn voor menselijke consumptie aanvullende sterilisatiemethoden moeten ondergaan (via verhitting onder hoge druk) – een procedure die zij niet hoeven te ondergaan als ze bestemd zijn voor de productie van levensmiddelen. Deze aanvullende maatregel voorafgaand aan de productie van verwerkte dierlijke eiwitten in aanmerking nemend, zijn er geen infectierisico's voor de dier- en volksgezondheid;
4. Eventuele wijzigingen aan de SRM-lijst moeten derhalve zorgvuldig worden overwogen. De SRM-lijst van de EU is veel strenger dan de lijst van de OIE (Werelddiergezondheidsorganisatie) en uw rapporteur roept de Commissie ertoe op eventuele aanpassingen op gedegen wetenschappelijk advies te blijven baseren, zelfs indien dit leidt tot een lijst die strenger is dan de internationale norm;
5. Het verslag wijst eventuele wijzigingen aan de huidige bepalingen voor het ruimen van cohorten af. Aangezien het aantal BSE-gevallen de afgelopen jaren drastisch gedaald is, zal men niet vaak meer hoeven over te gaan tot het doden van de dieren die bij het cohort horen. Indien BSE opnieuw de kop opsteekt, zouden de bepalingen nog altijd van kracht zijn en zouden er geen wijzigingen aan de wetgeving te hoeven worden gemaakt. Ook dient te worden benadrukt dat het zelfs vandaag de dag mogelijk is een lidstaat toe te staan het doden en de volledige destructie van dieren van een cohort tot aan het einde van hun productieve leven uit te stellen;
6. In het verslag wordt gesteld dat het verslag van de Commissie over de algemene werking van de officiële controles in de lidstaten op het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en plantgezondheid bepaalde tekortkomingen aan het licht brengt wat betreft de kwaliteit van de verslaglegging van lidstaten. De lidstaten wordt gevraagd de kwaliteit van hun verslaglegging te verbeteren. Zoals hierboven al genoemd is, is het toezichtmechanisme een belangrijk instrument dat bijdraagt aan de uitroeiing van TSE's in de EU. Derhalve moeten verslagen dusdanig worden ingediend dat de Commissie conclusies kan trekken over de algemene diervoeder- en levensmiddelencontroles in de EU. Bovendien wordt de Commissie gevraagd de bestaande maximaal aanvaarde concentraties van dioxine in vismeel te herzien aangezien de huidige concentratiewaarde risico's met zich meebrengt voor de volksgezondheid en diergezondheid;
7. Uw rapporteur maakt zich zorgen over de productiemethoden voor separatorvlees. Het is belangrijk dat de Commissie de huidige situatie in het oog houdt en de problemen beoordeelt ten aanzien van de definitie van separatorvlees en de strikte toepassing van de regels ten aanzien van de productie en etikettering van separatorvlees. De mededeling van de Commissie over de toekomstige noodzaak en het gebruik van separatorvlees in de Europese Unie, met inbegrip van het voorlichtingsbeleid voor de consument, brengt aan het licht dat de verschillende lidstaten verschillende interpretaties hebben van de definitie van wat als separatorvlees beschouwd wordt. Zoals de Commissie in haar verslag stelt, kunnen de verschillen in definitie tot oneerlijke mededinging leiden. Bovendien is uw rapporteur van mening dat de verschillen in definitie consumenten misleiden.
Het verslag benadrukt ook de noodzaak onderzoek te stimuleren op die gebieden waar kennis ontbreekt. Alleen zo kunnen toekomstige beleidsbeslissingen genomen en gerechtvaardigd worden.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
24.5.2011
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
56
0
1
Bij de eindstemming aanwezige leden
János Áder, Elena Oana Antonescu, Kriton Arsenis, Sophie Auconie, Pilar Ayuso, Paolo Bartolozzi, Sandrine Bélier, Sergio Berlato, Nessa Childers, Chris Davies, Esther de Lange, Anne Delvaux, Bas Eickhout, Edite Estrela, Jill Evans, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Nick Griffin, Françoise Grossetête, Cristina Gutiérrez-Cortines, Jolanta Emilia Hibner, Dan Jørgensen, Christa Klaß, Holger Krahmer, Jo Leinen, Corinne Lepage, Peter Liese, Kartika Tamara Liotard, Linda McAvan, Radvilė Morkūnaitė-Mikulėnienė, Gilles Pargneaux, Andres Perello Rodriguez, Mario Pirillo, Vittorio Prodi, Anna Rosbach, Oreste Rossi, Dagmar Roth-Behrendt, Daciana Octavia Sârbu, Carl Schlyter, Horst Schnellhardt, Richard Seeber, Theodoros Skylakakis, Bogusław Sonik, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Salvatore Tatarella, Åsa Westlund, Sabine Wils, Marina Yannakoudakis
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Inés Ayala Sender, Matthias Groote, Riikka Manner, Marisa Matias, Judith A. Merkies, James Nicholson, Marit Paulsen, Michail Tremopoulos, Anna Záborská