– gezien het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang van het DG REGIO, met name de bladzijden 230-234,
– gezien de conclusies van het vijfde cohesieverslag: de toekomst van het cohesiebeleid (COM(2010)0642), en het bijbehorende begeleidend document (SEC(2010)1348),
– gezien het werkdocument van DG REGIO getiteld "Regio's 2020: een beoordeling van de toekomstige uitdagingen voor de EU-regio's" van november 2008 (achtergronddocument bij werkdocument van de diensten van de Commissie SEC(2008)2868)),
– gezien zijn resolutie van 11 november 2010 over demografische vraagstukken en de solidariteit tussen de generaties(1),
– gezien zijn resolutie van 21 februari 2008 over de demografische toekomst van Europa(2),
– gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Meer solidariteit tussen de generaties" van 10 mei 2007 (COM(2007)0244),
– gezien zijn resolutie van 23 maart 2006 over demografische vraagstukken en de solidariteit tussen de generaties(3),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De demografische toekomst van Europa: probleem of uitdaging?" van 12 oktober 2006 (COM(2006)0571),
– gezien het Groenboek getiteld "Demografische veranderingen: naar een nieuwe solidariteit tussen de generaties" van 16 maart 2005 (COM(2005)0094),
– gezien artikel 48 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0350/2011),
A. overwegende dat de demografische verandering in de EU en wereldwijd een feit is en dat de omgang hiermee een van de belangrijkste opgaven voor de toekomst is, en dat de bevolking van de EU wereldwijd de oudste is;
B. overwegende dat de demografische verandering gekenmerkt wordt door de vergrijzing van de bevolking en door aanzienlijke migratiestromen, zowel uit derde landen naar de EU als binnen de EU van oost naar west en van de landelijke gebieden naar de stedelijke gebieden;
C. overwegende dat vooral bepaalde regio's zich als gevolg van de democratische veranderingen voor nieuwe taken gesteld zien, die echter niet alleen als bedreiging, maar ook als kans moeten worden beschouwd;
D. overwegende dat DG REGIO van de Commissie in zijn analyse "Regio's 2020" heeft vastgesteld dat de demografische verandering een cruciale uitdaging is;
E. overwegende dat de demografische verandering plattelandsgebieden en stedelijke gebieden in gelijke mate treft, met gevolgen voor o.a. de beschikbaarstelling van goede infrastructuur en de dienstverlening;
F. overwegende dat de aanpak van de diverse demografische uitdagingen weliswaar in de eerste plaats een taak is voor de lidstaten, maar dat de regio's proactief moeten optreden en daarbij steun van het Europees niveau nodig hebben;
G. overwegende dat de lidstaten in het kader van de operationele programma's2007–2013 30 miljard euro aan structuurgelden uitgetrokken hebben voor maatregelen op het gebied van de demografische verandering,en dat de regionale en lokale autoriteiten een centrale rol spelen bij de aanpak van dit veranderingsproces, zodat het regionaal beleid een cruciaal beleidsinstrument wordt binnen het instrumentarium van de EU,
Algemeen
1. vindt de stijgende levensverwachting in Europa verheugend; is van mening dat in de publieke opinie vaak alleen de gevaren en niet de kansen van de demografische verandering worden belicht;
2. is van oordeel dat alle mogelijkheden zorgvuldig moeten worden onderzocht en op een gepaste manier moeten worden benut, ook met de steun die de instrumenten van het cohesiebeleid bieden;
3. is van mening dat de demografische verandering van regio tot regio zeer uiteenlopende gevolgen heeft, al naargelang zij zich in een snel of traag tempo voltrekt en de betrokken regio een immigratieoverschot heeft of een regio met een krimpende bevolking is, en dat deze gevolgen dus tot uiteenlopende aanpassingsstrategieën nopen en door alle Europese, nationale en regionale autoriteiten op een gecoördineerde manier moet worden aangepakt; stelt vast dat in gebieden met een krimpende bevolking, met name plattelandsgebieden, levenskwaliteit iets anders betekent dan in regio's met een groeiende bevolking, en is derhalve van mening dat verschillende ondersteunende strategieën nodig zijn; is van mening dat arbeidsmigratie een versterkend effect heeft op de demografische verandering en dat de vergrijzing van de bevolking slechts één aspect van dit verschijnsel is;
4. is van oordeel dat het EFRO en het ESF, kunnen helpen bij de aanpak van de uitdagingen die voortvloeien uit de demografische veranderingen in Europa, namelijk het stijgende aantal ouderen en het dalende aantal jongeren; pleit voor het gebruik van EFRO-middelen om de aanpassing van de woonomstandigheden aan de behoeften van ouderen te ondersteunen, teneinde een hoge bestaanskwaliteit voor de vergrijzende samenleving te garanderen; dringt er bij de lidstaten en de regio's op aan de in het kader van het EFRO en het ESF beschikbare middelen te gebruiken ter ondersteuning van jonge gezinnen;
5. is van oordeel dat een gunstig politiek klimaat voor gendergelijkheid kan bijdragen aan de aanpak van de demografische uitdagingen; verzoekt daarom om bij de beschouwing van demografische vraagstukken altijd ook aandacht te besteden aan gendergelijkheid;
6. is van oordeel dat de demografische situatie die er momenteel in op zijn minst een aantal lidstaten op achteruitgaat, discussies zal aanzwengelen over een hervorming van de pensioenstelsels in de nabije toekomst;
Aanpassingen van het structuurbeleid
7. pleit ervoor dat de lidstaten en de regio's bij de toekenning en verdeling van Europese structuurgelden en bij de vaststelling van effectindicatoren rekening houden met het uiteenlopende regionale ontwikkelingsniveau alsmede demografische indicatoren, bijvoorbeeld de afhankelijkheidsgraad; wijst erop dat de EU het hoogste percentage ouderen ter wereld heeft; is van mening dat de Commissie manieren moet presenteren om ook op pan-Europees niveau de demografische verandering aan te pakken; is van mening dat het, zowel uit een oogpunt van toegang tot infrastructuur en diensten als met het oog op de milieubescherming, essentieel is dat niet alleen de arbeidsmigratie wordt geanalyseerd, maar ook de noodzaak tot het garanderen van de voorwaarden om de inwoners in hun regio's te houden, teneinde een bevolkingsconcentratie in bepaalde stedelijke gebieden te voorkomen;
8. is van mening dat er met behulp van EU-beleid ook wat de demografische verandering betreft gemeenschappelijke oplossingen en synergieën kunnen worden ontwikkeld; verzoekt de Commissie om de demografische verandering als een horizontale doelstelling te integreren in het toekomstige cohesiebeleid; verzoekt de Commissie tevens er bij het aangaan van investeringspartnerschappen met de lidstaten op aan te dringen dat dit aspect de nodige aandacht krijgt;
9. moedigt de lidstaten en de regio's ertoe aan bij de uitstippeling van de nationale strategische kaderprogramma's (of bij de opstelling van overeenkomstige documenten) meer dan voorheen plaats in te ruimen voor de demografische verandering en de gevolgen daarvan, en de aanpak hiervan te verheffen tot een horizontale doelstelling; is in dit verband van mening dat de vlaggenschipinitiatieven in het kader van de EU 2020-strategie, inclusief het partnerschap op het gebied van actief en gezond ouder worden, direct kunnen worden afgestemd op de voorkeuren van de bij deze programma's betrokken partners;
10. pleit voor proactieve maatregelen om te voorkomen dat de demografische verandering negatieve gevolgen heeft, en voor meer technische hulp voor regio's die het zwaarst te lijden hebben onder leegloop en vergrijzing, om te verzekeren dat ze hun absorptiecapaciteit behouden en van de structuurfondsen kunnen profiteren;
11. is van mening dat openbare en particuliere actoren in Europa de mogelijkheid hebben als pioniers op te treden bij de aanpak van problemen die de demografische verandering en de vergrijzing met zich meebrengen, o.a. door middel van sociale innovaties; wijst erop dat er zowel in de particuliere als de openbare sector in de toekomst steeds meer moet worden geïnvesteerd om de kosten van de vergrijzing te dekken; is van mening dat er op dit gebied steeds meer mogelijkheden ontstaan voor het bedrijfsleven en voor innovaties;
12. benadrukt dat demografische veranderingen, met name de vergrijzing, een duidelijke impact hebben op de voorziening van sociale infrastructuur, waaronder pensioenstelsels, ouderenzorg en gezondheidszorg, waarbij regionale autoriteiten moeten voldoen aan de veranderende vraag van diverse bevolkingsgroepen;
13. dringt aan op toekomstige ESF-voorschriften die eenvoudiger te hanteren zijn en kleine organisaties daardoor meer laten profiteren van de financiering en hen in staat stellen innovatieve sociale projecten te ontwikkelen en beheren; roept de Commissie op de financiering van transnationale proefprojecten op EU-niveau voor sociale en werkgelegenheidsvraagstukken in het toekomstige ESF uit te breiden om innovatieve regionale, grensoverschrijdende en macroregionale samenwerking te steunen en zo te kunnen inspelen op de gemeenschappelijke uitdagingen die het gevolg zijn van demografische veranderingen;
Stedelijke ontwikkeling/infrastructuur
14. moedigtde regio's ertoe aan de structuurfondsen in te zetten om de demografische problematiek te helpen oplossen en de sociale en administratieve diensten – ook in kleine en afgelegen steden en dorpen – beter toegankelijk te maken door het specifieke potentieel van elke regio tot ontwikkeling te brengen en de factoren waardoor mensen daar willen blijven wonen meer gewicht toe te kennen;
15. verzoekt de Commissie de voorwaarden te versoepelen ter stimulering van gecombineerde financiering uit het EFRO en het ESF voor de ontwikkeling en uitvoering van geïntegreerde stadsontwikkelingsplannen en -strategieën;
16. is van mening dat, ter voorkoming van leegloop, de ontwikkeling van kind- en gezinsvriendelijke steden die toegankelijk zijn voor personen met een beperking en verminderde mobiliteit, noodzakelijk is; ziet als één van de kenmerken van deze opzet dat werk, woning en recreatiegebieden waar mogelijk niet te ver uit elkaar liggen; verzoekt de regio's bij de stadsplanning te zorgen voor een evenwichtig en harmonieus ontwikkelde mix van wonen, werken en groenvoorziening en voor verbetering van de verbindingen met voorstedelijke gebieden die bestemd zijn voor nieuwe woonwijken; moedigt aan om ook de mogelijkheden van telewerken verder te ontwikkelen;
17. merkt op dat met name kleine steden in regio's die met leegloop te kampen hebben een belangrijke rol als dienstverleningscentrum vervullen; pleit ervoor om in de toekomstige structuurfondsen rekening te houden met die ankerfunctie, met name door betere coördinatie tussen het ELFPO en het EFRO en het ESF; wijst erop dat leegloop van het platteland op zijn beurt negatieve gevolgen met zich meebrengt voor stedelijke gebieden, en dat economisch en sociaal bloeiende plattelandsgebieden een publiek goed zijn, hetgeen zich zou moeten vertalen in een plattelandsontwikkelingsprogramma met voldoende middelen; verzoekt de lidstaten, regio's en gemeenten voor hun inwoners in alle leeftijdsklassen een compleet en efficiënt dienstennetwerk aan te bieden om ontvolking van het platteland en leegloop tegen te gaan;
18. wijst erop dat EFRO-middelenook kunnen worden aangewend om sociale uitsluiting van ouderen tegen te gaan, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van specifiek op ouderen afgestemde infrastructuur en diensten die voor iedereen toegankelijk moeten worden gemaakt;
19. is van mening dat in regio's waar de bevolking krimpt financiële steun voor aanpassingsstrategieën moet worden verstrekt; is van mening dat men zich bij de stads- en regionale planning meer moet instellen op herbestemming van infrastructuur, o.a. door revitalisering en herinrichting van stadscentra, waarbij samenwerking met private partijen van groot belang is; merkt op dat men zich in het gemeentelijk beleid moet richten op de ontwikkeling van ouderenvriendelijke steden; wenst dat het potentieel van stedelijk toerisme en erfgoed wordt onderkend en benut, als een mogelijkheid om nieuwe bewoners aan te trekken in met ontvolking bedreigde gebieden;
20. verzoekt de regio's innovatieve concepten voor het lokale openbaar vervoer te ontwikkelen als antwoord op onder meer de teruglopende aantallen passagiers in met name plattelandsgebieden; verzoekt de Commissie dergelijke projecten financieel te ondersteunen;
Ouderen, kinderen, gezinnen
21. pleit ervoor binnen het EFRO prioriteit toe te kennen aan gunstige leningen voor de aanpassing van woningen aan de behoeften van ouderen; stelt voor de mogelijkheid te bieden om onder bepaalde voorwaarden geld beschikbaar te stellen voor zorgwooncomplexen en huizen met meerdere generaties om te voorkomen dat ouderen geïsoleerd raken, om het creatieve potentieel van ouderen te benutten en om zo een hogere levenskwaliteit in een vergrijzende samenleving te waarborgen;
22. moedigt de lidstaten ertoe aan hun aanbod aan sociale en zorgvoorzieningen aan te passen aan de behoeften van iedereen, met name van gezinnen en kinderen, en om gelden beschikbaar te stellen voor thuiszorg en universele gezondheidszorg voor ouderen, ongeacht hun inkomen, leeftijd of sociale status, zodat de ontvolking van plattelands- en perifere gebieden wordt tegengegaan;
23. acht overheidsinvesteringen in de gezondheids- en zorgstelsels van groot belang voor de sociale samenhang in Europa; verzoekt de lidstaten ook in plattelandsgebieden goede medische zorgte bieden, bijvoorbeeld in de vorm van regionale medische centra en gezondheidsdiensten, om te voorkomen dat er een medische kaalslag plaatsvindt, door in grensregio's aan te sturen op meer grensoverschrijdende samenwerking tussen klinieken en belanghebbenden, en door de mogelijkheid te overwegen tot gebruik van de structuurfondsen voor de bevordering van aanvullende maatregelen op het gebied van telegeneeskunde en zorg en om actief ouder worden te ondersteunen; verzoekt de Commissie met innovatieve ideeën te komen voor de financiële ondersteuning van dergelijke voorzieningen;
24. waarschuwt vooreventuele specifieke regionale problemen bij de verstrekking van diensten van algemeen belang, en met name voor een tekort aan geschoold personeel in zorggerelateerde beroepen in bepaalde regio's; is van mening dat deze regio's specifieke regionale strategieën moeten ontwikkelen om te reageren op de behoeften en problemen op het gebied van dienstverlening, en dat zij gebruik moeten maken van ESF-middelen voor het opleiden van zorgwerkers om de kwaliteit van de zorgverlening te kunnen garanderen en te waarborgen dat er nieuwe banen worden gecreëerd, onder meer door middel van omscholingsprogramma's voor werklozen; wijst erop dat een en ander direct bijdraagt aan de bevordering van de werkgelegenheid als EU 2020-doelstelling;
25. onderstreept dat de voorwaarden moeten worden gecreëerd voor het bewerkstelligen van een evenwicht tussen werk, gezin en privéleven, en dat in deze context waar mogelijk universeel beschikbare, betrouwbare en hoogwaardige dagopvangfaciliteiten moeten worden aangeboden voor kinderen van alle leeftijden, met inbegrip van voorzieningen en mogelijkheden voor voorschools leren, om ontvolking tegen te gaan; erkent tegelijkertijd de waardevolle rol die grootfamilies spelen in de zorg voor kinderen
26. is van oordeel dat het belangrijk is dat gezinnen over voldoende betaalbare woonruimte beschikken, om gezinsleven en carrière gemakkelijker met elkaar te kunnen combineren, aangezien steun voor jonge gezinnen kan helpen om het geboortecijfer in de lidstaten te verhogen;
Migratie en integratie
27. benadrukt dat migratie eventueel bepaalde integratieproblemen zou kunnen veroorzaken;
28. wijst erop dat de migratie van gekwalificeerde arbeidskrachten vanuit de nieuwe lidstaten naar de oude lidstaten een van de grootste demografische problemen is voor de nieuwe lidstaten en negatieve gevolgen heeft voor de leeftijdsopbouw van hun bevolking; onderstreept verder dat ook medisch personeel migreert, waardoor in de regio's die minder ontwikkeld zijn, het voortbestaan van de gezondheidszorg op termijn wordt bedreigd;
29. erkent echter dat migratie met name regio's met een negatief migratiesaldo een kans biedt de negatieve gevolgen van demografische veranderingen tegen te gaan, en roept de lidstaten daarom op de integratie van migranten te zien als een uiterst belangrijke beleidsmaatregel;
30. verzoekt de lidstatenhet eens te worden over een gemeenschappelijke strategie voor legale migratie, niet in de laatste plaats omdat Europa, met name in bepaalde sectoren, om demografische redenen afhankelijk is van migratie van geschoolde arbeidskrachten (zowel tussen de lidstaten onderling als van buiten de EU, met name vanuit de buurlanden van de Unie); is van mening dat de lidstaten ernaar moeten streven gekwalificeerde arbeidskrachten te behouden om zo bij te dragen aan een evenwichtige regionale ontwikkeling en de gevolgen van de demografische verandering te temperen;
31. stelt voor meer geld beschikbaar te stellen voor de integratie van immigranten, om vooroordelen weg te nemen, waarbij opleiding en gezamenlijke uitwisselingsevenementen ondersteund kunnen worden;
Werkgelegenheid
32. verzoekt de Commissie om het ESF zo in te richten dat rekening wordt gehouden met mensen in alle levensfasen, en ervoor te zorgen dat er sterker gebruik wordt gemaakt van de capaciteiten van beroepskrachten en vrijwilligers om de demografische veranderingen het hoofd te bieden; wijst erop dat de ervaring en kennis van ouderen benut zouden moeten worden, bijvoorbeeld in de vorm van coachingprojecten, zodat de overgang tussen generaties soepel kan verlopen, en dat hiervoor adequate oplossingen zijn vereist; is van mening dat uitwisseling tussen de verschillende generaties kansen biedt die benut moeten worden;
33. is van mening dat de regio's voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid vastberaden ESF-middelen moeten gebruiken om de maatschappelijke integratie van jongeren te waarborgen en hun de mogelijkheid te geven een geschikt beroep te kiezen; wijst erop dat dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld opleidingsinitiatieven voor jongeren en ondernemerschap onder jongeren te steunen;
34. is van mening dat voortgezette steunverlening nodig is om de participatiegraad onder vrouwen te verhogen; dringt er daarom op aan dat meer vrouwen toegang krijgen tot gekwalificeerde banen en de programma's voor een leven lang leren, mits de verkregen kwalificaties aansluiten bij de behoeften van de arbeidsmarkt; adviseert de lidstaten om stimulansen te ontwikkelen ten behoeve van de werknemers voor speciale projecten die hen moeten helpen bij het combineren van werk en gezin;
35. benadrukt dat het voor Europese regio's die met demografische uitdagingen worden geconfronteerd, van cruciaal belang is een gunstig klimaat voor een concurrerende en innovatieve particuliere sector te creëren om over de generatiegrenzen heen nieuwe kansen op de arbeidsmarkt te creëren;
Analyse en best practice
36. is van mening dat demografische ontwikkelingen in de regio's statistisch geregistreerd moeten worden; verzoekt de Commissie met voorstellen te komen om lokale, regionale en nationale databanken over demografische ontwikkelingen vergelijkbaar te maken zodat de gegevens voor heel Europa kunnen worden geëvalueerd en de uitwisseling van goede praktijken tussen landen, regio's en gemeenten kan worden bevorderd;
37. verzoekt de Commissie de "Demographic Vulnerability Index" te verbeteren en deze om de vijf jaar vast te stellen, om zichtbaar te maken in welke regio's in Europa de demografische verandering bijzonder sterk optreedt; roept de Commissie op proefprojecten op te zetten om de praktijken in de meest problematische regio's in kaart te brengen;
38. verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale overheden om beter met lokale en regionale actoren samen te werken op gebieden die met de demografische verandering verband houden; is van mening dat die samenwerking in grensregio's ook moet inspelen op de wensen en mogelijkheden voor grensoverschrijdende initiatieven; stelt de ontwikkeling van vakgerichte opleidingsprogramma's voor, voor een beter begrip van en inzicht in de problematiek; roept de regio's op de beste praktijken uit te wisselen op het gebied van uitdagingen met betrekking tot de vergrijzing;
39. stelt de Commissie voor om in het kader van de territoriale samenwerking EU-netwerken te subsidiëren waarin regionale en lokale overheden en spelers uit het maatschappelijk middenveld van elkaar kunnen leren met betrekking tot de aanpak van problemen die uit de demografische verandering voortvloeien;
40. verzoekt de Commissie naar mogelijkheden op zoek te gaan om voor het idee van "ERASMUS voor lokale en regionale ambtsdragers" een passende nieuwe vorm te vinden en haar idee van een "zomer- of winteruniversiteit" nader toe te lichten, waar vertegenwoordigers van de Europese regio's van gedachten kunnen wisselen over goede ervaringen op het gebied van demografische vraagstukken en mogelijke oplossingen daarvoor;
41. verzoekt de Commissie beste praktijken te verzamelen, deze te analyseren en te delen met de lidstaten en regio's, zodat deze als voorbeeld kunnen worden gebruikt bij het vormgeven van beleid voor demografische uitdagingen;
42. verzoekt de lidstaten en de regio's om ervaringen, de beste praktijken en nieuwe methoden uit te wisselen met betrekking tot het voorkomen van de negatieve gevolgen van een demografisch veranderingsproces;
o
o o
43. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
1. De demografische verandering – kans in plaats van bedreiging
De demografische verandering in de EU is een feit, en de omgang hiermee is een van de belangrijkste opgaven voor de toekomst. De vergrijzing van de Europese bevolking zet door en inmiddels hebben we de oudste bevolking en de laagste bevolkingsgroei ter wereld. In de meeste lidstaten liggen de geboortecijfers onder het vervangingsniveau van 2,1 kinderen per vrouw (dit zal deels zelfs nog verder dalen), terwijl de levensverwachting toeneemt. Een meisje dat in 2010 in Duitsland geboren wordt, heeft 50% kans om 100 jaar oud te worden. De demografische verandering wordt daarom terecht beschouwd als de "megatrend van de 21ste eeuw", die de politieke, sociale, maatschappelijke en economische situatie in Europa ingrijpend zal veranderen.
Velen zien de demografische verandering als een probleem. Volgens de rapporteur is dat echter kortzichtig en zouden we oog moeten hebben voor de kansen van deze ontwikkelingen voor Europa. Het probleem is niet gelegen in de demografische verandering als zodanig, maar in de aarzelende houding van de politiek en de samenleving om met deze verandering om te gaan.
De rapporteur is van mening dat de demografische verandering in veel EU-regio's tot nieuwe uitdagingen zal leiden. Daarom moeten demografische ontwikkelingen vooral op regionaal niveau worden gevolgd want op dat niveau zijn de meest duidelijke ontwikkelingen te zien. Waar de bevolking in veel landelijke gebieden afneemt door het vertrek van jongeren, profiteren welgestelde stedelijke gebieden van een toestroom. Dichtbevolkte regio's als Londen hebben te maken met een toestroom, terwijl uit bijvoorbeeld de nieuwe Duitse deelstaten, het westen van Polen of het noorden van Spanje juist mensen wegtrekken. In zo'n 20 regio's in Europa zal de bevolking met meer dan 10% afnemen.
2. Demografische verandering en het regionaal beleid van de EU
Dat een demografische verandering zowel risico's als kansen biedt, wordt nog niet door alle regio's onderkend. De vele uitdagingen eisen van regio's en steden een strategie. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt hoofdzakelijk bij de lidstaten, maar de rapporteur is ervan overtuigd dat regio's proactief te werk moeten gaan en daarbij zowel instructies als perspectieven nodig hebben.
In de conclusies van het vijfde cohesieverslag(1) benadrukt de Commissie de betekenis van de demografische verandering. In de mededeling van de Europese Commissie "Solidariteit tussen de regio's bevorderen" wordt eveneens gesteld dat de rechten van elke generatie moeten worden gewaarborgd. Kinderen en jongeren moeten deelnemen aan de maatschappij en daarbij hoort ondersteuning van het gezin, het vestigen en handhaven van kwalitatief hoogwaardige opvang- en scholingsvoorzieningen, beroepsopleiding en perspectieven op het gebied van werk. De middengeneraties hebben ondersteuning nodig bij de opvang en de opvoeding van hun kinderen, maar ook bij de verzorging van de oudere generatie. Oudere mensen hebben steun nodig om actief en onafhankelijk deel te kunnen blijven nemen aan het maatschappelijk leven.
Lidstaten en regio's kunnen structuurgelden gebruiken voor de ontwikkeling van op maat gesneden strategieën. Op deze manier worden via het EU-structuurbeleid projecten gecofinancierd waarmee de demografische verandering goed kan worden opgevangen. In de programmaperiode 2007-2013 hebben de lidstaten in hun operationele programma's bijna 30 miljard euro (8,5% van de structuurgelden) gepland voor maatregelen op dit gebied. Daarmee vormt het regionaal beleid een cruciaal instrument voor de aanpak van de demografische verandering.
3. Taken en vragen van dit verslag
De rapporteur is zich bewust dat de demografische verandering zich op meerdere gebieden manifesteert(2). Toch is het haar mening dat ook en juist met name in het structuurbeleid de enorme uitdagingen van de demografische verandering het hoofd moet worden geboden. Daarbij ziet zij zes prioriteiten:
1. De structuurfondsen moeten beter worden afgestemd op de uitdagingen van de demografische verandering. De Commissie zou deze verandering als kernprioriteit voor de ontwikkeling van Europa moeten beschouwen. Tegelijkertijd moeten zowel de lidstaten als de regio's dit onderwerp meer dan voorheen in ogenschouw nemen en verwerken in hun operationele programma's als horizontale prioriteit. Bij de regionale verdeling van structuurgelden moet rekening worden gehouden met demografische indicatoren.
2. Bij de infrastructuur ziet de rapporteur zowel voor plattelandsgebieden als voor steden grote uitdagingen. Ontvolking en sociale uitsluiting van ouderen moeten worden voorkomen, de stadsplanning moet worden aangepast. Structuurgelden kunnen hierbij een ondersteunende rol spelen. Steden en gemeenten moeten voor hun inwoners aantrekkelijk zijn, met onder meer een kind- en gezinsvriendelijke infrastructuur en goed openbaar vervoer.
3. De demografische verandering betreft vooral ouderen, kinderen en gezinnen. Het regionaal beleid kan veel voor hen betekenen, bijvoorbeeld met behulp van EFRO-middelen voor een gunstige financiering om woningen voor ouderen aan te passen, of door bevordering van huizen met meerdere generaties. Een afdoende territoriale spreiding van het zorgaanbod, voldoende verplegend personeel en gratis kinderopvang voor hele dagen zijn absoluut noodzakelijk en kunnen door het cohesiebeleid ondersteund worden.
4. Gedwongen door de demografische ontwikkeling, zal Europa zijn aangewezen op een verdere instroom van gekwalificeerde arbeidskrachten(3). De 'blue card' kan hooguit een eerste stap vormen op weg naar een Europese migratiestrategie. Tegelijkertijd valt vast te stellen dat de integratie van immigranten wisselend succesvol is. Hierbij kan het cohesiebeleid ondersteuning bieden, bijvoorbeeld middels opleidingen of evenementen (zoals het Duits-Turkse economisch centrum in Mannheim).
5. Om de demografische uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, moet het percentage vrouwen dat deelneemt aan de arbeidsmarkt worden verhoogd. Daarnaast moet jeugdwerkloosheid bestreden worden. Voor de ouderen geldt dat we een beroep moeten doen op hun kennis en kunde (bijvoorbeeld in de vorm van coachingprojecten). Er mag op de arbeidsmarkt niet worden gediscrimineerd op leeftijd. Voor al deze maatregelen kunnen de lidstaten gebruik maken van ESF-middelen.
6. Om antwoorden te vinden op de uitdagingen die de demografische verandering biedt, is het voor de rapporteur belangrijk deze verandering statistisch goed in kaart te brengen. In een tweede stap moet de coördinatie tussen de betrokken instanties op alle niveaus worden verbeterd en moeten best-practice-voorbeelden worden uitgewisseld.
Als we de demografische verandering in goede banen leiden en antwoorden vinden op Europees, nationaal en regionaal niveau, is er geen sprake van een bedreiging, maar een kans voor Europa.
Zo zijn bijvoorbeeld in Duitsland de komende 15 jaar 30.000-50.000 arbeidskrachten per jaar uit derde landen nodig, zie "Bundesagentur für Arbeit: Perspektive 2025 - Fachkräfte für Deutschland, Nürnberg 2011 (blz. 36 e.v.).
ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (19.4.2011)
aan de Commissie regionale ontwikkeling
inzake demografische veranderingen en de gevolgen daarvan voor het toekomstige cohesiebeleid van de EU
De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1 wijst op het feit dat de ramingen met betrekking tot de afhankelijkheidsratio aangeven dat de desbetreffende regionale verschillen zullen toenemen aangezien deze ratio in 2020 in 40 regio's ten minste 25% boven het EU-gemiddelde zal liggen, hetgeen naast de pensioenen en gezondheidszorgstelsels tot grote uitdagingen op het gebied van de ouderenzorg en de omvang en het opleidingsniveau van de beroepsbevolking zal leiden, alsmede tot veel andere sociale zorgen;
2. wijst op het feit dat de vergrijzing van de Europese maatschappij grote regionale verschillen vertoont en dat achter de nationale gegevens met betrekking tot demografische veranderingen uiteenlopende lokale situaties schuilgaan, waardoor het soms moeilijk is vast te stellen welke infrastructurele behoeften er zijn en welke financiële bijdragen er van de centrale overheid nodig zijn; nodigt de Commissie uit bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de statistische gegevens met betrekking tot demografische tendensen;
3. merkt op dat een hogere levensverwachting, lage geboortecijfers en migratie demografische veranderingen teweeg hebben gebracht, met belangrijke verschillen tussen diverse regio's in Europa, met grote verschillen tussen lidstaten, regio's en steden, soms ook in steden;
4. meent dat een hogere levensverwachting een positieve factor is en als zodanig moet worden gezien; verzoekt de EU daarom ervoor te zorgen dat lidstaten waarborgen dat gepensioneerden, , en vooral gepensioneerden die dreigen in armoede te vervallen, zich geen huis kunnen veroorloven of voor zichzelf kunnen zorgen, niet in armoede vervallen;
5. meent dat de recente economische en financiële crisis de situatie van demografische trends in Europa heeft verslechterd, waardoor het moeilijker wordt een oplossing voor het probleem te vinden;
6. erkent echter dat migratie met name voor regio's met een negatief migratiesaldo een kans biedt de negatieve gevolgen van demografische veranderingen tegen te gaan; roept de lidstaten daarom op de integratie van migranten te erkennen als een uiterst belangrijke beleidsmaatregel;
7. merkt op dat een antwoord moet worden gevonden op de demografische veranderingen als we de EU 2020-doelstellingen voor slimme, duurzame en inclusieve groei willen verwezenlijken; in dit kader moet vergrijzing worden gezien als een kans en niet als een last, met structuurfondsen die kansen bieden aan lidstaten, regio's en steden;
8. benadrukt dat demografische veranderingen, met name de vergrijzing, een duidelijke impact hebben op de voorziening van sociale infrastructuur, waaronder pensioenstelsels, verzorgingstehuizen en gezondheidszorg, waarbij regionale autoriteiten moeten voldoen aan de veranderende vraag van verschillende bevolkingsgroepen;
9. is van oordeel dat er indicatoren moeten zijn als aanvulling op het bbp als criteria voor de toewijzing van middelen in het kader van het toekomstig cohesiebeleid van de EU, waarbij vanwege de demografische verandering de afhankelijkheidsgraad van ouderen het belangrijkst is; onderstreept evenwel dat in dit verband ook andere sociale indicatoren van belang zijn en wijst erop dat een groot aantal belangrijke indicatoren genoemd wordt in het EMPL-advies over het verslag 'GDP and beyond – measuring progress in a changing world' (2010/2088(INI), teneinde op doeltreffender wijze op de uitdagingen van Europa te kunnen inspelen;
10. is van mening dat de demografische verandering in alle regio's ernstige gevolgen heeft en verzoekt verschillende aanpassingsstrategieën toe te passen al naargelang of het een immigratieregio of een regio met een bevolkingsafname betreft; is van mening dat de kwaliteit van leven in gebieden waar de bevolking terugloopt, veelal plattelandsgebieden, anders gedefinieerd moet worden dan in gebieden waar de bevolking toeneemt, en dat er dientengevolge behoefte is aan verschillende ondersteunende strategieën;
11. benadrukt dat het Europees Sociaal Fonds moet worden gezien als een essentieel middel ter bevordering van opleidingskansen teneinde de werkgelegenheid, mogelijkheden voor een carrièreswitch en sociale inclusie van vrouwen, jongeren en ouderen te vergroten; pleit ervoor het potentieel van het ESF op dit vlak volledig te benutten;
12. wijst erop dat alle regio's, met inbegrip van regio's met een negatief migratiesaldo, specifieke mogelijkheden hebben op verschillende gebieden; roept de lidstaten op om bij hun maatregelen de nadruk te leggen op strategieën waarmee deze regio's hun ontwikkelingspotentieel zo optimaal mogelijk kunnen benutten; de ervaring leert dat dit de lokale en regionale economische en sociale actoren kan stimuleren, wat ertoe leidt dat regio's met een negatief migratiesaldo weer aantrekkelijk worden en de migratietrends worden gekeerd; wijst op het belang van het ESF in dit verband en dringt aan op de ontwikkeling van geïntegreerde programma's op regionaal niveau om het EFRO en het ESF onderling én met het GLB beter te laten samenwerken, zodat doeltreffend tegemoet kan worden gekomen aan de ontwikkelingsbehoeften van plattelandsregio's, en is van oordeel dat al het cohesiebeleid resultaatgericht moet zijn, met bijzondere aandacht voor duurzame ontwikkeling, armoedebestrijding, concurrentievermogen, werkgelegenheid en andere doelstellingen van de Europa 2020-strategie; is van oordeel dat bij het cohesiebeleid - met het oog op de continue beoordeling - werkelijk met een resultaatverplichting en meetbare doelstellingen en outputindicatoren moet worden gewerkt; pleit voor een evaluatie van en onderzoek naar de resultaten van de ESF-toewijzing;
13. dringt er in het kader van het ESF op aan de arbeidsomstandigheden en het arbeidsvermogen van ouderen te verbeteren, het langer doorwerken meer te stimuleren en bijscholing voor werknemers te organiseren, zodat tegemoet kan worden gekomen aan de veranderende eisen in het beroepsleven, en dringt erop aan senior ondernemerschap te ondersteunen;
14. middelen uit het ESF moeten worden gebruikt om de ontwikkeling van zorg te ondersteunen, waaronder langdurige ouderenzorg als een nieuwe potentiële sector in de dienstenmarkt en als middel om een hogere arbeidsparticipatie, met name van vrouwelijke mantelzorgers, te bereiken;
15. stelt voor meer gebruik te maken van de kansen die het ESF biedt om lokaal sociaal kapitaal beschikbaar te maken voor lokale diensten die dicht bij de mensen staan, zodat rekening kan worden gehouden met de speciale behoeften van ouderen en ouderen zo lang mogelijk op zichzelf kunnen blijven wonen; wijst er daarnaast op dat regio's met een negatief migratiesaldo maatregelen moeten nemen om zoveel mogelijk een natuurlijke bevolkingssamenstelling te handhaven, waaronder gegarandeerde mogelijkheden voor kinderopvang, een aantrekkelijke onderwijsinfrastructuur en universele toegang tot andere diensten van algemeen belang;
16. dringt aan op het creëren van een gunstig ondernemingsklimaat, met name voor kmo's, door het gebruiken en aanpassen van innovatieve producten en processen;
17. is van oordeel dat interactieve verbanden tussen onderzoeksinstellingen en het zakenleven moeten worden aangemoedigd.
18. is van mening dat perifere regio's vanuit het oogpunt van sociale zaken en de economie niet zouden mogen bestaan, en dat met het oog hierop verschillende beleidsmaatregelen zouden moeten worden genomen, waaronder een beleid dat jongeren aanmoedigt in perifere regio's te blijven wonen of er te gaan wonen en dat de inwoners van deze gebieden in staat stelt in hun levensonderhoud te voorzien; merkt op dat in regio's met een negatief migratiesaldo innovatieve en gedecentraliseerde concepten voor de sociale infrastructuur, naast een hoge mate van actief burgerschap, de kwaliteit van leven verbeteren en factoren zijn die de economische stabiliteit bevorderen, ook onder jongeren; is van oordeel dat de economie en de structuren van de regio's proactief moeten worden hervormd om de gevolgen van de vergrijzing het hoofd te kunnen bieden en dat de regio's waar de vergrijzing het snelst gaat als "proeftuinen" zouden kunnen worden gebruikt voor het experimenteren met en het financieren van innovatieve oplossingen voor regionale problemen die het gevolg zijn van snelle demografische veranderingen, in de wetenschap dat nieuwe sociale en diensteninnovatie op een groot aantal gebieden een "must" is, waaronder:
– verenigbaarheid van werk en gezinsleven, met inbegrip van financiële en toereikende infrastructurele steun en de erkenning van zorgtaken;
– ondersteuning van de werkgelegenheid onder ouderen met behulp van flexibelere arbeidsvoorwaarden;
– een halt toeroepen aan de marginalisatie van de regio's en ontwikkelingsregio's die achterblijven,
– het waarborgen van voldoende hoogwaardig universeel aanbod aan basisdiensten van algemeen belang, waaronder diensten op het gebied van ouderenzorg, aangezien de algemene toegang tot sociale voorzieningen een grondrecht is en het solidariteitsbeginsel ook bij demografische onevenwichtigheden moet worden gehandhaafd;
– verhoging van de productiviteit in de gezondheids- en de ouderenzorg middels het gebruik van ICT,
– ervoor zorgen dat de ouder wordende bevolking gezond en actief blijft, en thuis kan blijven wonen en het potentieel van oudere werknemers, ondernemers en vrijwilligers mobiliseren door hun inzetbaarheid te vergroten en opleiding en onderwijs voor deze groep te bevorderen; de economische participatie en ontwikkeling van vaardigheden van de ouder wordende bevolking waarborgen (bijv. door middel van onderwijs) door een vergaande hervorming van de loopbaanontwikkeling van oudere werknemers vanaf 50 jaar, die momenteel vaak worden gediscrimineerd in wervingsprocedures, onvoldoende toegang hebben tot opleidingen waar zij zich bijv. nieuwe vaardigheden en technologieën eigen kunnen maken, en geen erkenning krijgen voor hun ervaring;
– praktische maatregelen op het niveau van de lidstaten ter bevordering van gezond ouder worden, waaronder: het waarborgen van gelijke toegang voor alle burgers tot elementaire volksgezondheidsdiensten, het verbeteren van de kwaliteit en de veiligheid van medische behandelingswijzen;
– het inspelen op de stadia van achteruitgang in de conditie van ouderen, in combinatie met het aanbieden van relevante educatie, vaardigheden en opleiding om ervoor te zorgen dat ouderen sociaal integreren en dat kwetsbare groepen, zoals migranten, mensen met een handicap en ouderen, kunnen deelnemen aan opleidingen ter verbetering van hun toegang tot IC-technologieën;
– de netto-immigratie bevorderen om de behoeften van de regionale arbeidsmarkt te dekken, daar hooggeschoolde migranten voor sommige sectoren van de regionale economie van levensbelang kunnen zijn;
19. verwelkomt in dit verband het voorstel van de Commissie over het proefproject voor een innovatiepartnerschap inzake actief en gezond ouder worden, dat met de geboden coördinatie de mogelijkheid biedt de genoemde innovaties te ontwikkelen; dringt erop aan de cohesiebegroting flexibeler te maken om nieuwe ideeën en benaderingen te realiseren en ondersteunt experimenten en het nemen van risico's;
20. stelt vast dat in de lopende programmeringsperiode het regionaal en structuurbeleid gebaseerd is op fondsgewijze programma's en is van oordeel dat in de volgende programmeringsperiode de maatregelen van de structuurfondsen op passend regionaal niveau moeten worden geïntegreerd in één programmeringsdocument;
21. vraagt aandacht voor het feit dat het noodzakelijk is overheidsmiddelen uit te trekken voor gezinnen met kleine kinderen en grote gezinnen, met name voor de levering van kinderopvangdiensten en de bescherming van alleenstaande moeders en eenoudergezinnen die een groter risico lopen op sociale uitsluiting en armoede; onderstreept dat deze toelagen het algemeen belang dienen en bijdragen aan het creëren van werkgelegenheid en de lokale en regionale economische ontwikkeling; verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan voorbeelden van goede praktijken in regio's van sommige lidstaten;
22. beveelt derhalve aan particuliere en overheidsuitgaven gezamenlijk te investeren in kinderopvang en voorschools onderwijs;
23. benadrukt dat het van essentieel belang is dat mensen toegang hebben tot opvang voor kleine kinderen, gehandicapten, ouderen en andere mensen die zorg behoeven, opdat mannen en vrouwen volledig en gelijkwaardig aan de arbeidsmarkt kunnen deelnemen, wat gevolgen zal hebben voor de beschikbaarheid van informele zorg;
24. benadrukt het belang van actief ingrijpen van de overheid, met name door het leveren van sociale voorzieningen van algemeen belang, zowel voor gezinnen en jonge kinderen als voor opvang en de zorg voor ouderen en andere mensen die zorg behoeven;
25. benadrukt dat in de regio's waarin de bevolking afneemt, vrijwilligerswerk en sociale netwerken in hoge mate bijdragen aan de behoeftevoorziening van de lokale bevolking, maar geen vervanging kunnen vormen voor de belangrijke rol die de overheidsinstanties spelen door diensten van algemeen belang in de regio's aan te bieden; is van mening dat deze betrokkenheid van burgers erkend moet worden en dat zij aangemoedigd moeten worden als partners van de lokale politiek te fungeren; onderstreept dat er zo een proces van kennisverbreding op gang komt waardoor een regio in staat wordt gesteld de uitdagingen van de demografische verandering aan te gaan;
26. roept de lidstaten op hun belastingstelsels te hervormen om ervoor te zorgen dat mensen met een onderbroken loopbaan als gevolg van zorg voor kinderen of ouderen niet worden benadeeld voor wat betreft pensioenen en sociale zekerheid;
27. dringt aan op toekomstige ESF-voorschriften die eenvoudiger te beheren zijn en kleine organisaties daarom meer laten profiteren van het fonds en hen in staat stellen sociale innovatieve projecten te ontwikkelen en beheren; roept de Commissie op het fonds voor transnationale pilotprojecten op EU-niveau voor sociale en werkgelegenheidsvraagstukken in het toekomstige ESF uit te breiden om innovatieve regionale, grensoverschrijdende en macroregionale samenwerking te steunen, teneinde te kunnen inspelen op de gemeenschappelijke uitdagingen die het gevolg zijn van demografische veranderingen;
28. beveelt de lidstaten en de Commissie aan een gebruiksvriendelijke website op te zetten waarop de burgers kunnen zien waar de subsidies van het communautair cohesiebeleid in werkelijkheid heengaan en wat ermee wordt bereikt;
29. pleit ervoor de potentiële bijdrage van kwetsbare bevolkingsgroepen aan de kracht van regio's zichtbaarder te maken om zo de sociale cohesie te versterken;
30. pleit voor een nauwe samenwerking tussen de Europese Commissie en de nationale bureaus voor de statistiek, die informatie verstrekken over verschillende onderwerpen waaronder de bevolkingsomvang en het aantal migranten, om gegevens bij te houden en demografische trends te analyseren; op die manier kunnen middelen in Europa beter worden toegewezen op basis van specifieke pluspunten en behoeften.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
14.4.2011
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
41
2
3
Bij de eindstemming aanwezige leden
Regina Bastos, Edit Bauer, Heinz K. Becker, Mara Bizzotto, Philippe Boulland, Milan Cabrnoch, David Casa, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Marije Cornelissen, Tadeusz Cymański, Frédéric Daerden, Karima Delli, Proinsias De Rossa, Frank Engel, Sari Essayah, Richard Falbr, Ilda Figueiredo, Thomas Händel, Marian Harkin, Roger Helmer, Nadja Hirsch, Liisa Jaakonsaari, Ádám Kósa, Patrick Le Hyaric, Veronica Lope Fontagné, Olle Ludvigsson, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Csaba Őry, Siiri Oviir, Rovana Plumb, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Jutta Steinruck, Traian Ungureanu
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
A. overwegende dat gelijkekansenbeleid in aanzienlijke mate kan helpen om het hoofd te bieden aan de demografische ontwikkelingen, met name door de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen en het risico op armoede voor vrouwen en kinderen te beperken;
B. overwegende dat vrouwen langer leven dan mannen en dat het toenemende verschil in levensverwachting oudere vrouwen kwetsbaarder kan maken voor isolatie, afhankelijkheid en armoede;
C. overwegende dat de vergrijzing van de Europese bevolking voor de Europese Unie een van de grootste uitdagingen is op het gebied van volksgezondheid, door de toenemende kosten voor bepaalde chronische ziekten, waarvan sommige vooral vrouwen treffen, en overwegende dat nationale, regionale en lokale autoriteiten een cruciale rol moeten spelen bij het waarborgen van de continuïteit, veiligheid en kwaliteit van de gezondheidszorg en de openbare gezondheidsdiensten;
1. verzoekt de bevoegde EU-, nationale, regionale en lokale autoriteiten in het kader van het cohesiebeleid en in het licht van de Europa 2020-strategie meer werk te maken van een analyse van de doelmatigheid van gendermainstreaming en maatregelen op het gebied van gendergelijkheid in het cohesiebeleid en van de strijd tegen discriminatie, met name in de nieuwe context van de demografische ontwikkeling, die gekenmerkt wordt door een toenemende vergrijzing van de bevolking en aanzienlijke migratiestromen, zowel vanuit derde landen naar de EU als binnen de EU van oost naar west en van het platteland naar stedelijke gebieden, waarbij de aandacht dient uit te gaan naar vrouwen die geconfronteerd worden met sociale uitsluiting;
2. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat alle regionale en plaatselijke autoriteiten in de EU maatregelen op het gebied van gendermainstreaming opnemen in hun financieringsvoorstellen voor de volgende programmeringsperiode van het cohesiebeleid, met het doel de negatieve gevolgen van de demografische verandering te beperken;
3. onderstreept dat het zorgbeleid en het verstrekken van zorgdiensten nauw verband houden met het realiseren van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en benadrukt dat het gebrek aan betaalbare, toegankelijke en kwalitatief hoogstaande zorgdiensten in de meeste EU-landen en het feit dat zorgwerk niet gelijk verdeeld is tussen mannen en vrouwen negatieve gevolgen hebben voor de mogelijkheid van vrouwen om deel te nemen aan alle aspecten van het maatschappelijk, economisch, cultureel en politiek leven;
4. verzoekt de Commissie in de volgende programmeringsperiode van het cohesiebeleid specifieke programma's en projecten op te nemen om in samenwerking metde regionale autoriteiten de actieve participatie van vrouwen in het mkb te bevorderen - wat een rechtstreekse positieve impact kan hebben op de arbeidsparticipatie van vrouwen en kan voorkomen dat jongere generaties van plattelandsgebieden naar stedelijke gebieden of naar het buitenland trekken ("brain drain"), ten einde de bevolkingsafname tegen te gaan;
5. verzoekt de bevoegde EU-, nationale, regionale en lokale autoriteiten, in het kader van hun respectieve bevoegdheden voor de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid, om financiële steunmaatregelen te nemen voor moederschap en kinderopvang, via waardebonnen, bonussen en cheques, en adequate toegang tot kinderverzorging, gezinshulp en gezinstoelagen te bevorderen, en zodanige maatregelen te treffen dat werk en gezin beter gecombineerd kunnen worden, door de instelling van flexibele werktijden voor ouders (op basis van vrije keuze) en voldoende betaalbare en hoogwaardige opvang voor kinderen, ouderen en andere hulpbehoevende personen zodat ouders, met name moeders, hun professionele en familiale taken beter kunnen combineren; onderstreept dat bepaalde landen die op dit gebied passende maatregelen hebben genomen door de mensen een vrije keus te bieden tussen werkelijk gelijkwaardige alternatieven, ten einde zowel de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen als het geboortecijfer te verhogen;
6. pleit er in dit verband voor dat telewerk waar mogelijk moet worden bevorderd, in het kader van ambitieuze wetgeving die de belangen van werknemers en bedrijfsleven op elkaar afstemt;
7. meent dat in het licht van de veranderende demografie in Europa en met het oog op een beter evenwicht tussen werk en privéleven in het kader van het nieuwe cohesiebeleid na 2013 meer financiële steun moet worden verleend aan voorschoolse kinderopvang;
8. benadrukt het toenemende en cruciale belang van de Europese lokale en regionale autoriteiten voor de bevordering van het gelijkekansenbeleid voor mannen en vrouwen om de demografische uitdaging het hoofd te bieden, en moedigt hen aan dit beleid te integreren in hun gedecentraliseerde samenwerkingsprojecten, zodat vrouwen (met name de meest kwetsbare vrouwen, nl. migrantenvrouwen, vrouwen die behoren tot minderheden, gehandicapte vrouwen, vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van gendergeweld, werkloze vrouwen ouder dan 45 jaar, enz.) toegang krijgen tot nieuwe informatietechnologieën en tot microfinanciering voor commerciële activiteiten;
9. verzoekt Eurostat in de regionale menselijke ontwikkelingsindex (HDI) het onzichtbare, niet-betaalde werk als factor op te nemen, uitgesplitst per geslacht, rekening houdend met de drievoudige rol die vrouwen vaak vervullen als moeder, dochter en grootmoeder, als een aanvullend element in de bestaande, zij het nog onvolledige regionale sociale infrastructuur, naar aanleiding van de OESO-studie "Cooking, Caring and Volunteering: Unpaid Work Around the World’(1);
10. wijst op de uitgesproken ongelijke verdeling van de huishoudelijke en gezinstaken tussen vrouwen en mannen, wat vooral vrouwen doet kiezen voor flexibele arbeidsformules of zelfs het opgeven van hun baan, wat niet zonder gevolgen blijft voor de loopbaanontwikkeling van vrouwen, voor de blijvende loonkloof tussen mannen en vrouwen, en voor het opbouwen van pensioenrechten;
11. verzoekt Eurostat indicatoren te ontwikkelen en te bestuderen om de participatie van vrouwen en mannen bij vrijwilligersactiviteiten te meten en op te waarderen, om aldus de bijdrage van vrouwen en mannen aan de sociale cohesie per regio en aan de verbetering van de levenskwaliteit, met name van de armen, zichtbaar te maken;
12. wenst dat de participatie van vrouwen in onbetaalde activiteiten in aanmerking wordt genomen als arbeidservaring, wordt erkend en geen nadelige invloed heeft wat betreft hun rechten op ziektekostenverzekering en ouderdomspensioen;
13. verzoekt de Commissie specifieke initiatieven voor te stellen in het kader van het Europees Jaar van actieve ouderen en solidariteit tussen de generaties, die gewijd zijn aan de activiteiten van vrouwen op latere leeftijd om hun engagement voor de sociale en territoriale cohesie op te waarderen; onderstreept dat het beginsel van solidariteit tussen de generaties een van de sleutelbeginselen is van het Europees sociaal model en derhalve ook van de economische, sociale en territoriale cohesie; dringt aan op maatregelen om soepele pensioenregelingen en deeltijdpensioen te promoten om ouderen aan te moedigen langer op de arbeidsmarkt actief te blijven; vraagt met het oog op de instandhouding van dit beginsel om een actieve aanpak van de overheden op de verschillende niveaus teneinde kwalitatief hoogwaardige sociale diensten van algemeen belang te waarborgen;
14. verzoekt de lidstaten de toereikendheid van de pensioenen te verbeteren door genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden, met name door de genderkloof ten aanzien van loopbaan en beloning weg te werken en door in pensioenregelingen rekening te houden met mantelzorgperiodes;
15. verzoekt de lidstaten en regionale autoriteiten steunmaatregelen te bevorderen die ten goede komen aan gezinnen die de zorg voor hulpbehoevende ouderen op zich nemen;
16. verzoekt de Commissie en de lidstaten intergenerationele opleidings- en onderwijsvormen te promoten, door bijvoorbeeld jonge mensen, scholen en verenigingen te betrekken bij ITC-opleidingsprojecten voor ouderen, of door de vaardigheden van ouderen te ontwikkelen in buitenschoolse projecten;
17. verzoekt de lidstaten en de regionale autoriteiten om de betrokkenheid van ouderen in formele en informele opleidingsactiviteiten en vrijwilligerswerk, en hun actieve deelname aan het gemeenschapsleven te bevorderen en te steunen;
18. verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de gevolgen van de demografische verandering voor de volksgezondheid en passende maatregelen te nemen om het hoofd te bieden aan de stijgende ziektekosten voor mannen en vrouwen, met name door ervoor te zorgen dat kankerscreening voor mannen en vrouwen in regio's waar de volkgezondheidszorg onvoldoende toegankelijk is, gefinancierd kan worden in het kader van de verschillende instrumenten van het cohesiebeleid.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
20.4.2011
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
24
0
5
Bij de eindstemming aanwezige leden
Regina Bastos, Edit Bauer, Emine Bozkurt, Andrea Češková, Marije Cornelissen, Silvia Costa, Edite Estrela, Ilda Figueiredo, Zita Gurmai, Mary Honeyball, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Constance Le Grip, Barbara Matera, Elisabeth Morin-Chartier, Angelika Niebler, Siiri Oviir, Antonyia Parvanova, Raül Romeva i Rueda, Nicole Sinclaire, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Eva-Britt Svensson, Marc Tarabella, Marina Yannakoudakis, Anna Záborská
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Izaskun Bilbao Barandica, Anne Delvaux, Christa Klaß, Katarína Neveďalová, Rovana Plumb
Miranda, V. (2011), Cooking, Caring and Volunteering:Unpaid Work Around the World, OECD Social, Employment and Migration Working Papers No. 116, OECD Publishing.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
6.10.2011
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
36
2
6
Bij de eindstemming aanwezige leden
François Alfonsi, Luís Paulo Alves, Charalampos Angourakis, Catherine Bearder, Jean-Paul Besset, Victor Boştinaru, Philip Bradbourn, Zuzana Brzobohatá, John Bufton, Alain Cadec, Salvatore Caronna, Tamás Deutsch, Rosa Estaràs Ferragut, Brice Hortefeux, Danuta Maria Hübner, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Juozas Imbrasas, María Irigoyen Pérez, Seán Kelly, Mojca Kleva, Ramona Nicole Mănescu, Riikka Manner, Iosif Matula, Erminia Mazzoni, Jan Olbrycht, Markus Pieper, Monika Smolková, Georgios Stavrakakis, Nuno Teixeira, Michail Tremopoulos, Viktor Uspaskich, Lambert van Nistelrooij, Oldřich Vlasák, Kerstin Westphal, Joachim Zeller, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Jens Geier, Lena Kolarska-Bobińska, Maurice Ponga, Elisabeth Schroedter, Patrice Tirolien, Giommaria Uggias, Derek Vaughan, Sabine Verheyen