– gezien zijn resolutie van 23 juni 2011 over het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten(1),
– gezien zijn resolutie van 7 september 2010 inzake billijke inkomens voor de boeren: een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa(2),
– gezien zijn resolutie van 18 januari 2011 over de erkenning van de landbouw als sector die van strategisch belang is voor de voedselzekerheid(3),
– gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over het proteïnetekort in de EU: welke oplossing voor een allang bestaand probleem?(4),
– gezien het voorlopige verlag van de OESO van mei 2011, getiteld "A Green Growth Strategy for Food and Agriculture"(5),
– gezien de cijfers van Eurostat betreffende de prijsindex van landbouwproductiemiddelen (inputkosten) en de prijsindex van landbouwproducten (outputprijzen)(6),
– gezien artikel 349 van het VWEU, waarin een specifieke regeling voor de ultraperifere gebieden vastgelegd is,
– gezien de derde vooruitblik van het Permanent Comité voor onderzoek in de landbouw (SCAR) van de Europese Commissie, getiteld "Sustainable food consumption and production in a resource-constrained world" (februari 2011)(7),
– gezien het "Global Report - Agriculture at a crossroads" van de International Assessment of Agricultural Science and Technology for Development (IAASTD),
– gezien het JRC-rapport uit 2008 getiteld "Low input farming systems: an opportunity to develop sustainable agriculture"(8),
– gezien het JRC-rapport uit 2007 getiteld "Consequences, opportunities and challenges of modern biotechnology in Europe",
– gezien het JRC-rapport uit 2010 getiteld "Compendium of reference methods for GMO analysis",
– gezien het JRC-rapport uit 2010 getiteld "Impacts of the EU biofuel target on agricultural markets and land use: a comparative modelling assessment",
– gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden,
– gezien de op 12 oktober 2011 ingediende wetgevingsvoorstellen voor de hervorming van het GLB (COM(2011)625/3, COM(2011)627/3, COM(2011)628/3, COM(2011)629, COM(2011)630/3, COM(2011)631/3), en het voorstel voor een integrale-GMO-verordening,
– gezien artikel 48 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7-0421/2011),
A. gezien de grote volatiliteit van de landbouwgrondstoffenprijzen en de inputprijzen, die tot toegenomen onzekerheid voor de inkomens en de langetermijninvesteringen in de landbouw heeft geleid, met nog ernstiger gevolgen voor de meest geïsoleerde gebieden, berggebieden, eilanden en ultraperifere gebieden, waar de grote afstand en het insulaire karakter hoge bijkomende kosten met zich meebrengen, die leiden tot een aanzienlijk verlies aan inkomsten voor de landbouwers in die regio's;
B. overwegende dat de totale inputkosten voor de Europese boeren van 2000 tot 2010 gemiddeld met bijna 40% zijn toegenomen, terwijl de outputprijzen met minder dan 25% zijn gestegen, hetgeen blijkt uit cijfers van Eurostat; overwegende dat de stijging van de inputkosten in het eerste decennium van deze eeuw voor energie en smeermiddelen 60% bedroeg, voor kunstmest en bodemverbeteraars bijna 80%, voor diervoeder ruim 30%, voor machines en andere apparatuur rond 36%, voor zaai- en pootgoed bijna 30% en voor gewasbeschermingsmiddelen bijna 13%, en overwegende dat het in dit licht noodzakelijk is de boeren betere mogelijkheden te bieden om goedkoper in te kopen, met name op de wereldmarkten;
C. overwegende dat hogere voedselprijzen niet automatisch leiden tot hogere inkomsten voor de landbouwbedrijven, met name door de snelheid waarmee de inputkosten van de landbouwbedrijven stijgen en het toenemende verschil tussen producenten- en consumentenprijzen;
D. overwegende dat door de toename van de productiekosten en de moeilijkheden om die kosten door te berekenen in de hele distributieketen verscheidene ondernemingen op korte termijn in hun bestaan bedreigd kunnen raken waardoor de productiestructuur in bepaalde lidstaten ten gronde kan gaan, wat de problemen met de handelsbalans, het volume van de invoer en de afhankelijkheid van de volatiliteit van de buitenlandse markten kan aanscherpen;
E. overwegende dat de consument ook schade ondervindt van de huidige situatie, aangezien de producenten er niet in slagen om de exponentiële stijging van de productiefactoren door te berekenen aan de distributiesector, die de stijging op zijn beurt doorberekent aan de consument, met grote winstmarges;
F. overwegende dat de inputprijzen naar verwachting verder zullen stijgen door schaarste, de toenemende vraag naar voedsel vanuit de opkomende economieën en beleidsmaatregelen die het voor de Europese boeren moeilijker maken om toegang te krijgen tot goedkopere diervoeders op de wereldmarkt;
G. overwegende dat de voedselproductie regelmatig kan worden doorkruist door uiteenlopende factoren, zoals de gevolgen van plagen en ziekten, tekorten aan natuurlijke hulpbronnen en natuurrampen;
H. overwegende dat de landbouw in de EU momenteel sterk afhankelijk is van invoer, voornamelijk fossiele brandstoffen maar ook diervoeder en schaarse bodemverbeteraars zoals fosfaat, en dus gevoelig is voor prijsstijgingen; overwegende dat hierdoor de concurrentiepositie van de Europese landbouw, en met name de veehouderij in het gedrang is gekomen;
I. overwegende dat de huidige prijsvolatiliteit een Europese en een mondiale dimensie heeft, waardoor er een specifieke communautaire oplossing moet komen voor de voedselproductieketen, gezien het strategische belang van deze keten binnen de Europese Unie, en dat er op mondiaal niveau gecoördineerde actie moet worden ondernomen door de G20;
J. overwegende dat de EU in toenemende mate afhankelijk is van de productiefactoren die noodzakelijk zijn voor het behoud van de landbouw op het Europese grondgebied; overwegende dat het daarom zaak is die afhankelijkheid snel af te bouwen via investeringen en politieke beslissingen, om zo een grotere autonomie van de EU op het vlak van voedselvoorziening te bewerkstelligen;
K. overwegende dat de EU sterk afhankelijk is van de invoer van fossiele brandstoffen; overwegende dat een efficiënter gebruik van hulpbronnen een centraal element vormt van de Europa 2020-strategie en het stappenplan van de Commissie voor efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa;
L. overwegende dat de landbouwproductie in de EU grotendeels afhankelijk is van aardolie en dat de voedselvoorzieningsketen in hoge mate op de beschikbaarheid en betaalbaarheid van die brandstof aangewezen is; overwegende dat de mondiale olieproductie naar verwachting zal beginnen te dalen met 2 tot 3 % per jaar;
M. overwegende dat stijgingen van de prijs van ruwe olie onvermijdelijk met een toename van de inputkosten van landbouwbedrijven gepaard gaan en tot hogere energie-, voeder- en meststofprijzen leiden, met alle gevolgen van dien voor de mondiale voedselproductie;
N. overwegende dat de productie van landbouwmeststoffen volledig afhankelijk is van de ononderbroken aanvoer van fosfaaterts; overwegende dat de prijs van deze grondstof in 2007/2008 met 800% is gestegen en dat de aanvoer ervan tegen 2033-2035 een piek zou kunnen bereiken, waarna fosfaaterts steeds schaarser zal worden;
O. overwegende dat de kosten voor de veehouderij bovendien stijgen door toenemende fytosanitaire, dierenbeschermings-, milieu-, hygiëne- en voedselveiligheidsvoorschriften, waardoor het concurrentievermogen van Europese producenten verder afneemt in vergelijking met producenten uit derde landen, die niet aan deze strenge eisen hoeven te voldoen;
P. overwegende dat de EU hoge normen heeft vastgesteld op het gebied van voedselveiligheid en de bescherming van mens en milieu, wat gevolgen heeft voor de duur en de kosten van de ontwikkeling van nieuwe methoden en instrumenten, zowel in de toeleverings- als de distributieketen;
Q. overwegende dat de consument door de daling van de koopkracht steeds vaker genoodzaakt is om te kiezen voor producten die van mindere kwaliteit en veiligheid zijn dan EU-producten en die niet traceerbaar zijn, in het bijzonder wanneer het gaat om vleesproducten;
R. overwegende dat van de totale wateraanvoer in Europa gemiddeld 42% voor de landbouw bestemd is (in Griekenland 88%, in Spanje 72% en in Portugal 59%) en dat de kosten van bevloeiing, kanalisatie in wetlandgebieden en afwatering zijn toegenomen teneinde de doeltreffendheid van de irrigatietechnieken te verbeteren, en dat een deel van het voor de landbouw gebruikte water naar de natuurlijke waterkringloop terugvloeit;
S. overwegende dat de koopprijzen en pachtkosten voor landbouwgrond rechtstreeks van invloed zijn op de levensvatbaarheid van de landbouw en op de mogelijkheden voor jonge boeren om zelf een landbouwbedrijf op te zetten;
T. overwegende dat er bij de leveranciers van benodigdheden voor de landbouw van een sterke concentratie sprake is: 75% van de landbouwchemicaliënmarkt is in handen van zes bedrijven en 45% van de zaaigoedmarkt is in handen van slechts drie bedrijven; overwegende dat deze concentratie ertoe bijdraagt dat de prijzen van zaaigoed hoog blijven en de gewasdiversiteit sterk negatief beïnvloedt, en dat de boeren weinig zicht hebben op de prijsontwikkeling; overwegende dat niet alleen bij leveranciers maar ook bij de levensmiddelen(detail)handel sprake is van sterke marktconcentratie, hetgeen tot een extra kostendruk voor de landbouw leidt;
U. overwegende dat de levensvatbaarheid en het concurrentievermogen van kleine bedrijven (kleine gewassen) onevenredig worden geraakt door de juridische en structurele veranderingen in de sector van de landbouwproductiemiddelen en dat een beter inzicht in de gevolgen van dergelijke veranderingen noodzakelijk is;
V. overwegende dat de toename van de kosten voor boeren vooral te wijten is aan de stijgende brandstof-, meststof- en voederprijzen;
W. overwegende dat, gezien de extreme schommelingen in landbouwprijzen in de gehele voedselketen en de daarmee samenhangende financiële speculatie, markttransparantie bij de toelevering mede van groot belang is om tot betere concurrentie en weerstand tegen prijsvolatiliteit te komen;
X. overwegende dat langetermijninvesteringen in een efficiënter beheer van productiemiddelen en hulpbronnen, waaronder energie, bodem en nutriënten, watertechnologie, zaaigoed en landbouwchemicaliën, nodig zijn om de nieuwe economische en ecologische uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, onder meer in het kader van de Europa 2020-strategie; overwegende dat dienstverlening en institutionele verbeteringen en innovaties die van invloed zijn op het productiemiddelengebruik en de attitudes en vaardigheden van de boeren, van cruciaal belang zijn voor de invoering van landbouwmethoden die een efficiënter gebruik van hulpbronnen maken en die duurzaam en innoverend zijn;
Y. overwegende dat de vergisting van drijfmest vanuit een oogpunt van teelttechniek en milieu gewenst is en dat er ook stimulansen geboden moeten worden voor de productie van energie op basis van die biomassa, om tevens bij te dragen tot de duurzaamheid van de landbouwbedrijven;
Z. overwegende dat er in de landbouw aanzienlijke mogelijkheden voor energie- en kostenbesparing zijn door middel van een betere energie-efficiëntie, die verder verbeterd kan worden dankzij lokale duurzame energieopwekking en een optimaal gebruik van hernieuwbare energiebronnen (wind- en zonne-energie, biomassa- en biogasinstallaties, biobrandstoffen, benutting van afval, e.d.);
AA. overwegende dat diversifiëring en wisselbouw tot het indammen van de klimaatverandering kunnen bijdragen en voor een duurzaam het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen kunnen zorgen;
AB. overwegende dat de teelt van peulvruchten en intensivering van de productie op basis van gras van eigen bodem in de EU in een daling van het eiwittekort en een geringere afhankelijkheid van voederimport zouden resulteren en een sterke kostendaling voor de boeren kunnen opleveren, maar geen pasklare oplossing voor de diverse onevenwichtigheden in de toeleveringsketen voor landbouwproductiemiddelen vormen en tevens tot een vermindering van de productie van andere, energie-efficiëntere landbouwgewassen zouden leiden;
AC. overwegende eigen zaaigoed onder bepaalde omstandigheden en voor specifieke gewassoorten een alternatief kan bieden voor handelszaad;
AD. overwegende dat als gevolg van een gebrek aan adequate opslag en adequaat transport aanzienlijke hoeveelheden landbouwgrondstoffen bederven zodat ze moeten worden doorgedraaid en niet meer als levensmiddelen of diervoeders kunnen worden gebruikt (FAO, Global Food Losses And Food Waste, 2011);
Algemene oplossingen
1. verzoekt de Commissie en de lidstaten de inputprijzen transparanter te maken en te garanderen dat de mededingingsregels voor alle schakels van de toeleveringsketen en de distributieketen van de voedingssector gelden en dat aan de naleving de hand wordt gehouden;
2. dringt aan op nadere toetsing en een betere analyse op EU- en internationaal niveau van de economische basisfactoren die ten grondslag liggen aan de stijging van de voedselprijzen, met name de wisselwerking tussen schommelingen in vraag en aanbod en de toenemende wisselwerking tussen bewegingen van energie-, productiemiddelen- en voedingsgrondstoffenprijzen;
3. verzoekt de Commissie haar analyse van de oorzaken van extreme marktfluctuaties te verfijnen en meer inzicht te verschaffen in de wisselwerking tussen speculatie en de landbouwmarkten en tussen de energiemarkten en de prijzen van voedingsgrondstoffen; benadrukt dat dit ingepast moet worden in het streven naar betere regulering en grotere transparantie van de de financiële markten en betere informatie daarover, onder meer in het kader van de komende herziening van de Richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID-richtlijn) en de Richtlijn marktmisbruik;
4. verzoekt de Commissie efficiëntere landbouwmethoden en een beter en duurzaam agrarisch hulpbronnenbeheer te stimuleren met het oog op de totstandbrenging van een stabiele en productieve landbouwsector, terugdringing van inputkosten en nutriëntenverspilling en bevordering van innovatie, efficiënt hulpbronnengebruik, effectiviteit en duurzaamheid in de landbouw; is ervan overtuigd dat dit in het kader van het aangekondigde Europees innovatiepartnerschap voor de productiviteit en duurzaamheid van de landbouw zou kunnen plaatsvinden; benadrukt dat boeren een geïntegreerde aanpak moeten volgen die voor evenwicht zorgt op alle gebieden van de landbouw (productie, milieu, rentabiliteit, sociale dimensie);
5. verzoekt de Commissie een duurzame en productieve landbouw te blijven bevorderen om uitdagingen op milieu- en voedingsgebied het hoofd te kunnen bieden en ervoor te zorgen dat de landbouw rendabel en concurrerend op de wereldmarkt blijft;
6. is ingenomen met het door Eurostat opgezette Europese instrument om de voedselprijzen in het oog te houden en met de oprichting van het Forum op hoog niveau voor een beter werkende voedselvoorzieningsketen, die tevens aandacht moeten besteden aan de toeleveringsketen en meer inzicht moeten verschaffen in de ontwikkeling van de inputprijzen en dienen bij te dragen tot betere outputprijzen; verlangt dat aan het Europees Parlement regelmatig verslag wordt uitgebracht van de gemaakte vorderingen en dat concrete voorstellen worden voorgelegd aan en besproken met het Parlement;
7. meent dat primaire producenten niet volledig kunnen profiteren van verhoogde afzetprijzen omdat zij als het ware klem zitten tussen lage outputprijzen als gevolg van de sterke positie van verwerkers en distributeurs enerzijds, en hoge inputprijzen als gevolg van de toenemende concentratie in de toeleveringsketen anderzijds;
8. verzoekt de Commissie de gevolgen van de EU-wetgeving voor de duurzaamheid en het concurrentievermogen van de Europese landbouw beter in kaart te brengen; meent dat er met name meer aandacht moet worden besteed aan de kosten van naleving van de wetgeving en het effect daarvan op de beschikbaarheid en de prijs van productiemiddelen;
9. dringt er bij de nationale en Europese mededingingsautoriteiten op aan dat zij misbruik van de dominante positie van de agro-industrie, levensmiddelenhandel en leveranciers aanpakken en de Europese antitrustwetgeving toepassen, met name in de meststoffensector, waar boeren enorme moeilijkheden ondervinden als zij termijnaankopen van essentiële meststoffen willen doen; is van mening dat de Europese mededingingsautoriteiten (DG Concurrentie, enz.) derhalve de gehele sector moeten doorlichten om alle mededingingsverstorende praktijken aan te pakken;
10. wijst erop dat er voor alle maatregelen op dit gebied vooraf een objectieve en nauwkeurige definitie nodig is van de begrippen misbruik en oneerlijke en concurrentieverstorende praktijken, zodat ze aan specifieke regelgeving en controles kunnen worden onderworpen;
11. dringt er met klem bij de Commissie op aan dat zij een grondige studie verricht naar de verschillen in benadering tussen de mededingingsautoriteiten en het mededingingsbeleid van de 27 lidstaten en dat zij oplossingen bevordert waarbij alle partners van de voedselproductieketen worden betrokken en die voorkomen dat een dominante positie van een of enkele schakels van de toeleverings- of distributieketen ontstaat, aangezien dit veelal ten koste gaat van de landbouwproducenten;
12. acht het van belang dat er voor deze praktijken een doeltreffend toezichtmechanisme komt, langs bestuursrechtelijke of gerechtelijke weg, dat de Commissie een systeem opzet voor beoordeling en monitoring van de lidstaten, en dat er voldoende afschrikkende en tijdig toegepaste sancties worden ingevoerd;
13. beklemtoont voorts dat er behoefte is aan een Europees systeem voor uitwisseling van goede werkmethoden op het vlak van nutriënten, energie en natuurlijke hulpbronnen en het beheer van andere productiemiddelen om voor een doeltreffender en efficiënter inputgebruik te zorgen;
14. wenst dat er in het kader van het nieuwe GLB specifieke maatregelen komen voor een beter en efficiënter hulpbronnenbeheer en duurzame methoden met het oog op verlaging van het inputverbruik en de inputkosten en versterking van het vermogen van de boeren om zich aan te passen aan prijsschommelingen, zoals maatregelen ter bevordering van korte toeleverings- en voedselketens;
15. is verheugd dat de Commissie meer aandacht besteedt aan de Europese bio-economie; dringt erop aan dat een aanmerkelijk gedeelte van het komende kaderprogramma voor onderzoek bestemd wordt voor research op het vlak van efficiënt gebruik en beheer van agrarische productiemiddelen en efficiëntere landbouwmethoden; benadrukt dat de onderzoeksresultaten door middel van scholing en capaciteitsopbouw voor boeren moeten worden vertaald in praktische verbeteringen van de landbouwproductie; pleit voor betere samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven en boerenorganisaties, die moet uitmonden in concrete toepassingen op dit gebied ter verbetering en vernieuwing van het productiesysteem;
16. verzoekt de Commissie en de lidstaten nader in te gaan op de rol van producentenorganisaties en -coöperaties bij een collectief aankoopbeleid zodat de boeren een sterkere onderhandelingspositie tegenover de leveranciers kunnen verwerven;
17. verzoekt de Commissie boeren en consumenten beter voor te lichten over een efficiënter beheer van energie, water en natuurlijke hulpbronnen in de gehele voedselketen, teneinde verspilling van hulpbronnen en voedsel aanmerkelijk terug te dringen;
18. beseft dat duurzame groei een van de kernprioriteiten van de Europa 2020-strategie is en dat de EU door haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen blootgesteld is aan schokken op de desbetreffende markten; wijst er andermaal op dat deze afhankelijkheid moet worden teruggedrongen door van eindige hulpbronnen over te stappen op alternatieven die betrouwbaar genoeg zijn, en hierbij rekening te houden met het juiste evenwicht tussen handhaving van de voedselproductie en bevordering van energieopwekking;
Energie
19. verzoekt de Commissie en de lidstaten investeringen te stimuleren in energiebesparing en hernieuwbare-energieproductie (wind- en zonne-energie, biomassa, biogas, aardwarmte e.d.) op de boerderij of via lokale partnerschappen met inbreng van partijen ter plaatse (wind- en zonne-energie, biogas, aardwarmte e.d.) met bijzondere aandacht voor afval- en nevenproductengebruik;
20. onderstreept het belang van mestverwerking, wat niet alleen hernieuwbare energie oplevert, maar ook een lagere milieubelasting en een kunstmestvervanger in de vorm van mineralenconcentraat; roept de Commissie op om voor de verwaarding van mest als energiestof de verwerkte mest als kunstmestvervanger in de nitraatrichtlijn te erkennen;
21. verzoekt de Commissie en de lidstaten te voorkomen dat overheidssteun voor biomassa en biobrandstof, waaronder biogas, bijdraagt tot niet vol te houden concurrentie om grondstoffen tussen de voedsel- en de energieproductie, die op duurzame basis moet plaatsvinden;
22. verzoekt de Commissie en de lidstaten de boeren te helpen nieuwe inkomstenbronnen aan te boren door het mogelijk te maken dat hernieuwbare energie en warmte van de boerderij aan private en publieke energiesystemen en -netten wordt toegevoerd;
23. is van oordeel dat efficiënte maatregelen voor energiebesparing en -beheer op de boerderij en op plaatselijke schaal overal in de EU werkzaam moeten zijn via programma's voor plattelandsontwikkeling en de facultatieve vergroeningsmaatregelen van het toekomstige GLB;
24. verzoekt de Commissie een analyse uit te voeren van de energiekosten in de verschillende bestaande teeltsystemen en de daarbij betrokken leveranciers, verwerkende bedrijven en distributiesystemen in verhouding tot de productiviteit en de output, met inachtneming van de energie-efficiëntie en het gebruik van duurzame energiebronnen om de nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden;
Bodemverbeteraars en gewasbeschermingsmiddelen
25. dringt aan op efficiënte maatregelen en stimulansen in het kader van de GLB-hervorming na 2013, zoals gewasdiversificatie, met inbegrip van aanplant van peulvruchten en wisselbouw, afgestemd op de omstandigheden ter plaatse, gelet op de dempende werking op de klimaatverandering, de gunstige uitwerking op bodem- en waterkwaliteit en de kostendaling voor de boeren;
26. verzoekt de Commissie en de Raad voorts om de opname van investeringen in precisielandbouw in een facultatieve Europese lijst van vergroeningsmaatregelen die via het GLB beloond moeten worden, aangezien dergelijke innovatieve praktijken (zoals bodeminspectie m.b.v. GPS) eveneens een gunstig effect hebben op de klimaatverandering, bodem- en waterkwaliteit en landbouwinkomens (dankzij een aanmerkelijke afname van het gebruik van meststoffen, bodemverbeteraars, gewasbeschermingsmiddelen en pesticiden, waardoor de inputkosten voor de boeren zullen dalen);
27. benadrukt dat de landbouw in de EU voor de productie van meststoffen afhankelijk is van de invoer van fosfaaterts, waarvan het merendeel in slechts vijf landen ter wereld wordt gewonnen; verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan deze kwestie;
28. verzoekt de Commissie en de lidstaten hergebruik van nutriënten uit afval (met name fosfor en stikstof), en met name recycling als onderdeel van een cascadeproces na de warmteopwekkingsfase, te bevorderen, met dien verstande dat eerst diepgaand onderzoek naar de gebruiksmogelijkheden moet worden gedaan, dat potentieel schadelijke stoffen op de juiste manier behandeld moeten worden en dat het geheel met strikte controles omgeven moet zijn; benadrukt in dit verband dat drijfmest die voldoet aan de kwaliteitseisen volgens de mestwetgeving en voor hergebruik als meststof bestemd is, geen afval is indien het vooraf in een agrarische biogasinstallatie vergist wordt;
29. verzoekt de Commissie een betere beoordeling te maken van het effect van het wegvallen van gewasbeschermingsmiddelen op het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Europese landbouw en hierbij met name te kijken naar de geschiktheid van de nog beschikbare producten en het effect op de prijzen wanneer minder concurrerende producten verkrijgbaar zijn;
30. verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar oplossingen om de toekomstige levensvatbaarheid van kleine gewassen en beperkte toepassingen te garanderen, waarbij de verenigbaarheid en samenhang met het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden gewaarborgd en waarbij alle deelnemers van de voedselketen worden betrokken;
Diervoeder
31. verzoekt de Commissie andermaal het Parlement en de Raad met spoed een verslag voor te leggen over de mogelijkheden en opties om de eigen EU-productie van eiwithoudende gewassen op te voeren; benadrukt dat het opvoeren van de productie van eiwithoudende gewassen in de EU weliswaar een aantal voordelen zou opleveren, maar waarschijnlijk geen significant effect zou hebben op de invoer van diervoeders uit derde landen; is derhalve van mening dat op korte termijn andere mogelijkheden moeten worden verkend om het eiwittekort in de EU aan te pakken, en wijst met name op de essentiële rol van de soja-import; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat dergelijke maatregelen niet leiden tot een vermindering van de productiviteit of de output waardoor de continuïteit van de voedselvoorziening in gevaar komt;
32. dringt andermaal aan op maatregelen en instrumenten in het nieuwe GLB om steun toe te kennen aan landbouwers die eiwithoudende gewassen verbouwen en aldus het EU-tekort aan eiwithoudende gewassen en de prijsvolatiliteit kunnen helpen terugdringen, landbouwmethoden helpen verbeteren en de bodemvruchtbaarheid bevorderen;
Zaaigoed
33. dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op handhaving van de mogelijkheid van gebruik van op het eigen bedrijf verkregen teeltmateriaal zoals neergelegd in artikel 14, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, wanneer wijziging van deze verordening binnenkort aan de orde is, aangezien deze praktijk economische, culturele en ecologische voordelen kan opleveren en kan bijdragen tot de biodiversiteit in de landbouw; verlangt dat er een eerlijke en evenwichtige toetsing plaatsvindt van het kwekersrecht tegenover de huidige restricties op het gebruik van eigen teeltmateriaal teneinde het regelgevingskader te verbeteren en vereenvoudigen en het juiste evenwicht te vinden tussen de noodzaak van innovatie en behoud en bevordering van gewasdiversiteit alsmede verbetering van de levensstandaard van kleine en middelgrote boeren;
34. wijst op het belang van onderzoek naar de teelt van gewassoorten die hun eigenschappen langdurig behouden en verzoekt de lidstaten en de Commissie dergelijk onderzoek te steunen, naast maatregelen ter bevordering van de teelt van lokale voedergewassen als vlas, triticale, lathyruswikke (Vicia lathyroides), enzovoorts;
35. verzoekt de Commissie te overwegen een Europese zaaigoedbank op te zetten om zaden op te slaan en de genetische verscheidenheid van gewassen te bewaren, het verlies van biodiversiteit tegen te gaan en de diversiteit van de landbouwgewassen te koppelen aan het cultureel erfgoed van de lidstaten;
36. dringt met het oog op de komende wereldconferentie Rio+20 aan op een nieuw EU-initiatief voor behoud, duurzaam gebruik en kwaliteitsmarketing van biodiversiteit in de landbouw teneinde de rentabiliteit in de landbouw te verhogen;
Grond- en pachtprijzen
37. verzoekt de Commissie te onderzoeken welke invloed de stijgende grond- en pachtprijzen op de landbouw in de EU-lidstaten hebben;
38. benadrukt dat de toeslagrechten, voor zover deze gebaseerd zijn op historische waarden of onafhankelijk van de grond verhandelbaar zijn, door beleggers en speculanten tegen opgeblazen prijzen kunnen worden opgekocht om in plaats van de uitoefening van landbouwactiviteiten een andere bron van inkomsten aan te boren; wijst erop dat de hierdoor veroorzaakte verstoringen als een forse kostenpost en belemmering voor startende boeren fungeren; verzoekt de Commissie, het Parlement, de lidstaten en de regio's ervoor te zorgen dat deze problemen in het kader van de GLB-hervorming adequaat worden aangepakt en dat alle boeren die productieve landbouwactiviteiten beogen te ontplooien, in aanmerking komen voor toeslagrechten;
39. verzoekt de Commissie een verslag op te stellen over de gevolgen voor de kostendruk voor landbouwbedrijven van grondgebruik voor infrastructuur, woningbouw en compensatiegebieden;
Water
40. verzoekt de Commissie zich in het kader van de GLB-hervorming en de kaderrichtlijn water te beijveren voor betere bevloeiings-, afwaterings- en wateropslagsystemen voor de landbouw die het water efficiënter gebruiken en tevens de waterretentie van de bodem verbeteren, voor waterwinning in droge streken en afwatering in vochtige streken, om het gebruik van zoet water terug te dringen en daarnaast voorbereid te zijn op veranderende neerslagpatronen door de klimaatverandering;
41. verzoekt de Commissie oplossingen voor het probleem van de afwatering uit te werken en daarbij tevens rekening te houden met factoren als sterke neerslag, lage ligging en stuwwater;
42. wijst de Commissie in dit verband op het gunstige effect dat precisielandbouw heeft op het watergebruik (dankzij monitoring van de bodemgesteldheid m.b.v. GPS en weersvoorspellingen) en verlangt dat investeringen in dergelijke en andere innovatieve oplossingen die het inputgebruik in termen van water, meststoffen en gewasbeschermingsproducten verminderen, worden opgenomen in de lijst van vergroeningsopties in het toekomstige GLB;
43. verzoekt de Commissie en de lidstaten het beheer en de toewijzing van waterrechten te verbeteren en multifunctionele agro-ecosystemen en land-bosbouwsystemen te bevorderen;
44. dringt aan op meer steun voor onderricht aan boeren in efficiënt waterbeheer, afwatering en bevloeiing, met inbegrip van praktische instrumenten voor wateropslag en maatregelen tegen nutriëntenverlies, verzilting en moerasvorming, alsook betere regelingen voor de waterprijzen en waterbeheer op plaatselijk en regionaal niveau, teneinde waterverspilling in te dammen en de inputkosten op den duur te doen dalen; ook moet het toezicht op de leidingen worden gestimuleerd, opdat de productiekosten en de productkwaliteit niet te zeer onder druk komen te staan als gevolg van weglekkend water;
45. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Het Europees Parlement deed in zijn resolutie van 7 september 2010 over billijke inkomens voor de boeren: een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa een aantal aanbevelingen om de problemen in de landbouw op te lossen en de boereninkomens te verbeteren. Het Parlement stelde voor het mededingingsrecht van de EU drastisch te wijzigen en deed aanbevelingen voor nieuwe maatregelen in kader van de hervorming van het GLB in 2020. De Commissie kwam op 23 november 2010 met een nota naar aanleiding van deze resolutie, waarin maatregelen werden aangekondigd.
In dit nieuwe initiatiefverslag wordt ingegaan op de problemen rond de toelevering, en met name de stijging van de kosten in de afgelopen tien jaar op het gebeid van energie, machines, mengvoeder, meststoffen, bestrijdingsmiddelen, zaaigoed en water. Het gaat om de gevolgen voor een aantal productiesectoren en de toenemende afhankelijkheid van boeren van de steeds verder geconcentreerde toeleveringssector. Er worden maatregelen voorgesteld die bij de komende GLB-hervorming hun beslag kunnen krijgen.
De ingrijpende GLB-hervorming die eraan komt moet antwoord geven op een aantal belangrijke uitdagingen voor de boeren. Dit verslag beoogt een analyse te geven van de toeleveringsstructuren en -markten en beleidsopties voor te stellen die ertoe kunnen bijdragen dat boeren de inputkosten terugdringen zodat ze meer autonomie krijgen en hun inkomen stijgt en het hulpbronnengebruik efficiënter en duurzamer wordt.
De rapporteur stelt voor de lidstaten en de Commissie om meer gegevens over input- en productiekosten te vragen, zodat die door een Europese prijzenwaakhond geanalyseerd kunnen worden en op gezette tijden aan de boeren ter beschikking kunnen worden gesteld. Prijsindexcijfers kunnen ook bijdragen tot betere concurrentie in de toeleveringssector, zodat de boeren zich hopelijk kunnen ontworstelen aan de greep van de steeds meer geconcentreerde en steeds machtiger agro-industrie, zowel bij de toelevering als bij de afname.
De boeren hebben voorts behoefte aan steun voor verbetering van de teeltmethoden en verbetering van hun milieuprestaties, om te kunnen voldoen aan de nieuwe eisen die klimaat, milieu en economie stellen. In het kader van de "vergroeningsmaatregelen" van het nieuwe GLB zullen de boeren afgewentelde productiekosten weer moeten internaliseren omwille van een beter beheer van biodiversiteit, water en bodemnutriënten, en zij hebben daar steun bij nodig. Uiteraard zullen de investeringskosten op termijn vruchten afwerpen, zoals een verhoogde weerstand tegen de grillen van het klimaat, een betere bodemgesteldheid en grotere vruchtbaarheid en meer weerstand tegen ziekten. Als de boeren eenmaal hun eigen inputpotentieel beter benutten, zijn ze minder kwetsbaar voor prijsschommelingen.
Het is voorts zaak dat de Commissie maatregelen voorstelt om de boeren aan te sporen de opslag en aankoop van productiemateriaal gezamenlijk te organiseren zodat ze een sterkere onderhandelingspositie verwerven, naar het voorbeeld van de producentenorganisaties aan afnemerszijde. Daarnaast is het zaak de boeren aan te sporen (en te belonen) tot een betere vorm van organisatie met het oog op een beter hulpbronnenbeheer en duurzame methoden om hun kwetsbaarheid voor prijsschommelingen te verkleinen.
De rapporteur voegt hier wel aan toe dat boeren in tal van landen al veel hebben gedaan om de landbouwmethoden te verbeteren en zich onafhankelijker van de leveranciers te maken. Dankzij boerennetwerken is al jaren geleden samenwerking tot stand gekomen tussen publieke en private onderzoeksinstituten en boerenorganisaties (zoals Cedapa en Civam in Frankrijk), waarvan de resultaten ten goede komen aan een veel ruimere agrarische kring. Dergelijke initiatieven en inzet moeten beloond worden door intensievere samenwerking tussen onderzoeksinstituten en boerenorganisaties en lichamen voor plattelandsontwikkeling, en moeten voorts aandacht krijgen bij agrarische dienstverlening en scholingsprogramma's.
De rapporteur wil bij de opzet van de resoluties de onderstaande essentiële inputelementen volgen.
Energie
Uit cijfers van Eurostat en de analyse van de Commissie blijkt dat de kloof tussen input- en productiekosten en de afzetprijzen in veel sectoren zodanig is dat boeren het hoofd niet meer boven water kunnen houden. De energiekosten in de landbouw zijn van 2000 tot 2010 met ongeveer 60% toegenomen, terwijl de afzetprijzen slechts 25% gestegen zijn. Daarbij zijn de algemene stijgingen voor brandstof, gas en elektriciteit inbegrepen.
De rapporteur stelt maatregelen voor om boeren dankzij energie-efficiëntieprogramma's beter in staat te stellen energie te besparen met hun opstallen, landbouwmethoden en vervoer en te investeren in de productie van hernieuwbare energie op de boerderij of op plaatselijke schaal (wind- en zonne-energie, biogas, aardwarmte e.d.).
De rapporteur stelt tevens voor een analyse uit te voeren van de energiehoeveelheden en -kosten in de bestaande teeltsystemen en de daarbij betrokken leveranciers, verwerkende bedrijven en distributiesystemen. Bij de komende GLB-hervorming is het zaak rekening te houden met de energie-efficiëntie en het gebruik van duurzame energiebronnen om de nieuwe uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Daarbij gaat het onder meer om herstel van het evenwicht tussen gewasproductie en veeteelt in verhouding tot de beschikbare energiebronnen en productiesystemen met geringe input, bijv. op basis van gras van eigen bodem of extensieve veehouderij.
Kunstmest en bodemverbeteringsmiddelen
De kosten voor meststoffen en bodemverbeteraars zijn de afgelopen tien jaar gemiddeld verdubbeld. Het gebruik van nitraat en fosfaat brengt specifieke problemen met zich mee, met name uitspoeling wanneer bodem en gewas deze nutriënten onvoldoende kunnen vasthouden.
Daar zijn wel oplossingen voor: verbetering van nutriëntenanalyse en -beheer per boerenbedrijf; besparingen op kunstmestuitgaven door verbetering van bodemvruchtbaarheidsanalyse en -beheer, met name door verbetering van bodemstructuur en humusniveau (waardoor de water- en nutriëntenretentie toeneemt) door organische bemesting, verbetering van de kwaliteit van drijfmest, betere wisselbouwmethoden, bemesting m.b.v. een sleepslangenmachine, direct gevolgd door ondiepe grondbewerking (uit onderzoek blijkt dat in Noord- en West-Europa een besparing 50 kg N per hectare ofte wel 70% van de huidige stikstofgift haalbaar is zonder opbrengstverlies). Uitspoeling van nutriënten, een belangrijke bron van stikstofbelasting van aquatische milieus, en ontwijking van distikstofoxide (NO2) naar de atmosfeer kunnen teruggedrongen worden door toepassing van bepaalde energiegewassen als buffer voor beschermde waterrijke gebieden en langs waterlopen.
Zuiveringsinstallaties van dorpen en steden kunnen als potentiële nutriëntenbron (biogas) gelden, mits de potentieel schadelijke stoffen op afdoende wijze worden verwijderd.
Zaaigoed
De kosten voor zaai- en pootgoed zijn sinds 2000 met gemiddeld 30% gestegen. Dit is ten dele toe te schrijven aan de hoge prijzen van gecertificeerd zaaigoed en het verminderde gebruik van op het boerenbedrijf verkregen zaaigoed. Eigen zaaigoed heeft vele economische en ecologische voordelen: de kosten voor de boer liggen gemiddeld 40% lager dan die van gecertificeerd zaaigoed; de boeren kunnen gewassen kweken die aangepast zijn aan de specifieke condities in hun regio; er zijn veelal minder meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen nodig; en de gewasdiversiteit blijft op peil. Bovendien kunnen de boeren zaaien in de voor hun teeltsituatie geschikte periode en zijn ze niet gebonden aan de leverdata van de zaadbedrijven.
Meer dan de helft van het graanareaal in Europa wordt ingezaaid met eigen zaad (in Polen is dat zelfs 90%), maar in andere sectoren, zoals groenten en fruit, wordt dit onder meer belemmerd door de voorschriften van Verordening 2100/94, die het gebruik van eigen zaad slechts voor 21 gewassen toestaat. De zaadindustrie beschouwt het recht van de boer om eigen zaad te gebruiken als ontheffing van de verordening, en wenst dat die bij de komende herziening wordt afgeschaft.
Gewasbeschermingsmiddelen en andere pesticiden
Gewasbeschermingsmiddelen en andere pesticiden zijn de afgelopen tien jaar gemiddeld bijna 13% in prijs gestegen. Een remedie hiervoor is gelegen in de juiste verhouding koolstof-stikstof in de bodem en verbetering van de bodemstructuur (waardoor het gebruik van pesticiden en herbiciden kan afnemen doordat ziekteverwekkers en onkruid minder voorkomen).
Diervoeder en veterinaire kosten
In de intensieve veehouderij worden diëten met een hoog aandeel geconcentreerd mengvoer toegepast; de daarvoor benodigde oliezaden en eiwitten worden geïmporteerd. De prijzen in deze sector stegen de afgelopen tien jaar met gemiddeld 30%.
In zijn resolutie van maart 2011 over het proteïnetekort in de EU drong het Parlement aan op de totstandbrenging van een kader voor de ontwikkeling van de teelt van eiwitrijke gewassen en peulvruchten in de EU, teneinde het eiwittekort van 70% te verlagen met behulp van voeder uit eigen teelt. Verscheidene peulvruchten komen hiervoor in aanmerking, zoals erwten, veldbonen en lupines.
Vruchtwisseling met gebruikmaking van peulvruchten kan het brandstofverbruik bij de bodembehandeling verminderen, aangezien het humusgehalte en de vochtigheid van de bodem beter behouden blijven, waardoor er minder bewerking nodig is. In een recente studie van het Europees Parlement (PE 438.591) en een studie van de Commissie duurzame ontwikkeling van de Franse regering (december 2009, nr. 15) wordt de besparing op de kosten van meststoffen in Frankrijk op zo'n 100 miljoen euro per jaar geschat.
Opstallen en hernieuwbare energie
De kosten voor de opstallen, uitgezonderd het woonhuis, zijn gemiddeld met 20% toegenomen als gevolg van de gestegen prijzen van bouwmaterialen en het gestegen arbeidsloon. Met name in de veehouderij stijgen de kosten bovendien door hygiëne- en voedselveiligheidsvoorschriften.
In sommige lidstaten zijn boeren aangespoord om te investeren in hernieuwbare energieproductie op het bedrijf, bijv. wind- en zonne-energie en biogas. In Duitsland zijn er bijvoorbeeld op grote schaal zonnepanelen op de daken van opstallen aangebracht, wordt de warmte-isolatie verbeterd en wordt drijfmest gebruikt voor de productie van biogas. De subsidiëring van biogas heeft in bepaalde gevallen echter ook geleid tot biogasinstallaties die op mais en granen werken, waardoor de pachtprijzen zijn gestegen en er beleggers worden aangetrokken die de winsten voor de neus van de boeren wegkapen.
Grond- en pachtprijzen
De pachtprijzen vormen een belangrijke kostenpost in vele agrarische sectoren en lidstaten en moeten als inputkosten gelden. In vrijwel geheel West-Europa zijn de grond- en pachtprijzen tot een zodanig peil gestegen dat de productiecapaciteit, de beschikbaarheid van grond en de agrarische grondwaarde vrijwel niets meer met elkaar te maken hebben. In bepaalde gevallen is dit te wijten aan het oprukken van steden, de landbouwindustrie en het feit dat grond steeds meer in handen van luttele eigenaars is. De rapporteur bepleit een toezichtsysteem voor grondprijzen en beschikbaarheid van grond, met name voor jonge boeren.
Overige goederen en diensten, waaronder water
Gelet op het grote belang van water voor de landbouw is het zaak dat de EU de lidstaten steun geeft bij het beschikbaar stellen van betere wateropslagsystemen voor de landbouw, bijvoorbeeld door verbetering van de waterretentie van de bodem en waterwinning in droge streken, om voorbereid te zijn op veranderende neerslagpatronen door de klimaatverandering.
Daarnaast is verbetering van het beheer en de toewijzing van waterrechten dringend geboden; dat geldt eveneens voor het behoud en de totstandbrenging van multifunctionele agro-ecosystemen en land-bosbouwsystemen teneinde de waterretentiecapaciteit te verhogen.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
Datum goedkeuring
23.11.2011
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
30
1
2
Bij de eindstemming aanwezige leden
John Stuart Agnew, Liam Aylward, José Bové, Luis Manuel Capoulas Santos, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Robert Dušek, Iratxe García Pérez, Sergio Gutiérrez Prieto, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Elisabeth Jeggle, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, George Lyon, Gabriel Mato Adrover, Mairead McGuinness, James Nicholson, Rareş-Lucian Niculescu, Georgios Papastamkos, Marit Paulsen, Britta Reimers, Ulrike Rodust, Czesław Adam Siekierski, Sergio Paolo Francesco Silvestris, Alyn Smith, Marc Tarabella, Janusz Wojciechowski
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)
Luís Paulo Alves, Salvatore Caronna, Spyros Danellis, Giovanni La Via, Astrid Lulling, Maria do Céu Patrão Neves, Valdemar Tomaševski