Procedure : 2010/0248(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0023/2012

Ingediende teksten :

A7-0023/2012

Debatten :

PV 14/02/2012 - 13
CRE 14/02/2012 - 13

Stemmingen :

PV 16/02/2012 - 8.7
PV 16/02/2012 - 8.8
CRE 16/02/2012 - 8.7
CRE 16/02/2012 - 8.8
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0056

VERSLAG     ***
PDF 179kDOC 92k
1 februari 2012
PE 475.761v02-00 A7-0023/2012

over het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

(15975/2010 – C7-0432/2010 – 2010/0248(NLE))

Commissie internationale handel

Rapporteur: José Bové

PR_NLE-CN_art90app

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIESvan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie visserij
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

(15975/2010 – C7-0432/2010 – 2010/0248(NLE))

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–   gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15975/2010),

–   gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (15974/2010),

–   gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0432/2010),

–   gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie visserij (A7-0023/2012),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van het Koninkrijk Marokko.


TOELICHTING

In het kader van het proces van Barcelona, dat in werking trad in 1995, sloot de Europese Unie associatieovereenkomsten met een twaalftal landen ten zuiden van de Middellandse Zee, teneinde de dialoog en de samenwerking met deze landen te versterken en in het gebied voor vrede, veiligheid en welvaart te zorgen.

Mettertijd kwam een andere doelstelling centraal te staan, namelijk het creëren van een vrijhandelszone, met voorop de liberalisering van de handel in landbouwproducten. In 2005 verleende de Europese Raad de Commissie overeenkomstig het stappenplan van Rabat toestemming om met een aantal landen uit het Middellandse Zeegebied te onderhandelen over de voorwaarden voor de liberalisering van de handel in landbouw- en visserijproducten. Het Koninkrijk Marokko was een van die landen.

De associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Marokko trad in 2000 in werking. In december 2010 ondertekende de Raad het document dat, mits goedkeuring van het Parlement, een tweede fase van de liberalisering van de handel in landbouw- en visserijproducten tussen de Europese Unie en Marokko inluidt.

In het licht van wat er in het voorjaar van 2011 gebeurde in Tunesië, Egypte, Libië en Syrië, stelt de rapporteur vast dat de bestaande liberaliseringsovereenkomsten hun vooropgestelde doelen tot dusver niet hebben bereikt. Hij vraagt zich af of het zinvol is door te gaan met een beleid dat de economische belangen van de grote spelers dient, maar geen oog heeft voor de sociale gevolgen voor de bevolking, noch voor de impact op het milieu.

Wat landbouw en visserij betreft, versterkt deze nieuwe overeenkomst de positie van de industriële landbouwbedrijven in de EU en Marokko ten koste van de familiebedrijven en de kleine boerderijen. Heel wat groenten (tomaten, aubergines, courgettes, knoflook, komkommer) en fruit (sinaasappelen, mandarijnen, meloenen, aardbeien) mogen in grotere hoeveelheden worden uitgevoerd tegen verlaagde tarieven. Dit kan het concurrentievermogen van de Europese producenten schaden, en het is evenmin bevorderlijk voor de evenwichtige ontwikkeling van de landbouw in Marokko.

De prijs van fruit en groenten wordt hoofdzakelijk bepaald door de arbeidskosten. Het loon van een Marokkaanse landarbeider bedraagt om en bij de 5 euro per dag. De lonen liggen zo laag omdat de Marokkaanse arbeidswetgeving niet voorziet in een bepaling die landarbeiders in staat stelt zich aan te sluiten bij een vakbond en dus collectieve onderhandelingen aan te knopen.

Een andere verklaring voor de lage lonen is dat er nog steeds kinderarbeid bestaat. Volgens UNICEF "worden in Marokko meer dan anderhalf miljoen kinderen van schoolgaande leeftijd beroofd van hun recht op onderwijs". De organisatie onderstreept dat "niet-schoolgaande kinderen het risico lopen op economische uitbuiting, aangezien ze handwerk of landbouwwerk moeten verrichten in omstandigheden die niet altijd gunstig zijn voor hun gezondheid en hun psychologisch evenwicht".

Vooraleer er sprake kan zijn van de goedkeuring van een handelsovereenkomst met Marokko, moet het land een aantal essentiële voorwaarden vervullen, zoals de erkenning en de inachtneming van vakbondsrechten en de tenuitvoerlegging van een proactief beleid ter bestrijding van kinderarbeid.

Het huidige systeem met de invoerprijzen voor fruit en groenten is niet betrouwbaar. Volgens heel wat producentenorganisaties wordt het systeem omzeild, in het bijzonder met betrekking tot tomaten, en plaatst dit de sector voor grote moeilijkheden. Ondernemers maken gebruik van de gaten in het systeem om de bepalingen betreffende de douanewaarde naar hun hand te zetten en minder invoerrechten op fruit en groenten te betalen. FEPEX, de Spaanse federatie van exporteurs-producenten van fruit en groenten, heeft dit probleem al aangekaart bij de Commissie verzoekschriften van het Parlement.

Pas wanneer de tarieven adequaat worden beschermd en de invoerwaarden naar behoren worden gecontroleerd, kan de verdere openstelling van de markten voor nieuwe quota ter sprake komen.

Sinds 1986 worden de uitvoerquota in Marokko beheerd door de EACCE (autonome instelling voor de controle op en de coördinatie van export), een nationale structuur die vooral de grote exportconcerns met gemengd (in hoofdzaak Marokkaans-Frans) kapitaal bevoordeelt. Wat tomaten betreft, nemen amper drie ondernemingen 70 procent van de uitvoer voor hun rekening. De familiale landbouw profiteert dus nauwelijks van deze overeenkomst.

Het Groene Plan van Marokko streeft naar een op uitvoer gerichte landbouw en tracht daarom buitenlandse investeerders aan te trekken. Deze investeerders krijgen de beste stukken geïrrigeerde landbouwgrond. De middelen voor familiebedrijven en zelfvoorzieningsboerderijen zijn daarentegen ontoereikend, stellen heel wat Marokkaanse prominenten en onderzoekers.

Een tekenend voorbeeld vinden we in de studie die "Invest in MED" uitvoerde in opdracht van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, een programma dat gefinancieerd wordt door de Europese Unie (Survey nr. 14 / april 2010, blz. 83). De resultaten van de studie kunnen dan ook bezwaarlijk ter discussie worden gesteld. Het financieel fonds Tiris Euro Arab uit Abu Dhabi kreeg in ruil voor zijn investering liefst 700 000 hectare land toegewezen voor de aanleg van citrus-, olijf- en groenteplantages rond de stad Guelmin, in het zuiden van Marokko. Dit soort projecten toont aan dat financiële spelers anticiperen op een mogelijke vrijhandelsovereenkomst met Marokko en alvast aan de poorten van de Unie hebben postgevat.

Ook de ecologische balans van de overeenkomst oogt negatief. Het beginsel van de Europese Unie om het milieu te beschermen en het risico op klimaatverandering te beperken, komt op de helling te staan. Volgens een vergelijkend onderzoek van het Franse Nationale Instituut voor landbouwonderzoek is voor de productie van een kilo tomaten in Marokko 100 liter water nodig, tegenover 10 liter in Frankrijk.

De uitvoer van 250 000 ton tomaten staat dus gelijk met het verbruik van 25 miljard m3 water. Het grondwaterpeil in de Souss-regio, het hart van de tomatenteelt, zakt volgens een studie van de Humboldt-universiteit ieder jaar 1 tot 2 meter als gevolg van jarenlange droogte. Het jaarlijkse watertekort bedraagt naar schatting 260 miljoen m3. De tomatenuitvoer is dus verantwoordelijk voor ongeveer 10 procent van dit tekort. Het gebruik van deze steeds schaarsere natuurlijke rijkdom voor exportdoeleinden gaat dus ook ten koste van de plaatselijke zelfvoorzieningslandbouw.

Sinds 2006 zijn in de omgeving van Dakhla (Westelijke Sahara) agro-industriële bedrijven actief die water putten uit de kustbodem. De uitputting van deze reserves zal op termijn de verzilting van het water tot gevolg hebben, wat de watervoorziening van de plaatselijke bevolking in het gedrang kan brengen.

De Commissie heeft zich tot nog toe uitsluitend gebogen over het tarifaire aspect van deze overeenkomst. De sociale, ecologische en economische gevolgen heeft zij niet nader onderzocht. Er is een diepgaande studie nodig voordat het Parlement zich met kennis van zaken kan uitspreken over deze thematiek.

De ondertekening van een vrijhandelsovereenkomst heeft rechtstreekse gevolgen voor de eigen middelen van de communautaire begroting, aangezien de douane-inkomsten wegvallen. De rapporteur betreurt dat de Commissie op dit gebied alleen vage ramingen voorlegt. Hij verzoekt de Commissie zo snel mogelijk een studie uit te voeren en oplossingen voor te stellen met het oog op de integriteit van de begroting van de Unie.

De voorbije maanden heeft de rapporteur herhaaldelijk gevraagd naar het territoriale toepassingsgebied van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Marokko. Verschillende landen, waaronder de Verenigde Staten, hebben er bij de sluiting van vrijhandelsovereenkomsten met Marokko bewust voor gekozen de Westelijke Sahara buiten het toepassingsgebied te houden. Het is immers niet de bedoeling het resultaat te beïnvloeden van de onderhandelingen die de verschillende partijen voeren onder auspiciën van de Verenigde Naties met het oog op een vreedzame oplossing voor het conflict. De Commissie en de Juridische Dienst van het Parlement verschillen van mening over deze kwestie. In het licht daarvan wijst de rapporteur erop dat hij niet kan garanderen dat deze vrijhandelsovereenkomst in overeenstemming is met de internationale verdragen die de Europese Unie en haar lidstaten verbinden.

Overeenkomstig artikel 52 van het Reglement van het Europees Parlement is de rapporteur gehouden mede te delen dat de Commissie internationale handel aanbeveelt om de overeenkomst tussen de Europese Unie en Marokko goed te keuren, ingaand tegen het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en tegen de door de rapporteur in deze toelichting uiteengezette argumenten.


ADVIESvan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (13.7.2011)

aan de Commissie internationale handel

over het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

(15975/2010 – C7-0432/2010 – 2010/0248(NLE))

Rapporteur voor advies: Lorenzo Fontana

PA_Leg_Consent

BEKNOPTE MOTIVERING

Het onderhavige voorstel voor een overeenkomst zal Marokko in staat stellen tot een onmiddellijke liberalisering van 45% (naar waarde) van de importen uit de Europese Unie, terwijl van de kant van de EU 55% van de importen uit Marokko zal worden geliberaliseerd. De overeenkomst voorziet ook in concessies in de sector groenten en fruit, een sector waarin de Marokkaanse producten thans 80% van de in de Europese Unie ingevoerde hoeveelheid vormen.

Bij het goedkeuren van een overeenkomst van dit type stelt men de communautaire markt bloot aan bepaalde risico's vanwege de potentiële negatieve gevolgen voor regio's die zich gespecialiseerd hebben op de verbouw van groeten en fruit. In het licht van de zware crisis die de markt voor deze producten thans doormaakt zou ook een relatief geringe verhoging van de import uit derde landen een oorzaak kunnen vormen voor een nog grotere instabiliteit.

Bijzondere verontrusting is op zijn plaats aangaande het communautaire systeem om controle uit te oefenen op de tijdschema's en tariefcontingenten en deze te doen naleven, want de Marokkaanse handelaars tonen vaak een grote onachtzaamheid op dit gebied, een kwestie die door diverse organisaties in de sector in 2009 en 2010 aan de kaak werd gesteld.

Om de zaak in het kort samen te vatten, kunnen we zeggen dat er een duidelijke onevenwichtigheid bestaat tussen de door de beide partijen toegestane tariefverlagingen.

De hoge communautaire normen op het gebied van milieubescherming, arbeidsvoorwaarden, vakbondsbescherming, antidumpingwetgeving en voedselveiligheid zijn niet van toepassing op de Marokkaanse producten die in de Europese Unie worden ingevoerd.

Met name op het gebied van de natuurbescherming is er sprake van een ernstige benadeling van de Europese producenten vergeleken met de Marokkaanse, vooral op het niveau van de gezondheidsbescherming en de fytosanitaire normen.

Het voorstel voor een verordening voorziet niet in een oplossing van de problemen die inherent zijn aan aanduidingen van oorsprong, een onderwerp dat is doorverwezen naar toekomstige ontwikkelingen, die geopend zullen worden na de inwerkingtreding van de onderhavige overeenkomst.

De kwestie van het gebied van de Westelijke Sahara, waarover om een juridisch advies gevraagd is aan de Juridische Dienst van het Parlement, vereist een genuanceerde beoordeling. Afgezien van de vraag of deze gebieden al dan niet in het akkoord moeten worden opgenomen, is er niets veranderd aan de problematiek van de stelselmatige schending van de mensenrechten. Om tot een werkelijke bescherming te komen, zou de Europese Unie niet ervoor moeten terugschrikken economische en commerciële argumenten op tafel te leggen en de ondertekening van dit soort overeenkomsten afhankelijk te stellen van een daadwerkelijke naleving van de rechten van de mens.

In het onderhavige geval biedt de overeenkomst reeds een reeks problemen op het gebied van de concurrentie, ten gevolge van het grote verschil tussen de arbeidskosten in de Europese Unie en die in Marokko, een land waarvan de landbouwpolitiek gericht is op de ontwikkeling van grootschalige productie voor de export.

Bovendien moeten de productenten in de Europese Unie reeds het hoofd bieden aan grote verhogingen van de contingenten, die voortvloeien uit de overeenkomsten met andere mediterrane landen.

De Europese producenten verkeren in een nadelige positie omdat de Marokkaanse producten, zoals bij voorbeeld tomaten, op de communautaire markt gebracht worden in een andere periode dan de oogsten van de meeste Europese producenten, hetgeen ernstige gevolgen heeft voor de marktsituatie, en in het bijzonder de volatiliteit van de prijzen.

Bovendien zijn wij van mening dat het Parlement in de positie zou moeten worden gesteld - zoals ook bepaald is in het Verdrag van Lissabon - om een grotere bijdrage te leveren aan de werkzaamheden van de Commissie, een bijdrage die tot uitdrukking zou moeten komen in synergie, samenwerking, gezamenlijk zoeken naar oplossingen en uitwisseling van goede praktijken gedurende de gehele wetgevingsprocedure.

Ware dit het geval geweest, dan had de overeenkomst in een evenwichtiger vorm kunnen worden gegoten, en beter geïntegreerd kunnen worden in de hervorming van de door de landbouwers ontvangen prijzen, een vermindering van de verschillen in gezondheidseisen en fytosanitaire praktijken en de opneming van de vereiste clausules op sociaal gebied en ter voorkoming van prijsdumping.

******

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel het Parlement voor te stellen om zijn goedkeuring te weigeren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.7.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

14

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Richard Ashworth, Liam Aylward, José Bové, Luis Manuel Capoulas Santos, Vasilica Viorica Dăncilă, Paolo De Castro, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Lorenzo Fontana, Iratxe García Pérez, Béla Glattfelder, Sergio Gutiérrez Prieto, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Elisabeth Jeggle, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Agnès Le Brun, George Lyon, Gabriel Mato Adrover, Mairead McGuinness, Mariya Nedelcheva, James Nicholson, Georgios Papastamkos, Marit Paulsen, Britta Reimers, Ulrike Rodust, Alfreds Rubiks, Giancarlo Scottà, Czesław Adam Siekierski, Sergio Paolo Francesco Silvestris, Alyn Smith, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Luís Paulo Alves, Salvatore Caronna, Spyros Danellis, Giovanni La Via, Maria do Céu Patrão Neves

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Oreste Rossi


ADVIES van de Commissie visserij (28.9.2011)

aan de Commissie internationale handel

over het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

(15975/2010 – C7-0432/2010 – 2010/0248(NLE))

Rapporteur voor advies: Carmen Fraga Estévez

PA_Leg_Consent

De Commissie visserij verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel het Parlement voor te stellen zijn goedkeuring te verlenen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.9.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

12

8

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Josefa Andrés Barea, Alain Cadec, João Ferreira, Carmen Fraga Estévez, Pat the Cope Gallagher, Marek Józef Gróbarczyk, Carl Haglund, Iliana Malinova Iotova, Werner Kuhn, Isabella Lövin, Gabriel Mato Adrover, Guido Milana, Maria do Céu Patrão Neves, Crescenzio Rivellini, Ulrike Rodust, Struan Stevenson

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Luis Manuel Capoulas Santos, Diane Dodds, Matthias Groote, Raül Romeva i Rueda, Nikolaos Salavrakos

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Iratxe García Pérez


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.1.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

7

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Laima Liucija Andrikienė, María Auxiliadora Correa Zamora, Marielle De Sarnez, Christofer Fjellner, Yannick Jadot, Metin Kazak, Bernd Lange, Emilio Menéndez del Valle, Vital Moreira, Paul Murphy, Cristiana Muscardini, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Niccolò Rinaldi, Helmut Scholz, Peter Šťastný, Gianluca Susta, Keith Taylor, Jan Zahradil, Paweł Zalewski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Amelia Andersdotter, José Bové, George Sabin Cutaş, Mário David, Syed Kamall, Silvana Koch-Mehrin, Inese Vaidere

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Véronique De Keyser, Jutta Haug, Younous Omarjee, Pier Antonio Panzeri, Jean Roatta

Laatst bijgewerkt op: 2 februari 2012Juridische mededeling