Procedure : 2009/0157(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0045/2012

Ingediende teksten :

A7-0045/2012

Debatten :

PV 12/03/2012 - 19
CRE 12/03/2012 - 19

Stemmingen :

PV 13/03/2012 - 8.3
CRE 13/03/2012 - 8.3
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0068

VERSLAG     ***I
PDF 483kWORD 438k
6 maart 2012
PE 441.200v03-00 A7-0045/2012

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring

(COM(2009)0154 – C7-0236/2009 – 2009/0157(COD))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Kurt Lechner

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring

(COM(2009)0154 – C7-0236/2009 – 2009/0157(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2009)0154),

–   gezien artikel 251, lid 2, artikel 61, onder c) en artikel 67, lid 5, tweede streepje, van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0236/2009),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures" (COM(2009)0665),

–   gezien artikel 294, lid 3, en artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 juli 2010(1),

–   gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7- 0045/2012),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(2)*

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, de aanvaarding en tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 81, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)      De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van die ruimte dient de Unie maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, met name wanneer dit nodig is voor de goede werking van de interne markt.

(2)      Overeenkomstig artikel 81, lid 2, onder c), van het Verdrag kunnen deze maatregelen ook regels behelzen die de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen beogen.

(3)      Op zijn bijeenkomst in Tampere op 15 en 16 oktober 1999 heeft de Europese Raad de stelling onderschreven dat het beginsel van wederzijdse erkenning van zowel vonnissen als andere beslissingen van rechterlijke instanties de hoeksteen vormt van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken en de Raad en de Commissie verzocht een programma van maatregelen aan te nemen ter uitvoering van dat beginsel.

(4)      De Commissie en de Raad hebben op 30 november 2000 een gemeenschappelijk programma vastgesteld betreffende maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(4). In dat programma worden maatregelen voor de harmonisatie van collisieregels omschreven die de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen vergemakkelijken, en wordt voorzien in de vaststelling van een instrument inzake testamenten en erfopvolging ▌.

(5)      De Europese Raad, op 4 en 5 november 2004 te Brussel bijeen, heeft een nieuw programma aangenomen, met als titel "Het Haags Programma: versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie"(5).In dat programma wordt gewezen op de noodzaak om ▌een instrument voor kwesties betreffende het erfrecht aan te nemen, waarin met name de volgende kwesties worden behandeld: collisie, rechterlijke bevoegdheid, wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op dit gebied en een Europese erfrechtverklaring ▌.

(5 bis) De Europese Raad heeft tijdens zijn bijeenkomst van 10 en 11 december 2009 te Brussel een nieuw meerjarenprogramma aangenomen met als titel "Het programma van Stockholm - Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger"(6). In dat programma is de Europese Raad van oordeel dat wederzijdse erkenning moet worden uitgebreid tot gebieden waarop dit beginsel nog niet van toepassing is, maar die van groot belang zijn voor het dagelijks leven, zoals erfenissen en testamenten. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de rechtsstelsels, de openbare orde en de nationale traditie van elke lidstaat op dit gebied.

(6)      De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een ▌erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten de burgers van tevoren hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van de erfgenamen en legatarissen, van de andere personen die de erflater na staan en van de schuldeisers van de nalatenschap moeten op een efficiënte manier worden gewaarborgd.

(7)      Om deze doelstellingen te bereiken, moeten in deze verordening voorschriften worden samengebracht inzake rechterlijke bevoegdheid, toepasselijk recht, erkenning of, naar gelang van het geval, aanvaarding, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, alsook inzake een Europese erfrechtverklaring.

(8)      Het toepassingsgebied van deze verordening moet alle civielrechtelijke aspecten van de erfopvolging omvatten, namelijk elke vorm van overgang van goederen, rechten en verplichtingen bij overlijden, ongeacht of het gaat om een vrijwillige overdracht krachtens uiterste wilsbeschikking, dan wel om ▌overgang in het geval van erfopvolging bij versterf.

(8 bis) Deze verordening moet niet van toepassing zijn op inkomenskwesties, noch op bestuursrechtelijke zaken. Daarom moet het nationale recht bepalen hoe bijvoorbeeld belastingen en andere geldelijke verplichtingen van publiekrechtelijke aard worden berekend en voldaan, of het nu gaat om belastingen die de erflater op het moment van overlijden verschuldigd was, dan wel enigerlei belastingen in verband met de erfopvolging die de nalatenschap of de rechthebbenden verschuldigd zijn. Het nationale recht moet tevens bepalen of de overdracht van de goederen van de nalatenschap aan de rechthebbenden bij toepassing van deze verordening of de inschrijving van de goederen van de nalatenschap in het register aan belastingheffing onderhevig zijn.

(8 ter) Deze verordening moet niet van toepassing zijn op andere civielrechtelijke gebieden dan het erfrecht. Omwille van de duidelijkheid moet een aantal kwesties die geacht kunnen worden verband te houden met het erfrecht, uitdrukkelijk buiten het toepassingsgebied van deze verordening worden gehouden.

(8 quater) Derhalve moet deze verordening niet van toepassing zijn op aangelegenheden die verband houden met huwelijksvermogensstelsels, daaronder begrepen de in sommige rechtsstelsels bekende huwelijkscontracten of huwelijkse voorwaarden, voor zover deze geen betrekking hebben op erfopvolging, noch op vermogensstelsels van relatievormen waaraan gevolgen worden verbonden welke vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk. De instanties die overeenkomstig deze verordening een bepaalde erfopvolging behandelen, moeten echter, afhankelijk van de situatie, bij het bepalen van de nalatenschap en de onderscheiden erfdelen van de rechthebbenden rekening houden met de liquidatie van het huwelijksvermogen of het daarmee te vergelijken vermogen van de erflater.

(8 quinquies) Ook aangelegenheden die verband houden met de oprichting, het beheer en de ontbinding van trusts moeten buiten het toepassingsgebied van deze verordening worden gehouden. Dit moet niet worden beschouwd als een algemene uitsluiting van trusts. Bij de oprichting van een trust bij testament of bij de oprichting van een wettelijke trust in het geval van erfopvolging bij versterf, moet op de overgang van de boedelbestanddelen en de aanduiding van de rechthebbenden het op grond van deze verordening op de erfopvolging toepasselijke recht worden toegepast.

(9)      ▌Goederenrechten, belangen en vermogensbestanddelen die anderszins zijn ontstaan of overgedragen dan door erfopvolging, bijvoorbeeld door schenking, moeten eveneens buiten het toepassingsgebied worden gehouden. Het is niettemin het recht dat krachtens deze verordening is aangemerkt als het op de erfopvolging toepasselijke recht, dat moet bepalen of schenkingen of andere vormen van beschikking onder de levenden met goederenrechtelijke werking tijdens het leven, het voorwerp zullen uitmaken van inbreng of inkorting ▌met het oog op de berekening van de erfdelen van de rechthebbenden ▌volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht.

(10)    Op grond van deze verordening moet een recht op onroerende of roerende goederen door erfopvolging tot stand kunnen worden gebracht of kunnen overgaan volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht. De verordening moet echter het beperkte aantal ("numerus clausus") goederenrechten die het nationale recht van bepaalde lidstaten kent onverlet laten. ▌Van een lidstaat mag niet de erkenning worden verlangd van een goederenrecht op een vermogensbestanddeel dat zich in die lidstaat bevindt, als zijn vermogensrecht dat goederenrecht niet kent.

(10 bis) Om de rechthebbenden echter in staat te stellen in een andere lidstaat de rechten te genieten die door erfopvolging zijn ontstaan of op hen zijn overgegaan, moet deze verordening erin voorzien dat een onbekend goederenrecht in overeenstemming wordt gebracht met het meest vergelijkbare goederenrecht van die andere lidstaat. Bij deze aanpassing dient rekening te worden gehouden met de met dat bepaalde goederenrecht nagestreefde doelstellingen en belangen en de eraan verbonden rechtsgevolgen.

           Teneinde het meest vergelijkbare nationale goederenrecht te bepalen, kan de instanties of bevoegde personen van de staat welks recht op de erfopvolging van toepassing is, om nadere informatie over de aard en de rechtsgevolgen van het goederenrecht worden verzocht. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de bestaande netwerken voor justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken, en van alle andere kanalen waarlangs een beter inzicht in het buitenlandse recht te krijgen is.

(10 ter) De aanpassing van onbekende goederenrechten, zoals uitdrukkelijk bepaald in deze verordening, mag geen beletsel vormen voor andere vormen van aanpassing in het kader van de toepassing van deze verordening.

(10 quater) De voorwaarden inzake de inschrijving van een recht op onroerende en op roerende goederen moeten buiten het toepassingsgebied van deze verordening worden gehouden. Wat die wettelijke voorwaarden zijn, hoe er wordt geregistreerd, en welke instanties, zoals het kadaster of een notaris, nagaan of aan alle voorwaarden is voldaan en of de aangeboden of opgemaakte akten voldoen dan wel de noodzakelijke informatie bevatten, moet dus worden bepaald door het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden (voor onroerende goederen de lex rei sitae). De bevoegde instanties kunnen met name nagaan of het recht van de erflater op de goederen uit de nalatenschap die in het ter inschrijving aangeboden document vermeld staan, een recht is dat als zodanig wordt geregistreerd of waarvan anderszins het bewijs wordt geleverd conform het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden.

Om te voorkomen dat akten opnieuw moeten worden opgemaakt, moeten akten die door de bevoegde instanties in een andere lidstaat zijn opgemaakt en op grond van deze verordening worden verspreid, door de registrerende overheid worden aanvaard. De op grond van deze verordening afgegeven Europese erfrechtverklaring moet meer bepaald een geldig document vormen voor de inschrijving van de goederen van de nalatenschap in het register van de lidstaat.

Niettemin moeten de bij de registratie betrokken instanties kunnen verlangen dat de persoon die om registratie verzoekt, in overeenstemming met de wetgeving van de lidstaat waar het register wordt gehouden, aanvullende informatie verstrekt of aanvullende stukken voorlegt, bijvoorbeeld gegevens of documenten in verband met de betaling van afdrachten. De bevoegde instantie zou de persoon die om registratie verzoekt, kunnen mededelen hoe de ontbrekende gegevens of documenten kunnen worden verstrekt.

(10 quinquies) De rechtsgevolgen van de inschrijving van een recht moeten eveneens buiten het toepassingsgebied worden gehouden. Bijvoorbeeld de declaratoire dan wel constitutieve kracht van de inschrijving moet dus worden bepaald door het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden. Indien bijvoorbeeld overgang van een recht op een onroerend goed omwille van de werking erga omnis van de registers of ter bescherming van gerechtelijke schikkingen pas kan plaatsvinden door inschrijving volgens de wet van de lidstaat waar het register wordt gehouden, wordt het tijdstip van overgang dus door die wet bepaald.

(11)     Deze verordening dient de verschillende stelsels te eerbiedigen die in de lidstaten inzake erfopvolging worden toegepast. Voor de toepassing van deze verordening moet de term "gerecht" derhalve ruim worden opgevat, zodat hij niet alleen betrekking heeft op gerechten sensu stricto, die rechterlijke functies vervullen, maar ook op notarissen en registratiebureaus die in sommige lidstaten in bepaalde erfrechtkwesties, evenals rechters, rechterlijke functies vervullen, alsook op notarissen en beoefenaren van juridische beroepen die in sommige lidstaten, handelend op machtiging van de rechter, in een bepaalde erfeniszaak rechterlijke functies vervullen. Alle in deze verordening bedoelde gerechten dienen door de in deze verordening vastgestelde bevoegdheidsregels gebonden te zijn.

           Daarentegen mag de term "gerecht" geen betrekking hebben op de niet-rechterlijke instanties van een lidstaat die volgens het nationale recht bevoegd zijn om erfrechtzaken te behandelen, zoals notarissen in de meeste lidstaten, die veelal geen rechterlijke functies vervullen.

(11 bis) Krachtens deze verordening moeten notarissen de bevoegdheid kunnen uitoefenen die zij in de lidstaten op het gebied van erfrecht hebben. Of notarissen in een bepaalde lidstaat al dan niet door de bevoegdheidsregels van deze verordening gebonden zijn, moet afhangen van de vraag of zij onder het begrip "gerecht" in de zin van deze verordening vallen.

(11 ter) De verspreiding van akten die door notarissen in de lidstaten in erfrechtzaken zijn opgemaakt moet overeenkomstig deze verordening plaatsvinden. Notarissen zijn in de uitoefening van een rechterlijke functie gebonden door de bevoegdheidsregels; de verspreiding van hun beslissingen moet in overeenstemming met de regels inzake erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging geschieden. Buiten de uitoefening van een rechterlijke functie zijn zij niet door de bevoegdheidsregels gebonden; de verspreiding van de door hen opgemaakte authentieke akte moet voldoen aan de voorschriften betreffende dergelijke akten.

(12)    Gelet op de toenemende mobiliteit van de ▌burgers; en teneinde de goede rechtsbedeling in de Europese Unie te waarborgen en ervoor te zorgen dat er een werkelijke band bestaat tussen de erfopvolging en de lidstaat waar de bevoegdheid wordt uitgeoefend, moet deze verordening erin voorzien dat als algemeen aanknopingspunt voor het bepalen, zowel van de bevoegdheid als van het toepasselijke recht, de gewone verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden geldt. Om de gewone verblijfplaats te bepalen, dient de aangezochte instantie zich een oordeel te vormen over alle aspecten die het leven van de erflater in de jaren voor zijn overlijden en op het tijdstip van overlijden hebben gekenmerkt, en daarbij alle relevante feitelijke elementen in beschouwing te nemen, met name de duur en de regelmatigheid van de aanwezigheid van de erflater in de betrokken staat, alsook de omstandigheden van en de redenen voor die aanwezigheid. De aldus vastgestelde gewone verblijfplaats moet, uit het oogpunt van de specifieke doelstellingen van deze verordening, duiden op een hechte en duurzame band met de betrokken staat.

(12 bis) In sommige gevallen kan het bepalen van de gewone verblijfplaats van de overledene een complexe zaak blijken, met name indien de betrokkene om professionele of economische redenen, en soms voor een langere tijd, in een andere lidstaat is gaan wonen en werken, maar een hechte en duurzame band met zijn land van oorsprong heeft onderhouden.

In een dergelijk geval zou, afhankelijk van de omstandigheden, kunnen worden geoordeeld dat de erflater zijn gewone verblijfplaats nog in zijn land van oorsprong had, waar zich het centrum van zijn belangen voor zijn gezins- en sociaal leven bevond. Andere complexe gevallen kunnen zich voordoen als de erflater afwisselend in verschillende lidstaten heeft gewoond of van staat naar staat is gereisd zonder zich voor langere tijd in een ervan te vestigen. Indien de erflater onderdaan van een van deze staten was of in een van deze staten al zijn voornaamste bezittingen had, zou de nationaliteit of de plaats waar deze bezittingen zich bevinden, zwaar kunnen meewegen bij de algehele beoordeling van alle feitelijke omstandigheden.

(12 ter) Voor het bepalen van het op de erfopvolging toepasselijke recht kan de instantie die de erfopvolging behandelt, in uitzonderlijke gevallen - bijvoorbeeld indien de erflater vrij kort voor zijn overlijden naar de staat van zijn gewone verblijfplaats was verhuisd en uit alle omstandigheden blijkt dat hij kennelijk een nauwere band had met een ander land - tot de slotsom komen dat het op de erfopvolging toepasselijke recht niet het recht moet zijn van de staat van de gewone verblijfplaats van de erflater, maar dat van de staat waarmee de erflater de kennelijk nauwere band had. De kennelijk nauwste band mag echter niet als subsidiair aanknopingspunt dienen als de gewone verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van overlijden moeilijk te bepalen is.

(12 quater) Niets in deze verordening mag voor een rechterlijke instantie een beletsel vormen voor de toepassing van mechanismen voor de bestrijding van wetsontduiking, zoals fraus legis, in het kader van het internationaal privaatrecht.

(12 quinquies) De voorschriften van deze verordening zijn opgesteld om ervoor te zorgen dat de instantie die de erfopvolging behandelt, in de meeste gevallen haar eigen recht kan toepassen. In deze verordening worden daarom een aantal mechanismen vastgelegd die in werking treden indien de erflater het recht van de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit heeft gekozen als het recht dat zijn erfopvolging beheerst.

(12 sexies) Een van die mechanismen houdt in dat de bij de erfopvolging betrokken partijen bij overeenkomst kunnen kiezen voor de gerechten van de lidstaat waarvan het recht is gekozen. Deze keuze zou per geval moeten worden gemaakt, en met name worden bepaald door het onderwerp waarop de overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter betrekking heeft, door de omstandigheid dat de overeenkomst tussen alle bij de erfopvolging betrokken partijen moet worden gesloten, of door de omstandigheid dat bepaalde partijen kunnen overeenkomen een gegeven onderwerp voor te leggen aan de rechter van hun keus, mits zijn beslissing geen consequenties heeft voor de rechten van de andere partijen op de nalatenschap.

(12 septies) Een gerecht dat ter zake van erfopvolging ambtshalve bevoegd is, zoals dat in bepaalde lidstaten het geval is, moet de procedure beëindigen indien de partijen de erfopvolging in de lidstaat van de rechtskeuze willen regelen door middel van een buitengerechtelijke schikking.

           Deze verordening mag de partijen niet beletten om, indien het gerecht niet ambtshalve bevoegd is, de erfopvolging door middel van een buitengerechtelijke schikking te regelen, bijvoorbeeld voor een notaris, in een lidstaat naar keuze, indien het recht van die lidstaat dat mogelijk maakt. Dit zou ook het geval moeten zijn als het op de erfopvolging toepasselijke recht niet het recht van die lidstaat is.

(13)    De gerechten van alle lidstaten moeten inzake de erfopvolging op identieke gronden bevoegd kunnen zijn in gevallen waarin de erflater op het tijdstip van overlijden niet zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat had, en daarom moeten de gronden van deze subsidiaire bevoegdheid limitatief, in een hiërarchische volgorde, worden vastgesteld.

(13 bis) Teneinde meer in het bijzonder een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering, dient in deze verordening ook een forum necessitatis te worden opgenomen, waardoor een gerecht van een lidstaat in uitzonderlijke gevallen kennis kan nemen van een geschil dat nauw verbonden is met een derde staat. Een dergelijk uitzonderlijk geval zou zich kunnen voordoen als een procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt, bijvoorbeeld door een burgeroorlog, of als van de rechthebbende redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij in dat land een procedure aanhangig maakt of voert. Het forum necessitatis kan zijn bevoegdheid evenwel alleen uitoefenen als het geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat van het aangezochte gerecht.

(14)    Ten behoeve van de erfgenamen en legatarissen met gewone verblijfplaats in een andere lidstaat dan die waar de erfopvolging wordt of zal worden behandeld, moet in deze verordening worden bepaald dat eenieder die volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht een verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, van een legaat of van een wettelijk erfdeel, of houdende beperking van zijn aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap kan afleggen, deze verklaring kan afleggen voor de gerechten van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats, in de bij het recht van die lidstaat voorgeschreven vorm. Dit mag niet beletten dat dergelijke verklaringen kunnen worden afgelegd voor andere instanties in die lidstaat die krachtens het nationaal recht bevoegd zijn om verklaringen te erkennen. Wie gebruik wil maken van de mogelijkheid verklaringen af te leggen in de lidstaat van de gewone verblijfplaats, moet het gerecht of de instantie die de erfopvolging behandelt, binnen de termijn die in het op de erfopvolging toepasselijke recht is bepaald, ervan in kennis stellen dat er dergelijke verklaringen bestaan.

(14 bis) Wie zijn aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap wil beperken, mag dat niet kunnen doen door middel van een gewone verklaring die wordt afgelegd voor de gerechten of de bevoegde instanties van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats, indien hij volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht bij het bevoegde gerecht een specifieke vordering, bijvoorbeeld een "inventarisprocedure", moet instellen. Derhalve mag in dat geval een verklaring die door iemand in de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats in de aldaar voorgeschreven vorm wordt afgelegd, niet als formeel geldig voor de toepassing van deze verordening worden beschouwd, en mogen de stukken die het geding inleiden op zich niet als verklaringen voor de toepassing van deze verordening worden beschouwd.

(16)    Met het oog op een ordelijke rechtspleging mogen in verschillende lidstaten geen onderling onverenigbare beslissingen worden gegeven. Daarom moet deze verordening voorzien in algemene procedureregels die vergelijkbaar zijn met die welke vervat zijn in andere regelgeving van de Unie inzake samenwerking in civiele zaken.

(16 bis) Een ervan is de litispendentieregel, die in werking treedt wanneer dezelfde erfeniszaak voor gerechten in verschillende lidstaten wordt aangebracht. Deze regel bepaalt welk gerecht de zaak verder behandelt.

(16 ter) Aangezien erfeniszaken in bepaalde lidstaten kunnen worden behandeld door buitengerechtelijke instanties, bijvoorbeeld notarissen, die niet door de bepalingen van deze verordening gebonden zijn, is het niet uit te sluiten dat in verschillende lidstaten een buitengerechtelijke schikking en een gerechtelijke procedure of twee buitengerechtelijke schikkingen betreffende dezelfde erfopvolging naast elkaar voorkomen. In dat geval moeten de betrokken partijen, zodra zij hiervan op de hoogte zijn, de verdere gang van zaken overeenkomen. Bij gebreke van overeenstemming zal de erfopvolging moeten worden behandeld en beslecht door de gerechten die volgens deze verordening bevoegd zijn.

(17)    Om burgers zonder verlies aan rechtszekerheid te laten profiteren van de voordelen van de interne markt, moet deze verordening het hun mogelijk maken van tevoren het recht te kennen dat op hun nalatenschap van toepassing zal zijn. ▌Geharmoniseerde collisieregels moeten worden vastgesteld om te voorkomen dat tegenstrijdige beslissingen worden gegeven. De hoofdregel moet ervoor zorgen dat de erfopvolging op voorzienbare wijze wordt beheerst door een rechtsstelsel waarmee zij nauw verbonden is. Dat rechtsstelsel moet, ter wille van de rechtszekerheid en om versnippering van de nalatenschap te voorkomen, de gehele nalatenschap beheersen, dat wil zeggen alle bestanddelen ervan, ongeacht hun aard en ongeacht de vraag of ze zich in een andere lidstaat dan wel in een derde staat bevinden.

(18)    Deze verordening moet de burgers de mogelijkheid bieden om van tevoren de erfopvolging te regelen door de keuze van het op hun nalatenschap toepasselijke recht. Deze keuze moet worden beperkt tot het recht van een staat waarvan zij de nationaliteit hebben, zodat er een band is tussen de erflater en het gekozen recht en een recht niet wordt gekozen met het specifieke oogmerk de erfgenamen die recht hebben op een wettelijk erfdeel te kort te doen in hun legitieme verwachtingen.

(18 bis) Rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan bij verklaring in de vorm van een uiterste wilsbeschikking of blijkt uit de bewoordingen van die beschikking. De rechtskeuze zou kunnen worden geacht uit een uiterste wilsbeschikking te blijken indien bijvoorbeeld de erflater daarin heeft verwezen naar bepaalde rechtsregels van de staat van zijn nationaliteit of dat recht anderszins heeft genoemd.

(18 ter) In het kader van deze verordening moet rechtskeuze ook geldig zijn als het gekozen recht niet in rechtskeuze ter zake van erfopvolging voorziet. De materiële geldigheid van de rechtskeuze, oftewel de vraag of de rechtskeuze geacht kan worden willens en wetens te zijn gemaakt, moet evenwel beheerst worden door het gekozen recht. Hetzelfde dient te gelden voor de handeling waarbij de rechtskeuze wordt gewijzigd of herroepen.

(18 quater) Voor de toepassing van deze verordening moet de vaststelling van iemands nationaliteit of meervoudige nationaliteit als prejudiciële kwestie worden behandeld. Het vaststellen dat een persoon een onderdaan van een bepaalde staat is, valt buiten het toepassingsgebied van deze verordening en geschiedt volgens het nationale recht, alsook, indien van toepassing, internationale verdragen, met dien verstande dat de algemene beginselen van de Europese Unie ten volle moeten worden geëerbiedigd.

(18 quinquies)           Het recht dat is aangewezen als het op de erfopvolging toepasselijke recht, moet de erfopvolging beheersen vanaf het openvallen van de nalatenschap totdat de eigendom van de boedelbestanddelen op de rechthebbenden is overgegaan, zoals in dat recht is bepaald. Het moet mede betrekking hebben op het beheer van de boedel, en de aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap. Afhankelijk van met name het op de erfopvolging toepasselijke recht, is het mogelijk dat bij de betaling van de schulden van de nalatenschap rekening gehouden wordt met een bepaalde rangorde van de schuldeisers.

(18 sexies) De jurisdictieregels krachtens deze verordening kunnen er in bepaalde gevallen toe leiden dat een gerecht dat bevoegd is om uitspraak over de erfopvolging te doen, niet het recht van zijn eigen staat toepast. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet in een lidstaat waarvan het recht bepaalt dat er een beheerder moet worden benoemd, moet deze verordening toestaan dat de gerechten van die lidstaten een of meer beheerders volgens hun eigen recht benoemen. Dit mag niet beletten dat partijen ervoor kiezen de erfopvolging door middel van een buitengerechtelijke schikking te regelen in een andere lidstaat waar dat wettelijk mogelijk is. Omwille van een soepele coördinatie tussen het op de erfopvolging toepasselijke recht en het recht van de lidstaat van het behandelend gerecht, moet het gerecht de persoon of personen tot beheerder benoemen die volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht bevoegd zouden zijn de nalatenschap te beheren, zoals bijvoorbeeld de executeur-testamentair of de erfgenamen zelf of, indien het op de erfopvolging toepasselijke recht dat verlangt, een derde-beheerder. Het gerecht mag echter in bepaalde gevallen, wanneer het recht van zijn lidstaat zulks verlangt, een derde-beheerder benoemen, ook als het op de erfopvolging toepasselijke recht daarin niet voorziet. Wanneer de erflater een executeur-testamentair heeft aangewezen, kunnen diens bevoegdheden hem niet worden ontnomen tenzij het op de erfopvolging toepasselijke recht in de beëindiging van diens mandaat voorziet.

(18 septies) De bevoegdheden van de in de lidstaat van het aangezochte gerecht benoemde beheerders moeten dezelfde zijn als die waarover zij volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht beschikken. Wanneer bijvoorbeeld de erfgenaam tot beheerder is benoemd, moet hij dus over de beheersbevoegdheden beschikken die het toepasselijke recht een erfgenaam toekent. Wanneer de beheersbevoegdheden uit hoofde van het op de erfopvolging toepasselijke recht onvoldoende zijn voor de bescherming van de goederen van de nalatenschap of van de rechten van de schuldeisers of andere personen die borg stonden voor de schulden van de erflater, kunnen de in de lidstaat van het aangezochte gerecht benoemde beheerders met het oog daarop op residuele basis beheersbevoegdheden uitoefenen waarin het recht van die lidstaat voorziet. Dergelijke restbevoegdheden zijn bijvoorbeeld: het opmaken van een lijst van goederen en schulden van de nalatenschap, de schuldeisers in kennis stellen van het openvallen van de nalatenschap en hen uitnodigen hun vorderingen bekend te maken, en het nemen van voorlopige of bewarende maatregelen om de goederen van de nalatenschap te beschermen. De handelingen van een beheerder uit hoofde van de restbevoegdheden moeten in overeenstemming zijn met het op de erfopvolging toepasselijke recht wat betreft de overdracht van de eigendom van goederen van de nalatenschap, met inbegrip van enigerlei schikking met de rechthebbenden vóór de benoeming van de beheerder, de aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap en de rechten van de rechthebbenden, waaronder, indien van toepassing, het recht om de erfenis te aanvaarden of verwerpen. Dergelijke handelingen kunnen bijvoorbeeld slechts dan overdracht van goederen of betaling van schulden omvatten als het op de erfopvolging toepasselijke recht dat toelaat. Wanneer de benoeming van een derde-beheerder overeenkomstig het op de erfopvolging toepasselijke recht de aansprakelijkheid van de erfgenamen wijzigt, dient deze wijziging te worden geëerbiedigd.

(18 octies) Deze verordening mag schuldeisers of hun vertegenwoordigers niet beletten nadere, door het nationale recht geboden maatregelen te nemen, in overeenstemming met de regelgeving van de Unie, teneinde hun rechten te beschermen.

(18 nonies) Deze verordening moet mogelijk maken dat potentiële schuldeisers in andere lidstaten waar zich goederen van de nalatenschap bevinden, informatie krijgen over het openvallen van de nalatenschap. Daarom moet worden overwogen of bij de toepassing van deze verordening een mechanisme kan worden gecreëerd, wellicht via het e-justitie-portaal, om potentiële schuldeisers in andere lidstaten inzage in de desbetreffende documentatie te geven zodat zij hun vorderingen bekend kunnen maken.

(18 decies) Het op de erfopvolging toepasselijke recht moet bepalen wie de rechthebbenden met betrekking tot een gegeven nalatenschap zijn. Onder "rechthebbenden" zal in de meeste rechtsstelsels worden verstaan de erfgenamen, de legatarissen en de personen die recht hebben op een wettelijk erfdeel, al is bijvoorbeeld de rechtspositie van de legatarissen niet in alle rechtsstelsels dezelfde. In sommige rechtsstelsels kan de legataris een rechtstreeks erfdeel ontvangen terwijl hij elders alleen een vordering op de erfgenamen kan krijgen.

(18 undecies) Voor de rechtszekerheid ten behoeve van personen die de vererving van hun nalatenschap willen plannen, moet in deze verordening een specifieke collisieregel betreffende de toelaatbaarheid en de materiële geldigheid van uiterste wilsbeschikkingen worden opgenomen. Eenvormige toepassing van deze regel vereist dat in deze verordening de elementen worden opgesomd die de materiële geldigheid uitmaken. De toetsing van een uiterste wilsbeschikking op haar materiële geldigheid kan leiden tot de conclusie dat de uiterste wilsbeschikking rechtens niet bestaat.

(18 duodecies)            De erfovereenkomst is een vorm van uiterste wilsbeschikking waarvan de toelaatbaarheid en acceptatie van lidstaat tot lidstaat verschillen. Om het gemakkelijker te maken dat ten gevolge van een erfovereenkomst verkregen erfrechten in de lidstaten worden aanvaard, moet in deze verordening duidelijk worden aangegeven welk recht van toepassing is op de toelaatbaarheid van zulke overeenkomsten, op de materiële geldigheid, en op de rechtsgevolgen tussen de partijen, met inbegrip van de ontbindingsvoorwaarden.

(18 terdecies) Het recht dat volgens deze verordening van toepassing is op de toelaatbaarheid en de materiële geldigheid van een uiterste wilsbeschikking en, wat erfovereenkomsten betreft, op de rechtskracht tussen de partijen, moet onverlet laten de rechten van eenieder die, op grond van het op de erfopvolging toepasselijke recht, recht heeft op een wettelijk erfdeel of een ander recht dat hem niet kan worden ontnomen door degene wiens nalatenschap in het geding is.

(18 quaterdecies) In de gevallen waarin in deze verordening wordt verwezen naar het recht dat de nalatenschap van degene die bij uiterste wil beschikt, zou hebben beheerst mocht hij zijn overleden op de dag waarop de uiterste wilsbeschikking, naar gelang van het geval, is opgesteld, gewijzigd of herroepen, moet daaronder een verwijzing worden verstaan naar het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de betrokkene of, indien hij op grond van deze verordening een rechtskeuze heeft gemaakt, naar het recht van de staat van de nationaliteit die hij op de datum van de rechtskeuze bezat.

(19)    In deze verordening moet de formele geldigheid van alle schriftelijke uiterste wilsbeschikkingen worden geregeld op een wijze die overeenkomt met de bepalingen van het Haags Verdrag van 5 oktober 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen. De bevoegde instantie die bepaalt of een uiterste wilsbeschikking volgens deze verordening formeel geldig is, moet het oneigenlijk tot stand brengen van een internationaal aanknopingspunt met als oogmerk de regels betreffende de formele geldigheid te omzeilen, buiten beschouwing laten.

(19 bis) Voor de toepassing van deze verordening moeten alle rechtsregels waarbij de toegestane vormen van uiterste wilsbeschikking worden beperkt op grond van bepaalde persoonlijke hoedanigheden van de erflater, zoals zijn leeftijd, als vormvoorschriften worden beschouwd. Dit mag niet aldus worden uitgelegd dat de bekwaamheid van een minderjarige om bij uiterste wil te beschikken wordt bepaald door het recht dat volgens deze verordening de formele geldigheid van een uiterste wilsbeschikking beheerst. Dit recht moet uitsluitend bepalen of een persoonlijke hoedanigheid, bijvoorbeeld minderjarigheid, iemand kan beletten een uiterste wilsbeschikking in een bepaalde vorm op te stellen.

(22)    Uit economische, familiale of sociale overwegingen gelden voor bepaalde onroerende goederen, ondernemingen en andere specifieke categorieën boedelbestanddelen, in de lidstaat waar ze zich bevinden, bijzondere beperkende regels die betrekking hebben of van invloed zijn op de erfopvolging betreffende die boedelbestanddelen. Deze verordening moet de toepassing van deze bijzondere regels verzekeren. Deze uitzondering op de toepassing van het op de erfopvolging toepasselijke recht moet echter strikt worden uitgelegd, zodat zij verenigbaar blijft met de algemene doelstelling van deze verordening. Bijgevolg mogen noch de collisieregels waarbij onroerende goederen aan een ander rechtsstelsel worden onderworpen dan de roerende goederen, noch de bepalingen waarbij een groter wettelijk erfdeel wordt toegekend dan in het rechtsstelsel dat ingevolge deze verordening van toepassing is, worden beschouwd als bijzondere regels die de erfopvolging betreffende bepaalde boedelbestanddelen raken.

(23)    Gevallen waarin niet vaststaat in welke volgorde twee of meer personen zijn overleden wier nalatenschap door verschillende rechtsstelsels wordt beheerst, moeten op eenvormige wijze worden behandeld; om die reden moet in deze verordening worden bepaald dat geen van de overledenen rechten kan laten gelden op de nalatenschap van de andere of de anderen.

(23 bis) In bepaalde omstandigheden kan een nalatenschap onbeheerd blijven. De verschillende rechtsstelsels voorzien hierin op uiteenlopende wijze. In sommige rechtsstelsels bijvoorbeeld kan de staat de onbeheerde nalatenschap als erfgenaam opeisen, ongeacht waar de bestanddelen zich bevinden. In andere rechtsstelsels kan de staat zich slechts de bestanddelen toe-eigenen die zich op zijn grondgebied bevinden. Daarom dient deze verordening een regel te bevatten waarin wordt bepaald dat de toepassing van het op de erfopvolging toepasselijke recht niet mag uitsluiten dat een lidstaat zich op grond van zijn eigen recht de zich op zijn grondgebied bevindende boedelbestanddelen toe-eigent. Om echter te voorkomen dat de schuldeisers van de nalatenschap door deze regel worden benadeeld, dient een uitzondering te worden toegevoegd krachtens welke de schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen kunnen laten voldoen uit alle bestanddelen van de nalatenschap, ongeacht waar deze zich bevinden.

(23 ter) De collisieregels in deze verordening kunnen leiden tot de toepassing van het recht van een derde staat. Indien dat het geval is, moet rekening worden gehouden met de internationaalprivaatrechtelijke rechtsregels van die staat. Als die regels voorzien in terugverwijzing naar het recht van een lidstaat, of naar het recht van een derde staat die zijn eigen erfrecht zou toepassen, moet in het belang van de internationale consistentie deze terugverwijzing worden aanvaard. Terugverwijzing moet echter worden uitgesloten in het geval dat de erflater een rechtskeuze heeft gemaakt voor het recht van een derde staat.

(24)    Met het oog op het algemeen belang moeten de rechterlijke en andere in erfrechtkwesties bevoegde instanties van de lidstaten in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid hebben om ▌specifieke bepalingen van buitenlands recht buiten toepassing te laten, indien toepassing kennelijk onverenigbaar zou zijn met de openbare orde van de betrokken lidstaat. Niettemin mogen de rechterlijke en andere bevoegde instanties de exceptie van openbare orde niet toepassen om het recht van een andere lidstaat buiten toepassing te laten of om te weigeren een gegeven beslissing, een authentieke akte, een gerechtelijke schikking uit een andere lidstaat te erkennen c.q. te aanvaarden of ten uitvoer te leggen, wanneer dat in strijd zou zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name artikel 21, dat elke vorm van discriminatie verbiedt.

(25)    Gelet op de algemene doelstelling van deze verordening, namelijk de wederzijdse erkenning van in de lidstaten gegeven beslissingen in erfrechtzaken, ongeacht of deze beslissingen in contentieuze of niet-contentieuze procedures zijn gewezen, moeten in deze verordening regels betreffende de erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen worden vastgelegd die gelijkaardig zijn aan die welke de Unie reeds op het gebied van de justitiële samenwerking in civielrechtelijke zaken heeft vastgesteld.

(26)    Teneinde rekening te houden met de verschillende erfrechtstelsels in de lidstaten, dient deze verordening de aanvaarding en uitvoerbaarheid in alle lidstaten van authentieke akten in erfrechtzaken te waarborgen.

(26 bis) Authentieke akten dienen in een andere lidstaat dezelfde bewijskracht te hebben als in de lidstaat waar zij zijn verleden, of althans de daarmee meest vergelijkbare bewijskracht. Bij de vaststelling van de bewijskracht, of de meest vergelijkbare bewijskracht, van een bepaalde authentieke akte in een andere lidstaat moet worden gelet op de aard en de reikwijdte van haar bewijskracht in de lidstaat van oorsprong. Het recht van de lidstaat van oorsprong bepaalt derhalve welke bewijskracht aan een bepaalde authentieke akte in een andere lidstaat moet worden toegekend.

(26 ter) De "formele geldigheid" van een authentieke akte moet een zelfstandig concept zijn dat gegevens omvat zoals de echtheid ervan, de vormvereisten, de bevoegdheid van de instantie die de akte opmaakt, en de procedure volgens welke de akte wordt opgemaakt. Hieronder vallen ook de feitelijke door de betrokken instantie in de akte vastgelegde gegevens, bijvoorbeeld het feit dat de genoemde partijen voor haar op de genoemde datum zijn verschenen en de vermelde verklaringen hebben afgelegd. Een partij die de formele geldigheid van een authentieke akte betwist, dient dit te doen voor het bevoegde gerecht van de lidstaat van oorsprong van de authentieke akte, volgens het recht van die lidstaat.

(26 quater) De zinsnede "de in de authentieke akte vastgelegde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen" moet worden uitgelegd als een materieelrechtelijke verwijzing. De in een authentieke akte vastgelegde rechtshandeling kan bijvoorbeeld een overeenkomst tussen partijen over de verdeling van de boedel, maar ook een uiterste wilsbeschikking, erfovereenkomst of andere wilsverklaring zijn. De rechtsbetrekkingen zouden bijvoorbeeld betrekking kunnen hebben op de aanduiding van de erfgenamen en andere rechthebbenden volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht, hun erfdeel, het bestaan van een wettelijk erfdeel, of elke andere regeling volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht. Een partij die de in de authentieke akte vastgelegde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen betwist, dient dit te doen voor de krachtens deze verordening bevoegde gerechten, die hierover moeten oordelen volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht.

(26 quinquies)           Het gerecht van een lidstaat waarbij een tussenvordering wordt ingesteld betreffende de in een authentieke akte vastgelegde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen, moet bevoegd zijn om van die vordering kennis te nemen.

(26 sexies) Een authentieke akte die wordt aangevochten heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van oorsprong geen bewijskracht zolang de zaak niet is beslecht. Indien de zaak zich beperkt tot een specifiek punt betreffende de in de authentieke akte vastgelegde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen, heeft de aangevochten authentieke akte, wat het bestreden punt betreft, in een andere lidstaat dan de lidstaat van oorsprong geen bewijskracht zolang de zaak niet is beslecht. Een authentieke akte die op daartoe strekkende vordering nietig is verklaard, heeft niet langer bewijskracht.

(26 septies) De instantie die in het kader van de toepassing van deze verordening twee onverenigbare authentieke akten voorgelegd krijgt, moet beoordelen welke in voorkomend geval, gelet op de omstandigheden, de voorrang heeft. Indien uit de omstandigheden niet blijkt welke authentieke akte in voorkomend geval de voorrang heeft, moet de zaak worden beslecht door de krachtens deze verordening bevoegde gerechten of, indien de vraag bij tussenvordering wordt opgeworpen, door het aangezochte gerecht. In geval van onverenigbaarheid van een authentieke akte en een beslissing moet rekening worden gehouden met de bij deze verordening bepaalde weigeringsgronden.

(27)    Een snelle, gemakkelijke en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie impliceert dat de erfgenamen, de legatarissen, de executeurs-testamentair en de beheerders van de nalatenschap eenvoudig hun positie en/of rechten en bevoegdheden moeten kunnen aantonen in een andere lidstaat, bijvoorbeeld een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden. Om dit te verwezenlijken, moet bij deze verordening worden voorzien in de instelling van een eenvormige verklaring, de Europese erfrechtverklaring (hierna "de erfrechtverklaring"), die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt. In verband met het subsidiariteitsbeginsel mag de erfrechtverklaring niet in de plaats treden van interne documenten met gelijke strekking in de lidstaten ▌.

(27 bis) De instantie die de erfrechtverklaring afgeeft, moet de formaliteiten die vereist zijn voor de registratie van onroerende goederen in de lidstaat waar het register wordt gehouden, in acht nemen. Daartoe moet deze verordening voorzien in uitwisseling van informatie over die formaliteiten tussen de lidstaten.

(27 ter) Het gebruik van de erfrechtverklaring mag niet verplicht worden gesteld. Dit betekent dat wie een erfrechtverklaring mag aanvragen, hiertoe niet verplicht is, maar vrijelijk gebruik kan maken van de andere instrumenten die hem op grond van deze verordening ter beschikking staan (beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen). Een persoon of instantie die een in een andere lidstaat afgegeven erfrechtverklaring overgelegd krijgt, moet kunnen vragen dat in plaats daarvan een beslissing, authentieke akte of gerechtelijke schikking wordt verstrekt.

(27 quater) De erfrechtverklaring dient te worden afgegeven in de lidstaat waarvan de gerechten op grond van deze verordening bevoegd zijn. Welke instanties bevoegd zijn voor de afgifte van de erfrechtverklaring, hetzij gerechten in de zin van deze verordening, hetzij andere in erfrechtkwesties bevoegde instanties, bijvoorbeeld notarissen, moet door elke lidstaat intern worden bepaald. Elke lidstaat moet tevens zelf bepalen of de instantie die de erfrechtverklaring afgeeft andere bevoegde instanties bij de afgifte kan betrekken, bijvoorbeeld instanties die bevoegd zijn om een verklaring op erewoord in plaats van een verklaring onder ede af te nemen. De lidstaten moeten de Commissie de nodige informatie verstrekken betreffende de instanties die de erfrechtverklaring afgeven, zodat deze informatie kan worden bekendgemaakt.

(27 quinquies)           De erfrechtverklaring moet in alle lidstaten dezelfde rechtsgevolgen hebben. De erfrechtverklaring moet niet een zelfstandige executoriale titel zijn, maar moet bewijskracht hebben en moet worden geacht nauwkeurig aan te geven welke elementen zijn vastgesteld krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht of krachtens een ander rechtsstelsel dat van toepassing is op bepaalde elementen, bijvoorbeeld de materiële geldigheid van een uiterste wilsbeschikking. De bewijskracht van de erfrechtverklaring mag zich niet uitstrekken tot elementen die door deze verordening niet geregeld worden, zoals verwantschapskwesties en de vraag of een bepaald goed eigendom van de erflater was. Hij die betalingen verricht of goederen uit de nalatenschap overdraagt aan iemand die in de erfrechtverklaring wordt aangeduid als gerechtigd om de betaling of het goed als erfgenaam of legataris in ontvangst te nemen, moet afdoende worden beschermd indien hij, op basis van de in de erfrechtverklaring bevestigde informatie, te goeder trouw heeft gehandeld. Deze bescherming moet ook worden verleend aan hem die, zich beroepend op de nauwkeurigheid van de in de erfrechtverklaring geattesteerde informatie, goederen uit de nalatenschap koopt of ontvangt van iemand die in de erfrechtverklaring wordt aangeduid als gerechtigd over die goederen te beschikken. De bescherming moet worden verleend als geldige afschriften worden overgelegd. Of de derde persoon de goederen werkelijk heeft verkregen, moet niet in deze verordening worden geregeld.

(27 sexies) De bevoegde instantie verschaft de erfrechtverklaring op verzoek. Het origineel van de erfrechtverklaring moet onder de instantie van afgifte blijven; zij moet een of meer gewaarmerkte afschriften ervan verstrekken aan de aanvrager en aan eenieder die een rechtmatig belang aantoont. Dit mag niet beletten dat een lidstaat, overeenkomstig de nationale regels inzake het recht van toegang van het publiek tot documenten, toestaat dat inzage wordt verleend in afschriften van de erfrechtverklaring.

           Deze verordening moet voorzien in de mogelijkheid van beroep tegen beslissingen van de instantie van afgifte, zoals weigering van afgifte. Wanneer een verklaring wordt gecorrigeerd, gewijzigd of ingetrokken, stelt de instantie van afgifte eenieder die gewaarmerkte afschriften heeft ontvangen, daarvan in kennis teneinde onrechtmatig gebruik van een gewaarmerkt afschrift te voorkomen.

(28)    In verband met de internationale verplichtingen van de lidstaten moet de toepassing van de internationale verdragen waarbij een of meer lidstaten op het tijdstip van vaststelling van deze verordening partij zijn, onverlet worden gelaten. Met name wat betreft de formele geldigheid van testamenten en gezamenlijke testamenten, moeten de lidstaten die partij zijn bij het Haags Verdrag van 5 oktober 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen, in plaats van de bepalingen van deze verordening, de bepalingen van dat verdrag kunnen blijven toepassen.

           De coherentie met de algemene doelstellingen van deze verordening vereist evenwel dat deze verordening tussen de lidstaten voorrang heeft boven de verdragen die exclusief tussen twee of meer lidstaten zijn gesloten en betrekking hebben op aangelegenheden die door deze verordening worden beheerst.

(28 bis) Deze verordening dient niet te beletten dat de lidstaten die partij zijn bij het Verdrag van 19 november 1934 tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden, bevattende bepalingen van internationaal privaatrecht betreffende erfopvolging, testamenten en beheer van de nalatenschap, specifieke bepalingen van dat verdrag, zoals herzien bij de intergouvernementele overeenkomst tussen de staten die partij zijn bij dat verdrag, kunnen blijven toepassen.

(29)    Om de toepassing van deze verordening te vergemakkelijken, moet aan de lidstaten de verplichting worden opgelegd om bepaalde gegevens over hun wetgeving en procedures inzake erfrecht mede te delen in het kader van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, dat bij Besluit 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 is opgericht(7). Om het mogelijk te maken dat alle voor de toepassing van deze verordening relevante informatie in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt voordat de verordening van toepassing wordt, dienen de lidstaten deze informatie tevens aan de Commissie mede te delen voordat de verordening van toepassing wordt.

(29 bis) Eveneens met het oog op een vlotte toepassing van deze verordening en op het gebruik van moderne communicatietechnologie, dient te worden voorzien in standaardformulieren voor de verklaringen die zullen worden afgelegd in verband met de aanvraag van een verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing, een authentieke akte of een gerechtelijke schikking, en voor de toepassing van een Europese erfrechtverklaring, evenals voor de erfrechtverklaring zelf.

(29 ter) Bij de berekening van de in deze verordening bepaalde termijnen dient Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden(8) te worden toegepast.

(30)    Aan de Commissie moeten uitvoeringsbevoegdheden worden verleend, zodat deze verordening op eenvormige wijze kan worden uitgevoerd. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(9).

(31)    De raadplegingsprocedure dient te worden gebruikt voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen tot vaststelling en tot wijziging van de verklaringen en de formulieren die in deze verordening zijn vastgesteld, volgens de in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 bedoelde procedure.

(33)    Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het vrije verkeer van personen, de mogelijkheid dat burgers de vererving van hun nalatenschap in Unieverband van tevoren regelen, en de bescherming van de rechten van de erfgenamen en legatarissen en van de personen die de erflater na staan, alsook van de schuldeisers van de nalatenschap, niet afdoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en bijgevolg wegens de betekenis en de consequenties van deze verordening beter op Unieniveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(34)    Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht. Deze verordening moet door de rechterlijke en andere bevoegde instanties van de lidstaten worden toegepast met eerbiediging van deze rechten en beginselen.

(35)    Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, nemen deze lidstaten niet deel aan de aanneming van deze verordening, en is de verordening niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaten. Dat laat onverlet de mogelijkheid dat het Verenigd Koninkrijk en Ierland mededelen dat zij voornemens zijn deze verordening, na de vaststelling ervan, overeenkomstig artikel 4 van genoemd protocol te aanvaarden.

(36)    Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze verordening, die niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk IToepassingsgebied en definities

Artikel 1Toepassingsgebied

1.      Deze verordening is van toepassing op erfopvolging. Zij is niet van toepassing op fiscale zaken, douanezaken en bestuursrechtelijke zaken.

3.      Deze verordening is niet van toepassing op:

(a)    de staat van natuurlijke personen, alsmede de familierechtelijke betrekkingen en de relatievormen waaraan volgens het hierop toepasselijke recht vergelijkbare gevolgen worden verbonden;

(b)    de rechtsbevoegdheid van natuurlijke personen, onverminderd artikel 19, lid 2, onder c) en artikel 19 quater;

(c)    gevallen van verdwijning, vermissing of vermoedelijk overlijden van een natuurlijke persoon;

(d)    aangelegenheden die verband houden met huwelijksvermogensstelsels en met vermogensstelsels van relatievormen waaraan volgens het hierop toepasselijke recht gevolgen worden verbonden welke vergelijkbaar te zijn met die van het huwelijk;

(e)    andere onderhoudsverplichtingen dan die welke ontstaan als gevolg van overlijden;

(e bis) de formele geldigheid van mondelinge uiterste wilsbeschikkingen;

(f)     goederenrechten, belangen en vermogensbestanddelen die anderszins zijn ontstaan of overgedragen dan door erfopvolging, bijvoorbeeld in het geval van schenkingen, ▌gemeenschappelijke eigendom die overgaat op de langstlevende, pensioenregelingen, verzekeringsovereenkomsten en regelingen van soortgelijke aard, onverminderd artikel 19, lid 2, onder j);

(g)    aangelegenheden die vallen onder het recht inzake vennootschappen en andere organisaties met of zonder rechtspersoonlijkheid, zoals clausules in de desbetreffende oprichtingsakten of statuten waarin bepaald is wat de bestemming is van de aandelen van de leden na hun overlijden;

(h)    de ontbinding, de opheffing en de fusie van vennootschappen en andere organisaties met of zonder rechtspersoonlijkheid;

(i)     de oprichting, het beheer en de ontbinding van trusts;

(j)     de kenmerken van goederenrechten en

(j bis)  de inschrijving van rechten op onroerende en op roerende zaken in een register, daaronder begrepen de wettelijke voorschriften voor de inschrijving, alsmede de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan.

Artikel 1 bisBevoegdheid op het gebied van erfopvolging binnen de lidstaten

Deze verordening laat de bevoegdheid van de instanties van de lidstaten ter zake van erfopvolging onverlet.

Artikel 2Definities

1.      In deze verordening wordt verstaan onder

(a) "erfopvolging": de vererving van de nalatenschap; zij bestrijkt elke vorm van overdracht van goederen, rechten en verplichtingen naar aanleiding van een overlijden, ongeacht of het gaat om een vrijwillige overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking, dan wel om overgang in het geval van erfopvolging bij versterf;

(c)    "erfovereenkomst": een met name uit wederkerige testamentaire beschikkingen voortvloeiende overeenkomst die, met of zonder tegenprestatie, rechten op de toekomstige nalatenschap van een of meer partijen bij de overeenkomst in het leven roept, wijzigt of doet vervallen;

(d)    "gezamenlijk testament": een door twee of meer personen opgesteld, in één akte vervat testament ▌;

(d bis) "uiterste wilsbeschikking": een testament, een gezamenlijk testament of een erfovereenkomst;

(e)    " lidstaat van oorsprong": de lidstaat waar, naar gelang van het geval, de beslissing is gegeven, de gerechtelijke schikking is goedgekeurd of getroffen, de authentieke akte is verleden of de Europese erfrechtverklaring is afgegeven;

(f)     "lidstaat van tenuitvoerlegging": de lidstaat waar de uitvoerbaarheid of de tenuitvoerlegging van de beslissing, de gerechtelijke schikking of de authentieke akte wordt gevraagd;

(g)    "beslissing": elke door een gerecht van een lidstaat ter zake van erfopvolging gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming ▌, alsmede de beslissing betreffende de vaststelling door de griffier van het bedrag van de proceskosten;

(g bis) "gerechtelijke schikking": een schikking inzake erfopvolging die door een gerecht is goedgekeurd of tijdens een procedure voor een gerecht is getroffen;

(h)    "authentieke akte": een document inzake erfopvolging dat in een lidstaat formeel als authentieke akte is verleden of geregistreerd en waarvan de authenticiteit:

(i)      betrekking heeft op de ondertekening en de inhoud van de akte; en

(ii)     is vastgesteld door een openbare instantie of door een andere daartoe door de lidstaat van oorsprong gemachtigde instantie.

2.      In deze verordening wordt verstaan onder "gerecht": de rechterlijke instanties en alle andere instanties en beoefenaren van juridische beroepen met bevoegdheid ter zake van erfopvolging die rechterlijke functies vervullen, dan wel handelen op machtiging van of onder controle door een rechterlijke instantie, voor zover zij waarborgen bieden wat onpartijdigheid en het horen van alle partijen betreft, en voor zover hun beslissingen overeenkomstig het recht van de lidstaat waar zij gevestigd zijn:

(a)     in rechte kunnen worden aangevochten of getoetst; en

(b)     dezelfde kracht en dezelfde uitwerking hebben als een beslissing van een rechterlijke instantie over dezelfde aangelegenheid.

De lidstaten stellen de Commissie overeenkomstig artikel 47 in kennis van de in de eerste alinea bedoelde andere instanties en beoefenaren van juridische beroepen.

Hoofdstuk IIBevoegdheid

Artikel 4Algemene bevoegdheid

▌De gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van ▌overlijden zijn gewone verblijfplaats had, zijn bevoegd om uitspraak te doen over de gehele nalatenschap.

Artikel 5 bisForumkeuzeovereenkomst

1.      Indien de erflater, overeenkomstig artikel 17, ten aanzien van de erfopvolging het recht van een lidstaat heeft gekozen, kunnen de betrokken partijen overeenkomen dat een gerecht of de gerechten van de lidstaat van rechtskeuze bij uitsluiting bevoegd zijn om uitspraak te doen over alle de erfopvolging betreffende aangelegenheden.

2.      De forumkeuze geschiedt bij een schriftelijke overeenkomst, die door de betrokken partijen wordt gedateerd en ondertekend. Als schriftelijk wordt eveneens beschouwd elke elektronische mededeling waardoor de overeenkomst duurzaam wordt vastgelegd.

Artikel 5 terOnbevoegdverklaring in het geval van een rechtskeuze

Indien het door de erflater ten aanzien van de erfopvolging overeenkomstig artikel 17 gekozen recht het recht van een lidstaat is, kan het op grond van artikel 4 of artikel 6 aangezochte gerecht:

(a)     op verzoek van een van de rechthebbenden die partij zijn in het geding, zich onbevoegd verklaren indien het van oordeel is dat de gerechten van de lidstaat van rechtskeuze beter geschikt zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging, rekening houdend met de praktische omstandigheden van de erfopvolging, zoals de gewone verblijfplaats van de rechthebbenden en de plaats waar de goederen zich bevinden, of

(b)     zich onbevoegd verklaren indien de rechthebbenden die partij in het geding zijn, zijn overeengekomen een gerecht of de gerechten van de lidstaat van rechtskeuze overeenkomstig artikel 5 bis aan te zoeken.

Artikel 5 quaterBevoegdheid in het geval van een rechtskeuze

De gerechten van een lidstaat waarvan het recht door de erflater overeenkomstig artikel 17 is gekozen, zijn bevoegd om over de erfopvolging uitspraak te doen indien:

(a)      een eerder aangezocht gerecht zich in dezelfde zaak onbevoegd heeft verklaard overeenkomstig artikel 5 ter, of

(b)      de partijen in het geding zijn overeengekomen om overeenkomstig artikel 5 bis bevoegdheid te verlenen aan een gerecht of de gerechten van die lidstaat, of de bevoegdheid van het aangezochte gerecht uitdrukkelijk hebben erkend, of

(c)       de partijen in het geding de bevoegdheid van het aangezochte gerecht uitdrukkelijk hebben erkend.

Artikel 5 quinquiesAmbtshalve beëindigen van de procedure in geval van rechtskeuze

Het op grond van artikel 4 of artikel 6 ambtshalve aangezochte gerecht beëindigt de procedure indien de partijen zijn overeengekomen de erfopvolging bij buitengerechtelijke schikking te regelen in de lidstaat welks recht de erflater overeenkomstig artikel 17 heeft gekozen.

Artikel 5 sexiesBevoegdheid gebaseerd op verschijning

1.      Indien in de loop van de procedure voor een gerecht van een lidstaat dat overeenkomstig artikel 5 quater bevoegdheid uitoefent, blijkt dat niet alle partijen in het geding partij waren bij de forumkeuzeovereenkomst, blijft het gerecht bevoegd als de partijen die geen partij bij de overeenkomst waren, verschijnen zonder de bevoegdheid van het gerecht te betwisten.

2.      Indien de bevoegdheid van het in lid 1 bedoelde gerecht wordt betwist door de partijen in het geding die geen partij waren bij de overeenkomst, verklaart het gerecht zich onbevoegd.

         In dat geval zijn de overeenkomstig artikel 4 of artikel 6 bevoegde gerechten bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging.

Artikel 6

Subsidiaire bevoegdheid

1.        Indien de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats niet in een lidstaat had, zijn de gerechten van een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden toch bevoegd om uitspraak te doen over de volledige nalatenschap voor zover:

(b)    de erflater op het tijdstip van overlijden de nationaliteit van die lidstaat had; of, als dat niet het geval is,

(b bis)   de erflater zijn vorige gewone verblijfplaats in deze lidstaat had, mits er op het tijdstip waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt een termijn van niet meer dan vijf jaar is verstreken sedert deze gewone verblijfplaats is verlaten.

2.        In de gevallen waarin geen gerecht in een lidstaat op grond van lid 1 bevoegd is, zijn de gerechten van de lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden ter zake van die goederen bevoegd.

Artikel 6 bisForum necessitatis

In de gevallen waarin geen gerecht van een lidstaat op grond van andere bepalingen van deze verordening bevoegd is, kunnen de gerechten van een lidstaat bij uitzondering uitspraak doen over de erfopvolging indien in een derde staat waarmee de zaak nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt.

De zaak moet voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.

Artikel 6 terBeperking van de procedure

1.      Indien de nalatenschap goederen in een derde land omvat, kan het gerecht dat is aangezocht om de erfopvolging te behandelen, op verzoek van een van de partijen beslissen geen uitspraak te doen over een of meer van deze goederen indien kan worden verwacht dat zijn beslissing ten aanzien van deze goederen in dat derde land niet zal worden erkend en, in voorkomend geval, niet uitvoerbaar zal worden verklaard.

2.      Lid 1 laat onverlet de rechten van de partijen om het toepassingsgebied van de procedure te beperken volgens het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht.

Artikel 8

Aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel

Naast het gerecht dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om uitspraak over de erfopvolging te doen, zijn de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van eenieder die krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht voor een instantie een verklaring mag afleggen betreffende de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel, of een verklaring mag afleggen die als doel heeft zijn aansprakelijkheid te beperken ten aanzien van de schulden van de nalatenschap, bevoegd om dergelijke verklaringen in ontvangst te nemen, indien deze verklaringen volgens het recht van die lidstaat in rechte mogen worden afgelegd.

Artikel 10Aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een zaak geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt:

(a)    op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen, of

(b)     indien het stuk betekend of medegedeeld moet worden voordat het bij het gerecht wordt ingediend, op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of kennisgeving het stuk ontvangt, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het stuk bij het gerecht moest doen, of

(b bis) in gevallen waarin de procedure ambtshalve door het gerecht wordt ingeleid, op het tijdstip waarop de beslissing om de procedure in te leiden door het gerecht wordt genomen, of, ingeval een dergelijke beslissing niet vereist is, op het tijdstip waarop de zaak ter griffie wordt ingeleid.

Artikel 11Toetsing van de bevoegdheid

Indien bij een gerecht van een lidstaat een erfrechtelijke zaak aanhangig is gemaakt waarvoor het volgens deze verordening niet bevoegd is, verklaart het zich ambtshalve onbevoegd.

Artikel 12Toetsing van de ontvankelijkheid

1.      Indien de verweerder die zijn gewone verblijfplaats in een andere staat heeft dan de lidstaat waar de zaak aanhangig is gemaakt, niet verschijnt, houdt het bevoegde gerecht de uitspraak aan zolang niet vaststaat dat de verweerder tijdig genoeg kennis heeft kunnen nemen van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk om verweer te kunnen voorbereiden, of dat daartoe al het nodige is gedaan.

2.      Artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken(10) wordt toegepast in plaats van ▌lid 1, indien de verzending van een lidstaat naar een andere lidstaat van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk overeenkomstig die verordening moest geschieden.

3.      In de gevallen waarin ▌Verordening (EG) nr. 1393/2007 niet van toepassing is, is artikel 15 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken van toepassing, indien de verzending naar het buitenland van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk overeenkomstig dat verdrag diende te geschieden.

Artikel 13Aanhangigheid

1.      Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde grond berusten, houdt enig gerecht waarbij de zaak later is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, vaststaat.

2.      Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart enig gerecht waarbij de zaak later is aangebracht, zich onbevoegd.

Artikel 14Samenhang

1.      Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kunnen de gerechten waarbij de zaak later is aangebracht, hun uitspraak aanhouden.

2.      Wanneer deze samenhangende vorderingen aanhangig zijn bij gerechten die in eerste aanleg beslissen, kan het gerecht waarbij het laatst een vordering aanhangig is gemaakt, op verzoek van een van de partijen, ook tot verwijzing overgaan, mits het gerecht waarbij het eerst een vordering aanhangig is gemaakt, bevoegd is voor beide vorderingen en zijn wetgeving de samenvoeging van beide vorderingen toestaat.

3.      Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen die zo nauw verbonden zijn dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

Artikel 15Voorlopige of bewarende maatregelen

In het recht van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen.

Hoofdstuk IIIToepasselijk recht

Artikel 15 bisUniversele toepassing

Het bij deze verordening aangewezen recht is toepasselijk, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is of niet.

Artikel 16Algemene regel

1.        Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is op de gehele nalatenschap het recht van toepassing van de staat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.

2.        Indien, bij uitzondering, uit het geheel van de omstandigheden duidelijk blijkt dat de erflater op het tijdstip van overlijden een nauwere band had met een andere staat dan die welks recht op grond van lid 1 van toepassing zou zijn, is het recht van die andere staat op de erfopvolging van toepassing.

Artikel 17

Rechtskeuze

1.      Een persoon kan ervoor kiezen dat zijn gehele nalatenschap wordt beheerst door het recht van de staat waarvan hij op het tijdstip van de rechtskeuze of op het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit.

         Een persoon met meer dan een nationaliteit kan het recht kiezen van een van de staten waarvan hij op het tijdstip van de rechtskeuze de nationaliteit bezit.

2.      Rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan ▌bij verklaring in de vorm van een uiterste wilsbeschikking of blijkt uit de bewoordingen van die beschikking.

3.      De materiële geldigheid van de handeling waarbij de rechtskeuze wordt gedaan, wordt bepaald door het gekozen recht.

4.      De wijziging of herroeping ▌van de rechtskeuze moet voldoen aan de vormvoorschriften voor de wijziging of de intrekking van een uiterste wilsbeschikking.

Artikel 19

Toepassingsgebied van het toepasselijke recht

1.      Het krachtens artikel 16 of artikel 17 aangewezen recht beheerst de gehele erfopvolging ▌.

2.      Dit recht beheerst met name:

(a)   de oorzaken, het tijdstip en de plaats van het openvallen van de nalatenschap;

(b)   de bepaling van de rechthebbenden, ▌van hun onderscheiden erfdelen en van de verplichtingen die hun door de erflater opgelegd kunnen zijn, alsook de bepaling van de andere rechten op de nalatenschap, met inbegrip van de erfrechten van de langstlevende echtgenoot of partner;

(c)   de bekwaamheid om te erven;

(e)   de onterving en de uitsluiting wegens onwaardigheid;

(f)    de overgang ▌op de erfgenamen en, naar gelang van het geval, op de legatarissen van de goederen, rechten en verplichtingen die de nalatenschap vormen, met inbegrip van de voorwaarden en de gevolgen van de aanvaarding of de verwerping van de nalatenschap of een legaat;

(g)   de bevoegdheden van de erfgenamen, van de executeurs-testamentair en van de overige beheerders van de nalatenschap, met name wat het verkopen van goederen en het betalen van schuldeisers betreft, onverminderd de in artikel 21 bedoelde bevoegdheden;

(h)   de aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap;

(i)    het beschikbare deel, de wettelijke erfdelen en ▌andere beperkingen van de bevoegdheid om bij uiterste wil te beschikken, alsmede de mogelijke vorderingen van personen die de erflater na stonden op de boedel of op de erfgenamen;

(j)     de inbreng en inkorting van schenkingen, voorschotten en legaten bij de berekening van de erfdelen van de verschillende rechthebbenden;

(l)     de verdeling van de nalatenschap.

Artikel 19 bis

Uiterste wilsbeschikking, niet zijnde een erfovereenkomst

1.        Een uiterste wilsbeschikking, niet zijnde een erfovereenkomst, wordt ten aanzien van de toelaatbaarheid en de materiële geldigheid ervan beheerst door het recht dat op grond van deze verordening op de erfopvolging van toepassing zou zijn geweest, mocht de erflater zijn overleden op de dag waarop de wilsbeschikking is gemaakt.

2.      Niettegenstaande lid 1 kan een persoon ervoor kiezen dat zijn uiterste wilsbeschikking, ten aanzien van de toelaatbaarheid en de materiële geldigheid, wordt beheerst door het recht dat hij op grond van artikel 17 en onder de daarin bepaalde voorwaarden had kunnen kiezen.

3.      Lid 1 is in voorkomend geval van toepassing op de wijziging of herroeping van een uiterste wilsbeschikking, niet zijnde een erfovereenkomst. In geval van een rechtskeuze overeenkomstig lid 2 wordt de wijziging of herroeping beheerst door het gekozen recht.

Artikel 19 ter

Erfovereenkomsten

1.      Een erfovereenkomst met betrekking tot de nalatenschap van één persoon wordt, ten aanzien van de toelaatbaarheid, de materiële geldigheid, en de bindende kracht tussen de partijen, met inbegrip van de ontbindingsvoorwaarden, beheerst door het recht dat krachtens deze verordening op diens nalatenschap van toepassing zou zijn geweest, mocht de erflater zijn overleden op de dag waarop de overeenkomst is gesloten.

2.      Een erfovereenkomst met betrekking tot de nalatenschap van meerdere personen is slechts toelaatbaar indien zij toelaatbaar is volgens alle rechtsstelsels die krachtens deze verordening op de nalatenschap van al deze personen van toepassing zouden zijn geweest, mochten zij zijn overleden op de dag waarop de overeenkomst is gesloten.

         Een volgens de eerste alinea toelaatbare erfovereenkomst wordt, ten aanzien van de materiële geldigheid en de bindende kracht tussen de partijen, met inbegrip van de ontbindingsvoorwaarden, beheerst door datgene van de in lid 1 bedoelde rechtsstelsels waarmee zij het nauwst verbonden is.

3.      Niettegenstaande de leden 1 en 2 kunnen de partijen ervoor kiezen dat hun erfovereenkomst, ten aanzien van de toelaatbaarheid, de materiële geldigheid, en de bindende kracht tussen de partijen, met inbegrip van ontbindingsvoorwaarden, beheerst door het recht dat de persoon of een van de personen van wie de nalatenschap in het geding is op grond van artikel 17 en onder de daarin bepaalde voorwaarden had kunnen kiezen.

Artikel 19 quater

Materiële geldigheid van uiterste wilsbeschikkingen

1.        Voor de toepassing van de artikelen 19 bis en 19 ter wordt de materiële geldigheid bepaald door het volgende:

(a)      de handelingsbevoegdheid met betrekking tot de uiterste wilsbeschikking;

(b)      de specifieke beletselen om bij uiterste wil ten gunste van bepaalde personen te beschikken, of om goederen uit de nalatenschap te ontvangen van degene die bij uiterste wil beschikt;

(c)       de toelaatbaarheid van vertegenwoordiging om bij uiterste wil te beschikken;

(d)       de uitlegging van de uiterste wilsbeschikking;

(e)       bedrog, dwang, dwaling en alle andere omstandigheden waarin de uiterste wilsbeschikking door een wilsgebrek of door wilsontbreken is aangetast.

2.      Indien een persoon volgens het krachtens artikel 19 bis of artikel 19 ter toepasselijke recht bevoegd is om bij uiterste wil te beschikken, is een wijziging van dat recht niet van invloed op zijn bevoegdheid om die uiterste wil te wijzigen of te herroepen.

Artikel 19 quinquies

Formele geldigheid van schriftelijke uiterste wilsbeschikkingen

1.      Een schriftelijke uiterste wilsbeschikking is naar de vorm geldig, indien zij voldoet aan het recht:

(a)     van de staat waar bij uiterste wil is beschikt of de erfovereenkomst is gesloten, of

(b)     van de staat waarvan de erflater of ten minste een van de personen wier nalatenschap het voorwerp uitmaakt van een erfovereenkomst, hetzij op het tijdstip waarop bij uiterste wil is beschikt of de overeenkomst is gesloten, hetzij op het tijdstip van overlijden, de nationaliteit bezat, of

(c)     van de staat waar de erflater of ten minste een van de personen wier nalatenschap het voorwerp uitmaakt van een erfovereenkomst, hetzij op het tijdstip waarop bij uiterste wil is beschikt of de overeenkomst is gesloten, hetzij op het tijdstip van overlijden, zijn woonplaats had, of

(d)     van de staat waar de erflater of ten minste een van de personen wier nalatenschap het voorwerp uitmaakt van een erfovereenkomst, hetzij op het tijdstip waarop bij uiterste wil is beschikt of de overeenkomst is gesloten, hetzij op het tijdstip van overlijden, zijn gewone verblijfplaats had, of

(e)     in het geval van onroerende goederen, van de staat waar deze gelegen zijn.

Of de erflater of de personen wier nalatenschap het voorwerp uitmaakt van een erfovereenkomst, hun woonplaats in een bepaalde staat hebben, wordt bepaald door het recht van die staat.

2.        Lid 1 is tevens van toepassing op uiterste wilsbeschikkingen waarbij een eerdere beschikking wordt gewijzigd of herroepen. De wijziging of herroeping is eveneens naar de vorm geldig, indien zij voldoet aan het recht van een van de staten waar de gewijzigde of herroepen uiterste wilsbeschikking op grond van lid 1 geldig was.

3.      Voor de toepassing van dit artikel worden wettelijke bepalingen waarbij de toegestane vormen van uiterste wilsbeschikking worden beperkt naar leeftijd, nationaliteit of andere persoonlijke hoedanigheden van de erflater of van de personen wier nalatenschap het voorwerp uitmaakt van een erfovereenkomst, als vormvoorschriften beschouwd. Hetzelfde geldt voor de voorwaarden waaraan getuigen met het oog op de geldigheid van een uiterste wilsbeschikking moeten voldoen.

Artikel 20Formele geldigheid van de

verklaring van aanvaarding of verwerping

Een verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, van een legaat, of van een wettelijk erfdeel, of een verklaring tot beperking van de eigen aansprakelijkheid, is naar de vorm geldig indien zij voldoet aan de voorschriften van:

(a)       het overeenkomstig artikel 16 of artikel 17 op de erfopvolging toepasselijke recht, of

(b)      het recht van de staat waar degene die de verklaring aflegt zijn gewone verblijfplaats heeft.

Artikel 21

Bijzondere regels voor de benoeming van een beheerder van de nalatenschap en diens bevoegdheden in bepaalde situaties

1.        Wanneer de benoeming van een beheerder volgens het recht van de lidstaat waarvan de gerechten krachtens deze verordening voor de erfopvolging bevoegd zijn, verplicht is of op verzoek verplicht is, en het op de erfopvolging toepasselijke recht het recht van een andere staat is, kunnen de gerechten van die lidstaat, wanneer een zaak daar wordt aangebracht, een of meer beheerders volgens hun eigen recht benoemen met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

De overeenkomstig dit lid benoemde beheerders zijn degenen die volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht bevoegd zouden zijn om het testament uit te voeren en/of de nalatenschap te beheren. Wanneer dat recht niet toestaat dat de nalatenschap wordt beheerd door iemand die geen rechthebbende is, kunnen de gerechten van de lidstaat waar een beheerder moet worden benoemd een derde-beheerder overeenkomstig hun eigen wetgeving benoemen, indien die wetgeving zulks verlangt en er sprake is van een ernstig belangenconflict tussen de rechthebbenden of tussen de rechthebbenden en de schuldeisers of personen die borg stonden voor de schulden van de erflater, van onenigheid tussen de rechthebbenden over het beheer van de nalatenschap of van een nalatenschap waarvan het beheer complex is wegens de aard van de vermogensbestanddelen.

           De overeenkomstig dit lid benoemde beheerders zijn de enigen die de in de leden 2 en 3 bedoelde bevoegdheden mogen uitoefenen.

2.        De overeenkomstig lid 1 benoemde beheerders oefenen de bevoegdheden uit die krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht voor het beheer van de nalatenschap mogen worden uitgeoefend. Het behandelend gerecht kan in zijn beslissing specifieke voorwaarden geven voor de uitoefening van die bevoegdheden overeenkomstig het op de erfopvolging toepasselijke recht.

Wanneer het op de erfopvolging toepasselijke recht niet in voldoende beheersbevoegdheden voorziet voor de bescherming van de goederen van de nalatenschap of van de rechten van de schuldeisers of andere personen die borg stonden voor de schulden van de erflater, kan het behandelende gerecht beslissen dat de beheerders op residuele basis de bevoegdheden uitoefenen waarin het recht van zijn eigen lidstaat te dien einde voorziet en kan het in zijn beslissing specifieke voorwaarden geven voor uitoefening van die bevoegdheden overeenkomstig dat recht.

Bij de uitoefening van dergelijke restbevoegdheden dienen de beheerders wel het op de erfopvolging toepasselijke recht in acht te nemen voor wat betreft de overdracht van de eigendom van goederen, de aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap, de rechten van de rechthebbenden, waaronder, indien van toepassing, het recht om de erfenis te aanvaarden of verwerpen, en, indien van toepassing, de bevoegdheden van de executeur-testamentair.

3.        Onverminderd het bepaalde in lid 2 kan het gerecht dat overeenkomstig lid 1 een of meer beheerders benoemt, bij wijze van uitzondering, indien het op de erfopvolging toepasselijke recht het recht van een derde staat is, beslissen dat de beheerders over alle beheersbevoegdheden beschikken waarin de lidstaat waar zij benoemd worden voorziet.

Bij de uitoefening van dergelijke restbevoegdheden dienen de beheerders met name de bepaling van de rechthebbenden en hun rechten op de nalatenschap, waaronder hun rechten op een wettelijk erfdeel of vorderingen op de nalatenschap of de erfgenamen krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht, in acht te nemen.

Artikel 22

Bijzondere regels die de erfopvolging betreffende bepaalde boedelbestanddelen raken

Indien het recht van de staat waar bepaalde onroerende goederen, ondernemingen of andere bijzondere categorieën goederen zich bevinden, bijzondere regels bevat waarbij uit economische, familiale of sociale overwegingen beperkingen worden opgelegd die de erfopvolging met betrekking tot die boedelbestanddelen betreffen of raken, zijn die bijzondere regels op de erfopvolging van toepassing voor zover zij volgens het recht van die staat, ongeacht het op de erfopvolging toepasselijke recht, van toepassing zijn.

Artikel 22 bisAanpassing van goederenrechten

Indien een persoon zich op grond van het op de erfopvolging toepasselijke recht beroept op een goederenrecht dat het recht van de lidstaat waar het wordt ingeroepen niet kent, wordt dit goederenrecht, mede in het licht van de ermee nagestreefde doelstellingen en belangen en de eraan verbonden rechtsgevolgen, indien noodzakelijk en voor zover mogelijk in overeenstemming gebracht met het meest vergelijkbare goederenrecht in die lidstaat.

Artikel 23Commoriënten

Wanneer twee of meer personen wier erfopvolging door verschillende rechtsstelsels wordt beheerst, overlijden onder omstandigheden waarin onzeker is in welke volgorde zij zijn overleden, en deze situatie in die rechtsstelsels op uiteenlopende wijze is geregeld of in het geheel niet is geregeld, kan geen van de overledenen rechten op de nalatenschap van de andere of de anderen laten gelden.

Artikel 24

Onbeheerde nalatenschap

Voor zover er volgens het op grond van deze verordening op de erfopvolging toepasselijke recht boedelbestanddelen zijn waarvoor niet bij uiterste wilsbeschikking een erfgenaam of legataris is aangewezen, noch een natuurlijke persoon wettelijk erfgenaam is, belet de toepassing van het aldus aangewezen recht niet dat een lidstaat of een daartoe door die lidstaat aangewezen entiteit zich op grond van zijn eigen recht de boedelbestanddelen die zich op zijn grondgebied bevinden, toe-eigent, mits de schuldeisers hun vorderingen kunnen laten voldoen uit de gehele nalatenschap.

Artikel 26

Terugverwijzing

1.      In de gevallen waarin deze verordening de toepassing van het recht van een derde staat voorschrijft, wordt hieronder verstaan de in die staat geldende rechtsregels, daaronder begrepen de regels van het internationaal privaatrecht die voorzien in terugverwijzing naar:

         (a)         het recht van een lidstaat, of

         (b)         het recht van een andere derde staat die zijn eigen recht zou toepassen.

2.      Terugverwijzing is uitgesloten in de gevallen bedoeld in artikel 16, lid 2, artikel 17, artikel 19 quinquies, artikel 20, onder b), en artikel 22.

Artikel 27Openbare orde

▌De toepassing van een bepaling van ongeacht welk bij deze verordening aangewezen recht kan slechts terzijde worden gesteld indien zulks kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van het land van de rechter. ▌    

Artikel 28Staten met meer dan één rechtsstelsel

- territoriale wetsconflicten

1.        Indien het bij deze verordening aangewezen recht het recht is van een staat met meerdere territoriale eenheden, die elk hun eigen rechtsregels met betrekking tot de erfopvolging hebben, bepalen de interne collisieregels van die lidstaat van welke territoriale eenheid de rechtsregels van toepassing zijn.

2.        Bij gebreke van zulke interne collisieregels:

(a)      wordt een verwijzing naar het recht van de in lid 1 bedoelde staat, voor het bepalen van het toepasselijke recht volgens de bepalingen waarbij naar de gewone verblijfplaats van de erflater wordt verwezen, uitgelegd als een verwijzing naar het recht van de territoriale entiteit waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had;

(b)      wordt een verwijzing naar het recht van de in lid 1 bedoelde staat, voor het bepalen van het toepasselijke recht volgens de bepalingen waarbij naar de nationaliteit van de erflater wordt verwezen, uitgelegd als een verwijzing naar het recht van de territoriale entiteit waarmee de erflater het nauwst verbonden was;

(c)       wordt een verwijzing naar het recht van de in lid 1 bedoelde staat, voor het bepalen van het toepasselijke recht volgens andere bepalingen met andere aanknopingspunten, uitgelegd als een verwijzing naar het recht van de territoriale entiteit waar het aanknopingspunt zich bevindt.

2 bis.  Niettegenstaande lid 2, wordt een verwijzing naar het recht van de in lid 1 bedoelde staat, voor het bepalen van het krachtens artikel 19 quinquies toepasselijke recht, bij gebreke van interne collisieregels in die staat, uitgelegd als een verwijzing naar het recht van de territoriale entiteit waarmee de erflater of de personen wier nalatenschap het voorwerp uitmaakt van de erfovereenkomst het nauwst verbonden waren.

Artikel 28 bisStaten met meer dan één rechtsstelsel - personele wetsconflicten

Ten aanzien van een staat waar met betrekking tot de erfopvolging twee of meer rechtsstelsels of regelingen gelden die op verschillende categorieën personen van toepassing zijn, wordt een verwijzing naar het recht van die staat uitgelegd als een verwijzing naar het rechtsstelsel dat of de regeling die is aangewezen bij de in die staat geldende regels. Bij gebreke van zulke regels wordt het rechtsstelsel of de regeling toegepast waarmee de erflater het nauwst verbonden was.

Artikel 28 ter

Niet-toepassing van deze verordening op interne wetsconflicten

Een lidstaat die verschillende territoriale entiteiten met eigen rechtsregels inzake erfopvolging telt, is niet verplicht deze verordening toe te passen op gevallen van collisie die alleen tussen deze territoriale entiteiten rijzen.

Hoofdstuk IVErkenning,

uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen

Artikel 29

Erkenning ▌

1.        Een in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de overige lidstaten erkend zonder dat daartoe een procedure vereist is.

2.        Indien de erkenning van een beslissing wordt betwist, kan iedere belanghebbende partij die zich ten principale op de erkenning beroept, van de in de artikelen 33 ter tot en met 33 sexdecies ▌vastgelegde procedures gebruikmaken om de erkenning te doen vaststellen.

3.        Wordt voor een gerecht van een lidstaat de erkenning bij incidenteel verzoek ingeroepen, dan is dit gerecht bevoegd om van dat verzoek kennis te nemen.

Artikel 30Weigeringsgronden

Een beslissing wordt niet erkend indien:

(a)       de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat ▌;

(b)      het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of medegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was;

(c)       zij onverenigbaar is met een beslissing die is gegeven in een procedure tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat;

(d)      zij onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een procedure die hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde grond berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat.

Artikel 31

Geen inhoudelijke toetsing ▌

In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in een lidstaat gegeven beslissing.

Artikel 32

Schorsing van de erkenningsprocedure

Het gerecht van een lidstaat waarbij de erkenning wordt gevraagd van een in een andere lidstaat gegeven beslissing, kan de procedure schorsen indien in de lidstaat van oorsprong een gewoon rechtsmiddel tegen deze beslissing is ingesteld.

Artikel 33Uitvoerbaarheid ▌

De beslissingen die in een lidstaat zijn gegeven en in die lidstaat uitvoerbaar zijn, zijn tevens uitvoerbaar in de overige lidstaten, indien zij er op verzoek van een belanghebbende partij uitvoerbaar zijn verklaard volgens de procedure die is bepaald in de artikelen 33 ter tot en met 33 sexdecies.

Artikel 33 bisVaststelling van het domicilie

Om in het kader van de in de artikelen 33 ter tot en met 33 sexdecies vastgelegde procedure te bepalen of een partij haar domicilie heeft in de lidstaat van tenuitvoerlegging, past het aangezochte gerecht het interne recht van die lidstaat toe.

Artikel 33 terRelatief bevoegd gerecht

1.      Het verzoek om uitvoerbaarverklaring wordt gericht tot het gerecht of de bevoegde instantie van de lidstaat van tenuitvoerlegging waarvan de naam door deze lidstaat overeenkomstig artikel 46 bis aan de Commissie is medegedeeld.

2.        Het relatief bevoegde gerecht is dat van het domicilie van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, of van de plaats van tenuitvoerlegging.

Artikel 33 quaterProcedure

1.      De procedure van de indiening van het verzoek wordt beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging.

2.      Van de verzoeker wordt niet verlangd dat hij in de lidstaat van tenuitvoerlegging een postadres of procesgemachtigde heeft.

3.      Bij het verzoek worden de volgende documenten gevoegd:

(a)        een afschrift van de beslissing aan de hand waarvan de echtheid kan worden vastgesteld;

(b)        onverminderd artikel 33 quinquies, de verklaring die het gerecht of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong heeft afgegeven door middel van het formulier dat in overeenstemming met de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure wordt vastgesteld.

Artikel 33 quinquiesNiet-overlegging van de verklaring

1.  Wordt de in artikel 33 quater, lid 3, onder b), bedoelde verklaring niet overgelegd, dan kan het gerecht of de bevoegde autoriteit voor de overlegging een termijn bepalen of gelijkwaardige documenten aanvaarden, dan wel, indien dat gerecht of die autoriteit zich voldoende voorgelicht acht, van de overlegging vrijstelling verlenen.

2.  Indien het gerecht of de bevoegde autoriteit dat verlangt, wordt van de documenten een vertaling overgelegd. De vertaling wordt gemaakt door een persoon die in een van de lidstaten tot het maken van vertalingen bevoegd is.

Artikel 33 sexiesUitvoerbaarverklaring

Zodra de in artikel 33 quater voorgeschreven formaliteiten zijn vervuld, wordt de beslissing uitvoerbaar verklaard, zonder dat zij aan controle overeenkomstig artikel 30 wordt onderworpen. De partij tegen wie tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord.

Artikel 33 septiesKennisgeving van de beslissing over het verzoek om uitvoerbaarverklaring

1.      De beslissing over het verzoek om uitvoerbaarverklaring wordt onmiddellijk ter kennis van de verzoeker gebracht op de wijze die is bepaald in het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging.

2.      De uitvoerbaarverklaring wordt betekend of medegedeeld aan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd en gaat vergezeld van de beslissing, indien deze nog niet aan haar is betekend of medegedeeld.

Artikel 33 octiesRechtsmiddelen tegen de beslissing over het verzoek om een uitvoerbaarverklaring

1.      Elke partij kan een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing over het verzoek om uitvoerbaarverklaring.

2.        Het rechtsmiddel wordt ingesteld bij het gerecht waarvan de naam door de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 46 bis aan de Commissie is medegedeeld.

3.      Het rechtsmiddel wordt volgens de regels van de procedure op tegenspraak behandeld.

4.      Indien de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, niet verschijnt voor het gerecht dat over het door de verzoeker ingestelde rechtsmiddel oordeelt, is artikel 12 van toepassing, ook als de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd geen domicilie heeft op het grondgebied van een lidstaat.

5.      Het rechtsmiddel tegen de uitvoerbaarverklaring wordt ingesteld binnen dertig dagen na de betekening of kennisgeving hiervan. Indien de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, haar domicilie heeft in een andere lidstaat dan die waar de uitvoerbaarverklaring is gegeven, is de termijn waarbinnen het rechtsmiddel moet worden ingesteld, zestig dagen met ingang van de dag van betekening of kennisgeving van de beslissing aan de partij in persoon of op haar verblijfplaats. De termijn mag niet op grond van afstand worden verlengd.

Artikel 33 noniesRechtsmiddel tegen de over het rechtsmiddel gegeven beslissing

Tegen de over het rechtsmiddel gegeven beslissing kan slechts het rechtsmiddel worden aangewend waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 46 bis door de betrokken lidstaat in kennis is gesteld.

Artikel 33 deciesWeigering of intrekking van een uitvoerbaarverklaring

De verklaring van uitvoerbaarheid wordt door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in artikel 33 octies of 33 nonies, slechts op een van de in artikel 30 genoemde gronden geweigerd of ingetrokken. Het gerecht doet onverwijld uitspraak.

Artikel 33 undeciesAanhouden van de uitspraak

Het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in artikel 33 octies of 33 nonies, houdt op verzoek van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, zijn uitspraak aan indien de uitvoerbaarheid van de beslissing is geschorst in de lidstaat van oorsprong als gevolg van een daartegen aangewend rechtsmiddel.

Artikel 33 duodeciesVoorlopige of bewarende maatregelen

1.      Indien een beslissing overeenkomstig deze afdeling moet worden erkend, belet niets dat de verzoeker zich beroept op voorlopige of bewarende maatregelen waarin de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging voorziet, zonder dat daartoe een uitvoerbaarverklaring in de zin van artikel 33 sexies vereist is.

2.      De uitvoerbaarverklaring houdt van rechtswege het verlof in bewarende maatregelen te treffen.

3.      Gedurende de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel overeenkomstig artikel 33 octies, lid 5, tegen de verklaring van uitvoerbaarheid en totdat daarover uitspraak is gedaan, kunnen slechts bewarende maatregelen worden genomen ten aanzien van de goederen van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd.

Artikel 33 terdeciesGedeeltelijke uitvoerbaarheid

1.      Indien in de beslissing uitspraak is gedaan over meer dan één punt van het verzoek, en de uitvoerbaarverklaring niet kan worden verleend voor het geheel, verleent het gerecht of de bevoegde instantie deze voor een of meer onderdelen daarvan.

2.      De verzoeker kan verlangen dat de uitvoerbaarverklaring slechts een gedeelte van de beslissing betreft.

Artikel 33 quaterdeciesRechtsbijstand

De verzoeker die in de lidstaat waar de beslissing is gegeven, gehele of gedeeltelijke kosteloze rechtsbijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven heeft genoten, kan in de tenuitvoerleggingsprocedure aanspraak maken op de gunstigste bijstand of voor de ruimste vrijstelling die in het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging is vastgesteld.

Artikel 33 quindeciesGeen zekerheid, borg of pand

Van een verzoeker die in een lidstaat de erkenning, uitvoerbaarverklaring of tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing vraagt, wordt geen zekerheid, borg of pand, in welke vorm ook, gevraagd op grond van het feit dat hij een buitenlandse onderdaan is of zijn woon- of verblijfplaats niet in de lidstaat van tenuitvoerlegging heeft.

Artikel 33 sexdeciesGeen belasting, recht of heffing

In de lidstaat van tenuitvoerlegging wordt ter zake van de procedure tot verlening van een uitvoerbaarverklaring geen belasting, recht of heffing geheven die proportioneel is aan het geldelijke belang van de zaak.

Hoofdstuk VAuthentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 34

Aanvaarding van authentieke akten

1.        Een in een lidstaat verleden authentieke akte heeft in een andere lidstaat dezelfde bewijskracht als in de lidstaat van oorsprong, of althans de daarmee meest vergelijkbare bewijskracht, op voorwaarde dat dit niet kennelijk strijdig is met de openbare orde van die andere lidstaat.

De belanghebbende kan de instantie die de authentieke akte in de lidstaat van oorsprong heeft opgemaakt, verzoeken het formulier in te vullen dat in overeenstemming met de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld, onder vermelding van de bewijskracht die in de lidstaat van oorsprong aan de authentieke akte wordt verbonden.

2.        De echtheid van de authentieke akte wordt uitsluitend voor een gerecht van de lidstaat van oorsprong, volgens het recht van die lidstaat, aangevochten. Een authentieke akte die wordt aangevochten heeft geen bewijskracht in een andere lidstaat zolang het bevoegde gerecht zich niet heeft uitgesproken.

3.       De in de authentieke akte vastgelegde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen worden uitsluitend aangevochten voor de krachtens deze verordening bevoegde gerechten, krachtens het volgens hoofdstuk III toepasselijke recht. Een authentieke akte die wordt aangevochten heeft, wat het bestreden punt betreft, in een andere lidstaat dan de lidstaat van oorsprong geen bewijskracht zolang het bevoegde gerecht zich niet heeft uitgesproken.

4.        Wordt voor een gerecht van een lidstaat een tussenvordering ingesteld betreffende de op het gebied van de erfopvolging in een authentieke akte vastgelegde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen, dan is dit gerecht bevoegd om van die vordering kennis te nemen.

Artikel 35Uitvoerbaarheid van authentieke akten

1.        Een in de lidstaat van oorsprong uitvoerbare authentieke akte wordt in een andere lidstaat op verzoek van een belanghebbende partij uitvoerbaar verklaard volgens de procedure die is bepaald in de artikelen 33 ter tot en met 33 sexdecies.

1 bis.  Voor de toepassing van artikel 33 quater, lid 3, onder b), geeft de autoriteit die de authentieke akte heeft opgesteld op verzoek van een belanghebbende partij een verklaring af door middel van het formulier dat in overeenstemming met de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld.

2.        De uitvoerbaarverklaring wordt door het gerecht dat oordeelt over het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 33 octies of 33 nonies, slechts geweigerd of ingetrokken indien de tenuitvoerlegging van de authentieke akte kennelijk strijdig is met de openbare orde van de lidstaat van tenuitvoerlegging.

Artikel 35 bisUitvoerbaarheid van gerechtelijke schikkingen

1.        Een in de lidstaat van oorsprong uitvoerbare gerechtelijke schikking wordt in een andere lidstaat op verzoek van een belanghebbende partij uitvoerbaar verklaard volgens de procedure die is bepaald in de artikelen 33 ter tot en met 33 sexdecies.

1 bis.  Voor de toepassing van artikel 33 quater, lid 3, onder b), geeft de autoriteit die de authentieke akte heeft opgesteld op verzoek van een belanghebbende partij een verklaring af door middel van het formulier dat in overeenstemming met de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld.

2.        De uitvoerbaarverklaring wordt door het gerecht dat oordeelt over het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 33 octies of 33 nonies, slechts geweigerd of herroepen indien de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke schikking kennelijk strijdig is met de openbare orde van de lidstaat van tenuitvoerlegging.

Hoofdstuk VIEuropese erfrechtverklaring

Artikel 36Instelling van een Europese erfrechtverklaring

1.      Bij deze verordening wordt een Europese erfrechtverklaring (hierna "erfrechtverklaring") ingesteld, die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt en de in artikel 42 omschreven rechtsgevolgen heeft.

2.      Het gebruik van de erfrechtverklaring is niet verplicht.

2 bis. De erfrechtverklaring komt niet in de plaats van de documenten die in de lidstaten voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt. Zodra de erfrechtverklaring evenwel, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, is afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt, heeft zij tevens de in artikel 42 omschreven rechtsgevolgen in de lidstaat van afgifte.

Artikel 36 bisDoel van de erfrechtverklaring

1.        De erfrechtverklaring is bestemd voor de rechtstreeks tot de nalatenschap gerechtigde erfgenamen en legatarissen en voor de executeurs of de beheerders van de nalatenschap die zich in een andere lidstaat dienen te beroepen op hun hoedanigheid of de daaraan verbonden rechten, c.q. bevoegdheden dienen aan te tonen.

2.        De erfrechtverklaring kan met name worden gebruikt om het bewijs te leveren van een of meer van de volgende specifieke elementen:

(a)       de hoedanigheid c.q. de rechten van alle erfgenamen en, in voorkomend geval, legatarissen die in de erfrechtverklaring worden genoemd, alsmede hun erfdeel of legaat;

(b)       de toewijzing van een bepaald boedelbestanddeel of bepaalde boedelbestanddelen aan de erfgenamen en, in voorkomend geval, de legatarissen die in de erfrechtverklaring worden genoemd;

(c)       de bevoegdheden van de in de erfrechtverklaring genoemde executeur-testamentair of beheerder van de nalatenschap.

Artikel 37Bevoegdheid voor het afgeven van de erfrechtverklaring

De erfrechtverklaring wordt afgegeven in de lidstaat welks gerechten bevoegd zijn op grond van artikel 4, artikel 5 quater, artikel 6 of artikel 6 bis. De instantie van afgifte is:

(a)      een gerecht in de zin van artikel 2, lid 2, of

(b)      een andere instantie die krachtens het nationale recht bevoegd is om erfrechtelijke zaken te behandelen.

Artikel 38

Aanvraag van een erfrechtverklaring

-1.     De erfrechtverklaring wordt afgegeven op verzoek van een van de in artikel 36 bis, lid 1, bedoelde personen (hierna "de aanvrager").

-1 bisDe aanvraag kan worden ingediend met behulp van het formulier dat in overeenstemming met de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure wordt vastgesteld.

1.      De aanvraag bevat de volgende informatie, voor zover zij de aanvrager bekend is en de instantie van afgifte ze nodig heeft om de juistheid van de te staven elementen te kunnen bevestigen, en gaat vergezeld van alle nodige documenten, hetzij de originele documenten, hetzij afschriften aan de hand waarvan de echtheid ervan kan worden vastgesteld, onverminderd artikel 40, lid 1 bis:

(a)       de gegevens van de erflater: naam (in voorkomend geval meisjesnaam), voornaam of voornamen, geslacht, geboorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit, identificatienummer (indien van toepassing), adres op het tijdstip van overlijden, datum en plaats van overlijden;

(b)      de gegevens van de aanvrager: naam (in voorkomend geval meisjesnaam), voornaam of voornamen, geslacht, geboorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit, identificatienummer (indien van toepassing), adres, en eventuele verwantschap met de erflater;

(b bis) in voorkomend geval de gegevens van de vertegenwoordiger van de aanvrager: naam (in voorkomend geval meisjesnaam), voornaam of voornamen, adres en vertegenwoordigingsbevoegdheid;

(b ter) de gegevens van de echtgenoot of partner - en in voorkomend geval de voormalige echtgenoten of partners - van de erflater: naam (in voorkomend geval meisjesnaam), voornaam of voornamen, geslacht, geboorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit, identificatienummer (indien van toepassing) en adres;

(b quater) de gegevens van de andere mogelijke rechthebbenden volgens de uiterste wilsbeschikking of volgens de wet: achternaam en voornaam of voornamen of naam van de organisatie, identificatienummer (indien van toepassing) en adres;

(b quinquies) het beoogde doel van de erfrechtverklaring overeenkomstig artikel 36 bis;

(b sexies) in voorkomend geval de contactgegevens van het gerecht dat of de andere bevoegde instantie die de eigenlijke erfopvolging behandelt of heeft behandeld;

(c)       de elementen waarop de aanvrager zich beroept om in voorkomend geval als rechthebbende aanspraak te maken op goederen van de nalatenschap, c.q. zijn recht te laten gelden om het testament van de erflater uit te voeren c.q. de nalatenschap te beheren;

(c bis) de vermelding dat de erflater al dan niet een uiterste wilsbeschikking heeft gemaakt; indien noch het origineel, noch een afschrift is aangehecht, informatie over de plaats waar het origineel zich zou kunnen bevinden;

(e)       de vermelding dat de erflater een huwelijksovereenkomst had gesloten, dan wel een overeenkomst betreffende een relatievorm waaraan gevolgen worden verbonden welke vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk; indien noch het origineel, noch een afschrift van de overeenkomst is aangehecht, informatie over de plaats waar het origineel zich zou kunnen bevinden;

(e bis) in voorkomend geval de vermelding dat een van de rechthebbenden een verklaring van aanvaarding of van verwerping van de nalatenschap heeft afgelegd;

(f)       een verklaring dat, bij weten van de aanvrager, de te staven elementen niet het voorwerp uitmaken van een betwisting;

(f bis) alle verdere informatie die de aanvrager met het oog op de afgifte van de erfrechtverklaring dienstig acht.

Artikel 40

Behandeling van de aanvraag

1.      De door de aanvrager verstrekte gegevens, verklaringen, stukken en andere bewijzen worden door de instantie van afgifte terstond geverifieerd. Zij verricht uit eigen beweging het daartoe vereiste en in haar wetgeving voorgeschreven of toegestane onderzoek, of verzoekt de aanvrager alle bewijzen over te leggen die zij verder nodig acht.

1 bis. Indien de aanvrager geen afschriften van de documenten heeft kunnen overleggen die voldoen aan de voorschriften voor vaststelling van de echtheid ervan, kan de instantie van afgifte andere bewijsmiddelen aanvaarden.

1 ter. De instantie van afgifte kan, indien en voor zover haar recht daarin voorziet, verlangen dat verklaringen onder ede worden afgelegd, ofwel op erewoord in plaats van een verklaring onder ede.

2 bis. De instantie van afgifte doet al het nodige om de rechthebbenden op de hoogte te brengen van de aanvraag voor een erfrechtverklaring. Met het oog op het vaststellen van de te staven elementen hoort zij voor zover nodig iedere betrokkene en iedere executeur-testamentair of beheerder en richt zij een publieke oproep tot andere mogelijke rechthebbenden om hun rechten te doen gelden.

3.      Voor de toepassing van dit artikel verschaft de bevoegde autoriteit van een lidstaat de instantie van afgifte van een andere lidstaat, op haar verzoek, de informatie uit met name het kadaster, de registers van de burgerlijke stand en de registers van documenten en feiten die betrekking hebben op de erfopvolging of op het huwelijksvermogensstelsel of equivalent vermogensstelsel van de erflater, mits de bevoegde autoriteit volgens het nationaal recht die informatie aan een andere nationale autoriteit zou mogen verschaffen.

Artikel 40 bisAfgifte van de erfrechtverklaring

1.        Zodra de te staven elementen volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht of volgens een ander, specifiek toepasselijk recht vaststaan, wordt de erfrechtverklaring volgens de in dit hoofdstuk bepaalde procedure afgegeven. De instantie van afgifte gebruikt daarvoor het formulier dat volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld. De erfrechtverklaring wordt met name niet afgegeven indien:

(a)       de te staven gegevens worden betwist, of

(b)       de erfrechtverklaring niet in overeenstemming zou zijn met een beslissing betreffende de te staven gegevens.

2.        De instantie van afgifte doet al het nodige om de rechthebbenden op de hoogte te brengen van de afgifte van de erfrechtverklaring.

Artikel 41Inhoud van de erfrechtverklaring

2.      De erfrechtverklaring bevat de volgende gegevens, voor zover deze nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven:

(a)        de naam en het adres van de instantie van afgifte;

(a bis)  het referentienummer van het dossier;

(a ter)   de gegevens op grond waarvan de instantie van afgifte zich bevoegd acht om de erfrechtverklaring af te geven ▌;

(a ter)   de datum van afgifte;

(a quater) de gegevens van de aanvrager: naam (in voorkomend geval meisjesnaam), voornaam of voornamen, geslacht, geboorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit, identificatienummer (indien van toepassing), adres, en eventuele verwantschap met de erflater;

(b)        de gegevens van de erflater: naam (in voorkomend geval meisjesnaam), voornaam of voornamen, geslacht, geboorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit, identificatienummer (indien van toepassing), adres op het tijdstip van overlijden, datum en plaats van overlijden;

(b bis)  de gegevens van de rechthebbenden: naam (in voorkomend geval meisjesnaam), voornaam of voornamen en identificatienummer (indien van toepassing);

(c)        gegevens betreffende de door de erflater gesloten huwelijksovereenkomst of, in voorkomend geval, de door de erflater gesloten overeenkomst in het kader van een relatievorm waaraan volgens het hierop toepasselijke recht gevolgen worden verbonden welke vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk en informatie betreffende het huwelijksvermogensstelsel of equivalent vermogensstelsel;

(d)        het op de erfopvolging toepasselijke recht en de elementen op basis waarvan dat recht is vastgesteld;

(e)        informatie waaruit kan worden opgemaakt of het gaat om erfopvolging bij versterf betreft dan wel erfopvolging krachtens uiterste wilsbeschikking, daaronder begrepen informatie betreffende de elementen waaruit de rechten c.q. bevoegdheden van de erfgenamen, legatarissen, executeurs-testamentair of beheerders van de nalatenschap blijken;

(g)        in voorkomend geval, vermelding voor elke rechthebbende van de aard van de aanvaarding of verwerping van de nalatenschap;

(h)        ▌het erfdeel dat elk van hen toekomt en, in voorkomend geval, de rechten en/of vermogensbestanddelen die elke erfgenaam toekomen;

(i)         de rechten en/of vermogensbestanddelen die elke legataris toekomen;

(j)         de beperkingen die op de rechten van de erfgenaam of erfgenamen en in voorkomend geval, van de legataris of legatarissen rusten volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht dan wel volgens de uiterste wilsbeschikking;

(k)        de bevoegdheden van de executeur-testamentair c.q. de beheerder van de nalatenschap, en de beperkingen die op deze bevoegdheden rusten volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht dan wel volgens de uiterste wilsbeschikking.

Artikel 42

▌Rechtsgevolgen van de erfrechtverklaring

1.      De erfrechtverklaring heeft rechtsgevolgen in alle lidstaten zonder dat daartoe een procedure vereist is.

2.      De erfrechtverklaring wordt geacht nauwkeurig datgene aan te tonen wat vaststaat volgens het recht dat van toepassing is op de erfopvolging, dan wel op specifieke elementen ervan. Degene die in de erfrechtverklaring als erfgenaam, legataris, executeur-testamentair of beheerder van de nalatenschap wordt genoemd, wordt geacht de in de erfrechtverklaring genoemde hoedanigheid te hebben c.q. de houder te zijn van de in de erfrechtverklaring vermelde rechten of bevoegdheden, zonder andere voorwaarden c.q. beperkingen met betrekking tot die rechten of bevoegdheden dan die welke in de erfrechtverklaring vermeld zijn.

3.      Eenieder die, handelend op grond van de met een erfrechtverklaring geattesteerde informatie, betalingen verricht of een goed overdraagt aan een persoon die in de erfrechtverklaring wordt genoemd als gemachtigd om betalingen of goederen in ontvangst te nemen, wordt geacht een transactie te hebben verricht met een persoon die hiertoe bevoegd is, tenzij hij weet, of door grove nalatigheid niet weet, dat de inhoud van de erfrechtverklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt.

4.      Indien degene die in de erfrechtverklaring wordt genoemd als gemachtigd om over goederen uit de nalatenschap te beschikken, deze goederen aan een ander toewijst, dan wordt deze, handelend op grond van de met de verklaring geattesteerde informatie, geacht een transactie te hebben verricht met een persoon die bevoegd is om over de betrokken goederen te beschikken, tenzij hij weet, of door grove nalatigheid niet weet, dat de inhoud van de erfrechtverklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt.

5.      Onverminderd artikel 1, lid 3, onder j) en k), is de erfrechtverklaring een geldige titel voor de officiële registratie van de goederen uit de nalatenschap in een lidstaat.

Artikel 42 bisGewaarmerkte afschriften van de erfrechtverklaring

1.      De instantie van afgifte bewaart het origineel van de erfrechtverklaring en verstrekt een of meer gewaarmerkte afschriften aan de aanvrager en aan eenieder die een rechtmatig belang aantoont.

1 bis. De instantie van afgifte houdt, voor de toepassing van artikel 43, lid 3, en artikel 44 bis, lid 2, een lijst bij van de personen aan wie overeenkomstig lid 1 gewaarmerkte afschriften zijn verstrekt.

2.      De verstrekte gewaarmerkte afschriften zijn geldig gedurende een beperkte termijn van zes maanden, waarvan de einddatum op het gewaarmerkte afschrift wordt aangegeven. In uitzonderlijke gevallen kan de instantie van afgifte hiervan afwijken en beslissen dat de geldigheidsduur langer is. Na het verstrijken van deze termijn dient eenieder die in het bezit is van een gewaarmerkt afschrift, wil hij de erfrechtverklaring kunnen gebruiken voor de in artikel 36 bis genoemde doeleinden, de verlenging van de geldigheid van het gewaarmerkt afschrift te vragen of bij de instantie van afgifte een nieuw gewaarmerkt afschrift aan te vragen.

Artikel 43Correctie,

wijziging of intrekking van de ▌verklaring

-1.     Materiële fouten in de verklaring worden door de instantie van afgifte op verzoek van eenieder die een rechtmatig belang aantoont, of uit eigen beweging gecorrigeerd.

2.      Op verzoek van eenieder die een rechtmatig belang aantoont of, indien mogelijk krachtens het nationale recht, uit eigen beweging, wijzigt de instantie van afgifte de verklaring of trekt zij deze in indien is aangetoond dat de verklaring of onderdelen daarvan niet met de werkelijkheid overeenstemmen.

3.      De instantie van afgifte stelt eenieder die overeenkomstig artikel 42 bis, lid 1, gewaarmerkte afschriften van de verklaring heeft ontvangen, onmiddellijk in kennis van de correctie, wijziging of intrekking.

Artikel 44Rechtsmiddelen

1.        Eenieder die gerechtigd is een erfrechtverklaring aan te vragen, kan tegen de besluiten van de autoriteit van afgifte overeenkomstig artikel 40 bis bezwaar aantekenen.

           Eenieder die een rechtmatig belang kan aantonen, kan overeenkomstig de artikelen 43 en 44 bis, lid 1, onder a), tegen de besluiten van de autoriteit van afgifte bezwaar aantekenen.

           Het bezwaar moet, overeenkomstig het recht van die staat, bij een rechterlijke autoriteit van de lidstaat van de instantie van afgifte worden aangetekend.

2.        Indien op het in lid 1 bedoelde bezwaar wordt beslist dat de erfrechtverklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt, wijzigt de bevoegde autoriteit de verklaring, trekt zij deze in of zorgt zij ervoor dat de instantie van afgifte de verklaring corrigeert, wijzigt of intrekt.

           Indien op het in lid 1 bedoelde bezwaar wordt beslist dat de weigering tot afgifte van een erfrechtverklaring ongegrond was, geeft de bevoegde autoriteit de verklaring af of zorgt zij ervoor dat de instantie van afgifte de zaak opnieuw behandelt en een nieuwe beslissing neemt.

Artikel 44 bisSchorsing van de rechtsgevolgen van de erfrechtverklaring

1.        De rechtsgevolgen van de erfrechtverklaring kunnen worden geschorst door:

(a)      de instantie van afgifte, op verzoek van eenieder die een rechtmatig belang aantoont, in afwachting van een wijziging of intrekking van de erfrechtverklaring overeenkomstig artikel 43, of

(b)      de rechterlijke autoriteit, op verzoek van eenieder die ingevolge artikel 44 gerechtigd is bezwaar aan te tekenen tegen een besluit van de instantie van afgifte, totdat over het bezwaar uitspraak is gedaan.

2.        De instantie van afgifte of, in voorkomend geval, de rechterlijke autoriteit stelt eenieder die overeenkomstig artikel 42 bis, lid 1, gewaarmerkte afschriften van de erfrechtverklaring heeft ontvangen, onmiddellijk in kennis van de schorsing van de rechtsgevolgen van de erfrechtverklaring.

           Zolang de rechtsgevolgen van de erfrechtverklaring geschorst blijven kunnen geen gewaarmerkte afschriften van de erfrechtverklaring worden verstrekt.

Hoofdstuk VII

Algemene bepalingen en slotbepalingen

Artikel 44 ter

Legalisatie of soortgelijke formaliteit

Met betrekking tot de in het kader van deze verordening in een lidstaat afgegeven documenten mag geen legalisatie of andere soortgelijke formaliteit worden verlangd.

Artikel 45Verhouding tot bestaande internationale overeenkomsten

1.      Deze verordening laat onverlet de toepassing van internationale overeenkomsten waarbij een of meer lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van de verordening partij zijn en die betrekking hebben op aangelegenheden waarop deze verordening van toepassing is ▌.

         In het bijzonder passen de lidstaten die partij zijn bij het Haags Verdrag van 5 oktober 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen, met betrekking tot de formele geldigheid van testamenten en gezamenlijke testamenten in plaats van artikel 19 quinquies van deze verordening verder de bepalingen van dat verdrag toe.

2.      Niettegenstaande lid 1 heeft deze verordening tussen de lidstaten voorrang op uitsluitend tussen twee of meer lidstaten gesloten overeenkomsten, voor zover deze betrekking hebben op onder deze verordening vallende aangelegenheden ▌.

2 bis. Deze verordening staat er niet aan in de weg dat de lidstaten die partij zijn bij het Verdrag van 19 november 1934 tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden, bevattende bepalingen van internationaal privaatrecht betreffende erfopvolging, testamenten en beheer van de nalatenschap, zoals herzien bij de intergouvernementele overeenkomst tussen deze staten van [datum] 2012, dat verdrag toepassen, voor zover het voorziet in:

(a)          de procedurele aspecten van het beheer van nalatenschappen, zoals gedefinieerd in het verdrag, en in bijstand in dit verband door de autoriteiten van de staten die partij zijn bij dit verdrag, en

(b)          vereenvoudigde en snellere procedures voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake erfopvolging.

Artikel 45 bisVerhouding tot Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad

Deze verordening laat de toepassing van Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures onverlet(11).

Artikel 46Informatie die ter beschikking van het publiek wordt gesteld

De lidstaten verstrekken, teneinde de informatie voor het publiek beschikbaar te maken in het kader van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, de Commissie een korte samenvatting van de nationale wetgeving en procedures betreffende de erfopvolging, met opgave van de autoriteiten die bevoegd zijn ter zake van erfopvolging, en de autoriteiten die bevoegd zijn om verklaringen van aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel overeenkomstig artikel 8 te erkennen.

De lidstaten verstrekken informatiebladen waarin vermeld staat welke documenten of informatie normaliter vereist is voor de registratie van onroerende goederen die op hun grondgebied gelegen zijn.

De informatie wordt door de lidstaten voortdurend geactualiseerd.

Artikel 46 bis

Informatie betreffende contactgegevens en procedures

1.      Uiterlijk op […](12) doen de lidstaten de Commissie mededeling van:

(a)      de naam en de contactgegevens van de gerechten of autoriteiten die bevoegd zijn voor het behandelen van het verzoek om een uitvoerbaarverklaring overeenkomstig artikel 33 ter, lid 1, en voor het rechtsmiddel tegen een beslissing over dit verzoek overeenkomstig artikel 33 octies, lid 2;

(b)       het in artikel 33 nonies bedoelde rechtsmiddel;

(c)       de informatie betreffende de in artikel 37 bedoelde instanties die bevoegd zijn om de erfrechtverklaring af te geven; en

(d)       de in artikel 44 bedoelde rechtsmiddelen.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van iedere wijziging in deze informatie.

2.      De overeenkomstig lid 1 medegedeelde informatie, met uitzondering van de adressen en overige contactgegevens van de onder a) bedoelde gerechten en instanties, wordt door de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

3.      De Commissie maakt alle overeenkomstig lid 1 medegedeelde informatie met andere passende middelen openbaar, in het bijzonder via het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken.

Artikel 47

Vaststelling en wijziging van de in artikel 2, lid 2, bedoelde lijst

1.        De Commissie stelt op basis van de kennisgevingen van de lidstaten de lijst van de in artikel 2, lid 2, bedoelde instanties en beoefenaren van juridische beroepen op.

2.      De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle latere wijzigingen in die lijst. De Commissie past de lijst dienovereenkomstig aan.

3.      De Commissie maakt de lijst en alle latere wijzigingen bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

4.      De Commissie maakt alle overeenkomstig de leden 1 en 2 medegedeelde informatie met andere passende middelen openbaar, in het bijzonder via het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken.

Artikel 47 bis

Vaststelling en wijziging van de in de artikelen 33 quater, 34, 35, 35 bis, 38 en 40 bis bedoelde verklaringen en formulieren

De uitvoeringshandelingen tot vaststelling en tot wijziging van de in de artikelen 33 quater, 34, 35, 35 bis, 38 en 40 bis bedoelde verklaringen en formulieren worden door de Commissie vastgesteld. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

Artikel 48Comitéprocedure

1.      De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.      Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 49

Herziening

Uiterlijk […](13) dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze verordening, met een evaluatie van de praktische problemen die rijzen met betrekking tot gerechtelijke schikkingen in erfopvolgingszaken in verschillende lidstaten, dan wel een buitengerechtelijke schikking in één lidstaat in combinatie met een gerechtelijke schikking in een andere lidstaat. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van wijzigingsvoorstellen.

Artikel 50Overgangsbepalingen

1.      Deze verordening is van toepassing op de erfopvolging van personen die zijn overleden op of na de datum van toepassing.

2.      Wanneer de erflater het op zijn erfopvolging toepasselijke recht had gekozen vóór de datum van toepassing van deze verordening, is deze keuze geldig indien zij voldoet aan de in hoofdstuk III bepaalde voorwaarden, of indien zij geldig is volgens de regels van het internationaal privaatrecht die op het tijdstip van de rechtskeuze golden in de staat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had of in een van de staten waarvan hij de nationaliteit had.

2 bis. Een uiterste wilsbeschikking die is gemaakt vóór de datum waarop deze verordening van toepassing wordt, is materieel en formeel toelaatbaar en geldig indien zij voldoet aan de in hoofdstuk III bepaalde voorwaarden, of indien zij materieel en formeel toelaatbaar is volgens de regels van het internationaal privaatrecht die op het tijdstip waarop de beschikking is gemaakt golden in de staat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had of in een van de staten waarvan hij de nationaliteit had of in de lidstaat van de autoriteit die de erfopvolging behandelt.

2 ter. Indien een uiterste wilsbeschikking is opgesteld vóór de datum waarop deze verordening van toepassing wordt, in overeenstemming met het recht dat de erflater op grond van deze verordening had kunnen kiezen, geldt dat als het op de erfopvolging toepasselijke recht.

Artikel 51Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van […](14), met uitzondering van de artikelen 46 en 46 bis, die van toepassing zijn met ingang van […](15), en van de artikelen artikel 47, 47 bis en 48, die van toepassing zijn met ingang van […](16).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten, overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement                      Voor de Raad

De voorzitter                                   De voorzitter

(1)

PB C 44 van 11.2.2011, blz. 148.

(2)

* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

(3)

            PB C 44 van 11.2.2011, blz. 148.

(4)

          PB C 12 van 15.1.2001, blz. 1.

(5)

          PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1.

(6)

         PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.

(7)

          PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.

(8)

         PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1.

(9)

          PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(10)

         PB L 324 van 10.12.2007, blz. 79.

(11)

        PB L 160 van 30.6.2000, blz. 1.

(12)

        PB: 9 maanden voor de publicatiedatum van de verordening.

(13)

        PB: 10 jaar na de datum waarop de verordening van toepassing wordt.

(14)

        PB: 36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(15)

        PB: 9 maanden voor de datum waarop de verordening van toepassing wordt.

(16)

        PB: De dag volgende op de dag van vaststelling van de verordening.


TOELICHTING

I. Inleiding

Het centrale vraagstuk van een Europese oplossing wordt gevormd door uniforme aanknopingscriteria voor de gerechtelijke bevoegdheid en het toepasselijke recht. Voor beide is volgens de door de Commissie opgestelde tekst de gewone verblijfplaats maatgevend. Daartoe behoort echter onvermijdelijk het recht van de erflater om het recht van zijn thuisland aan te wijzen als het recht dat op zijn erfopvolging toepasselijk is met daaraan verbonden de mogelijkheid dat in een dergelijk geval de procedure wordt verwezen naar een gerecht van het thuisland.

In het kader van deze combinatie moet het voorstel beoordeeld worden.

Iedere oplossing heeft sterke en zwakke punten. Er zullen altijd gevallen voorkomen waarbij het resultaat niet geheel bevredigend is. Dit heeft te maken met de aard van de kwestie, de ingewikkelde materie, de verscheidenheid van de levensomstandigheden en de tegenstrijdigheden tussen de doelstellingen van de diverse beoordelingen. Het voorstel moet derhalve beoordeeld worden door alle aspecten in aanmerking te nemen.

Om deze redenen moet worden ingestemd met de fundamentele besluiten in het voorstel van de Commissie. Deze komen ook wezenlijk overeen met het standpunt dat het Europees Parlement heeft ingenomen met betrekking tot het groenboek(1). Het voorstel creëert rechtszekerheid, is relatief duidelijk en eenvoudig en ook voor een normale burger te volgen wat betreft de kwesties die voor hem van wezenlijk belang zijn. Voorkomen wordt dat de nalatenschap wordt gesplitst. Door de koppeling met de gewone verblijfplaats zal het bevoegde gerecht in staat zijn om zijn eigen recht toe te passen, ook ten aanzien van onderdanen van derde landen. In de meeste gevallen zal de gewone verblijfplaats ook het centrum van de belangen van de erflater zijn.

In geval van aanwijzing van het op de erfopvolging toepasselijke recht kan de consistentie worden gewaarborgd door middel van verwijzing naar een gerecht van het thuisland.

Het nieuwe keuzerecht versterkt de autonomie van de burgers. Omdat dit recht beperkt is op grond van nationaliteit wordt tegelijkertijd de in het erfrecht vervatte ordefunctie en de bescherming van gezinsleden gewaarborgd en worden omzeilingen en misbruik zo goed mogelijk voorkomen. De nationaliteit is een betrouwbaar criterium voor de aanknoping.

Op deze basis is het mogelijk om te voorzien in de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen.

De door de Commissie voorgestelde tekst wordt afgerond met het creëren van een Europese erfrechtverklaring. Daarbij gaat het niet om een afsluitende, rechtsgeldige beslissing over de erfopvolging, maar om een certificerende verklaring over de erfopvolging. Deze dient grensoverschrijdend als bewijs voor inschrijvingen in registers en is ter bescherming van de verkrijger van een goed uit de nalatenschap voorzien van goede trouw. Daarmee wordt het grensoverschrijdende rechts- en handelsverkeer in erfopvolgingszaken aanzienlijk verbeterd.

Samenvattend dient het volgende te worden opgemerkt:

Voor burgers die hun gewone verblijfplaats in hun thuisland hebben, verandert er niets, indien hun totale vermogen zich uitsluitend daar bevindt. Indien zij vermogen, in het bijzonder onroerend goed, buiten hun thuisland bezitten, wordt ook dit uniform en zonder bijzondere testamentaire beschikkingen beheerst door het recht van hun thuisland.

Indien burgers hun gewone verblijfplaats buiten hun thuisland hebben of willen nemen, kunnen zij het recht van hun thuisland kiezen als toepasselijk recht. Dat is een aanzienlijke verbetering.

Ook de adviseurs in erfopvolgingszaken krijgen een veilige basis.

De gerechten of andere bevoegde instanties zullen in de regel in staat zijn om hun eigen recht toe te passen.

De afwikkeling van grensoverschrijdende erfopvolgingszaken wordt aanzienlijk vereenvoudigd.

Voor burgers die hun gewone verblijfplaats buiten hun thuisland hadden en die geen toepasselijk recht hebben aangewezen, geldt in geval van overlijden het erfrecht van de staat waar zij hun gewone verblijfplaats hadden. Dit is een vernieuwing voor alle lidstaten. Met het oog op bezwaren moet erop worden gewezen dat deze rechtssituatie ook op dit moment reeds in veel gevallen bestaat zonder dat burgers zich hiervan bewust zijn.

Met voorlichtingscampagnes kan op deze bezwaren worden ingegaan. Ieder voorstel voor een oplossing heeft voor- en nadelen en er kan niet met alle doelen tegelijk rekening worden gehouden. De rapporteur is van mening dat de huidige situatie en ook ieder ander voorstel wezenlijk meer problemen met zich mee brengt en geeft derhalve de voorkeur aan het voorgestelde concept.

De verordening kan niet alle problemen oplossen en is niet bedoeld om ieder detail te regelen, maar zal de huidige rechtssituatie aanzienlijk verbeteren. De burgers krijgen een duidelijke en zekere grondslag om hun erfopvolging te regelen. Ze kunnen hun rechten binnen de interne markt beter doen gelden. Rechtsduidelijkheid en rechtszekerheid zijn cruciale rechtsbeginselen, juist ook op het gebied van het erfrecht. De verordening versterkt deze beginselen, levert de burgers voordeel op en een omvangrijke Europese meerwaarde.

Uit voorzorg moet op de volgende punten worden gewezen:

1) Het toepasselijke recht is niet van invloed op de toepasselijke successiewetgeving.

2) Door de verordening wordt uitsluitend het internationaal privaatrecht geregeld. Het materiële erfrecht blijft onveranderd.

3) Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben van hun recht op een opt-out gebruik gemaakt.

De rechtsgrondslag van het voorstel voor de verordening is artikel 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

II. Afzonderlijke vraagstukken

Ondanks de instemming met de fundamentele besluiten in het voorstel blijven er nog lastige problemen en noodzakelijke correcties en aanvullingen over. Enkele hiervan moeten besproken worden.

Gewone verblijfplaats

De gewone verblijfplaats is een kernbegrip van de verordening. Hieraan wordt terecht bijzondere aandacht besteed en de wens bestaat om tot een zo duidelijk mogelijke definitie te komen. Een definitie met dwingende voorwaarden en/of termijnen doet geen recht aan de verscheidenheid van de levensomstandigheden. De bepaling ervan wordt daardoor uiteindelijk niet zekerder, maar mogelijk ingewikkelder. Na een overlijden moet het bevoegde gerecht zo snel mogelijk vastgesteld worden. Dit gerecht kan en moet de gewone verblijfplaats en zijn bevoegdheid aan de hand van algemene criteria, zoals in een overweging beschreven, in concrete, individuele gevallen vaststellen. Overigens moet erop worden gewezen dat zeer weinig nationale rechtsstelsels voorzien in een wettelijke definitie van dit begrip en dat ook de Europese verordening inzake de onderhoudsverplichtingen alsmede een groot aantal internationale overeenkomsten niet voorzien in een definitie.

Keuzerecht

Het voor vele burgers en staten nieuwe keuzerecht is een centraal element van het voorstel. In de zin van het beginsel favor testamenti moeten verschillende punten worden verduidelijkt en aangevuld.

Afbakening ten opzichte van het materiële en procesrecht van de lidstaten

Door de verordening wordt uitsluitend het IPR van de lidstaten geregeld worden en niet hun materiële erfrecht en ander materieel of procesrecht. Niettemin zijn er kleinere ingrepen en overlappingen. De oorzaak hiervan is gelegen in de verschillende manieren waarop het erfrecht, het materiële recht en de erfopvolgingsprocedure van de lidstaten zijn vormgegeven.

Het materiële en procesrecht van de lidstaten moet volgens het voorstel van de rapporteur zoveel mogelijk ongewijzigd blijven. Voor de erfgenamen kan dit leiden tot extra bureaucratie (zie artikel 21). Om deze reden dient de rapporteur uit voorzorg een tweede voorstel in, dat naar zijn mening het minimale bevat waarin voorzien moet worden om het nationale materiële en procesrecht van de lidstaten niet te benadelen.

Erfovereenkomsten

Erfovereenkomsten vormen in het IPR een bijzonder probleem, omdat ze in sommige staten onbekend zijn of zelfs verworpen worden. Het moet duidelijk zijn dat het erfrecht en daarmee bijvoorbeeld het wettelijk erfdeel voor iedere betrokkene bij een erfovereenkomst afzonderlijk overeenkomstig de verordening bepaald wordt.

De veranderingen kunnen ook van toepassing zijn op de lidstaten die de erfovereenkomst niet kennen.

Openbare orde

Het voorbehoud van openbare orde is een erkend rechtsbeginsel in het IPR. In de verhouding tussen de lidstaten mag dit beginsel gezien de gezamenlijke rechtsovertuigingen en waarden geen betekenis meer hebben.

Bezwaren in de zin dat er nieuwe mogelijkheden worden gecreëerd om het recht inzake wettelijke erfdelen te omzeilen, zijn ongegrond. Bijna alle lidstaten kennen het recht inzake wettelijke erfdelen, zij het in verschillende vormen. Indien de erflater het recht van zijn thuisland heeft gekozen, is er geen reden om omzeilingen in overweging te nemen. Bij een koppeling van het keuzerecht aan de gewone verblijfplaats zou daarover bezorgdheid kunnen ontstaan. Volgens het onderhavige voorstel is het niet alleen voldoende dat een burger zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat neemt, maar moet hij ook op het tijdstip van zijn overlijden daar zijn gewone verblijfplaats hebben (hij hoeft daar niet per se te overlijden). Het lijkt wat vergezocht om aan te nemen dat een groot aantal mensen op grond hiervan hun verblijfplaats wijzigen met het doel om deze verblijfplaats bij hun overlijden te hebben. Burgers die zich per se aan de wet willen onttrekken, kunnen daarvoor ook in het huidige recht mogelijkheden vinden.

Erkenning van authentieke akten

De rapporteur is voorstander van de erkenning van authentieke akten wat betreft hun vrije circulatie en de "erkenning" van hun echtheid en formele bewijskracht. Het begrip "erkenning" kan echter tot misverstanden leiden, niet alleen in het Duits, omdat het geen eenduidig begrip is, maar in de desbetreffende context moet worden uitgelegd.

Europese erfrechtverklaring

De Europese erfrechtverklaring moet beperkt blijven tot grensoverschrijdende zaken. Voor de afgifte ervan moeten alle instanties die zich met erfopvolging bezighouden, te weten gerechten, autoriteiten, notarissen of andere instanties, bevoegd zijn. Deze instanties moeten aangewezen worden door de lidstaat die op grond van hoofdstuk II bevoegd is.

(1)

Resolutie van het Europees Parlement van 16 november 2006 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende erfopvolging en testamenten (PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 342).


PROCEDURE

Titel

Bevoegdheid, toepasselijk recht, erkenning en uitvoering van besluiten en authentieke akten inzake erfopvolging en invoering van een Europese erfrechtverklaring

Document- en procedurenummers

COM(2009)0154 – C7-0236/2009 – 2009/0157(COD)

Datum indiening bij EP

14.10.2009

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

JURI

22.10.2009

 

 

 

Medeadviserende commissie(s)

       Datum bekendmaking

LIBE

22.10.2009

 

 

 

Geen advies

       Datum besluit

LIBE

10.5.2010

 

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Kurt Lechner

9.11.2009

 

 

 

Behandeling in de commissie

2.12.2009

28.1.2010

22.3.2010

29.4.2010

 

1.12.2010

21.3.2011

20.6.2011

11.7.2011

Datum goedkeuring

1.3.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Raffaele Baldassarre, Luigi Berlinguer, Sebastian Valentin Bodu, Françoise Castex, Christian Engström, Marielle Gallo, Giuseppe Gargani, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sajjad Karim, Klaus-Heiner Lehne, Antonio Masip Hidalgo, Jiří Maštálka, Alajos Mészáros, Bernhard Rapkay, Evelyn Regner, Alexandra Thein, Rainer Wieland, Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Piotr Borys, Cristian Silviu Buşoi, Kurt Lechner, Eva Lichtenberger, Angelika Niebler, Dagmar Roth-Behrendt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Oreste Rossi, Jacek Włosowicz

Datum indiening

6.3.2012

Laatst bijgewerkt op: 7 maart 2012Juridische mededeling