Procedure : 2011/2264(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0132/2012

Ingediende teksten :

A7-0132/2012

Debatten :

PV 10/05/2012 - 9
CRE 10/05/2012 - 9

Stemmingen :

PV 10/05/2012 - 12.27
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


VERSLAG     
PDF 177kWORD 102k
12 april 2012
PE 474.070v02-00 A7-0132/2012

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010

(C7-0351/2011 – 2011/2264(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Monica Luisa Macovei

AMENDEMENTEN
1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010

(C7-0351/2011 – 2011/2264(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010,

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010, tezamen met de antwoorden van het Instituut(1),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2012 (06083/2012 – C7-0051/2012),

–   gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(2), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid(3), en met name artikel 14,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(4), en met name artikel 94,

–   gezien artikel 77 en bijlage VI van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0132/2012),

1.  verleent de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Instituut voor het begrotingsjaar 2010;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010

(C7-0351/2011 – 2011/2264(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010,

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010, tezamen met de antwoorden van het Instituut(5),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2012 (06083/2012 – C7-0051/2012),

–   gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid(7), en met name artikel 14,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 94,

–   gezien artikel 77 en bijlage VI van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0132/2012),

1.  gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010

(C7-0351/2011 – 2011/2264(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010,

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010, tezamen met de antwoorden van het Instituut(9),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2012 (06083/2012 – C7-0051/2012),

–   gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid(11), en met name artikel 14,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(12), en met name artikel 94,

–   gezien artikel 77 en bijlage VI van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0132/2012),

A.  overwegende dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid ("het Instituut") werd opgericht op grond van Verordening 1922/2006 van 20 december 2006, en op 15 juni 2010 onafhankelijk is geworden;

B.  overwegende dat de Rekenkamer heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekeningen van het Instituut voor het begrotingsjaar 2010 betrouwbaar zijn en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;  

C. overwegende dat de totale begroting voor het begrotingsjaar 2010 van het Instituut 6 500 000 EUR bedroeg; overwegende dat de begroting van het Instituut volledig wordt gefinancierd uit bijdragen van de Unie;

1.  is ingenomen met het eerste verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Instituut betreffende het begrotingsjaar 2010;

Financieel en begrotingsbeheer

2.      merkt op dat het Instituut op 15 juni 2010 administratieve en financiële autonomie heeft gekregen;

3.      is van mening dat een fusie van het Instituut met het Europees Bureau voor de grondrechten moet worden overwogen om overlapping te voorkomen en de overheadkosten te reduceren;

4.      constateert uit het jaarlijks activiteitenverslag van het Instituut dat het Directoraat-generaal werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie (DG EMPL), het toezichthoudende DG van het Instituut, van 1 januari t/m 15 juni 2010 de verantwoordelijkheid voor het financieel beheer droeg namens het Instituut, met name voor personeels- en administratieve uitgaven, en dat DG EMPL gedurende deze periode betalingen heeft verricht voor een totaal bedrag van 846 876,91 EUR;

5.      constateert uit het jaarlijks activiteitenverslag dat binnen de beperkte tijdsspanne van zes maanden na de vaststelling van het jaarlijks werkprogramma 2010 en het verkrijgen van administratieve en financiële onafhankelijkheid, het Instituut een uitvoeringsgraad van de begroting van 65% had voor de vastleggingskredieten en van 26% voor de betalingskredieten; verzoekt het Instituut onmiddellijk stappen te ondernemen om in de toekomst te zorgen voor een toereikende uitvoeringsgraad van de begroting;

6.      merkt uit het jaarlijks activiteitenverslag van het Instituut op dat na een herziening van de ontwerpbegroting 2010, de raad van bestuur van het Instituut de aandacht vestigde op twee begrotingsonevenwichtigheden voor een totaal bedrag van 415 000 EUR:

-    een begrotingsonevenwicht van 195 000 EUR bij titel II, dat verband houdt met een te geringe besteding voor huurkosten aangezien de Litouwse overheid de huurkosten voor de gebouwen van het Instituut in Litouwen voor de eerste twee jaren van zijn activiteiten voor haar rekening neemt;

-    een begrotingsonevenwicht van 220 000 EUR bij titel III vanwege de verwachte lagere besteding voor werkingsgerelateerde uitgaven;

merkt op dat de raad van bestuur in oktober 2010 ermee instemde deze bevroren kredieten niet toe te wijzen aan het Instituut; verzoekt het Instituut de kwijtingsautoriteit op de hoogte te brengen van de ondernomen acties met betrekking tot deze bevroren kredieten;

Boekhouding

7.      stelt vast dat het Instituut in 2010 de verantwoordelijkheden van de financiële actoren voor personeelsleden heeft vastgelegd en financiële procedures heeft ontwikkeld voor vastleggingen; merkt bovendien op dat het Instituut alle financiële actoren heeft benoemd en tegen het einde van 2010 hun rol en verantwoordelijkheden heeft bepaald;

8.      constateert uit het jaarlijks activiteitenverslag van het Instituut dat de directeur van het Instituut de bevoegdheid van ordonnateur heeft gedelegeerd aan het Hoofd Administratie voor een maximaal bedrag van 500 000 EUR voor titel I en II, en beperkt tot een jaar voor titel III; neemt er ook kennis van dat een vervanger voor de rekenplichtige werd aangesteld;

9.      constateert uit het jaarlijks activiteitenverslag dat er eind 2010 procedures waren ingevoerd en werden uitgevoerd voor de volgende administratieve gebieden: dienstreizen, klachtenbeheer, open forum voor overheidsopdrachten, btw, kwalitatief boekhouden, afstemming van het banksaldo, betalingscyclus, vastleggingen en betalingen, en dat er een telecommunicatiebeleid en een kader voor documentenregistratie zijn ontwikkeld en uitgevoerd;

Openbare aanbestedingen

10.    merkt op dat er in 2010 63 aanbestedingen zijn uitgevoerd en contracten voor de aanbestede diensten werden ondertekend; merkt op dat het totale bedrag waarvoor een contract werd afgesloten 1 974 626 EUR bedroeg;

11.    constateert uit het jaarlijks activiteitenverslag dat er zich bij de aanbestedingsprocedures twee grote moeilijkheden hebben voorgedaan:

-    de beschikbare tijdsspanne voor het uitvoeren van een aanbestedingsprocedure was erg strak en bracht de uitvoering van de geplande studies en de daaraan verbonden begroting in gevaar;

-    het gebrek aan gekwalificeerde ondersteuning voor de eenheid Operaties, waarin het merendeel van de personeelsleden weinig of geen kennis had van openbare-aanbestedingsprocedures;

wijst erop dat deze complicaties zorgden voor bepaalde vertragingen en dat een aantal aanbestedingsprocedures moest worden geannuleerd, waardoor het merendeel van de begrotingsvastleggingen moest worden overgeheveld naar 2011; verzoekt het Instituut bijgevolg de situatie te verbeteren en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te brengen van de ondernomen acties;

12.      merkt verder op dat 85% van de aanbestede contracten (1 628 122 EUR) verband hield met diensten ter ondersteuning van beleidsuitgaven, en dat het resterende bedrag van 292 504 EUR (15%) werd aanbesteed voor goederen en diensten die de administratieve activiteiten ondersteunden;

Personeelszaken

13.      merkt uit het jaarlijks activiteitenverslag op dat het Instituut 23 tijdelijke functionarissen en 6 arbeidscontractanten heeft aangeworven, en 92,3% van de doelstelling van zijn personeelsformatie heeft verwezenlijkt;

14.      wijst op de noodzaak alle vacatures in te vullen die noodzakelijk zijn voor de doeltreffende werking van het Instituut en voor de verwezenlijking van de vastgestelde doelen;

Prestaties

15.    wijst erop dat het Instituut overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1922/2006 tot oprichting van het Instituut, tegen 18 januari 2010 opdracht had moeten geven voor een onafhankelijke externe beoordeling van zijn prestaties; merkt uit het jaarlijks activiteitenverslag op dat de raad van bestuur de ex post beoordeling heeft uitgesteld aangezien het Instituut pas op 19 januari 2010 operationeel werd, maar besloot in 2010 opdracht te geven tot een ex ante beoordeling en tot een tussentijdse beoordeling tegen 2013; verzoekt het Instituut de resultaten van deze ex ante beoordeling onmiddellijk mee te delen aan de kwijtingsautoriteit;

16.    erkent dat het Instituut, gesteund door DG EMPL, in december 2010 specificaties heeft opgesteld voor de "tweede ex ante beoordeling van het Europees Instituut voor gendergelijkheid die zich concentreert op de specifieke doelstellingen en activiteiten van het Instituut";

17.    verzoekt het Instituut de kwijtingsautoriteit op de hoogte te brengen van de uitvoering van deze beoordelingen en van hun respectieve conclusies;

18. herinnert de Rekenkamer eraan dat de werkzaamheden van het Instituut uiterst belangrijk zijn voor de bevordering van gendergelijkheid in de Unie; merkt dan ook op dat in toekomstige verslagen uitgebreid kenbaar moet worden gemaakt of de activiteiten van het Instituut worden belemmerd door problemen in een van de stadia van de begrotingsprocedure;

19.      benadrukt dat in een tijd van economische crisis en bezuinigingen het van wezenlijk belang is dat de kosten-batenverhouding bij het Instituut optimaal is zonder dat de uitvoering van zijn belangrijke taken hierbij in het gedrang komt;

Vestigingsplaats

20.    constateert uit het jaarlijks activiteitenverslag van het Instituut dat het personeel van het Instituut op 1 maart 2010 werd overgeplaatst van zijn tijdelijke gebouwen in Brussel naar de permanente zetel van het Instituut in Vilnius, Litouwen;

Interne audit

21.    is er door het Instituut van op de hoogte gebracht dat de eerste audit door de dienst Interne audit zal worden uitgevoerd in de loop van 2012;

22.    constateert uit het jaarlijks activiteitenverslag dat OLAF in november 2010 het Instituut heeft bezocht en een eerste opleidingssessie voor het personeel heeft verzorgd over controlebeginselen en de normen voor interne controle; erkent bovendien dat in 2010 een samenwerkingsovereenkomst tussen OLAF en het Instituut is voorbereid en dat de raad van bestuur van het Instituut verwacht deze aan te nemen in het eerste kwartaal van 2011;

°

° °

23.    verwijst voor andere, horizontale opmerkingen bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van ... 2012 over de prestaties en het financiële beheer van en het toezicht op de agentschappen.

30.1.2012

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2010

(C7-0351/2011 - 2011/2264(DEC))

Rapporteur voor advies: Barbara Matera

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is verheugd over het eerste verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid betreffende het begrotingsjaar 2010;

2.  wijst op de bevestiging van de Rekenkamer dat de jaarrekening van het instituut over een begroting van 6 525 000 EUR in alle materiële opzichten een getrouw beeld geeft van zijn financiële situatie per 31 december 2010 en dat de verrichtingen en kasstromen van het instituut betreffende het begrotingsjaar 2010 in overeenstemming zijn met de bepalingen van zijn Financieel Reglement;

3.  is verheugd dat de Rekenkamer heeft verklaard dat de transacties waarop de jaarrekening van het instituut betreffende het begrotingsjaar 2010 is gebaseerd, in alle materiële opzichten, wettig en regelmatig zijn;

4.  merkt op dat 195 000 EUR onder titel 2 - infrastructuur- en operationele uitgaven, zijn bevroren als gevolg van de onderbesteding bij huuruitgaven, aangezien de Litouwse regering de huurkosten van het gebouw van het instituut voor de eerste twee werkingsjaren, d.w.z. t/m 15 december 2011, heeft gedekt, zoals aangegeven in het jaarlijks verslag over de werkzaamheden van het instituut;

5.  merkt op dat 220 000 EUR onder titel 3 - operationele uitgaven, zijn bevroren als gevolg van de onderbesteding bij operationele uitgaven, vanwege de vertraagde start van de operationele activiteiten van het instituut als gevolg van problemen bij het aanwerven van gekwalificeerd personeel, zoals aangegeven in het jaarlijks verslag over de werkzaamheden van het instituut;

6.  wijst op de noodzaak alle vacatures op te vullen die noodzakelijk zijn voor de doeltreffende werking van het instituut en de verwezenlijking van de vastgestelde doelen;

7.  betreurt de vertraging en het annuleren van een aantal aanbestedingsprocedures, in de eerste plaats vanwege het feit dat het instituut pas aan het einde van het tweede kwartaal van 2010 financieel en administratief onafhankelijk werd en in de tweede plaats vanwege een gebrek aan deskundige ondersteuning van de operationele eenheid van het instituut; merkt op dat om deze redenen het grootste gedeelte van de begrotingsvastlegging naar 2011 moest worden overgedragen, zoals aangegeven in het jaarlijks verslag over de werkzaamheden van het instituut;

8.  herinnert de Rekenkamer eraan dat de werkzaamheden van het instituut uiterst belangrijk zijn voor de bevordering van gendergelijkheid in de Europese Unie; merkt dan ook op dat in toekomstige verslagen uitgebreid kenbaar zal worden gemaakt of de activiteiten van het instituut worden belemmerd door problemen in een van de stadia van de begrotingsprocedure;

9.  benadrukt dat in een tijd van economische crisis en bezuinigingen het van wezenlijk belang is dat de kosten-batenverhouding bij het instituut optimaal is zonder dat het hiervan schade ondervindt bij de uitvoering van zijn belangrijke taken.UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.1.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Emine Bozkurt, Iratxe García Pérez, Mikael Gustafsson, Mary Honeyball, Lívia Járóka, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Nicole Kiil-Nielsen, Silvana Koch-Mehrin, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Constance Le Grip, Astrid Lulling, Barbara Matera, Antonyia Parvanova, Raül Romeva i Rueda, Joanna Senyszyn, Marc Tarabella, Angelika Werthmann, Marina Yannakoudakis

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Izaskun Bilbao Barandica, Anne Delvaux, Christa Klaß, Mariya Nedelcheva, Katarína Neveďalová, Antigoni Papadopoulou, Sirpa Pietikäinen, Rovana Plumb

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

William (The Earl of) Dartmouth

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.3.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jean-Pierre Audy, Ryszard Czarnecki, Tamás Deutsch, Martin Ehrenhauser, Jens Geier, Gerben-Jan Gerbrandy, Ingeborg Gräßle, Cătălin Sorin Ivan, Iliana Ivanova, Monica Luisa Macovei, Jan Mulder, Eva Ortiz Vilella, Aldo Patriciello, Crescenzio Rivellini, Petri Sarvamaa, Theodoros Skylakakis, Bogusław Sonik, Bart Staes, Georgios Stavrakakis, Michael Theurer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Amelia Andersdotter, Philip Bradbourn, Zuzana Brzobohatá, Edit Herczog, Derek Vaughan

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Louis Grech

(1)

PB C 366 van 15.12.2011, blz 173.

(2)

PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(3)

PB L 403 van 30.12.2006, blz. 9.

(4)

PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

(5)

PB C 366 van 15.12.2011, blz 173.

(6)

PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(7)

PB L 403 van 30.12.2006, blz. 9.

(8)

PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

(9)

PB C 366 van 15.12.2011, blz 173.

(10)

PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(11)

PB L 403 van 30.12.2006, blz. 9.

(12)

PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

Laatst bijgewerkt op: 26 april 2012Juridische mededeling