Procedure : 2011/2286(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0159/2012

Ingediende teksten :

A7-0159/2012

Debatten :

PV 11/06/2012 - 22
CRE 11/06/2012 - 22

Stemmingen :

PV 12/06/2012 - 6.5
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0235

VERSLAG     
PDF 275kDOC 157k
4 mei 2012
PE 480.793v03-00 A7-0159/2012

over de vaststelling van een nieuwe ontwikkelingssamenwerking met Latijns-Amerika

(2011/2286(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Rapporteur voor advies: Ricardo Cortés Lastra

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de vaststelling van een nieuwe ontwikkelingssamenwerking met Latijns-Amerika

(2011/2286(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de verklaringen van de zes toppen van staatshoofden en regeringsleiders van Latijns-Amerika en het Caribisch gebied en de EU die plaats hadden in Rio de Janeiro (28 en 29 juni 1999), Madrid (17 en 18 mei 2002), Guadalajara (28 en 29 mei 2004), Wenen (12 en 13 mei 2006), Lima (16 en 17 mei 2008) en Madrid (17 en 18 mei 2010),

–   gezien de verklaring die is aangenomen op de 21e Ibero-Amerikaanse top van staatshoofden en regeringsleiders, die op 28 en 29 oktober 2011 plaatsvond in Asunción (Paraguay),

–   gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), het bijbehorende Protocol van Kyoto, de resultaten van de 25e Conferentie van de partijen bij het UNFCCC in Kopenhagen, de 16e conferentie in Cancún en de zeventiende in Durban,

–   gezien de consensus van Monterrey (2002), de conferentie inzake ontwikkelingsfinanciering van Doha (2008), de verklaring van Parijs (2005) en de agenda voor verandering van Accra (2008),

–   gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000, waarin de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling zijn vastgelegd als de door de internationale gemeenschap gezamenlijk overeengekomen criteria voor armoedebestrijding,

–   gezien de verklaring en het actieplan die in december 2011 zijn aangenomen op het forum op hoog niveau van Busan over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp,

–   gezien het voorbereidend proces voor de conferentie van de Verenigde Natie over duurzame ontwikkeling (Rio+20),

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de 14e ministeriële vergadering van de Groep van Rio en de Europese Unie, die op 13 en 14 mei 2009 in Praag werd gehouden,

–   gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) waarin wordt bepaald dat "het hoofddoel van het beleid van de Unie op [het gebied van ontwikkelingssamenwerking] is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen. De Unie houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking",

–   – gezien de Europese Consensus over ontwikkeling(1), en in het bijzonder punt 61 daarvan, waarin het belang van middeninkomenslanden voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling wordt erkend en waarin de moeilijkheden waarmee die landen en hogere middeninkomenslanden te kampen hebben, worden omschreven;

–   gezien de gedragscode inzake complementariteit en taakverdeling van 2007,

–   gezien de conclusies van de Raad van de Europese Unie van 8 december 2009 over de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika,

–   gezien het Actieplan van Madrid dat door de EU-LAC-top van mei 2010 is goedgekeurd en de zes thematische pijlers daarvan: 1- wetenschap, onderzoek, innovatie en technologie; 2- duurzame ontwikkeling, milieu, klimaatverandering, biodiversiteit, energie; 3- regionale integratie en interconnectiviteit ter bevordering van de sociale inclusie en cohesie; 4- migratie; 5- onderwijs en werkgelegenheid; 6- drugs,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(2),

–   gezien het document van de Commissie inzake regionale programmering voor Latijns-Amerika (2007-2013) van 12 juli 2007 (E/2007/1417), en de tussentijdse evaluatie,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2009, met de titel "De Europese Unie en Latijns-Amerika: Een partnerschap van wereldspelers" (COM(2009)0495),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 15 september, met de titel "Coherentie van het ontwikkelingsbeleid – vaststelling van een beleidskader dat de hele Unie omvat" (COM (2009)0458, en de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 17 november 2009 over beleidscoherentie voor ontwikkeling en een operationeel kader voor de doeltreffendheid van de hulp,

–   gezien het Groenboek van de Commissie van 10 november 2010 met de titel "EU-ontwikkelingsbeleid ter ondersteuning van groei voor iedereen en duurzame ontwikkeling – Het EU-ontwikkelingsbeleid trefzekerder maken" (COM(2010)0629),

–   gezien de mededeling van de Commissie met de titel "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering", die werd aangenomen op 13 oktober 2011 (COM(2011)0637),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 20 augustus 2009 met de titel "Het bbp en verder. Meting van de vooruitgang in een veranderende wereld" (COM(2009)0433),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met de titel "Voorbereiding van het meerjarige financiële kader betreffende de financiering van de EU-samenwerking met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de landen en gebieden overzee voor de periode 2014-2020" (COM(2011)0837, SEC(2011)1459, SEC(2011)1460),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (COM(2011)0843, SEC(2011)1475, SEC(2011)1476),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 29 juli 2011 met de titel "Een begroting voor Europa 2020" (COM(2011)0500), en het werkdocument van de Commissie van dezelfde datum met de titel "Een begroting voor Europa 2020: het huidige financieringssysteem, de toekomstige uitdagingen, de resultaten van de raadpleging van belanghebbenden en verschillende opties inzake de belangrijkste horizontale en sectorale kwesties" (SEC(2011)0868),

–   gezien de gemeenschappelijke mededeling van het Europees Parlement en de Raad met de titel "De rol van Europa in de wereld: een nieuwe aanpak voor de financiering van het externe optreden van de EU" (COM(2011)0865),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (COM(2011)0840, SEC(2011)1469, SEC(2011)1470),

–   – gezien de resoluties van de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering (EuroLat), en voornamelijk de resoluties die zijn aangenomen tijdens de vijfde plenaire algemene vergadering van 18 en 19 mei 2011 in Montevideo, Uruguay, over de vooruitzichten voor de handelsbetrekkingen tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika en over de strategieën voor de bescherming en creatie van werkgelegenheid, met name voor vrouwen en jongeren, en over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika op het vlak van veiligheid en defensie,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 15 november 2001 over het globaal partnerschap en een gemeenschappelijke strategie voor de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika, van 27 april 2006 over een sterker partnerschap tussen de EU en Latijns-Amerika, en van 24 april 2008 over de vijfde top EU-Latijns-Amerika en de Caraïben (EU-LAC) in Lima(3),

–   gezien de resoluties over de strategie van de EU voor de betrekkingen met Latijns-Amerika(4), over de handelsbetrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika(5), en over het trefzekerder maken van het EU-ontwikkelingsbeleid(6),

–   gezien de studie aangaande een nieuw ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de EU voor Latijns-Amerika: nadruk op sociale cohesie, regionale integratie en zuid-zuidsamenwerking (december 2011),

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van zijn Commissie ontwikkelingsamenwerking en het advies van zijn Commissie buitenlandse zaken (A7-0159/2012),

A. overwegende dat, zoals bepaald in het Verdrag van Lissabon, het algemene doel van ontwikkelingssamenwerking is om armoede uit te bannen en duurzame economische en sociale ontwikkeling te bevorderen, inclusief het tegen 2015 verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

B.  overwegende dat de regio tot de groep middeninkomenslanden behoort die grote successen heeft geboekt bij de terugdringing van de armoede – in slechts een decennium van 44% naar 33% – en van de ongelijkheid via economische groei en politieke en sociale hervormingen, maar dat desondanks nog steeds een op de drie mensen uit Latijns-Amerika onder de armoedegrens leven – 180 miljoen mensen – en dat 10 landen uit de regio deel blijven uitmaken van de 15 landen met de hoogste ongelijkheid ter wereld(7); overwegende dat in enkele landen meer dan 20% van de bevolking ondervoed is, dat 28 miljoen burgers niet kunnen lezen of schrijven en dat 44 miljoen mensen buiten het socialezekerheidsstelsel vallen;

C. overwegende dat het IMF de gemiddelde groei van het bbp voor Latijns-Amerika in 2011 op 4,5% heeft geraamd en dat enkele van de huidige vooruitzichten wijzen op een wereldwijde economische achteruitgang in 2012, waardoor er onzekerheid blijft heersen over de gevolgen van de mondiale economische en financiële crisis voor de regio;

D. overwegende dat middeninkomenslanden een motor voor ontwikkeling en regionale integratie vormen en dat een crisis in die landen de vooruitgang van lage-inkomenslanden in de regio belemmert;

E.  overwegende dat de vertraging van de groei in de landen van de regio ongelijk verloopt en dat externe steun in Bolivia, Honduras, Nicaragua en Suriname een van de belangrijkste financieringsbronnen voor ontwikkeling blijft, samen met de bijdragen uit overschrijvingen van emigranten, die goed zijn voor tussen de 6% en 25% van het bbp van die landen;

F.  overwegende dat bij de vaststelling van een nieuw samenwerkingsbeleid rekening moet worden gehouden met de specifieke prioriteiten en behoeften van ieder land en dat de EU bij het aanvoeren van de zuid-zuidsamenwerking, de armoedebestrijding en de ontwikkeling op regionaal en mondiaal niveau zal moeten samenwerken met alle Latijns-Amerikaanse landen, met name de middeninkomenslanden;

G. overwegende dat sociale cohesie sinds de lancering van het strategische partnerschap tijdens de top in Guadalajara in 2004 altijd een van de belangrijkste doelstellingen van dit partnerschap is geweest, aangezien het voor deze regio belangrijk is om een betere verdeling van de inkomsten en de rijkdom teweeg te brengen via passend beleid dat een stimulans biedt voor duurzame ontwikkeling en meer rechtvaardigheid en sociale cohesie;

H. overwegende dat de mensenrechten, democratie en goed bestuur van bijzonder belang zijn voor de agenda voor verandering; overwegende dat Latijns-Amerika een continent is waar de democratie over het algemeen voet aan de grond heeft en waarmee Europa democratische waarden en beginselen deelt; overwegende dat er in Latijns-Amerika behoefte is aan ondersteuning van het bestuur en van het institutionele karakter van de staat, dat door geweld en onzekerheid wordt bedreigd;

I.   overwegende dat het in middeninkomenslanden beter zou zijn om de steun te richten op de versterking van de institutionele en regelgevingscapaciteit, het ontwerp van overheidsbeleid, de steun voor sociale actoren en de vrijmaking van middelen ter aanvulling op de financiële ontwikkelingshulp;

J.   overwegende dat Latijns-Amerika en de EU een strategisch biregionaal partnerschap vormen op basis van gemeenschappelijke waarden en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; overwegende dat twee van de negen strategische partners van de EU in de wereld (Brazilië en Mexico) tot Latijns-Amerika behoren; overwegende dat de EU de voornaamste investeerder en de tweede handelspartner is, evenals de voornaamste donor van ontwikkelingshulp, met een aandeel van 53% van de officiële ontwikkelingshulp die de regio ontvangt;

K. overwegende dat een groot deel van de mensen die over heel de wereld in armoede leven, in deze middeninkomenslanden woont; overwegende dat deze landen vaak te kampen hebben met grote ongelijkheden en een zwak bestuur, wat de duurzaamheid van hun eigen ontwikkelingsproces in gevaar brengt; overwegende dat veel middeninkomenslanden een belangrijke rol spelen in politieke, veiligheids- en handelskwesties op mondiaal niveau, doordat zij mondiale collectieve goederen produceren en optreden als "ankerpunt" op het regionale niveau; overwegende dat zij ondanks periodes van economische vooruitgang kwetsbaar blijven voor de mondiale economische, milieu- en veiligheidsrisico's;

L.  overwegende dat sommige landen van Latijns-Amerika zijn gaan bijdragen aan de inspanningen op het vlak van ontwikkelingssamenwerking via de regionale samenwerkingsmechanismen en de zuid-zuidsamenwerking;

M. overwegende dat Latijns-Amerika een prioriteit moet blijven voor de EU, wat blijkt uit de biregionale betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika, waarin de afgelopen jaren grote vooruitgang is geboekt, zoals de associatieovereenkomsten met Midden-Amerika, Chili en Mexico, de multilaterale handelsovereenkomst met Colombia en Peru, de onderhandelingen met Mercosur, het Actieplan van Madrid en de oprichting van de EU-LAC-stichting;

N. overwegende dat de steun aan middeninkomenslanden volgens de Europese Consensus voor ontwikkeling belangrijk blijft om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te verwezenlijken;

O. overwegende dat de EU het ontwikkelings- en stabilisatieproces van de regio moet blijven steunen via de overeenkomsten met partners in de regio – waaronder de associatieovereenkomsten – en haar ontwikkelingshulp; overwegende dat het zeer zorgwekkend is dat de EU deze steun kan staken zodra genoemd proces resultaat gaat tonen;

P.  overwegende dat het huidige voorstel van de Commissie over het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voorziet in een beperking van de bilaterale steun van de EU aan de middeninkomenslanden van Latijns-Amerika en dat de basisvoorzieningen van de prioriteitenlijst van de regio zijn verdwenen;

Q. overwegende dat uit de voor Latijns-Amerika toegewezen begrotingsmiddelen uit het huidige financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking blijkt dat deze regio op het vlak van financiering de minste aandacht krijgt binnen de structuur van hoofdstuk IV van de EU-begroting in vergelijking met andere gebieden die Europese steun krijgen;

R.  overwegende dat sociale cohesie vele aspecten omvat, zoals de strijd tegen armoede, de beperking van de ongelijkheid, de waarborging van universele toegang tot basisvoorzieningen zoals de gezondheidszorg, onderwijs, pensioen en huisvesting, de erkenning en bescherming van de sociale dialoog en van de arbeidsrechten; overwegende dat er behoefte is aan een fiscaal pact dat een betere en billijke verdeling van de inkomsten garandeert;

S.  overwegende dat China is uitgegroeid tot de op twee na grootste investeerder in Latijns-Amerika en dat China voor sommige producten de belangrijkste of zelfs de enige exportmarkt is geworden; overwegende dat de EU daarom een actievere rol moet spelen om haar handels- en investeringsbetrekkingen met de Latijns-Amerikaanse landen binnen het WTO-stelsel te verbeteren;

T.  overwegende dat los van de connotaties die in de EU of in Latijns-Amerika verbonden zijn aan sociale cohesie, dat begrip in beide regio's wordt gezien als een leidraad voor het overheidsbeleid waarmee strategieën voor ontwikkeling kunnen worden gericht op welvaart voor de gehele bevolking, om zo polarisatie, desinteresse en een verlies van vertrouwen in de democratische instellingen te vermijden;

U. overwegende dat beleidscoherentie, een betere coördinatie en meer complementariteit in het kader van een betere verdeling van de arbeid enkele van de grootste uitdagingen blijven voor de donoren in de regio, en dat daarom een grotere concentratie en voorspelbaarheid van de ontwikkelingshulp nodig is;

V. overwegende dat het scheppen van welvaart en de bestrijding van armoede, ongelijkheid, uitsluiting en discriminatie – vooral van vrouwen, jongeren en etnische minderheden – evenals de bevordering van sociale cohesie en de mensenrechten een belangrijke prioriteit van het strategisch partnerschap EU-Latijns Amerika blijven;

W. overwegende dat de regio verontrustende cijfers voorlegt wat betreft de strijd tegen kinder- en moedersterfte, en dat gendergelijkheid en het versterken van de politieke en economische positie van vrouwen essentiële factoren zijn voor het terugdringen van de armoede;

X. overwegende dat het stelsel van algemene preferenties (SAP) van de EU een belangrijk instrument is om ontwikkelingslanden in staat te stellen in grotere mate deel te nemen aan de mondiale handel en zo aanvullende uitvoeropbrengsten te genereren ter ondersteuning van de economische groei en van de tenuitvoerlegging van beleidsstrategieën voor ontwikkeling en armoedebestrijding;

Y. overwegende dat het bbp niet volstaat als enige indicator voor het meten van ongelijkheid, noch als basis voor beslissingen over de toewijzing van ontwikkelingshulp van de EU met het oog op de uitbanning van armoede;

Z.  overwegende dat Latijns-Amerikaanse landen veel minder uitvoeren naar hun buurlanden dan landen in andere continenten; overwegende dat het relatief beperkte handelsverkeer te wijten is aan de lange afstanden, hoge tarieven, douane, afzonderlijke handelsovereenkomsten en ontoereikende infrastructuurnetwerken;

AA overwegende dat onderwijs en opleiding, evenals universele toegang tot diensten voor volksgezondheid, van essentieel belang zijn bij de bestrijding van armoede en de bevordering van sociale cohesie;

AB overwegende dat de achteruitgang van het milieu rechtstreekse gevolgen heeft voor het ontstaan van armoede; overwegende dat Latijns-Amerika het grote milieureservaat van de planeet is, aangezien Brazilië, Mexico, Peru en Colombia tot de landen met de grootste biodiversiteit behoren, maar dat het continent tegelijkertijd bijzonder kwetsbaar is voor klimaatverandering;

AC overwegende dat het verbeteren van de belastinginning van fundamenteel belang is om een bekwame staat tot stand te brengen die in staat is om zijn bevolking basisvoorzieningen, zoals gezondheidszorg, sanitaire voorzieningen en onderwijs te bieden;

AD overwegende dat de meest vernietigende effecten van de klimaatverandering en de opwarming van de aarde Latijns-Amerika en het Caribisch gebied zwaar treffen, aangezien de landen in die regio tot de kwetsbaarste ter wereld behoren; overwegende dat natuurrampen in Midden-Amerika hebben geleid tot een verlies van 54% van het regionale bbp;

AE overwegende dat de privésector uitdrukkelijk wordt vermeld in de agenda voor verandering als fundamentele speler voor het tot stand brengen van duurzame ontwikkeling en het bijdragen tot sociale cohesie;

AF overwegende dat de gestructureerde biregionale en mondiale dialoog over migratie tussen de EU en Latijns-Amerika van groot belang is, en dat het migratiebeleid in beide regio's moet waarborgen dat de grondrechten van migranten worden geëerbiedigd;

AG overwegende dat sommige landen van Latijns-Amerika tot de meest gewelddadige landen ter wereld behoren, en dat de criminaliteit op het vlak van drugshandel, georganiseerde misdaad, het witwassen van geld, wapenhandel en corruptie een zeer ernstig probleem blijft in de regio en ontwikkeling in de weg staat;

AH overwegende dat het Commissievoorstel voor het partnerschapsinstrument is toegespitst op de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie in de regio; overwegende dat dit voorstel voornamelijk gericht is op de strategische partners en de opkomende economieën, en tevens uitgaat van een globale benadering die is afgestemd op de mondiale uitdagingen en dreigingen;

AI overwegende dat corruptie die verband houdt met criminele netwerken, in het bijzonder voor drugsdistributie en -handel, een bedreiging vormt voor het democratische stelsel en de collectieve veiligheid in Latijns-Amerika, aangezien deze vorm van corruptie binnendringt in de instellingen, territoriale invloedszones tot stand brengt, zijdelingse schade aanricht en ernstige problemen veroorzaakt voor de stabiliteit en het politiek bestuur;

1.  herinnert eraan dat, hoewel de effecten van de mondiale economische en financiële crisis in Latijns-Amerika minder ernstig waren dan in andere regio's, de indices voor ongelijkheid en de armoedepercentages zeer hoog blijven, en dat er onvoldoende voortgang is geboekt bij de verwezenlijking van zes van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

2.  benadrukt dat de coördinatie tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika bij het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling moet worden verbeterd, met name wat betreft de maatregelen voor armoedebestrijding, het scheppen van banen en de maatschappelijke integratie van gemarginaliseerde groepen; benadrukt dat de millenniumdoelstelling van een mondiaal partnerschap voor ontwikkeling (MDG 8) centraal moet staan in het beleid van de EU voor de samenwerking met Latijns-Amerika, en dat daarbij gebieden moeten worden gekozen waarin de nieuwe strategie van "inclusieve groei" wordt toegepast; beklemtoont dat de Stichting EU-Latijns-Amerika/Caraïben (EU-LAC) een grote bijdrage kan leveren aan het bereiken van deze doelstellingen;

3.  is van mening dat de economische en technologische vooruitgang in sommige Latijns-Amerikaanse landen het noodzakelijk maakt om de doelstellingen van de bilaterale ontwikkelingssamenwerking van de EU te heroverwegen; verzoekt om een heroriëntatie van de samenwerking naar waar deze het hardst nodig is om armoede te bestrijden; benadrukt dat we te kampen hebben met gemeenschappelijke uitdagingen en dat we deze het hoofd moeten bieden door de multilaterale aanpak te versterken; benadrukt dat de verbanden tussen groei, handel, ontwikkeling en het terugdringen van de armoede noch eenvoudig, noch automatisch zijn; moedigt de Commissie daarom aan om in de context van het debat over het toekomstige ontwikkelingsbeleid van de EU diep na te denken over het huidige ontwikkelingsmodel en om lering te trekken uit de afgelopen decennia, teneinde de armoede en ongelijkheid doeltreffend te verlichten zonder de politieke ruimte te beperken;

4.  is van oordeel dat het samenwerkings- en ontwikkelingsbeleid van de EU in nauw overleg met Latijns-Amerika moet worden vormgegeven om tot een duurzaam, billijk en evenwichtig ontwikkelingsbeleid jegens die regio te komen;

5.  wijst erop dat, hoewel steun een hefboomwerking kan hebben voor Latijns-Amerikaanse landen, dit niet voldoende is om duurzame en blijvende ontwikkeling te garanderen; verzoekt de landen van Latijns-Amerika daarom hun binnenlandse middelen te versterken en te mobiliseren, transparante belastingstelsels en een fiscaal beleid vrij van corruptie en fraude in te stellen, de privésector, plaatselijke overheden en het maatschappelijk middenveld effectief bij de agenda van de EU en Latijns-Amerika te betrekken (met name via samenwerking, technische hulp en juridische en fiscale training bij lokale overheden), en hun eigen inbreng in de projecten te vergroten;

6.  is van mening dat de grote Aziatische investeringen, met name op het gebied van vindplaatsen van grondstoffen, koolwaterstof en agrarische hulpbronnen in verschillende landen van Latijns-Amerika de Europese Unie ertoe moet aanzetten om haar steun voor de duurzame ontwikkeling in de regio snel en doeltreffend te versterken;

7.  is van oordeel dat het ontwikkelingsbeleid tussen Latijns-Amerika en de EU in evenwicht moet worden gebracht en dat Latijns-Amerika zich daarom bijzonder moet inzetten om politieke, economische en handelsintegratie in de regio te bevorderen;

8.  benadrukt dat de vooruitgang in de betrekkingen met Latijns-Amerika gepaard moet gaan met een coherent beleid voor ontwikkelingssamenwerking; beschouwt het daarom als noodzakelijk samenwerkingsinstrumenten en -doelstellingen voor ieder land te ontwikkelen, zodat de middelen op de meest kwetsbare landen worden gericht en de beleidscoherentie voor ontwikkeling wordt verbeterd;

9.  verzoekt de Commissie en de Raad om het voor Latijns-Amerika bestemde steunvolume van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 op een derde van het geografische totaalbedrag te houden;

10. is ingenomen met het beginsel van differentiatie en concentratie van de steun zoals voorgesteld door de Commissie; benadrukt dat de differentiatie geleidelijk in de programmeringsfase moet worden ingevoerd – zowel in de begunstigde landen als in de huidige samenwerkingsinstrumenten – om zodoende andere samenwerkingsvormen te ontwikkelen die meer geschikt zijn voor de middeninkomenslanden; beveelt aan dat de criteria voor de toepassing van het differentiatiebeginsel gemeenschappelijk en objectief zijn voor alle landen;

11. herinnert eraan dat de aandacht voor differentiatie er niet toe mag leiden dat het belang van de regio drastisch vermindert binnen het externe optreden van de EU, die een mondiale speler is en ook als dusdanig moet handelen, aangezien zij actief deel uitmaakt van de internationale gemeenschap en niet enkel de belangrijkste donor op wereldvlak is; is van mening dat de EU, als zij dat niet doet, zichzelf overbodig kan maken in hele regio's, waardoor andere mondiale spelers vrij spel krijgen;

12. benadrukt dat iedere herschikking van middelen dan ook ten goede moet komen aan de geografische programma's voor de uitbanning van armoede in de lage-inkomenslanden en de lagere middeninkomenslanden in diezelfde regio;

Het belang van de middeninkomenslanden en een gedifferentieerde aanpak

13. geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de gebrekkige tenuitvoerlegging van de subsidiabiliteitscriteria die zijn vastgelegd in het Commissievoorstel voor het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, waarin aan elf middeninkomenslanden van Latijns-Amerika en de Caraïben de toegang tot de bilaterale programma's wordt ontzegd; herinnert eraan dat sommige landen in Latijns-Amerika tot de meest ongelijke landen ter wereld behoren wat inkomsten per inwoner betreft, en dat de voortdurende ongelijkheid zich voordoet in een context van lage sociaaleconomische mobiliteit; benadrukt dat het een groep zeer heterogene landen betreft en dat daarom niet mag worden afgestapt van de gedifferentieerde samenwerking, op basis van coördinatie en politieke dialoog;

14. is van mening dat de boodschap die de EU overbrengt aan de regio bijzonder verontrustend is, aangezien het in wezen een verklaring is dat zij de regio niet het belang toedicht dat zij verdient, ondanks de vele politieke en handelsverbintenissen die tot stand zijn gekomen en de gemeenschappelijke mondiale belangen;

15. benadrukt dat het noodzakelijk is om, overeenkomstig lid 66 van de Europese Consensus voor ontwikkeling, voldoende aandacht te besteden aan middeninkomenslanden en in het bijzonder aan lagere middeninkomenslanden, waarvan er veel te kampen hebben met problemen die vergelijkbaar zijn met die van lage-inkomenslanden;

16. verzoekt de Commissie en de Raad om, in het kader van het differentiatiebeginsel, een objectieve en transparante analyse uit te voeren met als doel de indicatoren voor het meten van ontwikkeling uit te breiden en te herzien, zonder zich te beperken tot het inkomensniveau, en de economische criteria te interpreteren in het licht van andere factoren, zoals de cijfers op het gebied van armoede en kwetsbaarheid, de ECHO-crisisindex en de Gini- en ongelijkheidscoëfficiënt; waarschuwt dat de classificatie van landen volgens hun inkomensniveau gebaseerd is op berekeningen die ongelijkheid en armoede verhullen;

17. benadrukt dat, rekening houdend met genoemde indicatoren, de EU verder moet gaan met de bilaterale samenwerking in het kader van het toekomstige financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, in ieder geval met Colombia, Ecuador, Peru en Paraguay;

18. verzoekt de Commissie een coherente strategie voor te stellen voor een geleidelijke afbouw van de bilaterale ontwikkelingshulp voor middeninkomenslanden, zodat zij hun status als land dat geen ontwikkelingshulp meer behoeft kunnen consolideren, in navolging van het beginsel van voorspelbaarheid van de hulp dat erkend werd tijdens het forum over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan;

19. verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat de geleidelijke terugtrekking van de bilaterale hulp, vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, de volgende criteria omvat:

–   een expliciet verband tussen de doelstellingen en de sectorale concentratie van de bilaterale hulp ter versteviging van de sociale cohesie, met name via de cofinanciering van actief beleid en programma's voor de verkleining van de ongelijkheid wat betreft inkomen en mogelijkheden, evenals andere meer geavanceerde programma's ter ondersteuning van de concurrentie en de bevordering van duurzame ontwikkeling, met inbegrip van de bevordering van technologische en wetenschappelijke samenwerking, innovatie en technische hulp; preferentiële toegang tot de regionale en subregionale thematische programma's, alsook tot het partnerschapsinstrument, dat een gegarandeerde minimumhoeveelheid moet omvatten; de aanzet tot terugvorderbare steun en beursprogramma's,

–  de bepaling van de prioriteiten middels bilaterale en biregionale dialoog met de nationale overheden en het maatschappelijk middenveld,

–  de voortzetting van de bilaterale samenwerking gedurende een overgangsperiode van maximaal vier jaar, aangepast aan de indicatoren voor de toewijzing van de hulp en aan de situatie in ieder land;

20. benadrukt dat het wenselijk is het instrument voor ontwikkelingssamenwerking met meer dan 1 miljard euro te versterken om de nieuwe vorm van samenwerking met de middeninkomenslanden en de hogere middeninkomenslanden te bevorderen, en om te waarborgen dat de toegewezen middelen kunnen worden gepland, gekwantificeerd en gecontroleerd; benadrukt dat dit instrument een aanvulling moet bieden op het antwoord van de EU op mondiale uitdagingen als ongelijkheid, klimaatverandering, veiligheidsbedreigingen en drugshandel;

Sociale cohesie en armoedebestrijding

21. meent dat de hoge niveaus van ongelijkheid en het ontbreken van een doeltreffend mechanisme voor sociale bescherming de voornaamste obstakels vormen voor de consolidatie van democratie en voor de eerlijke en duurzame economische groei in de regio en vraagt daarom meer aandacht voor het verband tussen democratische regeerbaarheid en sociale cohesie;

22. is van mening dat de doelstelling sociale cohesie van het partnerschap EU-LAC niet kan worden verwezenlijkt zolang er geen grote mate van ontwikkeling en een billijke verdeling van de inkomens en de rijkdom tot stand wordt gebracht, en dat om deze doelstelling te verwezenlijken de uitbanning van de armoede moet worden gegarandeerd via een billijker en progressiever fiscaal beleid, waarbij de capaciteit voor het innen van belastingen en de strijd tegen fraude en belastingontduiking moet worden versterkt;

23. wijst op het belang van ontwikkelingssamenwerking via handel; merkt op dat het handelsverkeer tussen Latijns-Amerika en de EU een cruciale factor is voor de terugdringing van armoede en de schepping van welvaart op beide continenten; waarschuwt voor protectionistische neigingen die uit de huidige economische en financiële crisis kunnen voortvloeien;

24. onderstreept het belang van het behouden van de doelstelling van 20% voor de onderwijs- en gezondheidsprogramma's en staat erop dat het gendergelijkheidsaspect op de arbeidsmarkt en in de samenleving in het algemeen in aanmerking moet worden genomen; wijst er nogmaals op dat onderwijs en investeringen in het menselijke kapitaal de basis vormen voor sociale cohesie en sociaaleconomische ontwikkeling; verzoekt om de tenuitvoerlegging van doeltreffende beleidsmaatregelen en om passende financiering voor de strijd tegen analfabetisme, dat nog steeds een groot probleem is in sommige landen in de regio en dat vooral vrouwen en kinderen treft, en om het bevorderen van de toegang tot gratis openbaar (basis- en secundair) onderwijs, dat vaak beperkt blijft door een gebrek aan begrotingsmiddelen van sommige overheden; steunt in dit verband het project dat werd uitgewerkt door de Organisatie van Ibero-Amerikaanse staten voor onderwijs, wetenschap en cultuur "Onderwijsdoelstellingen 2021: het onderwijs dat we willen voor de generatie van de tweehonderdste verjaardag van de onafhankelijkheid van de Latijns-Amerikaanse staten";

25. benadrukt dat ondanks het feit dat de dekking van en de uitgaven voor het onderwijs in Latijns-Amerika er de afgelopen decennia aanzienlijk op vooruitgegaan zijn, de kwaliteit van het onderwijs laag en de toegang ertoe ongelijk blijft; wijst op het werk dat geleverd werd door de Europese Unie via de Erasmus-, Alban- en Alfa-programma's en verzoekt de Commissie het huidige niveau van begrotingskredieten te handhaven;

26. wijst erop dat de grote verschillen in de studieresultaten in Latijns-Amerika, tussen landelijke en stedelijke scholen, naargelang van het soort school (openbaar of particulier), het geslacht of de sociaaleconomische status, de afgelopen jaren zijn toegenomen, wat het gebrek aan sociale cohesie vergroot;

27. benadrukt dat sociale cohesie nauw samenhangt met ander beleid, bijvoorbeeld op het gebied van handel, investeringen en financiën; beschouwt dat het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking op een efficiëntere manier de doelstellingen voor sociale cohesie in zijn thematische, nationale en internationale programmering moet inbouwen, voornamelijk ter ondersteuning van een eerlijker fiscaal, belastingtechnisch en sociaal beleid, dat gelijkheid, de toegang tot overheidsdiensten, waardig werk en de hervorming van het gerechtelijk apparaat bevordert;

28. wijst op het belang van programma's als EuroSocial, URB-AL, AL-INVEST, COPOLAD, en van programma's zoals die voor de versterking van de dialoog en de samenwerking tussen de EU en Latijns-Amerika voor het opstellen van modellen voor het beheer van het migratie- en ontwikkelingsbeleid; is van mening dat die programma's in het nieuwe financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking moeten worden versterkt, en dat de mogelijkheden ervan in het kader van de driehoekssamenwerking moeten worden bestudeerd;

29. wijst erop dat de Europese Unie via het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking de nodige middelen ter beschikking moet stellen zodat kinderen hun levensomstandigheden kunnen verbeteren en hun mogelijkheden en hun potentieel ten volle kunnen ontwikkelen, met name binnen het kerngezin;

30. wijst op het belang van het forum voor sociale cohesie EU-Latijns-Amerika, en wenst dat forum te versterken als platform voor een biregionale politieke dialoog op het gebied van sociale cohesie, door ambitieuzere mechanismen te bevorderen en de samenwerking op dat vlak beter te coördineren, en om sociale cohesie een prominentere plaats te geven op de agenda van de belangrijkste internationale fora;

31. wijst erop dat de EU-LAC-stichting een relevante rol kan spelen in de coördinatie van en de steun voor de acties en debatten van het maatschappelijk middenveld over de rol van de internationale samenwerking in het bevorderen van de sociale cohesie in de regio;

Coherentie van het ontwikkelingsbeleid

32. herinnert aan het belang van de coherentie van het ontwikkelingsbeleid, zoals bepaald in artikel 208 van het VWEU, voor de uitbanning van armoede, de bevordering van economische en sociale rechten, milieubescherming, goed bestuur, en duurzame en inclusieve ontwikkeling;

33. verzoekt de Commissie om de zichtbaarheid van haar projecten in de landen van Latijns-Amerika te verbeteren en om die programma's begrijpelijker te maken voor de burgers van die landen en zo de toegevoegde waarde van een samenwerking met de EU aan te tonen;

34. wijst erop dat de associatie-/vrijhandelsovereenkomsten van de EU niet mogen indruisen tegen de doelstelling van een coherent ontwikkelingsbeleid; dringt er daarom bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de behoeften en punten van zorg met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking voldoende tot uiting komen in handelsgerelateerde hoofdstukken (bijvoorbeeld over financiële diensten, overheidsopdrachten en intellectuele eigendomsrechten) en dat er via een krachtig mechanisme wordt voldaan aan de gemeenschappelijke normen op het vlak van sociale, arbeids- en milieurechten, zowel in lopende onderhandelingsprocessen over als bij de herziening van deze hoofdstukken;

35. betreurt dat de Commissie met haar voorstel voor een verordening inzake een stelsel van algemene tariefpreferenties voorbijgaat aan het strategische karakter van de betrekkingen met Latijns-Amerika en een groot aantal landen in die regio buiten dit instrument wil laten vallen, terwijl het cruciaal is voor de ontwikkeling van de regio;

36. verlangt dat de EDEO en de Commissie de handen ineenslaan om de weg te banen voor een volwaardige associatieovereenkomst met de Andesgemeenschap omwille van de economische groei en sociale ontwikkeling van haar lidstaten, daarbij uitgaande van de waarden, beginselen en doelstellingen van de EU, die van oudsher voorstander is van Latijns-Amerikaanse integratie;

37. verzoekt de EU erop toe te zien dat de middelen die bestemd zijn voor ontwikkelingssamenwerking niet voor andere doelstellingen worden aangewend;

38. is van oordeel dat de sluiting van een EU-associatieovereenkomst met MERCOSUR ten goede zou komen aan de ontwikkeling in en samenwerking tussen Latijns-Amerika en de EU, op voorwaarde dat deze overeenkomst gebaseerd is op het beginsel van eerlijke handel, de eerbiediging van internationale arbeids- en milieunormen en het beginsel van rechtszekerheid voor investeringen, en op voorwaarde dat de partners te goeder trouw handelen;

39. benadrukt dat het nieuwe financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking het regionale integratieproces dient te bevorderen; herinnert er in dit verband aan dat de associatie- en multilaterale handelsovereenkomsten een krachtige stimulans kunnen zijn voor de regionale integratie als zij de juiste aandachtspunten belichten en rekening houden met asymmetrieën, maar ondersteunt dat een gebrek aan beleidscoherentie dit proces in gevaar brengt; verzoekt de EU met klem erop toe te zien dat geen enkele bilaterale overeenkomst het integratieproces van Latijns-Amerika ondermijnt; merkt tevens op dat hoewel de interregionale betrekkingen afgenomen zijn ten gunste van bilaterale betrekkingen, deze verschuiving naar bilaterale contacten gewoonlijk versnippering en rivaliteit tussen de regionale blokken binnen Latijns-Amerika in de hand werkt;

40. wijst op de noodzaak van het aanduiden van contactpunten voor beleidscoherentie voor ontwikkeling binnen de EU-delegaties en van het ontwikkelen van toezichtmechanismen op dat gebied;

41. wijst erop dat het belangrijk is dat de Europese Unie een handelsbeleid uitwerkt dat meer samenhang vertoont met het beleid voor ontwikkelingssamenwerking, om ervoor te zorgen dat ook de handel bijdraagt tot het bevorderen van billijke en rechtvaardige sociale normen in de partnerschapsovereenkomsten, die de mensenrechten eerbiedigen;

42. benadrukt het belang van meer coherentie in de officiële ontwikkelingshulp en is van mening dat de aanwezigheid van de EU en drie landen van Latijns-Amerika in de G20 dient bij te dragen tot een onderlinge toenadering van de standpunten, zodat gezamenlijk uitvoering kan worden gegeven aan de beleidscoherentie voor ontwikkeling;

43. herinnert aan de verplichting om het beginsel uit artikel 208 over de coherentie van het ontwikkelingsbeleid te eerbiedigen en rekening te houden met negatieve gevolgen voor de regio, die zouden voortvloeien uit de uitsluiting van elf landen van de bilaterale samenwerking met de EU, en uit de schrapping van de handelspreferenties uit het SAP+-stelsel;

44. herinnert eraan dat het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol vervult in de consolidatie van de democratie en in de vormgeving, tenuitvoerlegging en controle van het ontwikkelingsbeleid in Latijns-Amerika; betreurt dat in de huidige samenwerkingsprogramma's weinig belang wordt gehecht aan het maatschappelijk middenveld en dat er geringe middelen voor worden toegewezen;

45. benadrukt dat, in lijn met het concept van democratisch eigendom, parlementen, lokale en regionale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld moeten worden ondersteund bij hun pogingen een passende rol te spelen bij het ontwerpen van ontwikkelingsstrategieën, het ter verantwoording roepen van regeringen, het uitoefenen van toezicht op en beoordelen van prestaties uit het verleden en bereikte resultaten; benadrukt in het bijzonder het belang van het versterken van de rol van de Latijns-Amerikaanse parlementsleden in het besluitvormingsproces;

46. stelt daarom met ontzetting vast dat de raadpleging van het maatschappelijk middenveld in de onlangs onderhandelde associatieovereenkomst en vrijhandelsovereenkomst met Latijns-Amerikaanse landen uitdrukkelijk wordt beperkt tot kwesties die verband houden met het hoofdstuk duurzame ontwikkeling;

47. is van mening dat de steun voor het maatschappelijk middenveld een van de prioriteiten van het volgende financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking dient te zijn; wijst erop dat die steun in de landenstrategieën en in de regionale programma's moet worden opgenomen om zo de bepalende rol van de steun in de strijd tegen ongelijkheid, tegen corruptie en het toezicht op het gebruik van financiële middelen te benadrukken;

48. verzoekt de Commissie meer financiële, technische en deskundige steun te bieden aan de administraties van de nationale parlementen van de Latijns-Amerikaanse landen in het kader van de regionale strategische programma's om hun doeltreffendheid, transparantie en verantwoordingsplicht te vergroten, wat van essentieel belang is voor een correcte rol van de parlementen in het democratische besluitvormingsproces;

49. herinnert eraan dat in artikel 18 van de Europese Consensus voor ontwikkeling wordt gesteld dat "de EU haar steun voor de capaciteitsopbouw voor niet-overheidsactoren zal intensiveren om haar stem in het ontwikkelingsproces duidelijker te doen weerklinken en de politieke, sociale en economische dialoog vooruit te helpen"; betreurt dat het Groenboek over het trefzekerder maken van het EU-ontwikkelingsbeleid sterk tekortschiet op het vlak van de uitleg over hoe de participatie en capaciteitsopbouw van het maatschappelijk middenveld eruit zullen zien in het toekomstige EU-beleid voor ontwikkelingssamenwerking;

Geweld en misdaad

50. drukt zijn zorgen uit over de sociale gevolgen van het hoge niveau van misdaad en geweld in de regio, en met name van vrouwenmoord; beschouwt de vaststelling van een nieuwe, meer doeltreffende strategie die dit fenomeen en de economische, sociale en politieke oorzaken ervan bestrijdt, als noodzakelijk;

51. verzoekt de Commissie om het raadplegingsproces van de plaatselijke gemeenschappen die worden getroffen door winningsprojecten krachtig te ondersteunen; herhaalt in deze context tevens dat het belangrijk is om verslaglegging per land door de winningsindustrie te verzekeren, zoals bepaald in het voorstel voor de Richtlijn betreffende rekenschap en transparantie, als instrument om corruptie, omkoping en belastingontduiking tegen te gaan;

52. herinnert eraan dat criminaliteit en een gebrek aan veiligheid grote gevolgen hebben voor het vertrouwen van de burgers in democratische en overheidsinstellingen, en voor de waarborging van de mensenrechten;

53. herinnert eraan dat een van de prioritaire doelstellingen van het externe optreden van de Unie erin bestaat overal ter wereld, en bijgevolg ook in Latijns-Amerika, de democratische stelsels te versterken en de mensenrechten te verdedigen;

54. toont zich bezorgd over de duidelijke gevolgen van gendergerelateerd geweld in de regio;

55. vraagt de EU om de strijd tegen straffeloosheid tot prioriteit te maken in haar ontwikkelingssamenwerking met Latijns-Amerika en om uiterlijk eind 2012 een mededeling over dat thema in te dienen, met hoofdstukken over justitiële samenwerking, financiële samenwerking, gegevensuitwisseling en de bescherming van slachtoffers;

56. uit zijn bezorgdheid over de toename van het geweld tegen vrouwen; verzoekt de Commissie om samen met de EDEO duidelijke verantwoordelijkheden vast te leggen en om relevante acties van de EU-delegaties te coördineren met die van de ambassades van de lidstaten in de betrokken landen om de verklaring van 2010 van hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton inzake vrouwenmoord om te zetten in concrete beleidsmaatregelen waarvoor voldoende middelen worden vrijgemaakt;

57. verzoekt de Commissie om het werk van het inter-Amerikaanse stelsel voor de mensenrechten politiek en financieel te ondersteunen op het vlak van vrouwenmoord en om bij te dragen tot de toepassing van zijn vonnissen;

58. dringt er bij de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger op aan over lopende mensenrechtendialogen vooraf en achteraf met het Europees Parlement overleg te voeren en in het kader van het biregionaal partnerschap samen te werken om wegen te vinden om vrouwenmoord en geweld tegen vrouwen uit te bannen;

59. roept de Commissie op om actief deel te nemen aan politieke dialogen, en in het bijzonder aan de bestaande mensenrechtendialogen, om het onderwerp daar regelmatig aan te kaarten en om in het kader van het biregionale partnerschap haar medewerking te verlenen aan de zoektocht naar oplossingen om geweld tegen vrouwen en vrouwenmoord uit te bannen;

Klimaatverandering

60. drukt zijn zorgen uit over de gevolgen van de klimaatverandering voor de duurzame ontwikkeling, de bescherming van de biodiversiteit, de ontbossing en de landbouwproductie in Latijns-Amerika;

61. dringt erop aan dat de EU de grootschalige productie van agrobrandstoffen niet bevordert of ondersteunt via haar ontwikkelingssamenwerking, vanwege de negatieve effecten ervan op de voedselzekerheid, de ontbossing, de toegang tot land en het milieu;

62. verzoekt de lokale overheden van Latijns-Amerika speciale aandacht te schenken aan het toenemend aantal investeringen dat afbreuk kan doen aan de duurzame ontwikkeling en ecosystemen van een land, met name in het kader van de negatieve gevolgen van klimaatverandering;

63. herinnert eraan dat de klimaatverandering een extra last voor Latijns-Amerika met zich meebrengt en dat er dringende noodzaak is om maatregelen voor de bestrijding en verzachting van en aanpassing aan de klimaatverandering te financieren;

64. verzoekt om de uitwisseling van ervaring en informatie tussen de EU en Latijns-Amerika te bevorderen in het kader van het EuroClima-programma en de zuid-zuidsamenwerking, in overeenstemming met wat in het Actieplan van Madrid is vastgelegd; herinnert aan het belang van onderwijs voor milieuduurzaamheid;

65. wijst erop dat de verdeling van het water in Latijns-Amerika, ondanks het feit dat de regio 30% van de waterhulpbronnen van de planeet in handen heeft, erg onregelmatig en ongelijk is; dringt er bij de Commissie op aan dat zij haar steun aan partnerlanden voor een beter beheer van de watervoorziening en -zuivering handhaaft;

66. herinnert aan de verbintenis van de EU om bij te dragen tot de versterking van de rol van duurzame energie als een van de pijlers van duurzame ontwikkeling;

Private sector en infrastructuur

67. merkt op dat mechanismen als de investeringsfaciliteit voor Latijns-Amerika (LAIF) een steeds belangrijkere rol moeten gaan spelen in de ontwikkelingssamenwerking van de EU, die energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, vervoer, bescherming van de biodiversiteit en de ondersteuning van het mkb als prioriteit heeft; onderstreept dat de LAIF een belangrijke rol zou kunnen spelen bij de bevordering van regionale integratie en bij de versterking van de internationale concurrentiepositie van de regio; onderstreept dat het maatschappelijk middenveld een centrale en belangrijke rol speelt in het toezicht op het beleid voor ontwikkelingssamenwerking, maar merkt op dat de LAIF niet voorziet in een mechanisme om ervoor te zorgen dat het maatschappelijk middenveld is vertegenwoordigd en deelneemt; verzoekt de Commissie dienovereenkomstig om ervoor te zorgen dat de vertegenwoordiging en participatie van parlementen en het maatschappelijk middenveld wordt gegarandeerd om doeltreffend toezicht op de middelen voor ontwikkelingssamenwerking van de EU te waarborgen;

68. benadrukt dat de ervaringen met de LAIF nader moeten worden onderzocht en dringt erop aan dat de uitvoering van toekomstige projecten wordt onderworpen aan duidelijk vastgelegde en transparante toezichtmechanismen en aan sociale en milieueffectbeoordelingen;

69. wijst in het bijzonder op het belang van het mkb, vanwege zijn bijdrage aan de ontwikkeling, de economische groei en de sociale en economische consolidatie van de regio; benadrukt dat het mkb de belangrijkste bron van werkgelegenheid is; is van mening dat het noodzakelijk zal blijken om tevens de activiteiten van de Europese partners op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen om de doelstelling van een EU-beleid voor inclusieve groei te verwezenlijken;

70. wijst erop dat er dringend infrastructuur moet worden aangelegd in Latijns-Amerika om de huidige sterke groeicijfers te handhaven en sociale integratie te bevorderen; beveelt aan om gebruik te maken van instrumenten als de LAIF om projecten voor vervoers-, energie- en telecominfrastructuur te ondersteunen, aangezien de huidige investeringen door de Latijns-Amerikaanse partners op die gebieden ontoereikend zijn; herinnert eraan dat het gebruik van de officiële ontwikkelingshulp voor zulke projecten moet worden gerechtvaardigd op basis van hun bijdrage tot het terugdringen van de armoede, het bevorderen van sociale cohesie en het verschaffen van overheidsdiensten van hoge kwaliteit aan de bevolking;

71. dringt erop aan dat de Commissie duidelijke richtsnoeren uitwerkt voor een transparant besluitvormingsproces inzake de selectie van projecten en dat zij de samenhang met de Europese Consensus over ontwikkelingssamenwerking, het beginsel van zeggenschap voor het betrokken land en de verbintenis van de EU om haar steun los te koppelen, verzekert;

72. verzoekt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Dienst voor extern optreden om te zorgen voor de eendrachtigheid, consistentie en doeltreffendheid van het Europese externe optreden ten aanzien van Latijns-Amerika, zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon;

73. dringt erop aan dat de mogelijkheid om subsidies en leningen te combineren hoofdzakelijk gericht moet zijn op gebieden als kleinschalige en plaatselijke energie- en landbouwproductie, het mkb en micro-ondernemingen uit de privésector in ontwikkelingslanden;

Gedifferentieerde samenwerking: wetenschappelijk en technologisch onderzoek

74. verzoekt om de versteviging van de samenwerking met enkele middeninkomenslanden op het gebied van wetenschap, technologie en innovatie in het kader van het Horizon 2020-programma;

75. vertrouwt erop dat het aangaan van een doortastende dialoog over wetenschap, hoger onderwijs en opleiding, technologie en innovatie de opbouw van een Europees-Latijns-Amerikaanse ruimte voor innovatie en kennis zou kunnen versnellen en zou kunnen bijdragen tot het bevorderen van het concurrentievermogen;

76. is van mening dat de tijdelijke mobiliteit van onderzoekers moet worden bevorderd, evenals de steun aan universiteiten en onderzoekcentra op gebieden als gezondheid, voedselzekerheid, marien en maritiem onderzoek, hernieuwbare energie, de strijd tegen en de aanpassing aan klimaatverandering;

77. herinnert eraan dat de Europese Unie de geostrategische ligging van bepaalde ultraperifere regio's in de omgeving van Latijns-Amerika beter naar waarde moet schatten en moet benutten;

78. merkt op dat het verbeteren van de huidige onderzoeksinstellingen voor landbouwpraktijken van fundamenteel belang is voor de ontwikkeling van het continent;

Bevordering van de regionale samenwerking, zuid-zuidsamenwerking (ZZS) en driehoekssamenwerking

79. roept de Commissie op de opname van de ZZS in het samenwerkingsbeleid diepgaander te overwegen;

80. herinnert eraan dat Latijns-Amerika de meest dynamische regio ter wereld is op het vlak van ZZS, waaruit blijkt dat middeninkomenslanden een belangrijke rol spelen als katalysator van de regionale integratie en voor de internationale ontwikkelingsdoelstellingen;

81. herinnert eraan dat de EU tot nu toe geen duidelijke strategische definitie heeft voor de ZZS(8) die het mogelijk maakt om een actiever beleid op dat domein uit te werken; benadrukt dat er indicatoren moeten worden vastgelegd die de sociale en economische gevolgen van de verschillende voorwaarden van de ZZS en de driehoekssamenwerking aantonen;

82. herhaalt het belang van intraregionaal handelsverkeer en van de driehoekssamenwerking en zijn sleutelrol in de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, de uitbanning van armoede, de bevordering van werkgelegenheid en gendergelijkheid, onderwijs, sociale cohesie, landbouw en duurzame ontwikkeling;

83. is van mening dat de initiatieven voor ZZS, biregionale en driehoekssamenwerking in sectoren als wetenschap en onderzoek, duurzame ontwikkeling, milieu, klimaatverandering, energie, sociale cohesie, onderwijs en werkgelegenheid moeten worden uitgebreid;

84. benadrukt de noodzaak om de politieke dialoog tussen de EU en Latijns-Amerika op verschillende niveaus te verbreden, zoals de topbijeenkomsten van staatshoofden en op de Parlementaire Vergadering Eurolat, als belangrijke instrumenten om politieke consensus te ontwikkelen; dringt aan op stappen om te bereiken dat de politieke afspraken op Europees-Latijns-Amerikaanse topconferenties worden gevolgd door de beschikbaarstelling van de nodige financiële middelen;

85. beveelt aan dat de Eurolat-Vergadering en de EU-LAC-stichting bij hun werkzaamheden voldoende strategisch belang hechten aan de ZZS en de driehoekssamenwerking;

86. beschouwt dat de ZZS en de driehoekssamenwerking een centraal thema zouden moeten zijn van de 7e EU-LAC-top in Chili, en dat daarmee een duidelijk vervolg moet worden gegeven aan de slotverklaringen van de top van Madrid;

o

o    o

87. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad en de Commissie, evenals de regeringen en parlementen van de lidstaten en van alle landen van Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, de EU-LAC-stichting, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering, het Latijns-Amerikaanse parlement, het Midden-Amerikaanse parlement, het Andesparlement en het parlement van Mercosur.

(1)

PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.

(2)

PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.

(3)

PB C 140 E van 16.3.2002, blz. 569.

(4)

PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 54.

(5)

PB C 12 E van 15.1.2011, blz.245.

(6)

P7_TA(2011)0320.

(7)

Gegevens van ECLAC en de OESO.

(8)

herinnert eraan dat er richtsnoeren op dit vlak bestaan met betrekking tot de opkomende economieën, maar dat het gaat om een enigszins versnipperde benadering.


TOELICHTING

Het Verdrag van Lissabon bepaalt dat het optreden van de Unie op het wereldtoneel zich, onder andere, op de beginselen van de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten, het respect voor de menselijke waardigheid en de gelijkheids- en solidariteitsbeginsels zal baseren. Het geeft ook aan dat de Unie tracht om relaties en overeenkomsten met de derde landen te ontwikkelen ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en milieugebied gebied van de ontwikkelingslanden, met als fundamenteel doel om armoede uit te bannen.

De rapporteur is ervan overtuigd dat het beleid van de EU voor ontwikkelingssamenwerking en, met name, de coherentie tussen het beleid van de EU een fundamentele rol vervullen bij het bereiken van de millenniumdoelstellingen en bij de vervulling van de internationale afspraken inzake mensenrechten, voedselveiligheid en duurzaamheid van het milieu.

De momenten waarop de Europese Commissie en het Europees Parlement werken aan het onderhandelingsproces van het volgende financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en van het financieel kader 2014-2020, stelt de rapporteur voor aan dat proces een bijdrage te leveren met betrekking tot de nieuwe ontwikkelingssamenwerkingsmogelijkheden tussen de Europese Unie en de regio van Latijns-Amerika.

De mondiale economische en financiële crisis beïnvloedt de Europese economieën op een ernstige wijze. Desalniettemin stellen we vast dat de crisis minder ernstig was voor Latijns-Amerika en dat het zelfs rekening houdt met groeivooruitzichten van 4,5% in 2012. Maar het IMF geeft ook duidelijk aan dat de onzekerheid wat betreft het mondiale herstel de groei in Latijns-Amerika zou kunnen beïnvloeden. Ondanks de positieve economische voorspellingen, stellen we verontrust vast dat we ons tegenover een regio gesteld zien waar 180 miljoen mensen onder de armoedegrens leven en dat tien landen uit de regio deel blijven uitmaken van de vijftien landen met de hoogste ongelijkheid ter wereld, volgens gegevens van de UNDP.

De EU is de voornaamste donor van ontwikkelingshulp, de voornaamste investeerder en de tweede handelspartner van de regio. De rapporteur is ervan overtuigd dat de samenwerking en de hulp die de EU verleend heeft aan Latijns-Amerika in deze jaren via de gesloten samenwerkingsovereenkomsten en, met name, via haar ontwikkelingshulp positief hebben bijgedragen aan de inspanningen van ieder land om de rechtsstaat de consolideren en de problemen van acute armoede terug te dringen. Het is niet het moment om hen los te laten: het is het moment om een kader van stimulansen in werking te laten treden, de landen die het het meest nodig hebben te blijven ondersteunen en niet te straffen met de terugtrekking van de hulp van hen die betere resultaten behalen, maar blijven zitten met ontoelaatbare armoede- en ongelijkheidscijfers.

In een context waarin we niks anders hebben gedaan dan voortgang boeken in onze biregionale betrekkingen met het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst met Midden-Amerika, de inwerkingtreding van de oprichting van EU-LAC, een investeringsfaciliteit voor Latijns-Amerika creëren en van zo'n belangrijke dialoog over klimaatverandering, innovatie, drugs of migratie, kunnen we onze afspraken niet opzij schuiven, wat ons eigen buitenlands beleid in twijfel zou trekken.

De rapporteur benadrukt dat, voor de EU, het verstevigen van onze aanwezigheid in Latijns-Amerika een nieuwe impuls aan de uitweg uit de crisis kan geven. Daarom gelooft de rapporteur in de noodzaak van een herziening van ons ontwikkelingshulpbeleid. Dat vereist een gecoördineerde samenwerking à la carte, die rekening houdt met de situatie van elk land en die zich baseert op ruimere indicatoren dan die die het inkomensniveau meten. De EU moet blijven samenwerken met de middeninkomenslanden zodat die hun maximale potentieel ontwikkelen als leiders in de armoedebestrijding en ontwikkeling op regionaal niveau.

We mogen niet vergeten dat ons strategisch partnerschap is gebaseerd op gemeenschappelijke waarden en op het respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden. We moeten benadrukken dat we gemeenschappelijke uitdagingen hebben, zoals de voedselcrisis, de strijd tegen klimaatverandering, de sociale uitweg uit de crisis die we het hoofd moeten bieden middels de versteviging van het multilateralisme. Daarom verzoekt de rapporteur de Europese Commissie een coherente strategie van de geleidelijke terugtrekking van de bilaterale hulp aan de middeninkomenslanden te presenteren en dat ze de hulp aan de lage-inkomenslanden verstevigt. Kortom, de rapporteur vraagt een echte toegevoegde waarde voor het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking.

Het ontwerp van het volgende financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking moet een toegevoegde waarde leveren

De economische crisis mag niet het einde betekenen van de officiële ontwikkelingshulp en degenen die last hebben van de bezuinigingen zijn de armsten van de planeet. We mogen niet toestaan dat 63% van de kinderen en jongeren die in armoede leven in Latijns-Amerika – volgens gegevens van de ECLAC – slachtoffer worden van de overtrokken speculaties die onze economieën verwoesten.

Noodzakelijke voorzieningen zoals onderwijs, volksgezondheid of seksuele gezondheid kunnen hun middelen niet zien teruglopen terwijl de financiële en bancaire sectoren hun gewicht doen toenemen. Het is onaanvaardbaar dat in het huidige voorstel van de Europese Raad over het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking de basisvoorzieningen expliciet zijn verdwenen uit de lijst van prioriteiten. Daarom dringt de rapporteur erop aan de huidige afspraak te behouden om 20% van de hulp voor de sleutelsectoren van onderwijs, opleiding en volksgezondheid te bestemmen.

De huidige groeicyclus van Latijns-Amerika heeft een belangrijke sociale en economische vooruitgang gegenereerd, maar in een groot deel van de landen heeft dat geen redelijke veranderingen veroorzaakt in de verdeling van de inkomens, noch in het beleid om de sociale cohesie te verbeteren of om meer gewicht toe te kennen aan kennis en innovatie. De rapporteur gelooft in de noodzaak om extra waarde toe te kennen aan het nieuwe ontwerpfinancieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, niet enkel middels de kwantitatieve toename van de hulp, maar voornamelijk door een kwalitatieve verbetering van het instrument, met een stevige inzet op herverdelingsbeleid en op versteviging van de sociale cohesie.

Armoede bestrijden betekent ook ongelijkheid en uitsluiting bestrijden, en juist daarop moet het nieuwe financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking meer nadruk leggen, en zodoende regionaal, fiscaal en belastingtechnisch beleid aanmoedigen, de minimale sociale diensten, de investeringen in wetenschap, technologie en innovatie, de strijd tegen onveiligheid, tegen de productie, gebruik en handel van verdovende middelen, stimuleren en eveneens gendergelijkheid bevorderen.

We mogen niet vergeten dat het de vrouwen en etnische minderheidsgroepen zijn die een grotere ongelijkheid en uitsluiting ondervinden. Ecuador heeft bijvoorbeeld bijna 5 miljoen armen – 36% van zijn totale bevolking waarvan bijna 2 miljoen vrouwen die in extreme armoede leven, dat wil zeggen dat zij slechts één maaltijd per dag eten. Bovendien is, volgens verslagen van de WHO, 70% van de Ecuadoriaanse vrouwen tussen 15 en 44 jaar slachtoffer van huiselijk geweld.

Latijns-Amerika bevindt zich eveneens, met een jaarlijks gemiddelde van ongeveer 25 moorden per 100 000 inwoners, tussen de meest gewelddadige regio's ter wereld. In 2010 waren meer dan 18 000 mensen slachtoffer van moord enkel en alleen in Midden-Amerika en de UNDP stelde vast dat de Midden-Amerikaanse regeringen 4 miljard dollar aan veiligheid en justitie uitgaven. Het nieuwe financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking zou niet enkel prioriteit kunnen hechten aan die strijd tegen het geweld, maar ook aan tenuitvoerlegging van een strategie tegen corruptie, net zoals aan het verstevigen van de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven.

De nieuwe programmering van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking moet blijven strijden tegen klimaatverandering, met specifieke fondsen en programma's, vooral voor de aanpassing van de kwetsbare landen van Latijns-Amerika. De biodiversiteit bewaren en strijden tegen de ontbossing zijn cruciale thema's voor de duurzame ontwikkeling van de regio.

Het is onontbeerlijk de nationale autoriteiten en de burgermaatschappij volledig te betrekken bij de bepaling van prioriteiten, evenals bij het opvolgen van de programma's.

De EU moet op de hoogte blijven van de huidige mondiale uitdagingen, de efficiëntie van haar hulp verbeteren, en tegelijkertijd de nodige middelen reserveren zodat miljoenen kinderen niet opgroeien zonder de mogelijkheid om hun capaciteiten te ontwikkelen en hun levensomstandigheden te verbeteren. Deze doelstelling is een doel voor iedereen en dat plaatst de EU en alle Europeanen, ondanks de crisis, voor het meest solidaire humanitair project dat ooit ontwikkeld werd. Een verantwoordelijkheid die gedeeld en ondersteund moet worden door de landen uit de regio, en die de regionale samenwerking en de ZZS moet versterken.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (28.3.2012)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

inzake de omschrijving van een nieuwe ontwikkelingssamenwerking met Latijns-Amerika

(2011/2286(INI))

Rapporteur voor advies: Laima Liucija Andrikienė

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt het belang van goede betrekkingen met de Latijns-Amerikaanse landen en de noodzaak om te komen tot nieuwe vormen van samenwerking met opkomende en middeninkomenslanden in Latijns-Amerika via het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het nieuwe partnerschapsinstrument, met dien verstande dat met wederzijds respect en op voet van gelijkheid moet worden samengewerkt;

2.  betreurt dat de Commissie met haar voorstel voor een verordening inzake een schema van algemene tariefpreferenties voorbijgaat aan het strategische karakter van de betrekkingen met Latijns-Amerika en een groot aantal landen in die regio buiten dit instrument wil laten vallen, terwijl het cruciaal is voor de ontwikkeling van de regio;

3.  onderstreept het feit dat een duidelijk en helder engagement van de EU ten aanzien van nauwere samenwerking met Latijns-Amerika nodig is om de armoede in middeninkomenslanden met aanzienlijke sociale verschillen te bestrijden;

4.  is van oordeel dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de EU in nauw overleg met Latijns-Amerika gestalte moet krijgen om tot een duurzaam, billijk en evenwichtig beleid jegens die regio te komen;

5.  is van oordeel dat het ontwikkelingsbeleid tussen Latijns-Amerika en de EU in evenwicht moet worden gebracht en dat Latijns-Amerika zich daarom bijzonder moet inzetten om politieke, economische en handelsintegratie in de regio te bevorderen;

6.  beklemtoont dat sociale cohesie een basisbeginsel van de ontwikkelingssamenwerkingsstrategie voor Latijns-Amerika dient te blijven, niet enkel vanwege de sociaaleconomische gevolgen ervan, maar ook vanwege haar belangrijke rol bij het versterken van de rechtsstaat en een democratisch staatsbestel in de regio; benadrukt het belang van uitbreiding van de regionale samenwerkingsprogramma's van de EU ter ondersteuning van sociale samenhang, onder meer door armoedebestrijding;

7.  beklemtoont dat onderwijs en investeringen in menselijk kapitaal de basis vormen voor sociale samenhang, het scheppen van werkgelegenheid en sociaaleconomische ontwikkeling; benadrukt ook het belang van nieuwe infrastructuur om absolute en relatieve armoede en de verschillen tussen regio's en sociale groepen terug te dringen, evenals van de ondersteuning van het mkb als een belangrijke pijler van duurzame economische ontwikkeling;

8.  benadrukt de noodzaak om de coördinatie tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika bij het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's) te verbeteren, in het bijzonder voor de maatregelen die gericht zijn op het bestrijden van armoede, het scheppen van banen en de maatschappelijk integratie van gemarginaliseerde groepen; benadrukt dat de millenniumdoelstelling van een mondiaal samenwerkingsverband voor ontwikkeling (MDG 8) centraal moet staan in het beleid van de EU voor de samenwerking met Latijns-Amerika, waarbij gebieden moeten worden gekozen waarin de nieuwe strategie van "inclusieve groei" in die landen zal worden toegepast; beklemtoont dat de Stichting Europa-Latijns-Amerika/Caraïben in dit verband een grote bijdrage kan leveren aan het bereiken van de doelstellingen;

9.  wijst op de positieve synergieën van regionale integratie die het gevolg zijn van de omvattende associatieovereenkomsten tussen de EU en de verschillende subregionale groepen; vraagt om nieuwe visies voor biregionale samenwerking, met het oog op de zevende EU-LAC-top van staatshoofden en regeringsleiders, die in januari 2013 in Chili gehouden zal worden;

10. is verheugd over de duidelijke vooruitgang in de betrekkingen tussen de EU en Peru en Colombia en verwacht dat het handelsakkoord dat tijdens het Spaanse voorzitterschap in 2010 gesloten is binnenkort door het Europees Parlement zal worden geratificeerd, wetende dat dit akkoord de ontwikkeling van de beide landen ten goede zal komen;

11. verlangt dat de EDEO en de Commissie de handen ineenslaan om de weg te banen voor een volwaardige associatieovereenkomst met de Andesgemeenschap omwille van de economische groei en sociale ontwikkeling van haar lidstaten, daarbij uitgaande van de waarden, beginselen en doelstellingen van de EU, die van oudsher voorstander is van Latijns-Amerikaanse integratie;

12. wijst erop dat de Europese Unie al het mogelijke moet doen om een associatieovereenkomst met Mercosur te sluiten, hetgeen zeer ten goede zou komen aan de ontwikkelingssamenwerking tussen Latijns-Amerika en Europa;

13. merkt op dat ramingen van deskundigen en internationale organisaties, met name de Economische Commissie voor Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (ECLAC), erop wijzen dat de handel van China met Latijns-Amerika, als de huidige trend zich voortzet, die van Europa in 2015 zal voorbijstreven;

14. onderstreept het belang van EU-steun voor integratie binnen Latijns-Amerika; wijst op het ontbreken van een alomvattend EU-beleid en een regionale benadering voor Latijns-Amerika ter ondersteuning van de zuid-zuidsamenwerking, en het gebrek aan duidelijke EU-beleidsrichtsnoeren ten aanzien van zuid-zuidsamenwerking en interregionale associatie die erop gericht zijn autonome ruimtes te creëren voor coördinatie en politieke samenwerking tussen de Latijns-Amerikaanse landen zonder inmenging van Europa of Noord-Amerika;

15. benadrukt de noodzaak om de politieke dialoog tussen de EU en Latijns-Amerika te verbreden op verschillende niveaus, zoals de topbijeenkomsten van staatshoofden en op de Europees-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering, als belangrijke instrumenten om politieke consensus te ontwikkelen; dringt aan op stappen om te bereiken dat de politieke afspraken op Europees-Latijns-Amerikaanse topconferenties gevolgd worden door beschikbaarstelling van de nodige financiële middelen;

16. dringt er bij de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger op aan over lopende mensenrechtendialogen vooraf en achteraf met het Europees Parlement overleg te voeren en in het kader van het biregionaal partnerschap samen te werken om wegen te vinden om vrouwenmoord en geweld tegen vrouwen uit te bannen;

17. dringt er bij de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Dienst voor extern optreden op aan dat zij toezien op de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie ten aanzien van Latijns-Amerika, zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.3.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Franziska Katharina Brantner, Jerzy Buzek, Tarja Cronberg, Michael Gahler, Ana Gomes, Richard Howitt, Anna Ibrisagic, Liisa Jaakonsaari, Tunne Kelam, Eduard Kukan, Vytautas Landsbergis, Krzysztof Lisek, Barry Madlener, Mario Mauro, Willy Meyer, Francisco José Millán Mon, Alexander Mirsky, María Muñiz De Urquiza, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Raimon Obiols, Pier Antonio Panzeri, Alojz Peterle, Bernd Posselt, Cristian Dan Preda, Fiorello Provera, Libor Rouček, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, György Schöpflin, Werner Schulz, Marek Siwiec, Charles Tannock, Kristian Vigenin, Sir Graham Watson

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Laima Liucija Andrikienė, Elena Băsescu, Reimer Böge, Emilio Menéndez del Valle, Nadezhda Neynsky, László Tőkés, Renate Weber

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Peter Jahr


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.4.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Thijs Berman, Michael Cashman, Ricardo Cortés Lastra, Véronique De Keyser, Leonidas Donskis, Charles Goerens, Catherine Grèze, Filip Kaczmarek, Gay Mitchell, Bill Newton Dunn, Maurice Ponga, Birgit Schnieber-Jastram, Michèle Striffler, Alf Svensson, Eleni Theocharous, Ivo Vajgl, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Santiago Fisas Ayxela, Judith Sargentini

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Sergio Gutiérrez Prieto, Emilio Menéndez del Valle, Katarína Neveďalová, Claudiu Ciprian Tănăsescu

Laatst bijgewerkt op: 18 mei 2012Juridische mededeling