Procedure : 2012/2293(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0155/2013

Ingediende teksten :

A7-0155/2013

Debatten :

PV 10/06/2013 - 23
CRE 10/06/2013 - 23

Stemmingen :

PV 11/06/2013 - 12.1
CRE 11/06/2013 - 12.1

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0246

VERSLAG     
PDF 321kWORD 201k
30 april 2013
PE 504.103v02-00 A7-0155/2013

over sociale huisvesting in de Europese Unie

(2012/2293(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur voor advies: Karima Delli

PR_INI_art121

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over sociale huisvesting in de Europese Unie

2012/2293(INI) Het Europees Parlement,

Het Europees Parlement,

–   gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name artikel 3, lid 3, alsmede het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 9, 14, 148, 151, 153 en 160 en Protocol nr. 26 over diensten van algemeen belang,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 34 en 36,

–   gezien Protocol nr. 26 bij het VWEU over diensten van algemeen belang,

–   gezien het herziene Europees Sociaal Handvest, en met name artikel 30 (recht op bescherming tegen armoede en uitsluiting), artikel 31 (recht op huisvesting) en artikel 16 (recht van het gezin op sociale, juridische en economische bescherming),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–   gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied(1),

–   gezien Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(2),

–   gezien Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten(3),

–   gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied(4),

–   gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden(5),

–   gezien Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten(6),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld "Naar een banenrijk herstel" (COM(2012)0173),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" (COM(2010)0758), de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's hierover en zijn resolutie van 15 november 2011 hierover(7),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999(8),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999(9),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1783/1999(10),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en tot vaststelling van algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 (COM(2011)0615),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (COM(2011)0614),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2008 getiteld "Een Europees economisch herstelplan" (COM(2008)0800),

–   gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG(11) en zijn resolutie van 15 december 2012 hierover(12),

–   gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde(13),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 23 maart 2011 getiteld "Hervorming van de EU-staatssteunregels voor diensten van algemeen economisch belang" (COM(2011)0146) en zijn resolutie van 15 november 2011 hierover(14),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie" (COM(2010)0573),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020" (COM(2011)0173),

–   gezien de richtsnoeren van de Commissie van 15 mei 2012 op het gebied van goede praktijken voor het beperken, verzachten en compenseren van bodemafdekking (SWD(2012)0101 definitief),

–   gezien het verslag van de Commissie over werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa 2012 ("Employment and Social Developments in Europe 2012") van 8 januari 2013(15),

–   gezien het maatregelenpakket betreffende sociale investeringen van de Commissie van 20 februari 2013,

–   gezien de Europese statistieken over inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC) en de persmededeling van Eurostat van 8 februari 2012(16),

–   gezien de Europese statistieken in het derde Europese verslag over de levenskwaliteit, en met name hoofdstuk 6 hiervan(17),

–   gezien het verslag van Eurofound over schuldsaneringsdiensten voor huishoudens in de Europese Unie(18),

–   gezien het verslag van Eurofound over levensomstandigheden van de Roma: ondermaatse huisvesting en gezondheid(19),

–   gezien het Besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen(20),

–   gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 maart 2013 in zaak C-415/11 (Mohamed Aziz), dat consumenten die een hypotheek nemen, tegen banken beschermt in geval van oneerlijke contractvoorwaarden(21),

–   gezien Besluit nr. 1098/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010) (22),

–   gezien de verklaring van de Raad van 6 december 2010 over "Het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting: samenwerken voor armoedebestrijding in 2010 en daarna"(23),

–   gezien het verslag van het Comité voor sociale bescherming van 18 februari 2011 getiteld "Beoordeling van de sociale dimensie van de Europa 2020-strategie"(24),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 5 februari 2010 getiteld "Gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale inclusie" (SEC(2010)0098),

–   gezien het verslag van het Comité voor sociale bescherming van 15 februari 2010 getiteld "Gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale inclusie 2010"(25),

–   gezien het advies van het Europees Economische en Sociaal Comité over "Uitdagingen bij het definiëren van sociale huisvesting als dienst van algemeen economisch belang"(26),

–   gezien het advies van het Comité van de Regio's getiteld "Naar een Europese agenda voor sociale huisvesting"(27),

–   gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over het sociale investeringspact – een reactie op de crisis(28),

–   gezien zijn resolutie van 16 juni 2010 over Europa 2020(29),

–   gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de Lissabon- en EU 2020-doelstellingen(30),

–   gezien zijn wetgevingsresolutie van 8 september 2010 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten: deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020(31),

–   gezien zijn resolutie van 20 oktober 2010 over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen voor te nemen maatregelen en initiatieven(32),

–   gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over de toekomst van sociale diensten van algemeen belang(33),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 mei 2007 over huisvesting en regionaal beleid(34),

–   gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over een EU-strategie inzake dakloosheid(35),

–   gezien zijn schriftelijke verklaringen van 22 april 2008 over het uit de wereld helpen van dakloosheid(36) en van 16 december 2010 over een EU-strategie inzake dakloosheid(37),

–   gezien het verslag van Eurofound getiteld "Het derde Europese onderzoek inzake levenskwaliteit – Levenskwaliteit in Europa: gevolgen van de crisis"(38),

–   gezien de slotaanbevelingen van de Europese Consensusconferentie over dak- en thuisloosheid van 9 en 10 december 2010,

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0155/2013),

A. overwegende dat toegang tot huisvesting een grondrecht is dat kan worden beschouwd als een voorwaarde voor de uitoefening van en de toegang tot andere grondrechten en voor een menswaardig leven; overwegende dat toegang tot fatsoenlijke en passende huisvesting een internationale verplichting van de lidstaten is waarmee de Unie rekening moet houden, aangezien het recht op toegang tot en ondersteuning bij huisvesting wordt erkend in zowel artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 30 en 31 van het herziene Sociale Handvest van de Raad van Europa als artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het is opgenomen in tal van grondwetten van de lidstaten;

B.  overwegende dat de nationale, regionale en lokale overheden zowel het recht als de plicht hebben om hun eigen huisvestingsbeleid vast te stellen en de nodige maatregelen te treffen opdat dit grondrecht in hun respectieve huisvestingssector wordt gehandhaafd overeenkomstig de behoeften van hun inwoners, zodat iedereen toegang kan krijgen tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting;

C. overwegende dat betaalbare, geschikte en veilige huisvesting een geschikt instrument is om sociale rechtvaardigheid en samenhang te waarborgen, en dat investeren in betaalbare woningen een voorwaarde vormt voor grotere arbeidsmobiliteit en betere kansen op de arbeidsmarkt, terwijl het bouwen en renoveren van sociale woningen van cruciaal belang is voor het bereiken van de doelstellingen om in de vraag naar woonruimte te voorzien, betaalbare woonruimte voor brede lagen van de bevolking ter beschikking te stellen, de economie te stimuleren, de omvang van vastgoedzeepbellen te verkleinen, energiearmoede te bestrijden en belastinginkomsten voor de lidstaten te verzekeren;

D. overwegende dat de lidstaten in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel een essentiële rol spelen en over ruime discretionaire bevoegdheid beschikken bij het voorzien, het in opdracht geven en het organiseren van een parallel aanbod aan sociale huisvesting als aanvulling op het spontane aanbod op de markt; overwegende dat het aanbod aan sociale huisvesting moet voorzien in een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en betaalbaarheid, en gelijke behandeling en de rechten van de gebruiker moet bevorderen;

E.  overwegende dat er in de meeste EU-lidstaten een tekort aan sociale woningen en een toenemende behoefte aan betaalbare woonruimte bestaat; overwegende dat het sociale en familiale profiel van de mensen die een beroep doen op sociale huisvesting veranderd is; overwegende dat deze nieuwe sociale factoren in kaart moeten worden gebracht om te bepalen welke huisvestingsstrategieën de lidstaten en hun lokale en regionale overheden moeten toepassen om zo goed mogelijk op de huidige situatie in te spelen;

F.  overwegende dat het beleid inzake sociale woningbouw integraal deel uitmaakt van de diensten van algemeen economisch belang aangezien het helpt aan de behoefte aan huisvesting te voldoen, de toegang tot woningbezit te vergemakkelijken, de kwaliteit van de huisvesting te bevorderen, de bestaande huisvesting te verbeteren en de woonlasten aan te passen aan de gezinssituatie en aan de financiële middelen van de bewoners, en daarbij ook een eigen bijdrage van de bewoners verlangt;

G. overwegende dat de prijs-kwaliteitverhouding van sociale woningbouw bij koop of huur goed moet zijn, energiebesparing in de woning mogelijk moet zijn, de woning zich moet bevinden in een omgeving met groenvoorzieningen en geschikt moet zijn voor verschillende generaties, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kinderen en ouderen;

H. overwegende dat om een toename van het aantal daklozen alsook vastgoedcrises in de toekomst te voorkomen, de regels voor hypotheken de consumenten moeten beschermen en een rechtvaardige verdeling van de risico's moeten bevorderen;

I.   overwegende dat sociale huisvesting een centrale rol speelt in de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie – met name de armoededoelstelling, onder meer door te voorkomen dat kansarmheid van generatie op generatie wordt overgedragen – door bij te dragen aan het waarborgen van een hoge mate van werkgelegenheid en sociale inclusie en samenhang, aan de bevordering van beroepsmobiliteit en aan de strijd tegen de klimaatverandering en energiearmoede middels de renovatie van gebouwen;

J.   overwegende dat de combinatie van de financiële en economische crisis, de bezuinigingsmaatregelen, de stijgende huizenprijzen en de dalende inkomens van de huishoudens hebben geleid tot meer werkloosheid en sociale uitsluiting in de EU, met name bij de meest kwetsbare groepen, waardoor er meer vraag is naar sociale voorzieningen; neemt er nota van dat hoewel de overheidssteun voor sociale huisvesting een belangrijke stabiliserende factor is, de recente bezuinigingsmaatregelen dit beleid in een aantal lidstaten hebben verzwakt;

K. overwegende dat de economische en sociale crisis een directe negatieve weerslag heeft op de activiteiten in en de financiële steun aan de woningbouw en -renovatie en met name wat sociale woningen betreft, door het uiteenspatten van vastgoedzeepbellen, de kredietcrisis, betalingsachterstanden en ook de afname van overheidsopdrachten; overwegende dat deze sector een drijvende kracht kan zijn om op inclusieve wijze permanent uit de crisis te komen en om de klimaat- en energie-uitdagingen aan te pakken;

L.  overwegende dat de bezuinigings- en begrotingsconsolidatiemaatregelen in overeenstemming moeten worden gebracht met een allesomvattende investeringsstrategie ten behoeve van duurzame en inclusieve groei en het volgen van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, ook op het gebied van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;

M. overwegende dat huisvesting een basisbehoefte is waarvoor de lidstaten, op grond van hun eigen beleidskeuzen, minimumnormen voor bewoonbaarheid en comfort, specifieke regels voor de (steden)bouw en een bovengrens voor de inspanningen op dit gebied vastleggen, waarvoor sommige lidstaten de ontwikkeling van de prijzen voor woningen in de hand houden en waarvoor lidstaten soms zelfs speciale sociale voorzieningen of fiscale steunregelingen in het leven roepen waardoor deze grootste uitgavenpost van de huishoudens kan worden beïnvloed;

N. overwegende dat de ernstige economische en sociale gevolgen van de crisis op lange termijn, niet alleen voor de economische groei, de werkgelegenheid en de mate van armoede en sociale uitsluiting, maar ook voor de toegang tot huisvesting en de investeringen in sociale huisvesting in de EU, de lidstaten en de Unie ertoe nopen dringend actie te ondernemen om het recht op toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting te waarborgen; overwegende dat, aangezien huisvesting de grootste uitgavenpost van Europese huishoudens is, de sterke stijging van de prijzen die betrekking hebben op huisvesting (grondbelasting, eigendomsbelasting, huurprijzen, energieverbruik) een bron van instabiliteit en ongerustheid is en als een groot probleem moet worden beschouwd; overwegende dat de werkloosheid in de EU explosief is toegenomen en in januari 2013 tot gemiddeld 10,9% (EU-27) is gestegen, en dat de Europese bevolking tegelijkertijd vergrijst, waardoor er een aanzienlijk risico is op een toenemende kloof tussen rijk en arm, sociale uitsluiting en dakloosheid, terwijl al 80 miljoen Europeanen het risico lopen arm te worden;

O. overwegende dat Roma veelal in sterk gesegregeerde gebieden wonen, wat de toegang tot sociale en gezondheidsdiensten bemoeilijkt;

P.  overwegende dat er een duidelijk verband bestaat tussen slechte huisvesting en slechte gezondheid: hypotheekschulden gaan gepaard met een slechtere mentale gezondheidstoestand; overvolle woningen gaan gepaard met psychologische problemen, tuberculose, infecties van de ademhalingswegen en een verhoogd brandrisico en risico van huishoudelijke ongelukken; slechte woonomstandigheden hebben negatieve gevolgen voor de gezondheid en de veiligheid en vergroten de kans op ongevallen in het huishouden; het wonen in een lawaaierige omgeving leidt tot meer gevallen van hoge en verhoogde bloeddruk; overwegende dat dakloosheid met stress en nood gepaard gaat en van negatieve invloed is op levenskwaliteit, gezondheid en welzijn;

Q. overwegende dat vooral vrouwen – van wie in 2010 24,5% risico liep op armoede of sociale uitsluiting, in het bijzonder vrouwen met een laag inkomen, alleenstaande moeders, vrouwen met slecht betaalde banen, migrantenvrouwen, weduwen met minderjarigen ten laste en vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld – alsook eenoudergezinnen met een vrouw aan het hoofd, jonge gezinnen, grote gezinnen, studenten, jongeren die aan het begin van hun carrière staan, jonge werkloze stellen, mensen met een handicap, mensen met een lichamelijke of geestelijke aandoening, mensen uit achtergestelde gemeenschappen, waaronder Roma, en ouderen, de gevolgen ondervinden van het gebrek aan betaalbare en geschikte sociale huisvesting; overwegende dat met name deze categorieën het risico lopen dakloos te worden en in veel gevallen verhuizen naar ondermaatse woningen op de particuliere woningmarkt, waardoor de risico's op gezondheidsproblemen aanzienlijk toenemen; overwegende dat deze categorieën vaak alternatieve oplossingen zoeken door in te trekken bij familie, vrienden of bekenden, waardoor een adequate analyse en transparante documentatie van daklozen bemoeilijkt wordt;

R.  overwegende dat vrouwen door de economische crisis en de hoge prijzen op de huizenmarkt moeilijker kunnen scheiden of hun samenlevingsverband beëindigen, waardoor zij in hun vrijheid beperkt worden en kwetsbaarder worden voor seksegebonden huiselijk geweld;

S.  overwegende dat betaalbare huurwoningen van essentieel belang zijn om jongeren in staat te stellen een beroepsopleiding, universitaire studie of stage te volgen of een baan aan te nemen;

T.  overwegende dat de lidstaten als aanvulling op het aanbod op de particuliere markt ook een nevenaanbod van sociale woningen opzetten en organiseren; overwegende dat deze sociale huisvesting door specifiek hiervoor opgerichte non-profitorganisaties ter beschikking wordt gesteld tegen specifieke toegangs- en prijsvoorwaarden; overwegende dat 25 miljoen Europese huishoudens zijn gehuisvest in sociale woningen waarvan de lokale en regionale spreiding, toegangsvoorwaarden en prijzen rechtstreeks onder de bevoegdheid van de overheden van de lidstaten vallen; overwegende dat dit nevenaanbod aan woningen een matigende werking heeft op de omvang van de cycli op de woningmarkt en vastgoedzeepbellen, omdat het stabiel is en de prijzen in de hand worden gehouden;

De sociale en economische rol van sociale huisvesting bevorderen

1.  merkt op dat de spontane werking van de markt, met name in dichtbevolkte stedelijke gebieden, door de huidige economische en sociale crisis steeds minder in de behoefte aan betaalbare huisvesting voorziet en dat de stijging van de woning- en energiekosten het risico van ziekten, armoede en sociale uitsluiting doet toenemen; merkt op dat het aantal uitzettingen en beslagleggingen op woningen door banken in verscheidene lidstaten toeneemt; dringt erop aan dat er maatregelen worden genomen als reactie op deze uitdagingen; is bezorgd over het directe en indirecte effect van sommige bezuinigingsmaatregelen in de context van de huidige sociale en economische crisis – zoals de vermindering van de woonsubsidies en de sociale dienstverlening, het belasten van socialewoningcorporaties, de stopzetting van nieuwe huisvestingsprojecten en het te koop zetten van een deel van de nationale socialewoningbestand – waardoor een vicieuze cirkel van langdurige sociale uitsluiting zou kunnen worden verergerd;

2.  herinnert eraan dat het socialehuisvestingsbeleid door het uitbannen van gezinsarmoede en het voorkomen van de intergenerationele overdracht van sociaal-economische achterstand een belangrijke rol speelt bij de bestrijding van kinderarmoede; merkt op dat ook sociaal geïntegreerde bevolkingsgroepen als gevolg van de sociaaldemografische veranderingen van de gezinsstructuur en de toename van het aantal niet-vaste en tijdelijke arbeidsplaatsen een grotere behoefte hebben gekregen aan betaalbare woningen;

3.  dringt aan op de naleving van artikel 14 van en protocol nr. 26 bij het VWEU, overeenkomstig dewelke overheden vrij zijn om de organisatie, financiering en doelgroep van sociale huisvesting vast te stellen om in de behoeften van de plaatselijke bevolking te voorzien en te voorzien in een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en betaalbaarheid, gelijke behandeling en de bevordering van de rechten van de gebruiker; is van mening dat dit overheden in staat stelt tekortkomingen van de markt te corrigeren teneinde universele toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting te garanderen en zo de artikelen 16, 30 en 31 van het Europees Sociaal Handvest toe te passen; wijst erop dat het Europese mededingingsbeleid in geen geval mag worden gebruikt als instrument om diensten van algemeen economisch belang te ondermijnen;

Naar een Europees beleid voor sociale huisvesting

4.  herinnert de Commissie, de lidstaten en hun lokale en regionale overheden eraan dat uitgaven voor sociale en betaalbare huisvesting het mogelijk maken de grondrechten te waarborgen, op dringende sociale behoeften in te spelen en, als strategische sociale investeringen, op duurzame wijze kunnen bijdragen aan het scheppen van plaatselijke banen die niet kunnen worden gedelokaliseerd, het stabiliseren van de economie door het beperken van het risico op vastgoedzeepbellen en overmatige schuldenlast van huishoudens, het bevorderen van arbeidsmobiliteit, het tegengaan van de klimaatverandering, het bestrijden van energiearmoede en het verlichten van gezondheidsproblemen die het gevolg zijn van overvolle woningen en slechte woonomstandigheden; onderstreept derhalve dat uitgaven voor sociale huisvesting niet als kosten dienen te worden beschouwd waarop moet worden bezuinigd, maar als investeringen die op de lange termijn lonend zijn omdat zij tot een betere gezondheid, meer welzijn en een betere toegang tot de arbeidsmarkt leiden en mensen, met name ouderen, in staat stellen een onafhankelijk leven te leiden;

5.  vraagt de Commissie een Europees actiekader voor sociale huisvesting vast te stellen dat samenhang moet brengen in de verschillende beleidsinstrumenten die de EU hiervoor gebruikt (staatssteun, structuurfondsen, energiebeleid, bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, gezondheidsbeleid); vraagt de Commissie sociaaleconomische indicatoren, zoals investeringen in sociale huisvesting, in het Europees semester te integreren door deze op te nemen in haar evaluatie van de doelstellingen voor de bestrijding en voorkoming van vastgoedzeepbellen;

6.  verzoekt de Commissie de definitie van sociale huisvesting nader te verduidelijken door de uitwisseling van best practices en ervaringen tussen de lidstaten en rekening houdend met het feit dat sociale huisvesting in de respectieve lidstaten, regio's en lokale gemeenschappen op verschillende manieren wordt geconcipieerd en beheerd (vaak als gevolg van flexibele prioriteitsstellingen);

7.  merkt op dat investeringen in sociale huisvesting worden gedaan in het kader van algemenere beleidsmaatregelen voor het organiseren en financieren van openbare sociale, gezondheids- en onderwijsdiensten om sociale grondrechten te waarborgen en in te spelen op nieuwe sociale behoeften en cyclische economische veranderingen;

8.  onderstreept dat sociale investeringen moeten worden gemonitord in het kader van een pact voor sociale investeringen naar het model van het "Euro Plus Pact", dat het economische en budgettaire bestuurskader van de Unie moet versterken en investeringen in sociale huisvesting moet omvatten; benadrukt ook dat er doelstellingen inzake sociale investeringen voor de lidstaten moeten worden gesteld om de werkgelegenheids-, sociale en onderwijsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie te behalen; stelt met tevredenheid vast dat dit voorstel wordt versterkt door de conclusies van de Europese Raad van december 2012 waarin wordt benadrukt dat "in het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact (…) gebruik [kan] worden gemaakt van de mogelijkheden die het bestaande begrotingskader van de EU biedt om een evenwicht te scheppen tussen de behoeften inzake productieve overheidsinvesteringen en de doelstellingen op het gebied van begrotingsdiscipline"; verzoekt de Commissie deze sociale investeringen beter te volgen aan de hand van een scorebord met indicatoren over de op nationaal en EU-niveau gedane investeringen, waarbij voor de investeringen in sociale huisvesting rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van de huisvestingskosten en van het aantal aanvragers in afwachting van een woning in de lidstaten; vraagt voorts alle lidstaten het herziene Europees Sociaal Handvest te ratificeren, waarvan met name artikel 31 aandacht verdient;

9.  is van mening dat bewoners- en huurdersverenigingen inspraak moeten krijgen bij de uitwerking van de huisvestingsstrategieën die de lidstaten willen toepassen;

10. benadrukt dat sociale innovatie door het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting en het kaderprogramma voor onderzoek dient te worden bevorderd met het oog de analyse van nieuwe beleidsmaatregelen ter verbetering van de toegang tot huisvesting en de vermindering van dakloosheid;

11. verzoekt de Commissie de criteria van het staatssteunpakket inzake diensten van algemeen economisch belang van december 2011, op basis waarvan vrijstellingen van staatssteun op het gebied van sociale huisvesting enkel toegestaan zijn voor de sociaal meest kwetsbare groepen, te wijzigen; vraagt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om de moeilijkheden ten gevolge van deze tekortkomingen te boven komen;

12. is verheugd over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2011 (2011/0062) dat beoogt een kader voor woningkredietovereenkomsten vast te stellen en zo een al te zware schuldenlast voor de huishoudens te voorkomen; vraagt dat de best practices die voor consumenten zo gunstig mogelijk zijn, in de Europese regelgeving inzake hypotheken worden opgenomen; vraagt dat er procedures worden opgenomen voor heronderhandeling van schuld of inbetalinggeving voor insolvente schuldenaars en gezinnen; roept de lidstaten op te verhinderen dat reeds uitgezette gezinnen hun hypothecaire kredieten moeten blijven aflossen; verzoekt de Commissie en de lidstaten een oplossing te vinden voor het sociale drama dat de uitzettingen en het verlies van hun woning betekenen voor diegenen die het meest door de economische crisis en de werkloosheid getroffen worden; herinnert er bovendien aan dat dit gebeurt in een context van aanzienlijke staatssteun voor het saneren van het Europese financiële systeem; vraagt de lidstaten te zoeken naar alternatieve oplossingen voor uitzettingen;

13. vraagt de Commissie de lidstaten in haar specifieke aanbevelingen per land te waarschuwen wanneer hervormingen een bedreiging vormen voor investeringen in sociale of betaalbare huisvesting, en geen aanbevelingen te formuleren over de omvang van de socialehuisvestingssector in afzonderlijke lidstaten; laakt het feit dat bepaalde lidstaten in het kader van de begrotingsconsolidatieprogramma's en in overeenstemming met de specifieke aanbevelingen van de Commissie inzake maatregelen op de woningmarkt de capaciteit van de sector hebben ingeperkt door de verhuurders van sociale woningen te belasten; is voorts bezorgd over de restrictieve definitie van sociale huisvesting door de Commissie in het kader van het mededingingsbeleid, die alleen benadeelde groepen op het oog heeft;

14. verzoekt de Raad minstens eenmaal per jaar met de ministers van huisvesting van de lidstaten samen te zitten om te discussiëren over de effecten van de verschillende Europese beleidslijnen op het huisvestingsbeleid en ervoor te ijveren in het Europese beleid meer aandacht te besteden aan de economische, sociale en ecologische dimensie van de huisvestingssector door alle belanghebbenden, zoals sociale huisvestingsmaatschappijen, bewonersverenigingen en verenigingen die de toegang tot huisvesting bevorderen, bij het proces te betrekken;

15. stelt voor om een Europees Waarnemingscentrum voor huisvesting op te richten dat de uitwisseling van good practices moet intensiveren en de kwalitatieve en kwantitatieve kennis over huisvestingssituaties, waaronder sociale huisvesting, moet ontwikkelen aan de hand van betrouwbare statistische indicatoren, met inspraak van de Commissie, betrokken sociaaleconomische actoren, verenigingen en bewoners; stelt voor dat dit waarnemingscentrum het fenomeen van de energiearmoede zou bestuderen op basis van overgedragen nationale gegevens; vraagt de Commissie spoedig een analyse te maken van de voordelen van de oprichting van een dergelijk waarnemingscentrum; acht het beslist van belang dat de Eurostat-indicatoren m.b.t. de woningaspecten (prijs, kwaliteit) van sociale inclusie regelmatig worden gepubliceerd, zodat kan worden nagegaan welke vorderingen zijn gemaakt, en dat zij worden aangevuld met lokale en regionale statistieken;

16. merkt op dat een definitie van sociale huisvesting en van degenen die ervoor in aanmerking komen, het resultaat dient te zijn van een democratisch debat, teneinde rekening te houden met de verschillende tradities in de lidstaten;

17. verzoekt de Commissie en de lidstaten een sterker accent te leggen op de toegang tot huisvesting en de daarmee samenhangende diensten en door middel van initiatieven die dakloosheid en uitsluiting op de woningmarkt bestrijden, op basis van voor de lidstaten gemeenschappelijke indicatoren, en aan te zetten tot de uitwisseling van good practices voor een effectieve toepassing van het recht op huisvesting;

18. spoort de lidstaten ertoe aan grotere inspanningen te leveren om investeringen ten behoeve van sociale huisvesting op te nemen in hun begrotingsdoelstellingen voor de middellange en lange termijn, alsmede in hun nationale hervormingsprogramma's en in de strategische hoofdlijnen van hun partnerschapsovereenkomsten voor 2014-2020; verzoekt de Europese Raad en de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van sociale zaken worden verwezenlijkt;

19. merkt op dat beleid en programma's inzake huisvesting verder moeten worden ontwikkeld in overleg met vrouwen met een laag inkomen en uiteenlopende sociale achtergronden om te kunnen bepalen met welke maatregelen het best op hun behoeften kan worden ingespeeld;

Investeringen in lokale werkgelegenheid en de groene economie bevorderen

20. onderstreept dat huisvesting, en met name sociale huisvesting, een contracyclische economische rol speelt dankzij de vermindering van de energieafhankelijkheid, dankzij steun aan de bouw- en renovatiesector, daaraan verbonden duurzame lokale banen die niet kunnen worden gedelokaliseerd, en in het bijzonder dankzij de arbeidsintensiviteit van de sector, de ontwikkeling van groene sectoren in de lokale economie en stimuleringseffecten op de rest van de economie; is dan ook van mening dat investeringen in sociale huisvesting niet alleen als uitgaven, maar ook als productieve investeringen moeten worden beschouwd; moedigt de lidstaten voorts aan om een dialoog aan te gaan met de bouwsector, teneinde een betere ondernemingsklimaat en betere regelgeving voor sociale huisvesting te ontwikkelen, waarbij de aandacht in het bijzonder dient uit te gaan naar de vaststelling van woningbouwdoelstellingen, de financiering van infrastructuurkosten en de beschikbaarstelling van bouwgrond;

21. onderstreept dat de rechtstreekse steun van de structuurfondsen aan de socialehuisvestingssector in 2007-2013 een meerwaarde voor de lokale werkgelegenheid en een aanzienlijk hefboomeffect op de investeringen heeft gehad;

22. is van mening dat de bedragen die aan het Cohesiefonds worden toegekend in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014-2020 niet lager mogen zijn dan in het huidige MFK, om zo te garanderen dat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) over voldoende financiering kan beschikken, met name voor de investeringsprioriteit "bevordering van sociale insluiting en bestrijding van armoede: steun voor fysieke en economische sanering van achtergestelde stedelijke en rurale gemeenschappen";

23. erkent dat tal van lidstaten reeds doeltreffende beleidsmaatregelen voor sociale huisvesting hebben ingevoerd en is van mening dat voor de EU in dit verband de taak is weggelegd om de uitwisseling van good practices tussen de lidstaten te bevorderen;

24. neemt nota van de wetgevingsvoorstellen van de Commissie voor het pakket verordeningen betreffende het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020; pleit ervoor om prioritaire investeringen in energie-efficiëntie en gebruik van hernieuwbare energiebronnen in sociale en betaalbare woningen, geïntegreerde acties inzake duurzame stedelijke en ruimtelijke ontwikkeling, gelijke toegang tot huisvesting voor gemarginaliseerde gemeenschappen, bevordering van vertegenwoordigers van de sociale en solidaire economie zoals woningcorporaties zonder winstoogmerk en bedrijven, in aanmerking te laten komen voor steun uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds;

25. moedigt de lidstaten en alle belanghebbende partijen aan om zowel investeringen in sociale en betaalbare huisvesting als de versterking van de non-profit-woningsector een belangrijke plaats te geven in de nationale hervormingsprogramma's en in de strategische hoofdlijnen van de partnerschapsovereenkomsten voor 2014-2020, en ervoor te zorgen dat in de geplande huisvestingsmaatregelen rekening wordt gehouden met hun respectieve nationale strategieën voor integratie van de Roma;

26. moedigt de lidstaten aan vaker gebruik te maken van privaatrechtelijke instrumenten, zoals erfpacht, om de bouw van sociale woningen te vereenvoudigen, waarbij de grond niet gekocht hoeft te worden, en van het vruchtgebruik voor verhuurders van sociale woningen zodat de particulier er eigenaar van kan blijven;

27. onderstreept dat woningen en commerciële panden goed zijn voor 40% van het totale eindverbruik van energie en van de totale CO2-emissie in Europa en dat ecologisch duurzame bouw leidt tot kostenverlagingen en kortere bouwtijden, een drastische vermindering van de milieu-impact en het energieverbruik en, als gevolg daarvan, van de beheerskosten van woningen;

28. spreekt zijn steun uit voor een toereikende begroting voor het MFK 2014-2020, waarbij het cohesiebeleid wordt beschouwd als een motor om de crisis te boven te komen; onderschrijft de conclusies van het Europees pact voor groei en werkgelegenheid wat betreft de oproep tot de lidstaten om in de programmeringsperiode 2007-2013 de overheveling van niet-gebruikte structuurfondsen naar projecten voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie te vergemakkelijken en te bespoedigen; is van mening dat de socialehuisvestingssector van deze overhevelingen gebruik moet kunnen maken;

29. vraagt de lidstaten, hun beheersautoriteiten en de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat de actoren op het terrein van huisvesting, de bewonersverenigingen en de verenigingen die de toegang tot huisvesting bevorderen, worden opgenomen in de lijst van sociale partners voor de uitwerking, monitoring en evaluatie van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's; benadrukt het nut van nieuwe instrumenten voor geïntegreerde ontwikkeling ("community-led local development" en geïntegreerde territoriale investeringen) voor geïntegreerde strategieën ter bevordering van de huisvesting waarin de sociale huisvestingsmaatschappijen en bewoners een doorslaggevende rol vervullen; is van mening dat met betrekking tot de structuurfondsen en het Cohesiefonds de beginselen van partnerschap en meerlagig bestuur efficiënt moeten worden toegepast en dat de lidstaten dienen te worden aangezet tot samenwerking met lokale en regionale overheden om prioriteiten te stellen en te besluiten hoe de middelen moeten worden besteed; is van mening dat bevordering van de synergieën tussen de structuurfondsen en het Cohesiefonds de duurzame ontwikkeling van achtergestelde of landelijke gebieden ten goede kan komen en kan voorkomen dat zij geïsoleerd en ontvolkt raken, waardoor de negatieve gevolgen van sociale segregatie worden voorkomen en heterogeniteit, sociale cohesie en gendergelijkheid worden gestimuleerd;

30. vraagt de lidstaten specifieke mechanismen voor de financiering van sociale woningbouw te versterken of te ontwikkelen, het gebruik van subsidies van het Horizon 2020-programma en van de financiële instrumenten en de technische ondersteuningsprogramma's van de structuurfondsen, de Europese Investeringsbank (EIB), de Europese Bank voor wederopbouw en ontwikkeling (EBWO), de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa (CEB) en het Europees Fonds voor energie-efficiëntie (EEEF) op gecoördineerde wijze aan te moedigen teneinde kwalitatief hoogwaardige bouw en renovatie van sociale en betaalbare woningen te stimuleren; vraagt de lidstaten voorts te onderzoeken hoe de gewijzigde EFRO-verordening kan worden toegepast om in huisvesting voor gemarginaliseerde gemeenschappen te voorzien;

31. roept de EIB op om, in nauw overleg met de lokale en regionale overheden, in zijn investeringsprioriteiten een sterker accent te leggen op de sector van sociale en betaalbare huisvesting, met name in die lidstaten waar geen overheidsbank voor woningen bestaat, en daarbij de voorwaarden van verstrekte leningen te verbeteren; vraagt de EIB ook na te gaan in welke mate projectobligaties kunnen worden gebruikt voor de financiering van sociale infrastructuur zoals huisvesting, en rekening te houden met de beoordeling van de proeffase alvorens deze te verlengen;

32. roept de lidstaten op om de activiteiten van de woningcorporaties te ondersteunen, die een belangrijk hulpmiddel vormen voor de aankoop van een betaalbaar eerste huis; wijst erop dat corporaties daarnaast een doeltreffend instrument zijn voor het bevorderen van initiatieven op het gebied van stadsvernieuwing, waarbij synergieën tot stand worden gebracht met de lokale gemeenschappen en de leegloop van de steden wordt bestreden;

33. verzoekt de Commissie andere mogelijke financieringsbronnen ter beschikking van de lidstaten te stellen om het aanbod aan en de renovatie van sociale woningen als sociale investeringen te bevorderen, de lidstaten en de regionale en lokale overheden aan te moedigen de beschikbare Europese middelen doeltreffend in te zetten, en het verlaagde btw-tarief te handhaven dat voor die investeringen geldt gezien de arbeidsintensiviteit van de sector en het geringe effect ervan op de intracommunautaire handel; vraagt dat wordt overwogen om op sociale huisvesting dezelfde btw-tarieven toe te passen als voor basisconsumptiegoederen; moedigt de lidstaten aan particulier spaargeld aan te trekken om de toegang tot grondbezit te vergemakkelijken en de bouw en renovatie van sociale woningen aan te moedigen;

34. moedigt de invoering van geïntegreerde samenwerkingsmodellen aan waarin projectbeheerders, verhuurders van sociale woningen en bouwondernemingen bijeen worden gebracht om thermische renovatie en de bouw van energiezuinige sociale woningen te bevorderen;

35. is verheugd over de mededeling van de Commissie van 31 juli 2012 over een strategie voor het duurzame concurrentievermogen van de bouwsector en de ondernemingen in die sector (COM 2012/0433); is van mening dat er bovenop de fiscale prikkels en financiële steunmaatregelen om de concurrentiekracht en het innovatieklimaat in deze sector te bevorderen, maatregelen nodig zijn om het kwalificatieniveau van de werknemers te verbeteren teneinde de uitdagingen van een energie-efficiënt Europa en van een koolstofarme economie te kunnen aangaan en de doelstellingen te kunnen behalen die zijn vastgesteld in de richtlijn betreffende energie-efficiëntie (2012/27) (39) en de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen (2010/31) (40);

36. verzoekt de Commissie om in nauwere samenwerking met de lidstaten en de lokale bevoegde overheden middellange- en langetermijnprognoses op te stellen voor de vaardigheden waaraan de arbeidsmarkt behoefte heeft; vraagt de verantwoordelijke betrokkenen de werkgelegenheidssituatie te volgen om de basisberoepsopleiding en levenslang leren meer af te stemmen op de behoeften; vraagt de lidstaten en de bevoegde lokale overheden hun onderwijs- en opleidingsstelsels, met inbegrip van het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding, spoedig aan te passen door er met name het begrip duurzame economie in op te nemen, en ervoor te zorgen dat de kwalificeringsstelsels de toegang van jongeren tot nieuwe "groene" banen en "groene" sectoren bevorderen; wijst erop dat met de bevordering van groene banen duurzame werkgelegenheid van hoge kwaliteit kan worden gecreëerd, armoede en sociale uitsluiting kunnen worden aangepakt en voor ondersteunende diensten voor arbeidsvoorziening kan worden gezorgd;

37. merkt op dat de groene sector tal van werkgelegenheidskansen biedt, uiteenlopend van instapbanen en laaggeschoold werk tot aan hooggekwalificeerde banen in de kennissector; in dit verband:

–   merkt op dat het mkb een belangrijke rol speelt in de werkgelegenheid in de groene economie en wijst op het potentieel van het mkb voor opleidingen, leerlingplaatsen en lokale outreachprogramma's, die werkgelegenheidskansen voor kansarmen kunnen bieden;

–   verzoekt de lidstaten overgangsfondsen aan te leggen om de behoeften op het gebied van vaardigheden te beheren;

–   dringt bij de Commissie aan op de opname van een negende kerncompetentie in de kaderstructuur voor een leven lang leren, die betrekking heeft op milieu, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling;

–   vraagt de lidstaten en de lokale en regionale overheden zich tot het Europees Sociaal Fonds (ESF) te richten om te kunnen investeren in vaardigheden, werkgelegenheid, beroepsopleidingen en omscholing, in het bijzonder in "groene" sectoren zoals de thermische renovatie van gebouwen;

–   verzoekt de lidstaten de opkomst van mensen met zowel sociale als technische vaardigheden op het gebied van energiebesparing, zoals sociaaltechnische bemiddelaars, te schragen, alsook de inspanningen in technische beroepsopleidingen met een meer sociale benadering van de energie-efficiëntie, of omgekeerd, te ondersteunen;

38. is ingenomen met het pakket sociale investeringen waarmee de Commissie de lidstaten richtsnoeren biedt voor een efficiënter en doeltreffender sociaal beleid gericht op groei en cohesie;

39. merkt op dat deze investeringen in sociale huisvesting passen in het kader van een meer algemeen beleid dat gericht is op de organisatie en financiering van een ruim aanbod van publieke sociale en gezondheidsdiensten en van onderwijsdiensten om effectieve sociale grondrechten te waarborgen en in te spelen op de ontwikkeling van de sociale behoeften;

Armoede bestrijden en sociale inclusie en samenhang bevorderen

40. herinnert eraan dat de erkenning en verwezenlijking van het recht op huisvesting voorwaarden zijn voor de verwezenlijking van de overige grondrechten, met inbegrip van de politieke en sociale rechten; stelt zich derhalve op het standpunt dat de erkenning van het recht op huisvesting in het primaire recht van de EU een uiteindelijk doel moet zijn; herinnert eraan dat de lidstaat of bevoegde overheid ervoor verantwoordelijk is een effectieve inhoud te geven aan dit recht op huisvesting door via het beleid en de programma's de universele toegang tot huisvesting, in het bijzonder voor kansarmen, te verbeteren aan de hand van een toereikend aanbod van adequate, fatsoenlijke, gezonde en betaalbare woningen en de eventuele instelling van een inroepbaar recht op huisvesting;

41. vraagt het Europees Bureau voor de grondrechten een studie te verrichten over de effectiviteit en de voorwaarden voor de toepassing van het recht op huisvesting en van de bijstand voor huisvesting in de lidstaten, met inspraak van de betrokkenen; vraagt het Bureau de uitwisseling te bevorderen van best practices bij de effectieve tenuitvoerlegging van het recht op huisvesting voor bijzonder kwetsbare groepen, zoals onder meer daklozen; verzoekt de Commissie dergelijke activiteiten te volgen in het pakket sociale investeringen;

42. vraagt de lidstaten en de Commissie de innoverende en doeltreffende ontwikkeling en uitwisseling van best practices bij de tenuitvoerlegging van het recht op huisvesting voor bijzonder kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te ondersteunen en te bevorderen, met bijzondere aandacht voor de bestrijding van huiselijk geweld; constateert tot zijn spijt dat slachtoffers van huiselijk geweld dikwijls geneigd zijn langer in een gewelddadige omgeving te blijven wanneer het voor hen financieel onmogelijk is om geschikte huisvesting te vinden; verzoekt de lidstaten te voorzien in geïntegreerde sociale diensten voor gezinnen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld;

43. verwacht dat de Commissie onderzoekt of steun in de vorm van huisvestingstoelagen dan wel indirecte steun in de vorm van sociale huisvesting een effectievere maatregel is om sociale groepen van betaalbare huisvesting te voorzien die op de woningmarkt niet aan woonruimte kunnen komen, en in welke mate directe of indirecte steun effectiever is;

44. vraagt de Commissie en het agentschap Eurofound in 2014 in het kader van het werkprogramma van het agentschap een onderzoek te verrichten naar de kosten van het niet optreden ten aanzien van slechte huisvesting;

45. wijst er met bezorgdheid op dat veel lidstaten bij de aanpak van de begrotingsonevenwichtigheden diensten, programma's en acties (huursubsidie, hypotheken met rentesubsidie, enz.) hebben opgeschort die tot doel hadden huizenkoop te vergemakkelijken, en dat ze tegelijkertijd, ondanks de erbarmelijke economische situatie, de belasting op onroerend goed tot een buitensporig hoog niveau hebben optrokken waardoor brede bevolkingsgroepen aan armoede en verarming werden blootgesteld;

46. verzoekt de lidstaten een maatschappelijke effectbeoordeling uit te voeren waarbij de nadruk ligt op een naar geslacht en huishouden uitgesplitste beoordeling van alle maatregelen en programma's op het gebied van huisvesting, waarbij vooral de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op het gebied van inkomen en financiële middelen in aanmerking wordt genomen; benadrukt dat alle statistische gegevens naar geslacht en type huishouden moeten worden uitgesplitst en dat meer onderzoek vereist is om precies te kunnen bepalen hoe huisvestingsbeleid ondersteuning kan bieden aan personen en groepen in kwetsbare situaties, zoals vrouwen (rekening houdend met hun veelzijdige rol als alleenstaande ouder en als verzorger van familieleden en personen met een handicap), gezinnen, jongeren, mensen met een handicap en ouderen, precies kan ondersteunen;

47. beveelt aan dat de lidstaten en hun lokale en regionale overheden een geïntegreerd beleid ontwikkelen om sociale uitsluiting tegen te gaan en de universele toegang tot fatsoenlijke, gezonde en betaalbare huisvesting te garanderen; stelt in dit verband voor om de volgende maatregelen te nemen:

–   steun voor gezonde sociale en "zeer sociale" huisvesting van goede kwaliteit, met name door waar nodig een minimumpercentage sociale woningen in te voeren, bijvoorbeeld in dichtbevolkte gebieden waar de vraag het grootst is, hetgeen diversiteit zou bevorderen;

–   vaststelling van duidelijke minimumnormen voor het bepalen van de huisvestingskwaliteit, met name bij sociale huisvesting;

–   koppeling van programma's voor de uitbreiding van het socialewoningbestand aan beleid inzake andere essentiële openbare diensten en diensten van algemeen belang, zoals de bouw van openbare sociale, gezondheids-, culturele en sportfaciliteiten (als onderdeel van een geïntegreerde lokale strategie) en beleid om ongebreidelde stadsuitbreiding tegen te gaan (overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie voor de doelstelling dat tegen 2050 geen grondgebied meer bestemd wordt voor bebouwing);

–   maatregelen tegen de problemen die de meeste kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals migranten en jongeren, vaak hebben om een fatsoenlijke woning te vinden;

–   regelingen ter versterking van de huurzekerheid;

–   een doeltreffend preventiebeleid, in nauwe samenwerking met huurdersorganisaties, ter voorkoming van de uitzetting van huurders, met name de meest kwetsbare huishoudens en in het bijzonder wanneer het zeer koud is, aangezien het, afgezien van de traumatische ervaringen die deze uitzettingen met name bij gezinnen veroorzaken, voor de bevoegde overheden goedkoper is om de huur en de achterstallige huur te betalen van mensen die met uitzetting worden bedreigd;

–   opstelling van specifieke programma's voor daklozen, op basis van beoordelingen van de plaatselijke situatie, rekening houdend met de Europese typologie van dakloosheid en sociale uitsluiting (ETHOS) om het proces van uitsluiting op huisvestingsgebied te meten, in combinatie met sociale-begeleidingsmaatregelen en met inaanmerkingneming van de specifieke situatie en behoeften van vrouwen, met bijzondere nadruk op huisvesting en steun voor kwetsbare personen en gemarginaliseerde gemeenschappen in plaats van tijdelijke onderkomens;

–   bevordering en financiering van zelfbouwprogramma's;

48. vraagt de lidstaten erop toe te zien dat alle burgers zich een woning kunnen veroorloven, en wel doordat huurverhogingen op de objectivering van de huurprijzen worden gebaseerd, waardoor ervoor wordt gezorgd dat verhogingen van de prijzen voor woningen gematigd blijven, en doordat het belastingbeleid zodanig wordt aangepast dat speculatie wordt ingetoomd;

49. roept de Commissie op de resolutie van het Parlement over een EU-strategie inzake dakloosheid onverwijld ten uitvoer te leggen;

50. benadrukt dat de verschillende aspecten van dakloosheid onder vrouwen in hun totaliteit moeten worden aangepakt en integraal deel moeten uitmaken van alle EU-beleidskaders; verzoekt de Commissie en de lidstaten systematische gendereffectbeoordelingen uit te voeren en de specifieke situatie en behoeften van dakloze vrouwen kritisch te volgen, de ontwikkeling van projecten voor begeleid wonen te bevorderen, de bouw van betaalbare, aangepaste en energie-efficiënte woningen te stimuleren, en socialewoningbouwprogramma's ook toegankelijk te maken voor middenklassegezinnen, die dikwijls niet in aanmerking komen voor dergelijke regelingen, maar net als andere huishoudens te kampen kunnen krijgen met materiële deprivatie als gevolg van de economische crisis;

51. moedigt de inrichting van geïntegreerde samenwerkingsmodellen aan waarin de sociale en gezondheidsdiensten, diensten voor de begeleiding van kansarmen, verhuurders van sociale woningen en verenigingen die kwetsbare personen begeleiden bij het vinden en behouden van huisvesting, worden samengebracht;

52. vraagt de Commissie, de lidstaten en de bevoegde overheden middelen uit de structuurfondsen toe te wijzen aan de huisvesting en opvang van gemarginaliseerde gemeenschappen, met name aan sociale huisvesting, door deze prioriteit in te voeren in de lopende programma's; nodigt met het oog hierop de Commissie en het Bureau voor de grondrechten uit de uitwisseling van good practices tussen de plaatselijke overheden te ontwikkelen op basis van gemeenschappelijke en transparante criteria;

53. beveelt de lidstaten en de bevoegde overheden aan te investeren in de bouw en aanpassing van betaalbare sociale woningen als reactie op de bouwvalligheid en de gezondheidsrisico's van vervallen woningen, op de diversiteit van de gezinsmodellen, op de vergrijzing van de bevolking en met name op de behoefte van afhankelijke ouderen om zelfstandig te blijven wonen, en op de specifieke behoeften van mensen met een handicap en jongeren, met name op het gebied van woning- en beroepsmobiliteit; beveelt aan voor deze doeleinden voor de volgende programmeringsperiode (2014-2020) een beroep te doen op de structuurfondsen; is van mening dat sociale begeleiding bij de toegang tot huisvesting een factor is voor de creatie van "witte" banen, die onontbeerlijk zijn om te reageren op de huidige en toekomstige maatschappelijke uitdagingen zoals de vergrijzing van de bevolking; onderstreept de positieve rol die het Europees Fonds voor sociaal ondernemerschap kan spelen voor projecten voor begeleiding en integratie in huisvesting;

54. nodigt de lidstaten en de regionale en lokale overheden uit doeltreffende en stimulerende maatregelen te treffen op basis van prognostische analyses van de behoeften aan woningen, om de langdurige leegstand van woningen aan te pakken, met name in gebieden waar de situatie kritiek is, teneinde de bouwspeculatie te bestrijden en deze woningen beschikbaar te stellen als sociale huisvesting;

55. roept de lidstaten op een huisvestingsbeleid te voeren dat gebaseerd is op het beginsel van neutraliteit tussen koopwoningen, particuliere huurwoningen en sociale huurwoningen, met inachtneming van de diversiteit van plaatselijke situaties;

56. onderstreept het belang van een gezondheids- en veiligheidsclassificatiesysteem voor woningen, waarbij de gezondheidrisico's die met betrekking tot de woning bestaan beoordeeld kunnen worden;

57. beveelt de lidstaten en de bevoegde overheden aan om het aanvragen van een sociale woning te vereenvoudigen en de toewijzing van woningen eerlijker, transparanter en onpartijdiger te maken, rekening houdende met de specifieke sociale, economische en culturele situatie van elke lidstaat, ter voorkoming van discriminatie en ontwijking van de meest kwetsbare groepen, waardoor de ruimtelijke segregatie wordt versterkt en getto's ontstaan; benadrukt in dit opzicht het nut van instrumenten die van kracht zijn in bepaalde lidstaten, zoals een lijst van wettelijke, nauwkeurige en transparante toewijzingscriteria die de sociale verscheidenheid bevorderen, de anonimisering van de aanvragen voor sociale woningen, de openbare bekendmaking van leegstaande woningen, de invoering van rangschikkingssystemen voor aanvraagdossiers, de scheiding van de instanties die de criteria beheren en die de woningen toewijzen, of een adequaat beheer bij de toewijzing om de sociale verscheidenheid op grote schaal te bevorderen;

58. wijst op de uitdagingen in verband met de vergrijzing en de behoefte aan adequate, fatsoenlijke en toegankelijke woonruimte voor het groeiende aantal ouderen in de EU; stelt vast dat de armoede onder ouderen in alle Europese landen in hoog tempo toeneemt en vraagt daarom dat er binnen het nieuwe Europese innovatiepartnerschap "actief en gezond ouder worden", dat de onderzoeksinspanningen op dit vlak coördineert, een apart onderdeel gewijd wordt aan het uitwerken van betaalbare oplossingen om ouderen in staat te stellen zo lang mogelijk in hun eigen huis te blijven wonen; daarbij mag niet worden vergeten dat het verbeteren van de toegankelijkheid van bestaande woningen een relevante manier is om hun sociale integratie te bevorderen door hen onafhankelijker te maken; verzoekt de lidstaten daarom in hun nationale hervormingen een apart onderdeel te wijden aan het uitwerken van betaalbare oplossingen om ouderen in staat te stellen zo lang mogelijk in hun eigen huis te blijven wonen, rekening houdend met het feit dat het verbeteren van de toegankelijkheid van bestaande woningen wenselijk is om deze mensen door de bevordering van hun persoonlijke onafhankelijkheid te helpen thuis te blijven wonen en deel te nemen aan het sociale leven;

59. wijst erop dat sociale huisvesting dusdanig moet zijn georganiseerd dat zowel gentrificatie als gettovorming worden voorkomen; verzoekt om zo nodig financiële prikkels te geven die beogen gemeenschappelijke en gemengde particuliere en sociale woningbouwprojecten te ontwikkelen om segregatie te voorkomen;

60. hecht bijzonder veel belang aan de inspanningen die de Europese Unie zich getroost ter ondersteuning van kansarme bevolkingsgroepen, met name wat betreft de verschaffing van huisvesting, gelet op de sociale onevenwichtigheden in Europa en met name in de recent tot de Unie toegetreden lidstaten.

61. beveelt aan dat de lidstaten en de bevoegde autoriteiten stappen nemen om de toegang tot betaalbare woonruimte te verbeteren door het aanbod aan sociale en betaalbare woningen kwantitatief en kwalitatief te verbeteren en de sociale huisvesting in de gemeenschapsgerichte zorg en de sociale dienstverlening te integreren en daartoe gebruik te maken van het ESF en andere structuurfondsen;

62. onderstreept dat sociale huisvesting, wanneer deze wordt gecoördineerd met een doeltreffende gemeenschapsgerichte zorg en andere sociale diensten, ertoe dient bij te dragen de mogelijkheden voor mensen om een onafhankelijk leven te leiden te ontwikkelen door sociaal kwetsbare of achtergestelde personen te helpen bij de overgang naar een onafhankelijker levensstijl, waarbij zij minder afhankelijk zijn van bijstand en grotere persoonlijke autonomie genieten;

63. verzoekt de relevante publieke en particuliere instellingen om systematisch modules over de toegankelijkheid van de gebouwde omgeving en "ontwerpen voor iedereen" op te nemen in de opleidingsprogramma's voor ingenieurs, architecten, stedenbouwkundigen en bouwkundigen;

64. betreurt de wereldwijde trend van beperking van de sociale huisvesting en verzoekt de lidstaten de vaak uitgesloten gezinnen met een middeninkomen in hun socialehuisvestingsprogramma's te integreren, aangezien zij net als andere huishoudens als gevolg van de economische crisis mogelijkerwijs door materiële deprivatie kunnen worden getroffen;

65. beschouwt de inzet van de Unie voor duurzame geïntegreerde stedelijke ontwikkeling, met name ten behoeve van sociale huisvesting, als een doeltreffend middel om wijken met moeilijkheden te integreren in hun stedelijke omgeving en de armoede en sociale uitsluiting te bestrijden; roept de lidstaten en de bevoegde overheden derhalve op vaker op geïntegreerde wijze een beroep te doen op de structuurfondsen (EFRO, ESF), alsmede op de EIB en op andere financiële oplossingen, en om de onderlinge coördinatie en synergieën te bevorderen; is van mening dat adequate deelname van de bewoners en de ontwikkeling van hun beslissingsbevoegdheden op een hoger niveau en tijdens de bouw en renovatie van sociale woningen bijdragen aan een sterkere integratie en sociale samenhang;

66. verzoekt de Commissie een onderzoek te verrichten naar de doeltreffendheid van investeringsmodellen met sociale effecten op het gebied van sociale huisvesting, met aandacht voor het potentieel van de structuurfondsen wanneer die worden gebruikt als financieringsinstrumenten en eventueel worden gecombineerd met andere financieringsbronnen, ten behoeve van investeringen met sociale effecten, bijvoorbeeld door de creatie van plaatselijke groene banen of banen voor jongeren, of door sociale inclusie via huisvesting voor gemarginaliseerde gemeenschappen;

67. constateert tot zijn spijt dat slachtoffers van huiselijk geweld dikwijls langer in een gewelddadige omgeving blijven wanneer zij financieel afhankelijk zijn van de dader en daarom geen geschikte huisvesting voor zichzelf kunnen vinden; verzoekt de EU daarom de ontwikkeling van beleid en programma's te stimuleren die veilige en betaalbare huisvesting toegankelijker maken voor slachtoffers van huiselijk geweld, en dringt erop aan dat de lidstaten zoeken naar betaalbare, alternatieve vormen van nood- en tijdelijke huisvesting en het aantal opvang- en herstelcentra voor slachtoffers en andere aanverwante maatschappelijke diensten zoals geïntegreerde diensten voor gezinnen (bijvoorbeeld centra voor gezin en recht) verhogen;

68. wijst er nogmaals op dat er in 2009 zeven keer meer alleenstaande moeders dan alleenstaande vaders waren; benadrukt dat alleenstaande moeders derhalve voorrang moeten krijgen bij de toewijzing van sociale woningen, evenals groepen of personen in kwetsbare situaties, zoals alleenstaande ouders, jonge gezinnen, grote gezinnen, jonge mensen aan het begin van hun carrière, migrantenvrouwen, mensen met een handicap en ouderen; merkt op dat de economische crisis aanvankelijk grotere gevolgen had voor mannen dan voor vrouwen, maar dat in een later stadium van de crisis de werkloosheid onder vrouwen sterker is toegenomen dan onder mannen;

Energiearmoede bestrijden

69. is bezorgd over de toename van de energiearmoede, die tussen 50 en 125 miljoen Europeanen treft, en die hoofdzakelijk het gevolg is van de combinatie van lage inkomens in het huishouden, verwarming en isolatie van slechte kwaliteit, en te hoge energiekosten;

70. vraagt de Commissie een mededeling over de bestrijding van energiearmoede aan te nemen waarin de lidstaten wordt gevraagd een definitie van energiearmoede vast te stellen die op gemeenschappelijke parameters is gebaseerd, maar per lidstaat kan worden aangepast aan de eigen nationale situatie; herhaalt dat de betaalbaarheid van huisvesting niet alleen in termen van huurprijzen moet worden gezien, maar eveneens in termen van de bijbehorende energierekeningen; is echter van mening dat energiearmoede niet alleen uit het oogpunt van het uitgavenniveau en de energieprijzen dient te worden bekeken, omdat energiearmoede ook een kwalitatieve dimensie heeft die met name samenhangt met het verbruiksgedrag en de verbruiksgewoonten van de bewoners;

71. vraagt de Commissie en de lidstaten te garanderen dat de verdieping van de interne energiemarkt gepaard gaat met maatregelen ter bescherming van kwetsbare consumenten;

72. is van mening dat het recht op toegang tot energie van essentieel belang is om een waardig leven te leiden; vraagt de lidstaten hun definitie van "fatsoenlijke woning" te verfijnen om rekening te houden met energie-efficiëntienormen; vraagt de lidstaten energiearmoede met name via de publieke energieregulators te bestrijden en op basis van lokale energieaudits geïntegreerde maatregelen te nemen, zoals:

–   speciale financiële regelingen voor de energiekosten van de meest kwetsbare huishoudens (zoals billijke energietarieven, ad-hocsteun of in andere sociale uitkeringen geïntegreerde steun, preventie van onbetaalde facturen, bescherming tegen afsluiting);

–   specifieke nationale of regionale fondsen om de energiearmoede te verminderen, die van middelen kunnen worden voorzien via een financiële bijdrage van de energieleveranciers op basis van hun verplichtingen om het verbruik te verlagen overeenkomstig Richtlijn 2012/27/EU inzake energie-efficiëntie,

–   steun voor stimulansen en voorlichting of bewoners te helpen energie te besparen;

–   doeltreffende financiële hefbomen op lange termijn om woningen energie-efficiënter te maken, zowel in stedelijke als in plattelandsgebieden, zonder dat hierdoor de kosten van de woning voor huurders fors stijgen na aftrek van de gerealiseerde energiebesparingen; vraagt de Commissie zich in te zetten voor de coördinatie hiervan en de invoering van stimuleringsmechanismen te onderzoeken;

73. brengt in herinnering dat de woningsector een van de grootste mogelijkheden voor energiebesparing vormt; onderstreept dat de energie-efficiëntiemaatregelen– voor zover de kosten voor het energiezuiniger maken niet hoger zijn dan de gerealiseerde energiebesparingen – op middellange en lange termijn in de eerste plaats moeten dienen om de koopkracht en hun levenskwaliteit van de huishoudens te vergroten; onderstreept dat deze maatregelen ook zorgen voor een vermindering van de koolstofemissies, het scheppen van banen, ondersteuning van de lokale economie en kostenbesparingen in de gezondheidszorg;

74. wijst op de potentiële voordelen van met name regelingen voor de subsidiëring van de toepassing van energie-efficiënte en hernieuwbare micro-energieopwekking in sociale woningen, waarmee op de energierekening kan worden bespaard en waarvan de inkomsten rechtvaardig tussen de huurder en de wooncorporatie of eigenaar kunnen worden verdeeld, hetgeen leidt tot een lagere energierekening de huurders en extra middelen voor de verdere renovatie van woningen en de verbetering van het woningaanbod;

75. is van mening dat de maatregelen voor het energiezuiniger maken van woningen ten behoeve van de bestrijding van de energiearmoede bijdragen aan de preventie van gezondheidsproblemen (zoals aandoeningen van de luchtwegen, hartaandoeningen, allergieën, astma, voedsel- of koolmonoxidevergiftiging, gevolgen voor de mentale gezondheid van de bewoners);

76. wijst nogmaals op het belang van programma's ter verbetering van de energieprestaties van gebouwen voor het bevorderen van de betaalbaarheid van sociale huisvesting en huisvesting in de particuliere sector; benadrukt dat de Commissie de richtsnoeren voor staatssteun met betrekking tot nationale en EU-fondsen voor desbetreffende renovaties en investeringen dient te verduidelijken en dat het noodzakelijk is waar mogelijk in flexibiliteit te voorzien om ervoor te zorgen dat wooncorporaties en particuliere eigenaren bij dergelijke investeringen ter verwezenlijking van deze tweeledige sociale en milieudoelstelling een beroep kunnen doen op de meest passende financieringsstromen, zonder dat dit indruist tegen de mededingingsregels van de EU;

77. is verheugd over het feit dat maatregelen ter bevordering van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in de periode 2014-2020 in aanmerking zullen komen voor het EFRO en het Cohesiefonds; moedigt de lidstaten, de lokale en regionale overheden en alle betrokken partners aan een beroep te doen op het EFRO en het Cohesiefonds voor werkzaamheden ter verbetering van de energieprestaties, met name ten behoeve van de huishoudens die het ergst door energiearmoede getroffen zijn;

78. wijst met nadruk op de rol die energieleveranciers moeten spelen op het gebied van preventie en de oplossing van geschillen, met name door de installatie van slimme meters, de inrichting van een klantendienst en de verbetering van de prijzentransparantie;

79. verzoekt de lidstaten de huishoudens beter te informeren door middel van voorlichtingscampagnes opdat zij op een meer verantwoorde wijze omgaan met hulpbronnen en op de hoogte zijn van de steun die zij via een aangepaste sociale begeleiding kunnen krijgen, en om opleidings- en bewustmakingscampagnes te voeren, met name gericht op beroepsbeoefenaren van de sociale sector, over de risico's van energiearmoede;

80. verzoekt de lidstaten nationale databanken over energiearmoede op te zetten;

81. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen en de regeringen van de lidstaten.

(1)

PB L 306 van 23.11.2011.

(2)

PB L 306 van 23.11.2011.

(3)

PB L 306 van 23.11.2011.

(4)

PB L 306 van 23.11.2011.

(5)

PB L 306 van 23.11.2011.

(6)

PB L 306 van 23.11.2011.

(7)

Aangenomen tekst P7_TA(2011)0495.

(8)

PB L 210 van 31.7.2006.

(9)

PB L 210 van 31.7.2006.

(10)

PB L 201 van 31.7.2006.

(11)

PB L 315 van 14.11.2012.

(12)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0485.

(13)

PB L 347 van 11.12.2006.

(14)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0494.

(15)

http://ec.europa.eu/social/main/jsp?cat/d=738€largId=en€pubId=7315

(16)

http://epp.eurostat.ec.europa.eu/cache/ITY_PUBLIC/3-08022012-BP/EN/3-08022012-BP-EN.PDF

(17)

http://www.eurofound.europa.eu/publications/htmlfiles/ef1264.htm

(18)

http://www.eurofound.europa.eu/pubdocs/2011/891/en/1/EF11891EN.pdf

(19)

http://www.eurofound.europa.eu/pubdocs/2012/02/en/1/EFI20EN.pdf

(20)

PB L 7 van 11. 1.2012, blz. 3.

(21)

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=135024&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1202581)

(22)

PB L 298 van 7.11.2008, blz. 20.

(23)

Raad van de EU, 3053e zitting van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken, Brussel, 6 december 2010.

(24)

Verslag van het Comité voor sociale bescherming aan de Raad, Raad van de EU, 6624/11 ADD 1 SOC 135 ECOFIN 76 SAN 30, van 18 februari 2011.

(25)

Verslag van het Comité voor sociale bescherming aan de Raad, Raad van de EU, 6500/10 SOC 115 ECONFIN 101 FSTR 8 EDUC 31 SAN 33, van 15 februari 2010.

(26)

EESC, 597/2012-TEN/484, 13 december 2012.

(27)

CoR 71/2011 final, ECOS-V/014 https://toad.cor.europa.eu/CORWorkInProgress.aspx

(28)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0419.

(29)

PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 57.

(30)

PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 120.

(31)

PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 116.

(32)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0376.

(33)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0319.

(34)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0183.

(35)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0383.

(36)

PB C 259 E van 29.10.2009, blz. 19.

(37)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0499.

(38)

http://www.eurofound.europa.eu/publications/htmlFiles/eFI264.htm

(39)

PB L 315 van 14.11.2012.

(40)

PB L 153 van 18.6.2010.


TOELICHTING

Dit verslag beoogt aan te tonen in welke mate sociale huisvesting een hefboom is om de Europese Unie te helpen de economische, sociale en milieucrisis te boven te komen. Naar schatting 25 miljoen Europese burgers wonen in een sociale woning. Alle lidstaten behalve Griekenland beschikken over een sociale-woningbestand waarvan de omvang sterk varieert, met name tussen de West-Europese lidstaten en de nieuwe lidstaten in het oosten. De behoefte aan sociale huisvesting varieert ook binnen de lidstaten, tussen stedelijke en plattelandsgebieden en ook binnen stedelijke gebieden, tussen het centrum en de voorsteden.

Sociale huisvesting is een van de mogelijke reacties van de overheid op het falen van de woningmarkt teneinde in alle huisvestingsbehoeften te voorzien en iedereen de toegang tot een fatsoenlijke woning tegen een redelijke prijs of huur te garanderen.

De EU-lidstaten zorgen voor de omschrijving en organisatie van een parallel aanbod aan sociale woningen als aanvulling op het spontane aanbod op de markt, onder specifieke voorwaarden en tegen specifieke prijzen. De aanbieders zijn speciaal daartoe opgerichte non-profitorganisaties, maar ook daartoe gemachtigde particuliere investeerders, natuurlijke of rechtspersonen, die door de nationale, regionale of lokale overheden worden gesubsidieerd.

Ondanks dit aanbod blijkt dat de toegang tot een fatsoenlijke woning voor veel EU-burgers niet meer betaalbaar is. In 2010 had 5,7% van de Europese bevolking geen woning(1), en dat terwijl het geleidelijk wegwerken van dakloosheid een doelstelling van het herziene Sociale Handvest van de Raad van Europa is. Daarenboven woonde 17,86% in overvolle of slechte woningen en besteedde 10,10% van de huishoudens meer dan 40% van hun beschikbaar inkomen aan wonen.

Dat de markt niet in alle huisvestingsbehoeften kan voorzien, ondervinden niet alleen mensen die helemaal geen toegang tot huisvesting kunnen krijgen, maar mensen die in ongezonde, onaangepaste of overvolle woningen wonen.

Er is een dringende maatschappelijke behoefte aan investeringen in sociale huisvesting. Europa maakt een diepe huisvestingscrisis door, die aanhoudt en misschien nog kan verergeren, ondanks het feit dat de publieke opinie 's winters geregeld wordt opgeschrikt wanneer de situatie van daklozen onhoudbaar lijkt.

De sociale ongelijkheid wordt groter, de werkloosheid neemt enorm toe, 120 miljoen Europeanen zijn arm of lopen het risico arm te worden, en de particuliere woningmarkt voorziet in heel Europa steeds minder in de stijgende vraag van de armste huishoudens. Door de sterke stijging van de huur- en energieprijzen komen de woningsubsidies onder druk te staan terwijl de schuldencrisis de lidstaten er tegelijk toe dwingt in de sociale uitgaven te snoeien of zelfs het sociale-woningbestand in te krimpen, ten nadele van de sociale en territoriale cohesie. Daardoor wordt het steeds moeilijker om het recht op een fatsoenlijke en betaalbare woning daadwerkelijk af te dwingen, hoewel dit een voorwaarde is voor de toegang tot de overige grondrechten.

Sociale inclusie moet kunnen steunen op een voldoende groot aanbod aan betaalbare sociale woningen van goede kwaliteit om het hoofd te bieden aan de daarmee samenhangende gezondheidsproblemen. Sociale inclusie vereist ook middelen om energiearmoede te bestrijden. De toewijzing van de woningen moet op objectieve en transparante criteria berusten en moet goed worden beheerd, teneinde een integrale aanpak en sociale verscheidenheid te bevorderen en zo discriminatie tegen te gaan.

Investeringen in sociale huisvesting vormen ook een antwoord op de vergrijzing en de afhankelijkheid van ouderen, de specifieke behoeften van jongeren en de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen en daklozen.

Op economisch vlak zijn investeringen in sociale huisvesting bevorderlijk voor de bouwsector, die zwaar onder de crisis te lijden heeft, alsook voor de renovatiesector, met name thermische renovatie en hernieuwbare energie, die hoog renderen en lokale, groene banen scheppen die niet kunnen worden gedelokaliseerd.

Na de transportsector biedt de woningsector het grootste potentieel voor energiebesparingen. Sociale huisvesting kan dus bijdragen aan de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Europa 2020-strategie en zo een antwoord bieden op de milieucrisis, en tegelijk de energiefactuur en de energieafhankelijkheid van de huishoudens helpen verminderen.

Een voldoende groot aanbod aan sociale woningen heeft een matigend effect op de cycli op de vastgoedmarkt en de vastgoedzeepbellen die de economieën destabiliseren. In het systeem van macro-economisch en budgettair toezicht van de Unie moet meer rekening worden gehouden met investeringen in sociale huisvesting.

Er zij gewezen op de meerwaarde van de structuurfondsen en de leningen van de Europese Investeringsbank bij het stimuleren van investeringen in sociale huisvesting. Deze fondsen maken het met name mogelijk beroepsopleidingen en bijscholing in groene sectoren te ontwikkelen en duizenden fatsoenlijke lokale banen te scheppen die niet kunnen worden gedelokaliseerd. In het volgende meerjarig financieel kader moeten voldoende dergelijke middelen worden uitgetrokken en het gebruik ervan, alsook de overheveling van ongebruikte middelen naar sociale huisvesting, moet worden vergemakkelijkt.

(1)

Bron: Europe Information Service S.A.


ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling (21.3.2013)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake sociale huisvesting in de Europese Unie

2012/2293(INI) Het Europees Parlement,

Rapporteur voor advies: Salvatore Caronna

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst met nadruk op de belangrijke rol die het Europees Parlement vervult bij de bestrijding van sociale uitsluiting en armoede en bij de toekenning van steun voor sociale huisvesting, zowel in het verleden als in het kader van de nieuwe structuur- en cohesiefondsverordeningen, en die ten doel heeft nieuwe innovatiegerichte beleidsmaatregelen te ontwikkelen teneinde synergieën en partnerschappen op nationaal, regionaal en lokaal niveau te creëren; benadrukt de noodzaak van doelgerichte steun aan EU-landen die te kampen hebben met toenemende werkloosheid en armoede; moedigt de lidstaten en alle belanghebbende partijen er daarom toe aan investeringen in sociale huisvesting een belangrijke plaats te geven in de nationale hervormingsprogramma's en bij de vaststelling van de strategische prioriteiten in het kader van de partnerschapsovereenkomsten voor de programmeringsperiode 2014-2020;

2.  verzoekt de Europese Commissie de definitie van sociale huisvesting nader te verduidelijken middels uitwisseling van optimale praktijken en ervaringen tussen de lidstaten en onder inaanmerkingneming van het feit dat sociale huisvesting in de respectieve lidstaten, regio's en lokale gemeenschappen op verschillende manieren wordt geconcipieerd en beheerd (vaak als gevolg is van flexibele prioriteitsstellingen);

3.  is ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor het wetgevingspakket cohesiebeleidsverordeningen voor de periode na 2014, die volledig voorzien in de verwezenlijking van de EU 2020-doelstellingen voor slimme, duurzame en inclusieve groei, o.a. door middel van prioritaire investeringen in energie-efficiëntie, het bevorderen van hernieuwbare energie, bestrijding van klimaatverandering, het bevorderen van geïntegreerde maatregelen voor stedelijk en ruimtelijk ontwikkelingsbeleid, bijvoorbeeld met behulp van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (Community-Led Local Development - CLLD) en geïntegreerde territoriale investeringen (Integrated Territorial Investment - ITI), en via maatregelen om een sociale en solidaire economie te ondersteunen en tot opheffing van sociale uitsluiting en armoede, alsmede van ongelijkheden op gezondheidsgebied, door gemarginaliseerde gemeenschappen en andere kwetsbare en achtergestelde bevolkingsgroepen zoals daklozen, vrouwen, ouderen, en gehandicapten toegang te verschaffen tot kwalitatief hoogwaardige huisvesting en sociale diensten tegen betaalbare prijzen; wijst erop dat de bouw en renovatie van sociale woningen, onder gelijktijdige toepassing van maatregelen om stedelijke wildgroei in te perken, gepaard moet gaan met de ontwikkeling van publieke en sociale infrastructuur, die waar nodig aardbevingsbestendig moet zijn;

4.  spoort de lidstaten ertoe aan de lokale en regionale overheden en alle partners en hun vertegenwoordigende organisaties hierbij conform de beginselen van partnerschap en meerlagig bestuur te betrekken aangezien zij degenen zijn waartoe de burgers zich in de eerste plaats richten, en prioriteiten en methoden vast te stellen voor het gezamenlijk en gecoördineerd gebruik, voor zover dat in het kader van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's mogelijk is, van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds (CF) en, voor sociale huisvesting op het platteland en in kleine en middelgrote steden, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO); is van mening dat bevordering van de synergieën tussen de structuurfondsen en het Cohesiefonds de duurzame ontwikkeling van achtergestelde of landelijke gebieden ten goede kan komen en kan voorkomen dat zij geïsoleerd en ontvolkt raken, waardoor de negatieve gevolgen van sociale segregatie worden voorkomen en heterogeniteit, sociale cohesie en gendergelijkheid worden gestimuleerd;

5.  roept de Europese Investeringsbank ertoe op om in nauw overleg met de lokale en regionale overheden meer te investeren in de sociale huisvestingssector;

6.  merkt op dat investeringen in sociale huisvesting een belangrijke rol vervullen bij de implementatie van andere beleidsterreinen en onder andere een gunstige invloed uitoefenen op de lokale economie in termen van groei en werkgelegenheid, van sociale integratie en bestrijding van de verarming, van ondersteuning van lokale micro-ondernemingen en mkb-bedrijven en van bevordering van de beroepsmobiliteit; bovendien is gezond wonen bevorderlijk voor het individueel welzijn en de volksgezondheid en komt het de bescherming van het milieu in het algemeen ten goede; onderstreept in dit verband de noodzaak om optimale praktijken te bepalen en te definiëren, om de capaciteit van de lokale en regionale overheden te versterken en na te gaan welke vorderingen zij bij de toepassing van deze praktijken hebben gemaakt;

7.  is van mening dat investeren in sociale huisvesting een adequate, concrete en effectieve rol kan vervullen bij de verbetering van het Europees economisch bestuur in het algemeen en van de sociale, economische en territoriale cohesie in het bijzonder, met name door het bestrijden van vastgoedbubbels, bijvoorbeeld door speculatieve tendensen in de woningbouw en de verstorende effecten daarvan in termen van maatschappelijk en macro-economisch evenwicht tegen te gaan, vooral in deze tijd waarin wij geconfronteerd worden met de sociale consequenties van de economische en financiële crisis, budgettaire beperkingen en een zwakke economische groei in de EU;

8.  wijst erop dat huisvesting een waardevol maatschappelijk goed is dat onder de bijzondere verantwoordelijkheid van de lidstaten, de regio's en de plaatselijke autoriteiten valt; daarom moeten zij zich ertoe verbinden alles in het werk te stellen om goedkope en energiezuinige woningbouw te ontwikkelen, om elke vorm van discriminatie bij de verdeling van sociale huisvesting tegen te gaan en de procedures voor de aanvraag en toewijzing van dergelijke woningen te vereenvoudigen, onder inaanmerkingneming van de specifieke situatie van kansarme personen;

9.  hecht bijzonder veel belang aan de inspanningen die de Europese Unie zich getroost ter ondersteuning van de kansarme bevolkingsgroepen, met name wat betreft de verschaffing van huisvesting, gelet op de sociale onevenwichtigheden in Europa en met name in de recent tot de Unie toegetreden lidstaten.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.3.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

François Alfonsi, Luís Paulo Alves, Catherine Bearder, Jean-Jacob Bicep, Alain Cadec, Salvatore Caronna, Nikos Chrysogelos, Rosa Estaràs Ferragut, Danuta Maria Hübner, María Irigoyen Pérez, Seán Kelly, Mojca Kleva Kekuš, Constanze Angela Krehl, Petru Constantin Luhan, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Ramona Nicole Mănescu, Riikka Manner, Iosif Matula, Erminia Mazzoni, Miroslav Mikolášik, Jens Nilsson, Lambert van Nistelrooij, Wojciech Michał Olejniczak, Younous Omarjee, Markus Pieper, Monika Smolková, Nuno Teixeira, Justina Vitkauskaite, Hermann Winkler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Vasilica Viorica Dăncilă, Karima Delli, Cornelia Ernst, Ivars Godmanis, Karin Kadenbach, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Ivari Padar, Mirosław Piotrowski, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid, Patrice Tirolien, Derek Vaughan


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (3.4.2013)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake sociale woningbouw in de Europese Unie

2012/2293(INI) Het Europees Parlement,

Rapporteur voor advies: Mojca Kleva Kekuš

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat het recht op huisvesting moet worden verwezenlijkt door burgers en gezinnen de garantie op passende woonruimte te bieden die voldoet aan hun behoeften, zorgt voor hun welzijn, persoonlijke levenssfeer en levenskwaliteit en zo bijdraagt tot de totstandbrenging van maatschappelijke rechtvaardigheid en cohesie en tot de bestrijding van sociale uitsluiting en armoede;

B.  overwegende dat in artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele Rechten van de Verenigde Naties(1) "het recht van een ieder op een behoorlijke levensstandaard voor zichzelf en zijn gezin, waaronder begrepen toereikende voeding, kleding en huisvesting, en op steeds betere levensomstandigheden" wordt erkend; overwegende dat de landen die partij zijn bij dit verdrag passende maatregelen nemen om de verwezenlijking van dit recht te verzekeren en daarbij het essentieel belang van vrijwillige internationale samenwerking erkennen;

C.  overwegende dat maatregelen op het gebied van sociale woningbouw integraal deel uitmaken van de diensten van algemeen economisch belang en erop gericht zijn te voldoen aan de behoefte aan huisvesting, de toegang tot woningbezit te vergemakkelijken, de kwaliteit van huisvesting te bevorderen, de bestaande huisvesting te verbeteren en de woonlasten aan te passen aan de gezinssituatie en aan de financiële middelen van de bewoners, en daarbij ook een eigen bijdrage van de bewoners te verlangen;

D. overwegende dat de prijs-kwaliteitverhouding van sociale woningbouw bij koop of huur goed moet zijn, energiebesparing in de woning mogelijk moet zijn, de woning zich moet bevinden in een omgeving met groenvoorzieningen en geschikt moet zijn voor verschillende generaties, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kinderen en ouderen;

E.  overwegende dat het afdwingbare recht op huisvesting een grondrecht is voor ieder individu en de voorwaarde voor deelname aan het maatschappelijk verkeer, een privéleven en een gezinsleven, algeheel welbevinden, ontspanning, werk, een bankrekening en deelname aan verkiezingen; overwegende dat huisvesting derhalve van fundamenteel belang is voor daadwerkelijke uitoefening van alle andere grondrechten;

F.  overwegende dat in 2010 24,5% van alle vrouwen het risico liep in armoede te vervallen of in een sociaal isolement terecht te komen;

G. overwegende dat vrouwen met een laag inkomen dikwijls ernstige moeilijkheden hebben om huisvesting te vinden en zij daarom een groter risico lopen om in een onveilige en ongezonde omgeving te wonen;

H. overwegende dat de loonverschillen en de daaruit voortvloeiende pensioenverschillen tussen mannen en vrouwen van grote invloed zijn op de koopkracht en financiële stabiliteit van vrouwen en nog altijd een van de belangrijkste oorzaken zijn voor het feit dat er vrouwen zijn die in een later stadium van hun leven onder de armoedegrens leven;

I.   overwegende dat de financiële en economische crisis en het bezuinigingsbeleid ertoe hebben geleid dat het aantal niet-werkenden is gestegen, de toch al onzekere werksituatie van sommige vrouwen is verergerd en de werkloosheid onder vrouwen (in het bijzonder onder jonge vrouwen en vrouwen van boven de 50) is gestegen, waarbij met name oudere vrouwen getroffen worden als gevolg van de voortdurende discriminatie op de arbeidsmarkt(2) , dat steeds meer mensen beter betaalbare huisvesting nodig hebben, en er niet meer vooruitgang is geboekt bij het bieden van huisvesting aan kansarme vrouwen; overwegende dat vrouwen als gevolg van een laag inkomen en werkloosheid moeilijk een banklening of financiering kunnen krijgen;

J.   overwegende dat de economische crisis met name in de publieke sector tot bezuinigingsmaatregelen heeft geleid en de publieke sector in veel EU-lidstaten door vrouwen wordt gedomineerd, dat de lonen van vrouwen sterk gekort zijn en dat steeds meer vrouwen daardoor tot de armste bevolkingsgroepen van de Europese Unie behoren;

K. overwegende dat de gevolgen van de crisis samenvallen met een reeds bestaande situatie waarin vrouwen dikwijls het slachtoffer zijn van stereotypen en discriminatie wanneer zij een huis willen kopen of huren, omdat zij beperkte financiële armslag hebben en omdat alleenstaande vrouwen en eenoudergezinnen met een vrouw aan het hoofd dikwijls worden beschouwd als risicovollere huurders dan wel als onbetrouwbaar op het gebied van aflossing, of dat ervan uitgegaan wordt dat zij de huurovereenkomst voortijdig opzeggen wegens verhuizing van het gezin;

L.  overwegende dat vooral alleenstaande moeders, jonge gezinnen, vrouwen met slecht betaalde banen, jonge mensen aan het begin van hun carrière, migrantenvrouwen, mensen met een handicap, weduwen met kinderen ten laste, vrouwen afkomstig uit minderheidsgroepen, vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld en ouderen – in het bijzonder oudere vrouwen met een klein pensioen – de gevolgen ondervinden van het gebrek aan betaalbare en geschikte sociale woningbouw; overwegende dat vooral deze groep het risico loopt dakloos te worden en in veel gevallen verhuist naar ondermaatse woningen op de particuliere woningmarkt, waardoor de risico's op gezondheidsproblemen aanzienlijk toenemen; overwegende dat deze groep vaak alternatieve oplossingen zoekt door in te trekken bij familie, vrienden of bekenden, zodat een adequate analyse en transparante documentatie van daklozen bemoeilijkt wordt;

M. overwegende dat er vaak van wordt uitgegaan dat dakloosheid vooral mannen treft; overwegende dat onderzoek evenwel heeft uitgewezen dat de typische vorm van dakloosheid onder vrouwen "verborgen dakloosheid" is; overwegende dat de strategie van vrouwen om bij familie of vrienden in te trekken en zo te voorkomen dat zij op straat belanden in geen geval een goede oplossing is;

N. overwegende dat vrouwen niet kunnen scheiden of hun samenlevingsverband beëindigen vanwege de economische crisis en de prijzen op de huizenmarkt, waardoor zij in hun vrijheid beperkt worden en kwetsbaarder worden voor seksegebonden huiselijk geweld;

1.  benadrukt dat de lidstaten moeten zorgen voor meer betaalbare huisvestingsmogelijkheden en vrouwen moeten ondersteunen bij het verwerven van financiële onafhankelijkheid door hun, in het licht van hun drukke dagelijkse bezigheden en problemen, de voorwaarden te bieden om werk en gezin beter te combineren; spreekt zijn bezorgdheid uit over landspecifieke aanbevelingen die erop gericht zijn de socialewoningbouwsector van lidstaten in te krimpen, en over de restrictieve aanpak van de Commissie op het gebied van mededinging, die inhoudt dat uitsluitend kansarme personen in aanmerking komen voor maatschappelijke diensten van algemeen belang in de vorm van sociale woningbouw;

2.  onderstreept het nijpende gebrek aan geschikte huisvesting die is aangepast aan de behoeften van ouderen en mensen met een handicap, in het bijzonder huisvesting die hen in staat stelt zo lang mogelijk zelfstandig te wonen;

3.  onderstreept het belang van een gezondheids- en veiligheidsclassificatiesysteem voor woningen, waarbij de gezondheidrisico's die met betrekking tot de woning bestaan beoordeeld kunnen worden;

4.  benadrukt hoe belangrijk het is dat een transparant woningbeleid wordt gevoerd om een fundamentele bijdrage aan gendergelijkheid te kunnen leveren;

5.  wijst er nogmaals op dat er in 2009 zeven keer meer alleenstaande moeders dan alleenstaande vaders waren; benadrukt dat alleenstaande moeders derhalve voorrang moeten krijgen bij de toewijzing van sociale woningbouw, evenals groepen of personen in kwetsbare situaties, zoals alleenstaande ouders, jonge gezinnen, grote gezinnen, jonge mensen aan het begin van hun carrière, migrantenvrouwen, mensen met een handicap en ouderen; merkt op dat de economische crisis aanvankelijk grotere gevolgen had voor mannen dan voor vrouwen, maar dat in een later stadium van de crisis de werkloosheid onder vrouwen sterker is toegenomen dan onder mannen;

6.  benadrukt dat de beschikbaarheid van sociale woningbouw die is toegesneden op diverse hulpbehoevende groepen van essentieel belang is en dat sociale woningbouw een belangrijke rol speelt in de bestrijding van armoede onder kinderen, doordat zij armoede in het gezin kan uitbannen en kan voorkomen dat kansarmheid van generatie op generatie wordt overgedragen, maar dat het evenzeer belangrijk is dat deze vorm van huisvesting beschikbaar is tegen een redelijke huur, en dat "redelijke huur" in dit kader dient te worden opgevat als een huur die lager is dan de huurprijs op de vrije markt;

7.  verzoekt de lidstaten samen te werken met de private sector en te investeren in sociale woningbouw teneinde sociale segregatie tegen te gaan en een stabiele en veilige omgeving te bieden, in het bijzonder aan personen en groepen in kwetsbare situaties zoals vrouwen met laagbetaalde banen, jonge gezinnen, grote gezinnen, eenoudergezinnen, jonge mensen aan het begin van hun carrière, migrantenvrouwen, mensen met een handicap, vrouwen uit minderheidsgroepen en ouderen, in het bijzonder oudere vrouwen met een klein pensioen;

8.  verzoekt de lidstaten verantwoordelijkheid te nemen voor de waarborging van het recht op huisvesting voor alle burgers, met name door huisvestingsprogramma's voor burgers met een laag inkomen in te voeren, de bouw van gunstig geprijsde woningen en sociale woningbouw te stimuleren, zelfbouwprogramma's te bevorderen en te financieren, de coöperatieve sector te steunen, een efficiënt, niet-speculatief kredietbeleid in te voeren en een niet-speculatieve huurmarkt te reguleren;

9.  benadrukt dat de verschillende aspecten van dakloosheid onder vrouwen in hun totaliteit moeten worden aangepakt en integraal deel moeten uitmaken van alle EU-beleidskaders; verzoekt de Commissie en de lidstaten systematische gendereffectbeoordelingen uit te voeren en de specifieke situatie en behoeften van dakloze vrouwen kritisch te volgen, de ontwikkeling van projecten voor begeleid wonen te bevorderen, de bouw van betaalbare, aangepaste en energie-efficiënte woningen te stimuleren, en socialewoningbouwprogramma's ook toegankelijk te maken voor middenklassegezinnen, die dikwijls niet in aanmerking komen voor dergelijke regelingen, maar net als andere huishoudens te kampen kunnen krijgen met materiële deprivatie als gevolg van de economische crisis;

10. constateert tot zijn spijt dat slachtoffers van huiselijk geweld dikwijls langer in een gewelddadige omgeving blijven wanneer zij financieel afhankelijk zijn van de dader en daarom geen geschikte huisvesting voor zichzelf kunnen vinden; verzoekt de EU daarom de ontwikkeling van beleid en programma's te stimuleren die veilige en betaalbare huisvesting toegankelijker maken voor slachtoffers van huiselijk geweld, en dringt erop aan dat de lidstaten zoeken naar betaalbare, alternatieve vormen van nood- en tijdelijke huisvesting en het aantal opvang- en herstelcentra voor slachtoffers en andere aanverwante maatschappelijke diensten zoals geïntegreerde diensten voor gezinnen (bijvoorbeeld centra voor gezin en recht) verhogen;

11. verzoekt de lidstaten een maatschappelijke effectbeoordeling uit te voeren waarbij de nadruk ligt op een naar geslacht en huishouden uitgesplitste beoordeling van alle maatregelen en programma's op het gebied van huisvesting, waarbij vooral de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op het gebied van inkomen en financiële middelen in aanmerking wordt genomen; benadrukt dat alle statistische gegevens naar geslacht en type huishouden moeten worden uitgesplitst en dat meer onderzoek vereist is om precies te kunnen bepalen hoe huisvestingsbeleid ondersteuning kan bieden aan personen en groepen in kwetsbare situaties, zoals vrouwen (rekening houdend met hun veelzijdige rol als alleenstaande ouder en als verzorger van familieleden en personen met een handicap), gezinnen, jongeren, mensen met een handicap en ouderen, precies kan ondersteunen;

12. is ingenomen met het voorstel van de Commissie(3) voor een richtlijn inzake woningkredietovereenkomsten en merkt op dat talloze gezinnen met een hypotheek het slachtoffer zijn geworden van oneerlijke executies; verlangt dat ingrijpende maatregelen worden genomen om het recht op huisvesting in heel Europa veilig te stellen; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat effectief wordt gereageerd op de rampzalige sociale gevolgen van gedwongen huisuitzettingen;

13 merkt op dat beleid en programma's inzake huisvesting verder moeten worden ontwikkeld in overleg met vrouwen met een laag inkomen en uiteenlopende sociale achtergronden om te kunnen bepalen met welke maatregelen het best op hun behoeften kan worden ingespeeld.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.3.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Edit Bauer, Marije Cornelissen, Edite Estrela, Iratxe García Pérez, Mikael Gustafsson, Lívia Járóka, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Silvana Koch-Mehrin, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Astrid Lulling, Elisabeth Morin-Chartier, Norica Nicolai, Angelika Niebler, Siiri Oviir, Antonyia Parvanova, Raül Romeva i Rueda, Marc Tarabella, Britta Thomsen, Anna Záborská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Silvia Costa, Anne Delvaux, Mariya Gabriel, Mojca Kleva Kekuš, Katarína Neveďalová, Angelika Werthmann

(1)

Algemene vergadering, resolutie 2200 A (XXI), 16.12.1966

(2)

Zie de resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2011 over de situatie van vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen (P7_TA(2011)0360).

(3)

COM(2011)0142.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.4.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

3

16

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Edit Bauer, Heinz K. Becker, Phil Bennion, Pervenche Berès, Vilija Blinkevičiūtė, Milan Cabrnoch, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Minodora Cliveti, Marije Cornelissen, Emer Costello, Frédéric Daerden, Karima Delli, Thomas Händel, Marian Harkin, Nadja Hirsch, Stephen Hughes, Danuta Jazłowiecka, Verónica Lope Fontagné, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Siiri Oviir, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Jutta Steinruck, Traian Ungureanu, Andrea Zanoni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Georges Bach, Edite Estrela, Jelko Kacin, Jan Kozłowski, Svetoslav Hristov Malinov, Ria Oomen-Ruijten, Antigoni Papadopoulou, Csaba Sógor, Tatjana Ždanoka

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Anna Hedh, Anna Záborská

Laatst bijgewerkt op: 30 mei 2013Juridische mededeling