Procedure : 2013/2093(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0374/2013

Ingediende teksten :

A7-0374/2013

Debatten :

Stemmingen :

PV 11/12/2013 - 4.29
CRE 11/12/2013 - 4.29

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0580

VERSLAG     
PDF 230kWORD 126k
14 november 2013
PE 516.620v04-00 A7-0374/2013

over het Europees actieplan inzake detailhandel in het belang van alle betrokken partijen

2013/2093(INI)

Commissie interne markt en consumentenbescherming

Rapporteur: Cornelis de Jong

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het Europees actieplan inzake detailhandel in het belang van alle betrokken partijen

2013/2093(INI)

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 31 januari 2013, getiteld "Een Europees actieplan inzake detailhandel" (COM(2013)0036),

–   gezien het Groenboek van de Commissie van 31 januari 2013 inzake oneerlijke handelspraktijken in de food- en non-food-toeleveringsketen tussen ondernemingen in Europa (COM(2013)0037),

–   gezien het verslag van de Commissie van 5 juli 2010 getiteld "Monitoringactie van de handels- en distributiemarkt - Naar een efficiëntere en eerlijkere interne handels- en distributiemarkt tegen 2020" (COM(2010)0355),

–   gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over een efficiëntere en eerlijkere handels- en distributiemarkt(1),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2012 getiteld "Een Europese consumentenagenda – Vertrouwen en groei stimuleren" (COM(2012)0225),

–   gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over een nieuwe agenda voor het Europese consumentenbeleid(2),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van mei 2012 getiteld "Consumer Conditions Scoreboard – Consumers at home in the single market: Monitoring the integration of the retail single market and consumer conditions in the Member States" (SEC(2012)0165),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 27 november 2012 getiteld "Het beschermen van ondernemingen tegen misleidende marketingpraktijken en zorgen voor doeltreffende handhaving - Herziening van Richtlijn 2006/114/EG inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame" (COM(2012)0702),

–   gezien zijn resolutie van 22 oktober 2013 over misleidende reclame(3),

–   gezien de werkzaamheden van het Forum op hoog niveau voor een beter werkende voedselvoorzieningsketen en van het Platform van deskundigen inzake contractuele praktijken in B2B-relaties,

–   gezien het raadplegingsdocument van de Commissie van 4 juli 2013 getiteld "Consultation of Social Partners under Article 154 TFEU on enhancing EU cooperation in the prevention and deterrence of undeclared work" (C(2013)4145),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2009 getiteld "Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa" (COM(2009)0591),

–   gezien zijn resolutie van 7 september 2010 inzake billijke inkomens voor de boeren: een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa(4),

–   gezien zijn verklaring van 19 februari 2008 over het onderzoek naar en het optreden tegen misbruik van machtsposities door grote, in de Europese Unie werkzame supermarkten(5),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 11 januari 2012 getiteld "Een coherent kader voor een groter vertrouwen in de digitale eengemaakte markt voor elektronische handel en onlinediensten" (COM(2011)0942),

–   gezien zijn resoluties van 11 december 2012(6) en 4 juli 2013(7) over het voltooien van de digitale interne markt,

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 juli 2013 over de mededeling van de Commissie getiteld "Een Europees actieplan inzake detailhandel"(8),

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013 over het Groenboek van de Commissie inzake oneerlijke handelspraktijken in de food- en non-food-toeleveringsketen tussen ondernemingen in Europa"(9),

–   gezien Richtlijn 2011/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten(10),

–   gezien Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame(11) en Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten(12),

–   gezien Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende en vergelijkende reclame(13),

–   gezien Richtlijn 2011/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties(14),

–   gezien Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt(15),

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0374/2013),

A. overwegende dat het belang van de detailhandelssector nauwelijks kan worden overschat, omdat deze sector 11% van het bbp van de EU uitmaakt en meer dan 15% van alle banen in Europa, zowel geschoold als ongeschoold werk, oplevert en bijdraagt tot de maatschappelijke samenhang;

B.  overwegende dat het strategisch belang van de detailhandelssector als stuwende kracht voor groei, concurrentievermogen en innovatie, alsmede voor de versterking van de Europese interne markt, moet worden erkend;

C. overwegende dat in een samenleving die steeds meer wordt gekenmerkt door virtuele contacten via internet, winkels nog steeds een ontmoetingsplaats van mensen zijn en met name winkelstraten en stadscentra, alsook rechtstreekse verkoop door producenten, een kader kunnen bieden voor gezamenlijke ervaringen en als brandpunt kunnen fungeren voor de lokale identiteit, de trots van een gemeenschap, een gemeenschappelijk erfgoed en gedeelde waarden; overwegende dat e-handel en fysieke winkels elkaar echter niet uitsluiten en elkaar zelfs aanvullen;

D. overwegende dat de huidige economische crisis zware klappen toebrengt aan de detailhandel en in het bijzonder de kleinere, onafhankelijke winkels treft;

E.  overwegende dat oneerlijke handelspraktijken nog steeds voorkomen en negatieve gevolgen hebben voor de hele toeleveringsketen, met inbegrip van boeren en kmo's; overwegende dat oneerlijke handelspraktijken negatieve gevolgen hebben voor de consumentenbelangen en voor de groei en de werkgelegenheid in de hele toeleveringsketen;

1.  juicht het toe dat de Commissie een Europees actieplan inzake detailhandel heeft opgesteld;

2.  stelt dat in het actieplan meer aandacht had moeten worden besteed aan de gevolgen van de huidige economische crisis voor de detailhandel en in het bijzonder voor kleinere, onafhankelijke winkels;

3.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om een vaste groep concurrentievermogen detailhandel in het leven te roepen, maar wijst nadrukkelijk op het belang van een evenwichtige vertegenwoordiging, ook van onder meer grote en kleine detailhandelsondernemingen, producenten, leveranciers, coöperaties en groepen die sociale, consumenten- en milieubelangen behartigen; vraagt de Commissie een totaalaanpak van de detailhandel te volgen, dubbel werk en extra bureaucratie te voorkomen en te zorgen voor samenhang en nauwe coördinatie met andere bestaande fora zoals de jaarlijkse Rondetafel voor de detailhandelsmarkt;

4.  is verheugd dat de Commissie een deskundigengroep op hoog niveau voor innovatie in de detailhandelssector heeft opgericht, en vraagt de Commissie de aangekondigde aanbevelingen van deze groep spoedig te bekijken teneinde in Europa ondernemerschap verder te bevorderen, innovatie te stimuleren en werkgelegenheid en groei te creëren;

5.  steunt de door de Commissie interne markt en consumentenbescherming georganiseerde Rondetafel voor de detailhandelsmarkt als institutioneel forum om de detailhandel bovenaan op de politieke agenda van de EU te houden, de voortgang van belangrijke aspecten van het actieplan voor de detailhandel te evalueren, verslag uit te brengen over de werkzaamheden van de vaste groep concurrentievermogen detailhandel en de stand te geven van de vorderingen in andere bestaande platforms en informele overlegmechanismen; vraagt de vaste groep concurrentievermogen detailhandel nauw met het Europees Parlement samen te werken bij de voorbereiding van de jaarlijkse Rondetafel voor de detailhandelsmarkt;

6.  dringt er bij de lidstaten op aan in het kader van het bezuinigingsbeleid geen maatregelen te nemen die het consumentenvertrouwen aantasten en de belangen van de detailhandel rechtstreeks schaden, zoals een btw-verhoging, herindeling van producten en tarieven of lastenverzwaring voor winkels; wijst nogmaals op het belang de toegang tot financiering te verbeteren, met name voor kmo's actief in de detailhandel en groothandel; is in dit verband verheugd over het actieplan van de Commissie uit 2011 en de recente wetgevingsvoorstellen gericht op het behoud van de kredietstroom aan kmo's en de verbetering van hun toegang tot de kapitaalmarkten;

7.  benadrukt dat lidstaten zich moeten onthouden van discriminerende maatregelen zoals handels- en belastingwetgeving die alleen bepaalde sectoren of bedrijfsmodellen treffen en de concurrentie verstoren;

8.  betreurt dat sommige lidstaten buitenlandse bedrijven discrimineren door nieuwe belemmeringen op te werpen die het hun moeilijker maken zich in een bepaalde lidstaat te vestigen, hetgeen een duidelijke inbreuk op de beginselen van de interne markt vormt;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de detailhandel als pijler van de interne markt, waaronder de digitale interne markt, politiek maximaal op de voorgrond te plaatsen en administratieve en bureaucratische en praktische obstakels uit de weg te ruimen, die de oprichting, de ontwikkeling en het voortbestaan van ondernemingen bemoeilijken en die het voor detailhandelaren en ondernemers lastig maken om ten volle van de interne markt te profiteren; is van mening dat wetgeving inzake de detailhandelssector empirisch moet worden onderbouwd, waarbij rekening wordt gehouden met de noden van de sector, en met name gegrond is op onderzoek en begrip van de gevolgen voor kleine ondernemingen;

10. vraagt de lidstaten de internemarktregels op coherente en consistente wijze om te zetten en deze regels en wetgeving volledig en op de juiste wijze uit te voeren; wijst er nadrukkelijk op dat eisen betreffende extra tests en registraties, de niet-erkenning van certificaten en normen, territoriale leveringsbeperkingen en soortgelijke maatregelen extra kosten voor consumenten en detailhandelaren, met name kmo's, met zich brengen, waardoor de Europese burgers niet ten volle van de voordelen van de interne markt kunnen profiteren; verzoekt tevens de Commissie, teneinde een goed bestuur te waarborgen, een nultolerantiebeleid ten aanzien van lidstaten te voeren die de internemarktregels niet correct toepassen, door, in voorkomend geval, inbreukprocedures in te leiden en deze via een versnelde procedure te bespoedigen;

11. vraagt dat het scorebord van de interne markt wordt uitgebreid met de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn;

12. spoort bedrijfsfederaties en consumentenorganisaties aan om belanghebbenden meer informatie, opleiding en juridisch advies te bieden over hun rechten en de instrumenten ten die tot hun beschikking staan, zoals SOLVIT, en de onderlinge uitwisseling van optimale praktijken te steunen;

13. is verheugd over het voornemen van de Commissie om instrumenten te ontwikkelen waarmee de consument gemakkelijker toegang heeft tot transparante, bevattelijke, vergelijkbare en betrouwbare informatie over de prijzen, de kwaliteit en de duurzaamheid van goederen en diensten; moedigt de Commissie aan om een gemakkelijk toegankelijke databank op te zetten met alle in de EU en nationaal geldende etiketteringsbepalingen; waarschuwt tegelijk voor een wildgroei aan etiketten en etiketteringsbepalingen, en dringt aan op vereenvoudiging door onder meer diverse duurzaamheidsaspecten in één etiket samen te brengen en tegelijkertijd de verschillen tussen nationale wettelijke etiketteringsbepalingen te verkleinen, en, indien nodig, gemeenschappelijke benchmarks/criteria op EU-niveau vast te stellen;

14. verzoekt de Commissie, bij het toezicht op de uitvoering van haar actieplan, bijzondere aandacht te besteden aan acties ter ondersteuning van de onafhankelijke detailhandelaar; moedigt lokale en regionale overheden ertoe aan acties te bevorderen die gelijke toegang vergemakkelijken en een gelijk speelveld tot stand brengen voor de onafhankelijke detailhandelaar, met volledige inachtneming van vrije en eerlijke concurrentie, zoals: stimulering van het beginsel van "winkeladoptie", waarbij grotere detailhandelaren als "mentor" fungeren van kleinere winkels in dezelfde buurt, in het bijzonder nieuwe marktdeelnemers; bevordering van groepen onafhankelijke detailhandelaren, waaronder coöperaties, die profiteren van wederzijdse bijstand en bepaalde schaalvoordelen, maar wel hun volledige onafhankelijkheid bewaren; en eerbiediging van het recht van lokale en regionale overheden om een gunstig klimaat voor kleine, onafhankelijke winkels – die meestal in het centrum gevestigd zijn – te bevorderen door verlaging van huren en energietarieven, ook voor nachtelijke reclameverlichting, via publiek-private partnerschappen, invoering van bedrijfskortingen op lokale heffingen voor kleine ondernemingen en onafhankelijke detailhandelaren, met inachtneming van de toepasselijke EU-regels inzake staatssteun, concurrentie, interne markt en overheidsopdrachten, en bevordering van de samenwerking tussen de diverse winkels in het betrokken gebied;

15. herinnert eraan dat een concentratie van winkels buiten de stadscentra voor sommige consumenten weliswaar handig kan zijn, maar ook een negatief effect kan hebben op het milieu en een probleem kan vormen voor met name ouderen, mensen met een mobiliteitsbeperking of mensen zonder auto; verzoekt lokale en regionale autoriteiten daarom een evenwichtige benadering te kiezen waarbij ook rekening wordt gehouden met het feit dat in vele regio's, met name gezien de economische crisis, het verzadigingspunt al is bereikt; onderstreept dat winkelontwikkelaars hun gezamenlijke verantwoordelijkheid moeten blijven dragen voor de bevordering van duurzaamheid, daadwerkelijke keuzevrijheid voor consumenten en toegang tot de markt voor kleine winkels; merkt op dat huren in winkelcentra buiten het stadcentrum voor kleinere, onafhankelijke winkels te hoog kunnen zijn en benadrukt de noodzaak om voor deze winkels een gelijk speelveld te waarborgen, bijvoorbeeld door de huur aan de hand van een percentage van de omzet te berekenen, voor zover dit nog niet gebruikelijk is;

16. erkent de bevoegdheid van lokale overheden met betrekking tot stadsplanning; wijst er echter op dat stadsplanning niet mag worden gebruikt als voorwendsel om het recht van vrije vestiging te omzeilen; herinnert er in dit verband aan hoe belangrijk een goede handhaving van de dienstenrichtlijn is; roept de lidstaten op om belemmeringen voor het vrije verkeer uit de weg te ruimen en hun markt open te stellen teneinde het concurrentievermogen te stimuleren en een divers winkelaanbod te bevorderen, hetgeen van essentieel belang is als winkelgebieden, in het bijzonder in het centrum van steden, aantrekkelijk willen blijven;

17. onderstreept de belangrijke rol van publiek-private partnerschappen bij het waarborgen van schone, veilige en toegankelijke winkelgebieden in de stadcentra, onder meer door de negatieve effecten van leegstand in winkelgebieden aan te pakken, bijvoorbeeld door de betrokken gebouwen tegen een lagere dan gebruikelijke huur beschikbaar te stellen aan startende ondernemingen, met inachtneming van de toepasselijke EU-regels inzake staatssteun en overheidsopdrachten;

18. merkt op dat de snelle ontwikkeling van e-handel consumenten en ondernemingen aanzienlijke voordelen heeft opgeleverd op het punt van innovatie, nieuwe marktmogelijkheden en groei, ruimere keuze, meer concurrentie en lagere prijzen; merkt echter op dat winkels nu voor nieuwe uitdagingen staan, waardoor strategieën gericht op verkoop via meerdere kanalen steeds belangrijker worden; spoort de detailhandel, gezien zijn maatschappelijke en culturele rol, aan zoveel mogelijk van innovatieve technologieën gebruik te maken en nieuwe bedrijfsmodellen voor zijn internetklantenbestand te ontwikkelen, maar ook het winkelen in een echte winkel meer tot een belevenis te maken, onder meer door de dienstverlening zowel voor als na de verkoop te verbeteren;

19. is verheugd over het voornemen van de Commissie om e-handel aan te moedigen; betreurt echter dat zij zich niet tot doel stelt om onlinediensten en -goederen toegankelijk te maken voor burgers in alle lidstaten; vraagt de Commissie een strategie voor te stellen om handelaren te beletten in hun e-handelspraktijk discriminerend beleid te voeren, opdat alle Europese burgers onbelemmerde toegang hebben tot grensoverschrijdende handel;

20. benadrukt dat e-handel belangrijk is om consumenten, met name in afgelegen gebieden, keuze en toegang tot goederen en diensten te bieden; benadrukt dat de nodige maatregelen moeten worden genomen om de mogelijkheden van e-handel ten volle te ontwikkelen, onder meer door de toegang tot internet in de meest afgelegen gebieden van de EU te verbeteren; steunt de maatregelen waar in de mededeling van de Commissie over e-handel van 11 januari 2012 om wordt gevraagd, die meer vertrouwen scheppen, de registratie van domeinnamen in andere lidstaten dan het eigen land vereenvoudigen, de veiligheid bij onlinebetalingen en de bezorgdiensten verbeteren, grensoverschrijdende schuldinvordering vergemakkelijken, en de consumenten beter voorlichten over hun rechten, met name wat herroeping en verhaalsmogelijkheden betreft;

21. herhaalt hoe belangrijk het is obstakels (waaronder taalkundige en administratieve obstakels en gebrek aan informatie) uit de weg te ruimen die de commerciële mogelijkheden van grensoverschrijdende e-handel beperken en het vertrouwen van de consumenten in de interne markt ondermijnen;

22. is ingenomen met het voorstel van de Commissie inzake het multilateraal interbancair tarief (MIF) en beklemtoont het belang om kredietkaartregels uit de weg te ruimen die de concurrentieverstorende effecten van het MIF versterken; dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te steunen die reeds over transparante, concurrerende en innovatieve betaalsystemen beschikken en die als optimale praktijken te gebruiken bij de verdere ontwikkeling van een goedkopere en eerlijkere markt voor betalingen in Europa;

23. benadrukt de verantwoordelijkheid van de detailhandelssector op het gebied van duurzaamheid; verheugt zich over het feit dat detailhandelaren en leveranciers voorop lopen als het gaat om verantwoordelijkheid voor het milieu, met name ten aanzien van afval, energieverbruik, vervoer en vermindering van de CO2-uitstoot; is van mening dat verdere inspanningen op dit gebied geboden zijn;

24. is met name verheugd over de vrijwillige initiatieven en toezeggingen van detailhandelaren en leveranciers om voedselverspilling te verminderen;

25. herinnert eraan dat de detailhandelssector in de openbare ruimte (markt- en straathandel) moet worden beschermd, omdat deze voornamelijk bestaat uit duizenden zeer kleine familiebedrijfjes en tegelijkertijd een specifiek kenmerk van de Europese economie vormt;

26. benadrukt dat de detailhandelssector uiteenlopende en moderne manieren biedt om goederen en diensten te kopen en te verkopen, die bijdragen aan meer keuzemogelijkheden voor de consument en flexibele werkgelegenheidskansen, met name voor jongeren en langdurig werklozen;

27. vraagt om meer steun en aanmoediging voor kmo’s en coöperaties, in het bijzonder die welke innoveren en een bijdrage leveren aan de sociale markteconomie, inspelen op nieuwe marktbehoeften en betrokken zijn bij milieuvriendelijke en maatschappelijk verantwoorde activiteiten, teneinde het concurrentievermogen van de detailhandelssector van de EU te vergroten, de prijzen voor de consument te drukken, de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren en nieuwe arbeidskansen te creëren;

28. herinnert eraan hoe belangrijk het is de bestaande sociale en arbeidswetgeving correct uit te voeren; vraagt de gelijke behandeling van handelaren op de interne markt om zwart werk en sociale en fiscale fraude te bestrijden;

29. is ingenomen met franchising als bedrijfsmodel dat het opzetten van nieuwe en kleine bedrijven ondersteunt; merkt echter op dat er in sommige gevallen sprake is van oneerlijke contractvoorwaarden en vraagt om transparante en eerlijke contracten; vestigt de aandacht van de Commissie en de lidstaten met name op de problemen waarmee franchisehouders te kampen hebben die hun zaak willen verkopen of hun bedrijfsformule willen veranderen, maar wel in dezelfde sector werkzaam willen blijven; verzoekt de Commissie het verbod op prijsafspraken in franchisesystemen en de effecten van langlopende concurrentiebedingen, koopopties en het verbod op meervoudige franchises te onderzoeken en in dit verband de huidige vrijstelling van contractsluitende partijen met een marktaandeel van minder dan 30% van de mededingingsregels te heroverwegen;

30. is bezorgd over de snelle ontwikkeling van huismerken; benadrukt dat huismerken zodanig dienen te worden ontwikkeld dat zij tot verbetering van de keuzemogelijkheden van de consument leiden, met name in termen van transparantie, informatiekwaliteit en diversiteit, en dat zij kmo's duidelijke innovatie- en uitbreidingsmogelijkheden bieden;

31. steunt de werkzaamheden van het Forum op hoog niveau voor een beter werkende voedselvoorzieningsketen en van het daaronder ressorterende Platform van deskundigen inzake contractuele praktijken in B2B-relaties; is van mening dat het Parlement dringend een oplossing moet vinden voor nog hangende kwesties rond zijn deelname aan de werkzaamheden van het Forum; onderstreept dat oneerlijke handelspraktijken ook in de non-food-voorzieningsketen voorkomen; verzoekt de Commissie en de bedrijfsfederaties daarom een constructieve en sectoroverschrijdende dialoog te voeren in de bestaande fora, waaronder ook de jaarlijkse Rondetafel voor de detailhandelsmarkt en de toekomstige groep concurrentievermogen detailhandel van de Commissie;

32. is verheugd over de beginselen inzake goede praktijken en de lijst met voorbeelden van oneerlijke en eerlijke praktijken in verticale handelsrelaties in de voedselvoorzieningsketen, alsmede over het kader voor de uitvoering en handhaving van deze beginselen; is verheugd dat de werkgeversverenigingen erkennen dat handhaving noodzakelijk is, en benadrukt dat, wil een handhavingsmechanisme enig praktisch gevolg hebben, het van essentieel belang is dat alle partijen in de voedselvoorzieningsketen het in acht nemen en alle partijen, met inbegrip van landbouworganisaties, de be- en verwerkende industrie en de groothandel, eraan deelnemen; vraagt de Commissie de praktische effecten van het vrijwillige initiatief, met inbegrip van de handhaving van de beginselen inzake goede praktijken, binnen een jaar na de inwerkingtreding te evalueren;

33. merkt op dat er ook problemen met verticale handelsrelaties rijzen in verband met selectieve en exclusieve distributieregelingen voor de detailhandel in merkgoederen; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook de rechten van detailhandelaren en winkeliers die een zwakkere onderhandelingspositie hebben, te beschermen;

34. is van mening dat zwakkere marktdeelnemers, met name boeren en leveranciers, het vaak moeilijk vinden een klacht in te dienen over oneerlijke handelspraktijken, en wijst nadrukkelijk op de belangrijke rol van verenigingen, die namens hen een dergelijke klacht moeten kunnen indienen; vraagt de Commissie onderzoek te doen naar de behoefte aan en de haalbaarheid van een ombudsman of arbiter en te onderzoeken of die bevoegd moet zijn om ambtshalve op te treden in geval van aangetoonde oneerlijke handelspraktijken;

35. verzoekt de Commissie te garanderen dat kleine leveranciers het recht hebben om producentengroeperingen op te zetten, zonder dat zij worden bestraft door de nationale mededingingsautoriteiten die het belang van deze groeperingen uitsluitend aan de hand van de nationale productie beoordelen;

36. verzoekt de Commissie de hand te houden aan de huidige wetgeving inzake territoriale leveringsbeperkingen die door leveranciers aan hun klanten worden opgelegd;

37. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 9.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0239.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0436.

(4)

PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 22.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2008)0054.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0468.

(7)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0327.

(8)

http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.int-opinions.26063.

(9)

http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.int-opinions.26065.

(10)

PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64.

(11)

PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.

(12)

PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.

(13)

PB L 376 van 27.12.2006, blz. 21.

(14)

PB L 48 van 23.2.2011, blz. 1.

(15)

PB L 319 van 5.12.2007, blz. 1.


TOELICHTING

Belang van de detailhandel voor de samenleving

De detailhandel is van groot economisch belang, want deze sector neemt 11% van het bbp van de EU voor zijn rekening en 15% van de werkgelegenheid in de EU. In de EU is de detailhandel nadrukkelijk aangewezen als een van de dragende pijlers van de interne markt. Voor grotere detailhandelsondernemingen kunnen de schaalvoordelen die op een goed functionerende interne markt haalbaar zijn, het verschil maken. Het valt daarom te betreuren dat veel detailhandelaren die in meerdere of alle lidstaten actief willen worden, nog steeds te kampen hebben met onnodige belemmeringen, zoals verschillende verpakkings- en etiketteringseisen en uiteenlopende bestuurspraktijken.

De digitale interne markt kan detailhandelaren extra kansen bieden, hoewel consumenten momenteel nog veelal de voorkeur geven aan leveranciers in eigen land, zelfs bij onlineaankopen. Dit kan te maken hebben met het feit dat de consumenten gewoonweg niet zo bekend zijn met detailhandelaren in andere lidstaten, maar ook met onzekerheid over hun rechten.

Van even groot belang als de economische waarde van de detailhandel, is de maatschappelijke waarde. Vooral door het steeds verder toenemende belang van internet in het dagelijks leven en van het computergebruik in onze samenleving in het algemeen loopt het aantal mogelijkheden voor sociale contacten in het echte leven snel terug. Men brengt steeds meer tijd door aan Pc's, tablets en mobiele telefoons, en het risico bestaat dat onze samenleving in toenemende mate virtueel wordt. In fysieke winkels vindt nog reële interactie tussen mensen plaats. Het is belangrijk dat zij blijven bestaan, liefst ingebed in een bredere maatschappelijke context, met een breder dienstenaanbod, zoals bibliotheken, culturele centra en openbare gebouwen.

Er wordt veel geklaagd dat winkelcentra snel aan attractiviteit verliezen omdat overal dezelfde winkels te vinden zijn, die deel uitmaken van een nationale of internationale keten. Dit kan consumenten langzaam de lust ontnemen om nog naar zulke winkelcentra te gaan, vooral als zij dezelfde producten even gemakkelijk online kunnen kopen. Om de aantrekkingskracht op peil te houden, moet niet alleen de winkelervaring zelf voortdurend aangepast en verbeterd, maar moet ook de diversiteit van het winkelbestand worden gestimuleerd. De onafhankelijke detaillist kan het verschil maken, omdat onafhankelijke winkels de nieuwsgierigheid bij de consument kunnen wekken. Winkelcentra met een divers, lokaal gekleurd winkelaanbod kunnen het gemeenschapsleven en zelfs de lokale identiteit versterken, iets waarnaar veel mensen steeds meer op zoek zijn, ondanks of misschien juist wegens de mondialisering.

De detailhandel in de huidige economische crisis

In de meeste lidstaten bevindt het consumentenvertrouwen zich op een uiterst laag niveau. Men stelt aankopen uit of richt zich in extreme mate op koopjes. In sommige lidstaten zijn de btw-tarieven verhoogd, waardoor het voor de consumenten nog moeilijker wordt om te kopen en voor de detailhandelaren nog moeilijker om te overleven. In algemene zin is de situatie van de detailhandel in de EU zorgwekkend, maar er zijn ook uitzonderingen.

De meest recente cijfers van Eurostat laten een lichte verbetering in mei 2013 zien ten opzichte van april 2013(1). In de eurozone doet de detailhandel het echter nog steeds minder goed dan in dezelfde maand van het voorgaande jaar. De non-foodsector heeft het zwaarder te verduren dan de levensmiddelensector en onafhankelijke winkeliers zijn bijzonder kwetsbaar.

De Commissie behandelt in haar actieplan voor de detailhandel niet rechtstreeks de gevolgen van de crisis en de bezuinigingsmaatregelen van de lidstaten voor deze sector. Er wordt daarom niet ingegaan op zaken als de toegang van kleine bedrijven tot financiering en het voorkomen van faillissementen, en evenmin op het steeds nijpender probleem van leegstaande winkels in winkelgebieden. Over de toegang tot financiering heeft het Parlement afzonderlijke verslagen aangenomen en dat is voor de rapporteur de enige reden geweest om dit vraagstuk niet in dit verslag op te nemen. Het is evenwel van levensbelang dat met name kmo's gemakkelijker aan financiële middelen kunnen komen.

Aangezien vooral onafhankelijke winkeliers door een faillissement worden getroffen en hun marktaandeel snel afkalft, moet met bijzondere aandacht worden bekeken waaraan zij behoefte hebben. Als we niet willen dat onze steden op het punt van de detailhandel in clones veranderen, moeten de Commissie en de lidstaten nu in actie komen. Grotere winkels kunnen kleinere zaken helpen, want het is ook in hun belang dat er in hun omgeving een verscheidenheid aan winkels blijft bestaan, omdat zo meer klanten worden aangetrokken. Een grote detailhandelsfirma heeft aangegeven bereid te zijn "een winkel te adopteren". Langs deze weg zouden kleine bedrijven om advies kunnen vragen, bijv. over administratieve of financiële kwesties, zonder hun onafhankelijkheid te verliezen. Winkels kunnen samen een lokale vereniging oprichten, zodat de ontwikkeling van het winkelgebied een gezamenlijke onderneming wordt, waarbij nauw met de lokale instanties wordt samengewerkt. Te denken valt aan een verlaging van de huren en energietarieven om bepaalde winkelgebieden te revitaliseren, en de lokale overheid kan bij wijze van lastenverlichting voor winkels in bepaalde buurten gedifferentieerde lokale heffingen toepassen.

De Commissie benadrukt terecht dat in het ruimtelijkeordeningsbeleid niet op economische gronden mag worden gediscrimineerd. Maar er zijn wellicht grijze gebieden, wanneer lokale overheden de winkelstraten in stadscentra een steuntje in de rug willen geven. Er is een duidelijk zichtbare trend dat bepaalde soorten zaken de winkelstraten overnemen. In die gevallen moet de lokale overheid specifieke regels kunnen invoeren om een verscheidenheid aan winkels te garanderen, omdat een winkelgebied alleen dan attractief kan blijven.

De elektronische handel kan voor de detailhandel een gouden kans vormen, maar ook een bedreiging worden voor de winkels die het verschijnsel gewoon negeren. Ik heb veel winkeliers horen klagen over klanten die in een fysieke winkel om advies over een product vragen, om het vervolgens via internet te kopen bij een andere, goedkopere winkel. Sommige hebben zelfs geopperd dat zij misschien entree moeten gaan heffen. Dat is uiteraard geen haalbare kaart en zou de terugloop van de betrokken winkels alleen maar bespoedigen, maar het laat wel zien hoe wanhopig deze winkeliers zijn.

Winkeliers moeten de e-handel als gegeven aanvaarden. Voor veel winkels is het daarom raadzaam om in hun verkoopbeleid op meer afzetkanalen in te zetten, namelijk zowel onlineverkoop als traditionele verkoop. De dienstverlening is een van de belangrijkste comparatieve voordelen van een fysieke winkel. Bij elektronische apparatuur is het voor de klant vaak belangrijk dat hij goed advies krijgt. Het gebruik van internet is niet altijd klantvriendelijk. Onduidelijk is welke website betrouwbaar zijn. Een goede oplossing zou zijn om de internetwinkel te koppelen aan fysieke winkels, zodat de klant via internet een echte verkoper in het dichtstbijzijnde filiaal om advies kan vragen. Ook kan de fysieke winkel aantrekkelijker worden gemaakt door in de winkel voor een "belevenis" te zorgen. Er moet iets extra's worden geboden. Boekwinkels kunnen schrijvers uitnodigen om uit eigen werk voor te lezen, muziekwinkels kunnen liveoptredens organiseren, kledingzaken modeshows enz.. Voor het overleven van de fysieke winkel zijn dienstverlening en het organiseren van belevenissen essentieel.

De franchisecontracten zijn steeds strakker geworden. Het is jammer dat de Commissie geen aanbevelingen heeft opgenomen als reactie op deze ontwikkeling, die het hele franchisingconcept dreigt te ondergraven en daarmee minder aantrekkelijk te maken, terwijl de gevolgen van de economische crisis met behulp van franchising juist zouden kunnen worden verzacht.

Duurzaamheid

Door de beperkte opzet van het verslag is het onmogelijk geweest om de rol van de detailhandel in het sociale en milieubeleid gedetailleerd te onderzoeken. De detailhandel is evenwel van cruciaal belang waar het om duurzaamheid gaat. Winkels kunnen het koopgedrag van de consument beïnvloeden en zodoende eerlijke handel stimuleren. Winkels kunnen milieuvriendelijke verpakkingen bevorderen, zodat er minder afval ontstaat. Zij kunnen ook invloed uitoefenen op de voedingspatronen van consumenten: koop de hoeveelheden die je nodig hebt en voorkom levensmiddelenafval, koop meer organisch voedsel enz..

Hetzelfde geldt voor het sociaal beleid. Helaas komen in de detailhandel schendingen van de sociale en immigratiewetgeving voor. Ook bestaat de tendens om jong personeel tegen lage lonen in dienst te nemen en medewerkers te vervangen zodra zij ouder en duurder worden. Met name wanneer dienstverlening en het belevingsaspect een grotere rol gaan spelen voor het overleven van winkels, is het belangrijk om in het personeel te investeren. De detailhandel is uitermate geschikt om jongeren opleidingsmogelijkheden te bieden, maar moet ook op ervaren medewerkers kunnen bouwen om de juiste kwaliteit te bieden. De handhaving van de arbeidswetgeving moet voor de lidstaten een prioriteit vormen. In dat verband moet een nauwe samenwerking tussen de detailhandel en de handhavingsinstanties worden aangemoedigd, zodat overtredingen snel en doeltreffend worden aangepakt.

Oneerlijke handelspraktijken

Boeren en kleine producenten hebben vaak het gevoel dat er geen echte contractvrijheid bestaat omdat zij hun producten slechts aan een beperkt aantal supermarkten kunnen verkopen. De werkelijkheid is echter ingewikkelder. Niet alle producenten zijn kleinschalige ondernemingen. Zo is bekend dat de suikerproductie door een beperkt aantal ondernemingen wordt beheerst, die zo'n machtige positie hebben dat zij in sommige lidstaten bijna als monopolie kunnen worden aangemerkt. Bovendien doen supermarkten vaak niet rechtstreeks zaken met de producenten, maar met tussenhandelaren. Bij die handelaren kan het om grote multinationale ondernemingen gaan. De winstmarges van die handelaren zijn vaak veel groter dan die van de supermarkten. Het is belangrijk om bij het nadenken over verdere stappen rekening te houden met de complexe situatie in de toeleveringsketen voor levensmiddelen.

Het Groenboek wordt door de supermarkten vaak gezien als opstapje naar EU-wetgeving op dit gebied. Het kan weliswaar nuttig zijn om bepaalde begrippen, zoals "economische afhankelijkheid", via Europese wetgeving of richtsnoeren te verduidelijken, maar de rapporteur is er niet van overtuigd dat een zuiver wetgevende benadering effectief is. Voor kleinere producenten zal het veelal moeilijk zijn om een formele rechtszaak tegen supermarkten (of tussenhandelaren) aan te spannen. Maar al te vaak zijn zij beducht voor vergeldingsmaatregelen: zij mogen dan wel bepaalde oneerlijke handelspraktijken aan het licht hebben gebracht, maar betalen daarvoor met het verlies van hun zakelijke relatie met de betrokken supermarkt of tussenhandelaar.

De rapporteur heeft daarom gekozen voor een omzichtige benadering. Terwijl het nuttig kan zijn om op EU-niveau te streven naar een akkoord over een verbod op het verkopen van levensmiddelen onder de kostprijs, is het in algemene zin beter om niet te zwaar op wetgeving als oplossing te leunen.

Vrijwillige initiatieven, die in sommige lidstaten al bestaan en momenteel ook op EU-vlak worden ontwikkeld door het Forum op hoog niveau voor een beter werkende voedselvoorzieningsketen, moeten worden toegejuicht. Zij kunnen de basis leggen voor het gezamenlijk aanvaarden van verantwoordelijkheid. Sommige producenten brengen daar echter tegenin dat zonder adequate handhaving van deze vrijwillige initiatieven geen verandering in de situatie kan worden gebracht. Om druk op de ketel te houden, is het daarom van belang dat er een onafhankelijke ombudsman of arbiter komt die ambthalve uitspraken kan doen. Supermarkten hebben bezwaar tegen anonieme klachtenprocedures. Zij stellen dat zij zich niet behoorlijk tegen zulke klachten kunnen verweren en het slachtoffer van laster kunnen worden. Als oplossing die de belangen van zowel producenten als supermarkten eerbiedigt, geeft de rapporteur de voorkeur aan een regeling die bedrijfsverenigingen de mogelijkheid biedt om bepaalde praktijken onder de aandacht van een ombudsman of arbiter te brengen, terwijl ten aanzien van hun informatiebronnen vertrouwelijkheid blijft bestaan. In combinatie met de mogelijkheid dat de ombudsman/arbiter ambtshalve optreedt, kan dit een eerlijke oplossing opleveren.

Hoewel de rapporteur voorstander is van een vrijwillig mechanisme, kan dit alleen doeltreffend werken als alle betrokken partijen deelnemen. Dat houdt in dat zowel producenten als handelaren en supermarkten het initiatief moeten onderschrijven. Op dit moment hebben de producenten dit nog niet gedaan en afgewacht moet worden hoeveel handelaren dit zullen doen. Als primair de supermarkten zich achter het initiatief scharen, zal het niet werken.

Ten tweede maakt de aanstelling van een onafhankelijke ombudsman of arbiter geen deel uit van het vrijwillige initiatief. In plaats daarvan wordt ingezet op een bestuursgroep bestaande uit vertegenwoordigers van elke belangengroep. De rapporteur wijst deze benadering niet van de hand, maar vraagt zich wel af of deze in de praktijk even goed zal werken als de procedure met een onafhankelijke ombudsman/arbiter.

Tot slot wordt in het vrijwillige initiatief volledig vertrouwd op het effect van "naming and shaming" (zwarte schapen benoemen) en "naming and faming" (goede voorbeelden benoemen). In andere sancties is niet voorzien. Juist dit ontbreken van sancties weerhoudt de producenten ervan zich bij het initiatief aan te sluiten. Wil het initiatief dus kans van slagen hebben, dan moet er nu worden nagedacht over de invoering van aanvullende sancties, bijv. boetes, en vergoeding van verliezen in geval van schending van de beginselen inzake goede praktijken.

Voetafdruk op de wetgeving

Onderstaande organisaties hebben hun opvattingen ter zake aan de rapporteur uiteengezet:

Albert Heijn                           Carrefour                   Copa-Cogeca

Detailhandel NL                     EDEKA                     ESBA

Eurocommerce            Eurocoop                   European Booksellers Association

ERRT                                   IKEA                        Jumbo

Svensk Handel            Tesco                        Tradecraft

Vakcentrum NL                     UGAL

(1)

Eurostat News Release Euroindicators 104/2013.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (17.10.2013)

aan de Commissie interne markt en consumentenbescherming

inzake een Europees actieplan inzake detailhandel in het belang van alle betrokken partijen

2013/2093(INI)

Rapporteur voor advies: David Casa

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie interne markt en consumentenbescherming onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst op het belang van de detailhandelssector, die instaat voor ongeveer 15% van de totale tewerkstelling in de EU, zowel geschoold als ongeschoold, en met name op het belang ervan voor jongeren; steunt het standpunt van de Commissie dat het vergemakkelijken van de arbeidsmobiliteit de groei in de sector ten goede kan komen, maar benadrukt dat grensoverschrijdende arbeidsbemiddeling alleen niet als een uitweg uit de crisis mag worden beschouwd; merkt eveneens op dat 29% van alle EU-bedrijven, waaronder een zeer groot aantal kmo's, in deze sector actief is; is daarnaast van oordeel dat traditionele sectoren het de voorbije jaren moeilijk hebben gehad en dat maatregelen nodig zijn om kwaliteitsbanen in deze sectoren te bevorderen;

2.  benadrukt dat de detailhandelssector uiteenlopende en moderne manieren biedt om goederen en diensten te kopen en te verkopen, die bijdragen aan meer keuzemogelijkheden voor de consument en flexibele werkgelegenheidskansen, met name voor jongeren en langdurig werklozen;

3.  benadrukt dat er een uniform en samenhangend actieplan nodig is - voor effectieve coördinatie tussen de verschillende beleidsterreinen - teneinde de economische, sociale en milieuprestaties van de detailhandelssector in gelijke mate te bevorderen, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan het behoud en het creëren van kwalitatief hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid;

4.  is van mening dat er als gevolg van de economische recessie sprake is van een aanzienlijk verlies aan werkgelegenheid in de sector, ook bij de grootwinkelbedrijven, en dat de sector meer dan voorheen zijn toevlucht heeft moeten nemen tot gedwongen werktijdverkorting; merkt op dat sommige multinationals er weliswaar in zijn geslaagd met winst te blijven draaien, maar de crisis niettemin als voorwendsel hebben gebruikt om hun personeelsbestand in te krimpen en de werkdruk te verhogen, gebruik makend van loonsubsidieregelingen en arbeidstijdverkorting;

5.  benadrukt dat het belangrijk is dat de kloof tussen de vaardigheden van de beroepsbevolking en de behoeften van de detailhandelssector wordt aangepakt, waarbij in het bijzonder aandacht moet worden besteed aan de landen met een hoge jeugdwerkloosheid en aan verbetering van de arbeidsomstandigheden, om het scheppen van banen te bevorderen, met name voor jongeren, langdurig werklozen, oudere werknemers en gehandicapten, en dat het eveneens belangrijk is vaardigheden bij te werken door middel van "een leven lang leren"-programma´s om werknemers zowel in staat te stellen nieuwe taken op zich te nemen die voortvloeien uit innovatie, alsook beter op de vraag van de arbeidsmarkt in te spelen, en hen in staat te stellen te werken in traditionele sectoren met een tekortschietend werknemersaanbod; onderstreept daarnaast dat werkgevers zich bij het voorbereiden van hun werknemers op de uitdagingen en innovaties in hun sector, proactief moeten opstellen;

6.  wijst erop dat er, in dit verband en teneinde het probleem van de gebrekkige afstemming van vaardigheden en behoeften in deze sector aan te pakken, een duidelijke inventarisatie moet plaatsvinden van de kwalitatieve en kwantitatieve behoeften van de sector, met de actieve deelname van alle betrokkenen, inclusief de sociale partners en ondernemingen;

7.  is van oordeel dat de lonen in de detailhandelssector over het algemeen lager zijn dan het gemiddelde salarisniveau in andere sectoren en dat dit resulteert in een tekort aan vaardigheden doordat de lage lonen hoogopgeleide werknemers niet motiveren om te blijven en de detailhandel te beschouwen als een sector waar zij carrière kunnen maken; beveelt de lidstaten en de bedrijven derhalve aan om, altijd in overleg met de sociale partners, het salarisniveau in de sector op een zodanig niveau te brengen dat er fatsoenlijk van te leven valt;

8.  betreurt dat de sector zoveel jonge werknemers aanwerft en tegelijk een groot personeelsverloop kent, en dat hij de neiging heeft om vooral tegen lage kosten jongeren aan te werven op flexibele contracten, om ze vervolgens te vervangen van zodra ze iets ouder zijn , alsook om personeel met een vaster en duurder contract te vervangen; roept de lidstaten ertoe op programma’s te introduceren die voorzien in stimulansen voor de opleiding en omscholing van oudere werknemers; acht het dringend noodzakelijk deze sector te helpen duurzame en fatsoenlijke banen aan te bieden;

9.  onderstreept dat meer beroep dient te worden gedaan op de bestaande en geplande instrumenten op EU-niveau ter ondersteuning van gestructureerde partnerschappen tussen aanbieders van vaardigheden en bedrijven, met inbegrip van de allianties voor bedrijfstakspecifieke vaardigheden in het kader van het programma "Erasmus voor iedereen" en de Europese jeugdgarantie; moedigt de ontwikkeling aan van partnerschappen tussen scholen en bedrijven, zoals systemen voor duaal onderwijs die worden gesteund door de Europese Alliantie voor stageplaatsen;

10. is van oordeel dat de sector wordt gekenmerkt door hoge flexibiliteit, waarbij gebruik wordt gemaakt van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd of van uitzendkrachten; is daarnaast van oordeel dat werknemers in deze sector vaak wordt gevraagd op zon- en feestdagen te werken, én nacht- en avondwerk te doen, hetgeen ernstige gevolgen voor hun gezondheid en sociale leven kan hebben; wijst op het belang van het bevorderen van een goed evenwicht tussen werk en privéleven, en dringt er derhalve bij de lidstaten aan op hun beleid ten aanzien van werken op zon- en feestdagen in de detailhandel aan te passen, teneinde voor de werknemers tot een goed evenwicht tussen werk en privéleven te komen en onnodige negatieve gevolgen voor de kleine en middelgrote bedrijven in de sector te voorkomen; verzoekt de lidstaten en de sociale partners serieus te overwegen maatregelen te implementeren die ertoe leiden zondagwerk alleen op vrijwillige basis is toegestaan, en mits daarvoor een adequate beloning en compensatieverlof wordt toegekend, waarbij uitzonderingen naar behoren moeten worden gemotiveerd;

11. verzoekt de sociale partners daarbij als model uit te gaan van de talrijke op ondernemingsniveau gesloten akkoorden waarbij werkschema's in eigen beheer worden vastgesteld, zodat werknemers overuren of extra werkuren op weekbasis vooraf kunnen plannen in plaats van op korte termijn voor dergelijke werkzaamheden te worden opgeroepen, en hen de mogelijkheid wordt geboden op grond van persoonlijke motieven op andere verkooppunten te werken dan waar zij normaal actief zijn;

12. vraagt om meer steun en aanmoediging voor kmo’s en coöperaties, in het bijzonder die met een innovatief karakter, die welke een bijdrage aan de sociale economie leveren, inspelen op nieuwe marktbehoeften en betrokken zijn bij milieuvriendelijke en maatschappelijk verantwoorde activiteiten, teneinde het concurrentievermogen van de detailhandelssector van de EU te vergroten, de prijzen voor de consument te drukken, de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren en nieuwe arbeidskansen te creëren;

13. wijst op belangrijke nieuwe trends die de doeltreffendheid van de levering van detailhandelsdiensten verhogen en spoort aan dergelijke ontwikkelingen te steunen, onder meer in het kader van de digitale interne markt, met name de grensoverschrijdende ontwikkeling ervan; vraagt bijkomende steun voor kleinere detailhandelaars, aangezien zij vaak minder in staat zijn de veranderende technologieën te volgen;

14. wijst erop dat grootwinkelbedrijven hun winst ten koste van kleine en micro-ondernemingen grotendeels behalen dankzij hun vermogen om schaalvoordelen te benutten, hun productiviteit te verhogen en lagere prijzen aan te bieden; merkt op dat dit aanleiding geeft tot bezorgdheid wat betreft de maatschappelijke en lokale samenhang, waarbij kleine winkels uit stadscentra, uit kleinere dorpen en uit plattelandsgebieden wegtrekken en zich verplaatsen naar buiten de stad gelegen winkelcentra, waardoor het met name voor ouderen en gehandicapten moeilijk wordt in hun basisbehoeften te voorzien; merkt op dat hierdoor veel banen verloren zijn gegaan bij kleine winkeliers; verzoekt de Commissie en de lidstaten investeringen en stimulansen voor kleine en middelgrote bedrijven in de sector te ondersteunen en strenge wetgeving in te voeren met betrekking tot openingstijden, teneinde eerlijke concurrentie te waarborgen;

15. merkt op dat zwart werk een belangrijke kwestie is in de detailhandelssector, die gepaard gaat met grote sociale risico's en lage inkomens voor werknemers, die geen zorgverzekering hebben en geen recht hebben op sociale uitkeringen, hetgeen negatief uitpakt voor de economieën van de lidstaten en voor de financiële draagkracht van het Europees sociaal model, en dat het de financiering en toekenning van sociale uitkeringen en openbare diensten ondermijnt; wijst met bezorgdheid op de onderbezetting van de instanties voor arbeidsinspectie in veel lidstaten; vraagt om een correcte uitvoering van de bestaande sociale en arbeidswetgeving en dringt aan op intensievere arbeidsinspecties, daar waar nodig; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om in het kader van het Europees platform ter bestrijding van zwartwerk een dialoog aan te gaan met de belanghebbenden in de detailhandelssector om de impact van de informele economie op de arbeidsomstandigheden te beoordelen en om te komen tot een EU-aanpak ter bestrijding van dit fenomeen; acht het wenselijk dat werkgeversverenigingen werkgevers die gebruik maken van zwartwerkers niet meer in hun midden toelaten;

16. is ingenomen met het feit dat de Commissie in een mededeling heeft opgeroepen tot meer veiligheid op het werk door de ontwikkeling van zgn."intelligente" magazijnen waar het risico op ongevallen bij verplaatsing van zware lasten kleiner is, aangezien het hier om een van de gevaarlijkste sectoren gaat, in het bijzonder wat betreft stressgerelateerde en spier- en skeletaandoeningen als gevolg van een slechte lichaamshouding; roept de Commissie met betrekking tot dit laatste aspect op actie te ondernemen door opnieuw de ontwerprichtlijn te lanceren die zij enige tijd geleden heeft ingetrokken;

17. beschouwt franchising weliswaar als een nuttig instrument voor het genereren van groei in de sector en voor het creëren van banen, maar betreurt dat de bedrijfsovereenkomsten die in sommige gevallen gelden voor de franchisegever niet worden toegepast op werknemers van de franchisenemer;

18. is van mening dat de sociale dialoog in de detailhandelssector een behoorlijk niveau heeft bereikt en is derhalve ingenomen met het besluit van de Commissie om een vaste groep concurrentievermogen detailhandel in het leven te roepen, waarbij de lidstaten en de relevante belanghebbenden moeten worden betrokken;

19. betreurt dat de Commissie heeft verzuimd in haar mededeling op enigerlei wijze gewag te maken van de sociale dumpingverschijnselen die zich in deze sector voordoen en die bepaalde multinationals ertoe aanzetten te investeren in landen waar de vrijheid van vereniging en het recht op collectieve onderhandelingen worden gedwarsboomd;

20. is van mening dat wetgeving inzake de detailhandelssector beter empirisch moet worden onderbouwd, met name wat betreft de noodzaak om het effect van wetgeving op kleine ondernemingen adequaat te onderzoeken en te doorgronden;

21. dringt aan op maatregelen, zowel op EU- als nationaal niveau, om overbodige beperkende voorschriften en administratieve belemmeringen weg te nemen die groei, innovatie en het creëren van banen in deze sectoren in de weg zouden kunnen staan;

22. wijst erop dat in 2010 8,7 % van de Europese bevolking geen toegang had tot de vereiste kwantiteit en kwaliteit van voedsel; onderstreept dat het van belang is dat het EU-beleid de toegang bevordert tot detailhandelsverkooppunten van levensmiddelen die, met name in achterstandsgebieden, kwalitatief hoogwaardige, betaalbare voedingsmiddelen leveren, en dat het daarnaast waardig werk ondersteunt;

23. benadrukt het belang van kleine en middelgrote detailhandelszaken voor de wederopbloei, diversiteit en levendigheid van stads- en dorpscentra, voor het creëren van winkelgelegenheden in de buurt voor bijvoorbeeld ouderen, en voor de werkgelegenheid in stedelijke gebieden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.10.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Edit Bauer, Heinz K. Becker, Phil Bennion, Vilija Blinkevičiūtė, Philippe Boulland, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Minodora Cliveti, Marije Cornelissen, Emer Costello, Frédéric Daerden, Richard Falbr, Stephen Hughes, Danuta Jazłowiecka, Patrick Le Hyaric, Olle Ludvigsson, Thomas Mann, Csaba Őry, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Nicole Sinclaire, Jutta Steinruck, Andrea Zanoni, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Georges Bach, Sergio Gutiérrez Prieto, Anthea McIntyre, Csaba Sógor, Tatjana Ždanoka

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Eric Andrieu, Pilar Ayuso, Eduard-Raul Hellvig, Roberta Metsola


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.11.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

0

11

Bij de eindstemming aanwezige leden

Preslav Borissov, Jorgo Chatzimarkakis, Birgit Collin-Langen, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, António Fernando Correia de Campos, Cornelis de Jong, Vicente Miguel Garcés Ramón, Evelyne Gebhardt, Thomas Händel, Małgorzata Handzlik, Malcolm Harbour, Sandra Kalniete, Edvard Kožušník, Toine Manders, Hans-Peter Mayer, Phil Prendergast, Zuzana Roithová, Heide Rühle, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Catherine Stihler, Emilie Turunen, Barbara Weiler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Raffaele Baldassarre, Regina Bastos, Jürgen Creutzmann, María Irigoyen Pérez, Constance Le Grip, Emma McClarkin, Claudio Morganti, Kerstin Westphal

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Roberta Angelilli, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid

Laatst bijgewerkt op: 3 december 2013Juridische mededeling