Procedure : 2013/2180(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0057/2014

Ingediende teksten :

A7-0057/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/03/2014 - 8.25

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0232

VERSLAG     
PDF 207kWORD 106k
28 januari 2014
PE 522.809v02-00 A7-0057/2014

over de voorbereiding op een volledig geconvergeerde audiovisuele wereld

(2013/2180(INI))

Commissie cultuur en onderwijs

Rapporteur: Sabine Verheyen

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie juridische zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de voorbereiding op een volledig geconvergeerde audiovisuele wereld

(2013/2180(INI))

Het Europees Parlement,

–    gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–    gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten)(1),

–    gezien Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn elektronische handel)(2),

–    gezien Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn)(3), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009(4),

–    gezien Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn)(5),

–    gezien Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn)(6), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009(7),

–    gezien Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit(8),

–    gezien het voorstel van de Commissie van 11 juli 2012 voor een richtlijn betreffende het collectieve beheer van rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik,

–    gezien Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (auteursrechtrichtlijn)(9),

–    gezien de resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2013 over connected tv(10),

–    gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–    gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie juridische zaken (A7-0057/2014),

A.  overwegende dat met audiovisuele convergentie wordt bedoeld het samensmelten van audiovisuele mediadiensten die tot dan toe grotendeels gescheiden van elkaar werden verspreid, evenals het in elkaar grijpen van diverse audiovisuele diensten langs de waardeketen of de bundeling van deze diensten;

B.   overwegende dat convergentie vraagt om innovatie en er nieuwe vormen van samenwerking tussen ondernemingen en sectoren nodig zijn zodat gebruikers overal, altijd en met elk apparaat toegang hebben tot audiovisuele inhoud en elektronische diensten;

C.  overwegende dat horizontale (sectorconvergentie), verticale (convergentie in de waardeketen) en functionele (convergentie van toepassingen/diensten) convergentie stuk voor stuk impact hebben op de audiovisuele sector;

D.  overwegende dat technische convergentie inhoudt dat er steeds meer overlapping optreedt tussen mediarecht en netwerkbeleid;

E.   overwegende dat de toegankelijkheid en vindbaarheid van audiovisuele inhoud zich ontwikkelen tot de centrale vraagstukken van een geconvergeerde wereld; overwegende dat het beleid een zelfregulerend systeem voor de etikettering van de inhoud dat aan de minimumnormen voldoet, niet mag belemmeren, en dat netneutraliteit in verband met kabelverbindingen en verbindingen voor mobiele telefonie steeds dringender wordt;

F.   overwegende dat de technische convergentie van de media inmiddels, met name voor de omroep, de pers en internet werkelijkheid is geworden, en dat in het Europese media-, cultuur- en netwerkbeleid het regelgevingskader aan de nieuwe situatie moet worden aangepast en moet worden gewaarborgd dat ook ten aanzien van nieuwe marktdeelnemers uit de EU en derde landen een uniform regelgevingsniveau kan worden gerealiseerd en gehandhaafd;

G.  overwegende dat de ervaring met het gebruik van aan elkaar gekoppelde apparaten en de gebruikersverwachtingen en -profielen ondanks de toenemende technische convergentie nog steeds beperkt zijn;

H.  overwegende dat digitalisering en technische convergentie op zich beperkte waarde hebben voor burgers, en overwegende dat steun voor omvangrijke en langdurige investeringen in originele Europese inhoud een van de centrale prioriteiten blijft in een geconvergeerde mediaomgeving;

I.    overwegende dat de interactie tussen audiovisuele media, elektronische diensten en toepassingen omwille van de toenemende convergentie een nieuwe invulling moet krijgen;

J.    overwegende dat de term "content gateway" een aanduiding is voor elke entiteit die als intermediair fungeert tussen aanbieders van audiovisuele inhoud en eindgebruikers, en waarvoor kenmerkend is dat deze een aantal aanbieders van inhoud samenbrengt, selecteert en organiseert, en een interface aanbiedt met behulp waarvan gebruikers die inhoud kunnen vinden en gebruiken; overwegende dat de term tevens van betrekking kan zijn op tv-platforms (zoals satelliet, kabel en IPTV), apparatuur (zoals smart tv's en spelcomputers) en "over-the-top"-diensten (diensten die via breedband en over het open internet worden aangeboden);

Convergente markten

1.   stelt vast dat de toenemende tendens van horizontale concentratie van de sectoren en de verticale integratie in de hele waardeketen nieuwe zakelijke kansen kan opleveren, maar ook kan leiden tot machtsposities op de markt;

2.   benadrukt dat regelgeving nodig is als content gateways de toegang tot de media beheersen en een directe of indirecte invloed op de opinievorming hebben; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook om deze ontwikkelingen te onderzoeken en de mogelijkheden van het Europese concurrentie- en kartelrecht volledig te benutten en, indien nodig, maatregelen in te voeren om de diversiteit te waarborgen en een regelgevingskader voor convergentie in het leven te roepen dat is aangepast aan deze ontwikkelingen;

3.   stelt vast dat de marktontwikkelingen erop duiden dat bedrijven in de toekomst steeds vaker netwerkdiensten zullen koppelen aan het beschikbaar stellen van audiovisuele inhoud, en dat het internet in zijn huidige vorm, die is gebaseerd op optimale toegang, daardoor meer en meer plaats kan gaan maken voor een eenzijdig op de belangen van bedrijven gericht aanbod;

4.   is van mening dat alle gegevens in het kader van elektronische communicatie principieel gelijk behandeld moeten worden ongeacht hun inhoud, toepassing, herkomst en doel (de zogenaamde inspanningsverplichting), en pleit daarom, met name wat betreft de ontwikkeling van speciale diensten, voor het behouden en waarborgen van een vrij en open internet;

5.   onderstreept dat de rechten en plichten van de omroepen door een horizontaal en mediaoverkoepelend rechtskader in evenwicht moeten worden gebracht met de rechten en plichten van andere marktdeelnemers;

Toegankelijkheid en vindbaarheid

6.   benadrukt dat netneutraliteit, in overeenstemming met de inspanningsverplichting en de non-discriminatoire toegang en doorgifte van alle audiovisuele inhoud, een waarborg is voor een veelzijdig informatieaanbod en een waaier aan meningen en culturen, en daarmee een cruciaal element vormt dat analoog is aan de "doorgifteverplichting" van het geconvergeerde medialandschap; verzoekt de Commissie dan ook er op een juridisch bindende wijze voor te zorgen dat de beginselen van internetneutraliteit, die in de context van de mediaconvergentie onontbeerlijk is, worden nageleefd;

7.   pleit voor een non-discriminatoire, transparante en open internettoegang voor alle gebruikers en aanbieders van audiovisuele diensten en spreekt zich uit tegen een inperking van de inspanningsverplichting via de eigen platformen of diensten van aanbieders;

8.   wijst er nogmaals op dat de regels inzake netneutraliteit de toepassing van regels inzake de "doorgifteverplichting" voor beheerde netwerken of gespecialiseerde diensten zoals kabeltelevisie en IPTV geenszins overbodig maken;

9.   pleit voor uniforme normen om zorg te dragen voor de interoperabiliteit van smart tv's, die moeten worden ontwikkeld door de sector, teneinde innovatie niet in de kiem te smoren;

10. verlangt dat de diversiteit van culturele en audiovisuele werken in een geconvergeerde wereld toegankelijk en vindbaar is voor alle Europese burgers, in het bijzonder in gevallen waarin de aangeboden inhoud wordt opgelegd door fabrikanten van eindapparatuur, netwerkexploitanten, aanbieders van inhoud of andere groepen marktdeelnemers;

11. is van mening dat het zoeken en vinden van audiovisuele inhoud niet mag worden ingegeven door economische belangen met het oog op het waarborgen van de diversiteit van producten en meningen, en dat er alleen regelgevende maatregelen genomen mogen worden als een platformaanbieder zijn machtspositie op de markt of zijn functie als poortwachter ten voor- of nadele van bepaalde inhoud gebruikt;

12. verzoekt de Commissie te controleren in hoeverre exploitanten van content gateways geneigd zijn hun positie te misbruiken om hun eigen inhoud naar voren te schuiven, en maatregelen uit te werken om elk toekomstig misbruik te voorkomen;

13. verzoekt de Commissie te definiëren wat een platform is en indien nodig regelgeving op te stellen die ook van toepassing is op technische netwerken voor de doorgifte van audiovisuele inhoud;

14. is van mening dat platformen in openbare netwerken, die geen machtspositie op de markt innemen en de mededinging niet belemmeren moeten worden uitgesloten van deze platformregulering;

15. is van mening dat het creëren van applicaties ("apps") moet worden aangemoedigd, omdat dit een groeimarkt is; benadrukt echter dat de "verapping" kan leiden tot problemen met de markttoegang voor producenten van audiovisuele inhoud; verzoekt de Commissie te onderzoeken waar maatregelen ter waarborging van de toegankelijkheid en de vindbaarheid van audiovisuele werken nodig zijn en hoe deze toegepast kunnen worden, en wijst er opnieuw op dat er alleen regelgevende maatregelen genomen mogen worden als een platformaanbieder zijn machtspositie op de markt of zijn functie als poortwachter met behulp van apps ten voor- of nadele van bepaalde inhoud gebruikt;

16. is van mening dat de lidstaten de mogelijkheid moeten hebben om specifieke maatregelen te treffen met het oog op een redelijke mate van vindbaarheid en zichtbaarheid van audiovisuele inhoud die van algemeen belang is, teneinde de pluraliteit van meningen te garanderen, terwijl de gebruikers het aanbod zelf gemakkelijk moeten kunnen filteren;

Bescherming van de diversiteit en financieringsmodellen

17. verzoekt de Commissie om in het licht van mediaconvergentie te bepalen hoe de (her)financiering en de productie van kwalitatief hoogstaande Europese audiovisuele inhoud op een toekomstbestendige en evenwichtige manier gewaarborgd kan worden;

18. verzoekt de Commissie om te onderzoeken in hoeverre de ongelijke behandeling van lineaire en niet-lineaire diensten uit hoofde van Richtlijn 2010/13/EU leidt tot marktverstoringen bij kwantitatieve en kwalitatieve reclameverboden;

19. onderstreept dat de nieuwe reclamestrategieën waarin gebruik wordt gemaakt van nieuwe technologieën voor het doeltreffender maken van reclame (screenshots, consumentenprofilering, multischermstrategieën) vragen opwerpen in verband met de bescherming van consumenten, hun privéleven en persoonsgegevens; benadrukt daarom dat er een samenhangend geheel van regels moet worden opgesteld die kunnen worden toegepast op deze strategieën;

20. verzoekt de Commissie de regelgeving in de vorm van kwantitatieve reclamebepalingen voor lineaire audiovisuele inhoud af te schaffen om erop toe te zien dat de doelstellingen van Richtlijn 2010/13/EU met meer succes worden verwezenlijkt, met meer flexibiliteit en een versterking van de co- en zelfregulering;

21. is van mening dat nieuwe bedrijfsmodellen waarbij niet-toegestane audiovisuele inhoud op de markt wordt gebracht een bedreiging vormen voor kwalitatief hoogwaardige journalistiek, de publieke omroep en uit reclame-inkomsten gefinancierde uitzendingen;

22. is van mening dat het lineaire of niet-lineaire aanbod van omroepen of andere aanbieders van inhoud inhoudelijk en technisch niet veranderd mag worden en dat de specifieke inhoud of onderdelen ervan niet in het programma-aanbod mogen worden opgenomen of anderszins gebruikt mogen worden, al dan niet tegen betaling, zonder de toestemming van de omroeporganisatie of de aanbieder;

23. is van mening dat in het licht van de convergentie ook de goedkeuringsprocedures voor elektronische informatie- en communicatiediensten die worden gefinancierd door een licentievergoeding – voor zover het om een openbaar aanbod van audiovisuele diensten gaat – moeten worden aangepast aan de digitale realiteit van concurrentie bij de media;

24. onderstreept dat het essentieel is de overheidssector buiten het keurslijf van reclamefinanciering te houden om zijn onafhankelijkheid te kunnen behouden, en verzoekt de lidstaten de financieringsinspanningen van deze sector te ondersteunen;

Infrastructuur en frequenties

25. stelt vast dat een ruime beschikbaarheid van breedbandinternetaansluitingen met een zo hoog mogelijke snelheid een basisvoorwaarde vormt voor convergentie en innovatie in de mediawereld; benadrukt dat dergelijke breedbandnetwerken vooral op het platteland nog verder ontwikkeld moeten worden, en roept de lidstaten op dit aan de hand van investeringscampagnes op korte termijn te corrigeren;

26. betreurt dat er in heel Europa nog steeds uitgestrekte gebieden zijn waar de internetinfrastructuur beperkt is, en herinnert de Commissie eraan dat de toegang van consumenten tot razendsnel internet cruciaal is voor het ontsluiten van het potentieel van een geconvergeerde audiovisuele wereld;

27. dringt er bij de marktspelers op aan om, anticiperend op een meer geconvergeerde toekomst, op vrijwillige basis samen te werken en er op die manier voor te zorgen dat er een gemeenschappelijk kader komt voor medianormen, zodat er een meer samenhangende aanpak komt die geldt voor alle media, en om er tevens voor te zorgen dat de consument blijft begrijpen welke inhoud gereguleerd is en in welke mate;

28. benadrukt dat open en interoperabele normen garanties bieden voor een vrije en onbelemmerde toegang tot audiovisuele inhoud;

29. stelt vast dat voor nieuwe zelfregulerende initiatieven een centrale rol is weggelegd bij de ontwikkeling van uniforme normen voor gebruikstechnologieën, ontwikkelaars en producenten;

30. benadrukt dat DVB-T/T2 op de lange termijn uitstekende kansen biedt voor het gezamenlijke gebruik van de 700 MHz-frequentieband in media-uitzendingen en mobiele telefonie, in het bijzonder door het gebruik van veelbelovende hybride mobiele apparaten en door televisieontvangerchips in mobiele apparaten in te bouwen;

31. bepleit de ontwikkeling van een technologiemix die efficiënt gebruikmaakt van zowel omroep- als breedbandtechnologie, en media-uitzendingen en mobiele telefonie op een intelligente manier met elkaar combineert ("smart broadcasting");

32. is van mening dat er behoefte is aan een routekaart voor digitale terrestrische radio om de investeerders die afkomstig zijn uit zowel de omroepwereld als de mobiele telefonie de zekerheid te bieden die zij nodig hebben om te kunnen plannen op de lange termijn;

Waarden

33. mist in het groenboek een uitdrukkelijke verwijzing naar het tweeledige karakter van de audiovisuele media als culturele en economische troef;

34. herinnert de Commissie eraan dat de EU zich heeft te houden aan het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen;

35. benadrukt dat het beschermen van de mediavrijheid, het bevorderen van pluralisme en culturele diversiteit in de media en de bescherming van minderjarigen belangrijke waarden blijven in een tijdperk van convergentie;

36. verzoekt de Commissie zich bij een eventuele herziening van Richtlijn 2010/13/EU te blijven inzetten om de persvrijheid te waarborgen;

37. verzoekt de Commissie en de lidstaten strenger toe te zien op de uitvoering van artikel 13 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten over de bevordering van het maken van en de toegang tot Europese producties door middel van audiovisuele mediadiensten op aanvraag;

38. vestigt de aandacht van de Commissie op het feit dat het opnemen van audiovisuele cultuur en media in internationale handelsovereenkomsten in tegenspraak is met de toezegging van de EU om culturele diversiteit en identiteit te bevorderen en de culturele soevereiniteit van de lidstaten over hun eigen culturele erfgoed te eerbiedigen;

39. spoort de Europese audiovisuele sector aan de ontwikkeling van samenhangende en aantrekkelijke diensten, met name online, voort te zetten en aldus het Europese aanbod van audiovisuele inhoud te verrijken; benadrukt dat de inhoud de voornaamste overweging moet blijven; onderstreept dat het grootste gevaar afkomstig is van de nieuwe platformen die heel veel inhoud hergebruiken, en dat er daarom nieuwe inzichten nodig zijn over wat er wordt aangeboden, omdat een grote hoeveelheid platformen niet noodzakelijkerwijs gevarieerde inhoud met zich meebrengt;

40. onderstreept dat de bescherming van minderjarigen, consumentenbescherming en gegevensbescherming absolute doelstellingen van de regelgeving zijn, die op alle aanbieders op het vlak van media en communicatie in de hele EU in gelijke mate van toepassing moeten zijn;

41. verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de vereisten op het gebied van de bescherming van minderjarigen en consumenten beter worden nageleefd; is van oordeel dat gegevensbescherming voor alle aanbieders van diensten op het vlak van media en communicatie in de hele EU in gelijke mate van toepassing moet zijn; benadrukt dat consumenten op ieder moment de mogelijkheid moeten hebben hun privacy-instellingen eenvoudig te wijzigen;

42. benadrukt dat het in verband met de mondiale concurrentie in geconvergeerde markten absoluut noodzakelijk is om op internationaal niveau passende co- en zelfreguleringsnormen te ontwikkelen voor de bescherming van minderjarigen en consumenten;

43. roept de Commissie en de lidstaten op de reeds bestaande activiteiten voor de verwerving van digitale mediavaardigheden te verbeteren en uit te breiden, en een methode voor de evaluatie van het doceren van mediavaardigheden te ontwikkelen;

Regelgevingskader

44. is van mening dat het Europese media- en internetbeleid erop gericht moet zijn om barrières voor media-innovaties uit de weg te ruimen en tegelijkertijd de normatieve aspecten van een democratisch en in cultureel opzicht divers mediabeleid niet uit het oog te verliezen;

45. benadrukt dat voor vergelijkbare inhoud op hetzelfde apparaat een uniform, flexibel en gebruikersvriendelijk en toegankelijk rechtskader nodig is, dat technologieneutraal, transparant en uitvoerbaar is;

46. dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat deze platformen overeenkomstig de marktomstandigheden worden geëxploiteerd en eerlijke concurrentie in de hand werken;

47. dringt bij de Commissie aan op een effectbeoordeling waarin zij nagaat of de werkingssfeer van de richtlijn audiovisuele mediadiensten nog steeds relevant is gezien de ontwikkelingen in de audiovisuele mediadiensten waar de Europese burgers toegang toe hebben;

48. verzoekt de Commissie te onderzoeken in hoeverre het criterium van lineariteit ertoe leidt dat de regelgevingsdoelstellingen van Richtlijn 2010/13/EU op veel terreinen van de geconvergeerde wereld niet meer verwezenlijkt worden;

49. stelt voor om de gebieden van Richtlijn 2010/13/EU waarop de regelgevingsdoelstelling niet worden gehaald te dereguleren; vindt dat in plaats daarvan op Europees niveau minimumvoorschriften voor alle audiovisuele mediadiensten moeten worden ingevoerd;

50. benadrukt het belang van technologieneutrale stelsels voor de vereffening van rechten om ervoor te zorgen dat diensten van aanbieders van mediadiensten beschikbaar worden gesteld op platformen van derden;

51. stelt nadrukkelijk vast dat het beginsel van het land van herkomst (of het land waar de omroep zich bevindt) dat is verankerd in de richtlijn audiovisuele mediadiensten een essentiële voorwaarde blijft om audiovisuele inhoud ook grensoverschrijdend te kunnen aanbieden en een mijlpaal is op weg naar een gemeenschappelijke dienstenmarkt; benadrukt echter dat de EU-wetgeving moet worden aangepast aan de realiteit van internet en de digitale omgeving, en dat er speciale aandacht moet worden besteed aan bedrijven die online audiovisuele inhoud aanbieden en die proberen de belasting in bepaalde lidstaten te ontduiken door zich in een land te vestigen waar een zeer laag belastingpercentage wordt geheven;

52. roept de Commissie op na te gaan in hoeverre het auteursrecht aangepast moet worden om een passende evaluatie van lineaire en niet-lineaire inhoud via de verschillende platformen, evenals hun grensoverschrijdende toegankelijkheid mogelijk te maken;

53. roept de Commissie op het beginsel van technologieneutraliteit consequent toe te passen en zo nodig het Europees auteursrecht dienovereenkomstig te herzien;

54. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.

(2)

PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

(3)

PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.

(4)

PB L 337 van 18.12.2009, blz. 37.

(5)

PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.

(6)

PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.

(7)

PB L 337 van 18.12.2009, blz. 37.

(8)

PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10.

(9)

PB L 167 van 22.5.2001, blz. 10.

(10)

Aangenomen teksten P7_TA(2013)0329


TOELICHTING

Op 24 april 2013 heeft de Europese Commissie een raadplegingsdocument uitgebracht dat bedoeld is om te komen tot een breed opgezet publiek debat over de effecten van de huidige transformatie van het audiovisuele medialandschap. Het centrale vraagstuk in het zogenoemde "Groenboek over de voorbereiding op een volledig geconvergeerde audiovisuele wereld: Groei, creatie en waarden" is hoe toekomstbestendig de richtlijn audiovisuele mediadiensten is, maar daarnaast zijn er in het groenboek ook overwegingen opgenomen met betrekking tot infrastructuur, frequenties en financieringsmodellen voor audiovisuele inhoud en marktoverwegingen ten aanzien van de verticale en horizontale integratie van de media- en ICT-sector.

Hoewel het mediabeleid in Europa nog overwegend een nationale kwestie is, kunnen niet alle terreinen daarvan uitsluitend op nationaal of federaal niveau behandeld worden. Vooral aspecten met betrekking tot de samensmelting van conventionele omroepdiensten met het internet, die momenteel aan de gang is, moeten vanwege de veranderende marktstructuren ook in grotere mate op Europees niveau behandeld worden.

Probleemstelling

Convergentie wil zeggen het samensmelten van audiovisuele mediadiensten die tot dan toe grotendeels als gescheiden van elkaar, lineair en niet-lineair, werden gezien. De traditionele mediaorganisaties worden aangevuld met nieuwe aanbieders uit de telecommunicatiesector, maar ook met OTT-spelers ("over-the-top"). De geleidelijk ingevoerde regelgeving van de richtlijn audiovisuele mediadiensten heeft tot nu toe op Europees niveau een bepaalde minimumnorm vastgelegd voor klassieke (lineaire) televisie-inhoud en voor niet-lineaire mediadiensten of online-inhoud. Met de digitalisering van omroep- en mediatechnologieën, de convergentie van de technische doorgiftekanalen en de momenteel plaatsvindende ontwikkeling van mobiele en hybride eindapparaten, concurreren op traditionele wijze gereguleerde omroepdiensten en diensten op aanvraag op hetzelfde scherm plotseling met tot dusver niet-gereguleerde, uit het openbare internet afkomstige inhoud.

Dit werpt nieuwe vragen op het gebied van consumenten-, kinder- en gegevensbescherming, maar ook ten aanzien van de waarborging van de diversiteit en het tweeledige karakter van de media als culturele en economische troef.

De rapporteur legt daarom de nadruk enerzijds op marktoverwegingen en anderzijds op financierings- en toegangsmodellen in geconvergeerde markten. De rapporteur is verheugd over de kerngedachte van het groenboek van de Europese Commissie, omdat daarin de eendimensionale discussie over connected TV breder wordt getrokken naar alle sectoren en aan elkaar gekoppelde mediadiensten langs de waardeketens van geconvergeerde audiovisuele markten. Het zijn namelijk uitgerekend deze marktveranderingen waardoor nieuwe uitdagingen ontstaan, maar ook kansen voor de belanghebbenden in de mediawereld.

Hoewel het grootste deel van de gebruikers in Europa audiovisuele inhoud nog steeds in de eerste plaats via het traditionele televisietoestel ontvangt, is er een sterke tendens te waar te nemen in de richting van een toenemend gebruik van mobiele apparatuur. Met name veel jongere gebruikers zouden de mogelijkheid willen hebben om audiovisuele inhoud en elektronische diensten overal, op ieder moment en met ieder apparaat te gebruiken.

Geconvergeerde markten

Convergentie staat dan ook voor innovatie en dit vereist nieuwe vormen van samenwerking tussen ondernemingen en sectoren. Dit betekent dat voor gelijkwaardige inhoud op hetzelfde eindapparaat een modern, toegankelijk, gebruiksvriendelijk, horizontaal regelgevingskader nodig is. Het bestaande rechtskader voor audiovisuele media en de daarin verankerde reguleringsdoelstelling moeten worden onderzocht en, indien nodig, aangepast aan de huidige realiteit van de geconvergeerde markten. Naar het oordeel van de rapporteur zal het nodig zijn om dit onderzoek te verrichten met inachtneming van de geldende wetgeving op het vlak van elektronische communicatie, elektronische handel, de licentieverlening van rechten voor muziekstukken en audiovisuele werken voor onlinegebruik, het auteursrecht, de bepalingen inzake uitzend- en telecommunicatieapparatuur alsmede de wetgeving inzake kartelvorming en mededinging. Als een herziening van de Europese mediawetgeving vereist is, moeten de belangrijke maatschappelijke en culturele functies van de media ook geconvergeerde omgeving beschermd worden met passende juridische kadervoorwaarden.

In het groenboek baseert de Commissie zich sterk op marktoverwegingen, waarbij zij zich voornamelijk op aspecten met betrekking tot economische groei en technologie richt en de betekenis van de media voor de culturele verscheidenheid en identiteit van Europa buiten beschouwing laat. Daarom gaat dit initiatiefverslag over het groenboek nogmaals uitdrukkelijk in op het tweeledige karakter van audiovisuele media als culturele en economische troef en op de rol van het duale omroepbestel voor het cultureel gevarieerde aanbod aan inhoud en diensten in de geconvergeerde mediawereld.

Toegankelijkheid en vindbaarheid

De vindbaarheid en toegankelijkheid van audiovisuele producten en diensten voor het grote publiek, worden steeds belangrijkere factoren in een geconvergeerde wereld. Netneutraliteit is een waarborg voor een non-discriminatoire doorgifte van alle inhoud en vormt daarom het beginsel van doorgifteverplichting voor de geconvergeerde mediawereld in de 21e eeuw. Eindgebruikers moeten de mogelijkheid hebben om alle inhoud en diensten te gebruiken die ze willen, en de aanbieders van de toegang tot die inhoud en diensten mogen de keuzevrijheid van de gebruikers niet inperken. Echter, een non-discriminatoire doorgifte volstaat niet. Voor de toekomst van de omroep is het met name van doorslaggevend belang dat wordt gewaarborgd dat programma's niet alleen toegankelijk zijn via de individuele doorgiftekanalen, maar ook op de content gateways te vinden zijn.

De Commissie, maar ook de lidstaten, moeten bij het opstellen van nieuwe wetgeving voor de mediasector de nadruk leggen op het waarborgen van de toegankelijkheid en vindbaarheid van diensten en inhoud. Dit betekent dat de diversiteit van culturele en audiovisuele creaties ook in een geconvergeerde wereld toegankelijk en vindbaar moeten zijn voor alle Europese burgers. Dit is vooral relevant in gevallen waarin fabrikanten van eindapparaten, netwerkexploitanten, aanbieders van inhoud of andere groepen marktdeelnemers gebruikersinhoud vooraf filteren of een voorkeurspositie geven. Het zoeken en vinden van audiovisuele inhoud op de verschillende content gateways mag niet uitsluitend van economische belangen afhankelijk worden gemaakt. Om deze reden acht de rapporteur het onontbeerlijk om het beginsel van netneutraliteit in de toekomst op te nemen.

Het beginsel van vindbaarheid ("must-be-found") is daarentegen iets moeilijker te beoordelen. Gezien het feit dat er in de geconvergeerde wereld een ontwikkeling plaatsvindt waarbij wordt afgestapt van inhoud die voor iedereen toegankelijk is via internet (via portalen en zoekmachines) ten gunste van een "verapping" van inhoud en software op mobiele eindapparaten, pc's en smart-tv's, ligt volgens de rapporteur het probleem niet bij de content gateways, die via de open toegang tot internet bereikt worden, maar eerder bij de app-diensten, die een zeer ontransparante voorselectie van de inhoud aanbieden.

In principe acht de rapporteur het gerechtvaardigd dat de lidstaten de mogelijkheid krijgen om specifieke regels in te voeren met het oog op de passende zichtbaarheid van audiovisuele inhoud die van algemeen belang is. De rapporteur is echter niet overtuigd van de doeltreffendheid en/of uitvoerbaarheid van een "must-be-found"-beginsel met behulp van EU-wetgeving waarin wordt voorzien in een voorkeursbehandeling of voorselectie van alle aangeboden (omroep-)inhoud op alle platformen en content gateways. Bovendien is het onzeker welke vorm een dergelijke prioriteitstelling in de praktijk zou krijgen en kan de doelstelling van de richtlijn audiovisuele mediadiensten in de huidige vorm niet worden toegepast op het internet en geconvergeerde markten. In de eerste plaats is het van belang dat alle inhoud en programma's te vinden zijn. In hoeverre een wettelijk voorgeschreven voorkeursbehandeling bij de volgorde zinvol is, is nog maar de vraag, in het bijzonder wanneer het gaat om commerciële en niet om publieke inhoud.

Waarborging van de diversiteit en financieringsmodellen

De rapporteur is van mening dat er mogelijk behoefte aan regelgeving ontstaat als nieuwe platformen de toegang tot de media beheersen en een directe of indirecte invloed op de opinievorming uitoefenen. Daarom is er behoefte aan een alomvattend concept voor content gateways of platformen dat niet alleen betrekking heeft op technische netwerken voor de doorgifte van audiovisuele inhoud, maar ook op inhoudportalen, hardware en navigatiesystemen zoals EPG's. De lidstaten moeten daarom samen met de Commissie de marktontwikkelingen in geconvergeerde markten onderzoeken en, indien nodig, wettelijke restricties op mediaconcentratie invoeren ter waarborging van de diversiteit. Daarbij moet het doel zijn alle belangen van alle belanghebbenden in de media en de sector met elkaar in evenwicht te brengen en voor meer flexibiliteit te zorgen. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de ontwikkeling van duurzame financieringsmodellen die integratie tot stand brengen in een horizontaal (sectorconvergentie) en verticaal (convergentie langs de waardeketen) geconvergeerde wereld.

In dit verband moeten er ook gelijke mededingingsvoorwaarden geschapen worden. Dit kan vergezeld gaan van deregulering en meer flexibiliteit op het gebied van reclamebepalingen voor de omroep. Tegelijkertijd moeten wat betreft de kinder- en gegevensbescherming passende beschermingsnormen worden ontwikkeld voor geconvergeerde eindapparaten en content gateways. De rapporteur wijst in dit verband op instrumenten voor co- en zelfregulering.

Bij al deze overwegingen moet echter ook in acht worden genomen dat de digitalisering en het internet de randvoorwaarden voor mediaspecifieke regels gewijzigd hebben. Vanwege de toenemende convergentie is het noodzakelijk een nieuw begrip te ontwikkelen van het samenspel tussen audiovisuele media, elektronische diensten en toepassingen. Dit begrip moet de verbanden tussen het genereren, de verwerking, de verspreiding en de presentatie van inhoud weerspiegelen, in de vorm van een horizontaal rechtskader op Europees niveau. Convergentie moet daarnaast worden begrepen als een kans om nieuwe bedrijfsmodellen te ontwikkelen. Europese mediaspelers die lange tijd hebben voldaan aan de gedragspatronen die kenmerkend zijn voor de traditionele sectorstructuren, moeten niet het gevaar lopen hun opties op de eigen markt te beperken om hun klassieke marktstructuren te verdedigen.


ADVIES van de Commissie juridische zaken (18.12.2013)

aan de Commissie cultuur en onderwijs

inzake de voorbereiding op een volledig geconvergeerde audiovisuele wereld

2013/2180(INI).

Rapporteur voor advies: Françoise Castex

SUGGESTIES

De Commissie juridische zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie cultuur en onderwijs onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  dringt bij de Commissie aan op een effectbeoordeling waarin zij nagaat of de werkingssfeer van de AVMD-richtlijn nog steeds relevant is gezien de ontwikkelingen in de audiovisuele mediadiensten waar de Europese burgers toegang toe hebben;

2.  verzoekt de Commissie na te gaan of de lossere regelgeving die geldt voor de niet-lineaire diensten in de AVMD-richtlijn nog steeds noodzakelijk en relevant is, gezien de doelstellingen van de richtlijn; plaatst vooral vraagtekens bij de zwakke regelgeving voor de commerciële communicatie voor niet-lineaire diensten, aangezien die diensten tegenwoordig van aanzienlijke invloed zijn op Europese burgers;

3.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan strenger toe te zien op de uitvoering van artikel 13 van de AVMD-richtlijn over de bevordering van de productie van Europese werken en de toegang van de audiovisuele mediadiensten op aanvraag tot deze werken;

4.  wijst er in dat opzicht op dat alle lineaire en niet-lineaire media die van de verspreiding van audiovisuele werken profiteren aan de financiering van de Europese productie moeten bijdragen;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te overwegen om de doorgifteverplichtingen ("must carry") uit te breiden van de netwerkexploitanten naar de fabrikanten van met het internet verbonden apparatuur;

6.  dringt bij de Commissie aan op de harmonisatie van de btw-tarieven voor alle cultuurproducten, ongeacht de toegangsmethode, om te voorkomen dat marktverstoringen de opkomst van nieuwe Europese onlinediensten vertragen;

7.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de vereisten op het gebied van de bescherming van minderjarigen en consumenten beter worden nageleefd; is van oordeel dat gegevensbescherming voor alle aanbieders van diensten op het gebied van media en communicatie op het grondgebied van de Europese Unie in gelijke mate van toepassing moet zijn;

8.  is van oordeel dat een eventueel op de achtergrond plaatsvindende uitwisseling van gegevens zichtbaar moet zijn voor consumenten; dringt erop aan dat consumenten op ieder moment hun privacy-instellingen eenvoudig kunnen wijzigen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.12.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Raffaele Baldassarre, Sebastian Valentin Bodu, Françoise Castex, Christian Engström, Marielle Gallo, Giuseppe Gargani, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Klaus-Heiner Lehne, Antonio López-Istúriz White, Antonio Masip Hidalgo, Alajos Mészáros, Bernhard Rapkay, Evelyn Regner, Dimitar Stoyanov, Rebecca Taylor, Alexandra Thein, Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Eva Lichtenberger, József Szájer, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Silvia Costa, Jürgen Klute, Kay Swinburne


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.1.2014

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zoltán Bagó, Malika Benarab-Attou, Piotr Borys, Jean-Marie Cavada, Silvia Costa, Lorenzo Fontana, Mary Honeyball, Cătălin Sorin Ivan, Petra Kammerevert, Morten Løkkegaard, Emma McClarkin, Emilio Menéndez del Valle, Martina Michels, Marek Henryk Migalski, Katarína Neveďalová, Doris Pack, Chrysoula Paliadeli, Monika Panayotova, Marietje Schaake, Marco Scurria, Hannu Takkula, László Tőkés, Helga Trüpel, Gianni Vattimo, Marie-Christine Vergiat, Sabine Verheyen, Milan Zver

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Ivo Belet, Nadja Hirsch, Seán Kelly, Georgios Papanikolaou, Joanna Katarzyna Skrzydlewska

Laatst bijgewerkt op: 13 februari 2014Juridische mededeling