Procedure : 2015/2066(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0317/2015

Ingediende teksten :

A8-0317/2015

Debatten :

PV 24/11/2015 - 10
CRE 24/11/2015 - 10

Stemmingen :

PV 25/11/2015 - 9.5
CRE 25/11/2015 - 9.5

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0408

VERSLAG     
PDF 966kWORD 465k
5 november 2015
PE 564.938v02-00 A8-0317/2015

over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect

(2015/2066(INI))

Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect

Mederapporteurs: Elisa Ferreira en Michael Theurer

ERRATA/ADDENDA
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect

(2015/2066(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 4 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 107, 108, 113, 115, 116, 175 en 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn besluit van 12 februari 2015 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect,

–  gezien de onthullingen van het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ) over fiscale rulings en andere schadelijke praktijken in Luxemburg, de zogenoemde "LuxLeaks",

–  gezien de resultaten van de topontmoetingen van de G7, G8 en G20 over internationale belastingkwesties, met name de top van Elmau van 7 en 8 juni 2015, de top van Brisbane van 15 en 16 november 2014, de top van Sint-Petersburg van 5 en 6 september 2013, de top van Lough Erne van 17 en 18 juni 2013 en de top van Pittsburgh van 24 en 25 september 2009,

–  gezien het verslag over schadelijke belastingconcurrentie ("Harmful Tax Competition. An emerging global issue") van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 1998,

–  gezien het verslag "Addressing Base Erosion and Profit Shifting" (BEPS) van de OESO van 2013, het actieplan van de OESO tegen BEPS en de daarop volgende publicaties van de OESO,

–  gezien de recente conclusies van de Europese Raad over de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (14 maart 2013), over belasting (22 mei 2013), over de automatische uitwisseling van inlichtingen (18 december 2014), over grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), de automatische uitwisseling van inlichtingen op mondiaal niveau en schadelijke belastingmaatregelen (18 december 2014) en over belastingontwijking (27 juni 2014),

–  gezien de conclusies van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) en zijn verslag aan de Europese Raad over belastingkwesties van 22 juni 2015,

–  gezien de zesmaandelijkse verslagen van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) aan de Raad over de gedragscode,

–  gezien de richtlijn administratieve samenwerking(1), de richtlijn interest en royalty's(2) en de recentste wetgevingsvoorstellen van de Commissie tot wijziging daarvan,

–  gezien Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten(3) (de "moeder-dochterrichtlijn"), laatstelijk gewijzigd in 2015,

–  gezien Richtlijn 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU(5),

–  gezien Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies(6),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2007 aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de werkzaamheden van het Gemeenschappelijk EU-forum Verrekenprijzen op het gebied van procedures om geschillen te voorkomen en te beslechten en op het gebied van voorafgaande afspraken over prijzen (advance pricing agreements of APA's) binnen de EU (COM(2007)0071),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 december 1998 over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (98/C 384/03),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 juni 2015 met als titel "Een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de Europese Unie: vijf belangrijke actiegebieden" (COM(2015)0302),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 maart 2015 over fiscale transparantie ter bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking (COM(2015)0136),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 december 2012 met als titel "Actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking" (COM(2012)0722),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 6 december 2012 over agressieve fiscale planning (C(2012)8806),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 6 december 2012 met betrekking tot maatregelen om derde landen aan te moedigen minimumnormen voor goed bestuur in belastingzaken toe te passen (C(2012)8805),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 juni 2012 over concrete manieren om de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking, ook in relatie tot derde landen, te versterken (COM(2012)0351),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2011 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) (COM(2011)0121), en het standpunt van het Parlement van 19 april 2012 daarover,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 met als titel "Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681),

–  gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 1 december 1997 over een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen(7) en gezien de regelmatige verslagen van de groep Gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) aan de Raad,

–  gezien de aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 30 april 2014 over de bescherming van klokkenluiders,

–  gezien het verslag van Simmons & Simmons van 1999 over bestuurlijke praktijken zoals genoemd in paragraaf 26 van het verslag van de Groep gedragscode van 1999, het verslag-Primarolo (SN 4901/99) en de bijgewerkte versie van dit verslag van 2009,

–  gezien de op 8 juli 2015 door het Parlement aangenomen amendementen op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft en van Richtlijn 2013/34/EU wat bepaalde onderdelen van de verklaring inzake corporate governance betreft,

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over belastingontwijking en belastingontduiking als problemen voor goed bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden(8),

–  gezien zijn resolutie van 25 maart 2015 over het jaarverslag over belastingen(9),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het jaarverslag 2013 over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding(10),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen(11),

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking en belastingparadijzen(12),

–  gezien zijn resolutie van 19 april 2012 inzake de oproep om belastingfraude en belastingontduiking op concrete wijze te bestrijden(13),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden(14),

–  gezien zijn resolutie van 10 februari 2010 over de bevordering van goed bestuur in belastingzaken(15),

–  gezien de verschillende parlementaire hoorzittingen en verslagen van nationale parlementen, met name het Britse Lagerhuis, de Amerikaanse Senaat en de Franse Assemblée nationale, over dit onderwerp,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (A8 -0317/2015),

LuxLeaks: feiten en cijfers

A.  overwegende dat op 5 november 2014 het LuxLeaks-schandaal uitbrak toen het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten zo'n 28 000 bladzijden vertrouwelijke documenten naar buiten bracht over ruim 500 particuliere belastingverdragen die tussen 2002 en 2010 zijn gesloten tussen de Luxemburgse belastingdienst en meer dan 300 multinationale ondernemingen, en werd onthuld in welke mate gebruik werd gemaakt van geheime afspraken met complexe financiële constructies die zijn ontworpen om enorme belastingverminderingen te verkrijgen; overwegende dat Luxemburgse dochterondernemingen in veel gevallen honderden miljoenen euro's beheren terwijl zij nauwelijks in Luxemburg aanwezig zijn en er nauwelijks economische activiteiten verrichten;

B.  overwegende dat kwesties in verband met de uitholling van de vennootschapsbelastinggrondslag en agressieve belastingplanningpraktijken al minstens tientallen jaren lang op internationaal niveau bekend zijn en worden geanalyseerd; overwegende dat LuxLeaks deze kwesties onder de aandacht van het publiek en de media heeft gebracht door twijfelachtige belastingpraktijken te onthullen die worden gepromoot door accountantskantoren in één bepaalde lidstaat; overwegende dat uit het onderzoek van de Commissie en de werkzaamheden van de bijzondere commissie van het Parlement is gebleken dat dit geen alleenstaand geval is, maar dat het nemen van belastingmaatregelen om de totale belastingverplichtingen van bepaalde grote ondernemingen te verminderen teneinde de nationale belastinggrondslag kunstmatig te vergroten ten koste van andere landen, waarvan sommige onder bezuinigingsmaatregelen gebukt gaan, zowel binnen als buiten Europa een wijdverspreide praktijk is;

C.  overwegende dat dergelijke gedragingen, die er vaak toe leiden dat de winsten niet worden belast waar de waarde wordt gecreëerd, niet beperkt blijven tot fiscale rulings, maar een hele reeks schadelijke belastingpraktijken omvatten die worden toegepast door nationale belastingdiensten binnen en buiten de EU;

D.  overwegende dat deze praktijken aan publiek toezicht onderwerpen, deel uitmaakt van de democratische controle; overwegende dat deze praktijken, gezien hun negatieve gevolgen voor de samenleving in haar geheel, slechts kunnen blijven bestaan als zij geheim blijven of worden getolereerd; overwegende dat onderzoeksjournalisten, de niet-gouvernementele sector en de academische wereld een rol hebben gespeeld bij het aan het licht brengen van gevallen van belastingontwijking en bij het hierover informeren van het publiek; overwegende dat zolang dergelijke praktijken niet kunnen worden voorkomen, de onthulling ervan niet mag afhangen van de moed en het ethische besef van individuele klokkenluiders, maar deel moet uitmaken van meer systematische mechanismen voor verslaglegging en informatie-uitwisseling;

De aanpak van vennootschapsbelasting in de lidstaten

E.  overwegende dat de inkomsten uit vennootschapsbelasting in de 28 lidstaten van de Unie in 2012 gemiddeld 2,6 % van het bbp bedroegen(16);

F.  overwegende dat directe belastingen krachtens het Verdrag voornamelijk een bevoegdheid van de lidstaten zijn; overwegende dat voor zover de EU bevoegdheid heeft op het gebied van belastingen, de uitoefening van die bevoegdheid meestal eenparigheid van stemmen in de Raad vereist; overwegende dat daardoor op EU-niveau nog geen besluiten van betekenis over vennootschapsbelasting zijn genomen, ondanks de recente ontwikkelingen in de EU-integratie in verband met de interne markt en andere gebieden die onder de EU-Verdragen vallen, zoals internationale handelsverdragen, de gemeenschappelijke munt, economische en budgettaire governance, alsmede antiwitwasbeginselen en -wetgeving; overwegende dat de lidstaten het Europese mededingingsrecht in acht moeten nemen en ervoor moeten zorgen dat hun belastingwetgeving met de beginselen van de interne markt strookt en geen concurrentieverstoring veroorzaakt; overwegende dat de eenparigheidsregel in de Raad, door elke lidstaat een vetorecht te geven, de stimulans vermindert om van de status quo op te schuiven naar een meer samenwerkingsgezinde oplossing; merkt echter op dat er, tenzij de procedure van artikel 116 VWEU wordt gebruikt, een Verdragswijziging nodig zou zijn om de eenparigheidsvereiste op het gebied van directe belastingen te wijzigen;

G.  overwegende dat de huidige situatie, waarin elke lidstaat een vetorecht heeft, impliceert dat alle lidstaten gedecideerd en coöperatief moeten handelen bij de aanpak van het pan-Europese probleem van belastingontwijking en -ontduiking;

H.  overwegende dat nationale politieke vertegenwoordigers, op een paar prijzenswaardige uitzonderingen na, tot op heden niet voldoende voortvarend zijn geweest in de aanpak van het probleem van belastingontduiking, met inbegrip van fiscale rulings;

I.  overwegende dat kapitaal op de Europese interne markt vrij stroomt en dat grote ondernemingen op geconsolideerde basis verslag uitbrengen van hun activiteiten, maar dat belastingen nationaal wordt geïnd door belastingautoriteiten die onderling zeer weinig informatie uitwisselen;

J.  overwegende dat beslissingen over investeringen en de vestigingsplaats van ondernemingen binnen een voltooide interne markt niet aan kunstmatige verstorende invloeden onderhevig mogen zijn; overwegende dat de mondialisering, de digitalisering en het vrije verkeer van kapitaal echter de voorwaarden creëren voor sterkere belastingconcurrentie tussen de lidstaten, alsook met derde landen, met als doel investeringen en ondernemingen aan te trekken; overwegende dat het van belang is ondernemingen in Europa te houden en aan te trekken, maar dat dit niet de vorm mag aannemen van potentieel schadelijke belastingregelingen die er in de eerste plaats op gericht zijn investeringen te bevorderen en extra economische activiteiten aan te trekken in reactie op soortgelijke maatregelen in buurlanden of die bedoeld zijn ter correctie van wat wordt gezien als reeds bestaande onevenwichtigheden tussen de lidstaten wat relatieve rijkdom, grootte of perifere ligging betreft; overwegende dat er trouwens in bepaalde rechtsgebieden een correlatie lijkt te zijn tussen aantrekkelijke vennootschapsbelastingstelsels en een grote nationale rijkdom; overwegende dat het optimale ontwerp van belastingstelsels van tal van factoren afhangt en bijgevolg verschilt van land tot land; overwegende dat schadelijke belastingconcurrentie tussen de lidstaten het potentieel van de interne markt beperkt;

K.  overwegende dat landen, in plaats van zich louter te concentreren op het bevorderen van een aantrekkelijk ondernemingsklimaat – met bv. goede infrastructuur en hooggekwalificeerde arbeidskrachten, onder meer door productiviteitsverhogende uitgaven – en op het garanderen van de stabiliteit en voorspelbaarheid van het belastingstelsel, als spelers in het belastingconcurrentiespel hun nationale wetgeving in combinatie met hun netwerk van belastingverdragen gebruiken om zichzelf te promoten als landen om in te investeren of als knooppunten waardoor financiële stromen kunnen worden geleid of waar winsten kunnen worden geboekt, en zo ondernemingen of brievenbusmaatschappijen aantrekken ten nadele van partnerlanden en oneerlijke praktijken tussen landen creëren; overwegende dat elk land er, afzonderlijk gezien, duidelijk belang bij heeft zich als een "freerider" te gedragen, d.w.z. de eerste te zijn om specifieke belastingregelingen en -voorschriften te ontwerpen en toe te passen teneinde belastinggrondslag aan te trekken, en de laatste te zijn om deel te nemen aan samenwerking en gecoördineerde maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan;

L.  overwegende dat belastingconcurrentie tussen de lidstaten bestaat; overwegende dat het beginsel van loyale samenwerking tussen de EU-lidstaten is vastgelegd in artikel 4 VEU; overwegende dat de lidstaten het beginsel van loyale samenwerking volledig dienen toe te passen ten aanzien van belastingconcurrentiekwesties;

M.  overwegende dat sommige lidstaten zich ambivalent opstellen ten aanzien van belastingontwijking, en enerzijds klagen over de uitholling van hun nationale belastinggrondslag, terwijl ze tegelijk verantwoordelijk zijn voor het ontwerp van de huidige nationale en internationale belastingstelsels die deze uitholling mogelijk hebben gemaakt, en een ontwikkeling van hun belastingstelsels in de richting van een meer gecoördineerde oplossing blijven tegenhouden; overwegende dat in een context van volledige mobiliteit van kapitaal binnen de EU en de doelstelling van de Commissie om een kapitaalmarktenunie tot stand te brengen, ten volle rekening moet worden gehouden met de onderlinge afhankelijkheid en de wederzijdse effecten van de nationale belastingstelsels, en in gedachten moet worden gehouden dat belastingbesluiten van afzonderlijke lidstaten grote positieve en negatieve grensoverschrijdende overloopeffecten hebben, aangezien de fiscale stimulans in het ene land de grondslaguitholling in het andere land is;

N.  overwegende dat we momenteel getuige zijn van een paradoxale situatie waarin vrije concurrentie tussen de lidstaten op belastinggebied heeft geresulteerd in concurrentieverstorende gedragingen en concurrentievervalsing;

O.  overwegende dat de totstandbrenging van de Europese interne markt bijzonder gunstig is gebleken voor de nationale economieën, aangezien de interne markt hen concurrerender en aantrekkelijker maakt in een gemondialiseerde economie, en overwegende dat fiscale convergentie tussen de lidstaten op termijn hetzelfde effect zal hebben;

P.  overwegende dat de wetgever en de vaak over onvoldoende middelen beschikkende belastingdiensten niet kunnen anticiperen, maar slechts – soms met veel vertraging – kunnen reageren op de innovatieve belastingontwijkingsregelingen die door sommige belastingadviseurs, met name van zeer grote accountantskantoren, door juristen en door tussenpersonen worden ontworpen en gepromoot; overwegende dat uit de ervaring met name blijkt dat EU-organen die de invoering van nieuwe schadelijke belastingmaatregelen moeten voorkomen (zoals de Groep gedragscode, die in 1998 door de lidstaten is opgericht, of de Commissie, als hoedster van de Verdragen), niet in staat zijn gebleken de ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en soms op ondoeltreffende wijze en op basis van een te beperkt mandaat hebben gereageerd, en dat er in de EU tal van nieuwe en vaak agressieve belastingontwijkingsmaatregelen of -overeenkomsten, zoals octrooiboxen, zijn ingevoerd; overwegende dat multinationals, in de EU en wereldwijd, voor de ontwikkeling van hun belastingontwijkingsmaatregelen een beroep doen op de deskundigheid van een goed georganiseerde en gekwalificeerde sector van belastingadviseurs, evenals banken en andere financiële dienstverleners; overwegende dat deze sector tegelijk vertegenwoordigd is in organen die regeringen en overheidsinstellingen over belastingzaken adviseren, bv. het EU-platform voor goed fiscaal bestuur; overwegende dat er bezorgdheid heerst over de belangenconflicten die zouden kunnen ontstaan doordat dezelfde adviesbureaus diensten verrichten voor zowel overheidsinstellingen als particuliere multinationals;

Q.  overwegende dat alle belastingplanning moet plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en de toepasselijke verdragen; overwegende dat wat de gewenste uitkomst betreft, het meest passende antwoord op agressieve belastingplanning daarom goede wetgeving en internationale coördinatie is;

R.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de wetgeving bepalend is voor de verwezenlijking van de beoogde doelstellingen; overwegende dat deze tenuitvoerlegging de taak is van nationale instanties, die vaak weinig reden zien om op Europees niveau met elkaar samen te werken; overwegende dat deze situatie de discrepanties die uit de verschillen in wetgeving in de EU voortvloeien, in de hand werkt en nog erger maakt;

S.  overwegende dat de trojka van instellingen (Europese Commissie, Europese Centrale Bank en Internationaal Monetair Fonds) bij zijn toezicht op de financiële en fiscale aanpassingsprogramma's in lidstaten zoals Portugal en Griekenland niet heeft getracht regelingen voor fiscale amnestie, fiscale rulings, belastingvoordelen en belastingvrijstellingen te voorkomen die onrechtmatig discriminerend waren en belastingontduikende ondernemingen en personen bevoordeelden, hetgeen een ernstige wissel op de staatsinkomsten trok en de last overgehevelde naar de reeds overbelaste kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en burgers;

T.  overwegende dat onderzoek naar en vervolging van belastingmisdrijven en witwaspraktijken, waarbij vaak financiële verrichtingen en rechtspersonen in meerdere jurisdicties betrokken zijn, uitermate lastig zijn; overwegende dat het personeel van de lidstaten dat belast is met het onderzoek en de gerechtelijke vervolging van daders van belastingmisdrijven en andere financiële misdrijven vaak onvoldoende opgeleid en slecht uitgerust is;

U.  overwegende dat het beleid van bezuinigingen en budgettaire beperkingen van de afgelopen jaren de mogelijkheden van belastingautoriteiten om belastingmisdrijven en schadelijke belastingpraktijken te onderzoeken, ernstig beperkt heeft; overwegende dat deze bezuinigingen met name schadelijk waren in landen die onder financiëlebijstandsprogramma onder leiding van de trojka vielen, waar de overheidsinkomsten werden verhoogd ten koste van de overbelaste kmo's en burgers, terwijl grote ondernemingen en vermogende belastingontduikers vaak konden profiteren van fiscale amnestie, fiscale rulings en andere belastingvrijstellingen en -regelingen, zoals het geval was in Portugal en Griekenland;

Fiscale rulings en schadelijke belastingpraktijken

V.  overwegende dat fiscale rulings een uiteenlopende reeks praktijken in de lidstaten, variërend van ad-hocbeleid tot een duidelijk omlijnde toepassing van de wet, omvatten wat betreft mogelijke werkingssfeer en voorwerp, bindende aard, gebruiksfrequentie, openbaarheid, duur en betaling van vergoedingen; overwegende dat er geen op internationaal niveau gezamenlijk overeengekomen definitie van fiscale rulings bestaat, behalve dat de Commissie ernaar verwijst als "mededelingen of andere instrumenten of maatregelen met soortgelijk effect, van of namens een lidstaat, betreffende de interpretatie of toepassing van de belastingwetgeving";

W.  overwegende dat fiscale rulings niet intrinsiek problematisch zijn, aangezien ze, zoals oorspronkelijk de bedoeling is, de belastingbetaler juridische zekerheid bieden en de financiële risico's voor eerlijke firma's verminderen in gevallen waarin de belastingwetgeving of de specifieke toepassing daarvan in bepaalde omstandigheden onduidelijk is of op verschillende wijzen kan worden geïnterpreteerd, met name met betrekking tot complexe transacties, zodat toekomstige geschillen tussen de belastingbetaler en de belastingautoriteit worden voorkomen;

X.  overwegende dat de praktijk van rulings zich, in het kader van nauwere en meer op samenwerking gerichte betrekkingen tussen belastingdiensten en belastingbetalers, heeft ontwikkeld tot een instrument om de toenemende complexiteit van de fiscale behandeling van bepaalde transacties in een steeds complexere, mondiale en gedigitaliseerde economie te verhelpen; overwegende dat – hoewel lidstaten beweren dat rulings niet discretionair zijn, maar louter een instrument om de bestaande belastingwetgeving te verduidelijken, terwijl ze wel geheim worden gehouden – uit de werkzaamheden van zijn bijzondere commissie is gebleken dat fiscale rulings zonder enig wettelijk kader kunnen worden afgegeven door middel van informele of discretionaire regelingen, die fiscaal gemotiveerde structuren schragen die steunen op belastingplanninginstrumenten die gewoonlijk door multinationals worden gebruikt om hun belastingbijdrage te verminderen; overwegende dat dit met name – zij het niet exclusief – een probleem lijkt bij rulings die betrekking hebben op de prijsstelling van bedrijfsinterne overdrachten (zogeheten voorafgaande verrekenprijsafspraken); overwegende dat als er slechts aan een selecte groep van actoren wettelijke zekerheid wordt geboden, er ongelijkheid kan ontstaan tussen ondernemingen die rulings verkrijgen en ondernemingen in diezelfde sector die daar geen toegang toe krijgen;

Y.  overwegende dat de OESO noch de Europese Commissie ervoor heeft gepleit een eind te maken aan de praktijk van fiscale rulings als zodanig;

Z.  overwegende dat fiscale rulings de fiscale behandeling van een transactie op generlei wijze horen te beïnvloeden, noch de ene belastingbetaler boven de andere horen te bevoordelen, maar bij overigens gelijke omstandigheden hetzelfde effect dienen te hebben als de toepassing achteraf van de onderliggende belastingbepalingen; overwegende dat in dit verslag daarom niet alleen naar fiscale rulings wordt gekeken, maar, in overeenstemming met het mandaat dat de bijzondere commissie (TAXE) heeft gekregen, ook naar alle andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, onder de algemene term "schadelijke belastingpraktijken", d.w.z. maatregelen die tot doel hebben niet-ingezeten bedrijven of transacties aan te trekken ten nadele van andere fiscale rechtsgebieden waar deze transacties normaliter zouden moeten worden belast en/of maatregelen die tot doel hebben slechts aan bepaalde ondernemingen privileges te verlenen, hetgeen de concurrentie verstoort;

AA.  overwegende dat schadelijke belastingpraktijken in zekere mate gepaard kunnen gaan met een of meer van de volgende ongewenste effecten: gebrek aan transparantie, willekeurige discriminatie, concurrentieverstoring en een ongelijk speelveld binnen en buiten de interne markt, aantasting van de integriteit van de interne markt en de billijkheid, stabiliteit en legitimiteit van het belastingstelsel, zwaardere belasting van minder mobiele economische factoren, grotere economische ongelijkheid, oneerlijke concurrentie tussen staten, uitholling van de belastinggrondslag, maatschappelijke ontevredenheid, wantrouwen en een democratisch deficit;

AB.  overwegende dat moet worden erkend dat, hoewel kmo's de drijvende kracht achter de economie en de werkgelegenheid in Europa blijven, ook multinationals een belangrijke rol spelen bij het genereren van investeringen, economische groei en banen; overwegende dat het betalen van een billijke belastingbijdrage in de landen waar de reële economische activiteiten worden ontplooid en de economische waarde wordt gecreëerd, een essentiële bijdrage van deze ondernemingen aan de welvaart en de duurzaamheid van de Europese samenlevingen blijft;

De werkzaamheden van de bijzondere commissie

AC.  overwegende dat zijn bevoegde bijzondere commissie, die op 26 februari 2015 is ingesteld, 13 vergaderingen heeft gehouden, tijdens welke zij Commissievoorzitter Juncker, de commissarissen Vestager en Moscovici, de ministers van Financiën van Frankrijk, Duitsland, Italië, Luxemburg en Spanje, vertegenwoordigers van de OESO, alsook klokkenluiders, onderzoeksjournalisten, deskundigen, academici, vertegenwoordigers van multinationals, beroepsverenigingen, vakbonden, niet-gouvernementele organisaties en leden van nationale parlementen van EU-landen heeft gehoord (zie bijlage 1); overwegende dat delegaties van de Commissie TAXE Zwitserland hebben bezocht om specifieke aspecten van de derdelanddimensie van haar mandaat te onderzoeken, en de volgende lidstaten hebben bezocht om informatie te verzamelen: België, Luxemburg, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk; overwegende dat er ook bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de regeringen van Gibraltar en Bermuda zijn georganiseerd;

AD.  overwegende dat sommige van de werkzaamheden van de commissie werden gehinderd doordat een aantal van de lidstaten en de Raad niet tijdig hebben geantwoord (zie bijlage 2) en uiteindelijk niet alle gevraagde documenten hebben toegezonden of slechts een beleefd antwoord hebben gestuurd waarin de inhoud van het verzoek amper werd aangeroerd; overwegende dat slechts 4 van de 18 uitgenodigde multinationals (accountantskantoren en belastingadviseurs niet meegeteld) ermee hebben ingestemd voor de commissie te verschijnen (zie bijlage 3); overwegende dat de Europese Commissie evenmin volledig heeft meegewerkt, niet alle zittingsdocumenten en informele vergaderstukken van de vergaderingen van de Groep gedragscode heeft overgelegd en, wegens de onbuigzaamheid van de lidstaten, slechts in een beperkte raadplegingsprocedure heeft voorzien; overwegende dat het mandaat van de bijzondere commissie daarom moest worden verlengd;

AE.  overwegende dat een aantal onderzoeken van de Europese Commissie naar staatssteun – betreffende door fiscale rulings en overige maatregelen die vergelijkbaar zijn qua aard of werking, goedgekeurde verrekenprijsregelingen die van invloed zijn op de belastbare winst die aan bepaalde dochterondernemingen van multinationals is toebedeeld – nog liepen toen dit verslag werd aangenomen;

Overzicht van de praktijk inzake vennootschapsbelasting in de lidstaten

1.  herinnert eraan dat de vennootschapsbelastingmodellen die in de geïndustrialiseerde landen bestaan, zijn ontworpen in de eerste helft van de twintigste eeuw, toen er nog maar weinig grensoverschrijdende activiteiten waren; stelt vast dat de mondialisering en de digitalisering van de economie de mondiale waardeketen en de manier waarop de markten werken, radicaal hebben veranderd en dat de meeste grote bedrijven nu een transnationale structuur hebben, zodat er verder moet worden gekeken dan de nationale belastingregels; benadrukt dat de nationale en internationale regelgeving op belastinggebied geen gelijke tred heeft gehouden met de ontwikkelingen in het bedrijfsleven;

2.  benadrukt dat er een evenwichtig en rechtvaardig belastingbeleid moet worden geformuleerd als integraal onderdeel van de structurele hervormingen in de lidstaten;

3.  merkt op dat het voor bedrijven die over de grenzen heen actief zijn, steeds ingewikkelder is geworden om verschillende belastingstelsels in acht te nemen, maar dat de mondialisering en de digitalisering het voor hen wel gemakkelijker heeft gemaakt om hun activiteiten via offshore financiële centra te organiseren teneinde hun totale belastingbijdrage te verlagen; is bezorgd over het feit dat de meeste lidstaten het personeel van hun belastingdiensten sterk hebben ingekrompen wegens de economische en schuldencrisis en begrotingsinspanningen; benadrukt dat de nationale belastingdiensten over voldoende middelen, waaronder personele middelen, moeten beschikken om effectief werk te maken van het voorkomen, opsporen en bestrijden van agressieve belastingplanning, belastingontduiking en belastingontwijking, die hun belastinggrondslag aanzienlijk uithollen, en om een betere en billijkere belastinginning en de geloofwaardigheid van het belastingstelsel te garanderen; merkt op dat uit onderzoek blijkt dat bekwame belastingambtenaren de staat aanzienlijk meer opleveren dan ze kosten, aangezien de doeltreffendheid van de belastingdiensten een rechtstreeks positief effect heeft op de nationale begroting;

4.  wijst op het onderscheid tussen enerzijds schadelijke praktijken van bepaalde belastingautoriteiten en nationale autoriteiten, waardoor multinationals hun winsten kunnen verschuiven om niet belast te worden op het grondgebied waar de winst wordt gemaakt, en anderzijds de concurrentie tussen regeringen die directe buitenlandse investeringen willen aantrekken of economische activiteiten in hun land willen houden, met volledige inachtneming van de EU-wetgeving;

5.  benadrukt dat het Verdrag de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel vrij laat om hun eigen vennootschapsbelastingtarieven en belastingrondslag vast te stellen totdat er overeenkomstig het Verdrag sterkere maatregelen inzake fiscale convergentie worden overeengekomen; benadrukt echter ook dat door de al te complexe regels van de nationale belastingstelsels en door de verschillen tussen deze stelsels achterpoortjes ontstaan die door multinationals worden gebruikt voor agressieve belastingplanning, hetgeen leidt tot grondslaguitholling, winstverschuiving, een "race to the bottom" en uiteindelijk een suboptimaal economisch resultaat; onderstreept dat dit soort belastingontwijking voor alle nationale begrotingen samen een spel met alleen negatieve uitkomsten is, aangezien de stijging van de belastinginkomsten uit schadelijke praktijken in de ene lidstaat (dankzij afwijkingen, specifieke aftrekken of achterpoortjes) de daling van de belastinginkomsten in andere lidstaten niet compenseert; wijst erop dat alleen een meer gecoördineerde, gezamenlijke aanpak van de lidstaten, die zou moeten resulteren in een gemeenschappelijk kader waarbinnen de lidstaten hun belastingtarieven kunnen vaststellen, een verdere grondslaguitholling, schadelijke belastingconcurrentie en een "race to the bottom" op belastinggebied kan voorkomen;

6.  herinnert eraan dat sommige lidstaten formeel hogere bedrijfsbelastingen hebben dan andere, maar in werkelijkheid, dankzij aftrekken en achterpoortjes die binnenlandse bedrijven bevoordelen, aanzienlijk lagere tarieven hebben, waardoor hun effectieve belastingtarief lager is dan in lidstaten met een formeel hoger tarief;

7.  wijst erop dat in sommige lidstaten een lagere vennootschapsbelasting relatief hogere belastinginkomsten kan opleveren dan hogere belastingtarieven;

8.  merkt op dat de wettelijke tarieven van de vennootschapsbelasting in de EU volgens de Commissie(17) tussen 1995 en 2014 met 12 procentpunten zijn gedaald, van 35 % tot 23 %; benadrukt dat deze verlaging van de belastingtarieven gepaard gaat met een verruiming van de belastinggrondslag, met als doel het inkomstenverlies te beperken, en dat de relatief stabiele inkomsten uit de vennootschapsbelasting gedurende dezelfde periode ook kunnen worden verklaard door een aanzienlijke "vervennootschappingstrend", d.w.z. een verschuiving van bepaalde rechtsvormen voor bedrijven, zoals de eenmanszaak, naar de status van vennootschap, die leidt tot een gelijkaardige verschuiving van de heffingsgrondslag van de personenbelasting naar de vennootschapsbelasting;

9.  merkt op dat de meeste lidstaten veel geld uitgeven aan fiscale stimulansen die bedoeld zijn om kmo's een concurrentievoordeel te bieden, maar dat deze pogingen volgens de Commissie(18) in drie van de vier lidstaten die in een recente studie zijn onderzocht, worden ondergraven door het effect van internationale belastingplanning; merkt op dat kmo's door dit effect een concurrentienadeel hebben, ondanks de hoge kosten van de belastingmaatregelen om kmo's te steunen, en dat dit resultaat de intentie van de nationale beleidsmakers ondergraaft;

10.  wijst op de toenemende kloof tussen de wettelijke en de effectieve belastingtarieven, met name voor ondernemingen die wereldwijd actief zijn, hetgeen ten minste voor een deel het gevolg is van diverse afwijkingen en vrijstellingen van het algemene belastingstelsel, die hetzij door de wetgever bedoeld zijn om bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, hetzij resulteren uit agressieve belastingplanning, d.w.z. dat er louter kunstmatige regelingen worden getroffen die enkel voor belastingdoeleinden dienen;

11.  benadrukt dat de slechte afstemming tussen de belastingstelsels op mondiaal niveau aanzienlijke grondslaguitholling en belastingontduiking in de hand werkt, maar dat deze problemen niet kunnen worden verholpen als er alleen op EU-niveau wordt opgetreden;

12.  stelt vast dat de 28 belastingstelsels in de EU een grote verscheidenheid vertonen, zowel wat de definitie van de belastinggrondslag als wat de hoogte van het belastingtarief betreft, en dat die verscheidenheid nog groter is als de aan EU-lidstaten verbonden bijzondere rechtsgebieden met autonome belastingstelsels (overzeese gebieden en direct van de Britse Kroon afhankelijke gebieden) in aanmerking worden genomen; betreurt het dat er voor basisbegrippen en -elementen, zoals het evenwicht tussen bron- en ingezetenenbelasting, vaste vestiging en belastbare entiteiten, economische substantie en antimisbruikregels, de definitie van rente en royalty's, de behandeling van immateriële activa en de behandeling van schulden en activa, om nog maar te zwijgen van wat er al dan niet van de belastinggrondslag kan worden afgetrokken, in de EU momenteel geen gemeenschappelijke definitie of richtsnoeren zijn, waardoor de lidstaten met ongecoördineerde belastingstelsels zitten; benadrukt dat deze definities moeten worden geharmoniseerd;

13.  benadrukt dat nationale voorkeursregelingen en incongruenties tussen de verschillende belastingstelsels binnen de interne markt mogelijkheden scheppen om belastingen te ontwijken; merkt op dat deze ongewenste effecten nog worden verergerd door de wisselwerking met een groot aantal bilaterale belastingverdragen tussen lidstaten en derde landen, die bovendien onvoldoende antimisbruikbepalingen bevatten;

14.  merkt op dat dit ongecoördineerde belastingkader binnen de EU ook onder een flagrant gebrek aan samenwerking tussen de lidstaten te lijden heeft; benadrukt in dit verband dat de lidstaten niet noodzakelijk rekening houden met de gevolgen van hun belastingmaatregelen voor andere lidstaten, niet alleen wanneer zij hun belastingmaatregelen ontwerpen, maar ook wanneer zij informatie over de toepassing van die maatregelen uitwisselen, wat de facto leidt tot een de-ene-zijn-dood-is-de-andere-zijn-broodpolitiek op belastinggebied, hetgeen in strijd is met de grondslagen van het Europese project; wijst erop dat een automatische, stelselmatige en doeltreffende uitwisseling van informatie tussen de lidstaten het mogelijk zou maken rekening te houden met de fiscale behandeling van bepaalde inkomstenstromen of transacties in andere lidstaten; benadrukt dat dit ook bijdraagt tot het creëren van een onaanvaardbare situatie waarin de winsten die multinationals in een lidstaat maken, vaak tegen zeer lage tarieven of helemaal niet worden belast in de EU;

15.  is van mening dat het belastingbeleid en het concurrentiebeleid moeten worden beschouwd als twee zijden van dezelfde medaille op de interne markt, en dringt bij de Commissie aan op een herbeoordeling en versterking van de mechanismen en de middelen op het gebied van concurrentiebeleid en staatsteun;

16.  benadrukt dat de convergentie tussen de nationale belastingstelsels in de EU zeer beperkt is gebleven, hoewel er de afgelopen dertig jaar een ongekende verdieping van het EU-integratieproces heeft plaatsgevonden, met name in verband met de interne markt en de economische en monetaire unie; betreurt het dat de coördinatie van de nationale belastingstelsels ver achterblijft ten opzichte van de coördinatie-inspanningen op andere gebieden op EU-niveau, met name in het kader van het Europees semester, hoewel – het belang van maatregelen aan de uitgavenzijde buiten beschouwing gelaten – een aanzienlijk deel van de beleidsmix om begrotingsconsolidatie te bewerkstelligen, de inkomenszijde betreft; is van mening dat dit aspect had moeten worden vermeld in het verslag van de vijf voorzitters over "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie" van juni 2015;

17.  onderstreept dat het gebrek aan politieke wil om de nationale fiscale beleidsmaatregelen te laten convergeren de lidstaten ertoe beweegt voor een bilaterale aanpak te kiezen, terwijl een gemeenschappelijke aanpak doeltreffender zou zijn; herinnert aan de mogelijkheid om aan fiscale convergentie te werken door gebruik te maken van nauwere samenwerking; is in dit verband verheugd over het voornemen van een aantal lidstaten om een belasting op financiële transacties in te voeren;

Agressieve belastingplanningsinstrumenten en de impact daarvan

18.  benadrukt dat belastingontwijking door sommige multinationals kan leiden tot een effectief belastingtarief van bijna nul procent op de winst die zij in Europese rechtsgebieden maken, en wijst erop dat deze multinationals daar waar zij actief zijn, wel profiteren van diverse openbare goederen en diensten, maar geen billijke bijdrage betalen, en zo bijdragen tot de uitholling van de nationale belastinggrondslag en grotere ongelijkheid; benadrukt dat alleen bedrijven met grensoverschrijdende activiteiten de mogelijkheid hebben om winsten te verschuiven, wat concurrenten die slechts in één land actief zijn, benadeelt;

19.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de ontduiking van vennootschapsbelasting een rechtstreekse impact heeft op de nationale begrotingen en op de verdeling van de belastinginspanning tussen categorieën belastingbetalers en tussen economische factoren (ten voordele van meer mobiele factoren zoals kapitaal in de vorm van directe buitenlandse investeringen); betreurt het dat dit, naast concurrentieverstoring en een ongelijk speelveld, een zeer zorgwekkende situatie met zich brengt waarin, in een context van zware begrotingsinspanningen en structurele hervormingen, sommige van de belastingbetalers die het meest kunnen betalen, aanzienlijk minder bijdragen dan degenen die het zwaarst onder de economische, financiële en schuldencrisis te lijden hebben, zoals gewone burgers en bedrijven die geen gebruik maken van agressieve belastingplanning, die vaak kmo's zijn en door dit comparatieve fiscale nadeel vaak niet met multinationals kunnen concurreren; benadrukt dat deze situatie democratisch wantrouwen in de hand dreigt te werken en gevolgen dreigt te hebben voor de algemene belastingnaleving, met name in landen die aanpassingsprogramma's opgelegd hebben gekregen; betreurt het dat klokkenluiders die de nationale autoriteiten, in het algemeen belang, cruciale informatie over wangedrag, overtredingen, fraude of onwettige activiteiten of praktijken verschaffen, rechtsvervolging alsook persoonlijke en economische gevolgen riskeren; merkt met grote bezorgdheid op dat zelfs journalisten die onwettige of onrechtmatige praktijken aan het licht brengen, soms soortgelijke gevolgen riskeren;

20.  merkt op dat in een onderzoek van het IMF(19), dat 51 landen omvat, wordt geconcludeerd dat winstverschuiving tussen fiscale rechtsgebieden leidt tot een gemiddeld verlies van 5 % van de huidige inkomsten uit de vennootschapsbelasting, maar bijna 13 % in niet-OESO-landen; merkt ook op dat volgens de Commissie uit econometrisch bewijsmateriaal blijkt dat directe buitenlandse investeringen in de loop der tijd gevoeliger zijn geworden voor de vennootschapsbelasting; onderstreept dat er volgens een studie in de EU elk jaar naar schatting 1 biljoen EUR aan potentiële belastinginkomsten verloren gaat door het gecombineerde effect van belastingfraude, belastingontduiking – met inbegrip van de schaduweconomie – en belastingontwijking(20), en dat het jaarlijkse verlies voor de nationale begrotingen als gevolg van belastingontwijking op ca. 50 à 70 miljard EUR wordt geraamd, maar dat deze inkomstenderving in de hele EU in werkelijkheid zou kunnen oplopen tot 160 à 190 miljard EUR als rekening wordt gehouden met speciale belastingregelingen, inefficiëntie bij de belastinginning en andere soortgelijke activiteiten(21); overwegende dat de VN-commissie voor handel en ontwikkeling heeft berekend dat de ontwikkelingslanden ongeveer 100 miljard USD per jaar aan inkomsten mislopen als gevolg van belastingontwijking door multinationals; benadrukt dat deze cijfers met de enige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd en dat de reële verliezen voor de nationale begrotingen wellicht onderschat worden, gezien de geringe transparantie en de ingewikkelde boekhoud- en conceptuele kaders in de wereld, die een negatieve invloed hebben op de beschikbaarheid van vergelijkbare en zinvolle gegevens en de betrouwbaarheid van ramingen;

21.  merkt op dat belastingplanningstrategieën gebaseerd kunnen zijn op de structuur van bedrijven, financieringsregelingen voor hun dochterondernemingen of verrekenprijzen die geen verband houden met reële economische activiteiten, waardoor winsten kunstmatig tussen rechtsgebieden kunnen worden verschoven teneinde de totale belastingbijdrage van bedrijven te verlagen; merkt met grote bezorgdheid op dat in de EU steeds meer gebruik wordt gemaakt van brievenbusfirma's, die echter alleen in naam "firma's" zijn en uitsluitend worden gebruikt om belastingen te ontduiken; wijst op het specifieke voorbeeld van McDonalds, waarvan de belastingpraktijken volgens een verslag van een coalitie van vakbonden de Europese landen tussen 2009 en 2013 meer dan 1 miljard EUR aan gederfde belastinginkomsten hebben gekost(22);

22.  is van mening dat nationale voorkeursregelingen en de gebrekkige coördinatie of convergentie tussen de belastingstelsels van de lidstaten, ondanks de effectieve economische verwevenheid en wisselwerking binnen de interne markt, leiden tot een aantal incongruenties die agressieve belastingplanning, dubbele aftrekken en dubbele niet-belasting mogelijk maken, bv. door een van de volgende praktijken of een combinatie daarvan: misbruik van verrekenprijzen, aftrekken laten plaatsvinden in rechtsgebieden met hoge belastingen, geleende bedragen doorsluizen via stromanbedrijven, risico's overdragen, hybride financiële producten, profiteren van incongruenties, belastingarbitrage, royalty-overeenkomsten, verdragshoppen ("treaty shopping") en de verkoop van activa laten plaatsvinden in rechtsgebieden met lage belastingen;

23.  benadrukt dat zijn bijzondere commissie tijdens haar onderzoeksmissies in vijf lidstaten en Zwitserland heeft vastgesteld dat een aantal nationale belastingmaatregelen, die vaak door multinationals met elkaar worden gecombineerd, potentieel schadelijke belastingpraktijken kunnen zijn, in het bijzonder de volgende reeks maatregelen, die slechts als een niet-uitputtende lijst dient te worden beschouwd:

–  misbruik van fiscale rulings en schikkingsovereenkomsten om verder te gaan dan een loutere verduidelijking van de bestaande wetgeving en een fiscale voorkeursbehandeling te krijgen,

–  uiteenlopende definities van permanente vestiging en fiscale woonplaats,

–  weinig of geen rekening houden met economische substantie, wat het mogelijk maakt special purpose vehicles (bv. brievenbusfirma's, lege vennootschappen enz.) op te richten die lagere belastingen betalen,

–  notionele-interestaftrek (op grond waarvan bedrijven een fictieve rente, die wordt berekend op basis van hun eigen vermogen, kunnen aftrekken van hun belastbaar inkomen),

–  overwinstrulings (waardoor een bedrijf een schriftelijke bevestiging van de belastingdienst kan krijgen dat zijn belastbaar inkomen niet de winsten omvat die het niet zou hebben gerealiseerd als het een op zichzelf staand bedrijf was),

–  onduidelijke of ongecoördineerde bepalingen inzake verrekenprijzen,

–  een aantal preferentiële regelingen, met name in verband met immateriële activa (octrooi-, kennis- of intellectuele-eigendomsboxen),

–  vrijstelling van bronbelasting op rente, dividenden en royalty's door bilaterale belastingverdragen en/of overeenkomstig de nationale wetgeving,

–  verschillen in juridische kwalificaties tussen de lidstaten (hybride entiteiten of hybride leningen), waarbij rentelasten veranderen in vrijgestelde dividenden,

–  in het geval van Zwitserland, bijzondere belastingregelingen op kantonnaal niveau voor bedrijven die onder buitenlandse controle staan, waarvan geen gebruik kan worden gemaakt door bedrijven die onder nationale controle staan (zogenoemde "ring-fencing regimes"),

–  een gebrek aan effectieve algemene of specifieke antimisbruikvoorschriften of een lakse handhaving of interpretatie van die voorschriften,

–  en structuren waarachter de uiteindelijke begunstigde schuilgaat en waarop informatie-uitwisseling niet van toepassing is, zoals trusts en zogenoemde "freeports";

24.  neemt ter kennis dat volgens de Commissie(23) 72 % van de winstverschuiving in de EU plaatsvindt via verrekenprijzen en lokalisatie van intellectuele eigendom;

25.  benadrukt dat een aantal lidstaten de afgelopen jaren specifieke regelingen voor de verlaging van de vennootschapsbelasting hebben ontwikkeld om mobiele immateriële activa van bedrijven aan te trekken, zoals inkomsten uit intellectuele eigendom; neemt kennis van de verscheidenheid aan belastingtariefverlagingen en toelagen en van de uiteenlopende toepassingsgebieden van de voorgestelde regelingen (innovatieboxen, intellectuele-eigendomboxen, kennisboxen, octrooiboxen enz.); benadrukt dat belastingbetalers in sommige lidstaten intellectuele eigendom niet zelf en/of in het land hoeven te produceren om toegang te krijgen tot belastingvoordelen, maar die eigendom slechts dienen te verwerven via een bedrijf dat in het rechtsgebied gevestigd is; benadrukt daarom dat fiscale voordelen voor onderzoek en ontwikkeling aan reële uitgaven in het betreffende rechtsgebied gekoppeld moeten zijn;

26.  onderstreept voorts dat de kosten van onderzoek en ontwikkeling in de nationale belastingstelsels ook zonder octrooiboxen als aftrekpost kunnen worden opgevoerd, en dat octrooiboxen derhalve belastingontwijking in de hand werken op een wijze die tegen het stelsel indruist;

27.  beschouwt dergelijke regelingen als voorbeelden van schadelijke belastingconcurrentie tussen landen, omdat zij, hoewel hun verband met en effect op de reële economie meestal onbestaande is, leiden tot minder belastinginkomsten voor andere landen, waaronder lidstaten; wijst erop dat de Commissie in een overzicht van fiscale stimulansen voor onderzoek en ontwikkeling(24) concludeert dat "octrooiboxen eerder een verplaatsing van vennootschapsbelastinginkomsten lijken te bewerkstelligen dan innovatie lijken te stimuleren";

28.  benadrukt dat, in een economische omgeving die wordt gekenmerkt door meer immateriële activa, de vaststelling van verrekenprijzen vaak wordt beïnvloed door het gebrek aan vergelijkbare transacties en benchmarks, wat de juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel, op grond waarvan de prijzen van transacties tussen entiteiten die tot hetzelfde bedrijfsconcern behoren op dezelfde manier moeten worden vastgesteld als die tussen onafhankelijke entiteiten, tot een moeilijke uitdaging maakt;

29.  wijst erop dat de bestaande richtsnoeren voor verrekenprijzen multinationals een ruime beoordelingsmarge bieden bij de keuze en toepassing van evaluatiemethoden; benadrukt dat het ontbreken van een doeltreffende gemeenschappelijke norm voor verrekenprijzen, alsook de diverse afwijkingen, uitzonderingen en alternatieven door multinationals worden uitgebuit, in strijd met de geest van deze richtsnoeren, om hun belastbare winst per rechtsgebied te kalibreren en hun totale belastingplicht te beperken door bv. oneigenlijke cost plus, willekeurige vaststelling van winstmarges of de twijfelachtige uitsluiting van bepaalde uitgaven van hun berekening; benadrukt dat de kwestie van verrekenprijzen op EU-niveau het beste kan worden aangepakt door middel van een geconsolideerde heffingsgrondslag, waarmee de noodzaak van deze prijzen zou wegvallen;

30.  onderstreept dat door multinationals of hun vertegenwoordigers ingediende dossiers inzake verrekenprijzen niet naar behoren kunnen worden gecontroleerd door de belastingdiensten, omdat die vaak niet over voldoende middelen en personeel beschikken om die analyses en het resultaat of de impact daarvan kritisch en grondig te bestuderen;

31.  betreurt het dat, in een economische context waarin 60 % van de wereldwijde handel binnen groepen plaatsvindt(25), de richtsnoeren voor de toepassing van dit puur economische concept per lidstaat verschillen en daarom onderhevig zijn aan tegenstrijdigheden tussen de lidstaten en juridische geschillen;

32.  onderstreept voorts dat er, ondanks het aanzienlijke aantal juridische geschillen in de EU die het gevolg zijn van uiteenlopende interpretaties van dezelfde beginselen inzake verrekenprijzen, geen doeltreffend Europees geschillenbeslechtingsmechanisme voorhanden is; wijst erop dat de beslechting van verrekenprijsgeschillen die aan het EU-arbitrageverdrag worden onderworpen tot wel acht jaar in beslag kan nemen, hetgeen bijdraagt tot rechtsonzekerheid voor bedrijven en belastingdiensten;

33.  benadrukt de cruciale rol van grote accountantskantoren, waaronder de "grote vier", bij de ontwikkeling en marketing van rulings en belastingontwijkingsconstructies waarmee incongruenties tussen de wetgevingen van de lidstaten worden uitgebuit; benadrukt dat die kantoren, wier inkomsten voor een aanzienlijk deel lijken voort te vloeien uit fiscale dienstverlening en die de auditmarkten van de meeste lidstaten alsook de wereldwijde dienstverlening op het gebied van belastingadvies lijken te domineren, een nauw oligopolie vormen; is van oordeel dat een dergelijke situatie niet kan voortduren zonder schade toe te brengen aan de werking van de interne markt op de gebieden waarop de "grote vier" actief zijn; vestigt de aandacht op het belangenconflict dat het gevolg is van het naast elkaar bestaan, binnen dezelfde kantoren, van activiteiten op het gebied van belastingadvies en consulting, die enerzijds bedoeld zijn voor de belastingdiensten en anderzijds voor de belastingplanningsdiensten van multinationals, die de tekortkomingen van de nationale belastingwetten uitbuiten; is van mening dat good practices ter zake moeten worden bevorderd en dat bestaande gedragscodes moeten worden verbeterd; betwijfelt echter of bedrijfsgedragscodes en beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen dit probleem effectief kunnen aanpakken; onderstreept dat fiscale rulings, in de EU en wereldwijd, een gangbare zakelijke praktijk zijn geworden, niet alleen om rechtszekerheid of voordelige belastingakkoorden te verkrijgen, maar ook in gevallen waarin wettelijke bepalingen geen ruimte voor interpretatie bieden; is bezorgd over ramingen van de belastingadviessector dat er slechts een kans van 50 % hoeft te bestaan dat een fiscale planningsconstructie wettig is opdat die aan cliënten wordt aanbevolen(26);

34.  vraagt de belastingautoriteiten hun bronnen van knowhow te verbeteren en te diversifiëren en de effectbeoordelingsprocedure te verbeteren, teneinde het risico van onverwachte gevolgen van nieuwe belastingmaatregelen te beperken; herinnert de lidstaten eraan dat niet alleen verschillen tussen belastingstelsels, maar ook een al te grote complexiteit van de nationale belastingstelsels en geringe stabiliteit met te frequente veranderingen, in belangrijke mate bijdragen aan het ontstaan van belastingkloven, onrechtvaardigheid van belastingstelsels en een geringe geloofwaardigheid van het belastingbeleid; onderstreept in dit verband dat fiscale versnippering een obstakel vormt voor de totstandbrenging van een Europese kapitaalmarktunie;

Stand van zaken en beoordeling van EU-, internationale en nationale maatregelen

35.  stelt vast dat naar aanleiding van de economische crisis, en daarbovenop het LuxLeaks-schandaal, de aanpak van agressieve fiscale planning door multinationals hoog op de politieke agenda van de lidstaten, de EU, de OESO en de G20 staat, maar betreurt het dat er tot nu toe in de praktijk weinig vooruitgang is geboekt, met uitzondering van het door de G20 gesteunde BEPS-project van de OESO, dat pas is afgerond en nog niet door de landen wordt toegepast;

36.  wijst er in deze context op dat vele lidstaten maatregelen ter bestrijding van belastingontwijking hebben ingevoerd of willen vaststellen, met name in verband met de beperking van de aftrekbaarheid van rente, antimisbruikregels, een betere definiëring van het begrip permanente vestiging (met inbegrip van de ontwikkeling van economische-substantietoetsingen om beter te kunnen bepalen waar bedrijven belastingplichtig zijn), de eventuele uitsluiting van zich misdragende bedrijven van openbare aanbestedingen en de openbaarmaking van belastingplanningsregelingen, wat kan bijdragen aan het herstel van de geloofwaardigheid van het belastingstelsel en het verkorten van de tijdspanne tussen de instelling van specifieke regelingen en de vaststelling van corrigerende maatregelen, onder meer op wetgevingsniveau;

37.  vreest desondanks dat, bij gebrek aan een op samenwerking gebaseerde aanpak, de unilaterale maatregelen van de lidstaten tegen grondslaguitholling zouden kunnen leiden tot meer complexiteit, nieuwe incongruenties en, als gevolg daarvan, meer mogelijkheden voor belastingontwijking op de interne markt; benadrukt dat een uiteenlopende tenuitvoerlegging van internationale of EU-richtsnoeren door de lidstaten hetzelfde effect kan hebben;

38.  is ingenomen met de diverse initiatieven en wetgevingsvoorstellen van de Commissie van de afgelopen 20 jaar, met inbegrip van de meest recente, om toe te werken naar een betere coördinatie van de vennootschapsbelastingstelsels van de lidstaten, met het oog op het versterken van de interne markt, het aanpakken van kwesties inzake dubbele belasting of dubbele niet-belasting en het waarborgen van het recht van de lidstaten om effectief belastingen te heffen; betreurt niettemin dat tot nu toe slechts een klein aantal van deze voorstellen door de Raad is goedgekeurd, wat te wijten is aan de unanimiteitsvereiste en het feit dat bepaalde lidstaten blijven denken dat zij individueel meer te winnen hebben bij mazen in het ongecoördineerde belastingstelsel dan ze collectief te winnen zouden hebben in een gecoördineerd stelsel;

39.  is ingenomen met de publicatie van een nieuw pakket voor fiscaal beleid, en verzoekt de Commissie te streven naar een rechtvaardig belastingstelsel dat gebaseerd is op het beginsel dat belastingen moeten worden betaald in de lidstaat waar de winst wordt gemaakt, om zo verstoring van de interne markt en oneerlijke concurrentie te voorkomen;

40.  benadrukt dat de in 1998 door de lidstaten opgerichte Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) (de "Groep") het eind jaren 90 en begin deze eeuw mogelijk heeft gemaakt een einde te maken aan de destijds meest schadelijke afzonderlijke belastingpraktijken door middel van een "soft law"-tweesporenaanpak, waarbij bestaande belastingmaatregelen die tot schadelijke belastingconcurrentie leidden, werden teruggedraaid, en werd toegezegd dat dergelijke maatregelen in de toekomst niet meer zouden worden geïntroduceerd ("standstill");

41.  betreurt het dat het werk van de Groep aan kracht lijkt te hebben ingeboet; merkt op dat sommige van de meer dan 100 maatregelen die in het kader van zijn werkzaamheden zijn afgeschaft, in een aantal lidstaten zijn vervangen door belastingmaatregelen met vergelijkbare schadelijke effecten; merkt op dat belastingdiensten de aanbevelingen van de Groep hebben tegengewerkt door nieuwe constructies op te zetten met dezelfde schadelijke effecten als de door de Groep afgeschafte constructies; betreurt het dat eerdere pogingen om het bestuur en het mandaat van de Groep te versterken en de in de code vastgelegde werkmethoden en criteria aan te passen teneinde nieuwe vormen van schadelijke belastingpraktijken in de huidige economische omgeving te bestrijden, niet zijn geslaagd; steunt de recentste voorstellen van de Commissie ter zake, die zijn uiteengezet in haar actieplan van 17 juni 2015 voor een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de EU;

42.  betreurt, in weerwil van de ambitieuze doelstellingen die sedert 1997 worden verkondigd, het voortduren van de belastingconcurrentie tussen lidstaten, die niet zozeer voortkomt uit een verschil in tarieven als wel uit de heterogeniteit van de nationale regels die bepalen wat belastbare winsten zijn, een heterogeniteit die al tientallen jaren onveranderd tot uiting komt in de verschillen tussen de nominale en de effectieve vennootschapsbelastingtarieven die door de lidstaten worden toegepast;

43.  betreurt het ook dat de oorspronkelijke status en bestuurlijke afspraken van de Groep te veel ruimte lieten voor politieke onderhandelingen en compromissen bij het streven naar "brede consensus" (oftewel quasi-unanimiteit, met de mogelijkheid om ongenoegen tot uitdrukking te brengen in voetnoten) over de beoordeling van schadelijke praktijken, waardoor afbreuk is gedaan aan de betrouwbaarheid en volledigheid van zijn werkzaamheden en wat er in sommige gevallen toe heeft geleid dat verslagen, zoals het verslag uit 1999 van Simmons & Simmons over administratieve praktijken, opzettelijk niet zijn gepubliceerd of geen follow-up hebben gekregen; acht het betreurenswaardig dat bij de afschaffing van bestaande maatregelen politieke vertraging optrad en, in enkele gevallen, na de uiterste datum nog nieuwe begunstigden werden toegelaten, hetgeen ook samenhangt met de uiterst zwakke verantwoordings- en toezichtmechanismen van de Groep;

44.  benadrukt in meer fundamentele zin dat de in de code gehanteerde aanpak per geval er weliswaar toe heeft geleid dat lidstaten nu meer met algemene maatregelen concurreren, maar geen betrekking heeft op de systemische tekortkomingen van een versnipperd vennootschapsbelastingskader in de EU, waardoor een grondigere herziening noodzakelijk is geworden;

45.  wijst tevens op de geleverde inspanningen in verband met de oprichting van het Platform voor goed fiscaal bestuur, dat diverse stakeholders bijeenbrengt teneinde een consensus te bereiken over de kwestie belastingontwijking, in het bijzonder in een internationale context, en het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen, dat een aantal richtsnoeren verstrekt over de technische kwesties met betrekking tot verrekenprijzen; benadrukt dat er tot op heden mede dankzij deze organen beperkte correcties zijn aangebracht in het vennootschapsbelastingskader; betreurt het dat de door het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen opgestelde richtsnoeren vooralsnog niet tot een toereikende aanpak van belastingontwijking hebben geleid; betreurt dat het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen, ondanks een recente vernieuwing van zijn leden, nog steeds onevenwichtig is samengesteld; heeft er bezwaar tegen dat belastingdeskundigen bijdragen aan het opstellen van richtsnoeren voor verrekenprijzen, maar tegelijkertijd hun cliënten mogelijkerwijs adviseren over strategieën voor agressieve belastingplanning, en zich dus in een situatie van belangenconflict bevinden;

46.  benadrukt dat de EU-wetgeving (de richtlijnen inzake moeder-dochterondernemingen, rente en royalty's, fusies en administratieve samenwerking), hoewel zij slechts betrekking heeft op enkele aspecten van vennootschapsbelasting, het hoofd heeft kunnen bieden aan specifieke problemen van lidstaten en bedrijven die in meerdere landen actief zijn; benadrukt dat deze maatregelen, die in eerste instantie zijn ontwikkeld om een eind te maken aan dubbele belastingheffing, een aantal onbedoelde contraproductieve effecten op belastingontwijking hebben en in sommige gevallen leiden tot dubbele niet-belastingheffing; is verheugd dat de Raad onlangs amendementen op de moeder-dochterrichtlijn heeft goedgekeurd die beogen een algemene antimisbruikbepaling in te voeren en incongruenties bij hybride leningen aan te pakken, en die eind 2015 in werking zullen treden, en verwacht dat hiermee een einde zal komen aan een aantal van de mogelijkheden voor belastingontwijking in de EU;

47.  herinnert aan de bepalingen van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad inzake administratieve samenwerking die uitvoering geven aan de uitwisseling van alle relevante fiscale informatie; is van mening dat een automatische, onmiddellijke en volledige uitwisseling en verwerking van fiscale informatie een sterk afschrikkend effect zou hebben op belastingontduiking en de invoering van schadelijke belastingpraktijken, en de lidstaten en de Commissie in staat zou stellen te beschikken over alle relevante informatie om hiertegen op te treden;

48.  betreurt het dat het huidige wetgevings- en toezichtskader voor de uitwisseling van informatie over belastingmaatregelen niet doeltreffend is, aangezien is gebleken dat niet wordt voldaan aan de bestaande vereisten voor spontane informatie-uitwisseling of informatie-uitwisseling op aanvraag; betreurt het dat vrijwel geen enkele lidstaat informatie uitwisselt die gevolgen kan hebben voor partnerlanden van de EU; betreurt het gebrek aan coördinatie tussen de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten;

49.  betreurt het dat fiscale informatie bijna nooit spontaan tussen de lidstaten wordt uitgewisseld; is ingenomen met automatische uitwisseling van informatie die niet langer op wederkerigheid berust; vestigt de aandacht op de structurele ontwerpfouten van een systeem dat gebaseerd is op beoordelingsvrijheid over wat al dan niet moet worden meegedeeld en dat gepaard gaat met zwakke toezichtsystemen, waardoor schendingen van de vereiste inzake informatie-uitwisseling zeer moeilijk vast te stellen zijn;

50.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de automatische uitwisseling van fiscale informatie te bevorderen als de toekomstige Europese en internationale norm op het vlak van transparantie; verzoekt de Commissie met klem om, als eerste stap, haar verplichting als hoedster van de Verdragen na te komen en alle noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de bestaande EU-wetgeving en het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten, zoals vastgelegd in de Verdragen, in acht worden genomen; is ingenomen met het voorstel van de deskundigengroep inzake automatische uitwisseling van informatie over financiële rekeningen om de mogelijkheden te bestuderen om ontwikkelingslanden te ondersteunen bij de automatische uitwisseling van informatie door niet-wederkerige uitwisselingsovereenkomsten te sluiten;

51.  wijst erop dat staatssteunregels en sancties een nuttig middel zijn om de meest oneigenlijke en verstorende schadelijke belastingpraktijken aan te pakken, en een afschrikkend effect kunnen hebben;

52.  is ingenomen met het pakket fiscale transparantie van de Commissie van maart 2015 inzake de automatische uitwisseling van informatie tussen de lidstaten over hun fiscale rulings en haar actieplan van juni 2015 voor een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de EU; benadrukt evenwel dat deze teksten slechts als eerste stappen in de goede richting kunnen worden beschouwd, en dat er dringend behoefte is aan een samenhangend kader van wettelijke bepalingen en administratieve samenwerking, ook ten behoeve van kmo's en van multinationals die echte economische groei helpen creëren en een billijk deel van de belastingen op de interne markt betalen;

53.  is ingenomen met de recente overeenkomst over het BEPS-actieplan van de OESO, waarin, naar aanleiding van opeenvolgende oproepen tot actie tijdens de G7- en G20-topbijeenkomsten, wordt beoogd de afzonderlijke problemen die de werking van het internationale vennootschapsbelastingstelsel bemoeilijken, aan te pakken met voorstellen voor wereldwijde en systematische maatregelen om deze problemen te verhelpen; betreurt de late en ongelijke inspraak van de ontwikkelingslanden in het BEPS-proces van de OESO, waaraan zij op een eerlijke manier hadden moeten kunnen deelnemen; betreurt het dat sommige uitkomsten van het BEPS-actieplan niet verder gaan, bv. op het gebied van schadelijke belastingregelingen, digitale economie en transparantie;

54.  neemt ter kennis dat, naar aanleiding van een systematische analyse van de knelpunten van het internationale belastingstelsel, het BEPS-actieplan in 15 actiepunten is opgedeeld, waarvan er 7 in november 2014 door de G20 zijn goedgekeurd en de overige in oktober 2015 zijn uitgevoerd; benadrukt dat die actiepunten, tegen de achtergrond van een veranderend ondernemingsklimaat, gericht zijn op het aanpakken van transparantiekwesties, bv. door richtsnoeren te verstrekken over verslaggeving per land, het gebrek aan substantie in bepaalde belastingontwijkingsconstructies en meer samenhang in de internationale regels;

55.  waarschuwt niettemin voor compromissen die kunnen achterblijven bij de oorspronkelijke ambities of kunnen leiden tot uiteenlopende interpretaties op nationaal niveau; benadrukt voorts dat er tot nog toe vrijwel geen doeltreffend toezicht is gehouden op de tenuitvoerlegging van de OESO-richtsnoeren in de landen die ze hebben goedgekeurd, en dat zelfs de best uitgewerkte oplossingen niet doeltreffend kunnen zijn als ze niet naar behoren worden gecontroleerd en geïmplementeerd;

56.  benadrukt dat de werkzaamheden van de EU en de OESO op dit gebied complementair zijn; is van mening dat de EU, gezien haar mate van integratie, verder moet gaan dan de BEPS-voorstellen wat betreft coördinatie en convergentie ter voorkoming van alle vormen van schadelijke belastingconcurrentie op de interne markt; is ervan overtuigd dat de EU, zonder dat haar concurrentievermogen eronder hoeft te lijden, doeltreffendere instrumenten kan ontwikkelen om toe te zien op eerlijke belastingconcurrentie en het recht van de lidstaten om effectief belasting te heffen op winsten die op hun grondgebied worden gegenereerd;

Onderzoeken van de Commissie naar staatssteun: overzicht en resultaten

57.  benadrukt dat nieuwkomers en bedrijven – met inbegrip van kmo's – die geen gebruik maken van agressieve belastingpraktijken, op de interne markt worden benadeeld ten opzichte van multinationals, die in staat zijn winsten te verschuiven of andere vormen van agressieve belastingplanning toe te passen via een verscheidenheid aan besluiten en instrumenten die hun uitsluitend ter beschikking staan omdat zij zo groot zijn en hun activiteiten internationaal kunnen organiseren; stelt met bezorgdheid vast dat, onder voor het overige gelijke omstandigheden, de hieruit voortvloeiende lagere belastingverplichtingen leiden tot een hogere winst na belastingen voor multinationals en derhalve tot een ongelijk speelveld met hun concurrenten op de interne markt, die geen gebruik kunnen maken van agressieve belastingplanning en de connectie behouden tussen de plaats waar zij winst genereren en de plaats waar zij belasting betalen; wijst erop dat deze verstoring van het gelijke speelveld ten voordele van multinationals strijdig is met het fundamentele beginsel van de interne markt;

58.  benadrukt dat de OESO(27) erop wijst dat sommige multinationals gebruik maken van strategieën om slechts 5 % aan vennootschapsbelasting te betalen, terwijl kleinere bedrijven tot wel 30 % betalen, en is zeer bezorgd over het feit dat de vennootschapsbelastingbijdrage van grensoverschrijdende bedrijven volgens een aantal studies(28) gemiddeld tot wel 30 % lager is dan die van binnenlandse bedrijven die slechts in één land actief zijn; vindt het onaanvaardbaar dat sommige multinationals dankzij die strategieën een zeer laag effectief vennootschapsbelastingtarief betalen, terwijl sommige kmo's het volle tarief moeten betalen;

59.  benadrukt dat deze verstorende invloed op de beslissingen van marktdeelnemers, die worden genomen op basis van de verwachte opbrengst na belastingen, leidt tot een suboptimale toewijzing van middelen binnen de EU en een minder concurrentie, hetgeen nadelige gevolgen heeft voor de groei en de werkgelegenheid;

60.  onderstreept dat sommige schadelijke belastingpraktijken mogelijk binnen de werkingssfeer van belastinggerelateerde staatssteunregels vallen, met name voor zover zij op dezelfde manier "selectieve" voordelen kunnen toekennen en tot concurrentieverstoringen op de interne markt kunnen leiden; merkt op dat de staatssteunprocedures en de activiteiten van de Groep gedragscode elkaar onderling ondersteunden, met name in 1999 en in de eerste helft van het voorbije decennium; benadrukt dat met de handhaving van de EU-mededingingsregels juridische druk is toegevoegd aan het soft law-besluitvormingsproces in de Groep, waardoor het gebrek aan andere doeltreffende instrumenten voor de aanpak van het probleem van belastingontwijking op EU-niveau gedeeltelijk wordt gecompenseerd;

61.  neemt nota van de belangrijke ontwikkelingen in de afgelopen 20 jaar in verband met het analytisch kader van de Commissie voor belastinggerelateerde staatssteun, waardoor het mogelijk werd meer duidelijkheid te scheppen met betrekking tot de definitie en analyse van staatssteun via belastingmaatregelen, alsook stelselmatiger op te treden tegen dergelijke maatregelen; wijst met name op de richtsnoeren van de Commissie van 1998 over de toepassing van de staatssteunregels op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen, het verslag van 2004 daarover en de diverse belangrijke arresten van het voorbije decennium; is in het kader van het proces tot modernisering van het staatssteunbeleid, dat de Commissie in gang heeft gezet, ingenomen met de openbare raadpleging van 2014 over ontwerprichtsnoeren ter verduidelijking van het begrip "staatssteun" overeenkomstig artikel 107 VWEU, dat elementen behelst op het gebied van belastinggerelateerde staatssteun en met name fiscale rulings;

62.  stelt vast dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de toepassing van de staatssteunregels op fiscale maatregelen van de lidstaten de afgelopen decennia steeds vastere vorm heeft gekregen, laatstelijk met de zaak-Gibraltar in 2011(29);

63.  wijst erop dat het Hof van Justitie de nadruk heeft gelegd op het beginsel dat de inhoudelijke kant voorrang heeft op formele aspecten, en dat dus het economische effect van een maatregel het uitgangspunt vormt bij de beoordeling;

64.  stelt bijgevolg vast dat het Hof van Justitie uit het verbod op staatssteun vergaande voorwaarden heeft afgeleid voor de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van de belastingwetgeving;

65.  wijst erop dat het concept van "de aard en de opzet van het nationale stelsel" als referentiekader dient om te beoordelen of directe of indirecte belastingen al dan niet selectief zijn en derhalve al dan niet verenigbaar met de interne markt, en dat elke vorm van staatssteun moet worden getoetst aan het reeds bestaande evenwicht; benadrukt dat, aangezien de EU-benchmark voor het beoordelen van mogelijke verstoringen het nationale referentiestelsel is(30), niet alle concurrentieverstoringen en schadelijke belastingpraktijken op de interne markt onder de huidige mededingingsregels vallen; wijst er derhalve op dat het probleem van de ontwijking van vennootschapsbelasting in de EU niet kan worden opgelost met alleen de volledige handhaving van deze regels;

66.  wijst erop dat de Europese Commissie, volgens de gegevens die zij zijn bevoegde bijzondere commissie heeft toegestuurd(31), sinds 1991 naar slechts 65 belastinggerelateerde staatssteunzaken een officieel onderzoek heeft ingesteld, waarvan er 7 fiscale rulings betroffen en slechts 10 afkomstig waren van formele aanmeldingen van de lidstaten;

67.  benadrukt dat de Commissie in de tweede helft van het voorbije decennium slechts een klein aantal zaken op het gebied van belastinggerelateerde staatssteun heeft behandeld, en dat de recente staatssteunprocedures de volgende fasen omvatten:

–  de instelling, in juni 2013, van een onderzoek naar praktijken op het vlak van fiscale rulings in zeven lidstaten, dat in december 2014 werd uitgebreid tot alle lidstaten,

–  de start, in oktober 2013, van een onderzoek naar de vennootschapswetgeving van Gibraltar, en met name de vraag of deze bepaalde ondernemingen bevoordeelt, en de uitbreiding van dit onderzoek, in oktober 2014, tot fiscale rulings van Gibraltar,

–  tegelijkertijd, de instelling van een afzonderlijk onderzoek naar fiscale regelingen op het gebied van intellectuele eigendom ("octrooiboxen"),

–  de instelling, in juni 2014, van officiële onderzoeken naar drie gevallen: Apple in Ierland, Fiat Finance and Trade in Luxemburg en Starbucks in Nederland, die in oktober 2015 zijn afgerond, in oktober 2014 gevolgd door een onderzoek naar Amazon in Luxemburg,

–  de instelling, in februari 2015, van een officieel onderzoek naar een belastingregeling in België (systeem van fiscale rulings voor overwinst);

68.  benadrukt dat de lopende en afgeronde onderzoeken van de Commissie en de door LuxLeaks aan het licht gebrachte zaken erop wijzen dat sommige lidstaten zich niet hebben gehouden aan hun wettelijke verplichting(32) om alle potentiële staatssteundossiers over te leggen aan de Commissie;

69.  benadrukt dat deze onderzoeken licht hebben geworpen op slechts een zeer beperkte steekproef van een aantal typische praktijken, die van invloed zijn op de belastbare winst die door middel van verrekenprijzen wordt toegewezen aan sommige dochterondernemingen van multinationals; vreest dat de huidige middelen van de bevoegde diensten van de Commissie haar vermogen beperken om een beduidend groter aantal zaken te behandelen en stelselmatige controles uit te voeren om na te gaan of er, naast de praktijken op basis van verrekenprijzen, nog andere praktijken op het gebied van vennootschapsbelasting zijn die mogelijkerwijs botsen met de staatssteunwetgeving;

70.  spreekt zijn uitdrukkelijke steun uit voor de aanpak van de Commissie, die erin bestaat de nodige tijd te nemen om de lopende zaken grondig en met alle vereiste zorgvuldigheid te onderzoeken; is van mening dat het resultaat van de onderzoeken ertoe zal bijdragen dat er nauwkeurigere, doeltreffendere richtsnoeren inzake belastinggerelateerde staatssteun en verrekenprijzen worden vastgesteld en dat de lidstaten ertoe worden verplicht hun praktijken dienovereenkomstig aan te passen; verzoekt de Commissie desalniettemin deze lopende belastinggerelateerde staatssteunonderzoeken zo snel als praktisch gezien mogelijk is af te ronden, zonder daarbij afbreuk te doen aan de kwaliteit en de geloofwaardigheid van de onderzoeken, en kijkt met veel belangstelling uit naar de resultaten; verzoekt de Commissie regelmatig aan het Parlement verslag uit te brengen over deze onderzoeken; verzoekt de Commissie erop aan te dringen dat elke ontbrekende euro wordt terugbetaald als in de lopende zaken wordt bevestigd dat de staatssteun onwettig was;

71.  benadrukt dat de lopende onderzoeken er in het geval van een inbreuk op de EU-regelgeving toe kunnen leiden dat de lidstaat die de betreffende belastingmaatregel heeft goedgekeurd, het bedrag terugvordert dat overeenkomt met de onrechtmatige staatssteun die aan de begunstigde ondernemingen is toegekend; benadrukt dat deze terugvordering weliswaar een aanzienlijk negatief effect kan hebben op de reputatie van de betreffende lidstaat, maar in feite neerkomt op een beloning voor niet-naleving, die de lidstaten er in geval van twijfel waarschijnlijk niet van zal weerhouden om oneigenlijke belastingvoordelen toe te kennen, maar ze integendeel vrijstelt van de verantwoordelijkheid om toe te zien op de inachtneming van de EU-staatssteunregels, en die geen compensatie vormt voor het financiële verlies dat de begrotingen van de benadeelde lidstaten hebben geleden; meent meer in het algemeen dat de staatssteunregels moeten voorzien in sancties die voldoende afschrikkend zijn om onwettige staatssteun tegen te gaan;

72.  wijst tevens op de mogelijkheid, in het geval van oneigenlijke verrekenprijzen tussen grensoverschrijdende dochterondernemingen, dat niet alleen de belastinginkomsten van de lidstaat waarvan de belastingvoordelen uitgaan, worden aangepast (terugvordering van steun), maar ook die van andere landen waar de transactie plaatsvond (ex-post aanpassing van verrekenprijzen en dus van het belastbaar inkomen); benadrukt dat dit in sommige gevallen zou kunnen leiden tot dubbele belastingheffing;

73.  wijst er nogmaals op dat fiscale rulings moeten dienen om rechtszekerheid te beiden en bij de begunstigden gerechtvaardigde verwachtingen wekken; benadrukt, in een context waarin nationale rulings kunnen worden aangevochten op grond van EU-staatssteunregels, dat het risico bestaat dat de lidstaten afzonderlijke verzoeken om rulings massaal gaan aanmelden met het oog op voorafgaande toestemming van de Commissie, teneinde rechtsonzekerheid voor belastingdiensten en ondernemingen te voorkomen; onderstreept dat op de grotere aantallen aanmeldingen, alsook op de van de lidstaten verlangde grotere transparantie in fiscale aangelegenheden, gereageerd moet worden met de terbeschikkingstelling van meer capaciteit bij de Commissie en verbeterde processen voor het doorgeven van informatie;

Derde landen

74.  vindt het zorgwekkend dat de negatieve overloopeffecten van schadelijke belastingpraktijken van sommige multinationals veel groter lijken te zijn voor ontwikkelingslanden dan voor ontwikkelde landen(33), aangezien eerstgenoemden een groter deel van hun inkomsten uit vennootschapsbelasting halen en beschikken over zwakkere stelsels voor overheidsfinanciën, regelgevingsklimaten en administratieve capaciteit om toe te zien op de belastingnaleving en het hoofd te bieden aan deze schadelijke belastingpraktijken; merkt op dat ontwikkelingslanden volgens het IMF(34) relatief gezien drie keer meer inkomsten verliezen door agressieve belastingplanning dan ontwikkelde landen; benadrukt dat artikel 208 van het Verdrag van Lissabon de lidstaten ertoe verplicht hun beleid aan te passen om de ontwikkeling in ontwikkelingslanden te steunen; wijst erop dat uitvoerige analyses van de overloopeffecten van de belastingpraktijken van de lidstaten, waarvan de bevindingen openbaar zouden moeten worden gemaakt, de beleidsvorming kunnen helpen sturen om ervoor te zorgen dat deze praktijken de belastinggrondslag van andere lidstaten of derde landen niet uitholt;

75.  benadrukt dat de weinige "winnaars" van de wereldwijde belastingconcurrentie, namelijk de landen met een zeer aantrekkelijk vennootschapsbelastingbeleid binnen en buiten de EU, tegelijkertijd over een aantal onevenredige economische fundamentals beschikken in verhouding tot hun omvang en reële economische activiteit, met name wanneer wordt gekeken naar bv. het aantal ingezeten vennootschappen per inwoner, het geboekte bedrag aan buitenlandse winsten, directe buitenlandse investeringen of uitgaande financiële stromen in verhouding tot het bbp, enz.; merkt op dat hieruit het artificiële karakter van hun belastinggrondslag en inkomende financiële stromen blijkt, alsook de door de huidige belastingstelsels mogelijk gemaakte loskoppeling van de plaats waar de waarde wordt gecreëerd en de plaats waar belasting wordt geheven;

76.  benadrukt dat belastingconcurrentie beslist niet beperkt is tot de lidstaten, met inbegrip van hun afhankelijke of geassocieerde gebieden, en dat de meeste onderzochte praktijken een internationale dimensie hebben, vanwege de verschuiving van winsten naar rechtsgebieden met een laag belastingniveau of zonder belastingheffing of met een geheimhoudingsregeling, waar vaak geen substantiële economische activiteit plaatsvindt; betreurt dat er geen sprake is van een gecoördineerde aanpak van de lidstaten ten aanzien van al die rechtsgebieden, niet alleen op het vlak van een gezamenlijk optreden of gezamenlijke reactie tegen hun schadelijke praktijken, maar ook, ondanks de inspanningen van de Commissie, met betrekking tot hun identificatie en de relevante criteria; schaart zich daarom resoluut achter het voorstel van de Commissie van 2012, dat voorziet in substantiële criteria voor eerlijke concurrentie, naast transparantie en de uitwisseling van informatie, alsook de recente publicatie in het belastingpakket van de Commissie van 17 juni 2015 van een lijst van niet-coöperatieve fiscale rechtsgebieden, die is vastgesteld aan de hand van een "gemene deler"-aanpak op basis van bestaande nationale lijsten; benadrukt dat de vaststelling van een dergelijke lijst een eerste vereiste is voor het nemen van passende maatregelen tegen dergelijke rechtsgebieden; is van oordeel dat deze lijst de eerste stap moet zijn van een proces dat leidt tot een nauwkeurige, objectieve definitie van belastingparadijzen, die als uitgangspunt kan dienen voor toekomstige lijsten, die zullen worden opgesteld aan de hand van duidelijke criteria die van tevoren bekend moeten zijn; moedigt de Commissie aan om te beoordelen of Europese rechtsgebieden aan deze criteria voldoen;

77.  benadrukt dat in het kader van de werkzaamheden van de OESO in dit verband een aantal belangrijke resultaten zijn geboekt op het gebied van transparantie en informatie-uitwisseling; is met name verheugd over het feit dat sinds juni 2015 bijna 100 landen het Multilaterale Verdrag inzake administratieve bijstand in belastingzaken (het "Gezamenlijk Verdrag") hebben ondertekend, dat voorziet in administratieve samenwerking tussen staten bij de beoordeling en inning van belastingen, met name met het oog op het bestrijden van belastingontwijking en -ontduiking;

78.  benadrukt evenwel dat de werkzaamheden van de OESO met betrekking tot haar eerdere lijst van niet-coöperatieve belastingparadijzen gebaseerd waren op een politiek proces dat reeds bij de vaststelling van de criteria voor de lijsten geleid heeft tot willekeurige compromissen, zoals de vereiste om een belastingakkoord te sluiten met 12 andere landen, en waardoor geen enkel rechtsgebied als niet-coöperatief belastingparadijs is aangemerkt; benadrukt dat haar huidige aanpak nog steeds gebaseerd is op criteria voor fiscale transparantie en informatie-uitwisseling, die niet toereikend zijn om de schadelijkheid van bepaalde belastingpraktijken aan te pakken; wijst erop dat dit, zonder in te gaan op de verdiensten ervan, afbreuk doet aan de relevantie van de OESO-aanpak om vast te stellen welke fiscale rechtsgebieden de pijlers zijn van de wereldwijde belastingontwijkingspraktijken en schadelijke belastingconcurrentie; benadrukt met name dat deze aanpak geen verband houdt met kwalitatieve indicatoren op basis waarvan objectief kan worden beoordeeld of er al dan niet sprake is van goed bestuur, en dat hierin geen kwantitatieve gegevens in aanmerking worden genomen, zoals boekwinsten, inkomende en uitgaande financiële stromen en hun verband met/loskoppeling van de economische realiteit in een bepaald rechtsgebied;

79.  onderstreept voorts dat deze lijsten op nationaal niveau kunnen worden gebruikt om nationale beschermings- en ontwijkingsbestrijdingsregels toe te passen op derde landen (zoals een beperking van voordelen, een onderzoek naar het hoofddoel, regels inzake buitenlandse filialen, enz.) en dat de beperkingen van dergelijke lijsten dus ook de reikwijdte en doeltreffendheid kunnen beperken van nationale maatregelen tegen schadelijke belastingprakijken;

80.  is ervan overtuigd dat het garanderen van eerlijke concurrentie op de interne markt en het beschermen van de belastinggrondslag van de lidstaten sterk afhankelijk zijn van de aanpak van de zwakste schakel in de interacties met rechtsgebieden met een laag belastingniveau of zonder belastingheffing of met een geheimhoudingsregeling, rekening houdend met het feit dat belastingtarieven een nationale bevoegdheid zijn, aangezien het bestaan van een belastingsluis (bv. geen bronbelasting) naar derde landen, ongeacht hun belastingpraktijken, de mogelijkheden voor belastingontwijking binnen de EU aanzienlijk vergroot;

81.  benadrukt dat een gecoördineerde aanpak van de lidstaten ten aanzien van zowel ontwikkelingslanden als ontwikkelde landen de aanpak van schadelijke belastingpraktijken en het bevorderen van meer wederkerigheid in belastingzaken veel doeltreffender kan maken;

82.  benadrukt dat, als antwoord op de druk van zowel de EU als de G20 met betrekking tot fiscale transparantie, en in de context van de financiële, economische en schuldencrisis, een aantal derde landen eindelijk een overeenkomst voor de uitwisseling van belastinggegevens met de EU hebben gesloten, waardoor de samenwerking met deze landen zou moeten verbeteren; wijst erop dat in mei 2015 een overeenkomst met Zwitserland is gesloten, na een lange "overgangsperiode" waarin deze belangrijke handelspartner van de EU geprofiteerd heeft van preferentiële toegang tot de interne markt, maar tegelijkertijd op andere gebieden niet meewerkte, met name op het gebied van belasting;

83.  neemt ter kennis dat hierover weliswaar onderhandelingen plaatsvinden, maar dat die nog niet geleid hebben tot een snelle ondertekening van vergelijkbare samenwerkingsovereenkomsten met San Marino, Monaco, Liechtenstein en Andorra; betreurt het dat de Commissie niet over een vergelijkbaar Europees mandaat beschikt om met de overzeese gebieden die op dit moment onder de EU-richtlijn spaarbelasting vallen, te onderhandelen over overeenkomsten betreffende de automatische uitwisseling van gegevens;

84.  stelt bezorgd vast dat vele ontwikkelingslanden zeer kwetsbaar zijn voor belastingontwijking door multinationals, en dat de verrekenprijspraktijken van multinationals de belangrijkste reden zijn voor gemiste inkomsten voor de nationale begrotingen van ontwikkelingslanden(35); benadrukt voorts dat deze landen zich in een zeer zwakke onderhandelingspositie bevinden ten opzichte van bepaalde multinationals en buitenlandse directe investeerders die over de hele wereld "rondshoppen" op zoek naar belastingsubsidies en -vrijstellingen; hekelt het feit dat het jaarlijkse verlies aan belastinginkomsten voor de nationale begrotingen naar schatting 91(36) à 125(37) miljard EUR bedraagt;

85.  herinnert de lidstaten eraan dat zij aan het in het Verdrag van Lissabon vastgelegde beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling gehouden zijn en ervoor moeten zorgen dat hun belastingbeleid de EU-doelstellingen op het gebied van ontwikkeling niet ondermijnt; spoort de lidstaten ertoe aan de overloopeffecten van hun belastingbeleid en de gevolgen van dat beleid voor ontwikkelingslanden in kaart te brengen, zoals aanbevolen door het IMF;

Conclusies en aanbevelingen

86.  concludeert, terugkijkend op het mandaat dat het zijn bijzondere commissie heeft gegeven, en ondanks de diverse ondervonden beperkingen en belemmeringen tijdens de uitvoering van haar informatieopdrachten en de geringe medewerking van de lidstaten en de overige Europese instellingen, dat:

–  onverminderd de uitkomst van de lopende onderzoeken naar staatssteun van de Commissie, uit de verzamelde informatie blijkt dat lidstaten zich in diverse gevallen niet hebben gehouden aan artikel 107, lid 1, VWEU, omdat zij fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect hebben ingevoerd die, door begunstiging van bepaalde ondernemingen, de concurrentie op de interne markt hebben verstoord;

–  sommige lidstaten artikel 108 VWEU niet volledig hebben gehandhaafd, omdat zij de Commissie niet formeel in kennis hebben gesteld van al hun plannen om belastinggerelateerde steun te verlenen, waardoor zij ook inbreuk hebben gemaakt op de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad; benadrukt dat de Commissie daardoor niet alle steunregelingen aan een voortdurend onderzoek heeft kunnen onderwerpen, zoals bedoeld in artikel 108 VWEU, aangezien zij in ieder geval vóór 2010 geen toegang had tot alle relevante informatie, d.w.z. de periode waarop haar lopende onderzoeken geen betrekking hebben;

–  lidstaten niet hebben voldaan aan de verplichtingen van de Richtlijnen 77/799/EEG en 2011/16/EU van de Raad, aangezien zij niet spontaan fiscale informatie hebben uitgewisseld – en dat nog steeds niet doen – zelfs toen er, ondanks de beoordelingsmarge waarin die richtlijnen voorzien, duidelijke redenen waren om aan te nemen dat er in andere lidstaten belastingen werden gederfd of dat er belastingbesparingen ontstonden door een kunstmatige verschuiving van winsten binnen een groep;

–  sommige lidstaten het in artikel 4, lid 3, VEU vastgelegde beginsel van loyale samenwerking niet in acht hebben genomen, aangezien zij niet alle algemene of bijzondere maatregelen hebben getroffen die geschikt zijn om de nakoming van hun verplichtingen te verzekeren;

–  een analyse van afzonderlijke gevallen van inbreuken op de communautaire wetgeving, in het bijzonder de hierboven vermelde leden, niet mogelijk was als gevolg van het ontbreken van gedetailleerde informatie van de lidstaten, de Raad en de Commissie;

–  de Commissie haar rol van hoedster van de Verdragen, als vastgelegd on artikel 17, lid 1, VEU, niet heeft vervuld aangezien zij in deze zaak niet is opgetreden en niet al het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun verplichtingen, met name de verplichtingen uit hoogde van de Verordeningen 77/799/EEG en 2011/16/EU, nakomen, ondanks de aanwijzingen van niet-nakoming; door in het verleden geen staatssteunonderzoeken te initiëren, heeft de Commissie niet voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 108 van het Verdrag van Lissabon betreffende de werking van de interne markt;

87.  vraagt de Raad en de Commissie, gezien het huidige gebrek aan bevoegdheden van het Parlement om een parlementaire enquête te houden, dringend hun goedkeuring te geven aan het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement(38), teneinde het Parlement echte onderzoeksbevoegdheden te geven die nodig zijn voor de uitoefening van zijn parlementaire enquêterecht;

88.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het nog mogelijk is de bovengenoemde inbreuken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie;

89.  verzoekt de lidstaten zich te voegen naar het beginsel dat winsten worden belast op de plaats waar ze worden gegenereerd;

90.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen, die de politieke verantwoordelijkheid voor de huidige situatie delen, een einde te maken aan schadelijke belastingconcurrentie en ten volle samen te werken om een einde te maken aan de incongruenties – en geen nieuwe incongruenties te creëren – tussen belastingstelsels die leiden tot massale belastingontwijking door multinationals en grondslaguitholling op de interne markt; verzoekt de lidstaten in dit verband de Commissie en de andere lidstaten in kennis te stellen van alle relevante wijzigingen in hun vennootschapsbelastingwetgeving die van invloed zouden kunnen zijn op hun effectieve belastingtarieven of op de belastinginkomsten van andere lidstaten; benadrukt dat de lidstaten die een centrale rol spelen bij het faciliteren van belastingontduiking, hun verantwoordelijkheid op zich moeten nemen en een leidende rol moeten vervullen bij de inspanningen om de samenwerking op belastinggebied in de EU te verbeteren;

91.  verzoekt de staatshoofden en regeringsleiders van de EU duidelijke nieuwe politieke toezeggingen te doen om dringend iets te doen aan deze situatie, die niet langer kan worden getolereerd, niet in de laatste plaats vanwege de impact ervan op de nationale begrotingen, die ook al aan consolidatiemaatregelen onderworpen zijn, en op de belastingbijdrage van andere belastingbetalers, zoals kmo's en burgers; benadrukt in deze context dat het van plan is zijn rol ten volle te vervullen en bereid is doeltreffender politiek toezicht te houden, in nauwe samenwerking met de nationale parlementen;

92.  verzoekt de Commissie haar verplichting als hoedster van de Verdragen na te komen door te waarborgen dat de EU-wetgeving en het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten volledig in acht worden genomen; dringt er bij de Commissie op aan ambtshalve verdere juridische stappen te zetten in overeenstemming met haar bevoegdheden uit hoofde van het Verdrag; verzoekt de Commissie derhalve haar interne capaciteit te vergroten, eventueel door de oprichting van een specifieke belastingeenheid binnen haar diensten, die zich bezighoudt met zowel het toenemende aantal aanmeldingen van staatssteun op het gebied van het mededingsbeleid, als haar toegenomen verantwoordelijkheid voor het coördineren van de nieuwe maatregelen inzake belastingtransparantie;

93.  verzoekt de lidstaten de Commissie alle nodige informatie te verstrekken, zodat zij ongehinderd haar rol als hoedster van de Verdragen kan vervullen;

94.  verzoekt de Commissie good practices inzake verrekenprijzen en vergoedingen voor leningen en financiering bij transacties binnen een groep te bevorderen, zodat die in overeenstemming worden gebracht met de gangbare marktprijzen;

95.  onderstreept dat de lidstaten volledig bevoegd blijven voor het vaststellen van hun eigen vennootschapsbelastingtarieven; benadrukt niettemin dat de belastingconcurrentie in de EU en met derde landen moet worden gevoerd binnen een duidelijk regelgevingskader, teneinde te zorgen voor eerlijke concurrentie tussen ondernemingen op de interne markt, verzoekt de lidstaten in de eerste plaats te zorgen voor een gunstig ondernemingsklimaat, dat onder meer wordt gekenmerkt door economische, financiële en politieke stabiliteit, alsook juridische zekerheid en eenvoudige belastingregels; verzoekt de Commissie kwesties in verband met vennootschapsbelasting, met inbegrip van schadelijke belastingpraktijken en de gevolgen daarvan, grondiger aan te pakken in het kader van het Europees semester, omdat zij een cruciale rol spelen bij het waarborgen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, en desbetreffende indicatoren, waaronder ramingen van de belastingkloof ten gevolge van belastingontwijking en -ontduiking, op te nemen in het scorebord voor macro-economische onevenwichtigheden;

96.  verzoekt de Commissie in dit verband een juist evenwicht te vinden tussen budgettaire en economische convergentie, en ervoor te zorgen dat het optreden bijdraagt tot groei, investeringen en werkgelegenheid;

97.  is van mening dat onder andere een omvattende, transparante en doeltreffende automatische uitwisseling van belastinginformatie en een verplichte gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting essentiële voorwaarden zijn voor de verwezenlijking van een belastingstelsel op EU-niveau dat de basisbeginselen van de interne markt in acht neemt en handhaaft;

98.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen, gezien de complexiteit van de kwestie, verscheidene complementaire maatregelen te nemen om de huidige situatie te verbeteren, rekening houdend met de noodzaak om de complexiteit voor alle belanghebbenden te verminderen en de nalevingskosten voor ondernemingen en belastingdiensten tot een minimum te beperken; benadrukt derhalve dat een vereenvoudiging van de belastingregelingen de eerste stap moet zijn in de richting van het verschaffen van meer duidelijkheid, niet alleen voor de lidstaten maar ook voor de burgers, die thans zijn uitgesloten van de uitwisseling van informatie;

99.  vraagt de Commissie verder empirisch onderzoek te doen naar een eventuele beperking van de mogelijkheid om royaltybetalingen aan verwante ondernemingen af te trekken van de vennootschapsbelasting, teneinde het verschuiven van winsten binnen concerns tegen te gaan;

100.  betreurt het ten zeerste dat, ondanks herhaalde verzoeken, slechts 8(39) van de in totaal 22 multinationals ermee hebben ingestemd voor de commissie te verschijnen om kwesties in verband met internationale belastingplanning te bespreken; vindt het onaanvaardbaar dat 14 multinationals(40) – waaronder een aantal met grote publieke zichtbaarheid – hebben geweigerd met een parlementaire commissie mee te werken, en vindt dit een aanfluiting van de waardigheid van het Europees Parlement en de burgers die het vertegenwoordigt; beveelt derhalve zijn bevoegde autoriteiten aan te overwegen om deze ondernemingen de toegang tot de gebouwen van het Parlement te ontzeggen, en serieus te overwegen een duidelijk kader vast te stellen en de verplichtingen in de gedragscode voor organisaties die zijn opgenomen in het transparantieregister(41) aan te scherpen wat medewerking met de commissies en andere politieke organen van het Parlement betreft;

101.  vraagt om een onderzoek naar de rol van de financiële instellingen bij het ondersteunen van schadelijke belastingpraktijken;

Samenwerking en coördinatie op het gebied van voorafgaande fiscale rulings

102.  is teleurgesteld over de inhoud van het politieke akkoord van 6 oktober 2015 met de Raad, dat minder ver gaat dan het wetgevingsvoorstel van de Commissie van maart 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied; benadrukt dat het Commissievoorstel, naast een gemeenschappelijk kader voor de registratie en automatische uitwisseling van informatie inzake rulings, ook voorzag in bepalingen op grond waarvan de Commissie doeltreffend toezicht zou kunnen houden op de tenuitvoerlegging ervan door de lidstaten, en zou kunnen waarborgen dat rulings geen negatieve effecten hebben op de interne markt; benadrukt dat de goedkeuring van het standpunt van de Raad het onmogelijk zou maken ten volle profijt te trekken van de automatische uitwisseling van gegevens, met name wat de effectieve tenuitvoerlegging betreft, en vraag de Raad daarom bij het Commissievoorstel te blijven en terdege rekening te houden met het advies van het Parlement hierover, met name wat betreft het toepassingsgebied van de richtlijn (alle fiscale rulings, niet alleen grensoverschrijdende rulings), de retroactiviteitstermijn (alle nog geldige fiscale rulings moeten worden uitgewisseld) en de informatie die wordt verstrekt aan de Commissie, die inzage moet krijgen in de fiscale rulings;

103.  verzoekt de lidstaten op alle internationale fora de automatische uitwisseling van informatie tussen belastingdiensten te steunen als de nieuwe wereldwijde standaard; verzoekt met name de Commissie, de OESO en de G20 dit te bevorderen door middel van de meest geschikte en doeltreffende instrumenten in het kader van een inclusief wereldwijd proces; dringt aan op concrete maatregelen om te waarborgen dat automatische uitwisseling van informatie echt wereldwijd en daarmee doeltreffend wordt, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsvereisten, door ontwikkelingslanden te steunen bij hun inspanningen om hun capaciteit voor volledige deelname aan automatische uitwisseling van informatie op te bouwen; benadrukt dat automatische uitwisseling van informatie binnen de EU kan plaatsvinden in de vorm van een centraal register voor de hele EU, waartoe de Commissie en de bevoegde nationale autoriteiten toegang hebben;

104.  verzoekt de lidstaten in overweging te nemen dat alle fiscale rulings, in het bijzonder wanneer er sprake is van verrekenprijzen, moeten worden vastgesteld in samenwerking met alle betrokken landen, dat de betreffende informatie automatisch, volledig en onverwijld tussen hen moet worden uitgewisseld en dat nationale maatregelen gericht op het beperken van belastingontwijking en de uitholling van de belastinggrondslag binnen de EU, met inbegrip van audits, gezamenlijk moeten worden uitgevoerd, rekening houdend met de ervaring die met het Fiscalis 2020-programma is opgedaan; herhaalt zijn standpunt dat de basiselementen van alle rulings die gevolgen voor andere lidstaten hebben, niet alleen moeten worden uitgewisseld tussen de belastingdiensten en de Commissie, maar ook moeten worden opgenomen in de verslaglegging per land door multinationals;

105.  benadrukt in dit verband dat niet alleen grensoverschrijdende, maar ook nationale rulings gevolgen voor andere lidstaten kunnen hebben, en verzoekt derhalve om een uitbreiding van de automatische uitwisseling van informatie tot alle rulings die zijn uitgevaardigd door of namens de regering of de belastingautoriteit van een lidstaat of een territoriale of administratieve onderafdeling daarvan, en die nog van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn; benadrukt met klem de centrale rol die de Commissie moet spelen bij het proces van vergaring en analyse van gegevens over rulings;

106.  vraagt voorts dat er een kader wordt vastgesteld om effectief toezicht te houden op de automatische uitwisseling van informatie, dat er statistieken over de uitgewisselde informatie worden verzameld en gepubliceerd, en met name dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2016 een beveiligd centraal repertorium opzet waarmee de informatie-uitwisseling tussen de betrokken belastinginstanties wordt vergemakkelijkt; herinnert eraan dat de instelling van een systeem voor de automatische uitwisseling van informatie over fiscale rulings ertoe zal leiden dat er een enorme hoeveelheid gegevens zal worden vergaard, waardoor het moeilijk zou kunnen worden om de echte probleemgevallen op te sporen; benadrukt dat deze situatie, bovenop het feit dat het gaat om 28 lidstaten met verschillende talen en administratieve praktijken, het voor de Commissie en de lidstaten noodzakelijk maakt na te denken over slimme manieren, onder andere door middel van informatietechnologie, om met de hoeveelheid en verscheidenheid van de verkregen gegevens om te gaan, zodat de automatische uitwisseling van informatie binnen de Unie ook echt doeltreffend en nuttig is;

107.  verzoekt de Commissie te onderzoeken onder welke voorwaarden op langere termijn een EU-breed clearingsysteem kan worden opgezet, aan de hand waarvan de Commissie fiscale rulingpraktijken stelselmatig zou screenen teneinde de zekerheid, consistentie, eenvormigheid en transparantie van het systeem te vergroten en te controleren of deze rulings schadelijke gevolgen voor andere lidstaten hebben;

108.  benadrukt dat de Commissie, teneinde de transparantie voor burgers te vergroten, een jaarverslag moet publiceren met een samenvatting van de belangrijkste gevallen in het beveiligd centraal repertorium, en dat zij daarbij de vertrouwelijkheidsbepalingen van de richtlijn betreffende wederzijdse bijstand in acht moet nemen;

109.  verzoekt de Commissie te overwegen een gemeenschappelijk kader op EU-niveau voor fiscale rulings vast te stellen, met gemeenschappelijke criteria, in het bijzonder:

–  de vereiste om fiscale rulings vast te stellen op basis van een alomvattende analyse van de overloopeffecten, onder meer van de gevolgen van de fiscale rulings voor de belastinggrondslagen van andere landen, waarbij alle relevante partijen en landen zijn betrokken,

–  de openbaarmaking ervan, volledig dan wel in vereenvoudigde vorm, maar waarbij de vertrouwelijkheidsvereisten volledig in acht worden genomen,

–  de verplichting om de criteria voor het verlenen, weigeren en intrekken van fiscale rulings openbaar te maken,

–  gelijke behandeling van en beschikbaarheid voor alle belastingbetalers,

–  geen beoordelingsmarge en volledige naleving van de onderliggende belastingbepalingen;

110.  verzoekt de Commissie gemeenschappelijke Europese richtsnoeren vast te stellen voor de toepassing van het arm's lengthbeginsel van de OESO, met het oog op een harmonisering van de praktijken van de lidstaten voor de bepaling van verrekenprijzen, op zodanige wijze dat de nationale administraties bij het vaststellen van verrekenprijsregelingen beschikken over instrumenten om soortgelijke ondernemingen te vergelijken, en niet alleen soortgelijke transacties;

111.  is van mening dat een eerlijk en doeltreffend belastingstelsel een passende mate van transparantie en vertrouwelijkheid vereist; is er daarom van overtuigd dat de belastingdiensten van de lidstaten en, indien van toepassing, de Commissie, toegang moeten hebben tot informatie over de uiteindelijke begunstigden van een rechtsinstrument en/of fiscale rulings;

112.  verzoekt de Commissie onder meer Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, waarin "fiscale misdrijven" onder de brede definitie van "criminele activiteit" vallen, te gebruiken om te achterhalen wie de uiteindelijke begunstigde van bepaalde rechtsinstrumenten is;

113.  verzoekt de Commissie om intern een centraal en openbaar register op te zetten met alle legale vrijstellingen, ontheffingen, aftrekkingen en belastingkredieten die van invloed zijn op de vennootschapsbelasting, met een kwantitatieve evaluatie van de weerslag op de begroting van elke lidstaat;

Gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)

114.  neemt kennis van het actieplan dat de Commissie op 17 juni 2015 heeft voorgesteld om belastingontwijking aan te pakken en eerlijke en doeltreffende vennootschapsbelasting in de EU te bevorderen; verzoekt de Commissie de indiening van wetswijzigingen te bespoedigen met het oog op de snelle oprichting van een verplichte EU-brede gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), waarmee niet alleen het probleem van preferentiële regelingen en incongruenties tussen nationale belastingstelsels wordt aangepakt, maar ook de meeste oorzaken van uitholling van de belastinggrondslag op Europees niveau (met name met betrekking tot verrekenprijzen); verzoekt de Commissie de in 2011 beëindigde werkzaamheden met betrekking tot het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot invoering van de CCCTB onverwijld te hervatten, rekening houdend met het standpunt van het Parlement ter zake en de nieuwe aspecten die sindsdien aan het licht zijn gekomen, en hierin de recentste conclusies van de werkzaamheden van de OESO mee te nemen, met name de normen die zijn voorgekomen uit het actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), zodat in 2016 een geconsolideerde tekst kan worden voorgelegd;

115.  verzoekt de Commissie in haar voorstellen bepalingen op te nemen om de definitie van investeringen in onderzoek en ontwikkeling en van permanente vestiging te verduidelijken in overeenstemming met economische substantie, ook met betrekking tot de digitale economie; wijst op het belang van investeringen in onderzoek en ontwikkeling en de noodzaak om investeringen en groei in de digitale economie niet te belemmeren, maar te bevorderen, zodat de opkomende economie van de EU in deze sector een concurrentievoordeel krijgt ten opzichte van andere actoren in de Verenigde Staten en elders; benadrukt dat uit het beschikbare bewijsmateriaal blijkt dat octrooiboxen niet bijdragen aan het stimuleren van innovatie en kunnen leiden tot vergaande grondslaguitholling door winstverschuiving; benadrukt tegelijk dat misbruik of uitbuiting van dergelijke systemen zoveel mogelijk moeten worden beperkt door een gecoördineerd optreden van de lidstaten en gemeenschappelijke normen en definities inzake wat wel en niet bevorderlijk is voor onderzoek en ontwikkeling; benadrukt dat de zogeheten gewijzigde nexusbenadering van octrooiboxen, zoals aanbevolen door het BEPS-initiatief, ontoereikend zal zijn om de problemen met octrooiboxen voldoende te beperken;

116.  benadrukt dat, om de link tussen belastingheffing en economische substantie te herstellen, ervoor te zorgen dat dat belastingen worden betaald in de landen waar de reële economische activiteiten plaatsvinden en waarde wordt gecreëerd, alsook om bestaande incongruenties te corrigeren, bij "formula apportionment" een onderscheid moet worden gemaakt tussen sectoren, zodat rekening wordt gehouden met hun specifieke kenmerken, met name wat digitale ondernemingen betreft, aangezien de digitale economie het voor de autoriteiten nog moeilijker maakt om te bepalen waar de waarde wordt gecreëerd; vraagt de Commissie het standpunt van het Parlement over de CCCBT zorgvuldig in overweging te nemen en een "formula apportionment" vast te stellen die aansluit bij de reële economische activiteiten van ondernemingen; verzoekt de Commissie te blijven werken aan concrete opties voor het ontwerp van deze verdeelsleutel, met name om voor elke sector te anticiperen op de gevolgen voor de belastinginkomsten van elke lidstaat naar gelang van de structuur van zijn economie; benadrukt voorts dat de CCCTB een nuttig middel is om BEPS te bestrijden en Europese meerwaarde te creëren, ongeacht of de belastinginkomsten gedeeltelijk kunnen worden gebruikt als een nieuw eigen middel voor de EU-begroting of niet;

117.  is er voorstander van om zo spoedig mogelijk een volledige en verplichte CCCTB in te voeren; neemt kennis van de aanpak van de Commissie om een eenvoudige CCTB (zonder consolidatie) voor te stellen als eerste stap van haar actieplan van juni 2015, maar wijst erop dat dit een groot aantal kwesties open zal laten, met name voor ondernemingen op de interne markt, aangezien een CCTB niet voorziet in compensatie van verliezen door consolidatie, noch in de aanpak van de administratieve lasten en onzekerheid in verband met verrekenprijzen, die tevens een van de belangrijkste instrumenten zijn die multinationals gebruiken om belastingen te ontwijken, noch effectief een einde zou maken aan verschuiving van heffingsgrondslag binnen de Unie; dringt er daarom bij de Commissie op aan een concrete en korte deadline vast te stellen om het "consolidatie-element" op te nemen in het CCCTB-initiatief; verzoekt de Commissie af te zien van aanvullende effectbeoordelingen van deze maatregel, die sinds tientallen jaren op de EU-agenda staat, al onderwerp is geweest van uitgebreide voorbereidende werkzaamheden en nu door de Raad wordt tegengehouden sinds de formele indiening ervan in 2011;

118.  verzoekt de Commissie, in afwachting van de goedkeuring van een volledige CCCTB en de volledige tenuitvoerlegging daarvan op EU-niveau, onmiddellijk maatregelen te nemen om voor doeltreffende belastingheffing te zorgen, winstverschuiving (met name door verrekenprijzen) te beperken, een tussentijdse regeling – in afwachting van consolidatie – voor de compensatie van grensoverschrijdende winsten en verliezen te treffen, die tijdelijk moet zijn en voldoende garanties moet inhouden dat er geen nieuwe mogelijkheden voor agressieve belastingplanning door ontstaan, en in alle betreffende richtlijnen passende en doeltreffende antimisbruikregels op te nemen; verzoekt de Commissie de bestaande richtlijnen en ontwerprichtlijnen op het gebied van belasting- en vennootschapsrecht te controleren op de geschiktheid ervan om doeltreffende belastingheffing af te dwingen; verzoekt de Raad voorbereidselen te treffen voor de spoedige goedkeuring van deze bepalingen; benadrukt dat een van de doelstellingen van een CCCTB, namelijk minder administratieve rompslomp, slechts kan worden verwezenlijkt als de toepassing ervan gepaard gaat met de toepassing van gemeenschappelijke boekhoudregels en een harmonisatie van de administratieve praktijk op belastinggebied;

119.  verzoekt de Commissie duidelijke wetgeving vast te stellen inzake de definitie van economische substantie, het creëren van waarde en permanente vestiging, met name om het probleem van brievenbusfirma's aan te pakken, en EU-criteria en -richtsnoeren voor de behandeling van onderzoek en ontwikkeling op te stellen die verenigbaar zijn met, maar niet beperkt blijven tot, de werkzaamheden van de OESO op dit gebied, aangezien de lidstaten momenteel werken aan een hervorming van hun strategie ter zake, vaak in combinatie met subsidies; benadrukt dat in die wetgeving duidelijk moet worden vermeld dat er een direct verband moet bestaan tussen de door de belastingdiensten toegekende voorkeursregelingen en de onderliggende O&O-activiteiten; verzoekt de Commissie de EU-wetgeving inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en de toepassing ervan te herzien in overeenstemming met het arrest-Cadbury Schweppes van het Europees Hof van Justitie (C-196/04), om volledig gebruik van gecontroleerde buitenlandse vennootschappen buiten situaties van volstrekt kunstmatige constructies te waarborgen en gevallen van dubbele niet-belastingheffing te voorkomen; verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor het harmoniseren van de regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen in de EU;

120.  verzoekt de Commissie tevens om, bij gebrek aan een algemeen aanvaarde definitie, verdere analyses en studies uit te voeren om een definitie van agressieve belastingplanning en schadelijke belastingpraktijken vast te stellen, en met name te kijken naar misbruik van verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing en "hybrid mismatch"-constructies, rekening houdend met de diverse negatieve effecten die deze kunnen hebben op de samenleving, te zorgen voor toezicht op deze praktijken en na te gaan wat precies de gevolgen zijn van belastingontwijking in de EU en in ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie ook een methode vast te stellen voor het meten van de belastingkloof ten gevolge van belastingontwijking en -ontduiking – zoals zij in haar voorstel van maart 2015 heeft aangekondigd – en ervoor te zorgen dat deze meting regelmatig plaatsvindt teneinde de vooruitgang te volgen en passende beleidsreacties te formuleren; verzoekt de Commissie de nodige actie te ondernemen om duidelijkheid te scheppen over de exacte status van alle "afhankelijke rechtsgebieden" van de lidstaten en over welke hefbomen kunnen worden gebruikt om hun praktijken bij te sturen teneinde grondslaguitholling in de EU te voorkomen;

121.  herinnert eraan dat er naast fraude met de vennootschapsbelasting ook op grote schaal fraude wordt gepleegd met grensoverschrijdende btw, een belasting die van wezenlijk belang is voor alle nationale begrotingen; roept de Commissie op maatregelen te ontwikkelen om dit probleem aan te pakken, waaronder betere coördinatie op dit gebied tussen nationale belastingdiensten;

Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen

122.  dringt aan op een dringende herziening van de Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen en van de Groep die is belast met de naleving ervan, aangezien het nut daarvan tot op heden twijfelachtig is, teneinde de huidige belemmeringen voor een doeltreffende aanpak van schadelijke belastingpraktijken weg te nemen en een bijdrage te leveren aan de EU-brede coördinatie en samenwerking op het gebied van belastingbeleid;

123.  vraagt de lidstaten in een geest van goede samenwerking de voorstellen te steunen die zijn opgenomen in het actieplan van de Commissie van 17 juni 2015 voor eerlijke en doeltreffende vennootschapsbelasting in de EU; meent dat meer transparantie en verantwoording de legitimiteit van de Groep ten goede zouden komen; pleit er daarom voor om het bestuur en mandaat van de Groep te hervormen, onder meer door de benoeming van een permanent voorzitterschap dat politieke verantwoording moet afleggen, de verbetering van de werkmethoden, eventueel met een nalevingsmechanisme, de regelmatige deelname van ministers van Financiën of hoge ambtenaren aan de Groep om zijn zichtbaarheid te vergroten, en meer informatie-uitwisseling binnen de Groep om BEPS-kwesties doeltreffend aan te pakken; vraagt ook dat de criteria in de Gedragscode worden geactualiseerd en uitgebreid om nieuwe vormen van schadelijke belastingpraktijken te dekken, ook in derde landen; verzoekt de voorzitter van de Groep en de Raad regelmatig over de activiteiten van de Groep verslag uit te brengen aan en te overleggen met zijn bevoegde commissie, met name wat de indiening van zijn halfjaarlijkse verslagen aan Ecofin betreft;

124.  verzoekt de Raad meer in het algemeen de bevordering van een daadwerkelijk democratisch toezicht op grensoverschrijdende belastingaangelegenheden op EU-niveau te ondersteunen, naar analogie met wat reeds gebeurt op andere gebieden waarover lidstaten of andere onafhankelijke instellingen, zoals de Europese Centrale Bank en de raad van toezicht van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, de exclusieve bevoegdheid hebben; verzoekt de Raad en de lidstaten om de mogelijkheid te overwegen een groep op hoog niveau inzake belastingbeleid in het leven te roepen, zoals de voorzitter van de Commissie heeft voorgesteld; onderstreept dat zo'n "belastingcommissie", die verantwoording dient af te leggen aan het Parlement, zou worden samengesteld uit vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie, naar het model van het Economisch en Financieel Comité, alsmede onafhankelijke deskundigen, en een algemener toezicht op het wetgevend en niet-wetgevend belastingbeleid zou uitoefenen en aan Ecofin verslag zou uitbrengen; vraagt dat aan het Parlement een recht van initiatief krijgt om elke nationale maatregel waarvan het denkt dat die beantwoordt aan de criteria voor schadelijke belastingconcurrentie die zijn opgenomen in de Gedragscode, te melden bij de Groep gedragscode;

125.  verzoekt de Commissie om een tweede actualisering van het verslag inzake administratieve praktijken van Simmons & Simmons van 1999, als genoemd in punt 26 van het verslag van de Groep gedragscode van 1999, het verslag-Primarolo (SN 4901/99);

126.  vraagt de Raad en de lidstaten om, met inachtneming van de Verdragen en de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, de transparantie, de verantwoordingsplicht en de monitoring van de Groep te verbeteren, en vraagt de Commissie om volgens de communautaire methode het initiatief te nemen tot kaderwetgeving; acht het van essentieel belang dat het brede publiek meer informatie krijgt over de werkzaamheden van de Groep;

127.  verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Europese Ombudsman met betrekking tot de samenstelling van deskundigengroepen volledig uit te voeren en een routekaart op te stellen die ervoor moet zorgen dat deskundigengroepen op evenwichtige wijze worden samengesteld; benadrukt dat terwijl naar dit doel wordt toegewerkt, onmiddellijk moet worden begonnen met het hervormen van de huidige structuur en samenstelling; onderstreept dat dergelijke hervormingen niet zullen resulteren in een gebrek aan technische deskundigheid voor wetgeving, aangezien die kan worden verschaft via openbare raadplegingen of openbare hoorzittingen met deskundigen die openstaan voor vertegenwoordigers van alle belangen; vraagt de Commissie een duidelijke definitie van belangenconflicten vast te stellen en een strikt beleid te voeren om te voorkomen dat actoren die risico lopen op dergelijke belangenconflicten, alsook vertegenwoordigers van organisaties die zijn veroordeeld voor belastingontduiking of een ander misdrijf, actief lid zijn van een deskundigengroep of adviserend orgaan;

Staatssteun

128.  is zeer ingenomen met en steunt de centrale rol van de Commissie als bevoegde mededingingsautoriteit in het kader van het lopende onderzoek naar staatssteun in verband met fiscale rulings; vindt het onterecht dat verschillende lidstaten herhaaldelijk geheimhouding hebben betracht bij projecten die staatssteun hebben ontvangen; moedigt de Commissie aan om haar bevoegdheden uit hoofde van de mededingingsregels van de EU ten volle te benutten om schadelijke belastingpraktijken aan te pakken en sancties op te leggen aan lidstaten en bedrijven waarvan is gebleken dat zij bij dergelijke praktijken betrokken waren; benadrukt de Commissie meer financiële en personele middelen moet inzetten om beter in staat te zijn alle noodzakelijke onderzoeken naar fiscale staatssteun meteen uit te voeren; benadrukt dat de lidstaten volledig moeten meewerken aan de onderzoeken en gehoor moeten geven aan verzoeken om informatie van de Commissie;

129.  vraagt de Commissie uiterlijk medio 2017 in het kader van haar initiatief voor de modernisering van het EU-staatssteunbeleid nieuwe richtsnoeren vast te stellen om te verduidelijken wat belastinggerelateerde staatssteun en "passende" verrekenprijzen inhouden, teneinde de rechtsonzekerheid weg te nemen voor zowel de belastingbetalers die zich aan de regels houden als de belastingdiensten, in een kader voor de belastingpraktijken van de lidstaten te voorzien en het gebruik van rechtmatige fiscale rulings niet te ontmoedigen; betwist het nut van het arbitrageverdrag, dat niet doelmatig is om geschillen te beslechten, met name over verrekenprijzen; is van oordeel dat dit instrument moet worden herzien en doelmatiger moet worden, of moet worden vervangen door een geschillenmechanisme van de EU met doeltreffendere procedures voor onderlinge afspraken;

130.  vraagt de Commissie haar onderzoeken uit te breiden tot andere in het LuxLeaks-schandaal genoemde multinationals en tot maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect als verrekenprijzen;

131.  verzoekt de Commissie om, overeenkomstig de ruimere verantwoordelijkheid die door de modernisering van het EU-staatssteunbeleid aan de lidstaten wordt toegekend, te overwegen een netwerk van nationale belastingdiensten op te zetten om best practices uit te wisselen en een meer samenhangende bijdrage te leveren aan de preventie van de invoering van belastingmaatregelen die op illegale staatssteun kunnen neerkomen; verzoekt de Commissie om de strategische synergieën te versterken tussen de activiteiten van de (hervormde) Groep gedragscode en de handhaving door de Commissie van de mededingingsregels op het gebied van belastinggerelateerde steun;

132.  neemt er nota van dat de huidige regels inzake toezicht op staatssteun beogen concurrentieverstorende praktijken tegen te gaan door onterecht aan bedrijven toegekende voordelen terug te vorderen; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is de bestaande regels te veranderen, opdat de na een inbreuk op de EU-staatsteunregels teruggevorderde bedragen kunnen worden uitgekeerd aan de lidstaten die het slachtoffer zijn geweest van een uitholling van hun belastinggrondslag of naar de EU-begroting kunnen gaan, en niet naar de lidstaat die de illegale belastinggerelateerde steun heeft toegekend, zoals thans het geval is; verzoekt de Commissie de bestaande regels te veranderen om ervoor te zorgen dat er bij een inbreuk op de staatssteunregels sancties kunnen worden opgelegd aan de betrokken landen en bedrijven;

Transparantie

133.  is van mening dat de Unie het potentieel heeft om een model en een wereldleider op het gebied van fiscale transparantie te worden;

134.  onderstreept het cruciale belang van transparantie met het oog op het vergroten van de openbare verantwoordingsplicht van multinationals en het ondersteunen van belastingdiensten bij hun onderzoeken; onderstreept dat dit een sterk afschrikwekkend effect kan hebben en gedragingen kan veranderen, zowel door het risico voor de reputatie van bedrijven die zich niet aan de regels houden als door informatieverstrekking aan de bevoegde autoriteiten, die vervolgens passende corrigerende maatregelen en sancties kunnen vaststellen; benadrukt dat de behoefte aan transparantie moet worden afgewogen tegen de noodzaak om gevoelige commerciële belangen te beschermen en de regels inzake gegevensbescherming in acht te nemen;

135.  is van oordeel dat meer transparantie met betrekking tot de activiteiten van multinationals essentieel is om ervoor te zorgen dat belastingdiensten BEPS doeltreffend kunnen bestrijden; herhaalt dienovereenkomstig zijn standpunt dat multinationals in alle sectoren in hun financiële overzichten, uitgesplitst per lidstaat en per derde land waar zij gevestigd zijn, een reeks geaggregeerde gegevens op duidelijke en bevattelijke wijze openbaar moeten maken, met inbegrip van winst of verlies vóór belasting, aantal werknemers, activa en basisinformatie over fiscale rulings (verslaglegging per land); onderstreept het belang van het beschikbaar maken van deze informatie aan het publiek, mogelijk in de vorm van een centraal EU-register; benadrukt voorts dat kmo's die geen multinationals zijn, van deze verplichting moeten worden vrijgesteld; verzoekt de Raad om vóór eind 2015 zijn goedkeuring te hechten aan het standpunt dat het Parlement in juli 2015 heeft aangenomen over de richtlijn aandeelhoudersrechten; benadrukt dat de transparantievereisten op dusdanige wijze moeten worden opgesteld en toegepast dat ze voor Europese bedrijven geen concurrentienadeel vormen;

136.  verzoekt de lidstaten om een uitgebreider verslagleggingssysteem per land in te voeren dat beschikbaar is voor hun belastingautoriteiten, op basis van de OESO-norm en met inbegrip van gedetailleerdere informatie, zoals belastingaangiften en intragroeptransacties; benadrukt dat de verstrekking van belastinginformatie door bedrijven aan andere belastingdiensten gepaard moet gaan met een verbetering van het kader voor geschillenbeslechting, teneinde de respectievelijke rechten van elke partij te verduidelijken en negatieve neveneffecten te voorkomen; benadrukt dat, ten aanzien van belastingdiensten van derde landen, informatie alleen dient te worden doorgegeven aan de autoriteiten van landen die regelingen hebben getroffen die gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgelegd in het Arbitrageverdrag van de EU; dringt tevens aan op de ontwikkeling van geharmoniseerde standaarden voor jaarrekeningen, die een meer gedetailleerde openbaarmaking van royalty's mogelijk maken;

137.  verzoekt de Commissie dit standpunt te ondersteunen overeenkomstig haar eerdere evaluaties en standpunten, en alle noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de toepassing ervan tot alle multinationals op de interne markt wordt uitgebreid, en verzoekt de OESO de wereldwijde verbreiding ervan te ondersteunen om ervoor te zorgen dat soortgelijke verplichtingen van toepassing zijn op alle bedrijven die grensoverschrijdende transacties verrichten; onderstreept dat maatregelen ter verbetering van de transparantie weliswaar noodzakelijk zijn, maar niet volstaan om de kwestie op allesomvattende wijze aan te pakken, en dat ook de nationale, EU- en internationale belastingstelsels ingrijpend moeten worden hervormd;

138.  benadrukt dat de huidige ondoorzichtigheid van het internationale belastingstelsel multinationals in staat stelt belastingen te ontwijken, nationale belastingwetten te omzeilen en hun winsten naar belastingparadijzen te versluizen; vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten volledige toegang hebben tot centrale registers van uiteindelijke begunstigden van zowel bedrijven als trusts, overeenkomstig de vierde antiwitwasrichtlijn; verzoekt de lidstaten om de vierde antiwitwasrichtlijn snel om te zetten en zo te zorgen voor brede en vereenvoudigde toegang tot informatie in centrale registers van uiteindelijke begunstigden; herhaalt zijn standpunt dat deze registers openbaar moeten zijn;

139.  waardeert het werk dat de Commissie heeft verricht om een Europees fiscaal identificatienummer (FIN) te ontwikkelen; verzoekt de Commissie om een voorstel in te dienen voor een Europees fiscaal identificatienummer (FIN), gebaseerd op het ontwerp voor een Europees FIN in het actieplan van de Commissie inzake de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking van 2012 (actie 22)(42); herinnert eraan dat het FIN beschouwd wordt als de beste manier om belastingbetalers te identificeren en dringt er dus op aan dit project sneller te implementeren; dringt er in dit verband ook bij de Commissie op aan om op mondiaal niveau een vergelijkbaar identificatienummer te ontwikkelen, zoals de mondiale identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI) van het Regulatory Oversight Committee;

140.  benadrukt bovendien dat transparantie ook van groot belang is bij de lopende onderzoeken naar staatssteun in verband met fiscale rulings;

141.  verzoekt de Commissie om na te gaan of het mogelijk is om in de EU bepalingen toe te passen die vergelijkbaar zijn met de regel van de Amerikaanse Governmental Accounting Standards Board (GASB)(43) die vereist dat nationale en plaatselijke overheden verslag uitbrengen over hoeveel inkomsten zij verliezen aan belastingvoordelen voor bedrijven met het oog op economische ontwikkeling;

Bescherming van klokkenluiders

142.  vraagt de Commissie om uiterlijk in juni 2016 een EU-wetgevingskader voor te stellen om klokkenluiders e.d. effectief te beschermen; benadrukt dat het onaanvaardbaar is dat burgers en journalisten veeleer vervolging riskeren dan rechtsbescherming krijgen wanneer zij, in het openbaar belang, informatie onthullen over of melding maken van vermoedelijke vergrijpen, strafbare feiten, fraude of illegale activiteiten, met name in gevallen van belastingontwijking, belastingontduiking en witwassen, of andere gedragingen die inbreuk maken op de fundamentele beginselen van de EU, zoals het beginsel van loyale samenwerking;

143.  vraagt de Commissie een reeks instrumenten te overwegen om deze bescherming tegen ongerechtvaardigde rechtsvervolging, economische sancties en discriminatie te waarborgen en tegelijkertijd te zorgen voor de bescherming van de vertrouwelijkheid en bedrijfsgeheimen; vestigt in dit verband de aandacht op het voorbeeld van de Amerikaanse Dodd-Frank Act, die klokkenluiders beloont voor het leveren van originele informatie aan de autoriteiten en hen beschermt tegen rechtsvervolging en ontslag, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat zo'n beloning geen stimulans mag zijn om gevoelige bedrijfsinformatie openbaar te maken; stelt voor om een onafhankelijk Europees orgaan op te richten dat deze informatie verzamelt en onderzoeken voert, alsook een gemeenschappelijk pan-Europees klokkenluidersfonds, dat klokkenluiders passende financiële steun biedt, die beide worden gefinancierd met een heffing op een deel van het teruggevorderde geld of van de opgelegde boetes; is van mening dat er ook bescherming moet worden geboden aan klokkenluiders die het publiek op de hoogte brengen nadat zij eerst de bevoegde autoriteiten op nationaal of EU-niveau op de hoogte hebben gebracht en die na een maand niet hebben gereageerd;

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

144.  is van mening dat het toepassen van een verantwoorde belastingstrategie moet worden beschouwd als een pijler van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), met name volgens de bijgewerkte definitie van MVO als "de verantwoordelijkheid van bedrijven voor het effect dat ze op de samenleving hebben"(44); betreurt dat de meeste bedrijven dit niet in hun MVO-verslag vermelden; onderstreept dat agressieve belastingplanning niet verenigbaar is met MVO; verzoekt de Commissie om dit element op te nemen in een bijgewerkte EU-strategie ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de inhoud ervan naar behoren te definiëren;

Derdelanddimensie

OESO

145.  ondersteunt het BEPS-actieplan van de OESO, maar erkent dat dit het resultaat van een compromis is, dat niet ver genoeg gaat om de omvang van het belastingontwijkingsprobleem aan te pakken, en dat deze voorstellen het uitgangspunt moeten vormen voor verdere maatregelen op EU-niveau; vraagt dat de OESO, haar lidstaten en alle andere betrokken landen een sterk toezichtsinstrument opzetten om de voortgang van de tenuitvoerlegging van deze richtsnoeren te evalueren, te controleren of ze wel doeltreffend zijn en eventueel corrigerende maatregelen te treffen;

146.  beveelt aan om de institutionele banden en de samenwerking tussen de OESO en de Commissie te versterken om de verenigbaarheid van beide processen in stand te houden en dubbele maatstaven te voorkomen; vraagt de lidstaten alle op de OESO-richtsnoeren gebaseerde EU-wetgeving onverwijld in nationaal recht om te zetten, zodat de EU een voortrekker wordt bij de uitvoering van de aanbevelingen van de OESO; onderstreept evenwel dat de aanpak van de OESO nog steeds is gebaseerd op "soft law" en dat haar optreden moet worden aangevuld met een gedegen wetgevingskader op EU-niveau dat beantwoordt aan de behoeften van de interne markt, bv. in de vorm van een anti-BEPS-richtlijn die verder gaat dan het BEPS-initiatief van de OESO op gebieden die daarin onvoldoende aan bod komen;

Belastingparadijzen

147.  dringt aan op een gemeenschappelijke EU-aanpak van belastingparadijzen; verzoekt de Commissie met name om verder te werken aan de ontwikkeling en vaststelling van een Europese definitie, een gemeenschappelijke reeks criteria om te bepalen wat belastingparadijzen zijn, ongeacht waar zij zich bevinden, en passende sancties voor landen die met belastingparadijzen samenwerken – op basis van haar aanbeveling van december 2012 inzake maatregelen om derde landen aan te moedigen minimumnormen voor goed bestuur in belastingzaken toe te passen (d.w.z. maatregelen die naast informatie-uitwisseling en transparantie ook eerlijke belastingconcurrentie en doeltreffende belastingheffing inhouden) – en voor bedrijven die belastingparadijzen gebruiken voor agressieve belastingplanning, en aan de vaststelling van passende gemeenschappelijke maatregelen die op deze rechtsgebieden van toepassing zijn; verwijst naar zijn resolutie van 21 mei 2013 over de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking en belastingparadijzen voor een niet-limitatieve lijst van mogelijke maatregelen(45); herhaalt dat daadwerkelijk Europese lijsten, die regelmatig worden geactualiseerd en zijn gebaseerd op uitgebreide, transparante, betrouwbare, objectief verifieerbare en algemeen aanvaarde indicatoren, doeltreffender zouden zijn als middel om goed fiscaal bestuur te bevorderen en de fiscale gedragingen ten opzichte van en binnen deze rechtsgebieden te veranderen;

148.  verzoekt de Commissie om in de Europese zwarte lijst de gebieden op te nemen die belastingvoordelen toekennen aan entiteiten zonder substantiële economische activiteiten in het land te vereisen, beduidend lage effectieve belastingen bieden en geen automatische uitwisseling van fiscale informatie met andere rechtsgebieden garanderen;

149.  onderstreept met name dat ervoor moet worden gezorgd dat uitgaande financiële stromen ten minste één keer worden belast, bv. door een bronbelasting of gelijkwaardige maatregelen, om te voorkomen dat winsten de EU onbelast verlaten, en vraagt de Commissie daartoe een wetgevingsvoorstel in te dienen, bv. door een herziening van de moeder-dochterrichtlijn en de richtlijn interest en royalty's; dringt erop aan een systeem in te voeren om ervoor te zorgen dat ter bevestiging een document bij de nationale belastingautoriteiten moet worden ingediend en aan de Commissie moet worden meegedeeld waarmee deze operatie wordt aangetoond, zodat de interne markt wordt beschermd en de band wordt gehandhaafd tussen de plaats waar de winsten worden gemaakt en de economische waarde wordt gegenereerd en de plaats waar deze worden belast; benadrukt dat een dergelijk systeem zorgvuldig moet worden ontworpen teneinde dubbele belastingheffing en geschillen te voorkomen; vraagt de Commissie steun te betuigen voor de door de OESO gepromote multilaterale aanpak van belastingkwesties – die beoogt internationale belastingafspraken te stroomlijnen en ervoor te zorgen dat winsten daar worden belast waar zij gegenereerd worden – en tegelijk de rol van de EU op het internationale toneel te versterken door met één stem te spreken en te werken aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijk EU-kader voor bilaterale belastingverdragen en een geleidelijke vervanging van het enorme aantal afzonderlijke bilaterale belastingverdragen door verdragen tussen de EU en derde rechtsgebieden; onderstreept dat dit de meest directe manier zou zijn om "verdragshoppen" tegen te gaan; vraagt de lidstaten in afwachting daarvan onmiddellijk antimisbruikbepalingen op te nemen in hun belastingverdragen, in overeenstemming met de BEPS-voorstellen;

150.  is van oordeel dat het sluiten van vrijhandelsovereenkomsten vergezeld moet gaan van meer samenwerking op belastinggebied om belastingontwijking door bedrijven die op dezelfde markten concurreren te voorkomen en voor een gelijk speelveld te zorgen; verzoekt de Commissie daarom in alle vrijhandelsovereenkomsten van de EU belastingbepalingen op te nemen die partnerlanden ertoe verplichten voor goed fiscaal bestuur en wederkerigheid in belastingzaken te zorgen; onderstreept dat de werkzaamheden van het EU-platform voor goed fiscaal bestuur een goede basis vormen om dit concept toe te passen; onderstreept dat hetzelfde van toepassing zou kunnen zijn op de samenwerkingsovereenkomsten van de EU;

151.  verzoekt EU-organen om niet samen te werken met rechtsgebieden die niet bereid zijn tot samenwerking inzake belastingkwesties, noch met bedrijven die zijn veroordeeld wegens belastingfraude, belastingontduiking of agressieve belastingplanning; vraagt dat instellingen zoals de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) niet langer via hun financiële tussenpersonen samenwerken met fiscale rechtsgebieden die niet bereid zijn tot samenwerking; vraagt EU-organen bovendien om zich ertoe te verbinden geen EU-financiering toe te kennen aan bedrijven die zijn veroordeeld wegens belastingfraude, belastingontduiking of agressieve belastingplanning;

152.  verzoekt de Commissie om alle instrumenten waarover zij beschikt, te gebruiken om een meer gecoördineerde benadering ten aanzien van industrielanden te bevorderen teneinde een grotere wederkerigheid in belastingkwesties te stimuleren, met name wat betreft informatie-uitwisseling met de Verenigde Staten na de inwerkingtreding van de Foreign Account Tax Compliance Act (wet op de naleving van de belastingplicht voor buitenlandse rekeningen); vraagt de Commissie ook om, in het licht van de overeenkomst van 27 mei 2015 tussen de EU en Zwitserland over de automatische uitwisseling van informatie over financiële rekeningen, ter bescherming van de interne markt nauwgezet toe te zien op de overeengekomen geleidelijke afschaffing van een aantal schadelijke belastingpraktijken in Zwitserland, overeenkomstig de BEPS-richtsnoeren, en erop te letten dat er in de toekomst geen nieuwe schadelijke belastingmaatregelen worden ingevoerd; verzoekt de Commissie bij de lopende onderhandelingen met Zwitserland voor te stellen om regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen op te nemen in het Zwitsers recht; benadrukt dat de Commissie ervoor moet zorgen dat Zwitserland de EU-aanpak op belastinggebied volgt en verslag moet uitbrengen aan het Parlement;

153.  herinnert eraan dat alle lidstaten hebben gekozen voor een multilaterale aanpak van de automatische uitwisseling van informatie, door middel van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken en de herziening van de EU-richtlijnen(46) in 2014; benadrukt dat deze twee initiatieven essentieel zijn om belastingontduiking en het bankgeheim aan te pakken, aangezien zij financiële instellingen ertoe verplichten de belastingdiensten allerlei informatie te verstrekken over ingezetenen met inkomsten die worden gegenereerd door in het buitenland aangehouden activa;

Ontwikkelingslanden

154.  onderstreept dat bij het concipiëren van maatregelen en beleid ter voorkoming van belastingontwijking op nationaal, EU- en internationaal niveau speciale aandacht moet worden besteed aan de situatie van de ontwikkelingslanden, en met name van de minst ontwikkelde landen, die doorgaans het hardst worden getroffen door ontwijking van vennootschapsbelasting en over zeer smalle belastinggrondslagen en een lage verhouding tussen de belastingopbrengsten en het bbp beschikken; onderstreept dat deze maatregelen en dit beleid moeten bijdragen tot het genereren van overheidsinkomsten die in verhouding staan tot de toegevoegde waarde die op hun grondgebied wordt gegenereerd, zodat hun ontwikkelingsstrategieën, de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 naar behoren kunnen worden gefinancierd; is in dit verband ingenomen met het werk van de deskundigencommissie inzake internationale samenwerking in belastingaangelegenheden van de VN; verzoekt de Commissie om de belangen van de ontwikkelingslanden in het kader van bestaande internationale initiatieven te steunen en vertegenwoordigers uit ontwikkelingslanden op te nemen in haar platform voor goed fiscaal bestuur;

155.  roept de EU en de deelnemers aan het BEPS-project van de OESO op ervoor te zorgen dat de nieuwe door de OESO ontwikkelde "mondiale norm voor de automatische uitwisseling van informatie" voorziet in een overgangsperiode voor ontwikkelingslanden die door een gebrek aan administratieve capaciteit nog niet kunnen voldoen aan de vereisten van wederzijdse automatische uitwisseling van informatie;

156.  vraagt de Commissie verdere maatregelen voor te stellen om de administratieve capaciteit in de ontwikkelingslanden te helpen vergroten, met name in belastingaangelegenheden, om een doeltreffende uitwisseling van belastinggegevens met hun administraties mogelijk te maken; dringt aan op het instellen van een platform voor ontwikkelingslanden door het uitvoeren van proefprojecten inzake de automatische uitwisseling van informatie; vraagt de ontwikkelingslanden om regionale overeenkomsten of andere vormen van samenwerking in belastingzaken te stimuleren teneinde hun onderhandelingspositie ten opzichte van buitenlandse directe investeerders en multinationals te versterken en kwesties van gemeenschappelijk belang aan te pakken;

157  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun instanties voor ontwikkelingshulp kunnen beschikken over voldoende technische deskundigheid, met name van het ministerie van Financiën en de belastingdiensten, om belastingkwesties in het ontwikkelingsbeleid aan te pakken;

158.  verwijst naar het actieplan zoals uiteengezet in zijn resolutie van 8 juli 2015 over belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden; moedigt alle landen en internationale organisaties, zoals de VN, aan om deel te nemen aan een inclusief proces en bij te dragen tot de belastingagenda van de G20/OESO, waarbij BEPS worden aangepakt, de internationale fiscale transparantie en de wereldwijde uitwisseling van belastinggegevens worden bevorderd, bv. door de ontwikkeling van één gezamenlijke verslaglegginsnorm voor de automatische uitwisseling van informatie of de openbaarmaking van de uiteindelijke begunstigden; vraagt de Commissie en de lidstaten een grotere rol voor de VN in toekomstige internationale belastingbesprekingen te steunen, bv. door de oprichting van een mondiaal belastingorgaan onder auspiciën van de Verenigde Naties te steunen;

Belastingadviseurs

159.  wijst erop dat het problematisch en aanvechtbaar is dat binnen dezelfde kantoren diensten op het gebied van belastingadvies, accountantscontrole en consulting worden aangeboden, enerzijds ten behoeve van de belastingdiensten, bv. voor de opzet van belastingstelsels en de verbetering van de belastinginning, en anderzijds ten behoeve van belastingplanning voor multinationals, waarbij de zwakke punten van de nationale belastingwetgeving mogelijk worden uitgebuit;

160.  wijst op het bestaan van een Europees rechtskader, dat met name bestaat uit het laatste pakket betreffende de hervorming van de auditmarkt, waaraan het Parlement in zijn resolutie van 3 april 2014 zijn goedkeuring heeft gehecht; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de toepasselijke wettelijke bepalingen daadwerkelijk binnen de vastgestelde termijnen en in overeenstemming met de beoogde doelstellingen worden toegepast in de lidstaten;

161.  verzoekt de Commissie om met voorstellen te komen voor richtsnoeren voor de belastingadviessector en voor het opzetten van een EU-wijde onverenigbaarheidsregeling voor belastingadviseurs en eventueel voor banken, om ervoor te zorgen dat belangenconflicten tussen dienstverlening aan de publieke en particuliere sectoren worden voorkomen;

162.  verzoekt de Commissie een onderzoek te starten naar de mate van concentratie in de sector en de mogelijke concurrentieverstoring die daaruit voortvloeit; beveelt aan om bij dit onderzoek ook specifiek na te gaan of het combineren van belastingadvies en accountantscontrolefuncties bij dezelfde kantoren tot belangenconflicten kan leiden, en dienovereenkomstig maatregelen voor te stellen, onder meer door mechanismen in te voeren om afdelingen binnen de advieskantoren van elkaar te scheiden;

163.  vraagt dat de Commissie dringend de mogelijkheid onderzoekt om een wetgevingskader in te voeren dat voorziet in afdoende sancties voor firma's, banken, accountantskantoren en financiële adviseurs waarvan bewezen is dat zij betrokken zijn bij het uitvoeren of bevorderen van onwettige belastingontwijking en agressieve belastingplanning; benadrukt dat deze sancties een afschrikkend effect moeten hebben en onder meer kunnen bestaan in boetes, het ontzeggen van toegang tot middelen uit de EU-begroting, verbod op een adviserende rol binnen de EU-instellingen en, in extreme en herhaalde gevallen, intrekking van bedrijfsvergunningen;

Verdere maatregelen op nationaal niveau

164.  moedigt verdere maatregelen op nationaal niveau aan om belastingontwijking aan te pakken in het kader van de EU en de OESO, aangezien ongecoördineerde reacties kunnen leiden tot nog meer incongruenties en mogelijkheden voor belastingontwijking; onderstreept dat samenwerking het beste instrument voor de bestrijding van grondslaguitholling is en de voorkeur verdient boven de unilaterale invoering van preferentiële regelingen om investeringen aan te trekken;

165  vraagt de Commissie richtsnoeren voor belastingamnestie door de lidstaten vast te stellen om te omschrijven onder welke omstandigheden een dergelijke amnestie zou voldoen aan de bepalingen van de EU-verdragen betreffende het vrij verkeer van kapitaal, het vrij verrichten van diensten, de regels inzake staatssteun en witwassen van geld en de gemeenschappelijke EU-aanpak van belastingparadijzen; herinnert eraan dat deze praktijk met de grootste omzichtigheid moet worden toegepast teneinde belastingontduikers niet aan te moedigen om te wachten op de volgende amnestie;

166.  vraagt de lidstaten een regeling voor bronbelasting op royalty's in te voeren opdat ook belasting wordt geheven over royalty's die worden afgedragen aan derde landen die niet onder bilaterale belastingverdragen vallen;

167.  vraagt elke lidstaat alvorens belastingmaatregelen in te voeren die in het buitenland van invloed kunnen zijn, effectbeoordelingen van overloopeffecten in andere landen te verrichten, zo nodig met technische ondersteuning van de Commissie; vraagt dat de nationale parlementen nauw bij de kwestie van belastingontwijking worden betrokken, aangezien geen enkel belastingstelsel en geen enkele fiscale behandeling aan een gedegen evaluatie en democratische controle door de wetgever mag ontsnappen;

168.  vraagt de lidstaten met klem de bezuinigingen op hun belastingdiensten stop te zetten en opnieuw te overwegen, meer in hun belastingdiensten te investeren, hun belastingdiensten efficiënter te maken, het personeel beter te verdelen en de technologie en deskundigheid te verbeteren, teneinde de ontwikkeling en weerslag van schadelijke belastingpraktijken aan te pakken, die steeds geperfectioneerder worden; verzoekt de Commissie aan dergelijke inspanningen technische ondersteuning te bieden, met name in het kader van het Fiscalis 2020-programma; verzoekt de lidstaten werk te maken van eenvoudige, doeltreffende en transparante belastingregelingen in het belang van de lidstaten, de burgers en het bedrijfsleven;

169.  herinnert eraan dat overheidsopdrachten 16 % van het bbp in de EU vertegenwoordigen; vraagt dat de mogelijkheid wordt onderzocht om tijdens de volgende ronde van herzieningen van de richtlijn inzake overheidsopdrachten criteria inzake belastingen, transparantie of samenwerking in aanbestedingen te introduceren; verzoekt de lidstaten te overwegen om bedrijven waarvan is aangetoond dat zij bij agressieve belastingplanning en belastingontwijkingsconstructies betrokken waren, uit te sluiten van deelname aan overheidsopdrachten;

170.  onderstreept ten slotte dat de regel van eenparigheid van stemmen in de Raad waardoor elk land een vetorecht heeft, de stimulans vermindert om van de status quo naar meer samenwerking te gaan; verzoekt de Commissie niet te aarzelen om zo nodig gebruik te maken van artikel 116 VWEU, waarin het volgende is vastgelegd: "Ingeval de Commissie vaststelt dat een dispariteit tussen de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten de mededingingsvoorwaarden op de interne markt vervalst en zodoende een distorsie veroorzaakt welke moet worden opgeheven, raadpleegt zij de betrokken lidstaten. Indien deze raadpleging niet leidt tot overeenstemming waardoor de betrokken distorsie wordt opgeheven, stellen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de voor dat doel noodzakelijke richtlijnen vast.";

171.  verbindt zich ertoe de werkzaamheden die zijn bijzondere commissie heeft aangevat, voort te zetten, iets te doen aan de belemmeringen waardoor zijn bijzondere commissie haar mandaat niet volledig heeft kunnen uitvoeren, en ervoor te zorgen dat een passend gevolg wordt gegeven aan haar aanbevelingen; draagt zijn bevoegde autoriteiten op na te gaan wat de beste institutionele constructie is om dit te bewerkstelligen;

172.  herhaalt zijn eis om toegang tot alle relevante EU-documenten; verzoekt zijn Voorzitter dit verzoek te doen toekomen aan de Commissie en de Raad en benadrukt dat het Parlement vastbesloten is om alle mogelijke beschikbare middelen te gebruiken om dit doel te bereiken;

173.  verzoekt zijn bevoegde commissie in haar komende initiatiefverslag van wetgevende aard over hetzelfde onderwerp een passend gevolg te geven aan deze aanbevelingen;

174.  verzoekt zijn voor constitutionele zaken bevoegde commissie aan deze aanbevelingen een passend gevolg te geven, met name wat betreft de opname van bindende samenwerkingsbepalingen in de gedragscode voor organisaties die zijn opgenomen in het Transparantieregister en de aanpassingen van de regels voor toegang tot documenten tussen EU-instellingen, teneinde ze beter af te stemmen op het in het Verdrag vastgelegde beginsel van loyale samenwerking;

o

o  o

175.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de lidstaten, de nationale parlementen, de G20 en de OESO.

BIJLAGE 1: LIJST MET PERSONEN DIE DE COMMISSIE HEEFT ONTMOET(COMMISSIEVERGADERINGEN EN DELEGATIEBEZOEKEN)

Datum

Sprekers:

30.3.2015

•  Pierre Moscovici, commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane

16.4.2015

•  Serge Colin, voorzitter UFE (Union of Finance Personnel)

•  Fernand Müller, voorzitter belastingcomité van UFE

•  Paulo Ralha, voorzitter Portugese vakbond voor medewerkers van de belastingdienst

•  François Goris, voorzitter UNSP-NUOD van CESI (Europese Confederatie van onafhankelijke vakbonden)

•  Nadja Salson, Europese Federatie van ambtenarenvakbonden

•  Henk Koller, voorzitter Europese Federatie van belastingadviseurs (CFE)

•  Olivier Boutellis-Taft, directeur Federatie van Europese accountants (FEE)

•  Ravi Bhatiani, directeur juridische zaken Independent Retail Europe

05.5.2015

•  Margrethe Vestager, commissaris voor Mededinging

•  Wolfgang Nolz, voorzitter van de Groep gedragscode

•  Jane McCormick, Senior Tax Partner, Head of EMA Tax, KPMG

•  Chris Sanger, Partner, Global Head of Tax Policy, Ernst&Young

•  Stef van Weeghel, partner bij PwC, Global Tax Policy Leader

•  Bill Dodwell, Head of Tax Policy, Deloitte VK

11.5.2015

 

 

Openbare hoorzitting over fiscale rulings en schadelijke fiscale praktijken

 

•  Stephanie Gibaud, klokkenluider en voormalig werknemer van UBS

•  Lutz Otte, klokkenluider en voormalig iT-contractant bij Julius Baer

•  Kristof Clerix, Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ)

•  Edouard Perrin, lid ICIJ

•  Richard Brooks, lid ICIJ

•  Lars Bové, lid ICIJ

•  Xavier Counasse, journalist bij Le Soir

•  Dominique Berlin, Collège européen de Paris, Université Panthéon-Assas (Paris 2)

•  Gabriel Zucman, assistent, London School of Economics and Political Sciences

•  Achim Doerfer, fiscaal jurist, auteur en rechtsfilosoof

12.5.2015

Delegatie naar België

 

•  Jacques Malherbe, Universiteit van Louvain (UCL)

•  Axel Haelterman, Universiteit van Leuven (KUL)

•  Werner Heyvaert, belastingdeskundige, Jones Day

•  Wim Wuyts, Head of Tax – voorzitter fiscale commissie VBO en Hilde Wampers, Vice President Tax - Group Finance VBO

•  Christophe Quintard, expert bij de FGTB, voormalig belastingcontroleur

•  Eric van Rompuy (voorzitter) en andere leden van de Commissie financiën en begroting van het federale parlement

•  Steven Vanden Berghe, hoofd van de dienst fiscale rulings

•  Johan Van Overtveld – minister van Financiën (bijeenkomst op 17 juni)

18.5.2015

Delegatiebezoek aan Luxemburg

 

•  Wim Piot, Tax Leader PWC Luxemburg

•  Nicolas Mackel, ceo Luxembourg for Finance

•  Christine Dahm, directeur, en Mike Mathias, lid van de Cercle de Coopération des ONG du développement

•  Eugène Berger (voorzitter) en andere leden van de parlementaire Commissie financiën

•  Pierre Gramegna, minister van Financiën

•  Pascale Toussing, directeur belastingen, Ministerie van Financiën en leden van de belastingdienst

22.5.2015

Delegatiebezoek aan Bern, Zwitserland

 

•  Markus R. Neuhaus, voorzitter van de raad van bestuur van PwC Zwitserland, lid van het kabinet van de Global Chairman van PwC

•  Frank Marty, lid van de raad van bestuur, hoofd financiële diensten en belastingen, Economie Suisse

•  François Baur, permanent afgevaardigde in Brussel, hoofd Europese zaken Economie Suisse

•  Martin Zogg, lid uitvoerend comité, hoofd binnenlandse en internationale belastingen, Swiss Holdings

•  Urs Kapalle, directeur financieel beleid en belastingen, Swiss Bankers Association

•  Mark Herkenrath, Alliance Sud, lid van de Global Alliance for Tax Justice

•  Olivier Longchamp, Declaration of Berne (DoB)

•  Jacques de Watteville, staatssecretaris internationale financiële aangelegenheden (SIF)

•  ambassadeur Christoph Schelling, hoofd van de dienst belastingbeleid

•  Adrian Hug, directeur van de Zwitserse federale belastingdienst

•  Ruedi Noser, lid Nationale Raad, voorzitter Commissie voor economische zaken en belastingen

•  Urs Schwaller, lid van de Kantonsraad

•  Ulrich Trautmann, hoofd van de sector handel en economische zaken, delegatie van de Europese Unie in Zwitserland en Liechtenstein

•  Marco Salvi, senior onderzoeker, Avenir Suisse

27.5.2015

Bijeenkomst met HM Government of Gibraltar (met coördinatoren van TAXE)

•  Fabian Picardo, premier

•  Joseph Garcia, vice-premier

28.5.2015

Delegatiebezoek aan Dublin, Ierland

•  Martin Lambe, directeur, Irish Tax Institute

•  Michael Noonan, minister van Financiën

•  Niall Cody, voorzitter van de Revenue Commission

•  Liam Twomy (voorzitter) en andere leden van de Commissie financiële zaken van het Parlement (Oireachtas) + de Gezamenlijke Commissie Europese zaken van kamer en senaat

•  Frank Barry, Trinity College Dublin (TCD)

•  Seamus Coffey, University College Cork (UCC)

•  Feargal O'Rourke, Head of Tax, PWC

•  Conor O'Brien, Head of Tax, KPMG

•  Jim Clarken, ceo, Oxfam Ierland

•  Micheál Collins, Nevin Economic Research Institute (NERI)

29.5.2015

Delegatiebezoek aan Den Haag (Nederland)

 

•  Sjoera Dikkers, parlementslid, en andere leden van de Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer

•  Bartjan Zoetmulder, Nederlandse Orde van belastingadviseurs

•  Hans van den Hurk, Universiteit van Maastricht

•  Indra Römgens, SOMO, onafhankelijke not-for-profit onderzoeks- en netwerkorganisatie

•  Francis Weyzig, Oxfam

•  Pieterbas Plasman, hoofd van de dienst fiscale rulings

•  Eric Wiebes, Nederlands staatssecretaris van Financiën

1.6.2015

 

 

Openbare hoorzitting over de internationale dimensie van fiscale rulings en andere maatregelen

 

•  Senator Mario Monti, voormalig commissaris voor Mededinging en Douane, Belastingen en Interne Markt

•  Tove Maria Ryding, manager beleid en belangenbehartiging van het European Network on Debt and Development (EURODAD)

•  Antoine Deltour, klokkenluider, voormalig accountant, PwC Luxemburg

17.6.2015

Interparlementaire bijeenkomst over "Agressieve fiscale planning en democratische controle: de rol van de parlementen"

 

Zevenendertig leden van achttien nationale parlementen:

AT, BE, CY, CZ, FR, DE, GR, HU, IE, IT, LT, LU, MT, PL, PT, RO, ES, SV

 

  Heinz Zourek, directeur-generaal van DG TAXUD

•  Pascal Saint-Amans, directeur van het Centre for Tax Policy and Administration van de OESO

18.6.2015

Delegatiebezoek aan Londen, VK

 

  David Gauke, staatssecretaris van Financiën

  Jim Harra, directeur-generaal, bedrijfsbelasting, nationale belasting- en douanedienst

  Fergus Harradence, adjunct-directeur vennootschapsbelastingteam, afdeling bedrijfs- en internationale belastingen, Ministerie van Financiën

  Andrew Dawson, hoofd belastingverdragenteam, hoofdonderhandelaar voor belastingverdragen van het VK

  Maura Parsons, adjunct-directeur, hoofd verrekenprijzen bij de nationale belasting- en douanedienst en voorzitter van de raad voor verrekenprijzen bij de nationale belasting- en douanedienst

•  Meg Hillier (voorzitter), Margaret Hodge (voormalig voorzitter) en Guto Bebb, lid van de Commissie Overheidsfinanciën van het Lagerhuis

•  Prem Sikka, professor boekhouding, Essex Business School, Universiteit van Essex

•  Frank Haskew, hoofd faculteit belastingen, ICAEW (Institute of Chartered Accountants in England and Wales) en Ian Young, International Tax Manager

•  Will Morris, voorzitter belastingcommissie en BIAC-belastingcommissie, Confederation of British industry (CBI)

•  Richard Collier, senior partner belastingen bij PwC

  Joseph Stead, Christian Aid

•  Meesha Nehru, programmadirecteur, Fair Tax Mark

23.6.2015

Gedachtewisseling met vertegenwoordigers van multinationale ondernemingen

 

•  Nathalie Mognetti, Chief Tax Officer, Total S.A.

•  Martin McEwen, Head of Tax, SSE plc

•  Christian Comolet-Tirman, directeur belastingen, BNP Paribas Groep

25.6.2015

 

Bijeenkomst met regeringsvertegenwoordiger van Bermuda (met coördinatoren van TAXE)

 

•  Everard Bob Richards, vicepremier en minister van Financiën

•  Alastair Sutton, juridisch adviseur over de EU voor de regering van Bermuda

2.7.2015

•  Richard Murphy, Tax Research LLP en oprichter van het Tax Justice Network

•  Guillaume de la Villeguérin, vicevoorzitter, Tax and Customs, Airbus

17.9.2015

•  Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Europese Commissie

•  Pierre Moscovici, commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane

•  Margrethe Vestager, commissaris voor Mededinging

22.9.2015

•  Pierre Gramegna, voorzitter Raad ECOFIN, minister van Financiën, Luxemburg

•  dr. Wolfgang Schäuble, minister van Financiën, Duitsland

•  Luis de Guindos, minister van Economische Zaken en Mededinging, Spanje

•  Michel Sapin, minister van Financiën en Overheidsrekeningen, Frankrijk

•  Pier Carlo Padoan, minister van Economie en Financiën, Italië

 

BIJLAGE 2: LIJST VAN ANTWOORDEN PER LAND/INSTELLING

(situatie op 26 oktober 2015)

Land

Antwoord

1e verzoek op 23.4.2015 – deadline 31.5.2015

Zweden

29.5.2015

Jersey

29.5.2015

Guernsey

31.5.2015

Luxemburg

1.6.2015

Finland

2.6.2015

Slowakije

3.6.2015

Ierland

5.6.2015

Nederland

8.6.2015

Verenigd Koninkrijk

8.6.2015

Frankrijk

10.6.2015

Tsjechië

11.6.2015

Letland

16.6.2015

België

16.6.2015

Malta

18.6.2015

1e herinnering op 29.6.2015 – deadline 9.7.2015

Portugal

30.6.2015

Polen

2.7.2015

Litouwen

3.7.2015

Hongarije

7.7.2015

Kroatië

8.7.2015

Estland

10.7.2015

Griekenland

10.7.2015

Spanje

10.7.2015

Gibraltar

13.8.2015

Denemarken

26.8.2015

Duitsland

2.9.2015

Roemenië

3.9.2015

Italië

17.9.2015

Laatste herinnering op 21.9.2015

Oostenrijk

21.9.2015

Cyprus

22.9.2015

Bulgarije

28.9.2015

Slovenië

28.9.2015

INSTELLINGEN

Antwoord

Commissie

3.6.2015

Raad

29.5.2015

15.6.2015

 

27.7.2015

BIJLAGE 3: MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN DIE WERDEN UITGENODIGD VOOR COMMISSIEVERGADERINGEN

Naam

Genodigden/vertegenwoordigers

Situatie op 26 oktober 2015

Airbus

Guillaume de La Villeguérin,

Vice President Tax & Customs

Nam deel op 2 juli 2015

BNP Paribas

Christian Comolet-Tirman,

Director, Fiscal Affairs

Nam deel op 23 juni 2015

SSE plc

Martin McEwen, Head of Tax

Nam deel op 23 juni 2015

Total S.A.

Nathalie Mognetti,

Chief Tax Officer

Nam deel op 23 juni 2015

Amazon.co.uk Ltd

Christopher Corson North,

Managing Director

Weigerde in verband met lopend onderzoek

Amazon EU S.à.r.l.

Xavier Garambois,

General Director

Weigerde in verband met lopend onderzoek

Anheuser-Busch InBev

Stuart MacFarlane,

President, Europe Zone

Weigerde in verband met lopend onderzoek

Barclays Bank Group

Antony Jenkins,

Group Chief Executive

Weigerde, maar blijft bereid specifieke schriftelijke vragen te beantwoorden

Coca-Cola Company

James Quincey,

President,Coca-Cola Europe Group

Weigerde, maar had een ontmoeting met corapporteurs

Facebook

Marc Zuckerberg,

Chief Executive Officer

Weigerde

Fiat Chrysler Automobiles

Sergio Marchionne,

Chief Executive Officer

Weigerde in verband met lopend onderzoek

Google

Eric E. Schmidt,

Executive Chairman

Weigerde, maar is bereid zijn "standpunt over belastingaangelegenheden" te sturen

HSBC Bank plc

Alan M. Keir,

Chief Executive, EMEA (Europa, Midden-Oosten en Afrika)

Weigerde in verband met lopend onderzoek

IKEA Services BV

Peter Agnefjäll,

Chief Executive Officer

Weigerde, maar nodigde de leden voor een discussie en stuurde het beknopte jaarverslag van Ikea over 2014

McDonald’s Europe

Douglas Goare,

President Europe

Weigerde vanwege een belangrijk initiatief van het bedrijf en een mogelijk onderzoek door de Commissie

Philip Morris

International

Kristof Doms,

Vice President, European Affairs

Weigerde

Walmart

Shelley Broader,

President and Chief Executive Officer, EMEA Region

Weigerde

The Walt Disney Company

Robert A. Iger,

Chief Executive Officer

Weigerde, maar bood aan om vertegenwoordigers van de commissie te ontmoeten en kennis te nemen van hun standpunten

BIJLAGE 4: VERSLAG VAN DE DELEGATIE NAAR BELGIË

Onderstaand verslag vormt geen officiële notulen. Het is een interne samenvatting van de informatieopdracht, die is opgesteld met het oog op de gedachtewisseling tijdens de vergadering van de TAXE-commissie van 23 juni 2015. De betrokken derden zijn niet over de inhoud ervan geraadpleegd.

Commissie TAXE

ad-hocdelegatie naar België

12 mei 2015 / 17 juni 2015

Agenda

9.00 - 11.00  Deskundigenpanel met deelname van:

-   Jacques Malherbe (UCL)

-          Axel Haelterman (KULeuven) 

-          Werner Heyvaert, Jones Day

-          Wim Wuyts, Head of Tax – voorzitter fiscale commissie VBO en Hilde Wampers, Vice President Tax – Group Finance VBO

-       Christophe Quintard, (belastingdeskundige bij de FGTB, voormalig belastingcontroleur)

11.30 - 13.00   Vergadering met de Commissie financiën en begroting van de Belgische

Kamer van Volksvertegenwoordigers

Plaats: Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers

13.00 - 13.50     Werklunch

Plaats: Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers

14.00 - 15.00  Bijeenkomst met Steven Vanden Berghe, hoofd van de dienst fiscale rulings

Deelnemerslijst

Leden

Alain LAMASSOURE, voorzitter   PPE

Elisa FERREIRA  S&D

Michael THEURER  ALDE

Marisa MATIAS  GUE

Philippe LAMBERTS  Verts/ALE

Marco ZANNI  EFDD

Danuta HÜBNER  PPE

Begeleidende leden

Peter SIMON  S&D

Anneliese DODDS   S&D

Sven GIEGOLD  Verts/ALE

Marco VALLI   EFDD

Philippe DE BACKER  ALDE

Tom VANDENKENDELAERE   PPE

1.   Vergadering met stakeholders

Deskundigen die aan de discussie deelnemen:

•   Jacques Malherbe (UCL)

•   Axel Haelterman (KULeuven) 

•   Werner Heyvaert, Jones Day

•  Wim Wuyts, Head of Tax – voorzitter fiscale commissie VBO en Hilde Wampers, Vice President Tax – Group Finance VBO

•  Christophe Quintard, (vakbond FGTB, voormalig belastingcontroleur)

Belangrijkste bevindingen:

De meeste deskundigen vinden dat de fiscale-rulingpraktijk die in België sinds 2002 bestaat, zeer goed werkt. Voor het bedrijfsleven is het noodzakelijk rechtszekerheid te krijgen. De fiscale-rulingdienst kan de wet niet naar eigen inzicht interpreteren. Wel kan hij feitelijke elementen zelf beoordelen.

De concurrentie op belastinggebied is zeer sterk en wereldwijd. België moet aantrekkelijk blijven, anders trekken bedrijven weg. Sommige ondernemingen hebben België al verlaten wegens de hoge belastingen. De concurrentie blijft niet beperkt tot Europa. De vertegenwoordiger van de vakbond klaagt over het feit dat er tussen dubbelebelastingverdragen wordt "geshopt" en dat sommige lidstaten verdragen "op maat" maken om bepaalde bedrijven te bevoordelen.

De vragen aan de deskundigen betreffen voornamelijk de notionele-interestaftrek, verslaglegging per land, de openbaarmaking van fiscale rulings, het netwerk van bilaterale verdragen ter voorkoning van dubbele belastingheffing, de methode voor het berekenen van de effectieve versus de wettelijke belastingtarieven, en de fiscale rulings voor overwinst (d.w.z. dat een Belgisch bedrijf winsten van zijn belastbaar inkomen mag aftrekken die het niet zou hebben gerealiseerd als het een op zichzelf staand bedrijf was). Volgens één deskundige is het Italiaanse systeem van notionele-interestaftrek beter dan het Belgische. Hij verwijst naar een studie van TAXUD.

Tijdens de discussie worden de volgende suggesties gedaan:

•  sluiting van een Europees verdrag inzake dubbele belastingheffing (in plaats van de ontelbare bilaterale belastingverdragen);

•  gemeenschappelijke Europese regels inzake verrekenprijzen;

•  de noodzaak van een degelijk geschillenbeslechtingsmechanisme wanneer lidstaten het niet eens zijn over verrekenprijzen. Het Arbitrageverdrag van de EU werk niet (acht jaar om resultaat te krijgen).

2.  Vergadering met de Commissie financiën en begroting van de Kamer van Volksvertegenwoordigers

Het Belgische parlement is zeer actief geweest en heeft de afgelopen maanden verscheidene hoorzittingen over agressieve belastingplanning gehouden (met journalisten, belastingautoriteiten, wetenschappers en een minister).

De Commissie financiën steunt de inspanningen om de regels te wijzigen, hoewel de meningen uiteenlopen over hoe er vooruitgang moet worden geboekt. De commissie wil het gelijke speelveld in stand houden. Volgens de meerderheid moet België zijn aantrekkelijke belastingklimaat behouden om buitenlandse investeringen aan te trekken. België mag niet naïef zijn wanneer het zijn belastingregels wijzigt. De belastingconcurrentie moet wel eerlijk blijven. Een aantal kamerleden van de oppositie bevestigt dat het Belgische systeem van fiscale rulings niet transparant is en dat er meer democratisch toezicht moet komen.

De Commissie financiën is voorstander van de CCCTB als oplossing voor de meeste van de problemen in kwestie en zou in de toekomst de mogelijkheid kunnen overwegen om in de richting van geharmoniseerde belastingtarieven te gaan, hoewel dat in dit stadium verre van haalbaar is. Het Belgische parlement werkt graag met de TAXE-commissie samen en zal aan de interparlementaire vergadering van 17 juni deelnemen.

3.  Vergadering met het hoofd van de dienst Fiscale rulings: dhr. Steven Van den Berghe

Deelnemers:

Steven Van den Berghe,

Véronique Tai, voormalig hoofd van het rulingcollege (tot 1.5.2015),

en de andere leden van het rulingcollege.

Hoe werkt het rulingcollege?

Het rulingcollege is een autonoom orgaan dat bindende beslissingen neemt namens de belastingautoriteiten. Het college is bij wet (2002) opgericht. Alvorens een beslissing wordt genomen, wordt de centrale administratie geconsulteerd, maar de uiteindelijke beslissing wordt door het rulingcollege genomen. Het college bestaat uit zes ambtenaren van de belastingadministratie, die een mandaat van vijf jaar hebben. Voorafgaande beslissingen (rulings) kunnen door om het even wie worden aangevraagd en betreffen alle soorten belastingen. Fiscale rulings zijn gewoonlijk vijf jaar geldig. Er wordt geen fiscale ruling toegekend als er niet genoeg economische substantie in België is of als de ruling verband houdt met een niet coöperatief land (momenteel staat geen enkele land als niet-coöperatief aangemerkt). Fiscale rulings worden openbaar gemaakt, maar wel anoniem. Het Ministerie van Financiën legt jaarlijks een verslag over de fiscale rulings voor aan de Kamer en de leden van het rulingcollege worden door de Kamer gehoord. De ambtenaren bevestigen dat zij de Belgische regels toepassen en werken volgens de OESO- en EU-normen inzake informatie-uitwisseling.

De vragen aan de administratie betreffen voornamelijk rulings voor overwinst en de vraag of de Belgische belastingautoriteiten de andere belastingautoriteiten laten weten welke winsten in België niet worden belast, de speelruimte van het rulingcollege, het begrip economische substantie, de landen die door België als belastingparadijzen worden aangemerkt, en de capaciteit van het rulingcollege om zijn standpunt te verdedigen als het met zeer gedetailleerde studies over verrekenprijzen te maken krijgt.

Belangrijkste bevindingen:

•  Het rulingcollege heeft geen speelruimte om de wet te interpreteren. Het heeft wel speelruimte om feitelijke elementen te beoordelen. Elk verzoek betreffende verrekenprijzen moet zeer gedetailleerd zijn en aan de regels van de OESO voldoen. Het rulingcollege erkent dat die vrij flexibel of vaag zijn.

•  Wanneer België een fiscale ruling afgeeft, vraagt het de onderneming kennis te geven van alle bestaande fiscale rulings die op haar van toepassing zijn. België heeft echter zijn fiscale rulings en desbetreffende informatie niet spontaan aan andere lidstaten meegedeeld, hoewel de EU-wetgeving dat voorschrijft.

•  Overwinstrulings (een Belgisch bedrijf kan winsten van zijn belastbare inkomsten aftrekken die het niet zou hebben gerealiseerd als het een op zichzelf staand bedrijf was) zijn geen gebruikelijke praktijk (63 rulings in 10 jaar). Het is echter niet mogelijk het bedrag aan belastbare inkomsten in kwestie te weten te komen. De criteria die worden gebruikt om de "Belgische" belasting te berekenen, worden niet meegedeeld. Deze regeling wordt momenteel onderzocht door DG COMP (staatssteunprocedures). Daarom kunnen de ambtenaren niet alle vragen van de EP-leden beantwoorden. In afwachting van de conclusies van het onderzoek heeft België zijn activiteiten op dit gebied opgeschort. Bij dit soort rulings worden andere, mogelijk betrokken landen niet in kennis gesteld (de Belgische wetgeving verplicht dit niet), vandaar de situatie van dubbele niet-belastingheffing.

•  De regels om de economische substantie in België in te schatten, zijn relatief onduidelijk, hoewel de belastingadministratie minimumregels heeft vastgesteld (geen brievenbusfirma's).

Samenvattend verslag van de vergadering met de Belgische minister van Financiën,

Johan Van Overtveld

Aanwezige leden: Bernd Lucke (voorzitter), Elisa Ferreira, Michael Theurer, Danuta Huebner, Peter Simon, Tom Vandenkendelaere, Philippe Lamberts

De EP-leden stelden met name vragen over de CCCTB, de verslaggeving per land, de wetgeving inzake overwinstrulings, de belastingconcurrentie tussen landen en de wijze waarop de federale staat de vennootschapsbelasting aanpakt.

Belangrijkste opmerkingen van de minister:

-  België is een groot voorstander van meer transparantie op belastinggebied: vanaf oktober 2015 zal België fiscale rulings automatisch uitwisselen.

-  België is daarentegen minder voor harmonisatie, vooral wegens het risico om aan soevereiniteit in de boeten. België heeft wel een positieve kijk op de CCCTB, maar ziet een harmonisatie van de belastingtarieven niet zitten.

-  België geeft voorlopig geen rulings meer af in het kader van zijn regeling voor overwinstrulings. België wacht op de uitkomst van het onderzoek van de Commissie en zal zo nodig zijn wetgeving wijzigen.

-  België heeft zijn standpunt over verslaggeving per land nog niet vastgesteld. In ieder geval dient de verslaglegging niet meer dan summiere informatie te omvatten.

-  België onderzoekt alvorens een fiscale ruling te geven, steeds of er wel voldoende economische substantie in België is. Soms is het echter zeer moeilijk om de economische substantie te kwantificeren, vooral als het om de waarde van intellectuele-eigendomsrechten gaat.

BIJLAGE 5: VERSLAG VAN DE DELEGATIE NAAR LUXEMBURG

Onderstaand verslag vormt geen officiële notulen. Het is een interne samenvatting van de informatieopdracht, die is opgesteld met het oog op de gedachtewisseling tijdens de vergadering van de TAXE-commissie van 23 juni 2015. De betrokken derden zijn niet over de inhoud ervan geraadpleegd.

Commissie TAXE

ad-hocdelegatie naar Luxemburg

18 mei 2015

Agenda

8:30 - 09:30   Voorbereidende vergadering

Plaats: Halfrond van het Europees Parlement, Schumangebouw (Kirchberg)

9:30 - 11.30  Deskundigenpanel met deelname van:

- Wim Piot, Tax Leader PWC

- Nicolas Mackel, ceo Luxembourg for Finance

- Mike Mathias

- Christine Dahm, directeur Cercle de Coopération des ONG du développement

Plaats: Halfrond van het Europees Parlement, Schumangebouw (Kirchberg)

12.00 - 13.30  Vergadering met leden van het Luxemburgse parlement

  Delegatie van leden van de Commissie financiën: voorzitter: dhr. Eugène Berger

Plaats: Kamer van volksvertegenwoordigers van het Groothertogdom Luxemburg

14.45 - 16.15  Vergadering met de minister van Financiën (Pierre Gramegna) en het hoofd van de rulingdienst

Plaats: European Convention Center Luxembourg (ECCL)

16.15- 16.45   Gezamenlijke persconferentie met de minister

Deelnemerslijst

Leden  

Alain LAMASSOURE, voorzitter  PPE

Danuta HÜBNER  PPE

Elisa FERREIRA  S&D

Morten MESSERSCHMIDT  ECR

Michael THEURER  ALDE

Fabio DE MASI  GUE/NGL

Sven GIEGOLD  Verts/ALE

Marco VALLI   EFDD

Begeleidende leden  

Burkhard BALZ  PPE

Frank ENGEL  PPE

Peter SIMON  S&D

Hugues BAYET  S&D

Anneliese DODDS  S&D

Paul TANG  S&D

1.   Vergadering met stakeholders

Deskundigen die aan de discussie deelnemen:

•  Wim Piot, Tax Leader PWC

•  Nicolas Mackel, ceo Luxembourg for Finance

•  Mike Mathias, lid van de Raad van State, maar sprekend als Luxemburgs burger

•  Christine Dahm, directeur Cercle de Coopération des ONG du développement

De vragen aan de deskundigen gaan vooral over de transparantie van het Luxemburgse fiscale-rulingsysteem, verslaglegging per land, de fiscale rulingpraktijk in Luxemburg, nu en in het verleden, de rol van belastingadviseurs en de belastingdiensten, belastingconcurrentie en het effect van het Luxemburgse systeem op dubbele niet-belastingheffing en grondslaguitholling in andere EU-lidstaten en in ontwikkelingslanden.

Belangrijkste bevindingen:

Dhr. Mackel (Luxembourg for Finance) legt uit wat de voornaamste sterke punten van Luxemburg zijn met betrekking tot zijn ontwikkeling tot belangrijke financiële speler in de wereld. Volgens hem zijn belastingen niet het voornaamste element, maar spelen fiscale rulings wel een rol in de stabiliteit waarnaar bedrijven op zoek zijn wanneer zij beslissen om in een land actief te zijn. Volgens dhr. Mackel zou Luxemburg zich makkelijk verder kunnen ontwikkelen zonder fiscale rulings.

PwC is voorstander van transparantie in het algemeen en meer bepaald met betrekking tot alle fiscale rulings (niet alleen grensoverschrijdende rulings), mits de bedrijfsplannen niet openbaar gemaakt worden. PwC is ook voor verslaglegging per land, maar dan moeten ook de loonbelastingen worden vermeld. PwC is het ermee eens dat het internationale belastingstelsel niet goed werkt en dat het op mondiaal niveau moet worden herzien (OECD BEPS). Wat fiscale rulings betreft, benadrukt PwC dat er nooit politieke inmenging is geweest op hun verzoek.

Christine Dahm en dhr. Mathias erkennen dat de in Luxemburg de goede kant opgaat. Toch zien zij geen verandering wat betreft de bereidheid van de regering om met hen het gesprek aan te gaan. Zij wijzen erop dat het ontbreken van een uniforme definitie van economische substantie om een belastbare activiteit aan een land te verbinden, het zwakste punt van het internationale belastingstelsel is.  

2.  Vergadering met de Commissie financiën en begroting en de Commissie Europese zaken

De vergadering (met gesloten deuren, op verzoek van het Luxemburgse parlement) wordt geopend door de voorzitter van de Commissie financiën, dhr. Berger.

De vragen aan de commissie gaan vooral over het standpunt van Luxemburg ten aanzien van meer transparantie, de Luxemburgse "vrijhaven", het belang van belastingconcurrentie voor kleine landen, de definitie van gezonde concurrentie en economische substantie, de openbaarmaking van fiscale rulings, de CCCTB, het verslag-Krecké, de bescherming van klokkenluiders en de persvrijheid en de verenigbaarheid van fiscale rulings met de staatssteunregels.

Belangrijkste opmerkingen van de commissie:

- Luxemburg heeft eind 2014 een nieuwe wet inzake fiscale rulings ingevoerd, die geanonimiseerde openbaarmaking inhoudt;

- Luxemburg heeft in het verleden een aantal fiscale rulings spontaan van andere lidstaten meegedeeld, maar heeft er nooit ontvangen van een andere lidstaat; daarom is het ermee opgehouden met het spontaan uitwisselen van fiscale rulings; volgens Luxemburg is de Europese Commissie ervan op de hoogte dat er geen fiscale rulings worden uitgewisseld;

- Luxemburg maakt werk van meer transparantie, is bereid op te treden tegen agressieve belastingplanning en is het ermee eens dat er behoefte is aan rechtvaardiger belastingen; het wijst er echter op dat de EU dit niet alleen kan doen en dat er op mondiaal niveau overeenkomsten moeten worden gesloten;

 - Er wordt toegevoegd dat belastingconcurrentie een realiteit is, maar dat een koerswijziging in de richting van volledige gelijkheid nodig is en dat er alleen gezonde concurrentie mag blijven bestaan.

- De Commissie financiën is voorstander van een CCCTB in de EU;

- Er is een nationale wet ter bescherming van klokkenluiders, maar de commissie erkent dat die niet volstaat omdat die alleen gevallen van corruptie betreft en geen bescherming biedt aan de genoemde LuxLeaks-journalisten e.d.;

- De geplande stemming over de "vrijhaven"-verordening is uitgesteld wegens de LuxLeaks-affaire.

 De voorzitter van de Commissie financiën bevestigt dat leden van het Luxemburgse parlement graag de interparlementaire zitting van TAXE zullen bijwonen.

3.  Vergadering met dhr. Gramegna en zijn belastingdienst

Deelnemers namens Luxemburg:

Dhr. Gramegna is vergezeld van zijn belastingdienst.

•  mw. Pascale Toussing, directeur Belastingen, Ministerie van Financiën

•  dhr. Etienne Reuter, secretaris-generaal, Ministerie van Financiën

•  dhr. Guy Heintz, directeur, dienst Directe Belastingen

•  mw. Monique Adams, adjunct-directeur, dienst Directe Belastingen

•  dhr. Luc Schmit, adjunct-directeur, dienst Directe Belastingen

•  dhr. Frédéric Batardy, adviseur, directie Belastingen, Ministerie van Financiën

•  dhr. Bob Kieffer, adviseur communicatie, Ministerie van Financiën

•  dhr. Lucien Michels, public relations, Ministerie van Financiën

De vragen aan de minister gaan vooral over verslaglegging per land, de openbaarmaking van fiscale rulings, het netwerk van bilaterale verdragen inzake dubbele belastingheffing, de minimumcriteria inzake economische substantie om in Luxemburg te worden belast, de brievenbusfirma's, de "Lux Freeport", de fiscale-rulingpraktijk nu en in het verleden, en maatregelen tegen agressieve belastingplanning, dubbele niet-belastingheffing en grondslaguitholling in andere lidstaten.

Belangrijkste opmerkingen van de minister:

•  Luxembourg is aan het veranderen en maakt werk van meer transparantie. Onlangs zijn verscheidene wetten ingevoerd (waarover de vorige regering al had beslist). Luxemburg is het ermee eens dat de EU een voortrekker moet zijn bij het invoeren van maatregelen tegen agressieve belastingplanning. Wel moeten de belangrijkste economische partners zich er op de middellange termijn toe verbinden dezelfde richting uit te gaan.

•  Luxemburg is voorstander van verslaglegging per land, maar die mag niet openbaar zijn (alleen de belastingautoriteiten mogen inzage krijgen).

•  Alle verdragen inzake dubbele belastingheffing voldoen aan het OESO-model. De minister erkent dat dit model kan worden geactualiseerd en zou bereid zijn om de bilaterale verdragen te wijzigen overeenkomstig een nieuw OESO-model.

•  Luxemburg is voorstander van een automatische uitwisseling van ALLE fiscale rulings (niet alleen grensoverschrijdende rulings). Luxemburg is ook voorstander van een openbaar register en wil onder zijn voorzitterschap voortgang maken op dit gebied. Hetzelfde geldt voor de CCCTB (in afwachting van het voorstel van de Europese Commissie) en de richtlijn interest en royalty's.

•  Luxemburg heeft in artikel 6 van zijn algemene invoerwet criteria vastgesteld om te bepalen of er voldoende economische substantie in Luxemburg wordt gecreëerd om in het land belast te kunnen worden. Deze criteria zijn verder uitgewerkt in een administratief vademecum dat om redenen van vertrouwelijkheid niet bij de follow-upbrief van dhr. Gramegna aan dhr. Lamassoure is gevoegd, hoewel die daar uitdrukkelijk om heeft gevraagd en hoewel de minister mondeling heeft beloofd dat het de delegatie ter beschikking zou worden gesteld. [Noch dhr. Gramegna, noch de hoofden van de belastingdienst konden aantonen dat de criteria degelijk zijn of dat er een antimisbruikbepaling wordt toegepast.] Bij de recente hervormingen zijn het begrip economische substantie en de toepassing van de betreffende vereisten niet gewijzigd.

•  Luxemburg heeft in het verleden een zeer groot aantal fiscale rulings gegeven, maar veel daarvan waren slechts een schriftelijke bevestiging van herhaalde, duidelijke en onaanvechtbare standpunten van de belastingdienst.

•  Luxemburg heeft de belastingautoriteiten van andere EU-lidstaten (hij noemt uitdrukkelijk Duitsland en Frankrijk) benaderd/informatie verschaft in verband met abnormale winstrapportage in Luxemburg door bedrijven die in die landen gevestigd zijn. Dhr. Gramegna zegt echter dat hij die zaken niet verder heeft gevolgd.

•  [Wanneer zij worden geconfronteerd met het interview van dhr. Kohl in de WSJ en de opmerking dat dhr. Kohl verrekenprijzen in een recordtijd bevestigde, verklaren de minister en de belastingdienst niet in staat te zijn te controleren of fiscale rulings en bevestigde verrekenprijzen worden toegepast volgens eenvormige en niet-discriminerende normen, het arm's-lengthbeginsel enz. De minister verwijst naar zijn belastingdienst, maar de voorzitter van de rulingcommissie verklaart slechts dat zij niet de leiding had toen dhr. Kohl verantwoordelijk was.

•  Tijdens persconferentie bevestigt de minister dat hij de gevraagde documenten (d.w.z. alle rulings sinds 1991) niet zal overleggen.

De minstiter beloofd de TAXE-commissie schriftelijk aanvullende informatie te sturen.

BIJLAGE 6: VERSLAG VAN DE DELEGATIE NAAR ZWITSERLAND

Onderstaand verslag vormt geen officiële notulen. Het is een interne samenvatting van de informatieopdracht, die is opgesteld met het oog op de gedachtewisseling tijdens de vergadering van de TAXE-commissie van 23 juni 2015. De betrokken derden zijn niet over de inhoud ervan geraadpleegd.

Commissie TAXE

ad-hocdelegatie naar Bern (Zwitserland), 22 mei 2015

Agenda

8.30 - 9.15  Welkomstwoord en presentatie van Ulrich TRAUTMANN

eerste adviseur, hoofd van de sector handel en economische zaken

delegatie van de Europese Unie in Zwitserland en Liechtenstein

Presentatie over de analyse van het Zwitserse belastingbeleid door de EU-delegatie, meer bepaald over het gebruik van de kantonnale vennootschapsbelastingregelingen, met inbegrip van de rulings en het beleid in de verschillende Zwitserse kantons

9.15 - 10.00   Lunch met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven

Markus R. Neuhaus, voorzitter van de raad van bestuur van PwC Zwitserland, lid van het kabinet van de Global Chairman van PwC

Economie Suisse

Frank Marty, lid van de raad van bestuur, hoofd financiële diensten en belastingen, François Baur, permanent afgevaardigde in Brussel, hoofd Europese zaken

Swiss Holdings

Martin Zogg, lid uitvoerend comité, hoofd binnenlandse en internationale belastingen

Swiss Bankers Association

Urs Kapalle, directeur financieel beleid en belastingen

10.00 - 10.45  Vergadering met ngo's: Alliance Sud en Declaration of Berne (DoB)

Mark Herkenrath, Programme Officer International Finance & Tax Policy en benoemd directeur van Alliance Sud, lid van Global Alliance for Tax Justice

Olivier Longchamp, Tax Policy & International Finance, Declaration of Berne (DoB)

11.00 - 12.00   Vergadering met Jacques de Watteville, staatssecretaris bij het

Federale Departement Financiën (DFF)

vergezeld van

Ambassadeur Christoph Schelling, SIF, diensthoofd belastingbeleid

Ambassador Dominique Paravicini, directoraat Europese Zaken (DEA), diensthoofd economische zaken

Adrian Hug, directeur van de Zwitserse federale belastingdienst

Fabian Baumer, Zwitserse federale belastingdienst, adjunct-directeur, diensthoofd belastingbeleid

Natassia Martinez, SIF, afdeling multilaterale belastingkwesties en vennootschapsbelasting

12.00 - 14.00   Werklunch met de staatssecretaris

Bovengenoemde deelnemers plus:

Tijdens de lunch wordt bovengenoemde delegatie uitgebreid met:

Ruedi Noser, lid Nationale Raad, voorzitter Commissie economische zaken en belastingen

Urs Schwaller, lid van de Raad van State, ondervoorzitter van de Commissie sociale zekerheid en volksgezondheid

Martin Godel, staatssecretaris voor economische zaken (Seco), adjunct-diensthoofd directoraat promotieactiviteiten

Ambassadeur Richard Jones, ambassadeur van de Europese Unie in Zwitserland

14.00 - 14.15   Persbriefing door de staatssecretaris en de voorzitter van TAXE

14.30 - 15.30   Vergadering met de denktank “Avenir Suisse”

Marco Salvi, senior onderzoeker, Avenir Suisse

Definitieve deelnemerslijst

Leden

Alain LAMASSOURE, voorzitter  PPE

Theodor STOLOJAN  PPE

Elisa FERREIRA  S&D

Michael THEURER  ALDE

Miguel VIEGAS  GUE/NGL

Eva JOLY  Verts/ALE

1.   Presentatie door Ulrich TRAUTMANN, EU-delegatie in Zwitserland

Belangrijkste bevindingen:

Er zijn belastingen op drie onafhankelijke niveaus (federatie, kanton en gemeente) en de kantons zijn bevoegd voor de belastinginning.

De Europese Commissie is reeds in 2007 tot de bevinding gekomen dat sommige Zwitserse vennootschapsbelastingregelingen onverenigbaar zijn met de Overeenkomst tussen de EU en Zwitserland van 1972 (Besluit C(2007)411 final), met name kantonnale belastingregelingen zoals die voor holdings, beheermaatschappijen en gemengde maatschappijen). In 2014 hebben de EU en Zwitserland uiteindelijk een gezamenlijke verklaring over bedrijfsbelastingen ondertekend, waarin werd beloofd dat kantonnale en federale regelingen zouden worden afgeschaft. Er moet echter nog veel worden gedaan: in een eerste fase moet de hervorming van de Zwitserse bedrijfsbelastingen III (CTR3) door beide kamers van het parlement worden aangenomen, en in een tweede fase moeten de kantons uitvoeringswetgeving vaststellen.

Fiscale rulings spelen een belangrijke rol in het Zwitserse belastingstelsel. Ze kunnen worden gebruikt om een vrijstelling te krijgen voor een pas opgericht of een verplaatst bedrijf, om de fiscale status met betrekking tot de toepassing van speciale kantonnale regelingen te verduidelijken, om overeenkomstig dubbelebelastingverdragen minimale belastingtarieven af te spreken, of om overeenstemming te bereiken over details van belastingaanslagen. Het zijn altijd kantonnale autoriteiten die rulings afgeven. Het kanton is een soevereine entiteit die niet onder toezicht van de federale autoriteiten staat. Wel zijn er bepaalde federale beperkingen op rulings, die echter in beperkte mate worden gehandhaafd.

Wat informatie-uitwisseling met derde landen betreft, kunnen belastingplichtigen in Zwitserland in verscheidene instanties beroep aantekenen, waarbij de gerechtelijke procedure in totaal maximaal vijf jaar kan duren.

2.  Vergadering met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven

Deskundigen die aan de discussie deelnemen:

•  Markus R. Neuhaus, voorzitter van de raad van bestuur van PwC Zwitserland, lid van het kabinet van de Global Chairman van PwC

•  Frank Marty, lid van de raad van bestuur, hoofd financiële diensten en belastingen,

Economie Suisse

•  François Baur, permanent afgevaardigde in Brussel, hoofd Europese zaken Economie Suisse

•  Martin Zogg, lid uitvoerend comité, hoofd binnenlandse en internationale belastingen, Swiss Holdings

•  Urs Kapalle, directeur financieel beleid en belastingen, Swiss Bankers Association

De vragen aan de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven gaan over hoe de automatische uitwisseling van informatie over fiscale rulings zou plaatsvinden, hoe belastingadviseurs hun cliënten in Zwitserland (en Luxemburg) zouden adviseren, wat zij vinden van de internationale ontwikkelingen bij de OESO en de G20 en de rol van Zwitserland daarin, en hoe de belastingconcurrentie tussen de kantons werkt.

Belangrijkste opmerkingen van de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven:

-  Zwitserland verbindt zich ertoe de gehekelde schadelijke belastingregelingen af te schaffen en het Zwitserse bedrijfsleven onderschrijft dat volledig. Wel moet Zwitserland concurrerend en aantrekkelijk voor investeerders blijven;

-  als de Zwitserse federale staat eenmaal besluit de schadelijke belastingregelingen af te schaffen, zullen de kantons moeten volgen;

-  in de Zwitserse "harmonisatiewet" wordt nu al omschreven wat belastbare inkomsten op federaal niveau zijn, maar de kantons behouden enige interpretatievrijheid;

-  Zwitserland verbindt zich ertoe de internationale belastingnormen in acht te nemen, ook met het oog op zijn reputatie;

-  de belastingen zijn niet de enige reden voor de grote directe buitenlandse investeringen in Zwitserland, maar fiscale stimulansen spelen zeker een rol.

3.  Vergadering met ngo's: Alliance Sud en Declaration of Berne (DoB)

•  Mark Herkenrath, Programme Officer International Finance & Tax Policy en benoemd directeur van Alliance Sud, lid van Global Alliance for Tax Justice

•  Olivier Longchamp, Tax Policy & International Finance, Declaration of Berne (DoB)

De vragen aan de vertegenwoordigers van de ngo's gaan vooral over de vraag of de hervorming van de Zwitserse bedrijfsbelastingen III (CTR3) het probleem van schadelijke belastingpraktijken zal oplossen, de kans op welslagen en het tijdschema voor de uitvoering ervan, de opzet van de geplande nieuwe Zwitserse octrooiboxregeling, en de rol van de kantons bij de uitvoering van de belastinghervorming.

Belangrijkste opmerkingen van de vertegenwoordigers van de ngo's:

-  bedrijven met "speciale belastingregelingen" betalen momenteel zeven keer minder vennootschapsbelastingen dan "normale" bedrijven;

-  de huidige Zwitserse fiscale-rulingpraktijk kan als "schadelijke" belastingpraktijk worden beschouwd;

-  de nieuwe Zwitserse regeling voor octrooi- en licentieboxen (gepland in CTR3) is nog niet duidelijk omschreven;

-  de nieuwe belastingmaatregelen die de oude vervangen, zullen wellicht moeilijker aan te vechten zijn, omdat ze ook in veel EU-lidstaten bestaan;

-  de Zwitserse federale regering is meer bereid om internationale belastingverdragen te sluiten omdat zij "progressiever" of realistischer is ten aanzien van de mogelijke reputatieschade voor Zwitserland, maar het Zwitserse parlement staat kritischer tegenover dergelijke verdragen;

-  aangezien er in Zwitserland binnenkort verkiezingen zijn, zal het parlement wellicht weinig belangstelling tonen voor een belastinghervorming, en na de verkiezingen misschien nog minder, afhankelijk van de verkiezingsresultaten.

4.  Vergadering met Jacques de Watteville, staatssecretaris bij het Federale departement Financiën (DFF) en zijn belastingdienst

Deelnemers:

Dhr. Watteville is vergezeld van zijn belastingdienst.

Ambassadeur Christoph Schelling, SIF, diensthoofd belastingbeleid

Ambassadeur Dominique Paravicini, directoraat Europese Zaken (DEA), diensthoofd economische zaken

Adrian Hug, directeur van de Zwitserse federale belastingdienst

Fabian Baumer, Zwitserse federale belastingdienst, adjunct-directeur, diensthoofd belastingbeleid

Natassia Martinez, SIF, afdeling multilaterale belastingkwesties en vennootschapsbelasting

Tijdens de werklunch wordt bovengenoemde delegatie uitgebreid met:

Ruedi Noser, lid van de Nationale Raad, voorzitter van de Commissie economische zaken en belastingen

Urs Schwaller, lid van de Raad van State, ondervoorzitter van de Commissie sociale zekerheid en volksgezondheid

Martin Godel, staatssecretaris voor economische zaken (Seco), adjunct-diensthoofd directoraat promotieactiviteiten

Ambassadeur Richard Jones, ambassadeur van de EU in Zwitserland

De vragen aan de minister gaan vooral over de bescherming van klokkenluiders, de noodzaak van belastingconcurrentie voor kleinere landen, de kans dat CTR3 wordt uitgevoerd en de waarschijnlijkheid van een referendum, de vraag of de toekomstige uitwisseling van informatie over fiscale rulings automatisch dan wel op verzoek/"spontaan" zal zijn.

Belangrijkste opmerkingen van de minister:

•  Fiscale rulings zijn een gebruikelijke praktijk in Zwitserland en maken deel uit van de dialoog tussen de belastingdienst en de belastingplichtigen;

•  De fiscale-rulingpraktijk in Zwitserland lijkt op die in Frankrijk.

•  De OESO zal het kader voor fiscale rulings naar verwachting in september vaststellen, en Zwitserland verbindt zich ertoe dit in acht te nemen;

•  Fiscale rulings zijn slechts een interpretatie van feiten en wetten, geen wetgeving;

•  Zwitserland verbindt zich ertoe constructief met de OESO rond BEPS samen te werken, de BEPS-aanbeveling in acht te nemen, en de gehekelde schadelijke belastingpraktijken af te schaffen bij de geplande CTR3;

•  De afschaffing van de "speciale belastingstatus" en de verlaging van de algemene tarieven van de vennootschapsbelasting in het kader van CTR3 zullen een gat in de begroting slaan, dat onvermijdelijk zal leiden tot nieuwe belastingen of een verhoging van andere belastingen, wat de aanneming en uitvoering van CTR3 kan beïnvloeden;

•  Zwitserland is zelf een "slachtoffer" en ondervindt negatieve gevolgen van de praktijken die door LuxLeaks zijn onthuld, aangezien ook de Zwitserse heffingsgrondslag erdoor wordt uitgehold. Daarom verbindt Zwitserland zich ertoe een einde te maken aan schadelijke praktijken;

•  De internationale inspanningen zijn momenteel vooral gericht op belastingpraktijken, maar om een gelijk speelveld te creëren, moet op mondiaal niveau ook iets worden gedaan tegen andere vormen van staatssteun;

•  De G20 moet zich ertoe verbinden BEPS-maatregelen wereldwijd toe te passen om een gelijk speelveld te creëren;

•  De EU en de OESO moeten ernaar streven geen verschillende, maar dezelfde belastingnormen vast te stellen;

•  Wat de bescherming van klokkenluiders betreft: de Zwitserse regering beschouwt het geval Falciani als dat van een individu dat heeft geprobeerd gestolen bedrijfsgeheimen te verkopen, geen koper vond en de geheimen dan maar aan de Franse staat heeft aangeboden;

•  Zwitserland is van plan een wetsontwerp ter bescherming van klokkenluiders in te dienen;

•  Wat de vrijhaven in Genève betreft: de minister geeft toe dat sommige praktijken wellicht te ondoorzichtig zijn, maar dat het eerder gaat om een douanekwestie (en/of witwassen) dan om schadelijke belastingpraktijken;

•  Wat betreft de vereisten inzake economische substantie en de toepassing van de antimisbruikwet in bekende gevallen van gebrek aan economische substantie (IKEA enz.): geen antwoord.

5.  Vergadering met dr. Marco Salvi, Avenir Suisse

Belangrijkste opmerkingen

•  in Zwitserland maakt de vennootschapsbelasting een veel kleiner deel van de belastinginkomsten uit dan de personenbelasting, die vergelijkbaar is met die in andere OESO-landen;

•  in Zwitserland stijgen de inkomsten uit de vennootschapsbelasting, hoewel de tarieven van de vennootschapsbelasting dalen (dit is ook een wereldwijde trend);

•  de belastingen op kapitaal zijn even hoog als in soortgelijke Europese landen;

•  het belang van "speciale belastingregelingen" in Zwitserland varieert naar gelang van het kanton;

•  het gat in begroting ten gevolge van CTR3 (die wordt beschouwd als een fundamentele hervorming van de vennootschapsbelasting in Zwitserland) zal moeten worden gecompenseerd door andere belastingen, bv. een hogere belasting op dividenden;

•  Fiscaal federalisme is een belangrijk aspect van het Zwitserse belastingstelsel en dus van een hervorming van de vennootschapsbelasting.

BIJLAGE 7: VERSLAG VAN DE DELEGATIE NAAR IERLAND

Onderstaand verslag vormt geen officiële notulen. Het is een interne samenvatting van de informatieopdracht, die is opgesteld met het oog op de gedachtewisseling tijdens de vergadering van de TAXE-commissie van 23 juni 2015. De betrokken derden zijn niet over de inhoud ervan geraadpleegd.

Commissie TAXE

ad-hocdelegatie naar Dublin (Ierland)

28 mei 2015

Agenda

8.30-9.45   Vergadering met stakeholders

  Irish Tax Institute, Martin Lambe, chief executive

Leden van de Revenue Commission: Niall Cody, voorzitter van de Revenue Commission

10.00 - 11.00   Vergadering met Michael Noonan, kamerlid en minister van Financiën

11.15 - 12.30   Vergadering met leden van de Commissie financiën van het Ierse Parlement (Oireachtas)

  Gezamenlijke Commissie financiën van kamer en senaat

  Liam Twomey, kamerlid, voorzitter

  Brian Walsh, kamerlid

  Pat Rabbitte, kamerlid

  Richard Boyd Barrett, kamerlid

  Gezamenlijke Commissie Europese zaken van kamer en senaat

  Seán Kyne, kamerlid

  Kathryn Reilly, senator

12.30 - 13.30    Werklunch

  Frank Barry, Trinity College Dublin (TCD)

  Seamus Coffey, University College Cork (UCC)

13.30- 15.00  Verdere vergaderingen met stakeholders

  Feargal O'Rourke, Head of Tax PWC

  Conor O'Brien, Head of Tax, KPMG

  Jim Clarken, ceo, Oxfam Ierland

  Micheál Collins, Nevin Economic Research Institute (NERI)

Deelnemerslijst

Leden  

Alain LAMASSOURE, voorzitter  

Burkhard BALZ  PPE

Elisa FERREIRA   S&D

Michael THEURER   ALDE

Sven GIEGOLD   Verts/ALE

Marco VALLI   EFDD

Begeleidende leden

Brian HAYES   PPE

Marian HARKIN  ALDE

Peter SIMON   S&D

Hugues BAYET   S&D

Matt CARTHY   GUE/NGL

1.   Vergadering met stakeholders

Irish Tax Institute, Martin Lambe, chief executive

Leden van de Revenue Commission: Niall Cody, voorzitter van de Revenue Commission

(inleidende opmerkingen bijgevoegd)

Belangrijkste bevindingen:

De voorzitter van de Revenue Commission wijst erop dat de Ierse belastingdienst een volledig onafhankelijk orgaan is, dat rekenschap aflegt aan het parlement. De term "fiscale rulings" bestaat niet in Ierland, maar er worden niet-bindende adviezen gegeven over onduidelijke of dubbelzinnige belastingwetten en -regels. De belastingdienst heeft geen beoordelingsmarge om wetten te interpreteren en kan alleen een beoordeling maken van de door de belastingplichtige voorgelegde feiten, die kunnen worden herbeoordeeld.

Hij ontkent dat multinationals in Ierland weinig of geen belastingen betalen; de winsten worden volledig belast in Ierland als zij binnen het Ierse rechtsgebied zijn gemaakt.

Om wereldwijde winsten te belasten, is een multilaterale/wereldwijde aanpak nodig. Ierland staat achter het BEPS-project van de OESO en zet daar heel wat middelen voor in. Het beschouwt zichzelf als een voortrekker bij de bestrijding van offshore rechtsgebieden.

De EP-leden stellen vragen over hoe de nationale belastingdiensten wereldwijde winsten beoordelen, de noodzaak van gezamenlijke audits, de vraag of informatie-uitwisseling inlichtingen zou opleveren over de vraag of winsten al elders zijn belast, de interpretatie van het arm's-lengthbeginsel bij verrekenprijzen, het aantal adviezen en de onderliggende economische waarde.

De voorzitter van de Revenue Commission antwoordt dat er regelmatig gezamenlijke audits met het Fiscalis-programma worden verricht, voornamelijk op het gebied van directe belastingen en btw, en dat er relatief weinig adviezen worden verstrekt (2010: 99; 2011: +/- 100; 2012: 108) in verhouding tot de 120 000 belastingaangiften die bedrijven elk jaar indienen. Dit toont aan dat dit geen belangrijk onderdeel van het Ierse belastingstelsel is.

Hij zegt dat er geen informatie beschikbaar is over de onderliggende economische substantie.

2.  Vergadering met Michael Noonan, kamerlid en minister van Financiën

Belangrijkste opmerkingen van de minister:

-  Ierland was een van de eerste ondertekenaars van de FATCA-overeenkomst met de VS en de OESO-norm voor de automatische uitwisseling van informatie, en is volgens de OESO een van de 18 landen met de strengste normen inzake belastingtransparantie, wat aantoont dat Ierland belastingtransparantie ernstig neemt;

-  Ierland steunt de Groep gedragscode van de EU en vraagt om een hervorming om de werking ervan te verbeteren en de voorzitter een grotere rol te geven;

-  Ierland heeft een laag (lager) algemeen (nominaal) vennootschapsbelastingtarief van 12 %, maar heeft minder uitzonderingen dan andere lidstaten, wat resulteert in een relatief hoog (hoger) effectief tarief van ongeveer 11 %; Ierland beschouwt dit als een transparanter en efficiënter systeem, dat ook tot minder belastingontduiking en -ontwijking leidt;

-  Ierland heeft een internationale belastingstrategie (bijgevoegd) met veel aandacht voor de gevolgen van het Ierse belastingstelsel voor de ontwikkelingslanden; Ierland onderzoekt momenteel de overloopeffecten van het Ierse belastingstelsel op de ontwikkelingslanden;

-  Ierland steunt de BEPS-werkzaamheden van de OESO, maar vindt dat daarbij ook aandacht moet worden besteed aan de ontwikkelingslanden. Ierland is voorstander van een internationaal forum waaraan ook ontwikkelingslanden deelnemen;

-  Ierland is bereid over een herzien CC(C)TB-voorstel te praten als de Commissie rekening houdt met de bedenkingen van veel/de meeste lidstaten;

-  de "rode lijnen" van Ierland zijn: geen harmonisatie van het vennootschapsbelastingtarief, behoud van het eenparigheidsbeginsel op het gebied van belastingen en inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel;

-  als de Commissie de door Ierland (onder het Ierse voorzitterschap) voorgestelde "routekaart" voor een CCCTB volgt, zich concentreert op een gemeenschappelijke heffingsgrondslag en de betreffende BEPS-aanbevelingen meeneemt, kan binnen 12 à 18 maanden een akkoord worden bereikt;

-  over de zaak Apple (zonder op de bijzonderheden in te gaan): Ierland werkt in deze zaak volledig met de Commissie mee en ziet geen risico van kruisbesmetting in zijn betrekkingen met de EU in belastingaangelegenheden. Ierland vindt de zaak eerder politiek dan juridisch gemotiveerd. Dat de Commissie haar besluit in de zaak Apple heeft uitgesteld, toont aan dat de juridische argumenten waarschijnlijk zwak zijn. Het gaat niet om de inkomsten van Apple in Ierland, maar om winsten die elders zijn gemaakt en via Ierland zijn gesluisd;

-  over de "double Irish": dit is geen onderdeel of kenmerk van de Ierse belastingwetgeving, maar een incongruentie met de Amerikaanse belastingwetgeving, die niet specifiek is voor Ierland. Ierland is van plan van zijn kant een einde te maken aan deze regeling, maar het achterpoortje blijft bestaan ten aanzien van andere rechtsgebieden. Incongruentie kunnen niet nationaal of geïsoleerd worden aangepakt, maar alleen internationaal of wereldwijd;

-  Ierland overweegt de "double Irish" tegen 2021 uit te faseren, en beschouwt dat als een standaardpraktijk;

-  over uitwisseling van informatie over fiscale rulings: Ierland is voorstander van de uitwisseling van informatie over fiscale rulings zoals de Commissie heeft voorgesteld, maar alleen in het kader van bilaterale belastingverdragen?

-  over verrekenprijsregelingen: in 80 % van de geschillen met andere lidstaten over verrekenprijsregelingen heeft Ierland gelijk gekregen;

-  Ierland heeft bedenkingen bij de "nexusbenadering" van octrooiboxen zoals die is overeengekomen tussen Duitsland en het VK en vervolgens op OESO-niveau, omdat deze benadering grote landen bevoordeelt ten opzichte van kleinere landen;

-  Ierland is van plan in 2015 een "kennisbox" in te voeren overeenkomstig de OESO-norm.

3.  Vergadering met leden van de Commissie financiële zaken van het Parlement (Oireachtas), Gezamenlijke Commissie financiën van kamer en senaat en de Gezamenlijke Commissie Europese zaken van kamer en senaat

van de Gezamenlijke Commissie financiën 

Voorzitter: Liam Twomey, kamerlid

Brian Walsh, kamerlid

Pat Rabbitte, kamerlid

Richard Boyd Barrett, kamerlid

van de Gezamenlijke Commissie Europese zaken van kamer en senaat

Seán Kyne, kamerlid

Kathryn Reilly, senator

De EP-leden wijzen erop dat de discussie niet gaat over de harmonisatie van de vennootschapsbelastingtarieven, maar over de harmonisatie van de heffingsgrondslag van de vennootschapsbelasting, de definitie van belastbaar inkomen en de plaats waar belasting wordt geheven.

Zij stellen vragen over belastingheffing in de digitale economie, gezonde vs. schadelijke concurrentie, de rol daarvan bij het aantrekken van directe buitenlandse investeringen, de mogelijkheid van gezamenlijke audits, het feit dat "spontane" uitwisseling van informatie over fiscale rulings niet werkt, en de opzet van de toekomstige "kennisbox"/intellectuele-eigendomsbox.

Belangrijkste opmerkingen van de Ierse parlementsleden:

-  het algemene/nominale vennootschapsbelastingtarief van 12 % is rechtmatig; Ierland wil hierover niet discussiëren;

-  er zijn weliswaar uiteenlopende ramingen van het effectieve vennootschapsbelastingtarief, maar omdat er weinig vrijstellingen zijn, ligt dat waarschijnlijk niet veel lager;

-  in de EU blijven belastingen een nationale bevoegdheid; belastingconcurrentie moet als gezond worden beschouwt zolang deze eerlijk en transparant is;

-  Ierland is een kleine, perifere lidstaat die het belastingbeleid nodig heeft om directe buitenlandse investeringen aan te trekken; het succes van de Ierse economie na de Tweede Wereldoorlog (als voormalige kolonie van het VK, met weinig infrastructuur en een kleine bevolking) is voor een groot deel te danken aan het belastingbeleid;

-  de uitkomst van twee Ierse referenda over EU-kwesties is grotendeels bepaald door het feit dat het belastingbeleid een nationale bevoegdheid blijft;

-  niettemin is een minderheid van de parlementsleden (en waarschijnlijk ook van de bevolking) het niet eens met de algemene Ierse consensus over het belastingbeleid en belastingconcurrentie, en is zij van mening dat de Ierse (en Europese) belastingbetalers de rekening betalen van belastingontduiking;

-  over CCCTB: er is nog steeds bezorgdheid, maar Ierland zal actief en constructief aan de discussies deelnemen;

-  over BEPS: Ierland steunt het BEPS-project, maar de OESO-landen moeten wel gezamenlijk maatregelen nemen en uitvoeren;

-  over de plaats waar belasting wordt geheven: de parlementsleden zijn het er in het algemeen mee eens dat inkomsten en winsten moeten worden belast waar de waarde wordt gecreëerd; zij zijn het er waarschijnlijk mee eens dat de toekomstige Ierse intellectuele-eigendoms-/kennisbox alleen van toepassing dient te zijn op onderzoek en ontwikkeling in Ierland.

4.  Werklunch

Frank Barry, Trinity College Dublin (TCD)

Seamus Coffey, University College Cork (UCC)

De EP-leden betwisten het argument van "kleine landen", aangezien dit voor veel lidstaten zou gelden (de Benelux, de Baltische staten, Cyprus, Malta, Portugal en Oost-Europese lidstaten). Zij stellen vragen over het functioneren van de "Bermudadriehoek" tussen de VS, Ierland en Nederland en de benodigde stimulans om belastinghervormingen snel door te voeren (aangezien het lijkt dat FACTA onder Amerikaanse druk snel is uitgevoerd).

Belangrijkste opmerkingen van de academici:

-  Ierland heeft grote directe buitenlandse investeringen, 80 % van de Ierse export komt van multinationals die in Ierland gevestigd zijn, en multinationals kunnen hun export snel verleggen, waardoor ze crises beter kunnen weerstaan. Multinationals zijn essentieel voor het economisch herstel in Ierland;

-  niets wijst op een internationale "race to the bottom" op het gebied van de vennootschapsbelasting. Het aandeel van de vennootschapsbelasting in het bbp en de totale belastininkomsten is al tientallen jaren vrij stabiel. Kleine, armere en perifere landen hebben meestal een lager venootschapsbelastingtarief dan grotere, rijkere en meer centraal gelegen landen;

-  de meeste directe buitenlandse investeringen in Ierland komen uit de VS. "Double Irish" en andere belastingpraktijken zijn het gevolg van incongruenties tussen het Amerikaanse en het Ierse belastingstelsel. Het potentiële verlies aan inkomsten uit de vennootschapsbelasting betreft de VS, niet de andere EU-lidstaten;

-  de "Double Irish" functioneert in combinatie met de "Dutch sandwich". Ierland kan (wegens de richtlijn interest en royalty's) geen bronbelasting heffen op interest en royalty's die via Nederland worden gesluisd. Die worden dan naar een derde land (zoals de Bermuda's) gesluisd, aangezien Nederland interest en royalty's niet belast;

-  theoretisch zou de EU een minimaal belastingtarief invoeren voor interest en royalty's die voortvloeien uit intellectuele-eigendomsrechten, octrooien en licenties.

5.  Verdere vergaderingen met stakeholders

  Feargal O’Rourke, Head of Tax, PWC

  Conor O’Brien, Head of Tax, KPMG

  Jim Clarken, ceo, Oxfam Ierland

  Micheál Collins, Nevin Economic Research Institute (NERI)

Belangrijkste opmerkingen van de stakeholders:

-  het Ierse belastingstelsel gaat terug op het Britse beginsel van fiscale woonplaats, dat is bevestigd in een rechtszaak in 1905 (Hogerhuis), d.w.z. een traditie van meer dan een eeuw;

-  het voornaamste punt van kritiek zijn de Ierse naamloze vennootschappen ("incorporated companies").

De ngo's:

-  het belastingbeleid is essentieel voor de bestrijding van armoede: de ontwikkelingslanden krijgen te weinig belastinginkomsten; de kloof bedraag 91 miljard USD per jaar;

-  de ontwikkelingslanden zijn geen lid van de OESO. Ze vragen om automatische uitwisseling van informatie met de ontwikkelingslanden, zelfs zonder wederkerigheid, transparantie met betrekking tot uiteindelijke begunstigden (overeenkomstig de 4e antiwitwasrichtlijn), openbare verslaglegging per land (zoals deels vastgesteld in de jaarrekeningrichtlijn en CRD IV) en een internationaal orgaan voor samenwerking op het gebied van belastingen;

-  Het beginsel van Adam Smith, namelijk eenvoudige, rechtvaardige en doeltreffende belastingen, wordt in het internationale belastingstelsel niet meer toegepast, omdat het door concurrentieverstoringen te complex, onrechtvaardig en ondoeltreffend is geworden;

-  het BEPS-project zou tot een rechtvaardiger, transparanter en doeltreffender belastingstelsel moeten leiden.

BIJLAGE 8: VERSLAG VAN DE DELEGATIE NAAR NEDERLAND

Onderstaand verslag vormt geen officiële notulen. Het is een interne samenvatting van de informatieopdracht, die is opgesteld met het oog op de gedachtewisseling tijdens de vergadering van de TAXE-commissie van 23 juni 2015. De betrokken derden zijn niet over de inhoud ervan geraadpleegd.

Commissie TAXE

ad-hocdelegatie naar Den Haag (Nederland)

29 mei 2015

Agenda

9.00 - 10:30  Vergadering met de Commissie financiën van de Tweede Kamer

Delegatie van leden van de Commissie financiën

10.45 - 12.45  Vergadering met stakeholders (deskundigen, academici en ngo's)

•  Bartjan Zoetmulder, Nederlandse Orde van belastingadviseurs

•  Hans van den Hurk, Universiteit van Maastricht

•  dhr. Eikelenboom of dhr. de Groot, Het Financieele Dagblad

•  Indra Römgens, SOMO, onafhankelijke not-for-profit onderzoeks- en netwerkorganisatie

•  Francis Weyzig, Oxfam

14.00 - 15.00 Vergadering met Pieterbas Plasman, hoofd van de dienst Fiscale rulings

Ministerie van Financiën

15.00 - 16.00  Vergadering met Eric Wiebes, staatssecretaris van Financiën

Ministerie van Financiën

Deelnemerslijst

Leden

Alain LAMASSOURE, voorzitter  

Esther de LANGE  PPE

Elisa FERREIRA  S&D

Bernd LUCKE  ECR

Michael THEURER  ALDE

Fabio DE MASI  GUE/NGL

Philippe LAMBERTS  Verts/ALE

Marco VALLI  EFDD

Begeleidende leden

Cora van NIEUWENHUIZEN   ALDE (NL)

Sven GIEGOLD  Verts/ALE

Peter SIMON  S&D

Paul TANG   S&D (NL)  

1.   Vergadering met de Commissie financiën van de Tweede Kamer

-  Sjoera Dikkers, kamerlid

-  Helma Neppérus, kamerlid

-  Ed Groot, kamerlid

-  Wouter Koolmees, kamerlid

-  Arnold Merkies, kamerlid

-  Jesse Klaver, kamerlid

Belangrijkste opmerkingen van de kamerleden:

-  alle landen/lidstaten doen aan belastingconcurrentie, onder meer om directe buitenlandse investeringen aan te trekken;

-  Nederland is voorstander van uitwisseling van informatie over fiscale rulings;

-  Nederland is het land met de hoogste inkomende en uitgaande directe buitenlandse investeringen (meer dan Duitsland, het VK en Japan samen);

-  fiscale rulings zijn nodig voor een dialoog tussen de belastingautoriteiten en de belastingplichtigen;

-  Nederland mag niet worden beschouwd als een belastingparadijs, hooguit als een toegangspoort naar belastingparadijzen. Nederland heft geen belastingen op interesten en royalty's;

-  Nederland heeft maatregelen genomen om "lege" vennootschappen aan te pakken en heeft een toetsing van de economische substantie en algemene antimisbruikbepalingen (GAAR's) ingevoerd;

-  Nederlandse fiscale rulings zijn alleen bedoeld om de wetgeving te interpreteren, niet om over tarieven te onderhandelen;

-  Het Nederlandse parlement debatteert openlijk over de Nederlandse fiscale rulings. Er is geen unaniem standpunt;

-  Nederland heeft kleine, jonge bedrijven aantrekkelijke fiscale stimulansen aangeboden in de hoop dat lelijke eendjes zwanen zullen worden – ook al worden veel eendjes nooit zwanen;

-  over CCCTB: Nederland was tegen het oorspronkelijke voorstel, maar staat open voor het herziene voorstel zonder keuzemogelijkheid (geen parallel stelsel naast de bestaande belastingstelsels). Eerst moet er een gemeenschappelijke heffingsgrondslag komen, later consolidatie, eventueel in combinatie met een minimumtarief;

-  over verslaglegging per land: publieke steun voor verslaglegging per land;

-  de toekomstige Nederlandse "innovatiebox" verschilt van bv. de Britse "octrooibox", aangezien alleen in Nederland gemaakte kosten voor onderzoek en ontwikkeling (geen octrooien) in aanmerking komen.

De EP-leden stellen vragen over de positie van Nederland als "kleine lidstaat" en zijn rol als potentieel belastingparadijs (onder verwijzing naar de landenbrochure van PwC), de grenzen tussen schadelijke en gezonde belastingconcurrentie, de noodzaak van coördinatie van het belastingbeleid op EU-niveau, het feit dat 17 van de grootste Portugese bedrijven de afgelopen jaren om fiscale redenen hun zetel naar Nederland hebben verplaatst, hun verwachting dat het komende Nederlandse voorzitterschap van de Raad een constructieve rol zal spelen en het belastingbeleid van de EU vooruit zal helpen, het Nederlandse standpunt over openbare verslaglegging per land, het recht van inzage in de notulen van de Groep gedragscode, en bijzonderheden van de zaken FIAT en Starbucks.

De Nederlandse kamerleden werken graag met de TAXE-commissie samen en aanvaarden de uitnodiging voor de interparlementaire vergadering van 17 juni 2015.

2.  Vergadering met stakeholders (deskundigen, academici en ngo's)

-  Bartjan Zoetmulder, Nederlandse Orde van belastingadviseurs

-  Hans van den Hurk, Universiteit van Maastricht

-  dhr. Eikelenboom of dhr. de Groot, Het Financieele Dagblad

-  Indra Römgens, SOMO, onafhankelijke not-for-profit onderzoeks- en netwerkorganisatie

-  Francis Weyzig, Oxfam

Belangrijkste opmerkingen:

-  de Nederlandse fiscale-rulingpraktijk, en met name de Advanced Pricing Agreements (APA's), zijn gebaseerd op de OESO-richtsnoeren voor verrekenprijzen (die enige beoordelingsmarge laten);

-  "kennisgroepen" bij de Nederlandse belastingdienst houden toezicht op de coherente aanpak van fiscale rulings;

-  multinationals zijn op zoek naar hubs om in de EU te investeren; dankzij het (belasting)vrije verkeer van kapitaal in de EU (overeenkomstig de moeder-dochterrichtlijn en de richtlijn interest en royalty's) en het feit dat uitgaande interesten en royalty's in Nederland niet worden belast, is Nederland een interessant land om in te investeren;

-  het besluit om interesten en royalty's niet te belasten, is een nationale keuze; andere landen (bv. het VK en België) kiezen ervoor om dividenden niet te belasten;

-  een CCCTB zou grote, geïndustrialiseerde lidstaten bevoordelen ten opzichte van kleinere lidstaten met een diensteneconomie;

-  de Nederlandse "innovatiebox" neemt alleen in Nederland gemaakte kosten voor onderzoek en ontwikkeling in aanmerking (de vraag van EP-leden of onderzoek en ontwikkeling die in derde landen worden geoutsourcet maar in naam in Nederland worden "beheerd", ook aftrekbaar zijn in Nederland, blijft open/wordt niet beantwoord);

-  de Nederlandse innovatiebox is beperkter dan de Britse octrooibox, aangezien het alleen gaat om kosten voor onderzoek en ontwikkeling, niet om louter de kosten van de eigendom van een octrooi.

Ngo's:

-  de richtlijn interest en royalty's moet dringend worden herzien en moet algemene antimisbruikbepalingen (GAAR's) bevatten;

-  belastingconcurrentie binnen de EU is kortzichtig en heeft overloopeffecten binnen de EU en in de rest van de wereld, ook in ontwikkelingslanden;

-  fiscale rulings moeten worden uitgewisseld en openbaar worden gemaakt; uitwisseling van informatie over fiscale rulings volstaat niet; de uitwisseling moet openbaar zijn en worden gecombineerd met openbare verslaglegging per land.

De EP-leden stellen vragen over het functioneren van de "Bermudadriehoek" (VS-Ierland/Nederland-Bermuda), het functioneren van het "horizontaal toezicht" door de belastingdienst op de naleving door de belastingplichtigen, het functioneren van de Nederlandse "innovatiebox" en de meningen over een toekomstig voorstel voor een herziene CCCTB.

De EP-leden wijzen erop dat als kleine lidstaten alleen maar tegen het CCTB-voorstel zijn omdat ze bang zijn om erbij te verliezen, dit kan worden opgelost door de verdeelsleutel in het CCCTB-voorstel te veranderen.

3.  Vergadering met Pieterbas Plasman, hoofd van de dienst Fiscale rulings

De EP-leden stellen vragen over de onafhankelijkheid van de dienst Fiscale rulings (onderdeel van de belastingdienst), de aard van de fiscale rulings (bindend), de aard van de toetsing van economische substantie, de praktijk van het niet belasten van interesten en royalty's in Nederland, het functioneren van het "horizontale toezicht" en innovatieboxen, de verenigbaarheid van de fiscale rulings met de staatssteunregels van de EU, de transparantie van de fiscale rulings, de (niet-)beoordeling van de kosten van een fiscale ruling voor andere lidstaten, en het leidende beginsel voor Nederlandse belastingambtenaren (het bedrijfsleven steunen? het economische beleid ondersteunen? zoveel mogelijk inkomsten voor de staat? de wet toepassen?).

Belangrijkste opmerkingen:

-  de belastingdienst heeft teams voor APA's (Advance Pricing Agreements – voorafgaande afspraken over prijzen) en ATR's (voorafgaande fiscale rulings), met elk 12 leden; deze vormen geen afzonderlijke entiteit, maar maken deel uit van de belastingdienst;

-  het leidende beginsel is de wet toepassen;

-  vereiste inzake economische substantie (economic substance requirement, ESR): om een APA/ATR aan te vragen, moet een belastingplichtige aan het ESR voldoen;

-  "horizontaal toezicht" op de naleving door de belastingplichtigen is een algemeen beginsel bij belastingdiensten, dat steunt op wederzijds vertrouwen en begrip, maar niet op blind vertrouwen;

-  belastingadviseurs kunnen namens een belastingplichtige APA's of ATR's aanvragen, maar dit doet niet ter zake voor de besluiten over de APA's/ATR's;

-  staatssteun: aangezien alle belastingplichtigen gelijk worden behandeld ten aanzien van APA's/ATR's, is er geen sprake van staatssteun;

-  FIAT en Starbucks: geen commentaar over individuele belastingplichtigen.

4.  Vergadering met Eric Wiebes, staatssecretaris van Financiën

De EP-leden stellen vragen over de redenering/motivering van multinationals die zich in Nederland vestigen, de rol van het komende Nederlandse voorzitterschap bij het vooruithelpen van de CCCTB, verslaglegging per land, de richtlijn interest en royalty's, de rol van belastingverdragen bij het (onbedoeld?) creëren van achterpoortjes, de beoordeling van de plaats waar belasting wordt geheven bij de innovatiebox, bijzonderheden over de zaken FIAT, Starbucks en Crosswinds, de (niet-)beoordeling van de kosten van een fiscale ruling voor andere lidstaten, en inzage in de notulen van de Groep gedragscode.

Belangrijkste opmerkingen van de staatssecretaris:

-  Nederland is voorstander van een gelijk internationaal speelveld op het gebied van belastingen;

-  Het Nederlandse belastingstelsel heeft drie leidende beginselen: grensoverschrijdende en (intra-EU-) interne overdrachten moeten gelijk worden behandeld (d.w.z. geen verschillende belasting op uitgaande interesten en royalty's binnen en buiten de EU), winsten moeten worden belast waar de waarde wordt gecreëerd, en er moet vooraf rechtszekerheid worden geboden (-> APA's/ ATR's);

-  met de invoering van de toetsing van de economische substantie en de algemene antimisbruikregels zullen "brievenbusfirma's of "lege" vennootschappen zonder economische substantie in Nederland verdwijnen;

-  Nederland zal een voortrekkersrol spelen bij de uitwisseling van informatie over fiscale rulings; er is een proefproject aangekondigd voor de uitwisseling van informatie over fiscale rulings met Duitsland;

-  CCCTB: consolidatie vormt een probleem: Nederland (en veel/de meeste lidstaten) zouden erbij verliezen; eerst moet de heffingsgrondslag aan bod komen;

-  is voorstander van BEPS, betreurt het dat de ontwikkelingslanden niet bij de OESO/BEPS betrokken zijn;

-  Nederland heeft antimisbruikbepalingen (GAAR's) opgenomen in de verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing met de 23 grootste ontwikkelingslanden;

-  technische vragen zullen schriftelijk worden beantwoord;

-  weigert het EP inzage in de notulen van de Groep gedragscode.

BIJLAGE 9: VERSLAG VAN DE DELEGATIE NAAR HET VERENIGD KONINKRIJK

Onderstaand verslag vormt geen officiële notulen. Het is een interne samenvatting van de informatieopdracht, die is opgesteld met het oog op de gedachtewisseling tijdens de vergadering van de TAXE-commissie van 23 juni 2015. De betrokken derden zijn niet over de inhoud ervan geraadpleegd.

Commissie TAXE

ad-hocdelegatie naar Londen (Verenigd Koninkrijk) 18 juni 2015

Agenda

9.00 - 10.00  Vergadering met David Gauke, staatssecretaris van Financiën (Financial Secretary to the Treasury)

10.00 - 11.00   Vergadering met deskundigen van het Ministerie van Financiën (HM Treasury) en de nationale belasting- en douanedienst (HM Revenue & Customs)

  Jim Harra, directeur-generaal, bedrijfsbelasting, nationale belasting- en douanedienst

  Fergus Harradence, adjunct-directeur, vennootschapsbelastingteam, afdeling bedrijfs- en internationale belastingen, Ministerie van Financiën

  Andrew Dawson, hoofd belastingverdragenteam, hoofdonderhandelaar voor belastingverdragen van het VK en lid van de deskundigencommissie inzake internationale samenwerking in belastingaangelegenheden van de VN, nationale belasting- en douanedienst

  Maura Parsons, adjunct-directeur, hoofd verrekenprijzen bij de nationale belasting- en douanedienst en voorzitter van de Raad voor verrekenprijzen bij de nationale belasting- en douanedienst

  Aiden Reilly, hoofd internationale betrekkingen bij het directoraat vennootschapsbelasting, internationaal en zegels van de nationale belasting- en douanedienst

11.30 - 12.30  Informele vergadering met Meg Hillier, Margaret Hodge en Guto Bebb, leden van de Commissie overheidsrekeningen van het Lagerhuis

13.00 - 13.45   Werklunch

Prem Sikka, professor boekhouding, Essex Business School, Universiteit van Essex

Frank Haskew, hoofd faculteit belastingen, ICAEW (Institute of Chartered Accountants in England and Wales) en Ian Young, International Tax Manager

14.00 - 16.00  Vergadering met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, belastingadviseurs en ngo's

Will Morris (GE), voorzitter belastingcommissie CBI en belastingcommissie BIACen andere leden van de Confederation of British industry (CBI)

Richard Collier, senior partner belastingen bij PwC

  Joseph Stead, Christian Aid

  Meesha Nehru, programmadirecteur, Fair Tax Mark

Deelnemerslijst

Leden  

Alain LAMASSOURE, voorzitter

Danuta HÜBNER  PPE

Elisa FERREIRA  S&D

Bernd LUCKE  ECR

Michael THEURER  ALDE

Molly SCOTT CATO  Verts/ALE

Marco ZANNI  EFDD

Begeleidende leden

Frank ENGEL  PPE

Peter SIMON  S&D

Anneliese DODDS   S&D

Sven GIEGOLD  Verts/ALE

Matt CARTHY  GUE/NGL

1.  Vergadering met David Gauke, staatssecretaris van Financiën, bijgestaan door Mike Williams, directeur van de afdeling bedrijfs- en internationale belastingen, Ministerie van Financiën

De EP-leden stellen vragen over het standpunt van het VK over de CCCTB, de rol van het VK ten aanzien van overzeese gebieden, verslaglegging per land, de Britse octrooiboxregeling, het belastingstelsel dat op de City of London van toepassing is, de transparantie van banken, de Britse kijk op een "Googlebelasting", de Britse kijk op de minimale voorwaarden voor eerlijke belastingconcurrentie en de vraag of het VK, als voortrekker op internationaal vlak, ook bereid zou zijn tot coördinatie op EU-niveau.

Belangrijkste opmerkingen van de staatssecretaris:

-   Het VK is tegen een CCCTB op EU-niveau omdat dit geen oplossing is voor kwesties met betrekking tot verrekenprijzen op mondiaal niveau;

-   Het VK speelt een voortrekkersrol met betrekking tot BEPS en meent dat er alleen op internationaal vlak een oplossing kan worden gevonden;

-   Het VK wil een nauwere band creëren tussen de plaats waar belasting wordt geheven en de plaats waar de economische activiteiten plaatsvinden;

-   Het VK pakt BEPS aan met de invoering van hybride incongruentieregels en verslaglegging per land;

-   De belastingregels moeten worden geactualiseerd om rekening te houden met het toenemende belang van intellectuele-eigendomsrechten;

-   Het VK is voorstander van meer samenwerking tussen de belastingautoriteiten, maar niet van verdere harmonisatie;

-   De overzeese gebieden hebben enorme vooruitgang geboekt op het gebied van transparantie en voldoen nu aan de internationale normen;

-   Fiscale rulings zijn zeer belangrijk voor bedrijven;

-   De City heeft geen speciale belastingregeling.

2.   Vergadering met deskundigen van het Ministerie van Financiën (HM Treasury) en de nationale belasting- en douanedienst (HM Revenue & Customs)

•  James Harra: commissaris en lid van het uitvoerend comité van de nationale belasting- en douanedienst

•  Fergus Harradence: adjunct-directeur vennootschapsbelastingteam, Ministerie van Financiën

•  Andrew Dawson: hoofd belastingverdragenteam, nationale belasting- en douanedienst

•  Maura Parsons: adjunct-directeur, hoofd verrekenprijzen bij de nationale belasting- en douanedienst en voorzitter van de raad voor verrekenprijzen bij de nationale belasting- en douanedienst

•  Aiden Reilly: hoofd internationale betrekkingen bij het directoraat vennootschapsbelasting, internationaal en zegels van de nationale belasting- en douanedienst

De EP-leden stellen vragen over trusts en stichtingen, de minimumvoorwaarden opdat een economische activiteit in het VK wordt belast, de CCCTB, de rol van het VK ten aanzien van de overzeese gebieden, verslaglegging per land, de Britse octrooiboxregeling, de manier waarop in het VK fiscale rulings worden afgegeven, de rol van de vier grote accountantskantoren, de bevoegdheden en de rol van de belastingautoriteiten bij de handhaving van de belastingregels, en het standpunt van de nationale belasting- en douanedienst ten aanzien van de Groep gedragscode.

Belangrijkste opmerkingen van de nationale belasting- en douanedienst:

-  Het VK heeft overeenkomsten voor nauwere samenwerking tussen zijn belastingautoriteiten en die van de overzeese gebieden;

-  Er zijn speciale belastingregels voor trusts en stichtingen. Zij worden hetzij op het niveau van de trust of de stichting belast, hetzij op het niveau van de economische begunstigden;

-  De Britse octrooiboxregeling strookt met de EU-regels en de verrekenprijzenregeling strookt met de OESO-regels. Een bedrijf kan ook van de octrooiboxregeling gebruik maken als de intellectuele-eigendomsrechten niet in het VK zijn ontwikkeld, maar wel in het VK zijn gekocht. Als de rechten gekocht zijn, is het mogelijk dat er twee keer een gunstige belastingregeling geldt: één keer in het land waar het octrooi is ontwikkeld en één keer in het VK. Deze "dubbele niet-belastingheffing" zal eind dit jaar worden verholpen als de OESO-richtsnoeren inzake "nexus" eenmaal klaar zijn. Wel is een minimale economische substantie vereist: het is niet toegestaan om geen werknemers in het VK te hebben;

-  Het VK is tegen de CCCTB, maar verbindt zich ertoe de BEPS-regels op EU-niveau te doen toepassen;

-  er is nauwelijks sprake van detachering van de "grote vier" bij de nationale belasting- en douanedienst.

3.  Informele vergadering met een aantal leden van de Commissie overheidsrekeningen van het Lagerhuis

•  Margaret Hodge (Labour, Banking (London)), aftredend voorzitter van de Commissie overheidsrekeningen

•  Meg Hiller (Labour, Hackney South en Shoreditch), verkozen voorzitter van de Commissie overheidsrekeningen

•  Guto Bebb (Conservatieven, Aberconwy (Wales))

Aangezien de Commissie overheidsrekeningen sinds de verkiezingen van mei nog niet formeel is samengesteld, is dit een informele vergadering. De leden van de Commissie overheidsrekeningen geven hun persoonlijke mening en spreken niet namens de commissie.

De Commissie overheidsrekeningen heeft tijdens de voorbije zittingsperiode een belangrijke rol gespeeld bij de bestrijding van agressieve belastingplanning, met name aan de hand van verscheidene verslagen en hoorzittingen met multinationals.

De EP-leden stellen vragen over het standpunt van het VK over de CCCTB, de rol van de Commissie overheidsrekeningen bij het aansporen van het VK om agressieve belastingplanning te bestrijden, de bevoegdheden van de commissie op het gebied van belastingen, de toekomstige agenda van de commissie, en het standpunt van het VK ten aanzien van de overzeese gebieden, verslaglegging per land, de transparantie van banken en meer harmonisatie op dit gebied.

Belangrijkste opmerkingen van Margaret Hodge en Meg Hillier (Labour):

-  de Commissie overheidsrekeningen krijgt sterke steun van de burgers: de commissie heeft weliswaar geen bevoegdheden op belastinggebied, maar haar werkzaamheden hebben veel invloed op de uitvoerende macht;

-  de leden van het EP moeten hun eigen regeringen aansporen om vooruitgang te vergemakkelijken;

-  er moet meer worden gedaan op het gebied van belastingadviseurs;

-  de nationale belastingwetgevingen zijn te ingewikkeld;

-  het VK zal niet akkoord gaan met meer harmonisatie, maar verbindt zich wel tot meer transparantie;

-  verslaglegging per land moet worden gezien als een proces in twee stappen: openbare verslaglegging per land zal op de lange termijn een natuurlijke stap zijn;

-  het is moeilijk om klokkenluiders beter te beschermen, zeker wat bescherming op de werkplek betreft;

-  wat betreft de mogelijkheid dat professoren die door de overheid worden betaald, ook belastingadviseur kunnen zijn, wijzen zij erop dat de EU-regels agressieve belastingadviseurs de toegang tot overheidsopdrachten verbieden.

Belangrijkste opmerkingen van Guto Bebb (Conservatieven):

-  dankzij de werkzaamheden van de Commissie overheidsrekeningen is het VK aan het veranderen.

-  belastingen moeten laag zijn, maar moeten wel worden betaald.

-  harmonisatie maakt geen kans, transparantie wel;

-  de invoering van nieuwe belastingkortingen kan tot nieuwe achterpoortjes leiden, zoals het geval was met de Britse belastingkorting voor liefdadigheidsorganisaties.

Wat de mogelijkheid van een gezamenlijke vergadering over multinationals betreft, laat de verkozen voorzitter van de Commissie overheidsrekeningen de deur open.

4.  Werklunch met accountants en een professor boekhouding

•  Prem Sikka, professor boekhouding, Essex Business School, Universiteit van Essex

•  Frank Haskew, hoofd faculteit belastingen, ICAEW (Institute of Chartered Accountants in England and Wales)

•  en Ian Young, International Tax Manager, ICAEW (cv's in het dossier)

Belangrijkste opmerkingen van prof. Sikka:

-  de belastingsector heeft in het VK veel macht: het VK heeft het grootste aantal belastingdeskundigen per hoofd. Het is een zeer winstgevende activiteit;

-  belastingaccountants worden niet aangemoedigd om niet op het gebied van belastingplanning te werken;

-  als belastingadviseurs denken dat er een kans van 50 % bestaat dat een bepaalde belastingregeling 50 % niet zal worden aangevochten, verkopen ze die;

-  Er is geen politieke wil om agressieve belastingplanning te bestrijden. Het VK is goed in het invoeren van wetten, maar niet in het handhaven ervan: na LuxLeaks had de Britse regering een onderzoek naar PwC kunnen instellen, maar dat heeft zij niet gedaan;

-  de ethische gedragscode voor accountants werkt niet.

Belangrijkste opmerkingen van Ian Young en Frank Haskew:

-  Belastingadviseurs en accountants zijn essentieel voor bedrijven: de OESO zal eind dit jaar met 1 000 bladzijden papier komen. Bedrijven moeten worden geholpen om de regels toe te passen;

-  de sector heeft op ethisch vlak veel vooruitgang geboekt;

-  accountants zijn tegen openbare verslaglegging per land; de OESO-richtsnoeren moeten worden toegepast;

-  ze hebben geen duidelijk standpunt over de noodzaak om accounting- en auditdiensten binnen bedrijven van elkaar te scheiden.

5.   Vergadering met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, belastingadviseurs en ngo's

•  Will Morris (GE), voorzitter belastingcommissie CBI en belastingcommissie BIACen andere leden van de Confederation of British industry (CBI)

•  Richard Collier, senior partner belastingen bij PwC

•  Joseph Stead, Christian Aid

•  Meesha Nehru, programmadirecteur, Fair Tax Mark

Belangrijkste opmerkingen van de CBI:

De CBI heeft een voortrekkersrol gespeeld bij de gedragsverandering en er is tot dusver veel vooruitgang geboekt.

De grote bedrijven in het VK beseffen dat ze reputatieproblemen hebben en pakken de kwestie serieus aan. De CBI maakt werk van meer maatschappelijk verantwoord ondernemen, maar gedragingen veranderen, vergt tijd.

De CBI is voorstander van verslaglegging per land voor zover het om verslaglegging tussen regeringen gaat. De CBI is niet overtuigd van de voordelen van openbare verslaglegging per land.

De CBI is voorstander van een optionele CCCTB.

DE CBI is het ermee eens dat belastingontwijking een bedrijfstak is, maar bedrijven ook geld kost. Er moet een juist evenwicht worden gevonden.

Belangrijkste opmerkingen van PwC:

-  PwC heeft in het VK 18 000 personeelsleden, van wie er 3 000 op het gebied van belastingen werken;

-  PwC ziet geen belangenconflict als het belastingadvies aan regeringen en bedrijven geeft;

-  de Britse regering speelt een voortrekkersrol op het gebied van BEPS, maar heeft anderzijds een agressieve belastingstrategie;

-  een gedragscode voor belastingadviseurs moet vrijwillig blijven;

-  de OESO-regels voor verrekenprijzen kunnen iet selectief worden toegepast;

-  Fiscale rulings zijn essentieel voor bedrijven en stroken met de OESO-regels;

Belangrijkste opmerkingen van Christian Aid:

-  de ontwikkelingslanden moeten bij BEPS worden betrokken;

-  de verslaglegging per land zoals die in het BEPS-project wordt voorgesteld, is een goed begin;

-  meer transparantie is essentieel;

-  oneerlijke belastingconcurrentie in de EU moet een halt worden toegeroepen.

Belangrijkste opmerkingen van Fair Tax Mark:

-  verslaglegging per land moet openbaar zijn, maar transparantie is niet genoeg;

-  de de nationale belasting- en douanedienst wordt te zeer beïnvloed door de "grote vier". Het VK is goed in het invoeren van regels, maar niet in het handhaven ervan.

MINDERHEIDSSTANDPUNT

overeenkomstig artikel 56, lid 3, van het Reglement

Fabio De Masi namens GUE/NGL

GUE/NGL is ingenomen met de hoofdinhoud van het TAXE-verslag. Het bevat nuttige voorstellen voor rechtvaardigere belastingen en toont aan dat bezuinigingen de belastingen onrechtvaardiger maken. Ondanks onze vele bijdragen aan het eindverslag onthouden wij ons thans om de volgende redenen:

Wij betreuren het dat in het verslag niet wordt ingegaan op de noodzaak van een echte onderzoekscommissie, of ten minste een verlenging van het mandaat van TAXE. De toegang tot documenten blijft onbevredigend. Zo weigeren dertien lidstaten de toegang tot informatie over de Groep gedragscode. Multinationals hebben de uitnodigingen van TAXE genegeerd, maar er kon nog geen rechtsgrondslag voor sancties worden vastgesteld. Er is ook geen gevolg gegeven aan de tegenstrijdige verklaringen van de voorzitter van de Europese Commissie, Jean-Claude Juncker, tijdens zijn getuigenis voor TAXE.

Op een aantal belangrijke punten ontbreekt het aan ambitie bovenop wat de Europese Commissie reeds heeft voorgesteld. Fiscale rulings moeten openbaar worden gemaakt en wetten inzake het belastinggeheim moeten worden aangepast. Wij vinden de consolidatie van de heffingsgrondslag een goed idee. Wat echter ontbreekt, is een duidelijke verbintenis om de heffingsgrondslag uit te breiden. Wij zijn tegen de overgangsperiode vóór de consolidatie, waardoor verliezen van de winst kunnen worden afgetrokken, en betreuren dat er geen verdere voorzorgsmaatregelen zijn om belastingconcurrentie tussen EU-landen te voorkomen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

3

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Hugues Bayet, Esther de Lange, Fabio De Masi, Markus Ferber, Elisa Ferreira, Ashley Fox, Ildikó Gáll-Pelcz, Sven Giegold, Sylvie Goulard, Roberto Gualtieri, Danuta Maria Hübner, Petr Ježek, Eva Joly, Eva Kaili, Othmar Karas, Jeppe Kofod, Zdzisław Krasnodębski, Georgios Kyrtsos, Alain Lamassoure, Philippe Lamberts, Marju Lauristin, Bernd Lucke, Marisa Matias, Emmanuel Maurel, Morten Messerschmidt, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Rolandas Paksas, Evelyn Regner, Peter Simon, Theodor Dumitru Stolojan, Michael Theurer, Cora van Nieuwenhuizen, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gerolf Annemans, Pervenche Berès, Eider Gardiazabal Rubial, Neena Gill, Gunnar Hökmark, Paloma López Bermejo, Thomas Mann, Eva Paunova, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

34

+

ALDE

Sylvie Goulard, Petr Ježek, Michael Theurer, Cora van Nieuwenhuizen

ECR

Bernd Lucke

ENF

Bernard Monot

PPE

Markus Ferber, Ildikó Gáll-Pelcz, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Alain Lamassoure, Thomas Mann, Luděk Niedermayer, Eva Paunova, Theodor Dumitru Stolojan, Tom Vandenkendelaere, Esther de Lange

S&D

Hugues Bayet, Pervenche Berès, Elisa Ferreira, Eider Gardiazabal Rubial, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Eva Kaili, Jeppe Kofod, Marju Lauristin, Emmanuel Maurel, Evelyn Regner, Peter Simon

VERTS/ALE

Sven Giegold, Eva Joly, Philippe Lamberts

3

-

ECR

Ashley Fox, Zdzisław Krasnodębski, Morten Messerschmidt

7

0

EFDD

Rolandas Paksas, Marco Valli, Marco Zanni

ENF

Gerolf Annemans

GUE/NGL

Fabio De Masi, Paloma López Bermejo, Marisa Matias

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 63 van 11.3.2011, blz. 1), betreffende wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van directe belastingen.

(2)

Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (PB L 157 van 26.6.2003, blz. 49).

(3)

PB L 225 van 20.8.1990, blz. 6.

(4)

PB L 158 van 27.5.2014, blz. 196.

(5)

PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(6)

PB L 336 van 27.12.1977, blz. 15.

(7)

PB C 2 van 6.1.1998, blz. 2.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0265.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0089.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0062.

(11)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444.

(12)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0205.

(13)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0137.

(14)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 37.

(15)

PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 29.

(16)

"Taxation trends in the European Union", editie 2014, Eurostat.

(17)

"Taxation trends in the European Union", Eurostat statistical books, editie 2014.

(18)

Europese Commissie (2015), "SME taxation in Europe – an empirical study of applied corporate income taxation for SMEs compared to large enterprises".

(19)

Beleidsnota's van het IMF, "Spillovers in international corporate taxation", 9 mei 2014, en "Base Erosion, Profit Shifting and Developing Countries", 29 mei 2015.

(20)

Verslag van Richard Murphy, FCA, "Closing the European Tax Gap", 10 februari 2012.

(21)

"European added value of legislative report on bringing Transparency, coordination and convergence to corporate tax policies in the European Union", Dr. Benjamin Ferrett, Daniel Gravino en Silvia Merler, Europees Parlement.

(22)

"Unhappy meal – €1 Billion in Tax Avoidance on the Menu at McDonald's", EPSU et al., februari 2015.

(23)

Werkdocument van de diensten van de Commissie van 17 juni 2015 over vennootschapsbelasting in de Europese Unie (SWD(2015)0121).

(24)

"A study on R&D Tax incentives", Taxation Paper nr. 52-2014, Europese Commissie.

(25)

"Transfer pricing: Keeping it at arm's length", OECD Observer 230, januari 2002 (herzien in 2008).

(26)

Lagerhuis van het VK, mondelinge getuigenis voor de Begrotingscommissie, 31 januari 2013.

(27)

Persbericht OESO, "OECD urges stronger international co-operation on corporate tax", 12 februari 2013.

(28)

"SME taxation in Europe – An empirical study of applied corporate income taxation for SMEs compared to large enterprises", Europese Commissie, mei 2015, en P. Egger, W. Eggert & H. Winner (2010), "Saving taxes through foreign plant ownership", Journal of International Economics 81, blz. 99-108.

(29)

C-106/09 P en C-107/09 P, Commissie tegen Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, arrest van 15 november 2011.

(30)

Als de door de lidstaten vastgestelde maatregelen betrekking hebben op het gehele belastingstelsel, zijn het wijzigingen van het algemene belastingbeleid en geen staatssteun.

(31)

Nota van commissaris Vestager aan de Commissie TAXE van 29 april 2015.

(32)

Zoals bepaald bij Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU, wat betreft de verplichting om samen te werken en alle noodzakelijke stukken te verstrekken.

(33)

Beleidsnota IMF, "Spillovers in international corporate taxation", 9 mei 2014.

(34)

Beleidsnota IMF, "Base erosion, profit shifting and developing countries", mei 2015.

(35)

Studie "Tax revenue mobilisation in developing countries: issues and challenges", Europees Parlement, april 2014.

(36)

World Investment Report 2015, Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD).

(37)

Verslag van Christian Aid, 2008.

(38)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0219.

(39)

Airbus, BNP Paribas, SSE plc, Total S.A., KPMG, Ernst&Young, Deloitte en PwC.

(40)

Amazon.co.uk Ltd, Amazon S.a.r.l., Anheuser-Busch InBev, Barclays Bank Group, Coca-Cola Company, Facebook, Fiat Chrysler Automobiles, Google, HSBC Bank plc, IKEA, Mc Donald's Corporation, Philip Morris, Walmart en Walt Disney Company.

(41)

Gedragscode als vermeld in bijlage III bij het Interinstitutioneel Akkoord over het transparantieregister.

(42)

COM(2012) 722 final.

(43)

"Tracking corporate tax breaks: a welcome new form of transparency emerges in the US", Tax Justice Network.

(44)

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, COM(2011)0681, blz. 6.

(45)

Hiertoe behoren, om er maar enkele te noemen: bestaande verdragen ter voorkoming van dubbele belasting met rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, opschorten of stopzetten; ondernemingen die zijn gevestigd in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, verbieden deel te nemen aan EU-overheidsopdrachten voor de levering van goederen en diensten en deze ondernemingen staatssteun weigeren; financiële instellingen en financiële adviseurs in de EU verbieden om in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, filialen en dochterbedrijven op te richten of te behouden, en overwegen om de bankvergunning in te trekken van Europese financiële instellingen en financiële adviseurs die in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, dochterbedrijven behouden en actief blijven; een speciale heffing invoeren op alle transacties naar of uit rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan; een reeks opties onderzoeken om de juridische status van bedrijven die zijn opgericht in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, niet te erkennen in de EU; tarifaire belemmeringen toepassen bij handel met derde landen die op de zwarte lijst staan;

(46)

De EU-spaarrenterichtlijn en de richtlijn betreffende administratieve samenwerking.

Laatst bijgewerkt op: 20 november 2015Juridische mededeling