Procedure : 2015/2060(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0027/2016

Ingediende teksten :

A8-0027/2016

Debatten :

PV 11/04/2016 - 22
CRE 11/04/2016 - 22

Stemmingen :

PV 12/04/2016 - 5.15

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0108

VERSLAG     
PDF 346kWORD 145k
17 maart 2016
PE 567.475v03-00 A8-0027/2016

inzake de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen

(2015/2060(INI))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Sylvie Goulard

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

inzake de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen

(2015/2060(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het beginsel van oprechte samenwerking tussen de Unie en de lidstaten, zoals geformuleerd in artikel 4, lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 121 en 138 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Protocol nr. 14 bij het VWEU betreffende de Eurogroep,

–  gezien zijn resolutie van 20 oktober 2010 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende verbetering van het EU-kader voor economisch bestuur en stabiliteit, met name in de eurozone(1),

–  gezien zijn resolutie van 11 mei 2011 over de EU als wereldspeler: de rol van de EU in multilaterale organisaties(2),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mondiale economische beleidsaansturing(3),

–  gezien zijn resolutie van 24 juni 2015 over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen(4),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over het opbouwen van een kapitaalmarktenunie(5),

–  gezien het verslag van de groep op hoog niveau van 25 februari 2009 over het financieel toezicht in de Europese Unie (verslag-Larosière),

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters, waarin zij aandringen op consolidatie van de externe vertegenwoordiging van de euro,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A8-0027/2016),

A.  overwegende dat de stabiliteit van het financieel stelsel, die een voorwaarde is voor een goede benutting van de hulpbronnen ten dienste van groei en werkgelegenheid, een mondiaal collectief goed is;

B.  overwegende dat er door de toenemende onderlinge verwevenheid van de economieën overal ter wereld behoefte bestaat aan steeds mondialere vormen van governance;

C.  overwegende dat indien de EU niet in staat is om binnen internationale instellingen en organen met één stem te spreken, alle Europese stemmen moeten worden gecoördineerd teneinde de mondiale governance te doen aansluiten op de doelstellingen en de waarden van de EU-Verdragen;

D.  overwegende dat de EU moet bijdragen aan de totstandbrenging van een democratisch kader, teneinde de mondiale uitdagingen het hoofd te bieden;

E.  overwegende dat de samenwerking op mondiaal vlak tot een verwatering van de verantwoordelijkheden en geringere controleerbaarheid kan leiden ten koste van de democratie; overwegende dat de rol van nationale parlementen en het Europees Parlement niet gemarginaliseerd mag worden, maar dat zij actief en volledig bij het gehele besluitvormingsproces moeten worden betrokken;

F.  overwegende dat de bestaande internationale instellingen en organen, met hun afzonderlijke bestuursstructuren en mandaten, door de geschiedenis heen zijn opgericht in reactie op specifieke situaties; overwegende dat dit tot complexiteit en in sommige gevallen overlapping van taken heeft geleid, en tot een systeem dat gekenmerkt wordt door een gebrek aan transparantie en een tekortschietende algehele coördinatie;

G.  overwegende dat artikel 42 van het Handvest van de grondrechten en Verordening (EG) nr. 1049/2001(6), op grond waarvan burgers van de Unie recht op toegang tot documenten hebben, van toepassing moet zijn op instellingen en agentschappen van de Unie die deelnemen aan internationale organisaties of organen;

H.  overwegende dat in de Verdragen staat dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat een recht heeft van inzage in de documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht het medium waarop zij zijn vastgelegd. (artikel 42 van het Handvest van de grondrechten); overwegende dat dezelfde mate van transparantie ook dient te gelden voor de instellingen, organen en instanties van de Unie die deelnemen aan internationale organisaties of forums, in het bijzonder wanneer regels worden vastgesteld die van invloed zijn op EU-burgers;

I.   overwegende dat de verscheidenheid aan juridische structuren, alsmede aan financierings- en operationele procedures van internationale economische organisaties en organen(7) het uitoefenen van goed toezicht moeilijk maakt, terwijl consistentie in deze procedures van essentieel belang is om een internationaal gelijk speelveld te waarborgen; overwegende dat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) echte, bij verdragen opgerichte internationale organisaties met een ruim mandaat en een brede samenstelling zijn, terwijl bijvoorbeeld de G20, de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) en het Comité van Basel tot de informele publieke fora met een beperkt aantal leden behoren, die in sommige gevallen als gevolg van de crisis aan belang gewonnen hebben, en de Internationale Organisatie van Effectentoezichthouders (IOSCO), de International Association of Insurance Supervisors (IAIS/AICA), de International Organisation of Pension Supervisors (IOPS) en de International Accounting Standards Board (IASB) particuliere specialistische verenigingen met een sectoraal karakter zijn, die de desbetreffende sectoren in meer of mindere mate bijeen brengen;

J.  overwegende dat er tussen het Europees Parlement en deze organisaties/organen al wel informele uitwisselingen plaatsvinden, maar deze geen stelselmatig karakter hebben;

K.  overwegende dat transparantie belangrijk is voor de democratie, terwijl tegelijkertijd terdege rekening moet worden gehouden met de bescherming van marktgevoelige informatie;

L.   overwegende dat de urgente omstandigheden de G20 ertoe hebben gebracht een mondiale agenda op te stellen gericht op een doeltreffende reeks specifieke hervormingen, maar dat op de langere termijn een daadwerkelijk multilateraal en democratische kader onontbeerlijk is om de legitimiteit van de G20 te waarborgen;

M.  overwegende dat de rol van de banken, respectievelijk de markten bij de financiering van de economie van lidstaat tot lidstaat verschilt;

N.  overwegende dat de in 2008 uitgebroken economische en financiële crisis een duidelijk gebrek aan economisch wereldbestuur aan het licht heeft gebracht; overwegende dat voor veel macro-economische aangelegenheden meer coördinatie vereist is, met name op belastinggebied; overwegende dat alle belanghebbende partijen zich daarom zouden moeten inzetten voor een alomvattend en financieel stabiel kader, en voor het waarborgen van consistentie tussen het mondiale niveau en de plaatselijke niveaus;

O.  overwegende dat de oprichting van nieuwe toezichtsinstanties van de EU niet automatisch een toename van het aantal EU-vertegenwoordigers moet betekenen, aangezien dit ondemocratische effecten zou kunnen hebben, zoals een grotere kans dat minderheden geblokkeerd worden, en tot onrust onder de partners van de EU zou kunnen leiden;

P.  overwegende dat het IMF heeft besloten de Chinese renminbi toe te laten tot de valuta waarop het bijzonder trekkingsrecht van het IMF is gebaseerd; overwegende dat als gevolg hiervan zowel de euro als de Britse pond in gewicht is gedaald, maar dat het gewicht van de Amerikaanse dollar gelijk is gebleven; overwegende dat dit de noodzaak laat zien van een sterkere Europese stem;

1.   benadrukt de behoefte aan intensievere internationale samenwerking op het gebied van regelgeving, met een krachtige betrokkenheid van het Europees Parlement;

2.   uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan samenhang, ten gevolge van de versnippering en de verscheidenheid van de organisaties/organen, alsmede over de vertraging bij de tenuitvoerlegging van op internationaal niveau overeengekomen regels en beleidsrichtingen;

3.   dringt erop aan meer duidelijkheid te geven over de bevoegdheden van de verschillende organisaties/organen, hun werkwijzen en de manier waarop zij worden gefinancierd, met inbegrip van vrijwillige bijdragen, giften en schenkingen, teneinde zeker te stellen dat er geen sprake is van gevestigde belangen en de rechtmatigheid van besluiten te waarborgen;

4.   dringt aan op betere beleidscoherentie en coördinatie tussen de mondiale instellingen door middel van de invoering van veelomvattende normen voor democratische legitimiteit, transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit; meent dat deze normen onder meer het volgende moeten betreffen:

- de betrekkingen met het publiek (bijvoorbeeld toegang van het publiek tot documenten, open dialoog met diverse belanghebbenden, instelling van verplichte transparantieregisters en transparantieregels voor ontmoetingen met lobbyisten);

- interne regels (bijvoorbeeld human resources op basis van vaardigheden, goed financieel beheer en voorkoming van belangenconflicten);

5.   is van oordeel dat de ondervertegenwoordiging van de minst ontwikkelde landen in de meeste financiële, monetaire en regelgevingsinstanties en organen een onevenwichtigheid veroorzaakt en dat als gevolg hiervan kwesties inzake ongelijkheid of de financiering van de armste landen niet op adequate wijze dreigen te worden aangepakt;

6   is van oordeel dat er, naast het geografische onevenwicht bij de vertegenwoordiging, ook bepaalde sectoren zijn – in het bijzonder het maatschappelijk middenveld, kmo´s, consumentenorganisaties en werknemersorganisaties – die intensiever betrokken zouden kunnen worden bij het raadplegingsproces in het kader van de internationale debatten aangaande financiële, monetaire en regelgevingsorganen; is van mening dat deze organen en sectoren de plicht hebben zich in te zetten voor de verbetering van de situatie;

7.   is van mening dat de EU haar afvaardiging in multilaterale organisaties/organen moet stroomlijnen en codificeren om de betrokkenheid en de invloed van de Unie in deze organen, evenals de wetgeving die zij via democratische weg heeft aangenomen, transparanter te maken en de integriteit en verantwoordingsplicht te vergroten; is voorts van oordeel dat de EU zich tot een proactievere mondiale speler moet ontwikkelen om de toezeggingen van de G20 voor de toekomst te waarborgen, zoals de toezegging om het schaduwbankieren om te vormen, de hervorming van over-the-counter (OCT)-derivaten ten uitvoer te leggen, systeemrisico´s aan te pakken en ervoor te zorgen dat nieuwe bedreigingen voor de mondiale economie op de agenda van de relevante mondiale instellingen komen te staan;

8.   verzoekt de Europese actoren zich bij het ontwikkelen van beleid op Europees en internationaal niveau sterker te richten op het mondiale concurrentievermogen van de financiële sectoren van de EU;

9.  herinnert eraan dat de EU, waar dat nog niet het geval, maar wel wenselijk is, moet streven naar een volwaardig lidmaatschap van internationale economische en financiële instellingen (zoals de OESO en het IMF); roept de desbetreffende internationale economische en financiële instellingen ertoe op alle statutaire wijzigingen door te voeren die noodzakelijk zijn om volledige deelname van de EU mogelijk te maken;

10.   beschouwt situaties waarin een vertegenwoordiger van een lidstaat of van een nationale autoriteit bij internationale organisaties/organen standpunten inneemt die haaks staan op de in 'Europa' op democratische wijze genomen wet- of regelgevingsbesluiten, schadelijk voor de Europese Unie; dringt derhalve aan op een verbeterde en doeltreffendere onderlinge coördinatie tussen deze vertegenwoordigers, bijvoorbeeld middels mechanismen met een meer bindend karakter;

11   benadrukt dat het noodzakelijk is dat de Commissie, wanneer zij de gehele Unie in een internationale organisatie of internationaal orgaan vertegenwoordigt, of wanneer zij toezicht op een particulier orgaan van deskundigen uitoefent, op een meer rechtstreekse wijze verantwoording aan de burgers aflegt; onderstreept het belang van de rol van het Parlement bij dit proces;

12.   is van oordeel dat de processen voor het vaststellen van de prioriteiten van de organisaties in kwestie en hun werkgroepen verduidelijkt en geformaliseerd moeten worden, is van mening dat de systematische zoektocht naar consensus niet alleen het gevaar in zich draagt de werkzaamheden te vertragen, maar ook de aanbevelingen af te zwakken, en dat de samenstelling van de organisaties in kwestie een weerspiegeling moet zijn van de verscheidenheid aan modellen voor het financieren van de economie en het uitoefenen van toezicht;

13.  benadrukt dat het noodzakelijk is om bij de ontwikkeling van regelgevings-, toezichts- en ander beleid ten aanzien van de financiële sector op mondiaal niveau vooraf evaluaties uit te voeren; is van oordeel dat dergelijke evaluaties de politieke prerogatieven van de medewetgevers onverlet laten;

14.   is van mening dat de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen door de verschillende betrokken landen nog steeds niet voldoende is om te kunnen bijdragen tot een mondiaal gelijk speelveld;

15.   merkt op dat de FSB nu werkt aan de ontwikkeling van normen voor de verzekeringssector; onderkent dat de IAIS een belangrijke rol in het mondiale verzekeringsbeleid speelt, maar benadrukt dat het erbij betrekken van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa) het voordeel zou hebben van versterking van de specifieke kennisbijdrage van de Europese verzekeringssector en zou waarborgen dat de normen die op mondiaal vlak worden ontwikkeld niet indruisen tegen de logica die de EU als eerste heeft uitgewerkt;

16.   verwelkomt het werk van de OESO ten aanzien van belastingkwesties, in het bijzonder het OESO/G20-project inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS); is van oordeel dat het uitoefenen van toezicht op de tenuitvoerlegging de nieuwe uitdaging vormt; benadrukt dat de coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten die in de Financiële Actiegroep (Financial Action Task Force – FATF) zitten, moet worden verbeterd, teneinde ervoor te zorgen dat de stem van de EU wordt gehoord;

17   staat positief tegenover de bereidheid van de president van de ECB om verder samen te werken met het Parlement met betrekking tot de rol van de ECB in bankaangelegenheden, in het bijzonder in het kader van internationale normalisatie-instanties, zoals de FSB;

18.   is ingenomen met de organisatorische regelingen waarover de landen van de eurozone die lid zijn van de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur overeenstemming hebben bereikt en op grond waarvan deze lidstaten van de eurozone middels één enkele zetel vertegenwoordigd zullen worden in de raad van bestuur;

19.  doet dienovereenkomstig de volgende suggesties:

  verzoekt de Commissie een Europese gedragscode inzake transparantie, integriteit en verantwoordingsplicht te ontwikkelen als leidraad voor de EU-vertegenwoordigers in internationale organisaties/organen, en zich daarbij te laten inspireren door bestaande goede praktijken op Europees en nationaal niveau; dringt erop aan het Parlement nauw bij het proces van het ontwikkelen van deze gedragscode te betrekken;

  spreekt in het bijzonder zijn zorgen uit over het statuut, de financiering en de werking van de organisaties/organen in kwestie, hun interactie met autoriteiten, betrokken partijen en het publiek, hun communicatiestrategie en de toegang tot hun documenten; benadrukt dat het noodzakelijk is een eerlijk evenwicht tussen belangen te bewerkstelligen, inclusief die van ngo´s met technische expertise en financiële middelen, teneinde de stem van het maatschappelijk middenveld duidelijker te laten klinken;

  roept de Europese instellingen en agentschappen, alsook de lidstaten op de verantwoordingsplicht van iedere Europese vertegenwoordiger in democratisch verkozen organen te bevorderen;

  dringt aan op de sluiting van een interinstitutionele overeenkomst gericht op het formaliseren van een 'financiële dialoog' met het Europees Parlement, teneinde richtsnoeren op te stellen met betrekking tot de vaststelling en coherentie van de Europese standpunten voorafgaand aan belangrijke mondiale onderhandelingsrondes, om ervoor te zorgen dat deze standpunten vooraf worden bediscussieerd en bekend zijn en follow-up ervan te waarborgen, waarbij de Commissie geregeld verslag uitbrengt over de toepassing van deze richtsnoeren en de controle erop; stelt voor hiervoor de bevoegde Europese instellingen, de lidstaten en, in voorkomend geval, de leiders van de internationale organisaties in kwestie uit te nodigen; is van mening dat bij het vaststellen van de frequentie en de vorm van deze dialoog (publiek of achter gesloten deuren) pragmatisme voorop moet staan; is van mening dat de nationale parlementen, op hun respectievelijke niveaus, eveneens een actieve rol moeten spelen, door de door de vertegenwoordigers van de lidstaten ingenomen standpunten te controleren;

  is van oordeel dat deze gedetailleerde richtsnoeren kunnen worden aangevuld met proactieve 'sturingsresoluties', die het Parlement op gezette tijden kan aannemen en waarin de standpunten van het Parlement over de algemene beleidsoriëntatie worden weergegeven;

  vindt dat bij onderwerpen ten aanzien waarvan het Europees Parlement met de Raad als medewetgever optreedt de dialoog gericht moet zijn op het vaststellen van een onderhandelingsmandaat dat stoelt op via democratische processen genomen wetgevingsbesluiten of dat in ieder geval niet botst met nog in voorbereiding zijnde wetgeving;

  dringt er bij de Europese vertegenwoordigers op aan bij internationale onderhandelingen in het bijzonder aandacht te besteden aan de coherentie en consistentie tussen internationale vereisten en normen enerzijds en bindende, goedgekeurde EU-wetgeving anderzijds, alsook aan de naleving ervan, teneinde aldus op internationaal vlak voor een gelijk speelveld te zorgen;

  dringt aan op vergroting van de verantwoordingsplicht van de Commissie ten opzichte van het Europees Parlement door aanpassing van het proces voor de vaststelling van de standpunten die de EU inneemt in de vergaderingen van de G20 op de beleidsterreinen werkgelegenheid, energie, handel, ontwikkeling en corruptiebestrijding;

  dringt er bij de lidstaten op aan de coördinatieverplichtingen onverwijld na te leven;

  roept de lidstaten op ermee in te stemmen dat de bankenunie in het Comité van Basel voor bankentoezicht wordt vertegenwoordigd door het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme;

  verzoekt de Commissie in haar werkprogramma rekening te houden met de externe dimensie van economische en financiële regelgeving, dat wil zeggen met de geplande werkzaamheden in de internationale organisaties; verzoekt haar tevens om, met het oog op een betere interne beleidssamenhang, een werkgroep inzake mondiale economische governance en financiële instellingen op te zetten;

  neemt kennis van het initiatief van de Commissie om stapsgewijs te komen tot één vertegenwoordiger van de eurozone in het IMF; is van mening dat dit proces moet plaatsvinden zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om op termijn op te treden als één blok namens de hele Europese Unie;

  wijst erop dat overeenkomstig Protocol nr. 14 bij het VWEU, de versterkte coördinatie van de lidstaten die de euro als munteenheid hebben in handen is van de Eurogroep, die een tijdelijk en informeel karakter heeft in afwachting van het moment waarop alle lidstaten van de Unie de euro als munteenheid hebben aangenomen; is van mening dat de transparantie en verantwoordingsplicht van de eurogroep kunnen worden verbeterd; pleit voor een formelere en duurzamere oplossing langs de lijnen van het verslag-Thyssen van 20 november 2012(8), waarin aanbevelingen worden geformuleerd voor de bankenunie en de economische, fiscale en politieke unies; herinnert eraan dat de onafhankelijke rol van de Europese commissaris voor economische en monetaire aangelegenheden dient te worden versterkt en aangevuld met solide mechanismen voor het afleggen van verantwoording aan zowel het Europees Parlement als de Raad;

  is van oordeel dat, behalve bij het IMF, de progressieve stroomlijning van de EU-vertegenwoordiging de komende jaren moet worden gerealiseerd door, in eerste instantie, verbeterde coördinatie, en vervolgens, na evaluatie, door samenvoeging van zetels; is van oordeel dat het lidmaatschap van deze organisaties en organen moet worden toegewezen in overeenstemming met de respectieve bevoegdheden van de EU-instellingen en de Europese toezichthoudende autoriteiten, de Raad/Eurogroep en de nationale autoriteiten; vindt dat de EU zich er tegelijkertijd voor zou moeten inzetten dat deze organisaties en organen overstappen van een systeem waarbij voor besluiten eenparigheid nodig is op een systeem waarbij met gewogen meerderheden wordt gewerkt;

  onderstreept dat het de taak is van de Commissie, de Raad en, in voorkomend geval, de Eurogroep om de coördinatie door middel van voorbereidingsbijeenkomsten te versterken; is van oordeel dat, indien noodzakelijk, nieuwe ad-hocwerkgroepen van de Raad moeten worden opgericht, zoals het Economisch en Financieel Comité (EFC), de werkgroep inzake IMF-aangelegenheden (SCIMF), de werkgroep van de Eurogroep (EWG) en het Comité voor de economische politiek (EPC);

  dringt aan op een grondige evaluatie van de huidige situatie waarbij het voorzitterschap van de Europese Raad en het voorzitterschap van de Commissie twee afzonderlijke zetels bekleden bij G20-vergaderingen, teneinde vast te stellen in hoe verre deze regeling schadelijk is voor de geloofwaardigheid van de EU in de rest van de wereld, met name gezien het bestaan van een interne markt voor financiële diensten; is van oordeel dat, om de convergentie van de individueel vertegenwoordigde lidstaten te bevorderen, diverse verbeteringen mogelijk zijn die tot een doeltreffende coördinatie voorafgaand aan de vergaderingen zouden kunnen bijdragen en ertoe zouden kunnen leiden dat Europa in de vergaderingen krachtig met een stem spreekt;

  verzoekt de Europese instellingen en de lidstaten te werken aan een routekaart voor de oprichting van een mondiale op een verdrag gebaseerde financiële instelling, langs de in het verslag-Larosière uiteengezette lijnen, met brede bevoegdheden om aanbevelingen te doen en te onderhandelen over bindende minimumnormen en met multilaterale mechanismen voor het beslechten van geschillen en, in voorkomend geval, sancties; is van mening dat de ervaringen die in de handelssector zijn opgedaan door middel van de WTO, kunnen worden benut om bovengenoemde multilaterale mechanismen voor geschillenbeslechting op te zetten; onderstreept dat de voorgestelde organisatie moet voldoen aan de strengste normen inzake transparantie en verantwoordingsplicht;

  is van oordeel dat de Commissie een expliciet mandaat moet krijgen om een nieuwe impuls te geven aan de bevordering van het beginsel van multilateralisme bij de internationale samenwerking op financieel, monetair en regelgevingsgebied;

  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle financiële wetgevingsvoorstellen van de EU een aanvulling vormen op de maatregelen die op mondiaal vlak worden genomen;

20.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

TOELICHTING

Wie beslist? Wie stelt de regels vast voor de financiële sector? Hebben parlementen en regeringen, in de confrontatie met deskundigen en particuliere belangen, nog wel het laatste woord? Hoe verdedigen de Europese Unie en de eurozone hun strategische belangen? De Europese instellingen en de nationale regeringen vinden het moeilijk bevredigende antwoorden te geven op deze eenvoudige en tegelijkertijd legitieme vragen. Met dit verslag wordt beoogd hier een bijdrage aan te leveren door het optreden van de EU in een tiental organisaties(9), met een politiek en/of technisch karakter aan een evaluatie te onderwerpen.

Dit verslag gaat uit van drie premisses.

De stabiliteit van het financieel stelsel, die van levensbelang is voor investeringen en groei, hangt - vanwege het vrije verkeer van kapitaal - af van het vermogen op supranationaal niveau gedragsregels en -normen vast te stellen en te doen eerbiedigen.

De onvermijdelijke schaalverandering mag niet tot een verwatering van de verantwoordelijkheden en tot aantasting van de democratie leiden. Met name geldt dat de nationale parlementen en het Europees Parlement niet veroordeeld mogen worden tot een rol in de marge. Indien het essentieel gevonden wordt dat particuliere belangen en de politiek hun standpunten aan elkaar toetsen, moeten we zorgen voor het herstel van de dialoog tussen deskundigen en verkozenen, zoals door een recent voorbeeld wordt geïllustreerd. Kan bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de normen van Basel III (kapitaalvereisten voor banken) voorbij gegaan worden aan het feit dat kmo's in Europa voornamelijk gefinancierd worden door de banken en niet door de markten? Deze specifieke kenmerken hebben immers wel een significante invloed op de groei, en hebben de Europese wetgever dan ook gebracht tot de interpretatie in kwestie in de vierde kapitaalvereistenrichtlijn(10).

Tot slot is het zo dat de EU en de eurozone in staat moeten zijn hun strategische belangen te verdedigen. De vertegenwoordiging van Europa in deze organisaties is evenwel op zijn minst gezegd onsamenhangend. Dit is betreurenswaardig aangezien er zo veel op het spel staat, niet alleen wat betreft de financiële stabiliteit maar zeker ook wat betreft groei en banen. Er moet op pragmatische wijze aan verbetering van deze situatie worden gewerkt, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat Europa op financieel gebied nog wel steeds een grootmacht is, maar dat haar relatieve demografische gewicht in de mondiale vergelijking kleiner wordt. De Europese Unie zou een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de totstandbrenging van een evenwichtiger multilaterale samenwerking op financieel-economisch vlak.

1.  Transparantie

De veelvoud aan mondiale financiële organisaties, tegelijkertijd het resultaat van een historisch proces en de weerspiegeling van de complexiteit van de wereld van de financiën, zorgt voor een pluriform beeld.

IMF

Waakt over de stabiliteit van het internationaal monetair systeem door middel van het, in voorkomend geval, verlenen van technische en financiële steun.

OESO

Verricht studies met het oog op het bevorderen van de economische groei. Haar rol op het gebied van de overheidsfinanciën wordt steeds belangrijker.

G20

Een informeel politiek forum, waarin de 19 voornaamste economieën van de wereld plus de EU verenigd zijn, met een algemene taakstelling.

FSB

Zorgt, na de financiële crisis van 2009, namens de G20 voor een betere coördinatie van de internationale financiële regels.

Comité van Basel

Werkt aan de convergentie van het toezicht op de bankactiviteiten en ontwikkelt prudentiële normen voor de sector in kwestie (bijv. de kapitaalratio's).

IOSCO

Ziet toe op de convergentie van de regels voor effecten, teneinde de markten doeltreffender en transparanter te maken.

IAIS

Zet zich in voor daadwerkelijk, doeltreffend internationaal toezicht op de verzekeringssector. Vervult sinds 2013 een nieuwe rol bij de ontwikkeling van internationale kapitaalnormen voor verzekeraars.

IOPS

Werkt aan de ontwikkeling van normen en de bevordering van internationale samenwerking met betrekking tot pensioenen middels de uitwisseling van goede praktijken en (steeds meer) middels regels.

IASB

Werkt aan een geharmoniseerd systeem van boekhoudkundige normen, gericht op het aan investeerders verstrekken van nuttige financiële informatie.

Sommige fundamentele keuzes zijn nog helemaal niet in gesprek gebracht. De privaatrechtelijke organen zijn er niet altijd in geslaagd het algemeen belang het zwaarst te laten wegen, zoals blijkt uit het paradoxale voorbeeld van de IFRS, die vastgesteld zijn door een onder het Amerikaanse recht vallende organisatie, maar door de VS niet worden erkend. De wijze waarop overheden functioneren, is ook niet altijd erg logisch: Hoe is het te verklaren dat de FSB, waarin veel lidstaten en de ECB vertegenwoordigd zijn, net op het moment dat de Europese wetgever goedkeuring gehecht heeft aan Europese regels voor de afwikkeling van banken (BBRD/MRU) het project TLAC (Total Loss Absorbing Capacity) start, dat uitgaat van een heel andere benadering? En hoe kan het dat deze instantie zich stort op verzekeringsgerelateerde kwesties, met inbegrip van de identificatie van 'systeemverzekeraars', terwijl de ECB uit hoofde van het Verdrag niets met het toezicht op verzekeringen van doen heeft?

Het gebrek aan transparantie verhult hier dus in feite serieuze afbakeningsproblemen. Zo zijn bij de IOSCO quasi alle landen aangesloten, terwijl dat bij een groot aantal andere organisaties duidelijk veel minder het geval is. Het in een beginselkwestie, maar ook van inhoudelijk belang: de ondervertegenwoordiging van Afrika en bijvoorbeeld ook Zuid-Amerika verhindert ons de problemen in verband met de ongelijkheid of bij de financiering van de armste landen te onderkennen.

Het adviserend of technisch karakter van de aanbevelingen van bepaalde organisaties verhult hier gedeeltelijk het probleem, in de zin dat sommige economische actoren zich soms aan de aanbevelingen conformeren om te verhinderen dat een ratingkantoor ze lager inschaalt (banken/kapitaalvereisten) of om hun kansen op het aantrekken van financiering te vergroten (bedrijven/boekhoudkundige normen).

Het is uiteraard in eerste instantie aan de verantwoordelijke politici om uit te leggen wat op het spel staat en welke keuzes moeten worden gemaakt. Op het meer technische niveau moet voor stelselmatiger interactie gezorgd worden tussen de vertegenwoordigers van de centrale banken, de Commissie en de andere Europese autoriteiten enerzijds en het grote publiek anderzijds, in het bijzonder via de media, de academische wereld en/of beroepsuitoefenaren. Sommige van deze actoren doen dit ook, anderen schieten op dit punt nog tekort.

"Compliance" is van uitermate groot belang. Het is nogal cynisch om plechtig te wijzen op het belang van mondiaal optreden voor stabiliteit en met veel bombarie bijeenkomsten van wereldleiders (zoals de G20) te organiseren en zich vervolgens tevreden te stellen met onbevredigende implementatieprocedures. Aan deze situatie, die bijdraagt aan het verlies aan vertrouwen bij het grote publiek, moet iets gedaan worden via de vaststelling van procedures met een meer bindend karakter.

2. Verantwoordingsplicht

Als een bevoorrecht forum voor openbaar debat binnen de interne markt voor financiële diensten kan het EP op drie niveaus bijdragen:

— in het geval van door de 28 lidstaten vastgestelde wetgeving, door een bindend onderhandelingsmandaat te geven dat aansluit bij de genomen meerderheidsbesluiten;

— voorafgaand aan grote mondiale onderhandelingen (bijv. de bijeenkomsten van de G20), door duidelijkheid te verschaffen over en ruchtbaarheid te geven aan het standpunt van de Europeanen;

— door toe te zien op de naleving ("compliance").

De burger verwacht van de verantwoordelijke politici dat zij openheid betrachten ten aanzien van de onderhandelingen die zij voeren. De tijd van de achterkamertjesdiplomatie is voorbij. Het is in het belang van de partners van Europa dat de toezeggingen die op mondiaal niveau worden gedaan door de bevolkingen worden geaccepteerd. Het feit dat de Europese onderhandelaars rekening moeten houden met het Europees Parlement is niet noodzakelijkerwijs negatief; integendeel, het kan hun positie versterken.

Er vinden van tijd tot tijd reeds gedachtewisselingen tussen de ECON-commissie van het EP en de verantwoordelijken van mondiale organisaties plaats, maar deze contacten zijn te vluchtig en oppervlakkig. Het EP moet zich inzetten voor een meer inhoudelijke en stelselmatige dialoog.

3. De vertegenwoordiging van de EU/de eurozone

Hoewel het in het algemeen niet eenvoudig is invloed nauwkeurig te kwantificeren, kan wel gesteld worden dat de EU momenteel op dit vlak suboptimaal presteert. De vertegenwoordiging van de EU is op dit moment zo versnipperd dat ze nauwelijks nog waarneembaar is. De Commissie ziet zich soms genoodzaakt een rol te vervullen die de hare helemaal niet is, in de zin dat dat ze alleen nog spreekt voor de dunstbevolkte landen van de EU die niet in de organisaties in kwestie vertegenwoordigd zijn, en niet voor de hele EU.

De versnippering is extra betreurenswaardig gezien het feit dat de financiële bijdragen van de lidstaten van de EU bij elkaar opgeteld in sommige gevallen (bijv. de OESO) een aanzienlijk deel van de begroting vertegenwoordigen. Ook het geografisch evenwicht bij en de billijkheid van de verdeling van de posten zou tegen het licht gehouden moeten worden.

De onevenwichtigheden bij de vertegenwoordiging van de EU in de organisaties in kwestie hebben verschillende gevolgen, die afhangen van hun rol als adviesorgaan (OESO), crisisbeheersingsorgaan (G20, Raad voor financiële stabiliteit), respectievelijk orgaan dat technische normen vaststelt.

Verhinderd moet worden dat de regeringen, de centrale banken en/of de toezichthouders van de lidstaten van de EU die in het interne Europese wetgevingsproces in een minderheidspositie terecht zijn gekomen, zouden proberen zich in de internationale fora te revancheren op hun partners die het meerderheidsstandpunt vertegenwoordigen. Dit staat haaks op het in de Verdragen vastgelegde beginsel van loyale samenwerking.

Het is een 'must' dat de EU op zoek gaat naar mechanismen die leiden tot meer interne consensus, resulterend in een situatie waarin uiteindelijk met één stem gesproken wordt, waarbij we ons er wel terdege van bewust moeten zijn dat dit een kwestie van langere adem is.

Een pragmatische oplossing zou erin kunnen bestaan in een eerste stadium bindender coördinatieprocedures tot stand te brengen middels een financiële dialoog tussen de lidstaten en de Europese instellingen.

In artikel 138 VWEU, dat aangehaald wordt in het verslag van de 5 voorzitters(11), wordt aangedrongen op versterking van de externe vertegenwoordiging. Het doel moet zijn stapsgewijs tot een gezamenlijke vertegenwoordiging te komen. Het ingrijpen van het IMF in de eurozone en met name de rol die het IMF in Griekenland heeft gespeeld, maken dit streven urgenter dan ooit.

De EU zou zelfs nog ambitieuzer kunnen zijn. David Wright, de secretaris-generaal van IOSCO, heeft op persoonlijke titel het idee geopperd van een 'mondiaal institutioneel kader, dat waarschijnlijk een internationaal verdrag behoeft met de mogelijkheid om, in het geval de deelnemende lidstaten verzaken, toe te zien op de tenuitvoerlegging van zijn aanbevelingen, bindende regels inzake geschillenbeslechting vast te stellen en sancties op te leggen'.(12)

Conclusie:

Gezien het mondiale karakter van de kapitaalstromen en de financiële sector in zijn algemeenheid is het een illusie te denken dat het scheppen van een kader mogelijk is zonder een significante vergroting van de rol van de overheden.

De EU heeft hier een aantal troefkaarten in handen: ze beschikt reeds over een interne markt voor financiële diensten van mondiale omvang en deze zal op korte termijn worden aangevuld met de kapitaalmarktenunie. Daarnaast heeft ze een aantal bekende financiële centra, een raad belast met het voorkomen van systeemrisico's (ESRB), alsmede drie specifieke autoriteiten, die in korte tijd hun nut hebben bewezen. De euro is een mondiale munteenheid. De eurozone heeft in crisistijd hulpmechanismen, toezichtsorganen en organen voor de afwikkeling van banken uit de grond gestampt, hetgeen een prestatie zonder weerga is. De EU beschikt ook over een buitengewone hoeveelheid kennis op het gebied van supranationale democratie, alsook op het gebied van het omgaan met lidstaten die zich niet aan hun toezeggingen houden, en haar strikte regels inzake de transparantie inzake en de toegang tot administratieve documenten kunnen als voorbeeld dienen voor de mondiale organisaties in kwestie.

Het strategische belang van de financiële sector voor groei en werkgelegenheid dwingt ons tot hernieuwd nadenken over de mondiale multilaterale samenwerking, waarbij het ons doel moet zijn het gewicht van de EU en de eurozone te vergroten.

MINDERHEIDSSTANDPUNT

overeenkomstig artikel 56, lid 3, van het Reglement

Miguel Viegas, Matt Carthy, Fabio De Masi, Paloma López Bermejo, Rina Ronja Kari, Marisa Matias, Miguel Urbán, en Dimitris Papadimoulis

Hoewel dit verslag positieve aspecten bevat, zoals de noodzaak van internationale samenwerking op het gebied van regelgeving en de zorg over de verwatering van verantwoordelijkheden ten koste van de democratie als gevolg van mondiale coördinatie, is het gebaseerd op het idee de macht van supranationale organen te versterken, wat de macht nog verder van de burgers af zal brengen. Hier zijn wij zeer tegen gekant.

Wij verwerpen onvoorwaardelijk:

- deze EU, waar de samenwerking en solidariteit tussen lidstaten evenals hun nationale soevereiniteit worden ondermijnd;

- de opvatting dat een collegiale toetsing ("peer review") tot een grotere verantwoordingsplicht jegens de bevolking leidt dan het traditionele formele model van democratische verantwoordingsplicht gebaseerd op het concept "verkozene versus kiezer";

- de invoering van een "one-size-fits-all"-vertegenwoordiging die binnen internationale financiële organisaties met één stem namens alle EU-landen spreekt;

- de oplegging van een gedragscode waarmee het individuele optreden van de lidstaten aan banden wordt gelegd;

- de oprichting van een mondiale financiële organisatie.

Wij spreken de krachtige overtuiging uit dat:

- meer democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht niet worden bereikt door meer supranationale verplichtingen;

- de lidstaten hun eigen vertegenwoordiging op internationale fora niet moeten opgeven;

- internationale samenwerking op het gebied van regelgeving gebaseerd dient te zijn op solidariteit tussen landen en niet op de bescherming van grote economisch en financiële belangen.

20.11.2015

ADVIES van de Commissie constitutionele zaken

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen

(2015/2060(INI))

Rapporteur: Paulo Rangel

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  stelt zich op het standpunt, rekening houdend met de specifieke aard van de EU als supranationaal orgaan, de huidige grote onderlinge afhankelijkheid van landen en het verschuivende machtsevenwicht, dat de EU in het kader van de internationale organen waar zij lid van is een actievere en prominentere rol moet spelen in het proces van mondiale economische governance; wijst op het belang van institutionele hervormingen met het oog op een coherente Europese vertegenwoordiging en een krachtig Europees geluid binnen internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen;

2.  is van oordeel dat de EU zich als lid van internationale fora moet inzetten voor de hervorming van het proces van internationale en economische governance, overeenkomstig haar beginselen zoals omschreven in met name de artikelen 2, 3 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU);

3.  dringt er bij de EU op aan zich te houden aan de besluiten van internationale fora die de internationale economie reguleren en sturen; is echter van mening dat de EU de juridische status van de besluiten die worden genomen door de informele organen die de monetaire Unie leiden, moet verduidelijken;

4.  benadrukt dat de economische en financiële crisis die in 2008 begon, duidelijk heeft gemaakt dat de mondiale economische governance versterkt moet worden en dat er behoefte is aan supranationale organen die bevoegd zijn om in te grijpen, en aan uitvoeringsregels ter verbetering van de coördinatie van nationale besluiten op het gebied van economisch beleid;

5.  pleit voor de totstandbrenging van beter gestructureerde, samenhangende mechanismen voor coördinatie vooraf, zodat de EU een gemeenschappelijk standpunt kan bepalen en naar buiten kan brengen, om de doelstellingen en het beleid van de EU, zoals verankerd in met name de artikelen 2, 3 en 6 VEU en de artikelen 8, 9, 10, 11 en 12 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, binnen bestaande internationale economische fora doeltreffender kracht bij te zetten, in het licht van de sterke onderlinge afhankelijkheid van de wereldeconomieën ten gevolge van het belang van de internationale handel voor de wereldeconomie;

6.  benadrukt dat binnen elk van deze financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen een gemeenschappelijke EU-strategie ontwikkeld dient te worden, om de Unie in staat te stellen een gecoördineerd standpunt te bepalen en haar invloed op de besluitvorming te vergroten;

7.  benadrukt dat het belangrijk is binnen internationale instellingen en organen met één Europese stem te spreken en verzoekt de Commissie een Europese gedragscode inzake transparantie en verantwoordingsplicht voor te stellen, als leidraad voor de Europese vertegenwoordigers bij internationale organisaties, en zich daarbij te laten inspireren door bestaande goede werkwijzen; meent dat deze gedragscode te zijner tijd door alle internationale instellingen en organen als voorbeeld kan worden gebruikt bij het ontwikkelen van hun eigen gedragscode;

8.  wijst erop dat binnen instellingen waarin zowel de EU als haar lidstaten vertegenwoordigd zijn het "beginsel van loyale samenwerking", als bedoeld in artikel 4, lid 3, VEU, ten volle geëerbiedigd dient te worden en dat de lidstaten zich dienen te "onthouden [...] van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen";

9.  pleit ervoor dat de Unie een gemeenschappelijke en inclusieve Europese aanpak bevordert, zodat gewaarborgd wordt dat haar beleid en maatregelen consistent, efficiënt en constant zijn en de belangen en standpunten van lidstaten die niet vertegenwoordigd zijn binnen bovengenoemde instellingen en organen bij de vaststelling van gemeenschappelijke standpunten worden meegewogen;

10.  meent dat een dergelijke verenigde en inclusieve Europese aanpak beter kan worden verwezenlijkt via een formele en regelmatige "financiële dialoog" in het Parlement, die erop gericht is voorafgaand aan belangrijke mondiale onderhandelingsrondes richtsnoeren op te stellen voor de vaststelling van Europese standpunten, ruchtbaarheid te geven aan deze standpunten en voor follow-up te zorgen; is van oordeel dat de Europese instellingen, de lidstaten en, in voorkomend geval, de leiders van de internationale organisaties in kwestie uitgenodigd moeten worden om aan deze dialoog deel te nemen, en dat bij het vaststellen van de aard (openbaar of achter gesloten deuren) en de frequentie van deze dialoog pragmatisme voorop moet staan;

11.  is van oordeel dat door middel van deze dialoog het onderhandelingsmandaat vastgesteld moet worden voor onderwerpen ten aanzien waarvan het Parlement samen met de Raad als medewetgever optreedt, waarbij Europese standpunten ten aanzien van wetgeving die met meerderheid van stemmen is vastgesteld op een lijn worden gebracht en inconsistenties met nog goed te keuren wetgeving worden vermeden;

12.  dringt er bij de Unie op aan dat zij via haar instellingen handelt in volledige overeenstemming met het Handvest van de grondrechten, en dat zij de hierin vastgelegde absolute grenzen voor optreden op welk gebied dan ook eerbiedigt, onder meer als zij economische maatregelen neemt die naar waarschijnlijkheid grote gevolgen zullen hebben voor het leven van de burgers van de Unie;

13.  herinnert eraan dat de EU, waar dat nog niet het geval is, maar wel wenselijk, moet streven naar een volwaardig lidmaatschap van dergelijke internationale economische en financiële instellingen (zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en het Internationaal Monetair Fonds (IMF)); roept de desbetreffende internationale economische en financiële instellingen ertoe op alle statutaire wijzigingen door te voeren die noodzakelijk zijn om volledige deelname van de EU mogelijk te maken;

14.  is van oordeel dat in de toekomst gezamenlijke externe vertegenwoordiging van de EU binnen het IMF en andere internationale economische fora gerealiseerd moet worden, rekening houdend met de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar lidstaten en de vooruitgang op het gebied van de verdieping van de economische en monetaire Unie, zodat de EU in staat wordt gesteld haar potentieel volledig te benutten, de verwezenlijk van haar doelstellingen te bevorderen, haar belangen en die van de lidstaten te verdedigen en haar gewicht en invloed binnen de mondiale economische en financiële architectuur te vergroten; vindt dat een eerste stap in de richting van gezamenlijke vertegenwoordiging genomen moet worden door één vertegenwoordiging van de eurozone binnen het IMF te realiseren, maar dat op termijn de EU als één blok dient op te treden;

15.  benadrukt dat er behoefte is aan een echte herziening van het EU-beleid, om interne economische en sociale onevenwichtigheden tussen de lidstaten te voorkomen en om herstructurering van schulden mogelijk te maken;

16.  betreurt dat er ten aanzien van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen, de deelname van de Unie daaraan en de besluitvormingsprocedures van die instellingen en organen, sprake is van een gebrek aan democratische controleerbaarheid en transparantie;

17.  is van oordeel dat er nagedacht moet worden over het realiseren van een enkele zetel voor de voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Commissie tijdens G20-bijeenkomsten, aangezien de huidige situatie, met twee afzonderlijke zetels, afbreuk doet aan de externe geloofwaardigheid van de Unie;

18.  benadrukt dat de volledige transparantie, democratische controleerbaarheid en legitimiteit van de deelname van de Unie aan bestaande economische en financiële instellingen gewaarborgd moeten worden;

19.  benadrukt dat vertegenwoordigers van de Unie het roulerend voorzitterschap van de G20 moeten kunnen bekleden;

20.  pleit ervoor dat de Unie volledige transparantie biedt met betrekking tot de rol van lobbyisten tijdens de onderhandelingen tussen de Europese instellingen en eerdergenoemde internationale instellingen;

21.  is van oordeel dat het Parlement goed en op gezette tijden geïnformeerd moet worden over alle activiteiten en standpunten van de Unie binnen de bestaande economische en financiële instellingen; is van oordeel dat het Parlement het recht moet hebben om zich te kunnen uitspreken over en controle uit te oefenen op de werkzaamheden van EU-vertegenwoordigers bij deze instellingen, om de controleerbaarheid te waarborgen en de democratische legitimiteit te vergroten;

22.  pleit voor de oprichting van interinstitutionele werkgroepen die voorafgaand aan de officiële vergaderingen van internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen bijeenkomen, en die het Europees Parlement de gelegenheid bieden advies uit te brengen over de kwesties die op komende bijeenkomsten ter tafel zullen worden gebracht; is van oordeel dat er een mechanisme in het leven geroepen moet worden om ervoor te zorgen dat met de adviezen van het Parlement over dergelijke kwesties rekening wordt gehouden;

23.  is van oordeel dat het Parlement toegang moet worden verleend tot alle door de economische en financiële instellingen afgegeven relevante documenten, dat er een passend, open, regelmatig en doeltreffend rapportagemechanisme moet worden ontwikkeld en dat EU-deelnemers aan de fora het Parlement systematisch verslag moeten uitbrengen over de beslissingen die binnen deze fora worden genomen;

24.  stelt zich op het standpunt dat de EU een leidende en actievere rol moet spelen bij de bevordering van hervormingen van internationale economische en financiële instellingen, om ervoor te zorgen dat deze instellingen op democratischer, transparanter en controleerbaarder wijze functioneren en daardoor dichter bij de burgers komen te staan.

25.  wenst dat de EU op alle internationale economische fora pleit voor coördinatie en versterking van de mondiale economische governance, het Europees sociaal model, samenwerking op belastinggebied en duurzaamheid van ondernemingen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING

IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.11.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

13

3

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mercedes Bresso, Elmar Brok, Richard Corbett, Pascal Durand, Danuta Maria Hübner, Ramón Jáuregui Atondo, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Paulo Rangel, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Josep-Maria Terricabras, Kazimierz Michał Ujazdowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Isabella Adinolfi, Max Andersson, Enrique Guerrero Salom, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Andrej Plenković

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Sofia Ribeiro

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

18

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Burkhard Balz, Udo Bullmann, Esther de Lange, Fabio De Masi, Markus Ferber, Jonás Fernández, Elisa Ferreira, Sven Giegold, Neena Gill, Sylvie Goulard, Roberto Gualtieri, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Cătălin Sorin Ivan, Diane James, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Werner Langen, Sander Loones, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Notis Marias, Fulvio Martusciello, Marisa Matias, Costas Mavrides, Bernard Monot, Stanisław Ożóg, Sirpa Pietikäinen, Pirkko Ruohonen-Lerner, Molly Scott Cato, Peter Simon, Paul Tang, Ramon Tremosa i Balcells, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker, Pablo Zalba Bidegain, Marco Zanni, Sotirios Zarianopoulos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Enrique Calvet Chambon, Mady Delvaux, Bas Eickhout, Marian Harkin, Ramón Jáuregui Atondo, Rina Ronja Kari, Thomas Mann, Eva Paunova, Michel Reimon, Antonio Tajani, Beatrix von Storch

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Lucy Anderson, Andrey Kovatchev, Adam Szejnfeld

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0377.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0229.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0457.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0238.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0268.

(6)

Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

(7)

De Bank voor Internationale Betalingen, de Financiële-actiegroep (FATF) en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) houden zich ook met het vaststellen van regels bezig; de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) speelt een belangrijke rol in de mondiale economische governance; de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (ADB), de Aziatische Ontwikkelingsbank (ADB), de Caribische Ontwikkelingsbank (CDB), de West-Afrikaanse Ontwikkelingsbank (WADB), de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB), de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij (IIC), de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD), de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa (CEB), de Wereldbankgroep, de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (IBRD), de International Development Association (IDA), de Internationale Financieringsmaatschappij (IFC) en het Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties (MIGA) ondersteunen de financiering van ontwikkelingssamenwerking.

(8)

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 met aanbevelingen aan de Commissie over het verslag van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep "Naar een echte Economische en Monetaire Unie"

(9)

Het verslag heeft een beperkte opzet en volledigheid is derhalve niet het ultieme doel. Er is bewust gekozen voor een beperkt toepassingsgebied dat aansluit bij de bevoegdheden van de commissie ECON en dat het mogelijk maakt aandacht te besteden aan de belangrijkste kwesties, zoals transparantie, verantwoordingsplicht en de bescherming van de strategische belangen van Europa. Rapporteur bedankt de auteurs van de verschillende studies - beschikbaar op de website van het Europees Parlement in de rubriek Think Tank - die met het oog op dit verslag verricht zijn.

(10)

REACTION TO THE OPINION OF THE BASEL COMMITTEE ON CRD 4 (CAPITAL REQUIREMENTS DIRECTIVE FOR BANKS), ECON Press release, 05-12-2014 [URL: http://www.europarl.europa.eu/news/en/news-room/content/20141205IPR82904/html/REACTION-TO-THE-OPINION-OF-THE-BASEL-COMMITTEE-ON-CRD-4]

(11)

Voltooiing van de Europese economische en monetaire unie, verslag van: Jean-Claude Juncker in anuwe samenwerking met Donald Tusk, Jeroen Dijsselbloem, Mario Draghi en Martin Schulz [URL: http://ec.europa.eu/priorities/economic-monetary-union/docs/5-presidents-report_fr.pdf]

(12)

Opmerkingen van David Wright, secretaris-generaal van IOSCO, The Atlantic Council, Washington, DC, 10 december 2012 [URL: https://www.iosco.org/library/speeches/pdf/20121210-Wright-David.pdf]

Laatst bijgewerkt op: 30 maart 2016Juridische mededeling