Procedure : 2015/2041(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0133/2017

Ingediende teksten :

A8-0133/2017

Debatten :

PV 11/09/2017 - 23
CRE 11/09/2017 - 23

Stemmingen :

PV 14/09/2017 - 8.13

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0358

VERSLAG     
PDF 556kWORD 109k
30 maart 2017
PE 567.666v02-00 A8-0133/2017

over transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit in de EU-instellingen

(2015/2041(INI))

Commissie constitutionele zaken

Rapporteur: Sven Giegold

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 BIJLAGE: LIJST VAN ENTITEITEN WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR INPUT HEEFT ONTVANGEN
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie juridische zaken
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit in de EU-instellingen

(2015/2041(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit van 15 april 2014 over de wijziging van het Interinstitutioneel akkoord over het transparantieregister(1),

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 9 en 10,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 mei 2008 over de ontwikkeling van het kader voor de activiteiten van de belangenvertegenwoordigers (lobbyisten) bij de instellingen van de Europese Unie(2),

–  gezien het besluit van de Commissie van 25 november 2014 om geen lobbyisten te ontmoeten die niet zijn geregistreerd en om informatie over lobbybijeenkomsten openbaar te maken,

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 11 maart 2014 over de toegang van het publiek tot documenten (artikel 104, lid 7) voor de periode 2011-2013(3),

–  gezien de beginselen van transparantie en integriteit voor lobbyisten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO),

–  gezien zijn besluit van 13 december 2016 over de algemene herziening van het Reglement van het Europees Parlement(4),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie juridische zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0133/2017),

A.  overwegende dat de Unie "in al haar activiteiten het beginsel van gelijkheid van haar burgers, die gelijke aandacht genieten van haar instellingen [eerbiedigt]" (artikel 9 van het VEU); overwegende dat "iedere burger het recht [heeft] aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen" en "de besluitvorming [plaatsvindt] op een zo open mogelijke wijze, en zo dicht bij de burgers als mogelijk" (artikel 10, lid 3, van het VEU en op soortgelijke wijze geformuleerd in overweging 13 van de preambule hierbij en in de artikel 1, lid 2, en artikel 9 hiervan); overwegende dat "de instellingen, organen en instanties van de Unie in een zo groot mogelijke openheid [werken]" (artikel 15, lid 1, van het VWEU);

B.  overwegende dat EU-instellingen al voortgang hebben geboekt en opener zijn geworden en in veel opzichten reeds voorlopen op nationale en regionale politieke instellingen wat betreft transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit;

C.  overwegende dat de dialoog tussen wetgevers en de samenleving een essentieel onderdeel van democratie vormt, net als de vertegenwoordiging van belangen, en overwegende dat de adequate vertegenwoordiging van verschillende belangen in het wetgevingsproces parlementsleden informatie en deskundigheid verschaft en cruciaal is voor de correcte werking van pluralistische samenlevingen;

D.  overwegende dat de EU-instellingen, gezien de groeiende afstand tussen de EU en haar burgers, en de noodzaak om de media-aandacht voor EU-aangelegenheden te bevorderen, moeten streven naar de hoogst mogelijke normen op het gebied van transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit; overwegende deze beginselen van essentieel belang zijn en elkaar aanvullen om goed bestuur in de EU-instellingen te bevorderen en voor meer openheid te zorgen ten aanzien van de werking van de EU en haar besluitvormingsproces; overwegende dat zij moeten gelden als de leidende beginselen voor de cultuur binnen de instellingen;

E.  overwegende dat het vertrouwen van de burgers in de EU-instellingen van fundamenteel belang is voor de democratie, goed bestuur en doeltreffende beleidsvorming; overwegende dat leemten in de verantwoordingsplicht binnen de EU moeten worden weggewerkt en dat werk moet worden gemaakt van toezichtsmethoden die meer op samenwerking zijn gestoeld en waarbij democratisch toezicht, controles en auditactiviteiten worden gecombineerd alsook meer transparantie wordt betracht;

F.  overwegende dat niet-transparant, eenzijdig lobbyisme een risico op corruptie met zich mee kan brengen en een aanzienlijke bedreiging en serieuze uitdaging kan vormen voor de integriteit van beleidsmakers, het openbaar belang en het vertrouwen van burgers in EU-instellingen; overwegende dat corruptie grote financiële gevolgen heeft en een ernstige bedreiging vormt voor de democratie, de rechtsstaat en overheidsinvesteringen;

G.  overwegende dat een rechtshandeling als nieuwe basis voor een verplicht transparantieregister een juridische definitie vereist van de activiteiten die onder het toepassingsgebied van het register vallen, hetgeen zou helpen om de bestaande vage definities en interpretaties van transparantie, integriteit en verantwoordingsplicht te verduidelijken;

H.  overwegende dat in sommige lidstaten reeds nationale transparantieregisters zijn opgezet;

I.  overwegende dat alle burgers van de Unie op grond van het in artikel 15, lid 3, van het VWEU verankerde transparantievereiste in combinatie met artikel 42 van het Handvest van de grondrechten en de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) recht op toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie hebben(5);

Het transparantieregister zo verplicht mogelijk maken

1.  is ingenomen met het besluit van het Bureau om zijn bestuur te vragen een model te ontwikkelen voor alle rapporteurs en rapporteurs voor advies om een vrijwillige wetgevingsvoetafdruk op te stellen, waaruit blijkt welke lobbyisten en organisaties zij hebben geraadpleegd; dit model zou eveneens als IT-tool moeten worden verstrekt;

2.  herinnert aan zijn herziening van het Reglement van 13 december 2016, op grond waarvan de leden als vaste praktijk dienen te hanteren dat zij slechts belangenvertegenwoordigers ontmoeten die in het transparantieregister zijn ingeschreven, en dringt erop aan dat dit ook betrekking heeft op ontmoetingen tussen belangenvertegenwoordigers en secretarissen-generaal, directeuren-generaal en secretarissen-generaal van fracties; verzoekt de leden en hun medewerkers na te gaan of de belangenvertegenwoordigers die zij voornemens zijn te ontmoeten geregistreerd zijn en om, indien dit niet het geval is, hen te verzoeken dit zo snel mogelijk en vóór de ontmoeting te doen; dringt er bij de Raad op aan een soortgelijke bepaling in te voeren die ook betrekking heeft op permanente vertegenwoordigingen; acht het noodzakelijk om personen die in het transparantieregister worden geregistreerd ertoe te verplichten documenten over te leggen die staven dat de verstrekte informatie correct is;

3.  herinnert aan de definities van een "bijeenkomst met belangenvertegenwoordigers" die zijn opgenomen in het besluit van de Commissie van 25 november 2014 over de publicatie van informatie over vergaderingen; herinnert aan de bepalingen inzake de vraag welke informatie mag worden achtergehouden krachtens Verordening (EG) nr. 1049/2001; is van mening dat de bepalingen inzake dergelijke bijeenkomsten niet beperkt moeten blijven tot "bilaterale" ontmoetingen, maar ook betrekking moeten hebben op ontmoetingen met internationale organisaties;

4.  dringt er bij het Bureau op aan te zorgen voor de noodzakelijke middelen om leden in staat te stellen om, indien zij dit wensen, hun vergaderingen met belangenvertegenwoordigers op hun onlineprofiel van het Parlement te publiceren;

5.  dringt er bij de Commissie op aan om de praktijk om uitsluitend organisaties of als zelfstandige werkzame personen te ontmoeten die in het transparantieregister zijn geregistreerd, uit te breiden naar alle relevante medewerkers van de Commissie (vanaf de rang van eenheidshoofd en daarboven);

6.  dringt er bij de Commissie op aan om de ontmoetingen van alle relevante Commissiemedewerkers die betrokken zijn bij het beleidsvormingsproces van de EU met externe organisaties openbaar te maken, en daarbij de noodzakelijke gegevensbeschermingsregels in acht te nemen; wijst erop dat voor andere bij deze ontmoetingen aanwezige personeelsleden de eenheid of dienst openbaar moet worden gemaakt;

7.  ondersteunt de oproep van de Commissie aan de EU-instellingen en hun personeelsleden en de agentschappen, om geen niet-geregistreerde belangenvertegenwoordigers als spreker uit te nodigen, geen beschermheerschap te verlenen aan hun evenementen of deze evenementen te organiseren in de gebouwen van de EU, en hen evenmin te laten deelnemen aan adviesorganen van de Commissie;

8.  dringt er bij de Commissie op aan alle informatie over belangenvertegenwoordiging bij de EU-instellingen, belangenverklaringen, vastgestelde belangenconflicten en deskundigengroepen gemakkelijk toegankelijk te maken voor het publiek door middel van één centraal online-informatiepunt;

9.  spoort de Commissie aan maatregelen te ontwikkelen om een beter evenwicht te bereiken door de positie van ondervertegenwoordigde belangen te verbeteren;

10.  is van mening dat leden van het Europees Parlement die worden benoemd tot rapporteur voor een wetgevingsverslag of commissievoorzitter gezien hun rol bij de EU-wetgeving een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om transparantie te betrachten over hun contacten met belangenvertegenwoordigers;

11.  is van mening dat in het transparantieregister geregistreerde entiteiten verplicht moeten worden om de informatie in het register over uitgaven voor activiteiten die binnen de bevoegdheid van het register vallen tijdig te actualiseren, wanneer deze uitgaven het voor de desbetreffende categorie vastgestelde niveau overschrijden;

12.  is van mening dat alle geregistreerde entiteiten verplicht moeten worden om in het transparantieregister een lijst te publiceren van alle donoren en hun desbetreffende donaties van meer dan 3 000 euro, waarbij zowel de aard als de waarde van de jaarlijkse individuele donaties moeten worden vermeld; wijst erop dat individuele donaties van meer dan 12 000 euro onmiddellijk moeten worden vermeld;

13.  herinnert aan zijn reeds lang geleden uitgesproken wens om het EU-transparantieregister te baseren op een rechtshandeling indien het niet mogelijk is alle mazen af te dekken en een volledig verplicht register voor alle belangenvertegenwoordigers tot stand te brengen in het kader van een interinstitutioneel akkoord; is van mening dat in het voorstel voor deze rechtshandeling rekening kan worden gehouden met de vooruitgang die is geboekt als gevolg van wijzigingen van het interinstitutioneel akkoord en de gedragscode van het Parlement; herinnert de Commissie eraan dat het in zijn resolutie van 15 april 2014(6) de wens heeft uitgesproken dat de Commissie uiterlijk eind 2016 met een op artikel 352 VWEU gebaseerd wetgevingsvoorstel voor een bindend transparantieregister komt;

14.  herhaalt zijn oproep aan de Raad en zijn voorbereidende organen om zo spoedig mogelijk mee te werken aan het transparantieregister; dringt er bij de lidstaten op aan wetgeving door te voeren om de transparantie met betrekking tot belangenvertegenwoordiging te bevorderen; verzoekt de lidstaten regels in te voeren om belangenvertegenwoordigers te verplichten transparant te zijn over hun contacten met nationale politici en overheidsinstanties die gericht zijn op beïnvloeding van Europese wetgeving;

Transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit bij de omgang met belangenvertegenwoordigers

15.  herinnert aan zijn besluit van 13 december 2016 om de privileges in te trekken van degenen die niet bereid zijn mee te werken aan onderzoeken of hoorzittingen en vergaderingen van commissies die een onderzoeksmissie uitvoeren; dringt er bij de Commissie op aan de gedragscode voor geregistreerde entiteiten verder aan te passen teneinde hen te stimuleren om gedurende dergelijke hoorzittingen of commissievergaderingen, te goeder trouw, geen onvolledige of misleidende informatie te verstrekken; is van mening dat het de in het transparantieregister geregistreerde entiteiten in de gedragscode moet worden verboden om individuen of organisaties in te huren met als doel de belangen of partijen die zij dienen te verhullen;

16.  is van mening dat professionele adviesbureaus, advocatenkantoren en zelfstandige adviseurs moeten vermelden wat de precieze omvang is van de activiteiten die onder het register vallen, waarbij onderkend moet worden dat bepaalde personen wegens nationale wetgeving in sommige lidstaten niet in staat zijn om aan de vereisten van het transparantieregister te voldoen;

17.  benadrukt dat geregistreerde entiteiten, met inbegrip van advocatenkantoren en adviesbureaus, in het transparantieregister alle cliënten dienen te vermelden voor wie zij onder het register vallende belangenvertegenwoordigingsactiviteiten verrichten; is ingenomen met de besluiten van de diverse ordes van advocaten en juristen waarin de verschillen worden erkend tussen gerechtelijke activiteiten van advocaten en overige activiteiten die onder het toepassingsgebied van het transparantieregister vallen; verzoekt de Raad van de balies van de Europese Unie bovendien om zijn leden aan te sporen soortgelijke maatregelen te treffen, waarbij onderkend moet worden dat bepaalde personen wegens nationale wetgeving in sommige lidstaten niet in staat zijn om aan de vereisten van het transparantieregister te voldoen;

18.  stelt vast dat in een aantal lidstaten wettelijk voorgeschreven beroepscodes gelden die het met name advocatenkantoren objectief onmogelijk maken zich in het transparantieregister in te schrijven vanwege de informatie die zij daartoe over hun cliënten zouden moeten prijsgeven; constateert echter ook dat het gevaar bestaat dat deze wettelijke bepalingen ten onrechte worden ingeroepen om de voor een correcte inschrijving in het register vereiste informatie niet openbaar te maken; is in dit kader verheugd over de bereidheid van beroepsverenigingen van advocaten mee te helpen waarborgen dat het achterhouden van dergelijke informatie, in het belang van de beroepsgroep, beperkt zal blijven tot wat de wet objectief toestaat; verzoekt de Commissie en de Voorzitter van het Europees Parlement deze bereidheid in een concrete vorm te gieten en dit resultaat zo snel mogelijk op te nemen in het gewijzigde akkoord;

19.  verzoekt het Bureau om overeenkomstig artikel 15 van het VWEU en artikel 11 van het VEU niet-geregistreerde organisaties of personen die activiteiten ontplooien die onder het transparantieregister vallen, te verplichten zich te registreren alvorens zij toegang tot gebouwen van het Parlement krijgen; is van mening dat bezoekersgroepen hiervan uitgezonderd moeten worden; benadrukt dat het Parlement, als de kamer die de Europese burgers vertegenwoordigt, een opendeurbeleid voor burgers moet handhaven en dat er geen onnodige obstakels moeten worden opgeworpen die burgers ervan kunnen weerhouden de gebouwen van het Parlement te bezoeken;

20.  betreurt dat volgens Transparency International meer dan de helft van de vermeldingen in het EU-lobbyregister in 2015, onnauwkeurig, onvolledig of niet-relevant was;

21.  verzoekt zijn Bureau en zijn secretaris-generaal het reactiveringsproces dat nodig is voor toegangspasjes van lobbyisten te vergemakkelijken door een speciale faciliteit voor het reactiveren in te richten teneinde buitensporige wachttijden om de gebouwen binnen te komen, te vermijden; verzoekt de beperking tot maximaal vier houders van toegangspasjes die tegelijk toegang kunnen krijgen tot de gebouwen van het Parlement, te schrappen;

22.  herinnert aan het besluit van het Parlement van 13 december 2016 inzake "Entourage"-pasjes, en verzoekt zijn secretaris-generaal de regels inzake toegangspasjes en toegangsrechten voor de gebouwen van het Europees Parlement van 13 december 2013 te wijzigen zodat eenieder die ouder is dan 18 en die een aanvraag indient voor een "Entourage"-pasje een document moet ondertekenen waarin hij verklaart geen activiteiten te verrichten die onder het transparantieregister vallen;

23.  acht het noodzakelijk om zo snel mogelijk een deugdelijk systeem op te zetten voor de controle van de vermeldingen, teneinde ervoor te zorgen dat de door geregistreerde personen verstrekte informatie betekenisvol, nauwkeurig, actueel en alomvattend is; dringt er in dit verband op aan de middelen van de afdeling Transparantie binnen het Europees Parlement en het gezamenlijke secretariaat voor het transparantieregister aanzienlijk te verhogen;

24.  is van mening dat de verklaringen van geregistreerde entiteiten jaarlijks door de afdeling Transparantie en het gezamenlijke secretariaat voor het transparantieregister moeten worden geverifieerd op basis van steekproeven van toereikende omvang zodat betekenisvolle, nauwkeurige, actuele en alomvattende gegevens worden verstrekt;

25.  is van mening dat, onder verwijzing naar artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 2, VEU, democratische gekozen en gecontroleerde overheidsinstellingen op nationaal, regionaal en lokaal niveau en hun vertegenwoordigingen bij de EU-instellingen, alsook hun interne organen en formele en informele federaties en overkoepelende organisaties, die uitsluitend daaruit zijn samengesteld, niet onder het EU-transparantieregister moeten vallen wanneer zij in het openbaar belang optreden, aangezien zij deel uitmaken van het meerlagig bestuur van de EU;

Integriteit beschermen tegen belangenconflicten

26.  roept die EU-instellingen en -organen die nog steeds geen gedragscode hebben dringend op zo spoedig mogelijk alsnog een dergelijk document op te stellen; betreurt het dat de Raad en de Europese Raad nog steeds geen gedragscode voor hun leden hebben aangenomen; dringt er bij de Raad op aan een specifieke gedragscode in te voeren, waarin ook sancties zijn opgenomen, voor de aanpak van de specifieke risico's die samenhangen met de leden van nationale delegaties; stelt met klem dat de Raad even verantwoordingsplichtig en transparant moet zijn als de overige instellingen; dringt voorts aan op een gedragscode voor de leden en medewerkers van de twee adviesorganen van de EU, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité; verzoekt de EU-agentschappen richtsnoeren vast te stellen voor een coherent beleid inzake de voorkoming van en de omgang met belangenconflicten bij leden van raden van bestuur, directeuren, deskundigen in wetenschappelijke comités en leden van raden van beroep, en een helder beleid vast te stellen en ten uitvoer te leggen inzake belangenconflicten, conform de routekaart van de Commissie voor de follow-up van de gemeenschappelijke aanpak van gedecentraliseerde EU-agentschappen;

27.  is van mening dat alle EU-ambtenaren, met inbegrip van tijdelijke functionarissen, arbeidscontractanten en nationale deskundigen, moeten worden opgeleid in de omgang met belangenvertegenwoordigers en belangenconflicten, onder meer door integriteit en transparantie als verplichte onderwerpen te bespreken in aanwervingsprocedures en beoordelingsgesprekken;

28.  onderstreept dat de integriteit moet worden vergroot en het ethische kader moet worden versterkt via duidelijke, versterkte gedragscodes en ethische beginselen, om zo de ontwikkeling van een gedeelde en effectieve cultuur van integriteit voor alle instellingen en agentschappen van de EU mogelijk te maken;

29.  erkent dat het draaideur-effect schadelijk kan zijn voor betrekkingen tussen de instellingen en belangenvertegenwoordigers; dringt er bij de EU-instellingen op aan om een systematische en evenredige aanpak van dit probleem te ontwikkelen; is van mening dat alle regelgeving inzake "draaideur-constructies" ook van toepassing moet zijn op de voorzitter van de Raad;

30.  dringt erop aan de beperkingen voor oud-Commissarissen aan te scherpen door de "afkoelperiode" uit te breiden tot drie jaar en deze te laten gelden voor ten minste alle activiteiten die onder het transparantieregister vallen;

31.  is van mening dat besluiten met betrekking tot de nieuwe taken van hoge ambtenaren en oud-commissarissen moeten worden genomen door een autoriteit die is aangewezen met de grootst mogelijke onafhankelijkheid ten aanzien van degenen op wie haar besluiten betrekking hebben;

32.  verlangt dat alle EU-instellingen, overeenkomstig de gegevensbeschermingsregels van de EU, jaarlijks informatie bekend moeten maken over hoge ambtenaren die het EU-bestuur hebben verlaten en de taken die zij sindsdien vervullen;

33.  is van mening dat moet worden overwogen een afkoelperiode van 18 maanden te hanteren na afloop van de benoeming van externe en ad-hocleden van de Raad voor regelgevingstoetsing in het kader van betere wetgeving, en van directieleden van de Europese Investeringsbank, gedurende welke zij geen lobbyactiviteiten mogen verrichten bij de leden van de bestuursorganen van de EIB en het bankpersoneel, ten behoeve van hun bedrijf, hun cliënt of hun werkgever;

Integriteit en een evenwichtige samenstelling van deskundigengroepen

34.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Ombudsman ter voorkoming van belangenconflicten in deskundigengroepen en steunt uitdrukkelijk de openbaarmaking van een voldoende gedetailleerd cv en een belangenverklaring van iedere op persoonlijke titel benoemde deskundige in het deskundigengroepsregister;

35.  steunt de oproep van de Ombudsman om inschrijving in het transparantieregister als voorwaarde te stellen voor benoeming als lid in een deskundigengroep, voor die leden die geen regeringsfunctionarissen zijn en niet hun gehele salaris of het merendeel daarvan van staatsinstellingen zoals universiteiten ontvangen, ervan uitgaande dat laatstgenoemden geen financiering ontvangen van belangenvertegenwoordigers en economische en commerciële belanghebbenden;

36.  is van mening dat een bepaling met algemene criteria voor de afbakening van economische en niet-economische belangen, zoals aanbevolen door de Ombudsman, en gebaseerd op de belangenverklaringen van deskundigen, de Commissie zou helpen bij de selectie van deskundigen die de verschillende belangen in een betere verhouding vertegenwoordigen;

37.  dringt er bij de Commissie op aan alle notulen van deskundigengroepsvergaderingen op haar website openbaar te maken, met inbegrip van de verschillende vertegenwoordigde standpunten;

38.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat bij raadplegingen open vragen worden onderzocht in plaats van dat zij uitsluitend uitnodigen tot bevestiging van een reeds gekozen beleidsrichting;

Integriteit van de Europese verkiezingen

39.  is van mening dat uit hoofde van het Europese kiesrecht, de kandidaten binnen een partij in een geheime stemming en met voldoende inspraak van de leden moeten worden voorgedragen, en dat personen die bij een definitieve rechterlijke beslissing zijn veroordeeld voor corruptie die de financiële belangen van de EU schaadt of voor corruptie in een lidstaat, gedurende een gezien de ernst van het strafbare feit passende periode het passief kiesrecht moeten verliezen; wijst erop dat deze uitsluitingsprocedure reeds in enkele lidstaten wordt toegepast; is van mening dat middels een nieuw instrument, zoals een richtlijn, gemeenschappelijke minimumnormen kunnen worden vastgesteld voor verschillende praktijken en rechtskaders in de diverse lidstaten met betrekking tot uitsluiting wegens corruptie;

Versterking van de verantwoordingsplicht van commissarissen

40.  verzoekt de Commissie om, naar het voorbeeld van lidstaten met een wet inzake ministers, met een wetgevingsvoorstel te komen tot vaststelling van de transparantieverplichtingen en -rechten van commissarissen, in overeenstemming met de medebeslissingsprocedure;

41.  verlangt dat de vergoedingen van de commissarissen, waaronder hun bezoldiging, die sinds de oprichting van de Europese Gemeenschappen uitsluitend door de Raad worden bepaald, voortaan via de medebeslissingsprocedure worden vastgesteld;

42.  wijst erop dat het in sommige lidstaten ontbreekt aan een wet inzake ministers, waarin wordt uitgesloten dat ambtsdragers een gehele onderneming of delen daarvan bezitten;

Belangenconflicten bij gedeeld beheer en in derde landen bij het beheer van EU-gelden

43.  ziet een ernstig belangenconflict in de mogelijkheid dat ondernemingen die eigendom zijn van EU-ambtsdragers EU-middelen kunnen aanvragen of deze middelen als onderaannemer kunnen ontvangen, terwijl de eigenaar en ambtsdrager zelf tegelijkertijd verantwoordelijk is voor de behoorlijke besteding van deze middelen en de controle daarop;

44.  dringt er bij de Commissie op aan voortaan in alle EU-wetgeving inzake subsidies de bepaling op te nemen dat ondernemingen in een EU-lidstaat of een derde land die eigendom van ambtsdragers zijn, geen EU-middelen kunnen aanvragen of ontvangen;

Verwezenlijking van de doelstelling van volledige toegang tot documenten en transparantie met het oog op verantwoordingsplicht in het wetgevingsproces

45.  herinnert aan zijn oproep aan de Commissie en de Raad in zijn resolutie van 28 april 2016 over de publieke toegankelijkheid van documenten voor de periode 2014-2015(7), waarin het:

–  opriep om het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1049/2001 uit te breiden tot alle Europese instellingen die daar nog niet onder vallen, zoals de Europese Raad, de Europese Centrale Bank, het Hof van Justitie, en alle organen en agentschappen van de EU,

–  aandrong op de volledige naleving van de verplichting van de instellingen, agentschappen en andere organen om een register van alle documenten bij te houden, overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van Verordening (EG) nr. 1049/2001,

–  erop wees dat documenten die in het kader van trialogen worden opgesteld, zoals agenda's, overzichten van resultaten, notulen en algemene oriëntaties in de Raad, verband houden met wetgevingsprocedures en in beginsel niet anders dan andere wetgevingsdocumenten mogen worden behandeld, en rechtstreeks toegankelijk moeten worden gemaakt via de website van het Parlement,

–  aandrong op een gemeenschappelijk interinstitutioneel register, met inbegrip van een gezamenlijke databank over de stand van zaken met betrekking tot wetgevingsdossiers, waar aan wordt gewerkt zoals overeengekomen in het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven,

–  de Raad opriep de notulen van de vergaderingen van de werkgroepen van de Raad en andere documenten openbaar te maken,

–  er bij de Commissie op aandrong een uniek register van alle niveau 2-wetgeving op te zetten, met name voor gedelegeerde handelingen, en erop wees dat daar aan wordt gewerkt zoals overeengekomen in het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven,

–  de overtuiging uitsprak dat een onafhankelijke toezichtsautoriteit belast moet worden met het toezicht op de classificatie en declassificatie van documenten,

–  verzocht de agenda's en feedbacknota's van de vergaderingen van de coördinatoren, het Bureau en de Conferentie van voorzitters van het Parlement openbaar te maken, evenals, in beginsel, alle documenten waarnaar wordt verwezen in deze agenda's, door deze op de website van het Parlement te publiceren;

Transparantie van de externe vertegenwoordiging en onderhandelingen van de EU

46.  is verheugd over de recente jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie waarmee het recht van het Parlement op informatie over internationale overeenkomsten wordt versterkt, en over de toezegging van de instellingen om gevolg te geven aan punt 40 van het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven door te onderhandelen over betere samenwerking en deling van informatie; wijst erop dat de onderhandelingen eind 2016 van start zijn gegaan en dringt er in dit verband bij de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden op aan zich oprecht in te zetten en al het nodige te doen om zo snel mogelijk een overeenkomst met het Parlement te bereiken voor de volledige duur van internationale overeenkomsten, aangezien dit de legitimiteit van en democratische controle op het extern optreden van de EU zou vergroten;

47.  merkt op dat, hoewel er een interinstitutionele samenwerkingsovereenkomst bestaat tussen het Parlement en de Commissie, er geen overeenkomstige regeling bestaat tussen het Parlement en de Raad;

48.  onderstreept de recente inspanningen van de Commissie voor meer transparantie bij handelsbesprekingen; is er desondanks van overtuigd dat de Raad en de Commissie hun werkmethodes nog moeten verbeteren om beter met het Parlement samen te werken wat betreft toegang tot documenten, informatie en besluitvorming over alle thema's en onderhandelingen die te maken hebben met het gemeenschappelijk handelsbeleid (zoals informatie over de onderhandelingen – bijvoorbeeld over de verkennende fase, de mandaten en het verloop van de onderhandelingen – de gemengde of exclusieve aard van handelsovereenkomsten en de voorlopige toepassing van ervan, activiteiten en besluiten van organen die in het kader van handels- en/of investeringsovereenkomsten opgericht zijn, vergaderingen van deskundigen, en gedelegeerde en uitvoeringshandelingen); betreurt in dit verband dat de Raad de leden van het Europees Parlement en het publiek nog steeds geen inzage heeft gegeven in de onderhandelingsmandaten voor alle op dit moment lopende onderhandelingen, maar is verheugd over het feit dat er, nadat de Commissie en het Parlement een jaar hebben onderhandeld over toegang tot documenten over de onderhandelingen over het Trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP), eindelijk een operationeel akkoord is bereikt om alle EP-leden inzagerecht te geven, zodat de onderhandelingen over het TTIP de tot dusver meest transparante onderhandelingen ooit zijn; is in dit verband ingenomen met de ambitie van het directoraat-generaal Handel van de Commissie om het huidige transparantie-initiatief voor het TTIP als model voor alle handelsbesprekingen te gebruiken, zoals aangekondigd in de handelsstrategie "Handel voor iedereen", en dit te verwezenlijken;

49.  benadrukt in navolging van het Europees Hof van Justitie dat vanwege de democratische aard van het bestuur in de EU transparantie een vereiste is, en dat wanneer vertrouwelijke informatie niet publiekelijk vrijgegeven mag worden, zoals bij handelsbesprekingen, de informatie wel beschikbaar moet zijn voor parlementsleden die namens de burgers toezicht houden op het handelsbeleid; is daarom van mening dat toegang tot vertrouwelijke informatie cruciaal is voor het toezicht door het Parlement, dat op zijn beurt ook de verplichting moet naleven om correct met deze informatie om te gaan; is van mening dat er duidelijke voorwaarden moeten zijn om documenten als "vertrouwelijk" te beschouwen, teneinde ambiguïteit en willekeurige besluitvorming te voorkomen, en dat anderzijds het document moet worden vrijgegeven zodra er geen noodzaak tot geheimhouding meer bestaat; dringt er bij de Commissie op aan te beoordelen of een onderhandelingsdocument openbaar gemaakt kan worden zodra het document in kwestie intern is afgehandeld; merkt op dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie duidelijk blijkt dat wanneer voor een document van een EU-instelling een uitzondering op het recht op toegang voor het publiek geldt, de instelling duidelijk moet uitleggen in welk opzicht de toegang tot dat document een concrete en daadwerkelijke ondermijning zou vormen van het belang dat door de uitzondering wordt beschermd, en dat dit risico redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch moet zijn; roept de Commissie op om de aanbevelingen van de Europese Ombudsman van juli 2014 te implementeren, met bijzondere aandacht voor toegang tot documenten voor alle besprekingen, en de openbaarmaking van de agenda's en de notulen van vergaderingen met personen en organisaties die onder het transparantieregister vallen; dringt er bij de Commissie op aan om ten behoeve van het Parlement en het publiek voorafgaand aan de onderhandelingen gedetailleerde agenda's van de onderhandelingsronden en gedetailleerde verslagen van de ronden na afloop ervan te publiceren;

50.  meent dat de EU het voortouw moet nemen bij het bevorderen van transparantie rond handelsbesprekingen, niet alleen bij bilaterale maar, waar mogelijk, ook bij plurilaterale en multilaterale besprekingen, met ten minste evenveel transparantie als de onderhandelingen die in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) worden georganiseerd; benadrukt echter dat de Commissie ook haar onderhandelingspartners ervan moet overtuigen om van hun kant voor meer transparantie te zorgen, teneinde een wederkerig proces te waarborgen waarbij de onderhandelingspositie van de EU niet wordt ondermijnd, en vraagt haar om het nagestreefde transparantieniveau aan te kaarten in de verkennende gesprekken met potentiele onderhandelingspartners; onderstreept dat meer transparantie in het belang van alle onderhandelingspartners van de EU en belanghebbende partijen overal ter wereld is en de mondiale steun voor op regels gebaseerde handel kan versterken;

51.  brengt in herinnering dat het voor het wetgevingsproces van het gemeenschappelijk handelsbeleid belangrijk is om rekening te houden met de EU-statistieken overeenkomstig artikel 338, lid 2, VWEU, en met effect- en duurzaamheidsbeoordelingen die beantwoorden aan de hoogste normen voor neutraliteit en betrouwbaarheid, een beginsel dat zou moeten gelden voor alle betreffende herzieningen in het kader van het beleid van de Commissie voor "betere regelgeving"; meent dat de handelsovereenkomsten van de EU door effectbeoordelingen per sector aan betrouwbaarheid en legitimiteit zouden winnen;

52.  herinnert aan zijn oproep aan de Commissie in zijn resolutie van 12 april 2016(8) om een Europese gedragscode inzake transparantie, integriteit en verantwoordingsplicht op te stellen, die moet dienen als richtsnoer voor het optreden van EU-vertegenwoordigers in internationale organisaties/organen; dringt aan op betere beleidscoherentie en coördinatie tussen de mondiale instellingen door middel van de invoering van veelomvattende normen voor democratische legitimiteit, transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit; is van mening dat de EU haar afvaardiging in multilaterale organisaties/organen moet stroomlijnen en codificeren om de betrokkenheid en de invloed van de Unie in deze organen, evenals de wetgeving die zij via democratische weg heeft aangenomen, transparanter te maken en de integriteit en verantwoordingsplicht te vergroten; dringt aan op de vaststelling van een interinstitutioneel akkoord ter formalisering van de dialogen tussen EU-vertegenwoordigers en het Parlement met als doel richtsnoeren op te stellen voor de vaststelling en coherentie van de Europese standpunten in de aanloop naar grote internationale onderhandelingen;

Transparantie en verantwoordingsplicht op het gebied van overheidsuitgaven

53.  is van mening dat de gegevens over de begroting en uitgaven binnen de EU transparant en controleerbaar moeten zijn door ze openbaar te maken, onder meer op het niveau van de lidstaten wat betreft gedeeld beheer;

Transparantie en verantwoordingsplicht inzake economische governance in de eurozone

54.  is van mening dat besluiten die worden genomen in het kader van de Eurogroep, het Economisch en Financieel Comité, "informele" vergaderingen van de Ecofin-Raad en Eurotoppen waar nodig moeten worden geïnstitutionaliseerd, transparanter moeten worden en dat hierover meer verantwoording moet worden afgelegd, onder meer door publicatie van de desbetreffende agenda's en notulen, waarbij een evenwicht wordt bewerkstelligd tussen de gewenste transparantie en de noodzakelijke bescherming van het financiële, monetaire of economische beleid van de Unie of een lidstaat;

Transparantie en verantwoordingsplicht betreffende de EU-begroting

55.  wijst erop dat in 2014 in het totaal 40 zaken met betrekking tot EU-medewerkers en leden van de instellingen werden afgerond; onderstreept dat dit een gering aantal is waaruit blijkt dat fraude en corruptie binnen de EU-instellingen niet endemisch van aard is(9);

56.  wijst erop dat het grootste aantal door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) gemelde mogelijke fraudezaken in 2014 betrekking hebben op het gebruik van Europese structuurfondsen (549 van de 1 417 aantijgingen); onderstreept dat OLAF in 2014 de financiële terugvordering heeft aanbevolen van 476,5 miljoen EUR aan structuurfondsen; wijst erop dat naar aanleiding van OLAF's aanbevelingen in 2014 22,7 miljoen EUR door de bevoegde autoriteiten werd teruggevorderd; roept de lidstaten op prioriteit te geven aan de deugdelijke toewijzing van EU-middelen en er alles aan te doen om deze middelen terug te vorderen wanneer zij niet correct zijn toegewezen(10);

57.  dringt er bij de Commissie op aan met een herziening van de zogenoemde sixpack en twopack te komen teneinde het Parlement meer controlebevoegdheden toe te kennen met betrekking tot de goedkeuring van de belangrijkste documenten van het Europees Semester, en in het bijzonder doeltreffende middelen om te waarborgen dat het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel worden geëerbiedigd;

58.  dringt er bij de Eurogroep op aan het Parlement te betrekken bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de contractuele voorwaarden die zijn overeengekomen met begunstigden van door het Europees Stabiliteitsmechanisme verstrekte financiële bijstand;

Bescherming van klokkenluiders en corruptiebestrijding

59.  is ingenomen met het onderzoek dat de Europese Ombudsman heeft verricht om na te gaan of de EU-instellingen voldoen aan de verplichting om interne regels betreffende klokkenluiders in te voeren; betreurt de bevinding van de Ombudsman dat enkele EU-instellingen de regels ter bescherming van klokkenluiders nog niet naar behoren ten uitvoer hebben gelegd; wijst erop dat tot op heden alleen het Parlement, de Commissie, de Ombudsman en de Europese Rekenkamer dergelijke regels hebben vastgesteld; dringt aan op een studie door het Parlement naar een mechanisme om geaccrediteerde parlementaire medewerkers te beschermen wanneer zij klokkenluiders worden;

60.  is van mening dat een doeltreffende bescherming van klokkenluiders een belangrijk wapen in de strijd tegen corruptie vormt en herinnert derhalve aan zijn oproep van 25 november 2015(11) aan de Commissie om uiterlijk in juni 2016 met een voorstel te komen voor een EU-wetgevingskader om klokkenluiders en dergelijke doeltreffend te beschermen(12), rekening houdend met de evaluatie van de regels op nationaal niveau, teneinde tot minimumregels voor de bescherming van klokkenluiders te komen;

61.  dringt er bij de Commissie op aan om de maatregelen ten aanzien van discretie en uitsluiting met betrekking tot openbare aanbestedingen strikt toe te passen, waarbij telkens een grondig antecedentenonderzoek dient te worden verricht, en om de uitsluitingscriteria toe te passen om ondernemingen te weren als er sprake is van een belangenconflict, aangezien dit van essentieel belang is om de geloofwaardigheid van de instellingen te beschermen;

62.  is van mening dat klokkenluiders zelfs binnen de EU-instellingen te vaak met vervolging werden geconfronteerd in plaats van steun te ontvangen; dringt er bij de Commissie op aan een wijziging van de regelgeving betreffende de Ombudsman voor te stellen en haar eveneens de taak toe te kennen als een contactpunt te fungeren voor klokkenluiders die het slachtoffer van slechte behandeling zijn; verzoekt de Commissie met een voorstel te komen om de begroting van de Ombudsman op passende wijze te verhogen om de uitvoering van deze nieuwe veeleisende taak mogelijk te maken;

63.  verzoekt de EU om zo spoedig mogelijk het lidmaatschap aan te vragen van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) van de Raad van Europa, en het Parlement voortdurend op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot dit toetredingsverzoek; verzoekt de Commissie in het verslag een overzicht op te nemen van de grootste problemen op corruptiegebied in de lidstaten, beleidsaanbevelingen voor de aanpak ervan en follow-upmaatregelen die door de Commissie moeten worden genomen, met name rekening houdend met de schadelijke impact van corruptieactiviteiten op de werking van de gemeenschappelijke markt;

64.  is van mening dat personen die in de EU rechtsgeldig zijn veroordeeld voor corruptie, of ondernemingen die worden geleid door of in het bezit zijn van personen die zich in het belang van hun onderneming schuldig hebben gemaakt aan corruptie of verduistering van publieke middelen en die daarvoor rechtsgeldig zijn veroordeeld, gedurende ten minste drie jaar effectief moeten worden uitgesloten van overheidsopdrachten van de Europese Unie en geen EU-subsidies mogen ontvangen; verzoekt de Commissie haar systeem van uitsluiting te herzien; benadrukt dat ondernemingen die door de Commissie worden uitgesloten van mededinging naar EU-middelen automatisch op een openbare lijst moeten komen te staan teneinde de financiële belangen van de EU beter te beschermen en controle door het brede publiek mogelijk te maken;

65.  wijst erop dat de Europese Unie, sinds zij op 12 november 2008 is toegelaten als lid van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC), niet heeft deelgenomen aan de evaluatie van het in het verdrag voorziene mechanisme noch de eerste stap heeft gezet om een zelf-evaluatie uit te voeren met betrekking tot de vraag hoe zij haar uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen vervult; dringt er bij de Europese Unie op aan de verplichtingen uit hoofde van het UNCAC na te komen door een zelf-evaluatie uit te voeren over de vraag hoe zij haar uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen vervult en door deel te nemen aan het mechanisme voor collegiale toetsing; dringt er bij de Commissie op aan haar volgende EU-corruptiebestrijdingsverslag zo spoedig mogelijk te publiceren en in de EU-corruptiebestrijdingsverslagen een hoofdstuk over de EU-instellingen op te nemen; vraagt de Commissie om meer analyses te verrichten van het klimaat waarbinnen beleid wordt uitgevoerd, zowel in de EU-instellingen als in de lidstaten, om inherente kritieke factoren, kwetsbare domeinen en risicofactoren die tot corruptie kunnen leiden te identificeren;

66.  herinnert aan zijn besluit van 25 maart 2014 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (2012/0193(COD)) en dringt aan op een spoedige beslissing in dit verband;

Integriteit in EU-wetgeving

67.  verzoekt de Commissie op zoek te gaan naar systematische waarborgen om belangenconflicten op het gebied van beleidshandhaving en de regulering van industriële producten te voorkomen; verzoekt de Commissie iets te doen aan het huidige structurele belangenconflict bij de risicobeoordeling van overheidswege van gereguleerde producten, namelijk de situatie waarin de beoordeling van deze producten grotendeels of volledig op studies berust die door de aanvragers zelf of door hen betaalde derden zijn uitgevoerd, terwijl onafhankelijk onderzoek maar al te vaak wordt veronachtzaamd of terzijde wordt geschoven; houdt eraan vast dat producenten nog wel studies moeten blijven aanleveren, waarbij de kosten eerlijkheidshalve tussen grote ondernemingen en kmo's naargelang hun relatief marktaandeel moeten worden verdeeld, maar dat alle beoordelaars moeten worden verplicht ook intercollegiaal getoetst, onafhankelijk onderzoek volledig in hun beoordeling te betrekken; verzoekt de Commissie in het bijzonder om een herziening van haar mededeling van 2002 over algemene beginselen en normen voor raadpleging van betrokken partijen; oppert dat voorafgaande registratie van wetenschappelijke studies en proeven, met vermelding van hun onderzoeksterrein en de verwachte datum van voltooiing, als voorwaarde kan worden gesteld om die studies in het regelgevings- en beleidsvormingsproces te laten meewegen, als manier om het probleem van het selectief weglaten van ongunstige onderzoeksresultaten aan te pakken; benadrukt, in het belang van betrouwbaar en onafhankelijk wetenschappelijk advies voor de beleidsvorming, hoe cruciaal het is afdoende middelen uit te trekken voor de ontwikkeling van eigen deskundigheid binnen de gespecialiseerde EU-agentschappen, met daarbij de gelegenheid om publiceerbaar onderzoek en publiceerbare proeven te verrichten, wat een overheidsfunctie voor advies inzake regelgeving aantrekkelijker kan maken zonder dat het de academische loopbaan van wetenschappers hoeft te verstoren;

Versterking van de verantwoordingsplicht van de Commissie en haar agentschappen jegens het Parlement

68.  dringt er bij de Commissie op aan een voorstel voor een verordening met betrekking tot alle EU-agentschappen op te stellen, op grond waarvan het Parlement medebeslissingsbevoegdheid krijgt inzake de benoeming of het ontslag van de directeuren van dergelijke agentschappen en een rechtstreeks recht om hen te ondervragen en te horen;

69.  wijst erop dat er onafhankelijke deskundigen nodig zijn in de EU-agentschappen en dat het wegnemen van belangenconflicten binnen het bestuur van die agentschappen meer gewicht moet krijgen; wijst erop dat deskundigen van een aantal agentschappen, met inbegrip van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), momenteel niet worden betaald; dringt erop aan dat deskundigen in regelgevende agentschappen die bijvoorbeeld non-profitorganisaties of academici vertegenwoordigen een toereikende vergoeding ontvangen; benadrukt hoe belangrijk het is toereikende middelen uit te trekken voor de ontwikkeling van eigen deskundigheid binnen de gespecialiseerde EU-agentschappen;

70.  roept de EFSA, het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) op om zo spoedig mogelijk hun onafhankelijkheidsbeleid te herzien teneinde hun strikte onafhankelijkheid ten opzichte van de economische sectoren waar zij regelgeving voor opstellen expliciet te waarborgen en belangenconflicten onder medewerkers en deskundigen te voorkomen;

71.  is er voorstander van dat nationale parlementen commissarissen uitnodigen om hen te ondervragen;

72.  brengt in herinnering dat de bevoegdheid om enquêtecommissies in te stellen een kenmerk is van parlementaire systemen wereldwijd, en dat het Verdrag van Lissabon, met name in artikel 226, lid 3, VWEU, voorziet in een bijzondere wetgevingsprocedure voor de goedkeuring van een verordening betreffende het enquêterecht; benadrukt dat, krachtens het beginsel van loyale samenwerking, het Parlement, de Raad en de Commissie hun goedkeuring moeten hechten aan de invoering van een nieuwe verordening;

73.  dringt aan op een spoedig besluit van de Raad en de Commissie betreffende het voorstel van het Parlement van 23 mei 2012 voor een verordening van het Europees Parlement tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Parlement(13);

°

°  °

74.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0376.

(2)

Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0197.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0203.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0484.

(5)

Arrest van het Hof van Justitie van 21 september 2010, Koninkrijk Zweden tegen Association de la presse internationale ASBL (API) en Europese Commissie (C-514/07 P), Association de la presse internationale ASBL (API) tegen Europese Commissie (C-528/07 P) en Europese Commissie tegen Association de la presse internationale ASBL (API) (C-532/07 P), Gezamenlijke zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, ECLI:EU:C:2010:541.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0376.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0202.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0108.

(9)

Het verslag van OLAF 2014, Vijftiende verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding, 1 januari tot en met 31 december 2014.

(10)

Ibid.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0408.

(12)

Rapporteur, letterlijk uit zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0408).

(13)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0219.


TOELICHTING

De afstand tot burgers noopt tot de hoogst mogelijke normen inzake transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit

De EU-instellingen zijn transparanter, leggen meer verantwoording af en zijn schoner dan de meeste andere politieke instellingen op nationaal en regionaal niveau in Europa. Burgers kunnen vrijwel alle commissievergaderingen via webstreaming volgen: een vorm van transparantie die in de meeste parlementen van de lidstaten tot op heden niet bestaat. De Europese Commissie is een open bestuursorgaan, veel transparanter en toegankelijker dan gebruikelijk is in de meeste lidstaten. Toch staat de politiek in Brussel om diverse redenen verder af van de burgers in de EU. Volgens onderzoek van Eurostat was het algemene vertrouwen van burgers in EU-instellingen in 2014 42 %. Dit is een stijging ten opzichte van het jaar ervoor, maar vanuit historisch perspectief niettemin laag; in 2002 was het 59 %. In een meerderheid van 20 lidstaten is het vertrouwen in de nationale instellingen nu hoger. Slechts in een minderheid van 8 landen hebben de burgers meer vertrouwen in de EU-instellingen dan in nationale instituties.

De afstand tussen lokale en nationale politiek en de burgers is minder groot: de media berichten er meer over, burgers hebben meer persoonlijke contacten met de vertegenwoordigers ervan, de vraagstukken die in nationale en lokale politiek aan de orde komen lijken minder abstract en taal vormt doorgaans geen belemmering. Naast deze tamelijk structurele verschillen voelt de EU-politiek voor veel burgers echter ook verder weg vanwege een vermeend gebrek aan invloed van de burgers. Erger nog, de huidige Europese Unie wordt soms eerder gezien als een Europa van lobbyisten dan als een Europa van burgers. Er zijn in Brussel meer lobbyisten actief dan in Washington D.C. Onderzoek wijst uit dat er een enorm verschil bestaat tussen de toegang tot en invloed op besluitvormers van de EU van vertegenwoordigers van machtige bedrijfsbelangen enerzijds en vertegenwoordigers van zwakkere maatschappelijke belangen anderzijds. Om deze als zodanig ervaren afstand te verkleinen, wordt in dit verslag aangedrongen op een drieledige benadering: De EU-instellingen moeten de transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit vergroten en op dit gebied de hoogst mogelijke normen stellen.

Integriteit betekent de eerlijke en gelijke behandeling van de belangen van burgers

In het Verdrag van Lissabon ligt vast dat de Unie "het beginsel van gelijkheid van haar burgers, die gelijke aandacht genieten van haar instellingen" eerbiedigt (artikel 9) en dat "iedere burger het recht [heeft] aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen". De realiteit is echter anders. De geprivilegieerde toegang van machtige lobby´s tot besluitvormers van de EU staat in schril contrast met de gelijke behandeling van burgerbelangen. Voor degenen die reeds over meer geld en macht beschikken is het gemakkelijk relatief meer invloed uit te oefenen. Om deze kloof te dichten moeten EU-instellingen hun integriteit vergroten. Integriteit betekent gelijke toegang tot en invloed op het besluitvormingsproces voor alle burgers. Het laten prevaleren van bijzondere belangen boven het algemeen belang is het tegendeel van integriteit. Dit verslag heeft ten doel bij te dragen tot de scheiding van economische en politieke macht. Dit is eveneens in het belang van de overgrote meerderheid van de kleine en middelgrote ondernemingen in Europa. Wanneer multinationals de wet voorschrijven, komen kleine ondernemingen niet tot bloei.

Burgers zeggenschap geven via toegang tot informatie en documenten

In artikel 10, lid 3, wordt nader uiteengezet en voorgeschreven hoe integriteit in de EU-politiek kan worden bereikt: "De besluitvorming vindt plaats op een zo open mogelijke wijze, en zo dicht bij de burgers als mogelijk is". Wij zijn van mening dat transparantie moet worden opgevat als het tijdig openbaar maken van alle relevante informatie aan burgers, zodat eventuele informatiekloven tussen burgers en lobbyisten, en tussen vertegenwoordigers van bijzondere zakelijke belangen en vertegenwoordigers van meer algemene maatschappelijke belangen, worden gedicht. De tekst en geest van de verdragen vereist speciale aandacht voor het tijdstip waarop toegang tot informatie wordt verstrekt. Het nemen van besluiten "zo dicht bij de burgers als mogelijk is", betekent dat burgers de tijd moeten hebben om informatie te verwerken alvorens besluiten worden genomen. Ook het vraagstuk van gelijkheid tussen burgers heeft te maken met het juiste tijdstip. Daar besluitvorming doorgaans een voortdurend proces is, is het van belang om toegang tot documenten en informatie te krijgen voor de zaken beklonken zijn. Verschillen tussen goed ingewijde en professionele actoren enerzijds en burgers en zelfs leden van het Parlement anderzijds druisen in tegen de verdragen en ondermijnen de integriteit. Het is dan ook onaanvaardbaar dat geheime en informele documenten binnen een select kringetje van bevoorrechte personen circuleren. De verdragen schrijven een duidelijk onderscheid voor: documenten zijn ofwel openbaar of bij uitzondering vertrouwelijk. Dit betekent dat alles wat lobbyisten weten voor iedereen toegankelijk moet zijn.

Het proces van de opstelling van EU-wetgeving staat centraal bij de vergroting van de transparantie in de Europese Unie. Het publiek heeft er recht op te weten wie invloed heeft uitgeoefend op de opstelling van wetgeving. Een belangrijk hulpmiddel om meer transparantie in de EU-wetgeving te bewerkstelligen is de invoering van een wetgevingsvoetafdruk. Deze wetgevingsvoetafdruk is bedoeld om de invloed van verschillende belangen op wetgeving te registreren en een inschatting te maken van een eventuele ongelijke invloed. Bovendien kan, hoe meer relevante informatie over vergaderingen en inbreng van derden direct ter beschikking worden gesteld, het evenwicht des te beter worden hersteld. In de voor de AFCO-commissie uitgevoerde studie van zijn sectie Beleidsondersteuning "Institutional and Constitutional aspects of Special Interest Representation" wordt invoering ervan aanbevolen.

Verantwoordingsplicht van EU-instellingen door middel van transparantie

Schandalen, zoals de "geld voor amendementen"-schandalen, vormden de drijfveer achter nieuwe regels tot waarborging van integriteit in de EU-politiek. In de verdragen is het volgende vastgelegd: "Bij de vervulling van hun taken steunen de instellingen, organen en instanties van de Unie op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat" (artikel 298, lid 1, VEU). Verantwoordingsplicht kan alleen tot stand worden gebracht door middel van bepalingen die ervoor zorgen dat instellingen, ambtsdragers en personeelsleden op transparante wijze verslag leggen van hun werkzaamheden.

Hoewel veel fases van de EU-wetgeving transparanter zijn dan in de lidstaten het geval is, speelt een beslissende fase van de medebeslissingsprocedure zich achter gesloten deuren af. De toename van het aantal informele besprekingen in trialoogvorm heeft ertoe geleid dat over 80 % van de EU-wetgeving nu in eerste lezing overeenstemming wordt bereikt. Deze gesloten vergaderingen vormen een transparantieprobleem: er zijn geen notulen van deze vergaderingen, deelnemers en hun standpunten worden niet bekend gemaakt, terwijl geheime documenten soms wel in handen van lobbyisten vallen, maar niet openbaar worden gemaakt voor het brede publiek. Deze selectieve transparantie voor bevoorrechte actoren ondermijnt de integriteit van de huidige procedure, aangezien burgers niet gelijk behandeld worden.

Bescherming van integriteit tegen belangenconflicten door middel van onafhankelijk toezicht

Om de integriteit van eigen leden en het personeel van de EU-instellingen te waarborgen, moeten de hoogst mogelijke normen worden vastgesteld. Deze normen moeten betrekking hebben op de activiteiten van de leden en het personeel binnen en buiten de EU-instellingen, zowel tijdens als na hun ambtsperiode bij de EU-instellingen, bijvoorbeeld door een "afkoelperiode" in te voeren voor degenen die een carrière nastreven in sectoren die nauw verwant zijn aan hun institutionele werkzaamheden.

Neutraliteit is een belangrijk criterium voor doeltreffend toezicht op regelgeving. In het EU-corruptiebestrijdingsverslag van 2014 wordt geconcludeerd dat onafhankelijkheid van corruptiebestrijdingsagentschappen een cruciale factor is voor het succesvol opereren ervan: "In sommige gevallen, waarin de instanties een sterk mandaat hadden, is onafhankelijk toegewijd leiderschap uiteindelijk de doorbraakontwikkeling gebleken waarmee zij corruptiezaken op hoog niveau hebben kunnen vervolgen." (blz. 41). De les die bijgevolg uit bestaande integriteitssystemen getrokken kan worden is dat het toezicht op regels betreffende leden en personeel in neutrale handen moet worden gelegd. Dergelijk onafhankelijk toezicht wordt nu reeds in praktijk gebracht in lidstaten als Frankrijk en Kroatië. Bovendien dienen mogelijke belangenconflicten eveneens te worden aangepakt bij de samenstelling van deskundigengroepen en de controle op de financiering van Europese politieke partijen. Deskundigengroepen mogen vertegenwoordigers van bijzondere belangen niet toestaan rechtstreeks mee te werken aan de opstelling van wetgeving die op hen betrekking heeft. Het Europees Parlement dient geen toezicht te houden op de financiering van de partijen waartoe de meerderheid van zijn leden behoort.

Via transparantie het vertrouwen in handelsbesprekingen herstellen

In vergelijking met de Europese politiek staan handelsbesprekingen nog verder van burgers af. Handelsovereenkomsten zijn vaak bindend voor de Europese Unie en dergelijke besluiten kunnen moeilijk gewijzigd worden wanneer politieke meerderheden of de publieke opinie veranderen. Vanwege de verstrekkende gevolgen van handelsovereenkomsten, is het des te belangrijker dat de onderhandelingen hierover aan de hoogst mogelijke normen van transparantie en verantwoordingsplicht voldoen. Als argument tegen transparantie in handelsbesprekingen wordt wel gesteld dat vertrouwelijkheid succesvolle onderhandelingen makkelijker maakt. Niettemin laat het voorbeeld van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) zien dat op succesvolle wijze in volledige openheid over internationale verdragen kan worden onderhandeld waarbij documenten publiekelijk toegankelijk zijn en er zelfs sprake is van openbare beraadslagingen. Gezien de in heel Europa toenemende onvrede over de TTIP-onderhandelingen en de afronding van de brede economische handelsovereenkomst, moet de Europese Unie haar optimale werkmethoden aanpassen teneinde de transparantie, de verantwoordingsplicht en de integriteit bij al haar handelsbesprekingen te verbeteren.


BIJLAGE: LIJST VAN ENTITEITEN WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR INPUT HEEFT ONTVANGEN

De volgende lijst is op zuiver vrijwillige basis en onder exclusieve verantwoordelijkheid van de rapporteur opgesteld. De rapporteur heeft bij het voorbereiden van dit verslag input ontvangen van de volgende entiteiten of personen, tot aan de goedkeuring ervan in de commissie:

Entiteit en/of persoon

Access Info Europe

49931835063-67

Andreas Pavlou - 02.05.2016, 21.11.2016

Alliance for Lobby Transparency and Ethics Regulation (ALTER-EU)

2694372574-63

includes inter alia Access Info Europe, FoEE, CEO, LobbyControl - 27.01.2016, 10.03.2016, 06.07.2016, 23.09.2016, 05.10.2016, 28.10.2016, 29.11.2016, 07.02.2017, 02.03.2017

Bundesarbeitskammer Österreich (BAK)

23869471911-54

Alice Wagner, Julia Stroj - 13.09.2016, 23.09.2016

Corporate Europe Observatory (CEO)

5353162366-85

Olivier Hoedeman, Martin Pigeon, Pascoe Sabido, Margarida da Silva, Vicky Cann - 22.04.2015, 28.10.2016, 29.11.2016, 02.03.2017

Council of Bars and Law Societies of Europe (CCBE)

4760969620-65

Simone Cuomo - 15.10.2015

Council of European Municipalities and Regions (CEMR)

Carol Thomas

Democracy International e.V.

180184113990-05

Sophie von Hatzfeldt - 23.09.2016, 05.10.2016

European Public Affairs Consultancies Association (EPACA)

8828523562-52

Karl Isaksson, James Padgett - 16.03.2015, 27.02.2017

Joint European Offices of Local Authorities of Bavaria, Baden-Württemberg and Saxony

Caroline Bogenschütz, Christiane Thömmes - 16.02.2016

Frank Bold Society

57221111091-19

Bartosz Kwiatkowski - 10.03.2016, 06.07.2016, 09.09.2016, 13.09.2016, 23.09.2016, 05.10.2016, 27.10.2016, 21.11.2016, 02.03.2017, 10.03.2017

Friends of the Earth Europe (FoEE)

9825553393-31

Paul de Clerck, Fabian Flues, Myriam Douo - 27.01.2016, 10.03.2016, 06.07.2016, 23.09.2016, 05.10.2016, 28.10.2016, 29.11.2016, 07.02.2017, 02.03.2017

LobbyControl

6314918394-16

Nina Katzemich - 28.10.2016, 29.11.2016, 02.03.2017

Riparte il futuro

158241921709-39

Giulio Carini - 23.09.2016, 05.10.2016

Transparency International (TI)

501222919-71

Daniel Freund, Elsa Foucraut Yannik Bendel, Lola Girard, Carl Dolan - 25.02.2015, 03.09.2015, 15.12.2015, 01.03.2016, 15.03.2016, 02.05.2016, 01.07.2016, 06.07.2016, 09.09.2016, 27.10.2016, 28.10.2016, 29.11.2016, 06.02.2017, 02.03.2017, 10.03.2017


ADVIES van de Commissie internationale handel (11.12.2015)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit in de EU-instellingen

(2015/2041(INI))

Rapporteur voor advies: Bernd Lange

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  brengt in herinnering dat het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) een nieuwe etappe markeert in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond, waarin de besluiten in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger dienen te worden genomen (artikel 1 VEU); denkt aan de levendige openbare discussie in de hele Unie over de lopende handelsbesprekingen en de door de EU-burgers geuite zorgen over de EU-handelsbeleidsvorming; is van mening dat er, om de legitimiteit van de EU-handelspolitiek te waarborgen, meer informatie moet worden verstrekt over het handelsbeleid en handelsbesprekingen en over de manier waarop desbetreffende gegevens door de lidstaten en de Commissie worden verzameld, verstrekt en openbaar gemaakt, maar herinnert eraan dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen transparantie en doelmatigheid; is van mening dat de burgers in staat moeten worden gesteld om de beleidsvorming en de interne werking van de EU-administratie (ook binnen de Commissie internationale handel (INTA)) beter te begrijpen; verwelkomt daarom het transparantie-initiatief van de Commissie en de nieuwe handelsstrategie "Handel voor iedereen", die onder meer moet zorgen voor meer transparantie in het handelsbeleid;

2.  herinnert eraan dat op grond van artikel 12, onder f), VEU betreffende de rol van de nationale parlementen in de EU, verscheidene samenwerkingsinstrumenten zijn gecreëerd om op alle niveaus voor een doeltreffende democratische controle op de EU-wetgeving te zorgen; benadrukt dat het om meer legitimiteit te krijgen (ook bij de opstelling van onderhandelingsrichtsnoeren) van groot belang is meer zinvolle contacten te leggen met het maatschappelijke middenveld en de sociale partners, overeenkomstig de in artikel 152 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vastgelegde verplichting van de EU om "de rol van de sociale partners te erkennen en te bevorderen"; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is om daadwerkelijke contacten te leggen met alle stakeholders, door middel van vergaderingen, briefings en andere evenementen en door het optimaliseren van binnenlandse adviesgroepen die bij de uitvoering van bestaande handelsverdragen betrokken zijn; vraagt de Commissie om alle openbare raadplegingen inclusiever te maken;

3.  beveelt aan om de inspanningen die de Commissie momenteel levert om alle lopende en toekomstige handelsbesprekingen transparanter te maken, gepaard te laten gaan met een versterking van het mandaat van de Europese Ombudsman als onafhankelijke toezichthouder;

4.  vraagt de Raad en de Commissie om het beginsel van loyale samenwerking met het Parlement ten volle en ernstig in acht te nemen door onverwijld via de aangewezen kanalen volledige en nauwkeurige informatie te verstrekken over het externe optreden van de Unie, waaronder het gemeenschappelijk handelsbeleid, wat de besluitvorming en de tenuitvoerlegging van primaire en secundaire wetgeving betreft; vraagt de Commissie ten volle rekening te houden met de verzoeken van het Parlement betreffende het interinstitutioneel akkoord, met name wanneer het gaat over een reeks duidelijke criteria voor de voorlopige toepassing en de tenuitvoerlegging van handelsovereenkomsten; vraagt de Raad die criteria te aanvaarden en te garanderen dat handelsovereenkomsten slechts voorlopig kunnen worden toegepast als het Europees Parlement daar vooraf mee instemt;

5.  brengt in herinnering dat, krachtens het beginsel van loyale samenwerking, de Unie en de lidstaten elkaar respecteren en elkaar bij de vervulling van bepaalde taken steunen (artikelen 4 en 13 VEU), wat een noodzakelijke voorwaarde is opdat het Parlement zijn wetgevings- en begrotingstaak, politieke controle (toetsing) en adviserende taken naar behoren kan uitoefenen (artikel 14 VEU); merkt op dat er weliswaar een interinstitutioneel samenwerkingsakkoord bestaat tussen het Parlement en de Commissie, maar geen soortgelijke overeenkomst tussen het Parlement en de Raad, wat de toetsing enigszins belemmert;

6.  is verheugd dat de INTA-commissie en het directoraat-generaal Handel van de Europese Commissie proactief hebben samengewerkt om voor meer coöperatie te zorgen, good practices vast te stellen en de communicatiekanalen te verbeteren, en dat deze samenwerking met name nuttig is geweest voor het toezicht op de handelsbesprekingen via de vaste rapporteurs van INTA en gerichte toezichtsgroepen; onderstreept de recente inspanningen van de Europese Commissie voor meer transparantie bij handelsbesprekingen; is er desondanks van overtuigd dat de Raad en de Commissie hun werkmethodes nog moeten verbeteren om meer met het Parlement samen te werken wat betreft toegang tot documenten, informatie en besluitvorming over alle thema's en onderhandelingen die te maken hebben met het gemeenschappelijk handelsbeleid (zoals informatie over de onderhandelingen – bijvoorbeeld over de verkennende fase, de mandaten en het verloop van de onderhandelingen – de gemengde of exclusieve aard van handelsovereenkomsten en de voorlopige toepassing van ervan, activiteiten en besluiten van organen die in het kader van handels- en/of investeringsovereenkomsten opgericht zijn, vergaderingen van deskundigen, en gedelegeerde en uitvoeringshandelingen); betreurt in dit verband dat de Raad de leden van het Europees Parlement nog steeds geen inzage heeft gegeven in de onderhandelingsmandaten voor alle op dit moment lopende onderhandelingen, maar is verheugd dat er, nadat de Commissie en het Parlement een jaar hebben onderhandeld over toegang tot documenten over de onderhandelingen over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP), eindelijk een operationeel akkoord is bereikt om alle EP-leden inzagerecht te geven, zodat de onderhandelingen over het TTIP de tot dusver meest transparante onderhandelingen ooit zijn; is in dit verband ingenomen met de ambitie van de Commissie om het huidige transparantie-initiatief voor het TTIP als model voor alle handelsbesprekingen te gebruiken, zoals zij in de handelsstrategie "Handel voor iedereen" aankondigt; merkt op dat Verordening nr. (EG) 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten gewone burgers zeer ruime rechten inzake toegang tot documenten toekent, die verder kunnen gaan dan de rechten die EP-leden momenteel genieten;

7.  benadrukt in navolging van het Europees Hof van Justitie dat door de democratische aard van het bestuur in de EU transparantie een vereiste is, en dat wanneer vertrouwelijke informatie niet publiekelijk vrijgegeven mag worden, zoals bij handelsbesprekingen, de informatie wel beschikbaar moet zijn voor parlementsleden die namens de burgers toezicht houden op het handelsbeleid; is daarom van mening dat toegang tot vertrouwelijke informatie cruciaal is voor het toezicht door het Parlement, dat op zijn beurt ook de verplichting moet naleven om correct met deze informatie om te gaan; is van mening dat er duidelijke voorwaarden moeten zijn om documenten als "vertrouwelijk" te beschouwen, teneinde ambiguïteit en willekeurige besluitvorming te voorkomen, en dat anderzijds het document moet worden vrijgegeven zodra er geen noodzaak tot geheimhouding meer bestaat; merkt op dat uit de jurisprudentie van het Hof duidelijk blijkt dat wanneer voor een document van een EU-instelling een uitzondering op het recht op toegang voor het publiek geldt, de instelling duidelijk moet uitleggen in welk opzicht de toegang tot dat document een concrete en daadwerkelijke ondermijning zou vormen van het belang dat door de uitzondering wordt beschermd, en dat dit risico redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn en niet louter hypothetisch; roept de Commissie op om de aanbevelingen van de Europese Ombudsman van juli 2015 te implementeren, met bijzondere aandacht voor toegang tot documenten voor alle besprekingen;

8.  meent dat de EU het voortouw moet nemen bij het bevorderen van transparantie rond handelsbesprekingen, niet alleen bij bilaterale maar ook bij plurilaterale en multilaterale besprekingen, zo mogelijk met ten minste evenveel transparantie als de onderhandelingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO); onderstreept evenwel dat de Commissie ook de onderhandelingspartners moet overtuigen om de transparantie van hun kant te vergroten, zodat dit een wederkerig proces blijft waarbij de onderhandelingspositie van de EU niet wordt aangetast, en dat zij de nagestreefde mate van transparantie ook in de verkennende fase met potentiële onderhandelingspartners aan de dag moet leggen; onderstreept dat grotere transparantie in het belang van alle onderhandelingspartners van de EU en belanghebbende partijen overal ter wereld is en de mondiale steun voor op regels gebaseerde handel kan versterken;

9.  brengt in herinnering dat het voor het wetgevingsproces van het gemeenschappelijk handelsbeleid belangrijk is om rekening te houden met de EU-statistieken overeenkomstig artikel 338, lid 2, VWEU en met effect- en duurzaamheidsbeoordelingen die beantwoorden aan de hoogste normen voor neutraliteit en betrouwbaarheid, een beginsel dat zou moeten gelden voor alle betreffende herzieningen in het kader van het beleid van de Commissie voor "betere regelgeving"; meent dat de handelsovereenkomsten van de EU door effectbeoordelingen per sector aan betrouwbaarheid en legitimiteit zouden winnen;

10.  benadrukt dat de Commissie het algemeen belang van de Unie moet bevorderen, dat zij geleid moet worden door leden die gekozen zijn op grond van hun capaciteiten en onafhankelijkheid, en dat de leden zich moeten onthouden van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt (artikel 17 VWEU); verwelkomt initiatieven voor meer transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit, waaronder de door de Commissie op 25 november 2014 goedgekeurde besluiten en de nieuwe impulsen voor het transparantieregister, dat verplicht en bindend moet zijn voor alle EU-instellingen, -lichamen, -bureaus en -agentschappen; juicht toe dat er verder wordt nagedacht over hoe het bestaande transparantieregister – het register van de EU-lobbyisten – kan worden verbeterd opdat het wetgevingsproces meer op feiten wordt gebaseerd en transparant wordt voor de burgers en de belanghebbenden; vraagt het Parlement in dit verband de coördinatie op zich te nemen van maatregelen met het oog op meer transparantie binnen de instellingen over de activiteiten van lobbygroepen, ngo's, vakbonden en andere belangengroepen;

11.  is ervan overtuigd dat transparantie, integriteit en ethisch verantwoord gedrag, verantwoordingsplicht en goed bestuur een inspiratiebron moeten zijn voor alle administratieve en politieke EU-initiatieven en erin geïntegreerd moeten worden, en is van oordeel dat meer engagement en interinstitutionele gecoördineerde werkzaamheden nodig zijn om strengere integriteitsnormen te bewerkstelligen, bijvoorbeeld de regel dat de Commissie geen richtsnoeren ter uitvoering van wetgeving mag uitvaardigen die tegen het standpunt van het Europees Parlement en de Raad ingaan;

12.  meent dat de geloofwaardigheid van de ethische opstelling van de EU uiteindelijk door de burgers zal worden getoetst aan de mate waarin haar politieke initiatieven stroken met haar interne bestuurlijke normen; looft in dit verband de interne EU-normen inzake corruptiebestrijding en de bescherming van klokkenluiders;

13.  is van mening dat het Parlement meer gericht moet samenwerken met het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman en het Bureau voor fraudebestrijding van de Commissie, zodat zij elkaar binnen het kader van hun bevoegdheden en verantwoordelijkheden uitvoerig verslag kunnen uitbrengen over de ontwikkeling van het gemeenschappelijk handelsbeleid.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.12.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Arena, David Borrelli, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Santiago Fisas Ayxelà, Karoline Graswander-Hainz, Ska Keller, Jude Kirton-Darling, Gabrielius Landsbergis, Bernd Lange, Emmanuel Maurel, Emma McClarkin, Artis Pabriks, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Viviane Reding, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Adam Szejnfeld, Hannu Takkula, Iuliu Winkler

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Klaus Buchner, Dita Charanzová, Nicola Danti, Sander Loones, Lola Sánchez Caldentey, Ramon Tremosa i Balcells, Marita Ulvskog, Wim van de Camp, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Edward Czesak, Eleonora Evi, Maurice Ponga, Dario Tamburrano, Derek Vaughan, Flavio Zanonato


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (2.12.2015)

aan de Commissie constitutionele zaken

Transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit in de EU-instellingen

(2015/2041(INI))

Rapporteur voor advies: Tamás Deutsch

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit van essentieel belang zijn en elkaar aanvullen om goed bestuur in de EU-instellingen te bevorderen en voor meer openheid te zorgen ten aanzien van de werking van de EU en haar besluitvormingsproces;

B.  overwegende dat het vertrouwen van de burgers in de EU-instellingen van fundamenteel belang is voor de democratie, goed bestuur en doeltreffende beleidsvorming;

C.  overwegende dat leemten in de verantwoordingsplicht binnen de EU moeten worden weggewerkt en dat werk moet worden gemaakt van toezichtmethoden die meer op samenwerking zijn gestoeld en waarbij democratisch toezicht, controles en auditactiviteiten worden gecombineerd, alsook meer transparantie wordt betracht;

D.  overwegende dat corruptie grote financiële gevolgen heeft en een ernstige bedreiging vormt voor de democratie, de rechtsstatelijkheid en overheidsinvesteringen;

E.  overwegende dat transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit als leidende principes moeten gelden voor de cultuur binnen de Europese instellingen;

1.  roept op tot een algehele verbetering van de preventie en bestrijding van corruptie in de overheidssector, en in het bijzonder binnen de EU-instellingen, door een holistische benadering, te beginnen bij betere toegankelijkheid van documenten voor het publiek en striktere regels voor belangenconflicten, ondersteuning van onderzoeksjournalisten en corruptiewaakhonden, invoering of versterking van transparantieregisters en beschikbaarstelling van voldoende middelen voor wetshandhavingsmaatregelen, alsook door verbeterde samenwerking tussen de lidstaten en betrokken derde landen;

2.  vraagt alle EU-instellingen hun procedures en vaste praktijken ter bescherming van de financiële belangen van de Unie te verstevigen en actief mee te werken aan een resultaatgerichte kwijtingsprocedure;

3.  onderstreept dat de integriteit moet worden vergroot en het ethische kader moet worden versterkt door beter invulling te geven aan gedragscodes en ethische beginselen, om zo een gedeelde, effectieve cultuur van integriteit voor alle instellingen en agentschappen van de EU te versterken;

4.  pleit voor de oprichting van een onafhankelijke structuur die moet toezien op de toepassing van verschillende gedragscodes en de bescherming van klokkenluiders, in overeenstemming met de hoogst mogelijke ethische beroepsnormen, in het kader van een verbetering van het verantwoordingskader voor de overheidssector en van de prestaties van de overheid dankzij betere bestuursbeginselen en -structuren op alle niveaus;

5.  betreurt dat de Raad nog steeds geen gedragscode heeft aangenomen; is van mening dat alle EU-instellingen het eens dienen te worden over een gemeenschappelijke gedragscode, die onmisbaar is voor de transparantie, de verantwoordelijkheid en de integriteit van deze instellingen; roept die EU-instellingen en -organen die nog geen gedragscode hebben dringend op om zo spoedig mogelijk alsnog een dergelijk document op te stellen;

6.  vraagt die EU-instellingen die een gedragscode hebben ingevoerd, waaronder het Parlement, de maatregelen ter uitvoering daarvan, zoals verificaties van de opgaven van financiële belangen, aan te scherpen;

7.  verlangt dat alle EU-instellingen invulling geven aan artikel 16 van het statuut van de ambtenaren, door elk jaar bekend te maken welke hogere EU-ambtenaren de dienst bij de EU hebben verlaten en een lijst van belangenconflicten te publiceren; vraagt dat de eerder genoemde onafhankelijke structuur beoordelingen verricht van de verenigbaarheid van de uitoefening van een nieuwe functie na de uitdiensttreding bij de EU of de situatie waarin ambtenaren en voormalige leden van het Europees Parlement van de overheidssector naar de privésector trekken (het "draaideurprobleem") en van mogelijke belangenconflicten, en dat zij duidelijke afkoelingsperiodes vaststelt, die ten minste de uitkeringsduur van overgangstoelages bestrijken, en gedurende welke ambtenaren en EP-leden zich integer en discreet moeten opstellen en zich aan bepaalde voorwaarden moeten houden als zij een nieuwe functie op zich nemen; vraagt dat de eerder genoemde structuur wordt samengesteld uit onafhankelijke, buiten de instelling aan te trekken experts, zodat zij de taak waarmee zij is belast in alle onafhankelijkheid kan uitvoeren;

8.  herinnert aan het algemene principe dat eenieder voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte vast is komen te staan;

9.  spoort de EU-instellingen en -organen aan het beleid inzake belangenconflicten meer onder de aandacht van hun ambtenaren te brengen, naast de lopende bewustmakingsactiviteiten en aanwijzing van integriteit en transparantie als verplicht te bespreken onderwerpen in aanwervingsprocedures en beoordelingsgesprekken; is van mening dat bij regelgeving inzake belangenconflicten onderscheid moet worden gemaakt tussen gekozen volksvertegenwoordigers en aangestelde ambtenaren; is van mening dat ook in de lidstaten dergelijke maatregelen nodig zijn ten aanzien van functionarissen en ambtenaren die bij het beheer en de controle van Europese subsidiegelden betrokken zijn; roept de Europese Commissie op een dienovereenkomstig ontwerp voor een rechtsgrondslag voor te leggen;

10.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om de transparantie te verhogen door haar systeem van deskundigengroepen te verbeteren, in het bijzonder wat de procedure voor de selectie van deskundigen betreft, aan de hand van een nieuw, nog te ontwikkelen beleid inzake belangenconflicten voor deskundigen die op persoonlijke titel worden benoemd, waarmee het Parlement in staat wordt gesteld om rechtstreekse controle uit te oefenen op dergelijke benoemingen; neemt nota van de verplichting om deskundigen indien nodig te registeren in het transparantieregister; vraagt de Commissie echter dringend om, wanneer zij wijzigingen aanbrengt in de huidige horizontale regels inzake deskundigengroepen, met als doel om tot een meer systematische en transparante benadering te komen, zowel de aanbevelingen van de Europese Ombudsman omtrent de samenstelling van de deskundigengroepen ter harte te nemen als de bevindingen van de studie "Samenstelling van de deskundigengroepen van de Commissie en stand van zaken van het register van deskundigengroepen"; verlangt dat de Commissie een dialoog met het Parlement aangaat voordat deze regels formeel worden vastgesteld, vooral met het oog op het komende verslag van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie juridische zaken over deze kwestie; spoort de Europese agentschappen aan om zich op hervormingen in diezelfde zin te beraden;

11.  is van mening dat verdere stappen moeten worden ondernomen om ethische kwesties met betrekking tot de politieke rol van lobby's, hun praktijken en hun invloed aan te pakken en om maatregelen te stimuleren om de integriteit te vrijwaren, om zo de transparantie van lobbyactiviteiten te vergroten; stelt voor een gemeenschappelijk reglement voor alle EU-instellingen uit te vaardigen, waarin de modaliteiten en voorwaarden worden vastgelegd voor het verrichten van lobbyactiviteiten binnen de instellingen;

12.  is van mening dat de transparantie moet worden verhoogd door een wetgevende voetafdruk te creëren voor lobbyen in de EU; dringt aan op het indienen van een voorstel om het mogelijk te maken dat alle documenten die de respectieve stappen in het wetgevingsproces bestrijken, openbaar worden gemaakt, en waarin wordt aangegeven dat vóór het einde van het jaar 2015 definitief de overstap moet zijn gemaakt van een vrijwillig naar een verplicht EU-register voor alle lobbyactiviteiten voor elk van de EU-instellingen;

13.  roept de Raad op zich aan te sluiten bij het EU-transparantieregister;

14.  is in dit verband van mening dat een verplicht EU-register duidelijke bepalingen dient te omvatten inzake het soort informatie dat moet worden geregistreerd, dat wil zeggen, nauwkeurige en regelmatig bijgewerkte informatie over de aard van de lobby- of wettelijke activiteiten, naast gedetailleerde gegevens van contactpersonen en input voor de wetgeving en de beleidsvorming van de EU; is van mening dat onder toezicht van het Parlement een reeks sancties op misbruik moet worden uitgewerkt; vraagt de Commissie om zonder verder uitstel met voorstellen te komen voor een verplicht register;

15.  vraagt alle EU-instellingen die dit nog niet hebben gedaan om spoedig interne regels voor klokkenluiders vast te stellen en een gemeenschappelijke benadering van hun verplichtingen te gaan hanteren, met bijzondere aandacht voor de bescherming van klokkenluiders; vraagt in het kader van de richtlijn inzake de bescherming van bedrijfsgeheimen om speciale aandacht voor de bescherming van klokkenluiders; verzoekt de Commissie werk te maken van wetgeving met betrekking tot een minimaal beschermingsniveau voor klokkenluiders in de EU; verzoekt de instellingen het statuut van de ambtenaren zodanig te wijzigen dat het niet alleen ambtenaren formeel verplicht tot het melden van onregelmatigheden van welke vorm dan ook, maar ook adequate bescherming biedt aan klokkenluiders; vraagt de instellingen om onverwijld invulling te geven aan artikel 22, onder c), van het statuut van de ambtenaren;

16.  verzoekt de EU-instellingen en -organen om de maatregelen ten aanzien van discretie en uitsluiting met betrekking tot openbare aanbestedingen strikt toe te passen, waarbij telkens een grondig achtergrondonderzoek dient te worden verricht, en om de uitsluitingscriteria toe te passen voor het weren van ondernemingen in het geval van belangenconflicten, aangezien dit van essentieel belang is om de financiële belangen van de EU te beschermen;

17.  is van mening dat de kwijtingsprocedure een belangrijk instrument van democratische verantwoordingsplicht ten opzichte van de burgers van de Unie vormt; herinnert aan de problemen die tot nu toe telkens weer opdoken in de kwijtingsprocedures en die veroorzaakt werden door een gebrek aan medewerking van de Raad; wijst er nadrukkelijk op dat een effectieve uitvoering van de begrotingscontrole en de democratische verantwoordingsplicht van de betrokken instelling de medewerking van het Parlement en de Raad vereisen;

18.  stelt met nadruk dat de Raad net als de andere instellingen verantwoordingsplichtig en transparant moet zijn;

19.  stelt dat de jaarverslagen van de EU-instellingen een belangrijke rol zouden kunnen vervullen bij de normnaleving op de punten van transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit; vraagt de EU-instellingen standaard een hoofdstuk van hun jaarverslag aan deze punten te wijden;

20.  is van mening dat het eerste tweejaarlijkse corruptiebestrijdingsverslag van de Commissie een veelbelovende poging is om meer inzicht te krijgen in corruptie in al haar dimensies, om doeltreffende manieren te ontwikkelen om het probleem aan te pakken en om het pad te effenen voor meer verantwoordelijkheid van de overheid tegenover de burgers van de EU; bevestigt in dit verband nogmaals het belang van het nultolerantiebeleid van de EU inzake fraude, corruptie en collusie; vindt het niettemin betreurenswaardig dat in het verslag geen enkele aandacht wordt besteed aan het anti-corruptiebeleid van de EU-instellingen zelf;

21.  merkt op dat corruptie een erg complex fenomeen met meerdere facetten is dat de democratie en de rechtsstatelijkheid ondermijnt en de economie, de geloofwaardigheid en de reputatie van de EU hindert en schaadt (in het bijzonder via verhullingspraktijken en druk om af te wijken van de oorspronkelijke beleidsdoelstellingen of om op een bepaalde manier te handelen);

22.  vraagt de Commissie om, op zijn laatst in haar tweede corruptiebestrijdingsverslag, meer analyses te verrichten van het klimaat waarbinnen beleid wordt uitgevoerd, zowel in de EU-instellingen als in de lidstaten, om inherente kritieke factoren, kwetsbare domeinen en risicofactoren die tot corruptie kunnen leiden te identificeren;

23.  verlangt dat de Commissie in dit opzicht bijzondere aandacht schenkt aan vermijding van belangenconflicten en corruptiepraktijken bij gedecentraliseerde agentschappen, die immers bijzonder kwetsbaar zijn doordat dat zij bij het publiek relatief onbekend zijn en ook nog verspreid over de gehele EU zijn gevestigd;

24.  herhaalt zijn verzoek(1) aan de Commissie om aan het Parlement en de Raad om de twee jaar verslag uit te brengen over de invulling die de EU-instellingen aan hun interne anti-corruptiebeleid geven en ziet ernaar uit om begin 2016 het tweede verslag te lezen; verzoekt de Commissie een hoofdstuk toe te voegen over de prestaties van de EU-instellingen op het gebied van corruptiebestrijding en is voorts van mening dat alle toekomstige corruptiebestrijdingsverslagen van de Commissie ook betrekking moeten hebben op alle EU-instellingen;

25.  is van mening dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in belangrijke mate bijdraagt tot de bestrijding van corruptie en acht het dan ook van het grootste belang dat deze instelling effectief en onafhankelijk te werk kan gaan; beveelt aan om het Comité van toezicht van OLAF in overeenstemming met de OLAF-verordening niet alleen toegang te geven tot de informatie die nodig is voor een goede uitvoering van haar mandaat om toezicht te houden op de activiteiten van OLAF, maar ook van budgettaire onafhankelijkheid te verzekeren;

26.  verzoekt de EU om zo spoedig mogelijk het lidmaatschap aan te vragen van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) van de Raad van Europa, en het Parlement voortdurend op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot dit toetredingsverzoek;

27.  vraagt de Commissie om zonder uitstel te voldoen aan haar rapportageverplichtingen uit hoofde van het VN-Verdrag tegen corruptie;

28.  pleit voor een versterkte samenwerking tussen de lidstaten met het oog op de uitwisseling van kennis en goede praktijken, het versterken van internationale overeenkomsten inzake justitiële en politiële samenwerking en het samenbrengen van de EU, de Verenigde Naties, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en de Raad van Europa om gecoördineerde maatregelen ter bestrijding van corruptie te formuleren;

29.  erkent de belangrijke rol die Europol en Eurojust spelen bij het tegengaan van georganiseerde misdaad, waaronder corruptie; meent dat deze agentschappen extra bevoegdheden moeten krijgen om op dit gebied te kunnen optreden, met name als het gaat om transnationale situaties; beveelt aan het Europees Openbaar Ministerie (EPPO) een mandaat te geven dat georganiseerde misdaad bestrijkt, inclusief corruptiebestrijding; wijst erop dat de taken en verantwoordelijkheden van het EPPO verder moeten worden verduidelijkt om eventuele overlap met de werkzaamheden van nationale autoriteiten te vermijden;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.12.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Inés Ayala Sender, Ryszard Czarnecki, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, Bogusław Liberadzki, Verónica Lope Fontagné, Monica Macovei, Georgi Pirinski, Claudia Schmidt, Igor Šoltes, Marco Valli, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Benedek Jávor, Marian-Jean Marinescu, Julia Pitera, Miroslav Poche, Patricija Šulin

(1)

Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2015 over het jaarverslag 2013 over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0062).


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (8.12.2015)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit in de EU-instellingen

(2015/2041(INI))

Rapporteur voor advies: Nessa Childers

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

Algemene aspecten

1.  herinnert aan zijn resolutie van 22 oktober 2014 betreffende het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, en houdt vast aan de noodzaak van een juridisch bindend kader ter vervanging van de mededeling "Kader voor deskundigengroepen van de Commissie: horizontale voorschriften en openbaar register"(1), om te komen tot een volledige en consistente uitvoering van de geldende regels in alle directoraten-generaal van de Commissie;

2.  wijst erop dat de algemene doelstelling in het onderzoeksbeleid van de EU om publiek-private partnerschappen tussen bedrijfsleven en universitaire wereld tot stand te brengen in strijd is met de behoefte van toezichthouders in de EU aan onafhankelijk onderzoek met betrekking tot industriële producten; verzoekt de Commissie op zoek te gaan naar systematische waarborgen om belangenconflicten op het gebied van beleidshandhaving en de regulering van industriële producten te voorkomen;

3.  verzoekt de Commissie iets te doen aan het huidige structurele belangenconflict bij de risicobeoordeling van overheidswege van gereguleerde producten, namelijk de situatie waarin de beoordeling van deze producten grotendeels of volledig op studies berust die de aanvragers zelf of door hen betaalde derden hebben uitgevoerd, terwijl onafhankelijk onderzoek maar al te vaak wordt veronachtzaamd of terzijde wordt geschoven; houdt eraan vast dat producenten nog wel studies moeten blijven aanleveren, waarbij de kosten eerlijkheidshalve tussen grote ondernemingen en kmo's naargelang hun relatief marktaandeel moeten worden verdeeld, maar dat alle beoordelaars moeten worden verplicht ook intercollegiaal getoetst, onafhankelijk onderzoek volledig in hun beoordeling te betrekken;

4.  is verheugd over investeringen vanuit de particuliere sector in onderzoek en ontwikkeling; herinnert eraan dat de meeste deskundigen hebben deelgenomen aan onderzoeksprojecten die door de particuliere sector werden gefinancierd; herinnert er ook aan dat deskundigheid een schaars goed is dat niet ontoegankelijk mag worden gemaakt voor deskundigengroepen;

Internationale kwesties

5.  verzoekt de Commissie om tijdig openbare sollicitatieoproepen uit te vaardigen en te verspreiden voor de selectie van alle leden van deskundigengroepen, om registratie in het transparantieregister als voorwaarde te stellen, om naleving van de OESO-richtlijnen inzake de omgang met belangenconflicten in de openbare dienst te waarborgen en om zorgvuldigheid in de jaarlijkse screening ervan aan de dag te leggen;

6.  spoort de Commissie aan het voorbeeld te volgen van het Internationaal Agentschap voor onderzoek naar kanker van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), door de status van "specialisten op uitnodiging" in te voeren om zo gebruik te kunnen maken van externe deskundigheid, en tegelijkertijd organen met reële, potentiële of schijnbare belangenconflicten uit te sluiten van de prerogatieven van de leden van deskundigengroepen om te stemmen en verslagen op te stellen;

7.  dringt er bij alle relevante EU-instellingen op aan om gevolg te geven aan artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, waarin is vastgesteld dat de verdragsluitende partijen erop zullen toezien dat het tabaksontmoedigingsbeleid niet wordt beïnvloed door commerciële en andere gevestigde belangen van de tabaksindustrie, in overeenstemming met de aanbevelingen die in de desbetreffende richtsnoeren vervat zijn; dringt er bij de Commissie op aan een beoordeling van de met Philip Morris International gesloten overeenkomst (PMI-overeenkomst) en de overeenkomsten met andere tabaksfabrikanten, alsook een effectbeoordeling met betrekking tot de uitvoering van het bovengenoemde Kaderverdrag openbaar te maken; is teleurgesteld over de onlangs openbaar gemaakte, maar zwaar gecensureerde e-mailwisseling tussen de Europese Commissie en de sigarettenfabrikant British American Tobacco;

8.  is ervan overtuigd dat de onderhandelingen over de PMI-overeenkomst niet mogen worden afgerond voordat er een openbaar en transparant debat heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de publicatie van een beoordeling van de PMI-overeenkomst; verzoekt de Commissie op zoek te gaan naar bestaande alternatieven;

9.  is van mening dat een hernieuwde antismokkel- en antinamaakovereenkomst met de sigarettenindustrie geen geschikt instrument is voor het aanpakken van de illegale handel in sigaretten, zolang de langverwachte effectbeoordeling door de Commissie uitblijft, met name in het licht van artikel 15 van de tabaksproductenrichtlijn en het WHO-Protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten, aangenomen door de partijen bij het WHO-Kaderverdrag;

10.  onderstreept dat er een tracerings- en opsporingssysteem voor de namaak van sigaretten nodig is dat onafhankelijk werkt van de sigarettenindustrie, in overeenstemming met artikel 8.2 van het WHO-Protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten, met name omdat in beslag genomen smokkelwaar nooit aan onafhankelijk laboratoriumonderzoek wordt onderworpen en de industrie er vanouds belang bij heeft dat in beslag genomen waar wordt beschouwd als namaak zoals bedoeld in de antismokkel- en antinamaakovereenkomst, met het daaruit voortvloeiende verlies aan douane-inkomsten voor de EU;

De kwestie van lobbying

11.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het publiek toegang krijgt tot informatie over lobbyactiviteiten met het oog op een grotere transparantie en op de integriteit van het besluitvormingsproces binnen de EU-instellingen; is van oordeel dat toegang van het publiek tot informatie over lobbyactiviteiten een elementair recht van de EU-burger is en noodzakelijk is voor een correcte toepassing van de democratie;

12.  verzoekt de EU-instellingen en hun personeel, alsook de agentschappen, om geen niet-geregistreerde lobbyisten meer uit te nodigen voor hoorzittingen en andere officiële evenementen; dringt erop aan dergelijke bepalingen ook te laten gelden voor het TTIP-onderhandelingsteam van de Commissie;

13.  verzoekt de EU-instellingen een voor het publiek toegankelijke website op te zetten met alle schriftelijke standpuntverklaringen die belanghebbende partijen hebben ingediend, waarbij voor geregistreerde lobbyisten de verplichting geldt om van elke schriftelijke standpuntverklaring die zij aan leden of personeel van de instellingen doen toekomen gelijktijdig een kopie op deze site te plaatsen;

EU-aangelegenheden

14.  is van mening dat het in tijden van groeiend euroscepticisme van cruciaal belang is bij het publiek meer vertrouwen in de EU-instellingen en de mensen die er aan het hoofd staan te creëren, en dat een sterke inzet voor transparantie, waarbij de integriteit van de instellingen gewaarborgd wordt en corruptie bestreden wordt, van het allergrootste belang is;

15.  herinnert eraan dat uit een Eurobarometer-enquête van 2014 is gebleken dat 70 % van het publiek in de EU denkt dat er corruptie binnen de EU-instellingen voorkomt en verzoekt de EU-instellingen daarom snel iets te doen aan dit gebrek aan vertrouwen bij het publiek;

16.  verzoekt de Commissie in het bijzonder om een herziening van haar mededeling van 2002 over algemene beginselen en normen voor raadpleging van betrokken partijen(2);

17.  verzoekt de voorzitter van de Commissie om de nieuwe transparantiemaatregelen voor commissarissen en directeuren-generaal uit te breiden naar andere hogere EU-ambtenaren die in hoge mate bij het wetgevingsproces betrokken zijn en regelmatig met belanghebbenden in contact komen, zoals afdelingshoofden;

18.  wijst erop dat individuen volgens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht hebben op toegang tot overheidsdocumenten en hekelt dat een van de grootste problemen rond de transparantie van de EU-instellingen nu juist is dat de toegang tot documenten en informatie door die instellingen zelf regelmatig wordt geweigerd;

19.  verzoekt de Commissie om concrete stappen te zetten voor het tot stand brengen van een kader voor een beter bestuur en een uitdrukkelijke vertegenwoordiging van de toekomstige generaties, zodat hun rechten beter worden geïntegreerd in de besluit- en beleidsvorming op Europees niveau, en om met het oog hierop na te gaan wat de mogelijkheden zijn wat wetgevende handelingen, en institutionele en administratieve afspraken betreft;

20.  onderstreept dat de Commissie meer integriteit moet betrachten in haar omgang met wetenschappelijk advies, in het bijzonder door geen politiek evenwicht na te streven, maar af te gaan op de meest betrouwbare en gezaghebbende informatie die voorhanden is;

21.  verzoekt de Commissie om de toegang tot informatie eenvoudiger te maken en grotere transparantie te waarborgen bij de toepassing van de uitzonderingsvoorschriften die zijn vastgelegd in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001;

22.  is een groot voorstander van een afkoelingsperiode van vijf jaar voor commerciële belangen als een vereiste voor kandidaat-deskundigen om als gewoon lid deel te nemen aan wetenschappelijke panels die belast zijn met het opstellen van verslagen of het nemen van besluiten;

23.  is verheugd over het besluit van de Commissie om haar leden te verplichten informatie openbaar te maken omtrent besprekingen die zij en hun kabinetsmedewerkers voeren met organisaties of zelfstandigen over aangelegenheden die verband houden met de vorming en uitvoering van EU-beleid;

24.  verzoekt de Commissie de toegang te waarborgen tot documenten en informatie met betrekking tot de ingebrekestelling van en inbreukprocedures tegen lidstaten, en met betrekking tot de uitvoering van de arresten van het Hof van Justitie;

25.  erkent en waardeert de inspanningen van de Commissie voor een grotere transparantie rond de TTIP-onderhandelingen en verzoekt de Commissie om deze inspanningen nog op te voeren en alle leden van het Europees Parlement gemakkelijke toegang tot de onderhandelingsteksten te geven;

26.  doet een dringende oproep aan de vicevoorzitter van de Commissie die verantwoordelijk is voor betere regelgeving, interinstitutionele betrekkingen, de rechtsstaat, en het Handvest van de grondrechten, om zich aan zijn belofte te houden en onverwijld met voorstellen te komen voor de invoering van een interinstitutionele overeenkomst betreffende een verplicht transparantieregister, dat passende sanctieregelingen bevat voor organisaties die de regels niet naleven; richt zich tot de Raad in zijn hoedanigheid als medewetgever van de Unie om het transparantieregister na te leven;

Deskundigheid

27.  oppert de suggestie dat voorafgaande registratie van wetenschappelijke studies en proeven, met vermelding van hun onderzoeksterrein en de verwachte datum van voltooiing, als voorwaarde kan worden gesteld om die studies in het regelgevings- en beleidsvormingsproces te laten meewegen, als manier om het probleem van het selectief weglaten van ongunstige onderzoeksresultaten aan te pakken;

28.  is bezorgd, vanuit zijn rol als beschermer van de integriteit van de openbare besluitvorming, over bepaalde misleidende methoden om economische belangen in deskundigengroepen te registreren, waarbij het aantal van dergelijke belangen zowel in absolute als in relatieve termen verkeerd wordt voorgesteld, alsook over het verstoorde evenwicht ten opzichte van niet-economische of politieke belangen;

29.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat raadplegingen open vragen bevatten die tot wezenlijke beleidsdiscussies leiden in plaats van enkel uit te nodigen tot bevestiging van reeds gekozen beleidsrichtingen of -opties; verzoekt de Commissie een evenwichtige deelname aan de raadplegingen te waarborgen, waarbij de diversiteit van de belanghebbende partijen wordt weerspiegeld;

30.  is van mening dat voor een feitelijk evenwichtige deelname bijzondere inspanningen nodig zijn bij de publicatie van de sollicitatieoproepen, zodat de benodigde deskundigheid uit verschillende sectoren wordt bereikt, zowel uit de wetenschappelijke wereld als uit het maatschappelijk middenveld;

31.  is verheugd over de aankondiging van de Commissie dat de classificatie van leden van deskundigengroepen in het register van deskundigengroepen zal worden herzien; meent dat bij de herziening van het register dezelfde categorieën van leden moeten worden gebruikt als in het transparantieregister;

32.  verzoekt de Commissie juridisch bindende maatregelen en sancties vast te stellen om ervoor te zorgen dat het lidmaatschap van deskundigengroepen en gelijkaardige organen die haar van advies dienen op een accurate en consistente manier wordt uitgebalanceerd, aan de hand van het deskundigheidsniveau van de deelnemers en hun actuele ervaring met de behandelde materie, en wordt ingedeeld volgens de aard van de belangen die de leden vertegenwoordigen, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Europese Ombudsman in het kader van onderzoek op eigen initiatief OI/6/2014/NF;

33.  is van mening dat de algehele mate van openbaarheid rond de werkzaamheden en beraadslagingen van deskundigengroepen tekortschiet; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat er meer gedetailleerde informatie beschikbaar wordt gemaakt, tijdig en in gebundelde vorm, met name wat subgroepen betreft; dringt er bij de Commissie op aan de belangenverklaringen van deskundigen en de notulen van deskundigengroepsvergaderingen op haar website openbaar te maken;

34.  is verheugd over de toezegging van de Commissie om nieuwe bepalingen in te voeren omtrent belangenconflicten bij mensen die in hun persoonlijke hoedanigheid in een deskundigengroep zijn benoemd; onderstreept dat alle deskundigen een belangenverklaring moeten indienen die in het register van deskundigengroepen wordt gepubliceerd;

35.  verzoekt de Commissie toe te zien op de onafhankelijkheid van deskundigen tijdens de gehele duur van hun taakvervulling, aangezien in de loop van die periode nieuwe economische belangen kunnen rijzen;

36.  erkent dat deskundigengroepen toegang moeten krijgen tot de best verkrijgbare wetenschappelijke deskundigheid;

37.  is van mening dat wanneer uiterst specifieke technische deskundigheid wordt gezocht dit geen geldige reden vormt om van een sollicitatieoproep af te zien;

Agentschappen

38.  wijst erop dat er onafhankelijke deskundigen nodig zijn in de EU-agentschappen en dat het wegnemen van belangenconflicten binnen het bestuur van die agentschappen meer gewicht moet krijgen;

39.  beklemtoont dat de agentschappen hun beslissingen moeten baseren op de beste beschikbare gegevens; herinnert eraan dat wetenschappelijke accuratesse wordt gewaarborgd door intercollegiale toetsing en de transparantie en reproduceerbaarheid van de resultaten;

40.  benadrukt, in het belang van betrouwbaar en onafhankelijk wetenschappelijk advies voor de beleidsvorming, hoe cruciaal het is afdoende middelen uit te trekken voor de ontwikkeling van eigen deskundigheid binnen de gespecialiseerde EU-agentschappen, met daarbij de gelegenheid om publiceerbaar onderzoek en publiceerbare proeven te verrichten, wat een overheidsfunctie voor advies inzake regelgeving aantrekkelijker kan maken zonder dat het de academische loopbaan van wetenschappers hoeft te verstoren;

41. staat erop dat alle gegevens die een agentschap gebruikt om tot gelijk welke wetenschappelijke conclusie te komen in machinaal leesbaar formaat worden gepubliceerd, zodat wetenschappelijke toetsing en voortdurende ontwikkeling mogelijk worden gemaakt; houdt eraan vast dat de persoonlijke levenssfeer weliswaar moet worden gerespecteerd, maar dat commerciële vertrouwelijkheidsclausules en wetgeving inzake bedrijfsgeheimen de openbaarmaking van gegevens niet in de weg mogen staan; verzoekt de Commissie om er nauw op toe te zien dat de openbaarmaking van gegevens correct wordt uitgevoerd;

42.  verzoekt de EU-instellingen om ervoor te zorgen dat de agentschappen de nodige middelen krijgen om hun taken te kunnen vervullen; herinnert eraan dat deskundigen bij een aantal agentschappen op dit moment niet voor hun werk worden betaald, in weerwil van het strategisch belang van hun bijdragen aan de volksgezondheid en een gezond milieu;

43.  onderstreept dat het voor de screening op mogelijke belangenconflicten, wat de EU-agentschappen betreft, niet volstaat om zich te verlaten op de zelfbeoordeling van mogelijke toekomstige leden van wetenschappelijke panels en comités; spoort de EU-agentschappen ertoe aan een systeem van proactieve controles in te voeren;

44.  onderstreept dat het Europees agentschap voor geneesmiddelen (EMA) een maximale transparantie moet waarborgen wat de toegang tot klinische verslagen betreft, en is ingenomen met het besluit van dit agentschap om proactief over te gaan tot publicatie van de verslagen van klinische proeven die de beslissingen over de toelating van afzonderlijke geneesmiddelen onderbouwen;

45.  dringt er bij de EU-agentschappen op aan zich te blijven inzetten voor de toepassing van strikte criteria en procedures om te waarborgen dat hun wetenschappelijke panels onafhankelijk zijn van de door hen behandelde economische en niet-economische sectoren en van de invloed van politici die een specifieke agenda hebben met betrekking tot de materie in kwestie, teneinde belangenconflicten op een correcte manier te voorkomen, met een bijzondere nadruk op de mogelijkheid om een status van "specialisten op uitnodiging" te gebruiken en op die manier bijdragen te kunnen krijgen van deskundigen die banden hebben met gereglementeerde sectoren maar uitgesloten worden van het opstellen van verslagen of een rol in de besluitvorming bij wetenschappelijk advies;

Kwesties die het Europees Parlement aanbelangen

46.  prijst zijn eigen onderzoeksdienst voor de hoge kwaliteit van zijn werk; wijst erop dat deze dienst meer middelen nodig heeft, en dat haar administratieve onafhankelijkheid ten dienste van het algemeen belang gewaarborgd moet blijven;

47.  neemt zich voor na te denken over de oprichting van een open en doorzoekbare databank met de belangenverklaringen van de leden van het Europees Parlement, om een grotere transparantie en toetsing door het maatschappelijk middenveld mogelijk te maken;

48.  verzoekt de EU-instellingen om maatregelen te treffen ter invoering of verbetering van de praktijk van minimale "afkoelperioden" voor hogere EU-ambtenaren en EP-leden, die in werking treden vooraleer voormalige ambtenaren of gekozen vertegenwoordigers in aanmerking komen voor een lobbyistenfunctie die belangenconflicten kan veroorzaken of zo gepercipieerd kan worden, teneinde "draaideurconstructies" te voorkomen; dringt in afwachting daarvan aan op de bekendmaking van de namen van voormalige hogere EU-ambtenaren of EP-leden die de instellingen hebben verlaten en voor particuliere belangen werken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.12.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

68

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Jørn Dohrmann, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Susanne Melior, Massimo Paolucci, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Pavel Poc, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Tibor Szanyi, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Nils Torvalds, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Guillaume Balas, Renata Briano, Nicola Caputo, Mark Demesmaeker, Christofer Fjellner, Luke Ming Flanagan, Krzysztof Hetman, Merja Kyllönen, Gesine Meissner, József Nagy, James Nicholson, Alojz Peterle, Bart Staes, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Marie-Christine Boutonnet, Anja Hazekamp, Jiří Maštálka

(1)

Mededeling C(2010) 7649 final, 10.11.2010.

(2)

COM(2002) 704 definitief, 11.12.2002.


ADVIES van de Commissie juridische zaken (5.2.2016)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake transparantie, controleerbaarheid en integriteit binnen de EU-instellingen

(2015/2041(INI))

Rapporteur voor advies: Pavel Svoboda

SUGGESTIES

De Commissie juridische zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat versterking van de legitimiteit, controleerbaarheid en doeltreffendheid van de EU-instellingen en vergroting van het vertrouwen onder EU-burgers essentieel zijn, en is van oordeel dat regels inzake behoorlijk bestuur binnen de EU uiterst belangrijk zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken en dat de EU moet zorgen voor snelle, duidelijke en zichtbare antwoorden in reactie op de zorgen van de burgers;

2.  benadrukt dat het recht op behoorlijk bestuur, dat het recht van eenieder behelst dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld, weliswaar is neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat ook het recht omvat van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, het recht van eenieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim en de plicht van de betrokken diensten om hun beslissingen met redenen te omkleden, maar dat het ontbreken van een samenhangend en omvattend stelsel van gecodificeerd bestuursrecht ervoor zorgt dat het voor burgers moeilijk is om inzicht te krijgen in hun administratieve rechten uit hoofde van het EU-recht, waardoor zij geen vlotte toegang hebben tot die rechten en daarvan niet ten volle gebruik kunnen maken; is van oordeel dat transparantie onontbeerlijk is om het inzicht van de burgers in EU-besluitvorming te vergroten en het vertrouwen van de burgers in de EU-instellingen te verbeteren;

3.  verwacht dat een Europese wet bestuursprocesrecht die van toepassing is op de EU-instellingen, organen en instanties van de Unie bij hun contacten met het publiek zal bijdragen aan een hoog niveau van transparantie en controleerbaarheid, het vertrouwen van de burgers in een open, doeltreffend en transparant EU-bestuur dat hun rechten eerbiedigt zal doen toenemen, en hun procedurele rechten ten opzichte van de EU-instellingen zal verbeteren;

4.  herinnert in dit verband aan het feit dat het Parlement in zijn resolutie van 15 januari 2013, die met een overweldigende meerderheid werd aangenomen, heeft aangedrongen op de vaststelling van een EU-verordening houdende een Europese wet bestuursprocesrecht; betreurt dat de Commissie op dit punt nog geen stappen heeft gezet; verzoekt de Commissie wederom om op basis van artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin wordt aangedrongen op openheid, doeltreffendheid en onafhankelijkheid, en op basis van de algemene beginselen van het EU-recht, zoals neergelegd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie, een voorstel in te dienen voor duidelijke en bindende voorschriften voor EU-bestuur; herinnert eraan dat in de artikelen 10, lid 3, en 11, lid 2, VEU en in artikel 15 VWEU is bepaald dat transparantie het democratisch fundament van de Europese Unie vormt;

5.  is van oordeel dat het Parlement en de Raad een hogere mate van transparantie moeten betrachten, met name in het kader van trialogen en bemiddelingsprocedures; benadrukt nogmaals dat de transparantie van wetgevingsonderhandelingen moet worden verbeterd en wijst erop dat het belangrijk is dat er na iedere trialoog verslag wordt uitgebracht van de voortgang van de onderhandelingen en dat ervoor gezorgd wordt dat het onderhandelingsteam van het Parlement het mandaat heeft van de voltallige vergadering, teneinde de transparantie in de fase van de eerste lezing, die meestal binnen trialogen plaatsvindt, te verbeteren;

6.  is van oordeel dat duidelijke en doeltreffende mechanismen ter voorkoming en voor de beheersing van belangenconflicten binnen EU-instellingen en adviesorganen voorwaarde zijn voor een proactieve cultuur van transparantie die de rechtsstaat bevordert; betreurt in dit verband dat er geen gemeenschappelijke gedragscode is voor de Europese Raad, waardoor het moeilijk is om te beoordelen of de integriteit gewaarborgd is en eventueel wangedrag wordt bestraft, en verzoekt de Europese Raad omvattende integriteitsvoorschriften in te voeren voor zijn voorzitter en voor het kabinet van zijn voorzitter; verzoekt de Raad zijn beleid inzake de toegang tot documenten te herzien en in overeenstemming te brengen met de desbetreffende bepaling van het Handvest van de grondrechten;

7.  wijst nogmaals op het belang van toegang tot documenten en dringt daarom aan op een ambitieuze herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en betreurt de impasse in de Raad met betrekking tot deze herziening; wijst op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en met name op de arresten in gevoegde zaken C-39/05 P en C-52/05 P, waarin het Hof aangeeft dat bij de beoordeling van de voorwaarden voor openbaarmaking van documenten in het kader van wetgevingsprocedures onderscheid moet worden gemaakt tussen documenten met betrekking tot administratieve procedures en documenten met betrekking tot het wetgevingsproces; herinnert eraan dat als toegang tot documenten wordt verleend, de regels inzake gegevensbescherming geëerbiedigd moeten worden;

8.  benadrukt dat in het kader van de inspanningen gericht op het verbeteren van de transparantie binnen de EU-instellingen ook een herziening moet plaatsvinden van de gedragscode voor de leden van het Europees Parlement; is van oordeel dat bij deze herziening in ieder geval een verbod moet worden ingevoerd op de uitoefening door EP-leden van nevenactiviteiten die duidelijk leiden tot een belangenconflict; is voorts van oordeel dat bepaald moet worden dat personeelsleden die werkzaam zijn voor leden van het Parlement geen betalingen mogen ontvangen van vertegenwoordigers van belangengroeperingen, dit om belangenconflicten te voorkomen;

9.  betreurt dat er geen onderzoek wordt gedaan naar de integriteit en/of financiële belangen van de nationale vertegenwoordigers bij, en van het voorzitterschap van, de Raad van de Europese Unie, en verzoekt de Raad een specifieke gedragscode in te voeren, waarin ook sancties zijn opgenomen, voor de aanpak van de specifieke risico's die samenhangen met de leden van nationale delegaties;

10.  verzoekt de Raad voorts om omvattende gedragscodes goed te keuren voor de leden van de twee adviesorganen van de EU, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité, en in deze gedragscodes bepalingen op te nemen inzake belangenconflicten en inzake doeltreffende instrumenten ter voorkoming en bestraffing van onbehoorlijk gedrag;

11.  verzoekt de EU-agentschappen richtsnoeren vast te stellen voor een coherent beleid inzake de voorkoming van en de omgang met belangenconflicten bij leden van raden van bestuur, directeuren, deskundigen in wetenschappelijke comités en leden van raden van beroep, en een helder beleid vast te stellen en ten uitvoer te leggen inzake belangenconflicten, conform de routekaart van de Commissie voor de follow-up van de gemeenschappelijke aanpak van gedecentraliseerde EU-agentschappen;

12.  pleit ervoor dat de Commissie juridische zaken van het Europees Parlement niet alleen een formeel, maar ook een materieel onderzoek verricht inzake de opgave van financiële belangen van kandidaat-commissarissen, zodat eventuele belangenconflicten kunnen worden voorkomen; is verheugd over het feit dat de Europese Ombudsman de Commissie heeft verzocht om haar besluitvormingsprocedure inzake "draaideurwerknemers" te verbeteren, om de kans op belangenverstrengeling te verkleinen; dringt meer bepaald aan op volledige tenuitvoerlegging van artikel 16 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie; herinnert eraan dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 8 september 2015 over de procedures en praktijken met betrekking tot de hoorzittingen met de commissarissen, conclusies over de procedure van 2014(1), heeft aangegeven van oordeel te zijn "dat een bevestiging door de Commissie juridische zaken dat er geen sprake is van belangenconflicten, op basis van een grondige analyse van de opgave van financiële belangen, een absolute voorwaarde is voor het houden van de hoorzitting door de bevoegde commissie" (paragraaf 4), en het belangrijk te achten "dat de Commissie juridische zaken [...] richtsnoeren bekendmaakt, in de vorm van een aanbeveling of een initiatiefverslag, om het proces inzake de hervorming van de procedures betreffende de belangenverklaringen van de commissarissen te vereenvoudigen" (paragraaf 13);

13.  is ervan overtuigd dat het van wezenlijk belang is dat de Commissie, de Raad en het Parlement in onderlinge samenwerking een verplicht transparantieregister invoeren met betrekking tot de contacten met vertegenwoordigers van belangengroeperingen, teneinde een zeker minimumniveau aan transparantie ter zake van wetgeving te waarborgen;

14.  is ten slotte van oordeel dat een doeltreffende bescherming van klokkenluiders zou bijdragen aan zowel het openbaar belang als de democratische controleerbaarheid van de Europese instellingen; dringt er bij de Commissie op aan een wetgevingskader te ontwikkelen voor klokkenluiders, waarmee wordt beoogd de identiteit van klokkenluiders geheim te houden en klokkenluiders te beschermen tegen eventuele represailles; herinnert aan het verzoek van het Parlement aan de Commissie om onderzoek te doen naar de mogelijkheden om een Europees programma voor de bescherming van klokkenluiders vast te stellen, en is ingenomen met het onderzoek van de Europese Ombudsman naar de naleving door de EU-instellingen van de verplichting om interne regels inzake klokkenluiders in te voeren; wijst op de constatering van de Ombudsman dat de meeste EU-instellingen nog niet hebben voldaan aan de verplichting, voortvloeiend uit het in 2014 herziene Statuut, om regels vast te stellen inzake de bescherming van klokkenluiders; verzoekt alle EU-instellingen die dit nog niet hebben gedaan onverwijld interne regels voor klokkenluiders vast te stellen en ten aanzien van hun verplichtingen een gemeenschappelijke aanpak te hanteren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.1.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Therese Comodini Cachia, Mady Delvaux, Laura Ferrara, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sajjad Karim, Dietmar Köster, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Jiří Maštálka, Emil Radev, Julia Reda, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, Axel Voss, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Sergio Gaetano Cofferati, Pascal Durand, Angel Dzhambazki, Evelyne Gebhardt, Jytte Guteland, Heidi Hautala, Constance Le Grip, Angelika Niebler, Virginie Rozière

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0287.


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (18.2.2016)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit in de EU-instellingen

(2015/2041(INI))

Rapporteur voor advies: Sylvie Guillaume

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is tevreden met de mededeling van de Commissie dat zij voornemens is in 2016 een ontwerp van interinstitutioneel akkoord in te dienen ter herziening van het transparantieregister van belangenvertegenwoordigers; benadrukt het feit dat bij de raadpleging die aan dit voorstel vooraf zal gaan, op evenwichtige wijze rekening moet worden gehouden met de verschillende standpunten die zullen worden geformuleerd; is van mening dat de transparantie moet worden verhoogd door de invoering van een verplicht EU-register;

2.  roept op tot het gebruik van een wetgevende voetafdruk voor lobbyactiviteiten in de EU op vrijwillige basis; wijst in verband hiermee op de mogelijkheid bij de voorstellen van de Commissie en de verslagen van het Parlement bijlagen te voegen waarin duidelijk wordt aangegeven welke lobbyisten op deze voorstellen en verslagen een wezenlijke invloed hebben gehad; moedigt de leden van het Europees Parlement en de vertegenwoordigers van de Raad ertoe aan vrijwillig informatie te publiceren over hun ontmoetingen met belanghebbenden, volgens de praktijk die gangbaar is in de Commissie;

3.  vraagt de Europese instellingen die een gedragscode hebben ingevoerd, waaronder het Parlement, hun controle- en tenuitvoerleggingsmaatregelen, bijvoorbeeld de verificaties van de opgaven van financiële belangen, te verscherpen; merkt op dat de instanties voor controle en sancties politiek onafhankelijk moeten zijn;

4.  is tevreden met de intentie van de Commissie om om de twee jaar een verslag te publiceren over de stand van zaken op het gebied van corruptie in de EU; verzoekt de Commissie onverwijld een addendum in te dienen op haar eerste corruptiebestrijdingsverslag, met daarin een gedetailleerde beschrijving van de situatie op dit gebied binnen de EU-instellingen;

5.  verzoekt de Commissie, teneinde te garanderen dat de instellingen de corruptiebestrijdingsnormen van de Raad van Europa naleven, voort te gaan met de besprekingen over de toetreding van de EU tot de Groep van staten tegen corruptie (GRECO), om een voorlopig tijdschema voor deze toetreding vast te stellen;

6.  betreurt dat er weinig vooruitgang is geboekt met betrekking tot de bescherming van klokkenluiders en journalisten, die voor de bestrijding van corruptie een belangrijke rol kunnen spelen; betreurt daarom het feit dat de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van het Parlement de mogelijkheid te onderzoeken van een volledig Europees programma voor de bescherming van klokkenluiders; verzoekt de Commissie hierover vóór eind 2016 een mededeling in te dienen, op basis van een beoordeling van de situatie inzake regels voor klokkenluiders op nationaal niveau, en een mogelijk plan te overwegen om minimumregels voor klokkenluiders vast te stellen;

7.  betreurt eveneens het ontbreken van vooruitgang met betrekking tot het aanpakken van het misbruik van wetten tegen laster voor het intimideren van journalisten en anderen die onderzoek op het gebied van corruptie verrichten; verzoekt de Commissie met name een debat te initiëren over wetgeving ter ondersteuning van de intrekking van strafrechtelijke sancties voor laster in de lidstaten.

8.  is van mening dat een onafhankelijk en sterk Europees openbaar ministerie met duidelijk gedefinieerde bevoegdheden en verantwoordelijkheden zal helpen om de misdrijven te bestrijden in verband met fraude die schade berokkent aan de financiële belangen van de Unie en om de plegers van misdrijven die schade berokkenen aan de financiële belangen van de Unie, op te sporen, te vervolgen en voor het gerecht te brengen; is van mening dat elke zwakkere optie schadelijk zou zijn voor de begroting van de Unie; moedigt de Raad ertoe aan een nieuwe impuls te geven aan de onderhandelingen over de PIF-richtlijn, om het bestaande rechtskader te versterken en de bescherming van de financiële belangen van de EU efficiënter te maken;

9.  betreurt de blokkering door de Raad van de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten; dringt er bij de Raad op aan zich constructief op te stellen, rekening houdend met het op 15 december 2011 goedgekeurde standpunt in eerste lezing van het Europees Parlement en de vereisten van het Verdrag van Lissabon; merkt op dat weinig aanbevelingen van het Parlement inzake transparantie en inzage van documenten zijn gevolgd; herinnert eraan dat transparantie het vertrouwen van de bevolking in de EU-instellingen vergroot, door ervoor te zorgen dat de burgers zich over het besluitvormingsproces van de EU kunnen informeren; is van mening dat de burgers juist en tijdig moeten worden geïnformeerd; herhaalt daarom dat transparantie van het bestuurs- en wetgevingsproces van de EU van essentieel belang is voor de legitimiteit van de EU-wetgeving en het EU-beleid; benadrukt het feit dat transparantie een hoeksteen is van betere regelgeving;

10.  herhaalt zijn suggestie dat elke instelling en elk orgaan van de EU binnen zijn bestaande managementstructuur een Transparency Officer aanwijst die verantwoordelijk is voor de naleving van de voorschriften;

11.  herinnert eraan dat de transparantie van de wetgevingsonderhandelingen, inclusief trialogen, moet worden verbeterd; merkt daarom op dat de transparantie ervan moet worden verbeterd, door in de bevoegde parlementaire commissie verslag uit te brengen over de stand van de in het kader van de trialoog gevoerde onderhandelingen; wijst er in het bijzonder op dat overeenkomstig artikel 73, lid 4, van het Reglement van het Parlement het onderhandelingsteam na elke trialoog verslag moet uitbrengen bij de bevoegde commissie en alle stukken die het resultaat van de trialoog weergeven, aan de commissie ter beschikking moet stellen; eist daarom dat zowel het mondelinge verslag als de documenten uitvoerige informatie over de stand van de onderhandelingen in het kader van de trialoog bevatten; eist bovendien dat een lijst met de data van de onderhandelingen in het kader van de trialoog en de namen van de rechtstreekse deelnemers publiek toegankelijk worden gemaakt;

12.  benadrukt dat het belangrijk is voldoende tijd te laten tussen het bereiken van een definitief akkoord in een gegeven trialoog en de stemming voor de bevestiging hiervan in de bevoegde commissie, om ervoor te zorgen dat de leden van de bevoegde commissie de tekst kunnen lezen en bespreken met hun fractie vóór de definitieve stemming in de commissie;

13.  vraagt meer transparantie met betrekking tot de EU-agentschappen en hun betrekkingen met andere EU-organen; benadrukt het feit dat het belangrijk is te voorzien in transparante processen op het gebied van benoeming, verkiezing en aanstelling van vertegenwoordigers van de agentschappen, met name als het Parlement hierbij betrokken is;

14.  beschouwt het eerste tweejaarlijkse corruptiebestrijdingsverslag van de Commissie als een veelbelovende poging om zicht te krijgen op de corruptie in de lidstaten; verzoekt de Commissie in het komende verslag 2016 een analyse op te nemen van de corruptierisico's in de EU-instellingen, samen met een overzicht van de grootste problemen op corruptiegebied in de lidstaten, beleidsaanbevelingen voor de aanpak ervan en follow-upmaatregelen die door de Commissie moeten worden genomen, met name rekening houdend met de schadelijke impact van corruptieactiviteiten op de werking van de gemeenschappelijke markt;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

49

1

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Michał Boni, Caterina Chinnici, Ignazio Corrao, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Laura Ferrara, Monika Flašíková Beňová, Lorenzo Fontana, Kinga Gál, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Jussi Halla-aho, Monika Hohlmeier, Brice Hortefeux, Sophia in ‘t Veld, Eva Joly, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Timothy Kirkhope, Barbara Kudrycka, Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Roberta Metsola, Claude Moraes, József Nagy, Péter Niedermüller, Soraya Post, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Udo Voigt, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Pál Csáky, Daniel Dalton, Dennis de Jong, Gérard Deprez, Anna Hedh, Petr Ježek, Emil Radev, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Barbara Spinelli, Elissavet Vozemberg-Vrionidi


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.3.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Michał Boni, Elmar Brok, Richard Corbett, Pascal Durand, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Diane James, Ramón Jáuregui Atondo, Jo Leinen, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Markus Pieper, Paulo Rangel, Helmut Scholz, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Claudia Țapardel, Kazimierz Michał Ujazdowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gerolf Annemans, Ashley Fox, Sven Giegold, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jérôme Lavrilleux, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Laura Agea


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

20

+

ALDE

Maite Pagazaurtundúa Ruiz

ECR

Ashley Fox, Kazimierz Michał Ujazdowski

EFDD

Laura Agea

GUE/NGL

Helmut Scholz, Barbara Spinelli

NI

Diane James

PPE

Michał Boni, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Jérôme Lavrilleux, Paulo Rangel

S&D

Richard Corbett, Ramón Jáuregui Atondo, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jo Leinen, Pedro Silva Pereira, Claudia Țapardel

VERTS/ALE

Pascal Durand, Sven Giegold

2

-

PPE

Elmar Brok, Rainer Wieland

2

0

ENF

Gerolf Annemans

PPE

Markus Pieper

 

Stemcorrecties en voorgenomen stemgedrag

+

Gerolf Annemans

-

 

0

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 16 mei 2017Juridische mededeling