Resolutie van het Europees Parlement over Bangladesh
Het Europees Parlement
,
– gezien de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en samenwerking(1)
,
– gezien de groeiende kritiek op de talrijke en steeds ernstiger schendingen van de mensenrechten door officiële troepen en fundamentalistische religieuze organisaties, die in februari 2005 zijn geuit door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (E/CN.4/2005/NGO/32), door het State Department van de VS eveneens in februari 2005 (Landenrapport over de toepassing van de mensenrechten in Bangladesh 2004) en door Amnesty International (b.v. Urgent Action 061/2005),
– gezien de Verklaring van het Voorzitterschap namens de EU over de aanval in Habiganj, Bangladesh, op 29 januari 2005,
– gelet op artikel 115, lid 5 van zijn Reglement,
A. bezorgd over herhaalde bomaanslagen op belangrijke politici van de oppositie, op religieuze minderheidsgroepen, journalisten en vertegenwoordigers van NGO's, en met name de recente granaataanslagen op twee vooraanstaande politici van de oppositie: Sheik Hasina, hoofd van de Awami Liga en voormalig eerste minister, op 21 augustus 2004, en Shah Mohammad Kibria, voormalig minister van Financiën, op 27 januari 2005, die daarbij om het leven kwam,
B. bezorgd over de recente politieke ontwikkelingen in Bangladesh, waar het gevaar van fundamentalisme lijkt toe te nemen en waar slecht bestuur, corruptie en nepotisme de rechtsstaat ernstig hebben ondermijnd met inbegrip van de waarborgen in de grondwet ter bescherming van fundamentele rechten in Bangladesh,
C. bezorgd dat de regering van Bangladesh met beperkt succes tegen de gewelddadigheden is opgetreden en dat bedreigingen door extremistische groepen nog steeds voortduren; overwegende dat paramilitaire groepen nog altijd op het platteland opereren, in sommige gevallen, met steun van plaatselijke autoriteiten,
D. met bezorgdheid opmerkend dat godsdienstige minderheden, waaronder hindoes, maar ook gematigde groeperingen van moslims evenals organisaties voor de rechten van vrouwen de afgelopen jaren slachtoffer zijn geweest van een aantal gewelddadige aanslagen en van intimidatie,
E. erkennend dat het daardoor ontstane klimaat van vrees is gecreëerd door het machtsmisbruik van fundamentalistische moslimpartijen in de regering,
F. overwegende dat Bangladesh vorderingen heeft gemaakt in sociaal-economische sectoren, waaronder de gezondheidszorg, openbare hygiëne, onderwijs, emancipatie van vrouwen, gezinsplanning en zelfvoorziening op het gebied van voeding, maar een achterstand heeft bij het verbeteren van het algemeen bestuur en bevordering van de mensenrechten; meent dat het inhalen van deze achterstand de sociaal-economische vooruitgang van de bevolking een verdere impuls kan geven,
G. bezorgd over het feit dat de regering van Bangladesh de daders van deze aanslagen tot dusver niet voor de rechter heeft gebracht en over de algemene uitholling van de rechtsstaat in Bangladesh in het afgelopen jaar; niettemin opmerkend dat de regering van Bangladesh op 22 februari 2005 de activiteiten twee criminele moslimorganisaties heeft verboden en hun tegoeden heeft bevroren,
H. beklemtoont dat de samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Bangladesh is gebaseerd op eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen en dat de schending van artikel 1 een verdragsschending vormt die de voortzetting van de overeenkomst in gevaar brengt,
I. overwegende dat de Commissie moet zorgen voor toezicht op de situatie van de mensenrechten in Bangladesh en het Europees Parlement op de hoogte moet houden,
J. beklemtoont dat Bangladesh volgens het volkerenrecht als staat is aangesloten bij zowel het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke vrijheden als het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van de Verenigde Naties, maar tot dusver geen wetgeving heeft aangenomen om hieraan uitvoering te geven,
1. veroordeelt de herhaalde bomaanslagen en dringt er bij de regering van Bangladesh op aan erop toe te zien dat internationale onderzoekers die de inlichtingendiensten van Bangladesh assisteren, volledig toegang krijgen tot alle bewijsstukken in verband met de aanslagen, in overeenstemming met de beloften van de regering zelf, en dringt er bij de regering van Bangladesh op aan om het onderzoeksrapport volledig te publiceren;
2. dringt er bij de regering van Bangladesh op aan om de instructies van het Hooggerechtshof van Bangladesh te respecteren en geen misbruik te maken van wettelijke instrumenten voor detentie van demonstranten van de oppositie en om vreedzame politieke protesten niet te onderdrukken door middel van opsluiting en marteling;
3. dringt er met name bij de regering van Bangladesh op aan om een einde te maken aan alle antimisdaadoperaties van de paramilitaire RAB (Rapid Action Batallion), die neerkomen op buitengerechtelijke moorden; wijst er op dat volgens berichten de mensenrechtenorganisatie ODHIKAR verklaarde dat er in 2004 90 publiekelijk gemelde gevallen waren van overlijden tijdens hechtenis als gevolg van marteling;
4. moedigt de regering van Bangladesh aan om de bevolking in staat te stellen deel te nemen aan traditionele culturele manifestaties en om te zorgen voor veiligheidsmaatregelen opdat deze manifestaties, die voortkomen uit een traditie van tolerantie en secularisme, veilig kunnen verlopen;
5. dringt er bij de regering van Bangladesh op aan om preventieve maatregelen te nemen tegen paramilitaire moslimgroepen die overal op het platteland van Bangladesh voor geweld en intimidatie hebben gezorgd;
6. herhaalt steun aan de eis dat degenen die aan de massamoord op burgers van Bangladesh hebben deelgenomen en die tijdens de bevrijdingsoorlog van Bangladesh in 1971 oorlogsmisdaden hebben begaan, een proces krijgen;
7. meent dat, gezien de parlementsverkiezingen die eind 2006 of begin 2007 zijn gepland, systematische hervormingen nodig zijn om de beginselen van goed bestuur opnieuw ingang te doen vinden opdat de kiescommissie en de voorlopige regering onafhankelijk kunnen werken;
8. meent dat een gecoördineerde aanpak door alle donorlanden en -organisaties wereldwijd nodig is teneinde dergelijke hervormingen te steunen;
9. verzoekt alle partijen om zich te onthouden van ondemocratische praktijken en om een dialoog tussen alle partijen aan te gaan door volledig deel te nemen aan het democratische proces in het parlement en verzoekt met name de oppositiepartijen om de boycot van de parlementaire activiteiten te staken, omdat de bevolking van Bangladesh van de agitatie en het geweld te lijden heeft;
10. spreekt zijn steun uit aan de principiële stappen die vertegenwoordigers van de EU het afgelopen jaar hebben genomen ter verdediging van de rechten van religieuze minderheden in Bangladesh, waaronder hun lijfelijke aanwezigheid bij een complex van de Ahmadiyya-moslims in oktober 2004, toen fundamentalisten een massale aanval op het genoemde complex voorbereidden;
11. verzoekt de Raad om de toepassing van de clausule betreffende mensenrechten en democratie van de samenwerkingsovereenkomst EG-Bangladesh te onderzoeken en om na te gaan of de regering van Bangladesh voldoende blijk heeft gegeven krachtige pogingen in het werk te stellen om de situatie van de mensenrechten fundamenteel te verbeteren;
12. neemt nota van recente bescheiden stappen van de regering van Bangladesh ter verbetering van de politieke situatie in het land, moedigt de regering van Bangladesh aan om te zorgen voor een situatie waarbij de rechtsstaat wordt geëerbiedigd, en steunt iedere substantiële vooruitgang op het punt van goed bestuur, persvrijheid, corruptiebestrijding en eerbiediging van de mensenrechten;
13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-landen, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de regering van Bangladesh.