Resolutie van het Europees Parlement over de hervorming van de Verenigde Naties
Het Europees Parlement
,
– gezien zijn resolutie van 29 januari 2004 over betrekkingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Naties(1)
,
– gezien het rapport van 1 december 2004 "A more secured world: our shared responsibility" door de groep op hoog niveau voor "Threats, Challenges and Change",
– gezien het rapport van het VN-millenniumproject van 17 januari 2005: "Investing in development: a practical plan to achieve the Millennium Development Goals",
– gezien het rapport "In larger freedom: towards development, security and human rights for all" van de secretaris-generaal van de VN van 21 maart 2005,
– gezien artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat het rapport van de groep op hoog niveau (hierna RGHN) meer dan 100 aanbevelingen bevat voor verandering en de nood aan hervorming van de VN, teneinde iets te doen aan de uitdagingen en bedreigingen uiteenlopend van armoede, besmettelijke ziekten, milieuverontreiniging en civiel geweld tot terrorisme, massavernietigingswapens en niet-verspreiding van kernwapens; verder overwegende dat het rapport van de secretaris-generaal (hierna RSG) de meeste van deze aanbevelingen overneemt en bekrachtigt,
B. overwegende dat het RGHN een nieuwe visie geeft op collectieve veiligheid en aandacht besteedt aan alle grote bedreigingen voor de internationale vrede en veiligheid in de hele wereld,
C. overwegende dat het in de optiek van de secretaris-generaal, voortbouwend op de aanbevelingen van het RGHN, absoluut noodzakelijk is om het beleid en de instellingen van de VN tegen het licht te houden, teneinde te kunnen anticiperen op de nieuwe bedreigingen en te voorkomen dat de organisatie erodeert ten gevolg van toenemende onenigheid tussen staten en de door hen ondernomen unilaterale acties,
D. overwegende dat het RGHN ondubbelzinnig aangeeft dat, wanneer nodig, geweld pas als een laatste redmiddel moet worden ingezet en dat dit moet worden vastgelegd in een resolutie van de Veiligheidsraad over de beginselen van het gebruik van geweld, en dat het RGHN de 'nieuwe norm' bekrachtigt dat er een collectieve internationale verantwoordelijkheid bestaat voor het bieden van bescherming in het geval van genocide en andere grootschalige moordpartijen, etnische zuiveringen of ernstige inbreuken op het internationale humanitaire recht, wanneer soevereine regeringen niet in staat of niet bereid zijn deze te voorkomen,
E. overwegende dat daadwerkelijk multilateralisme het meest geëigende instrument is voor het oplossen van de problemen en bedreigingen van de internationale gemeenschap, op voorwaarde dat het geschraagd wordt door aangepaste instellingen en efficiënte besluitvormings- en handhavingsprocessen,
F. overwegende dat in het RSG de nadruk wordt gelegd op de noodzaak van actie en onverwijlde hervormingen, en een pakket concrete en haalbare maatregelen wordt gepresenteerd, dat vóór september 2005 door de staats- en regeringsleiders moet worden goedgekeurd,
G. overwegende dat de lidstaten van de EU het voortouw moeten nemen bij inspanningen gericht op universele participatie in multilaterale verdragen,
Collectieve veiligheid in de 21ste eeuw: preventie, bewustzijn en gedeelde verantwoordelijkheid
1. is uitermate verheugd over het RSG, dat voortbouwt op het RGHN, en steunt de achterliggende vastbeslotenheid om de VN op consistente wijze en diepgaand te hervormen, teneinde de organisatie aan te passen aan nieuwe mondiale omstandigheden en haar efficiënter, billijk, langetermijngericht en controleerbaar te maken bij het verzekeren van de collectieve veiligheid in de 21ste eeuw; is met name verheugd over de realistische benadering van beide rapporten, die anders dan hervormingsvoorstellen uit het verleden uit een goede mix van enerzijds visie en anderzijds op de praktijk gerichte maatregelen voor actie bestaan;
2. roept de Raad op het door Kofi Annan gepresenteerde hervormingsrapport ten volle te steunen en roept het Luxemburgse voorzitterschap op te ijveren voor een besluit van de Raad betreffende een gemeenschappelijk standpunt van de EU betreffende concrete hervormingen van de VN;
3. sluit zich volledig aan bij het standpunt dat vooruitgang op de gebieden ontwikkeling, veiligheid en mensenrechten één geheel vormt en dat de hervorming van de VN niet gezien moet worden als een op zichzelf staand doel, maar veel meer als een onvermijdbaar gevolg van een diepgaande analyse van de politieke en veiligheidsparameters en -factoren in een nieuwe en onzekere mondiale omgeving; doet derhalve de aanbeveling het systeem en de instellingen van de VN te versterken, aangezien de VN de meest geëigende en enige mondiale instelling is die in potentie in staat is collectieve veiligheid op zowel legitieme, als efficiënte wijze te bevorderen en te waarborgen;
4. steunt de strikte afbakening van het begrip 'zelfverdediging' en het gebruik van geweld en verantwoordelijkheid voor het beschermen van de civiele bevolking zoals gedefinieerd door de groep op hoog niveau in overeenstemming met de geest en de letter van het VN-Handvest; onderschrijft dat een dergelijke definitie de Veiligheidsraad er niet van mag weerhouden preventief - en zelfs proactiever dan tot nu toe - op te treden, aangezien hij daarvoor het enige legitieme orgaan is; wijst erop dat alleen effectieve bescherming tegen crises kan worden geboden indien de VN over de middelen beschikt om op fulltimebasis toezicht te houden op de etnische, taalkundige en religieuze spanningen die in een crisis kunnen uitmonden;
5. herhaalt zijn standpunt dat wanneer de Veiligheidsraad de inzet van geweld overweegt, hij altijd rekening moet houden met de vijf criteria van legitimiteit: ernst van de bedreiging, goed doel, laatste redmiddel, evenredigheid van de middelen en inschatting van de gevolgen; is het ermee eens dat de beginselen die verband houden met het gebruik van geweld en de toestemming daartoe moeten stoelen op een resolutie van de Veiligheidsraad; stelt voor om de Veiligheidsraad toe te staan om, altijd na een gevalsgewijze beoordeling en met het oog op een duidelijke gedefinieerde situatie en voor een beperkte periode, zijn bevoegdheden krachtens afdeling VII van het Handvest te delegeren aan een erkende regionale organisatie;
6. steunt de oproep van de groep op hoog niveau, zoals bevestigd in het RSG, om het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) een grotere rol en meer middelen te geven, inclusief versterking van zijn verificatiemogelijkheden, voor de strijd tegen nucleaire proliferatie en voor het voorkomen van het gebruik van atomaire, biologische en chemische (ABC-) wapens; steunt ten volle de oproep aan staten zich volledig te houden aan de artikelen van het non-proliferatieverdrag, het verdrag inzake biologische en toxische wapens en het verdrag inzake chemische wapens, teneinde het multilaterale kader voor non-proliferatie en ontwapening, alsook de specifieke voorstellen op dit gebied, verder te versterken;
7. steunt garanties betreffende de levering van brandstof voor vredelievend gebruik, zoals een regeling waarbij het IAEA als garant optreedt voor de levering van splijtbaar materiaal aan civiele gebruikers van kernmateriaal tegen marktprijzen aan staten die vrijwillig afzien van het ontwikkelen van binnenlandse capaciteit voor het verrijken van uranium en faciliteiten voor het splitsen van plutonium;
8. steunt de ontwikkeling, door de VN, van een contraterrorismestrategie die mensenrechten en de rechtsstaat eerbiedigt, met betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, en die stoelt op de volgende vijf pijlers: het ontmoedigen van terrorisme of het geven van steun daaraan, het verhinderen dat terroristen toegang krijgen tot financiële middelen en materiële bronnen, het staten beletten steun te geven aan terrorisme, het ontwikkelen van de capaciteit van staten om terrorisme te bestrijden, en het verdedigen van mensenrechten;
9. onderstreept in dit verband de noodzaak voort te bouwen op het gedane werk van de commissie tot bestrijding van het terrorisme (Counter-Terrorism Committee - CTC) en de uitvoerende raad van deze commissie (CTC Executive Directorate - CTED) te steunen in zijn taak de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van resolutie 1373(2001) van de Veiligheidsraad te waarborgen;
10. kijkt uit naar de goedkeuring door de Algemene Vergadering van de VN van een alomvattend verdrag inzake terrorisme, gebaseerd op een duidelijke en door iedereen aanvaarde definitie, en respect voor mensenrechten en democratische vrijheden, met een verwijzing naar onder andere de definities in het Verdrag inzake de bestrijding van de financiering van terrorisme van 1999 en resolutie 1566(2004) van de Veiligheidsraad en eraan herinnerend dat de acties zoals bedoeld in de twaalf eerdere antiterrorismeverdragen terrorisme vormen, alsook een misdrijf krachtens internationaal recht; roept daarnaast op tot een effectievere samenwerking op andere prioritaire gebieden, zoals de bestrijding van georganiseerde misdaad en de illegale handel in kleine en lichte wapens, en tot volledige eliminatie van landmijnen;
11. onderschrijft de noodzaak van actiever deelnemen van ontwikkelde landen aan vredeshandhavingsoperaties in de hele wereld en roept de EU-lidstaten derhalve op meer te doen om legers om te vormen tot eenheden die ingezet kunnen worden voor vredesoperaties, en eenheden stand-by te houden voor VN-operaties; herhaalt zijn inzet voor het versterken van zowel conflictpreventie, als vredesopbouw na conflicten, door vredeshandhavers het juiste mandaat, voldoende middelen en een passende opleiding te geven voor het uitvoeren van de hen toevertrouwde taken, en civiele en humanitaire crises te voorkomen; is het eens met het voorstel om vredeshandhavingsoperaties door regionale organisaties alleen toe te staan na goedkeuring door de Veiligheidsraad;
Vrijheid van behoeften: een gemeenschappelijke en evenwichtige visie op een hernieuwd ontwikkelingsbeleid van de VN
12. neemt deze gelegenheid te baat om alle betrokken actoren op te roepen hun uiterste best te doen om de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD) te verwezenlijken; beklemtoont dat de ontwikkelingshervormingen en -doelstellingen zoals genoemd in de MOD gehaald moeten worden in overeenstemming met de hervormingsinspanningen op de gebieden van collectieve veiligheid en institutionele hervormingen; is ervan overtuigd dat alleen door middel van een diepgaande en evenwichtige hervorming van het hele VN-systeem gekomen kan worden tot een beter noord/zuid-evenwicht binnen de organisatie, hetgeen op zijn beurt de acceptatie en de legitimiteit van de VN in de ogen van zijn leden zal vergroten;
13. herinnert eraan dat eerdere toezeggingen van donorlanden voor het financieren van ontwikkeling geïmplementeerd moeten worden - in het bijzonder om vooruitgang te boeken in de strijd tegen HIV/aids, malaria en tuberculose; wijst in dit verband op de noodzaak van versterking van de VN-landenteams, goede training en financiering van personeel en samenwerking tussen dit personeel en de internationale financiële instellingen om de MOD te halen;
14. beklemtoont de noodzaak van het doorgaan met het geven van steun aan wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling, om te zorgen voor ecologische duurzaamheid, de klimaatverandering aan te pakken en in te spelen op de speciale behoeften van ontwikkelingslanden op gebied van landbouw, natuurlijke hulpbronnen en milieubeheer;
15. brengt in herinnering dat een succesvol partnerschap gebaseerd moet zijn op 'tweerichtingsverkeer', waarbij ontwikkelingslanden zich inzetten voor verbetering van het bestuur, bestrijding van corruptie en maximalisering van binnenlandse bronnen voor het financieren van nationale ontwikkelingsstrategieën, en ontwikkelde landen deze inspanningen steunen door middel van een effectievere toewijzing van ontwikkelingshulp, betere toegang tot hun markten en schuldverlichting;
16. bekrachtigt het standpunt dat economische en sociale ontwikkeling,
zekerheid,
eerbiediging van mensenrechten en bescherming van het milieu
onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; benadrukt dat risicopreventie door ontwikkeling tot een significante afname kan leiden van politieke, militaire of terroristische dreiging die het gevolg is van daadwerkelijke of vermeende sociale ongelijkheid, economisch onrecht en achteruitgang van het milieu; verwelkomt de conclusies van de groep op hoog niveau dat er geen hiërarchie van bedreigingen bestaat en dat bedreigingen van verschillende aard niet los van elkaar gezien kunnen worden; herhaalt daarom zijn standpunt dat veiligheidsthema's nauw verband houden met het verwezenlijken en consolideren van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;
17. is het ten volle eens met de specifieke oproepen van de secretaris-generaal op dit gebied, inclusief die betreffende het vaststellen van een duidelijk tijdschema voor ontwikkelde landen om de doelstelling van 0,7% van het BBP voor publieke ontwikkelingshulp te halen, het erkennen van de bijzondere behoeften van Afrika, het lanceren van een aantal zogenaamde 'quick-win'-initiatieven om op zeer korte termijn belangrijke vooruitgang te boeken in de richting van de verwezenlijking van de MOD, waaronder de eliminatie van gebruikersvergoedingen voor elementaire volksgezondheidsdiensten en onderwijs;
18. steunt de aanbeveling van het RSG om de bijdrage van niet-gouvernementele actoren aan de doelstellingen van de VN te versterken, onder meer door nieuwe mechanismen ter verzekering van de verantwoordingsplicht voor maatschappelijke organisaties, de particuliere sector en internationale instellingen;
19. verwelkomt de aanbeveling van het RSG te komen tot een internationaal kader voor de aanpak van de klimaatverandering na 2012, met een ruimere deelname van alle grote vervuilers, en tot tijdsgebonden milieustreefdoelen voor alle EU-lidstaten;
20. bevestigt dat de besluitvormingsorganen van de VN de bevoegdheid - en de verantwoordelijkheid - zouden moeten hebben om zowel gemeenschappelijke publieke belangen te definiëren, als normen vast te stellen voor het vrijwaren en goedkeuren van regelingen om deze publieke belangen te beschermen en te verdedigen, inclusief internationale regels gericht op het verduidelijken van de band tussen handel en milieu, teneinde multilaterale milieu-overeenkomsten bescherming te bieden tegen handelsregels;
Hervormde instellingen voor een grotere representativiteit en efficiëntie
21. is van mening dat de (noodzakelijke) hervorming van de VN als geheel niet beperkt mag blijven tot of overschaduwd moet worden door alleen een hervorming van de Veiligheidsraad en/of andere institutionele kwesties, hoewel het opnieuw nadenken over structuren en werkmethodes met het oog op een betere representativiteit en geloofwaardigheid uitermate belangrijk is; roept de lidstaten van de VN op al het mogelijke te doen om te voorkomen dat potentiële moeilijkheden bij het bereiken van een akkoord over de nieuwe samenstelling van de Veiligheidsraad de hervormingen als geheel in gevaar brengen;
22. is ervan overtuigd dat de centrale elementen van de hervorming van de Veiligheidsraad de versterking van zijn autoriteit, het (geografisch gezien) daadwerkelijk representatieve karakter, legitimiteit, effectiviteit en zijn primaire rol bij het handhaven van internationale vrede en veiligheid zijn; is overtuigd van de noodzaak van verandering van de samenstelling van de Veiligheidsraad op een wijze die rekening houdt met het gewijzigde internationale systeem, alsook met de huidige geopolitieke realiteit, door middel van het verhogen van het aantal ontwikkelingslanden in de Raad, het waarborgen dat de leden van de Raad bereid en in staat zijn op te treden wanneer daar behoefte aan bestaat, en het gebruiken van efficiëntere en transparantere werkmethodes; is van mening dat de twee voorstellen (model A en model B) van de groep op hoog niveau tot een grotere representatitiviteit leiden, hoewel andere hervormingsvoorstellen ook mogelijk zijn, en benadrukt dat een EU-zetel in de VN-Veiligheidsraad, zodra aan de politieke, constitutionele en wettelijke voorwaarden daarvoor is voldaan, voor de EU het voornaamste doel blijft;
23. neemt nota van het voorstel tot uitbreiding van de VN-Veiligheidsraad door middel van toevoeging van extra zetels voor elke regionale groep, inclusief "Europa"; is in dit verband van mening dat de meest geëigende oplossing, die coherent zou zijn met het Europese grondwettelijk verdrag dat de Unie een rechtspersoonlijkheid geeft en een minister van Buitenlandse Zaken, zou bestaan in het toekennen van een extra permanente zetel aan de EU; roept de lidstaten op het voorstel serieus in overweging te nemen, teneinde Europa's invloed in de wereld door middel van een coherent en efficiënt gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) te vergroten;
24. is evenwel van mening dat in ieder geval, los van de procedure die voor de hervorming wordt gekozen, enkele van de bijkomende zetels voor "Europa" aan de EU als zodanig moeten worden toegekend; roept de Raad van de EU op een passend mechanisme in te stellen voor het aanwijzen van de EU-lidstaten in de Veiligheidsraad, die hun mandaat als vertegenwoordigers van de EU zullen moeten uitvoeren in nauw overleg met de andere lidstaten, de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB of de toekomstige minister van Buitenlandse Zaken, de Commissie en het Europees Parlement, tot het moment dat aan de voorwaarden voor een EU-zetel is voldaan;
25. geeft zijn volledige steun aan het voorstel van het RGHN voor het introduceren van een mechanisme van indicatieve stemmingen in de Veiligheidsraad, via hetwelk de leden zouden kunnen vragen om een publieke indicatie van standpunten ten aanzien van een voorgestelde actie, waarbij 'nee'-stemmen niet het effect van een veto hebben en de definitieve uitslag geen juridische kracht, maar dat de verantwoordingsplicht met betrekking tot de vetofunctie vergroot;
26. geeft zijn volledige steun aan versterking van de bescherming en bevordering van de mensenrechten in het VN-systeem, dat tot nu toe - helaas - niet altijd de gewenste effectiviteit heeft gehad in termen van resultaat en roept op tot het toekennen van significant meer financiële steun door alle lidstaten voor het bureau van de hoge commissaris voor mensenrechten, alsook tot actieve betrokkenheid van de hoge commissaris bij het werk van en de besprekingen in de Veiligheidsraad; steunt in dit verband het voorstel voor een jaarverslag van de hoge commissaris voor mensenrechten, dat toegevoegde waarde oplevert in termen van zichtbaarheid van de gedane VN-aanbevelingen en tegelijkertijd de evaluatie mogelijk maakt van de mate van samenwerking van een staat met de VN-mechanismen;
27. steunt de vervanging van de VN-mensenrechtencommissie (UNHCR) door een kleinere, permanente mensenrechtenraad (HCR), die middels een systeem van versterkte meerderheid rechtstreeks gekozen wordt door de Algemene Vergadering - die bij de keuze van leden voor die raad landen kiest die de mensenrechten het best eerbiedigen - , hetgeen deze mensenrechtenraad grotere democratische legitimiteit en politieke autoriteit zal geven; steunt de introductie in de werkmethoden van de UNHCR van een "peer review", hetgeen het mogelijk maakt de mensenrechtenprestaties van elk land regelmatig te evalueren; steunt de idee om het lidmaatschap van de HCR te koppelen aan de verplichting voor een lidstaat om zich permanent aan de VN-mechanismen en procedures te onderwerpen; acht het van het allergrootste belang de rol van onafhankelijke NGO's binnen de HCR te versterken en is van oordeel dat hun participatie een hervorming van de NGO-commissie behoeft;
28. herhaalt zijn volledige steun voor het werk van het Internationaal Strafhof en spoort alle leden van de VN aan met het Strafhof samen te werken; verwelkomt de aanwijzing van een speciaal rapporteur die gaat kijken naar de verenigbaarheid van antiterrorismemaatregelen met de internationale mensenrechtenwetgeving; erkent de belangrijke rol van het Internationale Hof van Justitie en steunt een studie over de middelen waarmee het functioneren van het Hof kan worden verbeterd;
29. staat volledig achter het standpunt van de groep op hoog niveau dat de rol, speelruimte en de verantwoordingsplicht van de secretaris-generaal op het gebied van vrede en veiligheid moeten worden vergroot; onderstreept in dit verband de noodzaak om de secretaris-generaal voldoende vrijheid van handelen, discretionaire bevoegdheid en middelen te geven om de opzet en de modaliteiten van zijn werkomgeving zo te organiseren dat de VN-administratie de prioriteiten van de hervorming aankan;
30. maakt zich zorgen over de beschuldigingen dat VN-vredeshandhavingstroepen in onder andere de Democratische Republiek Congo, Bosnië en Kosovo seksueel en fysiek geweld hebben gebruikt; veroordeelt het feit dat de plegers van seksueel geweld en verkrachtingen gedurende de huidige conflicten niet in staat van beschuldiging zijn gesteld of zijn bestraft, en roept de VN op de problemen aan te pakken, teneinde te garanderen dat de VN zijn rol als voorvechter van de mensenrechten in de wereld kan blijven spelen;
31. is verheugd over het voorstel tot oprichting van een commissie voor vredesopbouw (Peacebuilding Commission), alsook van een steunbureau voor vredesopbouw (Peacebuilding Support Office) binnen het VN-secretariaat, met de participatie van internationale financiële instellingen, teneinde het vermogen van de organisatie te vergroten om aan vredesopbouw te blijven doen na conflicten en de orde te herstellen in vernietigde staten waar de overheid opgehouden heeft te bestaan, en deze staten weer op te bouwen; roept op tot oprichting van een civiel vredeskorps ("witte helmen") dat in staat is niet-militaire taken uit te voeren; bevestigt de noodzaak om meer bescherming te bieden aan humanitaire hulpverleners en hen veilige en ongehinderde toegang tot kwetsbare bevolkingsgroepen te waarborgen; onderstreept de noodzaak van extra middelen voor de secretaris-generaal voor zijn bemiddelingscapaciteiten ("good office function") en steunt de oprichting van een bijstandseenheid voor de rechtsstaat en een democratiefonds voor het verlenen van steun aan nationale inspanningen gericht op het herstellen van de rechtsstaat en democratie;
32. hamert op de noodzaak van revitalisering van de Algemene Vergadering door de agenda ervan beter te organiseren en in te korten om de belangrijke onderwerpen van de wereld van vandaag snel en efficiënt te kunnen behandelen, door het aantal leden van de commissies te verkleinen en hun activiteiten beter te concentreren om de resoluties en de geloofwaardigheid van het orgaan als geheel te verbeteren; roept op tot de ontwikkeling van mechanismen binnen de Algemene Vergadering voor een systematische dialoog met de civiele samenleving;
33. roept op tot opwaardering van de Sociaal-Economische Raad (ECOSOC), een drastische reductie van zijn ledenaantal en versterking van zijn besluitvormingsbevoegdheden om het orgaan om te vormen tot het equivalent van de Veiligheidsraad op gebieden als economie, financiën, ontwikkeling, biotechnologie, communicatiesystemen, ethica, alsook bedreigingen voor het milieu en het biotoop; roept op tot oprichting van een permanent orgaan voor nauw overleg tussen een hervormde Sociaal-Economische Raad en de Bretton Woods-instellingen, alsook de Wereldhandelsorganisatie (WTO), dat de Sociaal-Economische Raad in staat stelt op effectieve wijze de vinger aan de pols te houden van de VN-ontwikkelingsagenda en te fungeren als een forum voor ontwikkelingssamenwerking op hoog niveau; roept op tot een beter mechanisme voor coördinatie tussen de diverse VN-organen die opereren onder het auspiciën van de Sociaal-Economische Raad; steunt het voorstel voor een tweejarig ontwikkelingssamenwerkingsforum op hoog niveau en voor de oprichting van een uitvoerend comité binnen de Sociaal-Economische Raad;
34. is evenwel van mening dat de hervormingsvoorstellen in het RSG op sociaal-economisch vlak achterblijven bij hetgeen daadwerkelijk nodig is voor een orgaan dat uit de belangrijkste ontwikkelde en ontwikkelingslanden is samengesteld voor het aanpakken van de kritieke interconnecties tussen handel, de financiële wereld, het milieu en sociaal-economische ontwikkeling; steunt ten volle, als eerste stap, het voorstel in het RGHN tot omvorming van de G20, waarvan de EU een institutioneel lid is en het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank ex officio leden zijn, in een groep van leiders, met regelmatige participatie van de WTO, het IMF, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de Sociaal-Economische Raad en de hoge commissaris voor de mensenrechten;
35. stelt voor om de bestaande, maar inactieve en achterhaalde VN-Trustschapsraad om te vormen tot een Raad van Ineengestorte Staten, die namens de VN verantwoordelijk zou zijn voor het coördineren van internationale samenwerking ten aanzien van ineengestorte staten, en meer in het algemeen voor conflictpreventie in falende staten; stelt voor dat deze Raad van Ineengestorte Staten van de Veiligheidsraad het mandaat krijgt om op tijdelijke basis het bestuur te voeren over volken en gebiedsdelen waar officiële staatsstructuren zijn vernietigd of op het punt staan te verdwijnen;
36. roept op tot versterking van internationaal milieubeheer (International Environmental Governance) door middel van de opwaardering van het Milieuprogramma van de VN (UNEP) tot een gespecialiseerd VN-agentschap voor het milieu, uitgerust met voldoende financiële, materiële en menselijke middelen, met universeel lidmaatschap, met de bevoegdheid te zorgen voor eerbiediging van wettelijk bindende multilaterale milieu-overeenkomsten door regeringen, internationale economische instellingen en multinationals, en fungerend als een referentie-orgaan voor wetenschappelijke, technische en juridische expertise op het gebied van het milieu; vraagt om samenhangende nieuwe maatregelen resulterend in milieuduurzaamheid, inclusief maatregelen voor het aanpakken van de klimaatverandering, woestijnvorming, biodiversiteit en milieuvluchtelingen; vraagt om verduidelijking van de betrekkingen op gerechtelijke gebied, met inbegrip van de mechanismen voor het regelen van geschillen, tussen de WTO en de Multilaterale Milieuovereenkomsten (MEA's) binnen het VN-bestel;
37. vestigt de aandacht op het feit dat UNEP en het Ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP) in november 2004 een memorandum of understanding hebben getekend op grond waarvan UNEP landen, op verzoek, helpt bij de opbouw van capaciteit om zich aan milieuverplichtingen te houden, als één van de belangrijkste pijlers van duurzame ontwikkeling; steunt deze overeenkomst en bekrachtigt met klem de oproep om voldoende middelen ter beschikking te stellen om de beide programma's efficiënt te laten samenwerken;
38. beklemtoont dat UNESCO een van de sleutelagentschappen van de VN is, met een wereldwijde verantwoordelijkheid voor onderwijs, wetenschap (inclusief water) en cultuur (inclusief communicatie en media); roept de lidstaten op UNESCO meer begrotingsmiddelen ter beschikking te stellen om zijn belangrijke takenpakket te kunnen uitvoeren; nodigt de secretaris-generaal van de VN uit om voor armoedebestrijding en onderwijsmaatregelen, alsook voor het waarborgen van culturele verscheidenheid, systematisch gebruik te maken van UNESCO-bijdragen;
39. roept op tot de oprichting van een parlementaire assemblee bij de VN binnen het VN-systeem, die het democratische profiel en het internationale democratische proces van de organisatie ten goede zou komen en het maatschappelijk middenveld in de gelegenheid zou stellen direct bij het besluitvormingsproces betrokken te zijn; is van oordeel dat deze parlementaire assemblee daadwerkelijke informatie-, participatie- en controlerechten moet hebben, en aanbevelingen aan de Algemene Vergadering van de VN zou moeten kunnen goedkeuren;
40. stelt voor om als eerste stap een parlementaire bijeenkomst te houden voorafgaand aan de bijeenkomst van de staats- en regeringsleiders in september 2005, als aanvulling op de tweede wereldconferentie van parlementsvoorzitters op 7-9 september 2005 in New York; is bereid een delegatie naar deze parlementaire bijeenkomsten af te vaardigen; geeft zijn volledige steun aan de oprichting van een democratiefonds gericht op het bevorderen, tot stand brengen en versterken van democratie in de hele wereld, zoals voorgesteld in het RSG;
41. roept de lidstaten op een "Democracy Caucus" van de VN op te richten, dat democratie in de lidstaten van de VN bevordert en helpt bij het tot stand brengen van democratische structuren binnen het VN-systeem door als rolmodel te fungeren voor opkomende democratieën en er tegelijkertijd op toe te zien dat niet-democratische, autoritaire regimes geen voorzitters leveren van belangrijke VN-organen en aldus de geloofwaardigheid van de VN in gevaar brengen;
42. verwelkomt het initiatief van de secretaris-generaal tot het organiseren van het "Treaty event, an invitation to universal participation Focus 2005: responding to global challenges"; roept de lidstaten op dit initiatief te steunen door de in Focus 2005 bedoelde verdragen waar zij op dit moment nog geen partij bij zijn alsnog te tekenen, te ratificeren of toe te treden; roept de Raad en de Commissie op om in hun betrekkingen met derde landen dit initiatief te promoten en deze landen te helpen bij hun inspanningen gericht op het tekenen, ratificeren of het zich aansluiten bij deze verdragen vóór september 2005;
43. herinnert aan de succesvolle samenwerking tussen de VN en de EU bij de reddingsoperaties en de hulpverlening na de tsunami; verwelkomt de aanbeveling van de secretaris-generaal waarin hij de VN vraagt voort te bouwen op de successen van regionale organisaties, met name bij het ontwikkelen van sterke normen ter waarborging van politieke stabiliteit en bescherming van de rechten van minderheden, inheemse volkeren en intern ontheemde personen; verwelkomt de aanbeveling om meer steun toe te kennen aan Afrika en de Afrikaanse Unie; roept op tot versterking van het partnerschap tussen de VN en de EU, gezien het feit dat de laatste het best in staat is te zorgen voor coördinatie met andere landen en regionale entiteiten van de effectieve implementatie van globale maatregelen, inclusief deze betreffende het Internationaal Strafhof, het Kyoto-protocol en het internationaal verbod op landmijnen;
44. herhaalt zijn standpunt dat een reorganisatie van de diplomatieke vertegenwoordiging van de EU bij de VN in het licht van de Grondwet van de EU van het allergrootste belang is voor de onderlinge betrekkingen en voor de invloed van de EU op het internationale toneel; spoort de Raad en de Commissie derhalve aan actief te blijven ijveren voor het samengaan van hun respectieve verbindingsbureaus en delegaties in één gemeenschappelijke externe EU-delegatie in elk van de volgende hoofdkwartieren van de VN: New York, Genève, Wenen en Naïrobi;
45. roept de lidstaten van de EU met klem op onverwijld steun te geven aan de voorstellen voor hervorming zoals uiteengezet in het RSG, dat voortbouwt op het RGHN, om alles te doen wat in hun vermogen ligt om deze hervormingen op de geëigende gebieden te implementeren en om samen met de EU-instellingen daarvoor de nodige middelen ter beschikking te stellen;
46. verzoekt het Bureau een groep deskundigen te vragen een eerste blauwdruk te maken van hoe de algehele hervorming van het VN-systeem zich zou kunnen verhouden tot het VN-Handvest en de instellingen van de EU;
47. beslist een serie bewustmakingscampagnes te starten om het publiek binnen en buiten Europa te informeren over de historische gevolgen van de hervorming van de VN en de invloed van die hervorming op het Europese institutionele systeem;
o o o
48. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN, de voorzitter van de Sociaal-Economische Raad van de VN, de leden van het groep op hoog niveau voor de hervorming van de VN, het Amerikaanse congres, de Interparlementaire Unie en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.