Choisissez la langue de votre document :

  
  
  
  
: 2005/2049(INI)
: A6-0312/2005

:

A6-0312/2005

:

PV 16/11/2005 - 4

:

PV 16/11/2005 - 5.6

:

P6_TA(2005)0433

DOC 73k
 - 1207
Zege in de strijd tegen de wereldwijde klimaatverandering
P6_TA(2005)0433A6-0312/2005

Resolutie van het Europees Parlement over de zege in de strijd tegen de wereldwijde klimaatverandering (2005/2049(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: Naar de zege in de strijd tegen de wereldwijde klimaatverandering (COM(2005)0035),

–   gezien het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en gezien de toepassingsprocedures voor de tenuitvoerlegging daarvan die op de Conferenties van de Partijen van Bonn (juli 2001), Marrakech (november 2001), New Delhi (oktober en november 2002), Milaan (december 2003) en Buenos Aires (december 2004) zijn goedgekeurd,

–   onder verwijzing naar zijn vorige resoluties inzake klimaatverandering, met name zijn resolutie van 13 januari 2005 over het resultaat van de Conferentie van Buenos Aires(1) en die van 12 mei 2005 over het seminar van regeringsdeskundigen over klimaatverandering(2) ,

–   gezien de verklaringen die op de G8-Top in Gleneagles werden overgebracht door 24 internationale bedrijfsleiders die het Economisch Wereldforum vertegenwoordigen, bijvoorbeeld over de behoefte om klimaatstabilisatiestreefdoelen voor de lange termijn vast te stellen,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0312/2005),

A.   overwegende dat klimaatverandering een van de grote uitdagingen van de 21ste eeuw is met aanzienlijke, negatieve gevolgen voor de hele wereld op ecologisch, economisch en sociaal gebied die rampzalige uitwerkingen kunnen hebben, en overwegende dat de klimaatverandering verschilt van de andere milieuproblemen waarmee de wereld te kampen hebben,

B.   overwegende dat er aanwijzingen voor klimaatverandering zijn, bijv. het smelten van poolijs en permafrost en heel waarschijnlijk de toenemende frequentie en intensiteit van extreme weersomstandigheden, en overwegende dat de economische schade veroorzaakt door met het weer verband houdende natuurrampen in de afgelopen tien jaar met een factor zes is toegenomen ten opzichte van de jaren zestig,

C.   overwegende dat de industrielanden een grote verantwoordelijkheid voor de aangroei van broeikasgasemissies dragen, zowel wat betreft vroeger tijden als heden, overwegende dat de ontwikkelingslanden waarschijnlijk het zwaarst door een onstabieler klimaat zullen worden getroffen en dat de industrielanden de hoofdverantwoordelijkheid op zich moeten nemen om de armste landen te helpen zich aan de klimaatverandering aan te passen en hen bij te staan in deze ontwikkeling, zowel op technologisch als op financieel vlak,

D.   overwegende dat het Protocol van Kyoto op 16 februari 2005 in werking is getreden na te zijn geratificeerd door 152 landen en organisaties voor regionale economische integratie, die tezamen verantwoordelijk zijn voor 61,6% van de broeikasgasemissies van Bijlage I in 1990 en die ongeveer 90% van de wereldbevolking vertegenwoordigen,

E.   volledige uitvoering door alle partijen van het VN Raamverdrag inzake klimaatverandering en van het Kyoto-protocol fundamenteel is voor de aanpak van klimaatverandering, zelfs al zullen de maatregelen pas werkelijk effectief zijn als er een globale oplossing wordt gevonden die alle grote economische blokken omvat die voor het merendeel van de vervuilende emissies verantwoordelijk zijn,

F.   overwegende dat het Protocol van Kyoto bepaalt dat in 2005 de onderhandelingen moeten starten voor het initiatief tot het beoordelen van de verplichtingen inzake de reductie van de emissies voor de periode na 2012 en dat de elfde Conferentie van Partijen (COP-11) en de eerste bijeenkomst van de Partijen bij het Protocol (COP/MOP 1) in Montreal bijgevolg de hoogste prioriteit aan deze taak dienen te verlenen,

G.   overwegende dat spoedig andere streefdoelen moeten worden bepaald om investeringszekerheid te verschaffen voor koolstofarme energiebronnen, technologieën die weinig broeikasgas afgeven en hernieuwbare energie, en om investeringen in incompatibele energie-infrastructuur te vermijden,

H.   overwegende dat, om aan de voornaamste doelstelling van het UNFCCC te kunnen voldoen – het vermijden van gevaarlijke klimaatverandering –, het volgens recente wetenschappelijke berichten vereist zou kunnen zijn de concentratie van broeikasgassen op een peil beneden 500 ppm CO2-equivalent – d.w.z. op een peil dat niet veel hoger is dan het huidige – te stabiliseren en dat bijgevolg in de nabije toekomst een ingrijpende vermindering van de emissies noodzakelijk is,

I.   overwegende dat investeringen op het gebied van energie-efficiëntie de meest veelbelovende manier is om de koolstofuitstoot te beperken en overwegende dat er in de EU een aanzienlijk potentieel is voor kosteneffectieve energiebesparing,

J.   overwegende dat het klimaateffect aanzienlijk kan worden verminderd door middel van een betere communautaire planning,

K.   overwegende dat de uitbreiding van reeds vastgelegde mogelijkheden tot emissiehandel naar andere domeinen (bijvoorbeeld, de luchtvaart), moet voorafgegaan worden door een analyse die aantoont dat deze uitbreiding bijdraagt tot de strijd tegen klimaatverandering en dat rijke landen/gebieden niet bevoordeeld worden ten koste van landen en bedrijven in ontwikkeling;

L.   overwegende dat in het kader van de inspanningen om de emissies in te tomen en duurzamere levensstijlen te ontwikkelen, een veel sterkere participatie op het niveau van de burger ten zeerste geboden is,

M.   overwegende dat de broeikasgasemissies in vele lidstaten nog steeds toenemen, waaruit blijkt dat de EU snel maatregelen moet treffen teneinde aan haar Kyoto-verplichtingen te kunnen voldoen,

N.   overwegende dat de kosten van de maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, zullen worden gecompenseerd door de winsten die zullen voortvloeien uit het beperken van de stijging van de temperatuur van de aarde tot maximaal 2°C in vergelijking met niveaus tijdens het pre-industrieel tijdperk, aangezien aldus de schade en de verliezen die de klimaatverandering anders wereldwijd zou veroorzaken, worden voorkomen,

O.   overwegende dat er enorme ongekende zakelijke mogelijkheden bestaan als we niet langer afhankelijk zijn van de op fossiele brandstoffen gebaseerde economie; overwegende dat zich tevens grote zakelijke mogelijkheden voordoen voor ontwikkelingslanden die rijk zijn aan hernieuwbare energiebronnen, maar thans niet over de nodige technologie beschikken om van deze bronnen gebruik te maken;

1.   onderstreept dat de EU-strategie ter beperking van de klimaatverandering op een door zeven pijlers geschraagde aanpak moeten worden gebaseerd:

   - voortborduren op Kyoto, - bindende streefdoelen inzake uitstoot van broeikasgassen, een mondiaal systeem van uitstootbeperking en emissiehandel, en flexibele mechanismen,
   - de emissies met 30% reduceren tegen 2020, door gebruik te maken van een combinatie van marktstimulansen en regelgeving teneinde investeringen in energie-efficiëntie en/of in CO2-vrije en CO2-arme technologieën te bevorderen;
   - een proactieve houding innemen om andere belangrijke actoren in de beweging mee te nemen, met name de VS,
   - een strategisch partnerschap met landen als China, Zuid-Afrika, Brazilië en India ontwikkelen, teneinde hen te helpen bij de ontwikkeling van strategieën inzake duurzame energie en teneinde hun deelname garanderen aan de inspanningen ter beperking van de klimaatverandering,
   - onderzoek en innovatie ten behoeve van nieuwe technologieën op het gebied van duurzame energiebronnen krachtig bevorderen, en averechtse prikkels, zoals subsidies voor fossiele brandstoffen en het internaliseren van externe kosten, waaronder die van klimaatverandering, in de prijs van de energieproductie, afvoeren,
   - gebruikmaken van de Europese en nationale wetgeving om een grotere energie-efficiëntie te stimuleren en de prijs te verlagen van technologie die het klimaateffect vermindert,
   - aanmoedigen tot een grotere rechtstreekse betrokkenheid van het publiek bij de inspanningen ter beperking van de klimaatverandering op het niveau van de Europese burger, waarvoor het noodzakelijk is om gedetailleerde informatie over het koolstofgehalte van producten en diensten te verstrekken, evenals over de toekomstige optie van een systeem voor de handel in persoonlijke quota;

2.   dringt er bij de EU op aan ervoor te zorgen dat de COP11- en COP/MOP1-bijeenkomst in Montreal een beslissing neemt over een tijdschema voor onderhandelingen over toekomstige klimaatverbintenissen, met een deadline voor het bereiken van een akkoord tegen eind 2008;

3.   roept de EU op om op de COP-11 en de COP/MOP1 voorstellen in te dienen voor een toekomstig klimaatbeleid dat gebaseerd is op de overkoepelende doelstelling de opwarming van de aarde te beperken tot een maximum van 2°C boven het temperatuurpeil van voor de industrialisering;

4.   is van oordeel dat een toekomstig klimaatbeleid op gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde, op contractie en convergentie gerichte verantwoordelijkheden moet zijn gebaseerd, op een continue en steeds sterkere beperking van de emissies en op het betrekken van een toenemend aantal landen bij de inspanningen daarvoor; beklemtoont dat alle streefdoelen voor emissiebeperkingen gebaseerd dienen te zijn op recent wetenschappelijk onderzoek en tot doel dienen te hebben dat een globaal gemiddelde temperatuurstijging van 2°C met redelijke zekerheid niet wordt overschreden; beklemtoont bovendien dat alle desbetreffende maatregelen kosteneffectief dienen te zijn en dat er derhalve op lange termijn naar moet worden gestreefd een mondiale, op uitstootbeperking en emissiehandel gebaseerde koolstofmarkt te ontwikkelen; merkt bovendien op dat bij het berekenen van de kosteneffectiviteit rekening moet worden gehouden met de kosten van inactiviteit en met de verwachte economische voordelen van tijdige actie en innovatie, alsook van geavanceerde leersystemen, die de kosten van het beperken van de klimaatverandering zullen drukken;

5.   verwelkomt de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 23 maart 2005, met name het besluit dat tegen 2020 naar de uitstootbeperking voor ontwikkelde landen in de orde van grootte van 15 tot 30 % moet worden gestreefd; beklemtoont echter dat ook streefdoelen voor de langere termijn nodig zijn en suggereert een streefdoel van 60 tot 80 % voor 2050;

6.   betreurt het niet nakomen door de huidige regering van de VS van de verbintenissen in het kader van UNFCCC om terug te keren naar de emissieniveaus van 1990 en een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen, en betreurt het feit dat de VS hebben beslist niet door te gaan met de ratificatie van het Kyotoprotocol; roept de EU op ervoor te zorgen dat het multilaterale proces niet wordt verlamd door individuele staten;

7.   wijst erop dat het energiebesparingspotentieel wel 40 % is in de EU, maar dat dit alleen gehaald kan worden als er bindende doelstellingen worden vastgesteld;

8.   constateert dat met een systematische aanpak 25 % van het EU-energieverbruik tegen 2020 met hernieuwbare energie kan worden gedekt;

9.   onderstreept dat een doeltreffende beperking van de klimaatverandering een ingrijpende transformatie van het vervoers- en energiesysteem en van het thermisch ontwerp van gebouwen vergt en dat deze transformatie een drijvende kracht binnen het kader van de Lissabon-strategie dient te worden, teneinde de economische groei en het concurrentievermogen te stimuleren; roept de EU op een strategie te ontwikkelen om van Europa de meest energie-efficiënte economie ter wereld te maken, door het vastleggen van streefdoelen voor jaarlijkse beperkingen van de energie-intensiteit van 2,5-3%;

10.   doet in dit verband een beroep op de lidstaten om permanente monitoringsystemen te ontwikkelen voor het beoordelen van de hoeveelheden materialen en energie die in elke economische sector worden gebruikt, voor het steunen van adequate reductiemaatregelen;

11.   erkent dat een vertraagd optreden het risico van nadelige milieueffecten en hogere kosten zal vergroten; beweert bovendien dat het beperken van de emissies wereldwijd niet mag leiden tot andere gevaren;

12.   meent dat de strijd tegen de klimaatverandering voordelen oplevert voor samenleving en milieu en bijdraagt tot het behalen van de Lissabon- en de VN-millenniumontwikkelingsdoelstellingen; meent dat de investering in en de ontwikkeling van duurzame energie leidt tot nieuwe mogelijkheden voor land- en bosbouw, meer banen, een betere gezondheid, meer regionale groei, een betere benutting van lokale en regionale middelen en van bestaande geavanceerde technologie en tot minder armoede;

13.   verlangt dat de EU zich samen met andere wereldwijde actoren meer inspant voor de ontwikkeling van veelbelovende technologische oplossingen;

14.   benadrukt dat vele van de voor de reductie van broeikasgasemissies vereiste technologieën reeds beschikbaar zijn, dat hun intrede op de markt echter door een groot aantal obstakels wordt belemmerd, niet in de laatste plaats door averechtse prikkels, zoals subsidies voor fossiele brandstoffen; verzoekt de Commissie derhalve om een wetgeving voor te stellen om dergelijke subsidies integraal af te schaffen en om in de plaats daarvan een systeem van positieve prikkels in te voeren ter bevordering van het gebruik van energie-efficiënte, koolstofarme en koolstofvrije technologieën en roept ertoe op om door middel van het proactieve gebruik van openbare overheidsopdrachten binnen de EU de kosten van dergelijke technologieën te helpen drukken; verzoekt daarenboven niet alleen dat het zevende kaderprogramma voor wetenschappelijk onderzoek wordt toegespitst op onderzoek en innovatie op terreinen die verband houden met de beperking van de klimaatverandering, ten behoeve van een spoedprogramma naar het voorbeeld van het Apollo-programma van de jaren zestig in de VS, maar ook dat onderzoek en innovatie op het gebied van duurzame energiebronnen en duurzaam beheer van het landgebruik worden gestimuleerd;

15.   verzoekt de Commissie, in aanmerking genomen dat veel of zelfs alle energie-infrastructuur van de EU in de komende decennia aan vervanging toe is, om voorstellen in te dienen die moeten verzekeren dat alle investeringen in energie-infrastructuur binnen de EU de beste beschikbare technologieën voor weinig of geen emissies door fossiele brandstof toepassen;

16.   merkt op dat investeringen in maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie en in technologieën voor hernieuwbare energie de belangrijkste alternatieven ten behoeve van een beperking van de klimaatverandering vormen; wijst er tegelijk op dat de ontwikkeling van technieken voor het opvangen en opslaan van koolstof van belang is – niet in de laatste plaats voor regio's met omvangrijke steenkoolreserves;

17.   roept de Commissie en de lidstaten op om een duidelijke en concrete inbreng te doen in een eventuele hervorming van het CDM en zijn instellingen, met het doel de tenuitvoerlegging ervan te verbeteren en een grotere betrokkenheid van de spelers uit de particuliere sector te bevorderen, om op die manier de stootkracht te creëren die nodig is voor het voortbestaan ervan na 2012;

18.   wijst erop dat nieuwe technologieën moeten worden aangemoedigd voor in de ruimte gebaseerde systemen om natuurrampen vanuit de ruimte te analyseren en zo hun vernietigende gevolgen te voorspellen en te beperken;

19.   is van oordeel dat de complexiteit van het onderzoek en de technologische ontwikkeling die door de klimaatverandering en voor rampenpreventie nodig zijn, alsook hun grensoverschrijdende dimensie, het noodzakelijk maken om Europese formules te zoeken die het beginsel van de regionale en nationale subsidiariteit te boven gaan;

20.   erkent dat veranderingen in benadering en fysieke aanpassingen nodig zullen zijn om de samenleving voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering;

21.   roept de lidstaten op om, als ze dat nog niet hebben gedaan, middelen bij te dragen aan het aanvullend fonds, om op die manier te verzekeren dat de raad van bestuur van het CDM de opdracht kan vervullen om een goed functionerend en effectief mechanisme te creëren;

22.   onderstreept dat de ontwikkeling in de vervoerssector primordiaal is, aangezien die bijdraagt tot ruwweg 30 % van de emissie van CO2-equivalenten in de Europese Gemeenschap, waarvan ongeveer 85 % toe te schrijven is aan het wegvervoer; onderstreept dat het spoorvervoer in zeer grote mate energie-efficiënter is dan het wegvervoer; betreurt het feit dat de auto-industrie de norm van 140 gm/km, zoals deze is vastgelegd in de vrijwillige overeenkomst met de auto-industrie, naar alle waarschijnlijkheid niet tijdig kan halen; roept er derhalve toe op om op korte termijn een beleid te ontwikkelen dat sterke maatregelen omvat ter beperking van de uitstoot door het vervoer, met inbegrip van bindende doelstellingen voor de CO2-emissies van nieuwe voertuigen in de orde van grootte van 80 tot 100 gm/km die voor nieuwe voertuigen op middellange termijn met behulp van een emissiehandel tussen de autoproducenten dienen te worden bereikt, en dat overige maatregelen omvat zoals snelheidsbeperkingen in de hele EU, verkeersheffingen en belastingvoordelen, samen met een stimulering van het spoorvervoer en het openbaar vervoer in het algemeen; roept de Commissie voorts op innovatieve manieren te ontwikkelen om de CO2-belasting van transport zichtbaar te maken en voorstellen in te dienen om de verkeersvolumes in de Europese Unie tussen nu en 2010 te stabiliseren of te verminderen;

23.   neemt met zorg nota van het toenemende vrachttransport en verzoekt de Commissie een inschatting te maken van de CO2-uitstoot veroorzaakt door vrachttransport, en voorstellen in te dienen om een groot deel van het wegvrachtverkeer naar meer milieuvriendelijke vervoersmethodes over te brengen; roept de Commissie op om als onderdeel van haar herziening van het European Climate Change Programme (ECCP) voorstellen in te dienen voor de oprichting van een "Trans-European Fast Rail Freight Network", dat de versplintering in het vrachtnetwerk oplost en de overblijvende infrastructuurbottlenecks wegwerkt; roept ertoe op om ook bindende doelstellingen voor de CO2-emissies van vrachtwagens in overweging te nemen; roept de Commissie op na te gaan welke voordelen voor het beperken van de klimaatverandering het zou kunnen opleveren om de lidstaten toe te staan vrachtwagens te gebruiken met de Zweedse/Finse lengte; en de bevindingen spoedig te rapporteren;

24.   herhaalt zijn vraag om emissies van internationale vluchten en scheepvaart op te nemen in de streefdoelen voor emissiebeperking vanaf 2012;

25.   steunt de invoering van ecotaksen in de Gemeenschap; beklemtoont dat deze ecotaksen, net als andere marktinstrumenten, van wezenlijk belang zijn voor een doeltreffend beleid om de milieuvervuiling te verminderen; roept de Commissie op om voorstellen in te dienen en de lidstaten om de eerste Europese ecotaks tegen uiterlijk 2009 aan te nemen;

26.   steunt het voorstel van de Commissie voor een thematische strategie voor de stedelijke omgeving, die tot doel heeft de kwaliteit van stedelijke gebieden te verbeteren, meer bepaald wat betreft de luchtkwaliteit; neemt in verband met de klimaatverandering het standpunt in dat er aan twee beleidsterreinen voorrang moet worden gegeven: de ontwikkeling van openbare vervoersdiensten die gebruikmaken van schone of minder verontreinigende technologieën, en de bevordering van duurzame bouwmethodes met een hoge milieukwaliteit (HEQ);

27.   stelt dat de EU en haar lidstaten hun communautaire planninginstrumenten moeten herzien om het klimaateffect te verminderen, vooral wat betreft de planning van een nieuwe investering in vervoerssystemen en nieuwe woon- en industriezones;

28.   roept de Commissie op, teneinde vóór de onderhandelingen van 2012 een duidelijk EU-leiderschap aan te tonen, specifieke wetgevingsvoorstellen in te dienen om het toepassingsgebied van de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen uit te breiden, en om de nieuwste biologische flexi-brandstoffen op te nemen in de richtlijn ter bevordering van de biobrandstoffen (zoals MTHF, ethyllevulinaat, enz.), om in de hele EU verplichte gemeenschappelijke normen voor deze nieuwe brandstoffen in te voeren, om stimulansen te creëren voor captive fleets die met biobrandstoffen rijden en om minimum mee- en bijstookpercentages in te voeren, waarbij de milieuefficiëntie wordt onderzocht van het opleggen van een minimum van 10% biobrandstof in brandstoffen voor voertuigen, als onderdeel van haar herziening van het ECCP;

29.   roept de EU op ervoor te zorgen dat de structuurfondsen worden behandeld als prioritair voor duurzame ontwikkeling;

30.   merkt op dat de luchtvaart verantwoordelijk is voor tussen 4 % en 9 % van alle uitstoten van broeikasgassen overal ter wereld en dat uitstoten van de luchtvaart jaarlijks toenemen met 3 %; benadrukt het belang van ernstige beperkingsstreefdoelen voor de luchtvaartsector; dringt er bij de Commissie op aan onverwijld maatregelen te treffen teneinde de gevolgen van het luchtverkeer voor het klimaat te verminderen, door voor de periode 2008-2012 een proefproject voor emissieverhandeling van luchtvaartemissies in te voeren, dat alle vluchten naar en van om het even welke luchthaven in de EU dekt, en om parallel instrumenten in te voeren om het gehele effect van de luchtvaart op het klimaat aan te pakken; roept op tot vergelijkbare inspanningen om ook de emissies van het maritiem vervoer aan te pakken;

31.   roept de Commissie op om duidelijk de weg te banen naar de CO2-arme economie door een scenario te ontwerpen dat onder andere meer inzicht geeft in wat mag worden verwacht van hernieuwbare en waterstofenergie; roept de Commissie tegelijkertijd op om alle bottlenecks in de ontwikkeling en toepassing van nieuwe en propere technologieën te identificeren;

32.   benadrukt dat, in tegenstelling tot de sectoren elektriciteit en brandstof, de Europese Unie geen systematische benadering heeft voor steun voor hernieuwbare energiebronnen in de sectoren verwarming en koeling, ondanks het feit dat de afhankelijkheid van gas- en olie-importen in deze sector bijzonder hoog is en de kosten van het verhogen van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen relatief laag; dringt derhalve aan op een strategie om verwarmings- en koelingseenheden die hernieuwbare energiebronnen gebruiken concurrerend te maken door middel van verhoging van de productiviteit; wijst er in dit verband op dat bureaucratische verordeningen op EU-niveau voor eigenaren en bouwers van huizen niet het geëigende middel zijn, en dat de voorkeur dient te worden gegeven aan een richtlijn met realistische, maar ambitieuze doelstellingen, gericht op het coördineren van de maatregelen van de lidstaten gebaseerd op tijdelijke beperkte stimulansen voor markttoegang;

33.   is van mening dat de Commissie in dit verband een voorstel voor een richtlijn over verwarming en koeling moet presenteren in een formaat vergelijkbaar met dat van het voorstel voor biobrandstoffen;

34.   is van oordeel dat de spoedige ontwikkeling van de energieopwekking uit biomassa en de stimulering van duurzame agrarische energiebronnen, samen met een evenwichtige benadering van de voedselproductie, een hoge prioriteit dient te krijgen bij de verschuiving van de klemtoon van het communautair landbouwbeleid; benadrukt dat de energieproductie uit biomassa moet worden georganiseerd op een manier die doeltreffend is op het vlak van energieomzetting en die bovendien ecologisch duurzaam is; is in dit verband verheugd over de intentie van de Commissie om een actieplan biomassa in te dienen en verzoekt de Commissie juridisch bindende maatregelen in haar voorstel op te nemen;

35.   wijst op de behoefte om de onderzoekslijnen en voorzorgsmaatregelen te diversifiëren, teneinde effecten op de menselijke gezondheid en veiligheid, overstromingen, droogte, branden, - vooral in beboste en beschermde gebieden-, een afname van de biodiversiteit, en economische verliezen te vermijden; roept de lidstaten en de Commissie op rekening te houden met het belang van bossen en landbouw voor de absorptie van koolstof, het afremmen van erosie, het verschaffen van middelen en ten slotte het regelen van het klimaat;

36.   roept de Commissie en de lidstaten op, teneinde een speelveld op internationaal niveau te verzekeren, te overwegen om sectorale streefdoelen voor energieverslindende exportindustrieën in landen zonder bindende uitstootbeperkingen als aanvulling op de bindende emissiestreefdoelen voor de geïndustrialiseerde landen voor te stellen; verzoekt de Commissie voorts de mogelijkheid te onderzoeken het emissiehandelssysteem met derde landen te verweven; vraagt de Commissie om actief in elke sector of bedrijfstak de dialoog aan te gaan met ondernemingen om te bezien welke veranderingen in productie, consumptie en transport gestimuleerd kunnen en moeten worden om de uitstoot van broeikasgassen in de EU te verminderen;

37.   roept de Commissie op ernstig rekening te houden met het "free-rider"-probleem op het gebied van de beperking van klimaatverandering; roept de Commissie en de lidstaten op de mogelijkheid te onderzoeken om grensaanpassingsmaatregelen op handel in te voeren, teneinde elk mogelijk concurrentievoordeel op korte termijn voor producenten in geïndustrialiseerde landen zonder koolstofbeperkingen te neutraliseren; onderstreept dat de internationale handelspatronen van grote invloed zijn op de verandering van het klimaat; dringt er daarom bij de WTO op aan een mechanisme voor duurzame ontwikkeling in zijn werkzaamheden op te nemen;

38.   is van oordeel dat in het kader van de herziening en eventuele uitbreiding van het huidige emissiehandelssysteem het idee van "grandfathering" vanwege de grote tekortkomingen daarvan zorgvuldig dient te worden heroverwogen en dat alternatieven zoals veiling en benchmarking – bij invoering van een upstream-benadering – zouden moeten worden onderzocht; is bovendien van mening dat ook de nationale emissiequota vanwege de toenemende grensoverschrijdende handel, met name in elektriciteit, moeten worden heroverwogen;

39.   beveelt aan dat de EU een specifiek samenwerkingsbeleid inzake klimaatverandering voor ontwikkelingslanden ontwikkelt; merkt op dat het opnemen van klimaatveranderingsoverwegingen in het bredere ontwikkelingsbeleid de ontwikkeling en invoering van een aantal instrumenten vereist; prioriteiten op dit gebied zijn landbouw en voedselzekerheid, twee gebieden die het gevoeligst zijn voor klimaatfactoren; is voorts van mening dat economische diversificatie een ander belangrijk punt van zorg is, aangezien veel ontwikkelingslanden in de Alliance of Small Island States (AOSIS) in hoge mate afhankelijk zijn van toerisme; om klimaatverandering tegen te gaan moet in de eerste plaats worden gekeken naar vervoer, planning van openbare voorzieningen en energie; merkt op dat ook andere prioriteiten voorkoming van en voorbereiding op rampen zijn;

40.   verwelkomt de totstandbrenging van het milieu-informatiesysteem voor milieu en duurzame ontwikkeling voor Afrika van de Commissie, dat gebaseerd is op satelliet- en computercartografietechnieken en de activiteiten van het Bureau voor humanitaire hulp (ECHO) op het gebied van ontwikkeling ondersteunt; er moet onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om de structuur van de Commissie te ontwikkelen en uit te breiden door daarin een netwerk voor de observatie van klimaatverandering op te nemen;

41.   benadrukt dat, wat betreft de deelname van ontwikkelingslanden aan het toekomstige klimaatstelsel, de EU duidelijk moet erkennen dat armoede en ontwikkeling prioriteit hebben voor deze landen; de VN-millenniumontwikkelingsdoelstellingen zullen echter nooit worden bereikt als milieukwesties zoals klimaatverandering niet naar behoren worden aangepakt; duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding zou het algemene kader moeten blijven waarin ontwikkelingslanden zouden moeten worden aangemoedigd tot het vaststellen van beleid en het nemen van maatregelen waarin kwesties op het gebied van klimaatverandering worden geïntegreerd, of het nu gaat om aanpassing of beperking;

42.   steunt derhalve de totstandbrenging van een nieuwe samenhangende politieke oplossing om het welzijn van bevolkingen die al kwetsbaar zijn, te verbeteren via een mondiale ontwikkelingsstrategie met passende economische ondersteuning; beveelt aan dat deze nieuwe strategie zou zijn gebaseerd op de koppeling van klimaatverandering, beheer van natuurlijke hulpbronnen, preventie van rampen en uitroeiing van armoede;

43.   benadrukt dat alle ontwikkelingslanden recht hebben op economische ontwikkeling; benadrukt dat de EU en andere industrielanden de ontwikkelingslanden moeten steunen in het ontwikkelen van duurzame technologieën; meent echter dat de ontwikkelingslanden de vervuilende praktijken van de industrielanden niet noodgedwongen moeten herhalen; meent dat de regels van het Clean Development Mechanism moeten worden herzien, zodat ze voor duurzame ontwikkeling zorgen; stelt voor om de leningsprioriteiten van internationale financiële instellingen, evenals de EU-bijstand, te verschuiven naar steun voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie; stelt derhalve voor een multilateraal initiatief voor duurzame energie in het leven te roepen - met deelneming van de EU, landen als China, India, Brazilië, Zuid-Afrika, enz., evenals een aantal vooraanstaande ondernemingen op het gebied van energie-, dat ten doel heeft technologische samenwerking op grote schaal te bevorderen, vooral in de energie- en vervoerssector; steunend op het voorbeeld van het onlangs overeengekomen EU-China Climate Change Partnership;

44.   roept de Commissie op, als onderdeel van de technologische samenwerking met landen uit bijlage B en als onderdeel van haar herziening van de Overeenkomst van Cotonou, om hun regeringen te helpen bij het aannemen van nationale energiestrategieën teneinde hun afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen te beperken, om sprongsgewijze technologische vorderingen te bevorderen, vooral wat hernieuwbare energie betreft, meer bepaald biomassa, en om hen te helpen aan de millenniumontwikkelingsdoelstellingen van de VN te voldoen;

45.   onderstreept de noodzaak van meer financiële steun voor de aanpassing aan het veranderende klimaat voor de minst ontwikkelde landen; is in dit verband van oordeel dat het beheer van duurzame bosbouw, met name van tropische bossen, een belangrijk element vormt in het kader van klimaatverandering en de aanpassing daaraan, en dringt er derhalve bij de Commissie op aan om daar voorrang aan te geven bij haar ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten;

46.   roept de Commissie op de haalbaarheid en verdiensten te onderzoeken van het opzetten van een systeem van persoonlijke verhandelbare emissiequota's, om de burger te betrekken en om de particuliere consumptiepatronen te beïnvloeden;

47.   roept de EU-instellingen op een goed voorbeeld te geven door de uitstoot van broeikasgassen bij hun diverse activiteiten te beperken, door middel van een verhoogde energie-efficiëntie in kantoorgebouwen en van alle gebruikte apparaten, koolstofarme reizen, enz.; is van mening dat bijzondere inspanningen nodig zijn met betrekking tot reizen van leden van het Parlement, wat een heroverweging van de meerdere locaties van het Europees Parlement, koolstofarme voertuigen voor de vervoersdienst, enz. betekent;

48.   roept de Commissie op om, vanuit EU-initiatief, een bewustmakingscampagne op te starten naar de burgers toe over de invloed van verspillende consumptie en productie op de klimaatverandering;

49.   erkent en steunt oplossingen die op informatie- en communicatietechnologie (ICT) gebaseerd zijn en die economische groei loskoppelen van energie- en materiaalconsumptie, alsook vervoer en die bijdragen aan een meer duurzame maatschappij; roept de Commissie op beleidsmaatregelen voor te stellen om de aan ICT te danken efficiëntieverbeteringen vast te leggen in huisvesting, dematerialisering, vervoer, en een verschuiving van producten naar diensten;

50.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Secretariaat van het UNFCCC en van de WTO, met het verzoek deze onder alle verdragsluitende partijen buiten de EU te verspreiden.

(1) PB C 247 E van 6.10.2005, blz. 144.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0177.