Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2005/2649(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B6-0029/2006

Debatten :

PV 18/01/2006 - 10
CRE 18/01/2006 - 10

Stemmingen :

PV 19/01/2006 - 8.8

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0026

Aangenomen teksten
DOC 49k
Donderdag 19 januari 2006 - Straatsburg Definitieve uitgave
Tsjetsjenië na de verkiezingen en het maatschappelijk middenveld in Rusland
P6_TA(2006)0026B6-0028, 0029, 0032, 0037, 0041 en 0044/2006

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Tsjetsjenië na de verkiezingen en het maatschappelijk middenveld in Rusland

Het Europees Parlement ,

–   gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en de Russische Federatie anderzijds(1) , die op 1 december 1997 in werking is getreden,

–   gezien het doel van de EU en Rusland om de vier "gemeenschappelijke ruimtes" waarover op de topconferentie tussen de EU en Rusland van 10 mei 2005 overeenstemming bereikt werd, ten uitvoer te leggen,

–   gezien zijn resolutie van 26 mei 2005 over de betrekkingen tussen de Unie en Rusland(2) ,

–   gezien zijn resolutie van 15 december 2005 over de mensenrechten in Rusland en de nieuwe NGO wetgeving(3) ,

–   gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de vijf bijbehorende protocollen,

–   gezien de vele geloofwaardige berichten van Russische en internationale NGO's over de voortdurende ernstige schendingen van de mensenrechten in Tsjetsjenië en de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in gevallen met betrekking tot Tsjetsjenië,

–   gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het Britse Voorzitterschap van de Europese Unie zich op 29 november 2005 ingenomen heeft getoond met de parlementsverkiezingen die op 27 november hebben plaatsgevonden in de Russische republiek Tsjetsjenië, omdat deze verkiezingen een belangrijke stap zouden zijn naar een bredere vertegenwoordiging van een scala aan opvattingen in de Tsjetsjeense samenleving,

B.   overwegende dat de Europese Commissie het "een aanmoediging" noemde dat deze parlementsverkiezingen - de eerste in Tsjetsjenië na acht jaar - hebben plaatsgevonden "zonder noemenswaardig geweld", maar zich niet heeft willen uitlaten over het al dan niet eerlijke verloop van de verkiezingen,

C.   overwegende dat mensenrechtenactivisten in een open brief aan de Europese Unie, die ondertekend was door de Russische mensenrechtenvereniging "Memorial", de Helsinki-federatie voor Mensenrechten, de Russisch-Tsjetsjeense vriendschapsvereniging en andere organisaties, waaronder de in Parijs gevestigde internationale federatie voor de rechten van de mens, de EU hebben beschuldigd van het verdoezelen van de realiteit door het verloop van de verkiezingen positief te beoordelen en erop hebben gewezen dat deze verklaring niet alleen in strijd is met de door Russische en internationale mensenrechtengemeenschap verzamelde bewijzen maar ook twijfel oproept over de inzet van de Europese Unie voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

D.   erop wijzend dat Memorial een vraagteken plaatst bij de opkomst van 57% volgens de officiële cijfers en zegt dat de opkomst veel lager was en dat er sprake is geweest van grootschalige fraude en intimidatie,

E.   overwegende dat nog altijd ernstige schendingen van de mensenrechten in de vorm van moord, ontvoering, marteling, gijzelneming en willekeurige arrestatie voorkomen in de Tsjetsjeense republiek en soms in aangrenzende regio's van de noordelijke Kaukasus,

F.   overwegende dat de Russische regering veel verantwoordelijkheden met betrekking tot van de terreurbestrijding heeft overgedragen van de Russische federale autoriteiten aan de plaatselijke autoriteiten, in een poging om van het decennia oude conflict tussen Rusland en Tsjetsjenië tot een intern-Tsjetsjeens probleem te maken, wat volgens een recent verslag van de Helsinki-federatie de Internationale Vereniging voor mensenrechten, het Noorse Helsinki-comité en Memorial heeft geleid tot een verruwing van beide strijdende partijen en een gevoel van alomtegenwoordige angst en onveiligheid bij de burgerbevolking,

G.   overwegende dat een groeiend aantal ontvoeringen, gevallen van martelingen en willekeurige moordpartijen in Tsjetsjenië in de afgelopen twee jaar worden toegeschreven aan Tsjetsjeense paramilitaire strijdkrachten,

H.   overwegende dat vele van deze misstanden en schendingen van de mensenrechten in Tsjetsjenië niet bestraft worden, waardoor een klimaat van straffeloosheid ontstaat dat zich verder uitbreidt van Tsjetsjenië en Ingoesjetië naar andere gebieden van de noordelijke Kaukasus, zoals Noord-Ossetië en onlangs ook naar Kabardino-Balkarië,

I.   overwegende dat het met de democratie in Rusland de laatste jaren beslist de slechte kant opgaat, met name door de toenemende controle van de regering op de grote televisie- en radiostations, de alsmaar toenemende zelfcensuur in de pers, het sluiten van de onafhankelijke media, beperkingen op het recht om openbare demonstraties te organiseren, het verslechterende klimaat voor de NGO's met gevallen van intimidatie van mensenrechtenactivisten en de toenemende politieke controle over het justitieel apparaat,

J.   beklemtonend dat het overleg tussen de EU en Rusland over de mensenrechten tot nog toe geen substantiële vooruitgang op dit vlak heeft opgeleverd, wat toch prioriteit zou moeten krijgen in de betrekkingen tussen de EU en Rusland,

K.   overwegende dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 20 december 2005 een klacht ontvankelijk heeft verklaard over de verdwijning van Ruslan Alikhajiyev, een voormalige parlementsvoorzitter van het bij eerlijk verlopen verkiezingen gekozen parlement van de Tsjetsjeense republiek Isjkeria, die zich eenzijdig onafhankelijk had verklaard; en dat een door het kantoor van de Tsjetsjeense procureur op gang gebracht onderzoek geen resultaat heeft opgeleverd; en dat de Russische regering de overhandiging van de strafzaakdossiers aan het Europese Hof van de hand heeft gewezen,

L.   overwegende dat de Europese Commissie op 13 december 2005 6 000 000 EUR heeft toegewezen als hulp voor de slachtoffers van de permanente crisis in de noordelijke Kaukasus, een besluit dat de totale bijstand van de Unie voor 2005 aan de regio brengt op een bedrag van 26 300 000 EUR, waardoor dit programma in omvang de vijfde Europese humanitaire operatie in de wereld wordt en de EU de grootste donor in de regio,

M.   overwegende dat op 23 en 27 december 2005 het enigszins herziene wetsontwerp ter beperking van de activiteiten van NGO's in Rusland door beide kamers van het parlement werd goedgekeurd en nu nog slechts de handtekening van president Poetin behoeft om wet te worden,

N.   overwegende dat NGO's, waaronder Memorial, de Moskouse Helsinki-groep en mensenrechtenorganisatie "For civil rights", in een brief van 28 december 2005 aan de Russische minister van Buitenlandse Zaken, de heer Sergey Lavrov, hebben beklemtoond dat alle diverse aspecten van het wetsontwerp nog altijd in strijd zijn met het internationaal recht, de Russische grondwet, het Russische burgerlijk wetboek en een aantal Russische wetten,

O.   overwegende dat de vrijheid van vereniging één van de fundamentele mensenrechten is en van groot belang in een democratische maatschappij,

P.   ten zeerste verontrust over de toename van racistisch geweld in Rusland,

Q.   overwegende dat op 18 januari 2006 het proces tegen Stanislaw Dmitrijewski hervat is, die ervan beschuldigd wordt in zijn krant de oproep van Aslan Masjkadow tot vrede in Tsjetsjenië te hebben gepubliceerd en derhalve een gevangenisstraf van vijf jaar riskeert,

1.   spreekt andermaal een krachtige veroordeling uit van alle terroristische acties, waarvoor geen rechtvaardiging bestaat;

2.   betreurt het nog steeds in hoge mate dat de Raad en de Commissie er onvoldoende in zijn geslaagd de voortdurende ernstige schendingen van de mensenrechten in de Tsjetsjeense republiek aan te pakken, ondanks het feit dat deze schendingen nog altijd aan beide zijden op grote schaal plaatsvinden, in een klimaat van bijna volledige straffeloosheid;

3.   dringt er bij de Raad en de Commissie op aan hun verantwoordelijkheden te nemen nu in de onmiddellijke nabijheid van de Europese Unie ernstige schendingen van de mensenrechten plaatsvinden;

4.   dringt er bij de Raad en de Commissie op aan een actieve rol te spelen bij het voorkomen van verdere schendingen van de mensenrechten en bij het beëindigen van de straffeloosheid in de Tsjetsjeense republiek en er bij de Russische autoriteiten op aan te dringen de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de rechten die gegarandeerd worden door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarvan ook Rusland ondertekenaar is, in de Tsjetsjeense republiek volledig in acht worden genomen en dat degenen die deze rechten schenden onverwijld ter verantwoording worden geroepen, ongeacht hun positie of nationaliteit;

5.   betreurt het dat bij de voorbereiding en organisatie van de parlementsverkiezingen de kans is gemist om een echt politiek en democratisch proces op gang te brengen, waarbij alle partijen van de Tsjetsjeense maatschappij worden betrokken;

6.   wijst er nogmaals op dat het de territoriale integriteit van de Russische Federatie volledig eerbiedigt, maar dat het conflict in Tsjetsjenië niet met militaire middelen kan worden opgelost en dringt aan op het op gang brengen van een werkelijk vredesproces dat gericht is op een door onderhandelingen bereikte politieke overeenkomst die gebaseerd is op de dialoog tussen alle democratische elementen van de Tsjetsjeense maatschappij;

7.   doet een beroep op de Russische autoriteiten een einde te maken aan de bestaande toestand van straffeloosheid, de paramilitaire groepen te ontbinden, de activiteiten van veiligheidstroepen aan banden te leggen en het leger geheel onder burgerlijk gezag te plaatsen;

8.   verzoekt de Raad en de lidstaten om de kwestie Tsjetsjenië consequent ter discussie te stellen op hun politieke vergaderingen, bij de dialoog over de mensenrechten en op andere bijeenkomsten met de Russische Federatie om te verzekeren dat dit onderwerp niet aan de internationale aandacht en zorg ontsnapt;

9.   dringt erop aan het overleg tussen de Europese Unie en Rusland over de mensenrechten te intensiveren, efficiënter te maken, zonodig open te stellen voor NGO's en meer te richten op concrete resultaten, met de bedoeling dit element een sterkere positie te geven in de nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, waarover binnenkort zal worden onderhandeld;

10.   doet een beroep op de Raad en het fungerend Voorzitterschap om zich sterker in te zetten om Rusland te helpen bij het vinden van een vreedzame oplossing voor het conflict, bijvoorbeeld met een aanbod voor bemiddeling door de Europese Unie; wijst erop dat de Europese Unie met één stem moet spreken en wat Rusland betreft aan het GBVB-standpunt moet vasthouden;

11.   roept de Russische staat Duma op een onderzoekscommissie in te stellen met het oog op een onderzoek naar het onvermogen van de wetshandhavingsinstanties in de republiek Tsjetsjenië om plegers van ernstige mensenrechtenschendingen, die door een groot aantal mensenrechtenorganisaties zijn aangetoond, ter verantwoording te roepen; herinnert eraan dat tot nu toe slechts een klein aantal gevallen voor de rechter is gebracht, terwijl de meeste dossiers zijn geschorst, verwezen of afgewezen;

12.   beklemtoont dat in het bijzonder de nadruk moet worden gelegd op het onderzoek van misdaden tegen strijders voor de mensenrechten, advocaten, procureurs, rechters en degenen die een verzoek hebben ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en hun gezinsleden;

13.   dringt er in dit verband bij de Russische autoriteiten op aan het onderzoek tegen en de strafrechtelijke dossiers van de generaals-majoor Wladimir Sjamanow en Jakow Nebitko te heropenen, vervolging tegen hen in te stellen en hen tijdens het onderzoek te schorsen in hun functie, aangezien zij door het hof van Straatsburg verantwoordelijk worden gehouden voor het zonder onderscheid des persoons bombarderen van Tsjetsjeense burgers in Katyr-Jurt in februari 2000;

14.   verzoekt de lidstaten van de Unie om, indien het klimaat van straffeloosheid blijft voortduren, in overeenstemming met het internationale recht en op grond van bestaande precedenten en met Russische instemming, de instelling te bevorderen van een ad hoc gemengd internationaal tribunaal voor Tsjetsjenië, ter berechting van oorlogsmisdadigers en van misdaden tegen de menselijkheid die aldaar zijn begaan;

15.   dringt er bij de Russische autoriteiten op aan de wet over het terrorisme van 1998 te herzien om deze in overeenstemming te brengen met de normen van de Raad van Europa, vooral ten aanzien van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van hen die de leiding hebben bij de terreurbestrijding;

16.   dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken of de humanitaire hulp die door de Europese Commissie aan de noordelijke Kaukasus is verstrekt, ook werkelijk de behoeftigen heeft bereikt en de effectiviteit van deze hulp te evalueren;

17.   maakt zich zorgen over meldingen van intimidatie van sommige van de in Tsjetsjenië opererende NGO's door de overheid en de rechterlijke macht, die onderdeel lijkt uit te maken van een algemener proces van bedreiging van de vrijheid van meningsuiting en van vereniging in de Russische Federatie, en roept de Russische autoriteiten op een eind aan deze intimidatie te maken;

18.   beklemtoont dat zowel het democratisch proces als de strijd tegen de straffeloosheid in de Tsjetsjeense republiek baat zal vinden bij het werk van sterke en onafhankelijke mensenrechtenorganisaties; en dringt er bij Rusland op aan onafhankelijke media, internationale en Russische mensenrechtenorganisaties en toezichthouders op de mensenrechten onbeperkt toegang tot Tsjetsjenië te verlenen en er zoveel mogelijk voor te zorgen dat zij onder veilige omstandigheden kunnen werken;

19.   dringt erop aan dat alle beschuldigingen tegen Stanislaw Dmitrijewski worden ingetrokken en dat de Russische autoriteiten de vrijheid van de media an van journalisten in acht nemen;

20.   betreurt dat het wetsontwerp ter verscherping van het overheidstoezicht op NGO's in Rusland met ruime steun door beide kamers van het parlement is goedgekeurd en onvoldoende rekening heeft gehouden met de aanbevelingen die door de Raad van Europa zijn uitgesproken in zijn voorlopige advies over deze kwestie; hoopt dat president Poetin, alvorens het wetsontwerp met zijn handtekening te bekrachtigen, er nog voor kan zorgen dat deze wet volledig strookt met de aanbevelingen van de Raad van Europa en duidelijk gericht is op het voorkomen van intimidatie van NGO-activisten in Rusland;

21.   roept de Raad en de Commissie in dit verband op alles in het werk te stellen om de ontwikkeling en consolidatie van een sterke, actieve, onafhankelijke en echte civiele samenleving in Rusland te ondersteunen, daar dit een fundamenteel en onmisbaar element vormt voor het functioneren van een democratie;

22.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de regering en het parlement van de Russische Federatie en aan de Raad van Europa.

(1) PB L 327 van 28.11.1997, blz. 3.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0207.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0534.

Laatst bijgewerkt op: 25 juli 2006Juridische mededeling