Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2005/2167(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0036/2006

Ingediende teksten :

A6-0036/2006

Debatten :

PV 14/03/2006 - 5
CRE 14/03/2006 - 5

Stemmingen :

PV 14/03/2006 - 11.4
CRE 14/03/2006 - 11.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0079

Aangenomen teksten
PDF 169kDOC 90k
Dinsdag 14 maart 2006 - Straatsburg Definitieve uitgave
Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid
P6_TA(2006)0079A6-0036/2006

Resolutie van het Europees Parlement over een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid (2005/2167(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld "i2010 – Een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid" (COM(2005)0229) en het bijbehorende werkdocument van de Commissie over de uitgebreide effectbeoordeling (SEC(2005)0717),

–   gezien Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn)(1) ,

–   gezien Verordening (EG) nr. 460/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot oprichting van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging(2) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld "eToegankelijkheid" (COM(2005)0425),

–   gezien het verslag van het Forum voor de digitale kloof van 15 juli 2005 over breedbandtoegang en overheidssteun voor gebieden met een te lage dekking,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld "Een op de markt gebaseerde benadering van het spectrumbeheer in de Europese Unie" (COM(2005)0400),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, getiteld "Een vooruitziend radiospectrumbeleid voor de Europese unie: tweede jaarverslag" (COM(2005)0411),

–   gezien het advies van de beleidsgroep radiospectrum over de secundaire handel in spectrumruimte van 19 november 2004,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 22 en 23 maart 2005 te Brussel,

–   gezien de strategie voor duurzame ontwikkeling van de EU, goedgekeurd door de Europese Raad van Göteborg van 15 en 16 juni 2001,

–   gezien het werkdocument van de Commissie, getiteld "De integratie van milieuoverwegingen in het beleid op andere gebieden – een inventaris van het proces van Cardiff" (COM(2004)0394),

–   gezien de conclusies van de 2695e Raad Vervoer, telecommunicatie en energie van 1 tot 5 december 2005 over de Strategie i2010,

–   gezien de 25 nationale hervormingsprogramma's die de lidstaten hebben voorbereid op verzoek van de reeds aangehaalde Europese Raad van Brussel,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 23 juni 2005 over de informatiemaatschappij(3) en van 1 december 2005 over de Europese elektronische-communicatieregelgeving en –markten in 2004(4) en ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0036/2006),

A.   overwegende dat de EU de doelstellingen van Lissabon alleen kan bereiken wanneer de lidstaten tot daadkrachtige actie overgaan om de strategie i2010 volledig ten uitvoer te leggen,

B.   overwegende dat uit een voorlopig overzicht van de 25 nationale hervormingsprogramma's blijkt dat de uitdaging "O&O en innovatie" over het algemeen door de lidstaten is opgenomen, en dat de meerderheid van de lidstaten daarnaast e-overheidsdiensten als een geschikt middel beschouwt om de effectiviteit van het openbaar bestuur en de openbare diensten te verbeteren,

C.   overwegende dat de lidstaten en andere belanghebbenden samen met de Commissie verantwoordelijk zijn voor het welslagen van het initiatief i2010,

D.   overwegende dat een juiste en tijdige tenuitvoerlegging van het huidige tijdskader een cruciale voorwaarde is voor een open, competitieve en innovatieve markt voor elektronische communicatiediensten, maar dat de procedures voor de omzetting en tenuitvoerlegging van het kader enorm uiteenlopen tussen de lidstaten,

E.   overwegende dat de EU achter loopt bij het onderzoek op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën (ICT), en op dat gebied slechts 80 EUR per hoofd van de bevolking investeert tegenover 350 EUR in Japan en 400 EUR in de VS, en de EU daarom de investeringen in onderzoek en innovatie moet verhogen en er bij de lidstaten op aan moet dringen meer voor onderzoek en innovatie in de ICT-sector uit te geven om de achterstand in te lopen,

F.   overwegende dat de toepassing van ICT door personen, overheidsdiensten en ondernemingen, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's), noodzakelijk is om ten volle gebruik te kunnen maken van de voordelen die onderzoek en innovatie bieden,

G.   overwegende dat het aantal breedbandabonnees de afgelopen twee jaar bijna is verdubbeld, maar dat de dekking in afgelegen en plattelandsregio's minder is aangezien de aansluitingen in dichtbevolkte gebieden zijn geconcentreerd,

H.   overwegende dat de voordelen van ICT beschikbaar moeten zijn voor alle sociale, gender- en leeftijdsgroepen, van alle opleidingsniveaus,

I.   overwegende dat alle burgers recht hebben op toegang tot vrij toegankelijke media met een gediversifieerde en kwalitatief interessante inhoud,

J.   overwegende dat de Commissie ervoor dient te zorgen dat bij de ontwikkeling van technische en regelgevende instrumenten rekening wordt gehouden met het genderperspectief; dat de Commissie en de lidstaten concrete stappen moeten doen ter verhoging van het aantal vrouwelijke studenten op technische gebieden die verband houden met ICT en ervoor moeten zorgen dat vrouwen toegang krijgen tot nieuwe kansen op werk in de ICT-sector en in de mediasector op alle niveaus, en dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de situatie van vrouwen in plattelands-, eilandrijke, bergachtige en andere geografisch afgelegen gebieden, en van andere vrouwen in de meest kwetsbare situaties,

K.   merkt op dat een goed beheer van de ICT en de informatiemaatschappij kan bijdragen tot de vermindering van sociale verschillen en de verkleining van de digitale kloof, ten voordele van de sociale en territoriale samenhang,

L.   overwegende dat digitale convergentie de mogelijkheid in zich draagt consumenten toegang te bieden tot een grote diversiteit aan verbeterde diensten en hoogwaardige inhoud en dat er daarom een veilige infrastructuur moeten worden bevorderd en versterkt en een stimulerende en veilige omgeving moet worden gecreëerd die de competitieve inzet van deze convergerende diensten aanmoedigt,

M.   overwegende dat ICT zowel een positieve directe invloed op het milieu als indirecte sociale en economische gevolgen kan hebben,

N.   overwegende dat het radiospectrum een belangrijke bron is voor vele essentiële diensten in de maatschappij en dat daarom een doeltreffend en coherent gebruik daarvan de EU kan helpen de doelstellingen van Lissabon te halen indien zij ervoor zorgt dat aan diensten van algemeen economisch belang voldoende spectrum ter beschikking wordt gesteld en dat dit adequaat tegen interferenties wordt beschermd, omdat daardoor groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid optimaal worden gestimuleerd,

O.   overwegende dat voor de verwezenlijking van de doelstelling van Lissabon de EU, de lidstaten en de ondernemingen op duidelijke, concrete en gelijkwaardige wijze dienen te investeren in ICT,

P.   overwegende dat de lidstaten voldoende moeten investeren in een flexibel regelgevend kader dat de rechten van de burgers ondersteunt en dat de actoren in deze sector een basis biedt voor het op de markt brengen van nieuwe uitvindingen,

1.   is van oordeel dat de vrije toegang tot en het vrije gebruik van kennis moet worden beschouwd als de voornaamste voorwaarde voor de democratische ontwikkeling van de op kennis gebaseerde samenleving met de vereiste technische innovatie, overeenkomstig de doelstellingen van Lissabon;

2.   is van oordeel dat de digitale kloof moet worden overbrugd opdat alle burgers in staat worden gesteld toegang te verkrijgen tot, gebruik te maken van en deel te hebben aan de kennisproductie, omdat er anders in de EU als geheel geen sprake zal zijn van een op kennis gebaseerde samenleving, maar van culturele en industriële achteruitgang;

3.   roept de Commissie op burgers niet als passieve consumenten van digitale inhoud te beschouwen, maar als producenten van kennis, en een programma en een stimulerend juridisch kader in het leven te roepen, waardoor zij actieve deelnemers aan de op kennis gebaseerde samenleving kunnen worden, om zo tot het bereiken van de doelstellingen van Lissabon bij te dragen;

4.   dringt er bij de Commissie op aan een concrete, innovatieve en toekomstgerichte aanpak te hanteren bij haar hervorming van de ICT-wetgeving; is van mening dat ICT als een aanzienlijk breder begrip moet worden beschouwd dan in de mededeling van de Commissie het geval is en dat het zich tevens dient uit te strekken tot de rechten van consumenten en gebruikers; meent dat van de door eventuele verdere voorstellen duidelijke definities moeten bevatten de Commissie gehanteerde begrippen "diensten van de informatiemaatschappij", "media", "mediadiensten" en "audiovisuele diensten";

5.   dringt erop aan dat alle Europese wetgeving met betrekking tot communicatie en informatie technologische neutraliteit als uitgangspunt moet hebben, om zodoende een zo eenvoudige mogelijke toegang tot de markt te garanderen voor nieuwe uitvindingen en actoren;

6.   wijst erop dat de omschakeling van het analoge op het digitale een gunstig hefboomeffect heeft op de verspreidingsmiddelen en dat deze omschakeling derhalve op basis van een gecoördineerd beleid en binnen een aangepast juridisch kader moet verlopen, om zo de uniformering tegen te gaan die de concentratie van media met zich mee kan brengen;

7.   roept de lidstaten ertoe op meer te investeren in het gebruik van ICT door overheidsdiensten zoals de gezondheidszorg en het onderwijs, en door bestuursorganen, waar ICT het makkelijker kan maken op toekomstige behoeften op het gebied van de maatschappelijke dienstverlening te reageren en de ontwikkeling van pan-Europese diensten te bevorderen;

8.   is van oordeel dat de overheidsdiensten in de informatiemaatschappij moeten zijn afgestemd op de steeds complexere behoeften van de individuele gebruiker en van groepen en dat zij bijgevolg moeten steunen op de adequate reactie van de sector die aan zulke behoeften tegemoetkomt, met als doelstelling een doeltreffend en gepersonaliseerd dienstenconcept;

9.   dringt er, gezien het feit dat investeringen in ICT tot de belangrijkste factoren voor economische groei en productiviteit behoren, bij de lidstaten en de ondernemingen op aan hogere investeringen in ICT aan te moedigen teneinde de prestatiekloof met onze concurrenten te verkleinen;

10.   erkent dat ICT een van de belangrijkste instrumenten vormt om te kunnen bewerkstelligen dat ontwikkelingslanden grote mogendheden worden;

11.   is er echter bezorgd over dat de strategie en het beleid inzake werkgelegenheid van de Commissie nog steeds weinig of niet door betrouwbare statistische gegevens is onderbouwd; herinnert eraan dat de groei in de ICT-sector weliswaar nog steeds toeneemt, maar dat niet altijd sprake is van eenzelfde groei van de werkgelegenheid; herinnert eraan dat de werkgelegenheidscijfers in de EU momenteel zeven punten onder de doelstellingen van Lissabon liggen; roept de Commissie op diepgaande statistische analyses uit te voeren met betrekking tot de effecten van technologische veranderingen op de ICT-gerelateerde arbeidmarkt in de EU;

12.   herinnert aan het belang van de digitale convergentie en steunt het opruimen van hinderpalen die de economische, sociale en culturele ontwikkeling van de lidstaten in de weg staan, een doelstelling die werd vastgelegd tijdens de Wereldtop van 2005 over de informatiemaatschappij (overeenkomst van Tunis van 18 november 2005);

13.   verzoekt de lidstaten en de Commissie bij de beoordeling van de stabiliteits- en convergentieprogramma's van de lidstaten het belang en de rol van ICT bij economische groei, werkgelegenheid en de werking van de EMU grondig te onderzoeken;

14.   herinnert eraan dat de i2010-doelstellingen inzake de informatiemaatschappij en de streefdoelen van de Lissabon-agenda voldoende tot uitdrukking moeten komen in de financiële perspectieven van de EU voor de periode 2007-2013;

15.   herhaalt het belang voor de KMO's, voor startende bedrijven en voor de ICT-sector in het algemeen van doorzichtige, liquide kapitaalmarkten, teneinde lenen goedkoper te maken en met name microleningen en andere vormen van risicokapitaal te ondersteunen;

16.   wijst erop dat er in de EU nog steeds een aanzienlijk gebrek aan ondernemingszin en risicobereidheid is; roept op de administratieve rompslomp voor de KMO's en startende bedrijven weg te werken en de financiële last in de startfase te verminderen;

17.   herhaalt het belang van de i2010-informatiemaatschappij voor de bestrijding van regionale en sociale ongelijkheden in de lidstaten, zoals werd benadrukt in de mededeling van de Commissie, getiteld "Het cohesiebeleid ter ondersteuning van groei en werkgelegenheid – communautaire strategische richtsnoeren 2007-2013" (COM(2005)0299);

Doelstelling 1: Een eengemaakte Europese informatieruimte

18.   wijst erop dat het, met het oog op het belang van de groei en de ontwikkeling van de EU, niet alleen belangrijk is nieuwe kennis op het gebied van ICT te produceren, maar dat het van even groot belang is te waarborgen dat de bestaande kennis en technologie bij alle activiteiten en in alle sectoren, zowel in het openbaar bestuur als in het bedrijfsleven en het dagelijks leven van de burgers worden toegepast, of met andere woorden: dat een alomtegenwoordige informatiemaatschappij ("ubiquitous information society") wordt verwezenlijkt;

19.   onderstreept dat het programma i2010 een beslissende stap is in de opkomst van de informatiemaatschappij die iedereen de kans moet bieden om eraan deel te nemen door over de nodige technologieën en kennis te beschikken, om ervan gebruik te maken met behulp van interactiviteit en nieuwe vormen van sociale omgang die door de netwerken worden geboden en om als kritische burger een vrije keuze te kunnen maken; merkt op dat de komst van de informatiemaatschappij nieuwe verantwoordelijkheden meebrengt voor degenen die de informatie en communicatie produceren, alsmede voor de burgers uit zeer kwetsbare bevolkingsgroepen (bejaarden, gehandicapten, alleenstaanden, mensen met sociale problemen, enz.) nieuwe vormen voor de uitoefening van hun rechten creëert die hen in staat stellen om optimaal gebruik te maken van de verspreiding van nieuwe ICT; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de technologie beter toegankelijk te maken voor de burgers en te laten stroken met de morele eisen van de samenleving;

20.   is er een sterke voorstander van i2010 te gebruiken als een nieuw strategisch instrument om een kader voor alle ICT-gerelateerde initiatieven in de EU vast te stellen; beveelt aan er op te letten dat de definitie van een EU-ruimte voor de informatiemaatschappij niet buiten de internationale ontwikkelingen op dit gebied om mag geschieden;

21.   is van mening dat rekening moet worden gehouden met het horizontale karakter van ICT, waarvoor samenwerking en coördinatie tussen de activiteiten van de EU op het niveau van de lidstaten vereist is, alsmede stimulansen voor actoren in de sector ten behoeve van de verwezenlijking en toepassing van nieuwe uitvindingen;

22.   hamert erop dat de Europese en nationale wetgeving de mededinging dient te stimuleren om het horizontale karakter van ICT te weerspiegelen, en erop moet zijn gericht het ontstaan of de handhaving van verticale structuren te voorkomen, daar deze nadelig zijn voor de mededinging en innovatie; merkt op dat verticale structuren ertoe kunnen leiden dat consumenten niet van de mededinging kunnen profiteren;

23.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de flexibiliteit, vereenvoudiging en snelle en gelijktijdige implementatie van wetgeving op dit gebied als doelstelling te nemen, evenals de snelle aanpassing daarvan aan nieuwe behoeften die uit technologische ontwikkelingen resulteren; is van mening dat de wetgeving de productie van nieuwe kennis en de ontwikkeling van nieuwe technologieën dient aan te moedigen, investeringen in de productie van inhoud, apparatuur, netwerken en netwerkdiensten op ICT-gebied moet stimuleren, tevens de mededinging, de toepassing van informatietechnologie en -diensten en de gegevensbeveiliging moet bevorderen en ten slotte KMO's moet ondersteunen opdat zij een sleutelrol in deze sector kunnen spelen;

24.   herinnert eraan dat de Commissie verplicht is om het pluralisme van de media te garanderen en te bevorderen door middel van de interpretatie en toepassing van normen inzake de infrastructuur van elektronische media; herinnert aan zijn herhaalde verzoeken aan de Commissie om een groenboek over de eigendomsconcentratie in de media en de eerbiediging van de beginselen van vrijheid van informatie en pluralisme op te stellen, dat een fundamenteel discussiemiddel is in een tijdsgewricht van ingrijpende technologische en marktveranderingen; betreurt het ontbreken hiervan in het werkprogramma i2010; verzoekt de Commissie een regelgevingskader voor het internet in het leven te roepen, aangezien dit de voornaamste vector is van een op kennis gebaseerde economie;

25.   is van mening dat de wetgeving tot doel moet hebben de ontwikkeling en diversiteit van de informatiemaatschappij te versnellen, alsmede de verspreiding van de voordelen ervan over de gehele samenleving;

26.   merkt op dat het van uiterst groot belang is dat de burgers de garantie krijgen dat zij, binnen de door de omstandigheden gegeven beperkingen, waar dan ook en onder gebruikmaking van de technologie van hun keuze, een zo breed mogelijke toegang tot inhoud en diensten van hoge kwaliteit krijgen; merkt voorts op dat de gebruikers (consumenten, burgers) alleen bereid zijn nieuwe diensten en technologische instrumenten toe te passen wanneer zij vinden dat deze eenvoudig genoeg in het gebruik en inhoudelijk zinvol zijn;

27.   herinnert eraan dat de ontwikkeling van een efficiënte alomtegenwoordige informatiemaatschappij ("ubiquitous information society") de universele beschikbaarheid van breedband- en draadloze technologieën noodzakelijk maakt, waarvoor verdere ondersteuning door de lidstaten nodig is, en roept op tot het stimuleren van en investeren in gezamenlijke projecten, de bescherming van intellectuele eigendomsrechten en de bevordering van digitale media; is van mening dat het de gebruikers mogelijk moet zijn van dienstenaanbieder te veranderen zonder hun e-mailadres te moeten wijzigen;

28.   erkent dat breedband een voorwaarde vormt voor de ontwikkeling van een alomtegenwoordige informatiemaatschappij; is van oordeel dat dit een duidelijke convergentiedoelstelling van de lidstaten en de regio's dient te zijn;

29.   herinnert eraan dat de overgang naar een alomtegenwoordige informatiemaatschappij tevens de duurzame ontwikkeling stimuleert, één van de doelstellingen van de EU gelooft; is van mening dat ICT de belasting van het milieu en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen moet verminderen en de sociale ontwikkeling moet bevorderen;

30.   neemt nota van de toenemende rol van immateriële rechten als instrument van commercieel beleid in het kader van kwesties met betrekking tot vrijhandel, en roept ertoe op maatregelen te treffen ter bescherming van de rechten van producenten en ter bestrijding van illegale inhoud en piraterij; is van mening dat dit de enige manier is om de ontwikkeling van inhoud te beschermen en te bevorderen; waarschuwt voor de toegenomen pogingen in de VS om wetgeving betreffende octrooi en intellectuele eigendom te gebruiken als protectionistisch instrument van het handelsbeleid;

31.   roept de Commissie op duidelijke maatregelen vast te stellen inzake bescherming tegen schadelijke inhoud en in dit verband onder andere de rol van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) te versterken;

32.   roept de Commissie op bij de herziening van de wetgeving maatregelen op te nemen die de inachtneming van het voorzorgsbeginsel met betrekking tot de gezondheid, de consumentenbescherming en het milieu waarborgen, en hiertoe samen te werken met andere organen, zoals de Wereldgezondheidsorganisatie;

33.   roept de Commissie op bij de herziening van de wetgeving kwaliteitsnormen op te stellen met betrekking tot onder meer de bescherming van het kind en de keuzevrijheid van de consumenten;

34.   neemt met instemming kennis van het feit dat de Commissie is overgegaan tot de aanneming van een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijk en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (COM(2005)0646), waarmee de modernisering van de zogenoemde "Televisie zonder grenzen"-richtlijn wordt beoogd, aangezien dit van cruciaal belang is nu de EU zich tot een Europese informatiesamenleving ontwikkelt; legt er de nadruk op dat de richtlijn moet worden aangepast aan veranderingen in een convergerende mediawereld en dat hiermee op het punt van de werkingssfeer van de richtlijn terdege rekening moet worden gehouden; merkt op dat daarmee het creëren van een gunstige omgeving voor de Europese industrie dient te worden ondersteund door onnodige regels af te schaffen en stappen te doen op weg naar een alomtegenwoordige informatiemaatschappij; erkent bovendien dat de in het wettelijk kader inzake elektronische communicatie vastgelegde verbanden tussen inhoudelijke en infrastructurele regelgeving hun deugdelijkheid hebben bewezen en dat deze ook in de toekomst dienen te worden gehandhaafd;

35.   dringt er bij de Commissie op aan zonder uitstel concrete activiteiten te stimuleren voor het vergemakkelijken en ondersteunen van de vervaardiging en distributie van Europese inhoud; is van mening dat de voortzetting van bestaande steunprogramma's moet worden gewaarborgd en dat hun onmisbaarheid bij de ontwikkeling van de informatiemaatschappij moet worden erkend; dringt erop aan steun te verlenen aan pan-Europese omroepsystemen, zoals EuroNews; onderstreept dat de productie van inhoud die de culturele en taalkundige diversiteit eerbiedigt een gelegenheid vormt om op het hele grondgebied van de 25 lidstaten nieuwe vaardigheden en nieuwe banen te stimuleren, meer bepaald op het vlak van ontwerp en creatie, en dat deze nieuwe beroepen zich moeten kunnen ontwikkelen binnen een geharmoniseerd regelgevend kader waardoor hun economische veiligheid en rechtszekerheid gegarandeerd zijn;

36.   is van oordeel dat bij de invoering van een op de markt gebaseerde benadering van het spectrum ondersteuning door regelgevers, exploitanten en andere actoren vereist is en waarschuwt ervoor het radiospectrumbeleid over te laten aan de marktkrachten; is echter ook van mening dat het spectrum gereguleerd moet worden overeenkomstig regels die op flexibele en doeltreffende wijze gelijke tred met zeer snel wisselende marktvereisten houden; is van oordeel dat wijzigingen gebaseerd moeten zijn op een zorgvuldige analyse en zich moeten richten op het oplossen van aanwezige problemen, waarbij voldoende aandacht moet worden besteed aan de belangen van de lidstaten, en dat er in dit verband altijd voor voldoende vrijwaring van interferentie moet worden gezorgd; herinnert eraan dat de bij de veilingen van het 3G-spectrum betaalde prijzen de invoering van mobiele telefoonnetwerken van de derde generatie nadelig hebben beïnvloed en dat een herhaling van een dergelijke situatie moet worden voorkomen;

37.   is van mening dat het belangrijkste onderwerp in het radiospectrumbeleid gevormd wordt door het streven naar flexibele regelgeving met een passende en voldoende mate van harmonisatie in de spectrumsectoren op EU-niveau; stelt vast dat het beheer van het radiospectrum gericht moet zijn op een zo eenvoudig mogelijk markttoegang voor innovaties en actoren in de sector, met inbegrip van de regio's, en op het vergemakkelijken van de ontwikkeling van communautaire media; roept de Commissie op om op dit gebied met gepaste voorstellen te komen; merkt op dat naleving van de regelgeving inzake interferentie absoluut van essentieel belang is in een digitale omgeving;

38.   herinnert eraan dat de ontwikkeling van netwerkbeveiliging onmisbaar is om het vertrouwen in alle netwerkdiensten, commerciële en e-overheidsdiensten te vergroten; dringt erop aan dat netwerkbeveiliging wordt versterkt door technische en wetgevingsmaatregelen, alsmede door opleidingen, bijvoorbeeld door een Europese strategie voor informatiebeveiliging op te zetten en een jaarlijkse Europese dag voor informatiebeveiliging te organiseren om de burgers bewuster te maken van informatiebeveiliging, waarbij erop moet worden gelet dat deze beveiliging geen beperking van de vrijheid van meningsuiting of burgerrechten met zich meebrengt; is verheugd over het voorstel van de Commissie om in 2006 een strategie op te starten ten voordele van een veilige informatiemaatschappij, opdat betrouwbaardere internetdiensten een groter vertrouwen genieten, niet alleen bij de investeerders, maar ook vanwege de gebruikers, zowel ten aanzien van fraude (bij aankopen) en illegale en schadelijke inhoud (bescherming van minderjarigen en van de waardigheid van de mens, en bescherming van de persoonlijke levenssfeer) als ten aanzien van technologische tekortkomingen (met het oog op een doeltreffend en doelmatig gebruik van ICT);

39.   herinnert eraan dat het industriële en mededingingsbeleid de innovatie-industrie van de EU moet ondersteunen; wijst erop dat het hiervoor vereist is een flexibele regelgevende grondslag te waarborgen waarvan ook stimulansen uitgaan;

40.   herinnert eraan dat de sectoriële regulering van de ICT-industrie van begin af aan als een voorlopige oplossing voor het openen van de markten moest dienen en dat er op middellange termijn toe moet worden overgegaan uitsluitend de algemene mededingingsregels toe te passen;

41.   waarschuwt dat regelgeving en andere maatregelen van de autoriteiten niet ertoe mogen leiden dat sommige technologieën een voorkeursbehandeling krijgen ten koste van andere, en dat regelgeving technologisch neutraal moet zijn;

42.   onderstreept het belang van de technische voorwaarden om te zorgen voor een niet-discriminerende toegang tot de inhoud van de informatiemaatschappij en om een digitale kloof binnen de EU te voorkomen; dringt bijgevolg nogmaals aan op open en interoperabele normen, vooral op het vlak van de interfaces voor toepassingsprogrammatuur (API's), in overeenstemming met artikel 18 van de kaderrichtlijn;

43.   erkent het belang van een gezonde ICT-handelsbalans als cruciaal element dat bijdraagt tot de positie van de EU in de mondiale economie; verzoekt de Commissie tegen september 2006 een volledig en analytisch overzicht in te dienen over de sterke en zwakke punten van de EU in alle ICT-gerelateerde sectoren;

Doelstelling 2: Innovatie en investering in onderzoek

44.   benadrukt dat een innovatieve ICT-industrie onmisbaar is voor economische groei en nieuwe banen in de EU, met name in industrieën en diensten buiten de ICT zelf;

45.   herinnert eraan dat de ICT de manier waarop bedrijven hun activiteiten mondiaal ontplooien reeds heeft veranderd en dat bedrijven profiteren van innovaties als utility computing, softwareontwikkelingen en een nieuwe architectuur voor internetdiensten; dringt er bij de EU op aan een omgeving te scheppen die bevorderlijk is voor innovatie, teneinde te waarborgen dat de EU haar concurrentievoorsprong handhaaft;

46.   dringt aan op de spoedige goedkeuring van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP) voor de periode 2007-2013, die allebei adequate financiële middelen ter beschikking moeten stellen ter ondersteuning van de ICT als motor van concurrentievermogen, economische groei en werkgelegenheid; onderstreept dat er nadruk moet worden gelegd op het versterken van het ondernemerschap, met name van KMO's, vooral in sectoren die van de nieuwe ICT's profiteren;

47.   verlangt van de Commissie en de lidstaten dat zij concrete actie ondernemen om de kansen die ICT biedt te benutten om de verplaatsing van banen naar lagelonenlanden te voorkomen en om een zo hoog mogelijk niveau van economische groei en werkgelegenheid mogelijk te maken; acht het van essentieel belang het investeringsniveau te verhogen teneinde het streefdoel van Barcelona van 3 % van het BBP te halen en het op langere termijn op een niveau te houden dat niet onderdoet voor de mondiale concurrentie;

48.   is van mening dat de economische toekomst van de EU in een hogere arbeidsproductiviteit ligt;

49.   vraagt de Commissie en de lidstaten het Parlement voor september 2006 een effectenstudie voor te leggen inzake de bijdrage van de ICT-economie aan de ondersteuning van sterkere groei in de lidstaten en de Europese regio's;

50.   stelt vast dat zo spoedig mogelijk maatregelen genomen moeten worden op EU-niveau om obstakels voor de ontwikkeling van netwerken van de volgende generatie (NGN) uit de weg te ruimen; roept de Commissie op deze zaak bij de komende herziening van het regelgevingskader voor elektronische communicatie in overweging te nemen;

51.   stelt vast dat de toepassing van ICT op gebieden als taal- en welzijnstechnologie voor de Gemeenschap voor de hand ligt en tevens grote mogelijkheden heeft op wereldwijd niveau; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan onderzoek op deze gebieden te ondersteunen;

52.   beveelt aan meer aandacht te besteden aan de rol van ICT bij het scheppen van een open en op kennis gebaseerde samenleving; verzoekt de Commissie en de lidstaten een coherentere strategie voor onderwijsnormen op het gebied van ICT te ontwikkelen;

53.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan concrete manieren te zoeken om het ontwikkelen van netwerken tussen alle belangrijke actoren (grote ondernemingen en KMO's, overheden en onderzoeksinstellingen) te bevorderen en hun mogelijkheden om deel te nemen aan de verwezenlijking en benutting van projecten te verbeteren;

54.   herinnert aan de afspraken van de EU inzake innovatie en onderzoek, die in de Geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (2005-2008) van de Commissie (COM(2005)0141) zijn vastgelegd, en spreekt de wens uit dat deze consequent en in overeenstemming met de hervormingsagenda van Lissabon worden uitgevoerd;

55.   is ervan overtuigd dat eenvoudigere nationale belastingstelsels investeringen in ICT en O&O zullen stimuleren; verwelkomt in dit verband de voorstellen van de Commissie voor invoering van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting;

Doelstelling 3: Een eengemaakte Europese informatiemaatschappij

56.   dringt er bij de lidstaten op aan om door middel van hun nationale programma's voor hervorming de prioriteiten van de informatiemaatschappij vast te stellen, hun inspanningen op dit vlak te intensiveren en jaarlijks verslag uit te brengen van de voortgang van deze programma's, en daarbij niet alleen gedetailleerd verslag te doen van de ontwikkeling van de indicatoren inzake de informatiemaatschappij, maar ook van het sociaal en economisch nut van de programma's;

57.   herinnert eraan dat het succes van de gehele Strategie i2010 zal worden gemeten aan de mate waarin deze alle Europese burgers bereikt; is ervan overtuigd dat de regio's hierbij een sleutelrol spelen en dat zij derhalve gemobiliseerd en ondersteund moeten worden opdat zij concrete initiatieven nemen die zijn gericht op regionale convergentie en cohesie door middel van de overbrugging van de digitale kloof;

58.   herinnert eraan dat sociale zekerheid, volksgezondheid en welzijn belangrijke gebieden zijn bij de ontwikkeling van de informatiemaatschappij;

59.   stelt vast dat de overheidsdiensten en openbare omroepdiensten een belangrijke rol moeten spelen bij activiteiten van burgers en het bedrijfsleven, aangezien zij bijdragen tot de sociale cohesie, het democratisch debat en pluralisme in Europa; wijst er voorts op dat een Europees wettelijk kader voor de informatie- en communicatiemaatschappij moet waarborgen dat openbare omroepdiensten deel kunnen hebben aan de technologische en maatschappelijke ontwikkeling en hun sociale functie kunnen blijven vervullen;

60.   merkt op dat de openbare omroep in de alomtegenwoordige informatiemaatschappij een belangrijke rol zal blijven spelen als beschermer van openbaar toegankelijke en onafhankelijke informatie van hoge kwaliteit; benadrukt dat het van groot belang is te garanderen dat openbare omroepdiensten toegang hebben tot de platforms van de toekomst;

61.   onderstreept dat het belangrijk is allen het recht te bieden op toegang tot adequaat onderwijs en computervaardigheid in de media, vooral in de elektronische media waarmee beelden worden overgebracht, alsmede in de nieuwe interactieve digitale technologieën om nieuwe vormen van sociale en culturele uitsluiting te voorkomen, en is van oordeel dat de gelijke toegang tot een vrij te ontvangen mediaomgeving, met een gediversifieerde en kwalitatief interessante inhoud een grondrecht van de Europese burgers is; onderstreept in dat verband de rol die uitzendingen van het openbare omroepbestel spelen in de sociale samenhang, het democratische debat en het pluralisme in Europa en verlangt dat deze opdracht ook in de toekomst gegarandeerd blijft;

62.   roept ertoe op speciale aandacht te besteden aan interoperabiliteit en beste praktijken inzake elektronische diensten van de openbare sector voor burgers en ondernemingen op het gebied van belastingen, verzekeringsdekking en pensioenen, enz., met als hoofddoel de vrijheid van verkeer, vestiging en beroep van burgers in de lidstaten te bevorderen;

63.   verzoekt de nationale regeringen met aandrang bij de hervorming van hun overheidsadministratie i2010-initiatieven en -programma's ten uitvoer te leggen teneinde betere, efficiëntere en gemakkelijk toegankelijke diensten aan hun KMO's en burgers aan te bieden;

64.   herinnert aan het potentieel van ICT's, maar ook aan de wetswijzigingen die nodig zijn met het oog op de bevordering van een elektronische democratie waarbij de Europese burgers langs elektronische weg deelnemen aan het besluitvormingsproces, en roept ertoe op de daartoe noodzakelijke stimulerende maatregelen te treffen;

65.   herinnert eraan dat bij de bevordering van participatie tevens geïnvesteerd moet worden in vaardigheden die Europeanen nodig hebben om in de informatiemaatschappij te kunnen functioneren; verzoekt om concrete acties ter bevordering van ICT-vaardigheden en roept ertoe op het bewustzijn van de burgers met betrekking tot de door de ICT geboden mogelijkheden ook via traditionele communicatiekanalen te vergroten door de voordelen van een "on-line-overheid" uiteen te zetten en aldus het gebruik van nieuwe diensten aan te moedigen;

66.   merkt op dat meer dan de helft van de EU-bevolking niet ten volle van ICT profiteert; benadrukt dat meer ICT ook betekent dat via grotere onderwijs- en cultuurbegrotingen in menselijk kapitaal moet worden geïnvesteerd; verwelkomt het initiatief van de Commissie om digitaal alfabetisme te bevorderen via onderwijs en diverse opleidingsprogramma's en zo ICT-producten en -diensten toegankelijker te maken;

67.   onderstreept de essentiële rol van specifieke vorming in verband met ICT, zowel voor jongeren op school als voor volwassenen in het algemeen en vrouwen in het bijzonder, in het kader van het levenslang leren, zodat zij geïnformeerd zijn en in staat zijn de moderne middelen met het oog op professionele en persoonlijke noden te hanteren;

68.   stelt vast dat vanwege de vergrijzing van de Europese bevolking investeringen nodig zijn in productplanning, voornamelijk in het Design for All-beginsel, in de eerste plaats in voor iedereen passende oplossingen in techniek, diensten en milieu; verlangt dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de behoeften van specifieke groeperingen, zoals ouderen of mensen met een handicap; roept de Commissie op haar komende integratiestrategie voor dit doel te gebruiken;

69.   dringt er bij de lidstaten op aan aanvullende maatregelen te nemen om toegang tot e-overheidsdiensten te waarborgen, ongeacht plaats, tijdstip of inkomen;

70.   herinnert eraan dat elke burger van de EU recht heeft op toegang tot informatie; roept de Commissie op tot een bespoediging van het voor 2008 geplande initiatief voor e-integratie, dat de uitdagingen aangaat van e-geletterdheid, vergrijzing en internettoegankelijkheid, geografische discrepanties en het garanderen van sociale diensten voor iedereen; roept de Commissie op onverwijld een voorstel voor een handvest van grondrechten voor het digitale tijdperk op te stellen; dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat burgers of consumenten niet tegen hun wil worden uitgesloten van de essentiële diensten van de alomtegenwoordige informatiemaatschappij;

71.   stelt voor om, met het oogmerk tot goed bestuur te komen en alle Europeanen het volle burgerschap van de informatiemaatschappij te garanderen, geleidelijk door alle Europese overheden een handvest van e-rechten te laten aannemen, een gemeenschappelijk geheel van principes en richtsnoeren die het kader bepalen waarin alle burgers van deze rechten kunnen genieten; stelt voor dat die principes worden geconcretiseerd in acties en programma's die op nationaal en regionaal vlak van toepassing zijn om aldus een concurrerende en competente samenleving voor het digitale tijdperk op te zetten en de sociale en territoriale samenhang te garanderen; wijst erop dat de gelijke en niet-discriminerende toegang tot transparante, gevarieerde en uitvoerige informatie en hoogwaardige diensten, in een veilige omgeving, door middel van eender welke telecommunicatiedienst en eender welk telecommunicatieplatform – van het internet tot mobiele telefoons – , op basis van open en interoperabele normen, een recht vormt dat van essentieel belang is voor een actief burgerschap in de informatiemaatschappij en in een handvest van e-rechten moet worden opgenomen; bevestigt dat het handvest ook voor alle burgers het recht moet inhouden om de betrokken overheidsdiensten te kunnen begrijpen en er informatie mee te kunnen uitwisselen en bijgevolg om op voet van gelijkheid deel te nemen aan de beleids- en besluitvormingsprocessen; is van mening dat de rationalisering, herdefiniëring, transparantie en toegang tot overheidsdiensten noodzakelijke voorwaarden zijn voor de ontwikkeling van een participerend burgerschap;

72.   onderstreept dat de media in de huidige samenleving ten gevolge van de buitengewone technologische ontwikkeling die hen ingrijpend heeft veranderd, thans in staat zijn de denkbeelden en het gedrag van de burgers ingrijpend te beïnvloeden, en dat zij derhalve onlosmakelijk met het democratische leven van elk land verbonden zijn, en dat "e-toegankelijkheid" noodzakelijkerwijs op de mensenrechten berust; verzoekt de Commissie deze fundamentele waarden van het audiovisuele model in het kader van haar initiatief i2010 te eerbiedigen en ervoor te zorgen dat er naar behoren rekening wordt gehouden met de bijzondere rol die de audiovisuele media – die tegelijk economische en culturele goederen zijn – voor de culturele diversiteit spelen;

73.   benadrukt het belang van de bescherming van de privacy en de informatiebeveiliging in de alomtegenwoordige informatiemaatschappij; herinnert eraan dat wetgeving het vertrouwen van burgers en ondernemingen in digitale inhoud en communicatie moet waarborgen;

74.   benadrukt dat het in economisch en sociaal opzicht van groot belang is het digitale isolement van de plattelandsgebieden te doorbreken en beklemtoont dat deze gebieden het potentieel hebben om tot de creatie van regionale, nationale en Europese welvaart bij te dragen; acht het derhalve van cruciaal belang dat alle gebieden van de enorme toename van de innovatie op het vlak van ICT profiteren, in plaats van er nadeel van te ondervinden;

75.   is van oordeel dat de vorming in media de burger, van jongs af aan, de technische en andere middelen moet aanreiken waarmee hij de steeds groeiende massa aan informatie en communicatie waaronder hij wordt bedolven, kritisch kan interpreteren en in zijn voordeel kan benutten, zoals in aanbeveling 1466 (2000) van de Raad van Europa wordt bepleit; herhaalt bovendien dat de burger dankzij dit leerproces in staat wordt gesteld boodschappen te formuleren en voor de verzending ervan de meest geschikte media te kiezen en aldus zijn recht op de vrijheid van informatie en meningsuiting ten volle kan uitoefenen;

76.   verzoekt de Commissie haar onderzoeksmiddelen te investeren in de evaluatie van de invloed van de informatiemaatschappij op de Europese samenleving en cultuur;

77.   dringt erop aan dat in een tijd van convergentie, mobiliteit en interactiviteit van alle politieke beslissingen, met inbegrip van die binnen de Europese Unie, worden genomen – zowel aangaande het vastleggen van een wetgevingskader voor de diensten en inhoud die via de nieuwe media worden verspreid als op het vlak van infrastructurele maatregelen of op het vlak van het mededingingsrecht en overheidssubsidies – deze geschieden onder volledige naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag van de UNESCO inzake de bescherming en bevordering van de diversiteit van culturele inhoud en artistieke uitingen van 20 oktober 2005, een verdrag dat bevestigt dat het tot de plicht van de lidstaten behoort om de culturele diversiteit te beschermen en de culturele diversiteit te bevorderen en dat het tweeledige karakter van de audiovisuele media als economische en als culturele goederen bevestigt; bevestigt dat een goed beheerde informatiemaatschappij en goed beheerde ICT zeer positieve instrumenten kunnen zijn voor de versterking en bescherming van de culturele diversiteit en de meertaligheid;

78.   wijst erop dat het, in het kader van het huidige debat over de toekomst van de Europese Unie, zeer opportuun is dat het institutioneel debat het Europees institutioneel model versterkt en verheldert en, vooral, dat de instellingen in het algemeen en de Commissie in het bijzonder in hun optreden duidelijk laten zien dat ze bekommerd zijn om de democratie en de zorgen van de burgers; verheugt zich erover dat de bezinningsperiode de Europese instellingen de gelegenheid biedt om regels op te stellen met het oog op de ruimere bezorgdheden van de burgers en deze in hun beleid te verwerken;

79.   is van oordeel dat nadruk op de genderdimensie bij ICT van essentieel belang is om een omgekeerd effect van de digitale revolutie op gendergelijkheid of de bestendiging van bestaande ongelijkheden en discriminatie te voorkomen; stelt vast dat het belangrijk is rekening te houden met de verschillende aspecten van de digitale kloof, met name die tussen mannen en vrouwen, en dat hiervoor een specifieke actie nodig is in het kader van het komende Europese initiatief voor e-integratie; is van oordeel dat het toenemende risico van sociale uitsluiting als gevolg van het niet kunnen gebruiken van de nieuwe technologieën en informatietechnologieën in onevenredige mate vrouwen treft;

80.   dringt er bij de Commissie op aan om een analyse uit te voeren van het acquis communautaire op het gebied van de informatiemaatschappij, en met name vanuit het genderperspectief; verzoekt de Commissie een dialoog met de belangrijkste spelers op de mediamarkt aan te gaan, opdat er een "code voor gendergelijkheid" voor de media tot stand komt; verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan misbruik van nieuwe ICT in de vrouwen- en kinderhandel, en hiertoe alle wettelijke en technologische middelen in te zetten die nodig zijn om dit probleem te bestrijden;

o
o   o

81.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.
(2) PB L 77 van 13.3.2004, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0260.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0467.

Laatst bijgewerkt op: 14 september 2007Juridische mededeling