Resolutie van het Europees Parlement houdende aanbevelingen aan de Commissie inzake de toegang tot de documenten van de instellingen (2004/2125(INI))
Het Europees Parlement,
– gelet op artikel 192, tweede alinea van het EG-Verdrag,
– gelet op de artikelen 39 en 45 van zijn Reglement,
– gezien de verslagen van de instellingen over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(1)
, en in het bijzonder gezien het eerste driejaarlijkse verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging conform artikel 17, lid 2 van die verordening,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0052/2006),
A. overwegende dat met de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam en de inwerkingtreding van artikel 255 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, doorzichtigheid een van de grondbeginselen van de Europese Unie is geworden, waarmee beoogd wordt het democratisch gehalte van de Europese instellingen te versterken, de burgers nauwer bij de besluitvorming te betrekken, de rechtmatigheid van administratieve overheden te vergroten doordat deze effectiever kunnen optreden en zich beter tegenover burgers kunnen verantwoorden en ten slotte de tijdige signalering van problemen of fouten te verzekeren,
B. overwegende dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 slechts een gedeeltelijke implementatie van artikel 255 van het EG-Verdrag is, aangezien:
-
de hierin gegeven impliciete definitie van wetgevingsactiviteit (zie artikel 12) te algemeen is, waardoor verwarring met activiteiten van administratieve aard kan ontstaan; bovendien bepaalt de verordening niet dat het debat over en de vaststelling van wetgeving door het Parlement en de Raad in het openbaar moet plaatsvinden, noch dat naast de wetgevingsinitiatieven ook de door de lidstaten ingediende amendementen rechtstreeks toegankelijk moeten zijn; op vergelijkbare wijze moeten ook alle voorbereidende wetgevingsdocumenten toegankelijk zijn (ongeacht het feit of deze al dan niet door de juridische diensten van de gemeenschapsinstellingen zijn opgesteld), zodat beslissingen met volledige kennis van zaken van het desbetreffende onderwerp en op gelijkwaardige basis en in open samenwerking door het Parlement, de Raad en de Commissie kunnen worden genomen; verder is er nog steeds geen overeenstemming over de vereisten voor de publicatie van wetgevingsteksten in het Publicatieblad of over de wijze waarop het Publicatieblad moet worden georganiseerd (bijvoorbeeld ten aanzien van de elektronische versie),
-
er geen duidelijke regels worden gegeven voor: de toegang tot documenten van administratieve aard, de zogeheten "bedenktijd", een betere redactionele kwaliteit, het informeren van burgers over de door iedere betrokken instelling te volgen procedure, gemeenschappelijke regels voor het archiveren van documenten of aparte toegang voor personen met specifieke toegangsrechten,
-
er duidelijk behoefte is aan een omschrijving van de omstandigheden waaronder bepaalde documenten geheel of gedeeltelijk als vertrouwelijk kunnen worden geclassificeerd, alsmede aan regels voor de periodieke herziening van die classificaties; bovendien is het onverenigbaar met het democratische beginsel waarop de Unie is gegrondvest dat het Europees Parlement zich niet kan beroepen op een duidelijke rechtsgrondslag voor toegang tot geheime informatie van de EU, met name waar ook de nationale parlementen geen of slechts beperkte toegangsrechten hebben; bovendien moet er ook voor worden gezorgd dat derde landen en internationale organisaties de Raad en de Commissie niet kunnen verbieden het Parlement inzage in geheime informatie te geven,
-
het administratieve systeem (registers, databases en andere IT-toepassingen van de instellingen) nog in een proeffase verkeert en dat de drie instellingen geen gezamenlijke aanpak hebben; verder is er, zelfs voor de interinstitutionele procedures nog steeds geen consensus tussen de instellingen over het beheren, delen en opslaan van de diverse typen documenten; en, ondanks bepaalde verbeteringen is er nog steeds een groot gebrek aan coördinatie tussen de instellingen, met name ten aanzien van documenten in verband met interinstitutionele procedures, zodat niet alleen de gewone burgers, maar ook deskundigen, onderzoekers en nationale parlementen het spoor bijster raken,
C. overwegende dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 weliswaar voorziet in een herziening na drie jaar en dat het Parlement de Commissie herhaaldelijk heeft verzocht de communautaire wetgeving inzake de doorzichtigheid te verbeteren en te versterken, maar dat er geen voorstel in de zin van artikel 39, lid 2 van het Reglement van het Parlement gelanceerd is,
D. overwegende dat de problemen bij de toepassing van de verordening in sommige opzichten aan een tekortschietende tenuitvoerlegging te wijten waren; overwegende dat ook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie met betrekking tot de verordening is gebleken dat sommige bepalingen van de verordening nader moeten worden ontwikkeld en verduidelijkt, met name de bepalingen over door lidstaten en derden geproduceerde documenten en over de uitzonderingen voor onderzoeken, juridisch advies en de "bedenktijd",
E. overwegende dat transparante en open onderhandelingen en een open samenwerking tussen de instellingen betere manieren zijn ter verbetering van de doeltreffendheid van de besluitvormingsprocedures als bedoel in artikel 207 van het EG-Verdrag dan geheime onderhandelingen binnen de Raad; derhalve betreurend dat de Raad in de conclusies van het Voorzitterschap van 22 december 2005 verkoos om zijn interne reglement niet te wijzigen en geen transparante debatten op ministersniveau te voeren doorheen de wetgevingsprocedure,
1. verzoekt de Commissie in 2006 een wetgevingsvoorstel op grond van artikel 255 van het EG-Verdrag aan het Parlement te doen toekomen inzake "het recht op toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, en algemene beginselen en beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen met betrekking tot dit recht van toegang", dat in interinstitutionele besprekingen moet worden voorbereid en waarin de onderstaande gedetailleerde aanbevelingen worden nagevolgd;
2. bevestigt dat deze aanbevelingen het subsidiariteitsbeginsel, de fundamentele rechten van de burgers en de jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, met name met betrekking tot artikel 8 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens, alsook de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten eerbiedigen;
3. is van oordeel dat de financiële gevolgen van het verlangde voorstel moeten worden gedragen door de huishoudelijke kosten van de instellingen, waarbij de eisen op het gebied van transparantie onscheidbaar zijn van die met betrekking tot de formulering, goedkeuring en verspreiding van de teksten waarvan zij de auteurs of ontvangers zijn;
4. benadrukt dat nieuwe regels inzake de toegang tot documenten van toepassing moeten zijn met ingang van de inwerkingtreding van de toekomstig gewijzigde verordening en dus geen retroactieve werking mogen hebben;
5. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de bijbehorende gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de toetredings- en kandidaat-landen.
GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL
Aanbeveling 1 (inzake artikel 255 van het EG-Verdrag en Verordening (EG) nr. 1049/2001 vanuit grondwettelijk perspectief)
De Commissie moet de visa en overwegingen van Verordening (EG) nr. 1049/2001 helderder formuleren om duidelijk uit te drukken dat artikel 255 van het EG-Verdrag(1)
, dat de rechtsgrondslag voor de verordening zelf vormt:
a)
de belangrijkste verdragsmatige rechtsgrondslag is voor de toepassing van de grondbeginselen van de Unie, zoals omschreven in artikel 1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat bepaalt dat "de besluiten in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen", en in artikel 6 van het EU-Verdrag, dat bepaalt dat "de Unie [is] gegrondvest op de beginselen van … democratie … en van de rechtsstaat";
b)
wat doorzichtigheid en geheimhouding betreft de centrale rechtsgrondslag vormt voor alle handelingen die het Parlement, de Raad en de Commissie (de zogeheten wetgevingsdriehoek) uit hoofde van het EG- en EU-Verdrag verrichten;
c)
op getrouwe en volledige wijze moet worden geïmplementeerd in de reglementen van het Europees Parlement(2)
, de Commissie(3)
en de Raad(4)
;
d)
consistent moet worden toegepast wanneer de instellingen in hun wetgevende hoedanigheid optreden (zoals omschreven in artikel 207 van het EG-Verdrag) of EU- of EG-wetgeving (artikel 202 van het EG-Verdrag)(5)
ten uitvoer leggen, ongeacht de vraag welke instelling de regelgeving ten uitvoer legt of uitvoerende bevoegdheden uitoefent;
Aanbeveling 2 (inzake de begrippen wetgevingsdocumenten en niet-wetgevingsdocumenten)
De Commissie, na de discussie in het interinstitutionele comité als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en in overeenstemming met de in aanbeveling 1 omschreven beginselen, dient verordening zodanig te wijzigen dat daarin de volgende begrippen worden gedefinieerd:
a)
het begrip "wetgevingsdocumenten"
wordt nu in artikel 12, lid 2 omschreven als documenten "die zijn opgesteld of ontvangen in de loop van procedures tot aanneming van in of voor de lidstaten bindende besluiten"; daarin moet worden opgenomen dat het begrip"(wetgevings)besluit" gereserveerd wordt voor secundaire wetgeving (die een rechtstreekse rechtsgrondslag in de verdragen heeft).
Voor wat betreft wetgevingsdocumenten moet toegang worden verleend tot:
-
alle voorbereidende documenten in verband met een bepaalde beslissingsprocedure; deze documenten moeten toegankelijk zijn vanaf het moment dat ze formeel door de bij de beslissing betrokken instellingen worden ingediend;
-
de geregistreerde debatten in Parlement of Raad, handelende in hun wetgevende hoedanigheid, en de documenten waarover gedebatteerd wordt (tenzij deze vertrouwelijk zijn, zie aanbeveling 3 hierna);
-
de identiteit van de auteur van ieder initiatief of officieel amendement;
-
alle andere relevante informatie of documenten in verband met de bijeenkomsten van de diverse werkgroepen van de instellingen, alsmede de bijdragen van de secretariaten van de instellingen (waaronder de juridische diensten), voor zover het niet om zuiver administratieve documenten gaat.
De gewijzigde verordening moet tevens de rechtsgrondslag vormen voor het vaststellen van regels, goede praktijken en interinstitutionele akkoorden die tot doel hebben de redactionele kwaliteit van wetgevingsteksten te verbeteren en de toegankelijkheid van de definitieve teksten te waarborgen, zoals regels voor:
-
het opstellen van ontwerpwetgevingsteksten,
-
het publiceren van die teksten in elektronische vorm in het Publicatieblad,
-
het consolideren van basisteksten met de later aangenomen wijzigingen en
-
het vaststellen van de vormgeving van het Publicatieblad, het doorvoeren van meertaligheid en het vaststellen van de taken van het Publicatiebureau;
b)
het begrip "niet-wetgevingsdocumenten"
als zijnde documenten in verband met procedures voor uitvoerende of gedelegeerde wetgevingsbesluiten (ongeacht de betrokken instellingen), en documenten in verband met niet-verbindende rechtshandelingen; in dergelijke gevallen moet het gezien het administratieve karakter mogelijk zijn minder strenge regels aan de doorzichtigheid te stellen.
Daarom moeten de instellingen:
-
de te volgen procedure voor deze niet-wetgevende documenten openbaar maken en duidelijk aangeven wanneer en onder welke voorwaarden belanghebbenden aan de procedure kunnen deelnemen en het publiek de documenten kan inzien;
-
tevens duidelijk aangeven welke afdelingen bij de administratieve procedures betrokken zijn, hoe de documenten - tijdelijk of definitief - worden opgeslagen en hoe ze kunnen worden ingezien.
c)
het begrip "regelgevingsdocumenten"(6)
als zijnde documenten in verband met procedures voor de goedkeuring van besluiten die niet-essentiële elementen van wetgevingsbesluiten (als omschreven onder letter a)) aanvullen of wijzigen, ongeacht of dergelijke regelgevende documenten zijn goedgekeurd door de Raad of aan de Commissie gedelegeerd; voor de toegang tot deze documenten moeten mutatis mutandis dezelfde voorwaarden gelden als voor wetgevingsdocumenten (zo moet in de comitologieprocedures toegang worden verleend vanaf het moment waarop een ontwerpmaatregel formeel bij een commissie wordt ingediend); evenzo moet toegang worden verleend tot de relevante aanvullende documenten (zoals agenda's, notulen en uitslagen van stemmingen in de commissie).
Aanbeveling 3 (inzake vertrouwelijke documenten)
Tevens moet, rekening houdend met de beste praktijken in de lidstaten, Verordening (EG) nr. 1049/2001 worden gewijzigd door een duidelijke omschrijving op te nemen van de "beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen", als bedoeld in artikel 255 EG-Verdrag, op grond waarvan de toegang tot de documenten van de instellingen (of relevante gedeelten daarvan) zou kunnen worden uitgesteld of geweigerd; de verordening moet daarom regels bevatten om:
a)
te waarborgen dat de gronden waarop fundamentele beleidsbeslissingen en de aangenomen wetgeving berusten, zich in het publieke domein moeten bevinden, ongeacht het gebied van het EU-optreden waarop deze betrekking hebben; ook is er behoefte aan verduidelijking van het onderscheid tussen enerzijds de noodzaak tot geheimhouding bij bijvoorbeeld geplande of lopende activiteiten van veiligheidsdiensten en anderzijds de eisen van financiële verantwoording en controle ex post;
b)
te waarborgen dat documenten niet routinematig als vertrouwelijk worden aangemerkt, alleen omdat ze verband houden met een zaak die vanuit veiligheidsoogpunt relevant is of zou kunnen zijn, en
c)
te waarborgen dat het Europees Parlement voldoende controle kan uitoefenen (democratische parlementaire controle)
Voorts moet in de verordening duidelijk worden gesteld dat bilaterale overeenkomsten met derde landen of internationale organisaties de Raad of de Commissie niet kunnen verbieden vertrouwelijke informatie aan het Europees Parlement bekend te maken (vooral waar de relevante documenten niet toegankelijk zijn voor de nationale parlementen omdat het om documenten van de EU gaat).
Aanbeveling 4 (inzake de relatie tussen de EU en de lidstaten ten aanzien van het uitwisselen van informatie en documenten)
Rekening houdend met het beginsel van artikel 296 van het EG-Verdrag, dat bepaalt dat "geen enkele lidstaat gehouden [is] inlichtingen te verstrekken waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid
", moet de verordening na wijziging:
a)
grenzen stellen aan het recht van lidstaten om de toegang tot hun bijdragen aan en amendementen van wetgevings- en regelgevingsprocedures te beperken;
b)
volledige toegang verlenen tot bij de Commissie ingediende informatie in verband met de uitvoering van de EG- of EU-wetgeving, tot het eventuele moment waarop een gerechtelijke procedure aanhangig wordt gemaakt.
Aanbeveling 5 (inzake de praktische aspecten van het waarborgen van toegang tot documenten voor burgers)
Rekening houdend met de ervaring van de eerste vier jaar van het van kracht zijn van de verordening, moet de Commissie de verordening wijzigen door middel van een samenhangend voorstel waarin:
a)
op duidelijke en gestructureerde wijze in een centraal toegangspunt wordt voorzien voor alle voorbereidende documenten in verband met een wetgevings- of regelgevingsprocedure (zie aanbeveling 2);
b)
de registers van de instellingen gereorganiseerd worden door deze aan een gemeenschappelijk interface te koppelen, zodat de burger/gebruiker in alle drie de registers dezelfde functionaliteit terugvindt;
c)
gemeenschappelijke regels voor het archiveren van documenten worden geformuleerd, waarbij dubbelingen wordt vermeden en de authenticiteit van de verschillende versies wordt gewaarborgd;
d)
de workflow van de instellingen, en waar van toepassing het toegangspunt tot de documenten, op duidelijke en begrijpelijke wijze wordt gepresenteerd.
Artikel 255 van het EG-Verdrag: 1. Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft recht op toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, volgens de beginselen en onder de voorwaarden die overeenkomstig de leden 2 en 3 worden bepaald.2. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam bepaalt de Raad volgens de procedure van artikel 251 de algemene beginselen en de beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen betreffende dit recht op toegang tot documenten.3. Elk van bovengenoemde instellingen neemt in haar eigen reglement van orde specifieke bepalingen betreffende de toegang tot haar documenten op.
Artikel 199 van het EG-Verdrag: Het Europees Parlement stelt zijn reglement van orde vast bij meerderheid van stemmen van zijn leden.De handelingen van het Europees Parlement worden overeenkomstig de bepalingen van dat reglement bekend gemaakt.
Artikel 218, lid 2 van het EG-Verdrag: "De Commissie stelt haar reglement van orde vast teneinde te verzekeren dat zij en haar diensten overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag werkzaam zijn. Zij zorgt voor de bekendmaking van dat reglement.
Artikel 207, lid 3, van het EG-Verdrag: 3. De Raad stelt zijn reglement van orde vast. Voor de toepassing van artikel 255, lid 3, neemt de Raad in dit reglement de voorwaarden op waaronder het publiek toegang heeft tot documenten van de Raad. Voor de toepassing van dit lid omschrijft de Raad de gevallen waarin hij geacht moet worden op te treden als wetgever teneinde in die gevallen een ruimere toegang tot de documenten toe te staan, en tegelijkertijd de doeltreffendheid van het besluitvormingsproces te behouden. In elk geval maakt de Raad wanneer hij optreedt als wetgever, de uitslag van de stemmingen, alsmede de stemverklaringen en de verklaringen in de notulen openbaar.
Artikel 202 van het EG-Verdrag: Ter bereiking van de doelstellingen van dit Verdrag en overeenkomstig de bepalingen daarvan: - draagt de Raad zorg voor de coördinatie van het algemene economische beleid van de lidstaten; - heeft de Raad beslissingsbevoegdheid; - verleent de Raad, in de besluiten die hij neemt, de Commissie de bevoegdheden ter uitvoering van de regels die hij stelt. De Raad kan de uitoefening van deze bevoegdheden aan bepaalde voorwaarden onderwerpen. Hij kan zich ook het recht voorbehouden in bijzondere gevallen bepaalde uitvoeringsbevoegdheden rechtstreeks uit te oefenen. De hierboven bedoelde voorwaarden dienen te beantwoorden aan de beginselen en regels die de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, vooraf met eenparigheid van stemmen heeft vastgesteld.
Artikel 2 b) van het Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23) luidt b) maatregelen van algemene strekking die ten doel hebben essentiële onderdelen van een basisbesluit toe te passen, met inbegrip van maatregeIen die de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van mensen, dieren of planten beogen, worden volgens de regelgevingsprocedure vastgesteld. Wanneer een basisbesluit bepaalt dat sommige niet-essentiëIe onderdelen van dat besluit door middel van uitvoeringsmaatregelen kunnen worden aangepast of bijgewerkt, worden die maatregelen volgens de regelgevingsprocedure vastgesteld;