Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2005/2055(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0082/2006

Ingediende teksten :

A6-0082/2006

Debatten :

PV 04/04/2006 - 13
CRE 04/04/2006 - 13

Stemmingen :

PV 16/05/2006 - 8.18
CRE 16/05/2006 - 8.18
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0203

Aangenomen teksten
PDF 103kDOC 52k
Dinsdag 16 mei 2006 - Straatsburg Definitieve uitgave
De wetgeving verbeteren 2004: toepassing van het subsidiariteitsbeginsel
P6_TA(2006)0203A6-0082/2006

Resolutie van het Europees Parlement over de wetgeving verbeteren 2004: toepassing van het subsidiariteitsbeginsel - 12e jaarverslag (2005/2055(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 5 juni 2002 over effectbeoordeling (COM(2002)0276),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 5 juni 2002 over het Actieplan "Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving" (COM(2002)0278),

–   gezien het tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gesloten Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2003 over beter wetgeven(1) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 april 2004 over de toetsing van de impact van de communautaire regelgeving en de raadplegingsprocedures(2) ,

–   gezien de conclusies van de Raad Mededinging van 25-26 november 2004,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 16 maart 2005 getiteld "Betere regelgeving met het oog op economische groei en meer banen in de Europese Unie" (COM(2005)0097),

–   gezien het verslag van de Commissie getiteld "De wetgeving verbeteren 2004" van 21 maart 2005 (COM(2005)0098),

–   gezien de richtsnoeren voor effectentoetsing van de Commissie van 15 juni 2005 met bijlagen (SEC(2005)0791),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Resultaat van de screening van wetgevingsvoorstellen die bij de wetgever hangende zijn" van 27 september 2005 (COM(2005)0462),

–   gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité over beter wetgeven en over verbetering van de tenuitvoerlegging en handhaving van de Europese wetgeving van 28 september 2005(3) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie over een gemeenschappelijke EU-methode voor het bepalen van uit wetgeving voortvloeiende administratieve lasten van 21 oktober 2005 (COM(2005)0518),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 december 2005 over het wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2006(4) ,

–   gelet op het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0082/2006),

A.   overwegende dat de Commissie in haar mededeling over betere regelgeving met het oog op economische groei en meer banen in de Europese Unie een duidelijk verband legt tussen het halen van de Lissabon-doelstellingen en betere regelgeving,

B.   overwegende dat de totstandbrenging van een transparante, duidelijke, doeltreffende en kwalitatief hoogstaande regelgevingsomgeving een prioritaire doelstelling voor het beleid van de Europese Unie zou moeten zijn,

C.   overwegende dat de regelgevingsomgeving waarin de bedrijven zich ontwikkelen een bepalende factor is voor hun concurrentievermogen, een duurzame groei en derhalve voor hun prestaties op het gebied van werkgelegenheid,

D.   overwegende dat effectentoetsing bij nieuwe wetgeving en vereenvoudiging van bestaande wetgeving kan bijdragen tot een betere beoordeling van de sociale, economische, milieu- en gezondheidseffecten daarvan en zou kunnen leiden tot een vermindering van de administratieve lasten, die de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven, in het bijzonder het midden- en kleinbedrijf (MKB), aantasten,

E.   overwegende dat de reputatie van de Europese wetgever bij burgers en bedrijven in de Unie duidelijk te wensen overlaat, met name doordat de wetgeving, die vaak het resultaat is van een moeilijk tot stand gekomen politiek compromis, niet duidelijk genoeg is en de lidstaten niet in staat of niet bereid zijn om die correct ten uitvoer te leggen,

F.   overwegende dat bij de totstandkoming van wetgeving de Commissie sommige betrokkenen de gelegenheid geeft te reageren, door middel van overleg en verschillende werkgroepen, maar dat er onvoldoende zicht is op de inhoud van dit overleg, de deelnemers en de wijze waarop de Commissie de resultaten daarvan in aanmerking neemt,

G.   overwegende dat het zich in zijn reeds aangehaalde resolutie van 20 april 2004 met grote meerderheid heeft uitgesproken voor het gebruik van effectentoetsing in de Europese Unie om regelgeving te verbeteren en overwegende dat de Raad en de Commissie in tal van documenten het belang van effectentoetsing hebben onderstreept,

H.   overwegende dat de effectentoetsing die door de Commissie wordt toegepast niet consequent volgens één en dezelfde methodiek plaatsvindt en daardoor van wisselende kwaliteit is en dat de effectentoetsing vaak meer op een rechtvaardiging van het voorstel lijkt dan op een objectief feitelijke toetsing,

I.   overwegende dat veel uitvoerings- (of secundaire) wetgeving via comitologie tot stand komt, zonder adequate parlementaire controle of effectentoetsing,

J.   overwegende dat wetgeving ook een proces is, waarbij geleerd kan worden van gemaakte fouten; overwegende dat er onvoldoende zicht is op de effecten van wetgeving en dat de rapporten van de Commissie over de uitvoering van gemeenschapswetgeving zich beperken tot de implementatie in de lidstaten, maar geen inzicht geven of de wetgeving in de praktijk heeft beantwoord aan de doelstelling,

1.   onderstreept de noodzaak dat alle communautaire wetgeving die wordt aangenomen volledig met het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel strookt;

2.   steunt de ambitie om de Europese wetgeving ter bevordering van groei en werkgelegenheid te verbeteren; benadrukt de noodzaak van een geïntegreerde en consistente aanpak van de initiatieven voor een "betere regelgeving" die aansluit op de drie pijlers van de Lissabon, indien de markt het laat afweten; benadrukt dat initiatieven voor een "betere regelgeving" op een doorzichtige en democratische wijze ten uitvoer moeten worden gelegd;

3.   spreekt zich uit voor een op beginselen gebaseerde wetgeving die kwaliteit boven kwantiteit stelt; beschouwt het debat over een "betere regelgeving" als een goede gelegenheid om na te denken over wetgeving als een proces dat bedoeld is om vastomlijnde beleidsdoelen te verwezenlijken door alle belanghebbenden bij alle fasen van dit proces te betrekken, vanaf de voorbereiding tot de handhaving;

4.   raadt aan het programma voor een "betere regelgeving" eerst op een beperkt aantal gebieden uit te proberen en de resultaten daarvan te evalueren voordat het breed wordt ingezet; meent dat de ervaringen met de Lamfalussy-procedure in de wetgeving inzake de financiële markten in het algemeen en de dialoog tussen regelgevers en marktdeelnemers in het bijzonder als een waardevolle testcase voor een dynamisch wetgevingsproces kunnen dienen;

5.   is van mening dat de Lamfalussy-procedure haar nut heeft; vindt de convergentie van toezichtprocedures van cruciaal belang; verwelkomt in dit opzicht de bijdragen van de comités van niveau 3 en sluit zich aan bij hun oproep tot een adequaat instrumentarium; meent dat de technische details bij de wetgeving grotendeels kunnen vervallen en meer afdoende regels voor een dynamische markt kunnen worden ingesteld, als toezichthouders maar voldoende speelruimte hebben; benadrukt evenwel dat de politiek te allen tijde verantwoordelijk blijft voor de einddoelstellingen van de betreffende wetgeving; staat erop dat de wetgevers het proces nauwlettend in de gaten houden en herhaalt nogmaals dat de rechten van het Parlement op het gebied van wetgeving volledig in acht moeten worden genomen;

6.   stelt de noodzaak vast om ieder wetgevingsvoorstel vergezeld te laten gaan van een effectentoetsing, hetgeen in zijn reeds aangehaalde resolutie van 20 april 2004 is gedefinieerd als het kort en bondig in kaart brengen van de gevolgen in sociaal, economisch en milieuopzicht, alsmede het in kaart brengen van de beleidsalternatieven die de wetgeving tegen deze achtergrond ter beschikking staan;

7.   is van oordeel dat ingeval een ontwerpvoorstel door de Commissie op verzoek van een of meer lidstaten wordt ingediend, dit vermeld dient te worden;

8.   benadrukt de noodzaak de eenduidige richtsnoeren en structuren voor het uitvoeren van een effectentoetsing die de Commissie in juni 2005 heeft gepubliceerd zo spoed mogelijk uniform in alle DG's te implementeren;

9.   verwelkomt de ontwikkeling van effectbeoordelingen in de voorbereidende fase, maar wijst erop dat deze nooit in de plaats van het politieke debat over de voors en tegens van wetten kunnen komen; onderstreept dat de belangen van consumenten, het bedrijfsleven en de burgerbevolking niet simpelweg tot een kosten-batenanalyse kunnen worden teruggebracht; is ervan overtuigd dat de uitvoering van wetten volledig onder de verantwoordelijkheid van de instellingen zelf en overeenkomstig hun politieke prioriteiten moet plaatsvinden; verlangt volledige transparantie in de voorbereidende fase, motiveringen die stoelen op de resultaten die men wil bereiken en waar nodig nadere uitleg; benadrukt het belang van gemeenschappelijke richtsnoeren die bij de drie pijlers van Lissabon aansluiten; staat op een behoorlijke begroting;

10.   benadrukt dat de Commissie in de effectentoetsing op een meer nauwkeurige manier en overeenkomstig nauwkeurige richtsnoeren de gevolgen in aanmerking moet nemen van het niet-bestaan van wetgeving, in termen van gemiste baten, met name met betrekking tot gezondheid, maatschappelijk welzijn en duurzaamheid; benadrukt dat zij daarnaast de door haar ontwikkelde methode om administratieve lasten als onderdeel van effectentoetsing kwantitatief te gaan berekenen op EU-niveau zo snel mogelijk moet operationaliseren; stelt vast dat een dergelijke methode noodzakelijk is om inzicht te krijgen in de kosten die samenhangen met de toepassing en uitvoering van wetgeving; is van mening dat uiterlijk 2006 een definitieve methodiek moet zijn geïntegreerd in de effectentoetsing;

11.   acht het voor een eenduidige toepassing van effectentoetsing door de diensten van de Commissie van wezenlijk belang dat de kwaliteit van de effectentoetsing wordt onderworpen aan een onafhankelijke controle; zal geen voorstellen in behandeling nemen zonder dat deze vergezeld gaan van een onafhankelijk gecontroleerde effectenbeoordeling, tenzij, in uitzonderlijke individuele gevallen, door het Parlement ontheffing hiervan wordt verleend;

12.   spreekt de wens uit dat voor een "betere regelgeving" een algemene aanpak wordt gehanteerd, waarbij zowel het Parlement, de Raad en de Commissie als de lidstaten volledig worden betrokken en waarbij alle belanghebbenden worden geraadpleegd, zodat ook burgers zich meer betrokken voelen, aangezien we onlangs hebben gezien dat de bevolking in bepaalde lidstaten weinig vertrouwen in het Europees project heeft; pleit voor een grotere inbreng en betrokkenheid van de vertegenwoordigers van consumenten en werknemers bij de overlegprocessen;

13.   benadrukt dat raadpleging van belanghebbenden in de voorbereidende fase niet hetzelfde is als onderhandelen met de belanghebbenden gedurende het wetgevingsproces en uit haar bezorgdheid over de neiging van de Commissie om bilaterale onderhandelingen met individuele lidstaten aan te gaan vooraleer wetgevingsvoorstellen ter tafel te leggen, wat soms leidt tot vreemde, inconsistente of tegenstrijdige bepalingen en opt-outs of uitzonderingen ten gunste van bepaalde lidstaten, waardoor de gelijkheid van het speelveld wordt verstoord;

14.   acht het noodzakelijk dat bij voorbereiding van wetgeving en de effectentoetsing betrokkenen in de gelegenheid worden gesteld en voldoende tijd krijgen om hun reacties kenbaar te maken, dat de Commissie de betrokkenen meedeelt op welke wijze hun reacties in het voorstel worden verwerkt; is van oordeel dat de Commissie hierbij maximale transparantie dient te betrachten door zowel de reacties van betrokkenen als de effectentoetsing in een voor ieder toegankelijk register te publiceren;

15.   stelt vast dat veel uitvoeringswetgeving tot stand komt via de zogenoemde comitologieprocedure; is van mening dat deze wetgeving aan dezelfde kwaliteitseisen als de uit te voeren wetgeving moet voldoen en pleit er derhalve voor deze aan een effectentoetsing te onderwerpen zodra de noodzakelijke know-how en instrumenten zijn ontwikkeld;

16.   is ervan overtuigd dat het Parlement eerder genegen zal zijn zich op de algemene beginselen te concentreren en een vereenvoudiging en innovatie van de wetgeving te steunen als zijn wetgevende bevoegdheden in de context van de comitologie worden geëerbiedigd;

17.   herhaalt dat het Parlement en de Raad hun fundamentele wijzigingen in voorstellen van de Commissie ook aan een effectentoetsing kunnen onderwerpen en benadrukt dat deze effectentoetsing alleen maar zin heeft, wanneer dezelfde methodiek wordt gehanteerd als bij de Commissie;

18.   nodigt de Raad en de Commissie uit in het kader van een interinstitutioneel overleg op korte termijn een communautaire methode en procedure voor het toepassen van effectentoetsing binnen het Europees beleidsproces te ontwikkelen en voor september 2006 met concrete afspraken te komen;

19.   onderstreept dat de methoden voor een "betere regelgeving" het machtsevenwicht tussen het Parlement, de Raad en de Commissie en hun respectieve rol in acht moeten nemen; spreekt de wens uit dat het Parlement op basis van zijn ervaring een weloverwogen en geïntegreerde bijdrage levert; benadrukt dat de politiek achter de innovaties in het wetgevingsproces moet staan;

20.   is van mening dat een zeer technische wetgeving de co-wetgevers niet van het democratische wetgevingsproces mag vervreemden, maar hen juist moet stimuleren zich op de politieke kernbeginselen en -doelstellingen te concentreren en zich op de praktische toepassing daarvan te richten, waarbij ze van een voorschrijvende op een ontvankelijke en participatieve aanpak moeten overschakelen, daarbij gebruikmakend van alle technische kennis en capaciteiten van de regelgevende autoriteiten die de wet moeten toepassen;

21.   nodigt lidstaten uit onderling ervaringen uit te wisselen met het gebruik van effectentoetsing, en ook op nationaal niveau regelgeving te onderwerpen aan effectentoetsing;

22.   verwelkomt de grotere betrokkenheid van de nationale parlementen bij het werkprogramma van de Commissie, maar wil niet dat voorstellen op volstrekt willekeurige wijze en alleen op basis van subsidiariteit en proportionaliteit worden geselecteerd; spreekt de wens uit dat alle nieuwe voorstellen vergezeld gaan van een samenvatting van de bestaande wetgeving op dat gebied en een toelichting van de plaats die de nieuwe tekst daarin inneemt; wil dat de Raad en het Parlement verschillende opties worden voorgelegd, die elk een gedegen analyse bevatten van de respectieve consequenties wat de verwachtingen van de burger, de drie pijlers van Lissabon, het kostenplaatje en de administratieve belasting (vooral voor het MKB) betreft;

23.   roept de Commissie op een uniform wetgevend kader voor de hele EU zeker te stellen door ervoor te zorgen dat dit kader niet van Raadswege door een veelvoud aan uitzonderingsregels voor enkele lidstaten wordt ondermijnd;

24.   verzoekt de Commissie uiterlijk drie jaar na inwerkingtreding van nieuwe wetgeving het Parlement te rapporteren over de effecten van de wetgeving in de praktijk; is daarbij vooral geïnteresseerd in de vraag of de wetgeving aan de oorspronkelijke opzet heeft voldaan, welke gevolgen zij heeft gehad voor het internationale concurrentievermogen van de desbetreffende sector, niet in de laatste plaats in het licht van de uiteenlopende regelgeving (of het ontbreken daarvan) in concurrerende landen, en hoe de wetgeving in de praktijk wordt nageleefd; vraagt de Commissie eveneens de kwantitatieve resultaten van de effectentoetsing regelmatig te onderwerpen aan een kritische analyse, ten einde vast te stellen of de gehanteerde methodiek betrouwbare voorspellingen produceert en hierover aan het Parlement te rapporteren;

25.   onderstreept de noodzaak van een actievere rol van het Parlement, en met name van de verantwoordelijke rapporteur, bij het monitoren van de implementatie van Europese regelgeving in de lidstaten, en van gebruikmaking daarbij van het netwerk tussen het Europees Parlement en de nationale en/of regionale parlementen;

26.   is van mening dat de omzetting van EG-wetgeving nauwlettend en proactief in de gaten moet worden gehouden, zodat uiteenlopende interpretaties en verguldingsmaatregelen worden voorkomen; wil dat de Commissie samen met de toezichthouders en deskundigen zowel op EU- als nationaal niveau een actieve rol bij het omzettingsproces speelt, aangezien een vroegtijdige analyse van mogelijke knelpunten vertragingen en een onnodige belasting van het bedrijfsleven kan voorkomen; stelt voor dat het Parlement samen met zijn nationale partners een gedegen toezichtprocedure voor het omzettingsproces opzet;

27.   erkent dat de "open coördinatiemethode" een belangrijk beleidsinstrument is in het kader van de strategie van Lissabon; beklemtoont echter dat deze methode niet kan worden beschouwd als een algemeen substituut voor een meer officiële coördinatie en gemeenschappelijke beleidsmaatregelen in dit verband; dringt erop aan dat het Parlement volledig wordt geïnformeerd over de ontwikkeling van de WTO-praktijken en verzoekt de Commissie een evaluatierapport over deze methode in te dienen; beklemtoont dat de open coördinatiemethode niet mag uitgroeien tot een parallelle, niet-transparante wetgevingsprocedure die de in het EG-Verdrag vastgestelde procedures ondermijnt en de parlementaire controle in gevaar brengt;

28.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.
(2) PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 146.
(3) PB C 24 van 31.1.2006, blz. 39 en 52.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0524.

Laatst bijgewerkt op: 17 oktober 2006Juridische mededeling