– onder verwijzing naar zijn vroegere resoluties over Syrië, meer bepaald die van 8 september 2005(1)
,
– gezien de euro-mediterrane overeenkomst, die door de Europese Gemeenschap en Syrië ondertekend is, meer in het bijzonder artikel 2, dat bepaalt dat de partijen zich in hun binnen- en buitenlandse beleidsvoering laten leiden door eerbied voor de democratische beginselen en de grondrechten, en dat een wezenlijk bestanddeel van de overeenkomst vormt,
– gezien de verklaring van 28 november 1995 over het proces van Barcelona en de nadruk die daarin gelegd wordt op een versterking van de mensenrechten,
– gezien de politieke prioriteiten van zijn voorzitter van de euro-mediterrane parlementaire vergadering in 2005, namelijk versterking van de dialoog over de rechten van de mens met de parlementen van de partnerlanden,
– gezien de mededeling van de Europese Commissie naar aanleiding van de 10de verjaardag van het euro-mediterrane partnerschap "een werkprogramma om de uitdagingen van de komende vijf jaar het hoofd te bieden" (COM(2005)0139), vooral om zich toe te leggen op aangelegenheden als de verdediging van de rechten van de mens,
– gezien zijn resolutie van 27 oktober 2005 over een terugblik op het proces van Barcelona(2)
,
– gezien de richtsnoeren inzake het EU-beleid tegenover derde landen in verband met de doodstraf (1998), met de foltering en andere vormen van wrede, onmenselijke en vernederende behandeling en bestraffing (2001), en de EU-richtsnoeren inzake de dialoog over de rechten van de mens (2001) en inzake de verdedigers van de rechten van de mens (2004),
– gezien de verklaring van 19 mei 2006 van het EU-voorzitterland over de recente aanhoudingen in Syrië,
– gelet op artikel 11, lid 1 van het verdrag over de Europese Unie en artikel 177 van het EG-verdrag, die de verdediging van de rechten van de mens tot doelstelling van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vaststellen,
– gelet op artikel 115, lid 5 van zijn Reglement,
A. gezien de belangrijke politieke, economische en culturele verbindingen tussen de Europese Unie en Syrië;
B. overwegende dat de huidige president Bashar al-Assad toen hij aan de macht gekomen is, in Syrië enige hoop gewekt heeft en het Syrisch politiek systeem, dat vele jaren lang door de Baath-partij beheerst is, enigszins geopend heeft;
C. overwegende dat het Parlement en zijn voorzitter al meerdere malen tussenbeide gekomen zijn om de vrijlating van parlementsleden te verkrijgen die in Syrische gevangenissen opgesloten zaten, en dat het EU-voorzitterschap de Syrische regering op 19 mei 2006 gevraagd heeft om de vrijheid van meningsuiting en vergadering, die worden gevrijwaard in het internationaal handvest van de politieke en burgerrechten, dat door Syrië in 1969 geratificeerd is, zonder beperkingen te eerbiedigen;
D. overwegende dat er in mei 2006 berichten over arrestatie en foltering van verschillende burgerrechtactivisten geweest zijn, die een petitie voor betere Syrisch-Libanese betrekkingen volgens resolutie 1680 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties getekend hadden; het gaat o.a. om de advocaat Anwar al-Bunni en de schrijver Michel Kilo, en anderen als Khalil Hoessein, dr. Safwan Tayfour, Mahmoud Issa, Fateh Jammous, prof. Suleiman Achmar, Nidal Derwiche, Suleiman Shummor, Ghalem Amer, Muhammad Mahfud en Mahmoud Meri'i, en meer recentelijk Yasser Melhem en Omar Adlabi;
E. overwegende dat de advokaat Anwar al-Bunni, die gespecialiseerd is in mensenrechtenzaken, in Damascus op straat aangehouden is op het ogenblik dat hij directeur van een centrum voor de rechten van de mens zou worden dat door de Europese Unie gefinancierd wordt;
F. overwegende dat Amnesty International en Human Rights Watch al in november 2005 de arrestatie en het gevaar voor foltering van de vreedzame actievoerder Kamal al-Labwani gemeld hebben, die nu gevaar loopt om tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld te worden omdat hij zijn meningen bekend gemaakt heeft;
G. overwegende dat de Syrische autoriteiten volgens berichten de laatste twee maanden ook grote aantallen journalisten en burgerrechtactivisten gearresteerd hebben;
H. overwegende dat de golf van arrestaties als directe represaille voor de verspreiding van een petitie bedoeld is, op 12 mei 2006, die door ongeveer 500 personen ondertekend is en oproept tot normalisering van de betrekkingen tussen Syrië en Libanon - een bijzonder belangrijke petitie, omdat ze een gezamenlijk initiatief van Syrische en Libanese intellectuelen en verdedigers van de rechten van de mens is en de eerste in haar soort;
I. overwegende dat de commissie voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties in 2005 haar bezorgdheid uitgesproken heeft over de hinderpalen die in Syrië voor registratie en het vrij functioneren van niet goevernementele organisaties voor de rechten van de mens opgeworpen worden, en de intimidatie en plagerijen waar verdedigers van de rechten van de mens aan blootgesteld staan;
J. overwegende dat Syrië met uitzonderingswetten geregeerd wordt, die 43 jaar geleden ingevoerd zijn en gebruikt worden om de schendingen van de rechten van de mens te rechtvaardigen;
1. dringt er bij de Syrische autoriteiten op aan om alle actievoerders vrij te laten die nog opgesloten zitten omdat ze een petitie voor betere Syrisch-Libanese relaties ondertekend hebben;
2. dringt er verder ook bij de Syrische autoriteiten op aan om alle zaken van politieke gevangenen te herzien en onmiddellijk alle gevangenen vrij te laten die omwille van hun mening opgesloten zitten, en om ervoor te zorgen dat:
a)
de gedetineerden goed behandeld en niet aan foltering en andere vormen van mishandeling onderworpen worden;
b)
gedetineerden of gevangenen onmiddellijk, regelmatig en onbeperkt contact met hun advokaten, dokters en familie kunnen hebben;
3. vraagt de Syrische autoriteiten om het Verdrag tegen het martelen en andere vormen van wrede, onmenselijke of vernederende behandeling en bestraffing te ratificeren;
4. verleent zijn krachtige steun voor de verklaring van 19 mei 2006 van het EU-voorzitterschap namens de EU over de recente arrestaties in Syrië;
5. wijst erop dat eerbied voor de rechten van de mens een levensbelangrijk bestanddeel van elke toekomstige associatie-overeenkomst tussen de Europese Unie en Syrië vormt en vraagt Syrië om zijn toezeggingen in het kader van het proces van Barcelona en in de lijn van het Europees nabuurschapsbeleid gestand te doen;
6. stelt nogmaals dat de Commissie en de Raad tot het uiterste moeten gaan om te zorgen dat de associatie-overeenkomst met Syrië, die nog niet ondertekend is, tot verbetering van de toestand van de rechten van de mens in Syrië leidt;
7. vraagt de Commissie om de toestand van de rechten van de mens in Syrië en de nakoming van de verplichtingen van de euro-mediterrane overeenkomst door Syrië jaarlijks te evalueren en over haar bevindingen verslag uit te brengen in het kader van het euro-mediterraan partnerschap;
8. verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te laten toekomen aan de Raad, de Commissie, de Syrische regering en het Syrisch parlement.