Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2002(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0248/2006

Ingediende teksten :

A6-0248/2006

Debatten :

PV 25/09/2006 - 19
CRE 25/09/2006 - 19

Stemmingen :

PV 26/09/2006 - 7.6
CRE 26/09/2006 - 7.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0368

Aangenomen teksten
PDF 117kDOC 64k
Dinsdag 26 september 2006 - Straatsburg Definitieve uitgave
Europees kwalificatiekader
P6_TA(2006)0368A6-0248/2006

Resolutie van het Europees Parlement over de totstandbrenging van een Europees kwalificatiekader (2006/2002(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het werkdocument van de Commissie getiteld "Naar een Europees kwalificatiekader voor levenslang leren" (SEC(2005)0957),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een integraal actieprogramma op het gebied van levenslang leren (COM(2004)0474),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad inzake kerncompetenties voor levenslang leren (COM(2005)0548),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Modernisering van onderwijs en opleiding: een pijler voor welvaart en sociale samenhang in Europa - Ontwerp voor het gezamenlijke voortgangsverslag 2006 van de Raad en de Commissie over de implementatie van het werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010" (COM(2005)0549),

–   gezien Beschikking 2241/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende een enkel communautair kader voor transparantie op het gebied van kwalificaties en competenties (Europass)(1) ,

–   gezien Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(2) ,

–   gezien de gezamenlijke verklaring van de Europese ministers van Onderwijs, vastgesteld op hun bijeenkomst te Bologna op 19 juni 1999, waarin als doel wordt gesteld om tegen 2010 een Europese ruimte van hoger onderwijs tot stand te brengen ter bevordering van de inzetbaarheid en mobiliteit van de Europese burgers en het internationale concurrentievermogen van het Europese stelsel van hoger onderwijs,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000, waarin als strategische doelstelling wordt gesteld dat de Europese Unie de meest dynamische kenniseconomie ter wereld moet worden, en met name gezien de verwijzing naar "onderwijs en opleiding gericht op het leven en werken in de kennismaatschappij",

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een Europese ruimte voor levenslang leren realiseren" (COM(2001)0678),

–   onder verwijzing naar de resolutie van de Raad van 27 juni 2002 inzake levenslang leren(3) ,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002, en met name gezien de overeengekomen doelstelling om van de Europese onderwijs- en opleidingstelsels tegen 2010 een wereldwijd kwaliteitsreferentiepunt te maken alsmede de oproep om nadere maatregelen te nemen voor de invoering van instrumenten ter waarborging van de transparantie van diploma's en kwalificaties, mede door de bevordering van initiatieven naar het voorbeeld van het Bologna-proces op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding,

–   gezien de verklaring van de Europese ministers van beroepsonderwijs en -opleiding en de Commissie, op 29 en 30 november 2002 te Kopenhagen bijeen, over een intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding (de "verklaring van Kopenhagen"), waarin wordt gestreefd naar intensivering van de vrijwillige samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding ter bevordering van wederzijds vertrouwen, transparantie en erkenning van competenties en kwalificaties, waarmee de basis kan worden gelegd voor de vergroting van de mobiliteit en de bevordering van de toegang tot levenslang leren,

–   onder verwijzing naar de resolutie van de Raad van 19 december 2002 over de bevordering van intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding(4) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Actieplan van de Commissie voor vaardigheden en mobiliteit" (COM(2002)0072),

–   gezien het gezamenlijk tussentijds verslag van de Raad en de Commissie van 26 februari 2004 over de tenuitvoerlegging van de strategie van Lissabon, getiteld "Onderwijs en opleiding 2010: de dringende noodzaak tot hervormingen voor het welslagen van de strategie van Lissabon", waarin wordt gepleit voor de ontwikkeling van een Europees kader, dat een wezenlijke bijdrage kan leveren aan de strategie van Lissabon door te fungeren als gemeenschappelijk referentiekader dat de transparantie, overdracht en erkenning van kwalificaties en competenties mogelijk maakt en bevordert,

–   gezien het communiqué van Maastricht van 14 december 2004 over de toekomstige prioriteiten voor de intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding, waarin de voor beroepsonderwijs en -opleiding verantwoordelijke ministers van 32 Europese landen, de Europese sociale partners en de Commissie zijn overeengekomen prioriteit te geven aan de ontwikkeling van een open en flexibel Europees kwalificatiekader, gebaseerd op transparantie en wederzijds vertrouwen, dat een gemeenschappelijk referentiepunt vormt voor de bevordering van de erkenning en overdraagbaarheid van kwalificaties van zowel beroepsonderwijs en -opleiding als het algemene (secundair en hoger) onderwijs,

–   gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader de Raad bijeen te Brussel op 27 and 28 mei 2004, inzake gemeenschappelijke Europese beginselen voor de identificatie en validatie van niet-formeel en informeel leren,

–   gezien het werkdocument van de Commissie getiteld "Progress towards the Lisbon objectives in education and training - 2005 report" (SEC(2005)0419),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 22 en 23 maart 2005, waarin wordt gewezen op het belang van de vaststelling van een Europees kwalificatiekader (EQF) in 2006,

–   gezien de op 27 en 28 februari 2006 gezamenlijk door de Commissie en het Hongaarse ministerie van Onderwijs te Boedapest georganiseerde conferentie "European Qualifications Framework: Consultation to Recommendation",

–   gezien de slotverklaring met betrekking tot de resultaten van de besprekingen op 17 maart 2006 van de op 16 en 17 maart 2006 te Wenen gehouden negende conferentie van Europese ministers van Onderwijs, getiteld "Versterking van het onderwijs in Europa", waarin de ministers opnieuw beklemtonen dat het EQF de potentie heeft om een grote bijdrage te leveren aan de transparantie, overdraagbaarheid en erkenning van kwalificaties op Europees niveau en om te fungeren als motor voor hervormingen die het levenslang leren in de Europese onderwijsruimte in bredere zin stimuleren,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 23 en 24 maart 2006, waarin wordt bevestigd dat onderwijs en opleiding essentiële factoren zijn voor de ontwikkeling van het Europese potentieel voor concurrentievermogen en sociale en territoriale cohesie op lange termijn, en dat er ook moet worden gewerkt aan de realisatie van een EQF om de mobiliteit en de efficiëntie van de arbeidsmarkt te vergroten,

–   gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap - Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit(5) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A6-0248/2006),

A.   overwegende dat één Europees leerklimaat en één Europese arbeidsmarkt essentiële factoren zijn om de doelstellingen te realiseren zoals vastgelegd in de Lissabon-strategie,

B.   overwegende dat het noodzakelijk is een Europees erkenningssyteem van kwalificaties en competenties in te stellen en daarbij tevens de grote diversiteit en specifieke sterke punten te behouden van de landen die samen Europa vormen,

C.   overwegende dat de totstandbrenging van een EQF onder meer op basis van de bestaande kwalificatiestructuren van de processen van Bologna en Kopenhagen moet worden verwelkomd als een passend instrument voor de bevordering van de transparantie, overdraagbaarheid, erkenning en benutting van de behaalde kwalificaties en competenties tussen verschillende lidstaten en op verschillende niveaus, en tevens een middel ter bevordering van de toegankelijkheid van de mogelijkheden voor levenslang leren voor alle burgers,

D.   overwegende dat met behulp van een gemeenschappelijk referentiekader (gebaseerd op competenties, niveaus en leerresultaten), het EQF, instrumenten ter vaststelling van kwalificatievereisten in het leven zouden kunnen worden geroepen,

E.   overwegende dat onder "kwalificatie" moet worden verstaan "het geheel van titels, kwalificaties, certificeringen en beroepservaring die in de Europese Unie worden erkend",

F.   overwegende dat de ontwikkeling van een EQF van cruciaal belang is in het licht van de nieuwe uitdagingen van de kennismaatschappij en de demografische veranderingen, doordat het met name de inzetbaarheid en de geografische mobiliteit van de beroepsbevolking in de EU, maar ook het concurrentievermogen en de sociale cohesie bevordert, in overeenstemming met de doelstellingen van Lissabon,

G.   overwegende dat de intracommunautaire beroepsmobiliteit (mobiliteit van zowel werknemers als ondernemingen) die in de Europese Unie aan het ontstaan is, het noodzakelijk maakt dat een diploma dat in de ene lidstaat is behaald, in een andere lidstaat kan worden erkend en op het juiste niveau kan worden gebruikt,

H.   overwegende dat een voortdurende uitbreiding van kennis, vaardigheden en persoonlijke en professionele competenties, maar ook het EQF, zullen bijdragen aan de modernisering van het onderwijs en het opleidingssysteem en daarmee aan de verhoging van de kansen op het vinden van een baan, betere vooruitzichten op mobiliteit binnen Europa en het ontstaan van een klimaat dat meer zekerheid op de arbeidsplaats biedt, waarin het EQF moet bijdragen aan meer transparantie bij de erkenning en gelijkstelling van behaalde of te behalen kwalificaties, waardoor impulsen worden gecreëerd voor verbeteringen in de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels welke ook positief kunnen uitwerken op de kansen op een baan van studenten en leerlingen,

I.   overwegende dat het ontbreken van geschikte mechanismen, netwerken en samenwerking tussen opleiders en nationale autoriteiten, de tekortkomingen van het huidige juridische kader en de beperkingen die in de lidstaten dikwijls gelden voor de relevante begrotingsmiddelen, samen de belemmeringen vormen voor efficiënt levenslang leren, voor de aansluiting tussen academische opleiding en werkgelegenheid en voor een snellere verspreiding van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis bij werknemers, alsmede de efficiënte benutting van reeds verworven kennis en competenties,

J.   overwegende dat er sprake is van te weinig transparantie van kwalificaties en een lage erkenningsgraad van "buitenlandse" kwalificaties,

K.   overwegende dat de gemeenschappelijke doelstelling van de 32 landen die aan het EQF deelnemen erin bestaat zowel studenten als docenten de voornaamste trajecten naar bepaalde kwalificaties te wijzen en overwegende dat het tevens belangrijk is hen te wijzen op de onderlinge samenhang van de referentieniveaus, de mogelijkheden voor overdracht en de grondslagen waarop beslissingen over de erkenning van kwalificaties worden genomen,

L.   overwegende dat het EQF in eerste instantie op vrijwillige basis moet worden toegepast en geen juridische verplichtingen met zich mee moet brengen, maar als motor voor veranderingen moet fungeren door hervormingen op de relevante niveaus te stimuleren en daarbij ook de transparantie en gelijkwaardigheid van de op nationaal en sectoraal niveau afgegeven diploma's moet stimuleren,

M.   overwegende dat het EQF niet in de plaats komt van de nationale kaders voor beroepskwalificaties, maar daarop een aanvulling vormt en tevens overwegende dat het EQF een breder kader moet bieden voor het vergemakkelijken van de samenwerking tussen lidstaten, sociale partners en andere betrokkenen op internationaal niveau,

N.   overwegende dat de toepassing van het EQF alleen kan slagen als op basis van vertrouwen wordt samengewerkt als aan de nationale kwalificaties een EQF-referentieniveau wordt toegekend en als er een goede beoordeling plaatsvindt van de bijzonderheden en behoeften van de diverse lidstaten; het EQF moet worden opgezet als instrument voor gebruikers en belanghebbenden en moet de gebruikers een beeld geven van verworven kwalificaties en kwalificaties waarnaar men op zoek is, terwijl daarbij de eigen onafhankelijke positie en leerautonomie onaangetast blijven,

1.   is er verheugd over dat de Commissie met een initiatief is gekomen ter modernisering, permanente verbetering en versterking van de Europese stelsels van onderwijs en opleiding en dat zij diverse parijen heeft geraadpleegd met het oog op de totstandbrenging van een gemeenschappelijk referentiekader voor de Europese certificeringsstelsels;

2.   constateert tevens tot zijn tevredenheid dat het EQF op leerresultaten is gestoeld, de complexiteit van levenslang leren weerspiegelt en nationale en sectorale hervormingen aanmoedigt;

3.   ziet het EQF als een nuttig instrument waarmee het vertrouwen tussen de verschillende systemen kan worden verbeterd en verstevigd en keurt zonder voorbehoud zijn doelstellingen goed: het op Europees niveau realiseren van transparantie van kwalificaties, beroepsmobiliteit en levenslang leren;

4.   stemt in met de organisatie van een systeem dat bestaat uit gemeenschappelijke niveaus, instrumenten en principes, dat flexibel is en tegelijkertijd wortelt in het beginsel van het levenslang leren, doch nodigt de Commissie uit het verband tussen de kwalificatieniveaus, Richtlijn 2005/36/EG en de formele en niet-formele bepalingen over leren, bestaand of in ontwikkeling, op nationaal en regionaal niveau duidelijker te maken;

5.   beklemtoont dat een van de voornaamste taken van het EQF een vereenvoudiging en bevordering van de overdracht van kwalificaties tussen de diverse onderwijs- en opleidingssystemen moet zijn om transnationale beroepsmobiliteit mogelijk te maken en beter in te spelen op de eisen van vraag en aanbod op de Europese arbeidsmarkt; beklemtoont voorts dat het EQF een geschikt overkoepelend kader vormt dat een passend middel kan zijn voor de vertaling van en de communicatie over de totstandbrenging van een gemeenschappelijk kwalificatiekader binnen Europa;

6.   stelt in dit verband vast dat het voorstel van de Commissie een juiste en ook een noodzakelijke aanpak vertegenwoordigt, hoewel het beloofde transparante kwalificatiekader voor een deel niet wordt waargemaakt; wenst dat de acht voorgestelde referentieniveaus van het Europese kwalificatiekader worden herzien en verbeterd en is van oordeel dat de bijbehorende omschrijvingen scherper en begrijpelijker moeten worden geformuleerd, zodat de verschillende referentieniveaus duidelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden ten behoeve van een ondubbelzinnige indeling van de kwalificaties;

7.   beklemtoont dat de bekwaamheden die in het kader van de omschrijvingen voor de acht referentieniveaus worden omschreven, niet slechts kennis over sociale en ethische onderwerpen maar ook over culturele onderwerpen moeten omvatten;

8.   is van oordeel dat de organisatie en validering van het levenslange leren behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten en niet eenvoudig in het EQF-kader zijn in te passen;

9.   pleit ervoor de drie horizontale gebieden ("kennis", "vaardigheden" en "persoonlijke en professionele competenties") eveneens met het oog op de duidelijkheid en begrijpelijkheid te herzien;

10.   onderstreept voorts dat de verschillende typen leerresultaten samen één geheel van vorming opleveren dat meer is dan de som van de behaalde niveaus op de afzonderlijke gebieden;

11.   beschouwt het derde genoemde horizontale gebied van de "persoonlijke en professionele competenties" als een interessante aanzet om de nieuwste resultaten van het moderne leeronderzoek direct in het EQF op te nemen; zou echter een herziening toejuichen waarin wordt verduidelijkt hoe "soft skills" en "persoonlijke competenties" methodisch kunnen worden vastgelegd;

12.   wijst erop dat de rol van het EQF primair ligt in de classificatie van certificeringen die zijn opgezet aan de hand van beroepsopleidingsresultaten en pleit er derhalve voor eenvoudige en goed in de praktijk te hanteren omschrijvingen toe te passen en het aantal referentieniveaus terug te brengen, aangezien uit eerdere vergelijkingen is gebleken dat de diverse niveaus steeds lastiger met elkaar in overeenstemming te brengen zijn naarmate ze verder zijn onderverdeeld en de toe te passen criteria talrijker zijn;

13.   is van oordeel dat het EQF als metakader voor alle opleidingsvormen ook een link naar de arbeidsmarkt bevat; juicht toe dat door de Lissabon-strategie meer nadruk wordt gelegd op levenslang leren op de werkplek en daarmee ook op de erkenning van kwalificaties die worden verworven op de werkplek; onderstreept dat voor elk van de acht niveaus het accent moet worden gelegd op de competenties welke langs verschillende leertrajecten kunnen worden gerealiseerd en rekening houden met de professionele bekwaamheden en ervaring alsmede hun potentiële waarde in de zin van vooruitgang in het beroep; wenst derhalve een zodanige aanpassing van de omschrijvingen dat de aan de academische vorming gekoppelde criteria van Bologna daarin tot uitdrukking blijven komen en dat daarnaast sprake is van een aanvulling doordat de stelsels van beroepsonderwijs en -opleiding daarin een duidelijker plaats krijgen;

14.   pleit er nadrukkelijk voor af te stappen van de huidige automatische classificatie van de referentieniveaus 6, 7 en 8 bij de drie academische graden van het kwalificatiekader van Bologna (bachelor, master en doctor) en ervoor te zorgen dat de door het individu verworven kennis, vaardigheden en persoonlijke en professionele competenties daadwerkelijk los van de plaats waar ze verworven zijn worden geclassificeerd;

15.   pleit voor een verbetering van tabel 2, die bedoeld is als hulpmiddel voor het begrip van de referentieniveaus; is van oordeel dat deze tabel duidelijk minder gewicht moet hebben dan de resultaat-georiënteerde aanpak, omdat zij zich op formele opleidingstrajecten richt; is daarom verheugd over de aanbeveling dat van tabel 2 een behoedzaam gebruik moet worden gemaakt; is van oordeel dat het EQF een algemeen overkoepelend kader moet zijn en detailkwesties zoals de invulling van tabel 2 aan de actoren op plaatselijk of nationaal niveau moet overlaten;

16.   wenst dat de gemeenschappelijke Europese beginselen voor de identificatie van het levenslang leren, vooral op het gebied van de uitbreiding van de technische en wetenschappelijke kennis en vaardigheden en rekening houdend met de bijzonderheden van de individuele sectoren, regio's en lidstaten, sterker worden gesteund en bevorderd; is van oordeel dat het beslist noodzakelijk is dat de methoden en systemen voor de beoordeling van langs niet-formele of informele weg verworven leerresultaten bijzondere aandacht krijgen, omdat de ontwikkeling van competenties in verband met het levenslang leren plaatsvindt in een diversiteit aan dagelijkse werksituaties;

17.   beklemtoont dat de uitwerking van een EQF gepaard gaat met de invoering van gemeenschappelijke referentiepunten, waarmee het werknemers die zich bijscholen gemakkelijker wordt gemaakt hun professionele loopbaan vorm te geven binnen het kader van het levenslange leren;

18.   pleit ervoor dat ieder land samen met de bevoegde instanties en instellingen een eigen nationale kwalificatiekader vaststelt en zijn verenigbaarheid daarvan met het EQF waarborgt; is van oordeel dat het nuttig is het Europese kwalificatiekader in te voeren in landen waar nog geen nationaal kwalificatiekader bestaat of waar informele en niet-formele kwalificaties worden veronachtzaamd;

19.   nodigt de Commissie uit een harmoniseringproces inzake de concepten en de terminologie te starten;

20.   verzoekt de Commissie de verbanden tussen het kwalificatiekader zoals voorzien in het kader van het "Bologna-proces", en het EQF te verduidelijken, en aan te geven of de indicatoren die in het EQF worden voorgesteld het enige referentiepunt voor een gemeenschappelijke Europese ruimte voor levenslang leren zullen vormen;

21.   spreekt zich uit tegen verplichte criteria voor het verloop, de inhoud, de duur en de plaats van opleidingen en cursussen;

22.   is van oordeel dat er meer werk moet worden gemaakt van instrumenten ter ondersteuning van het EQF om de burgers gemakkelijk toegang te geven tot dat kader; is van oordeel dat in dit verband de resultaten van Kopenhagen en Bologna, waarvoor het EQF een logisch gestructureerd startpunt wil zijn, op de voorgrond moeten staan; is voorts van oordeel dat ook speciale aandacht moet worden gegeven aan het werk dat in verband met opleiding en erkenning van kwalificaties en vaardigheden is verricht door de internationale organisaties en Europese centra, zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding; roept de Commissie op vaart te zetten achter de uitwerking van het ECVET-systeem (European Credit for Vocational Education and Training), de Europass verder te ontwikkelen en te bevorderen, de gegevensbank "Ploteus" uit te bouwen en vernieuwende initiatieven met het oog op erkenning van het informele en niet-formele leren te ondersteunen;

23.   verzoekt de Commissie en de lidstaten de functies en de structuur van het NEC (National Europass Center) te versterken, en de afwikkeling door dit centrum van wezenlijke taken en de realisatie van doelstellingen die zijn vastgesteld door de Europese Unie te vergemakkelijken, met speciale inachtneming van een bredere verspreiding van de instrumenten die direct onder het beheer van het NEC vallen (Europees curriculum vitae, Mobility Europass) en de geleidelijke invoering van Europass;

24.   onderstreept dat bij de tenuitvoerlegging van het EQF op vrijwillige basis de steun en betrokkenheid van alle nationale en sectorale betrokkenen nodig is;

25.   erkent dat het EQF als vertaalinstrument voor de verschillende kwalificatiesystemen consistentie en wederzijds vertrouwen vergt; raadt aan beginselen voor transparante en betrouwbare kwaliteitsborgingsmechanismen uit te werken om zo een vergelijkingsmogelijkheid te creëren en bijgevolg de mogelijkheid tot wederzijdse erkenning van de kwalificaties van EU-burgers;

26.   onderstreept dat het EQF een optimale bijdrage kan leveren aan de mobiliteit op de Europese arbeidsmarkt wanneer de besluiten van lidstaten om individuele nationale kwalificaties in te delen bij bepaalde niveaus van het Europese kwalificatiekader ook door de overige lidstaten worden geaccepteerd; is van oordeel dat de in het kader van de kwaliteitswaarborging door de Commissie voorgestelde verplichting voor de lidstaten om een aantal gemeenschappelijke beginselen in acht te nemen een belangrijk element is van succesvolle samenwerking tussen de actoren op de diverse niveaus; wijst er echter op dat dit alleen geldt wanneer er geen sprake is van overlapping met bestaande kwaliteitswaarborgingsstelsels, zoals de voorschriften en richtlijnen voor kwaliteitswaarborging;

27.   is van oordeel dat wederzijds vertrouwen zowel een gevolg moet zijn van meer samenwerking tussen de lidstaten in het kader van het EQF, als een voorwaarde voor het efficiënt functioneren van dit kader zelf; is van oordeel dat een geschikte proeffase, effectbeoordeling en ondersteunende evaluatie onontbeerlijk zijn voor een voortdurende verbetering en aanpassing van het EQF en verzoekt de Commissie passende methoden en strategieën hiervoor uit te werken en voor te stellen;

28.   dringt erop aan het EQF nader uit te werken om tegemoet te komen aan de behoefte aan verduidelijking die de direct betrokkenen tijdens het overlegproces hebben laten blijken;

29.   verzoekt de Commissie haar voorstel aan de hand van het commentaar van het Parlement te herzien;

30.   wijst op het belang van een brede, goed gestructureerde communicatie- en voorlichtingsstrategie om de voordelen van het EQF voor het voetlicht te brengen en belangstelling voor de voordelen van het EQF te wekken;

31.   is van oordeel dat het EQF alleen kan slagen als het concreet nut heeft voor de eindgebruikers, dus zowel voor burgers, werknemers en werkgevers als voor opleidingsinstellingen;

32.   verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van de resultaten van de nationale raadplegingen en verder overleg te plegen alvorens haar definitieve voorstel uit te werken;

33.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 390 van 31.12.2004, blz. 6.
(2) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.
(3) PB C 163 van 9.7.2002, blz. 1.
(4) PB C 13 van 18.1.2003, blz. 2.
(5) Nog niet in het PB gepubliceerd.

Laatst bijgewerkt op: 13 september 2007Juridische mededeling