Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2208(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0270/2006

Ingediende teksten :

A6-0270/2006

Debatten :

PV 28/09/2006 - 5
CRE 28/09/2006 - 5

Stemmingen :

PV 28/09/2006 - 7.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0382

Aangenomen teksten
PDF 140kWORD 80k
Donderdag 28 september 2006 - Straatsburg Definitieve uitgave
Het pakket 2006 inzake de doeltreffendheid van de bijstand van de EU
P6_TA(2006)0382A6-0270/2006

Resolutie van het Europees Parlement over "Meer en beter samenwerken: het pakket 2006 inzake de doeltreffendheid van de bijstand van de EU" (2006/2208(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie "EU-bijstand: meer, beter en sneller helpen" (COM(2006)0087),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "De Europese ontwikkelingshulp doeltreffender maken: een gemeenschappelijk kader voor het opstellen van de nationale strategiedocumenten en de gezamenlijke meerjarenprogrammering" (COM(2006)0088),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Ontwikkelingsfinanciering en effectiviteit van de hulp – Uitbreiding van de EU-hulp 2006-2010" (COM(2006)0085),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Sneller vorderingen boeken om de ontwikkelingsdoelstellingen van het Millennium te bereiken - Financiering met het oog op de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp" (COM(2005)0133),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Samenhang in het ontwikkelingsbeleid - Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken" (COM(2005)0134),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken – De bijdrage van de Europese Unie" (COM(2005)0132),

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 10 en 11 april 2006 over de financiering van de ontwikkelingshulp en de efficiëntie van de EU-bijstand,

–   gezien de verklaring van Rome bij het Forum op hoog niveau over harmonisatie van 25 februari 2003 en de verklaring van Parijs over de efficiëntie van de ontwikkelingssamenwerking van 2 maart 2005, aan het eind van het Forum op hoog niveau over doeltreffendheid van bijstand (hierna: verklaring van Parijs),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 februari 2006 over nieuwe financiële mechanismen voor ontwikkeling in het kader van de millenniumdoelstellingen(1) ,

–   gezien resolutie A/RES/55/2 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de Millenniumverklaring,

–   gezien het verslag van de heer Jeffrey Sachs, adviseur van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties (VN), Investing in Development: A Practical Plan to Achieve the Millennium Development Goals ,

–   gezien de consensus van Monterrey over de financiering van ontwikkelingshulp van 22 maart 2002,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: De Europese consensus(2) (hierna de Europese consensus voor ontwikkelingshulp genoemd),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Een nieuwe EU-strategie voor Afrika: naar een Europees-Afrikaans pact voor snellere ontwikkeling van Afrika" (COM(2005)0489),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 november 2005 over een ontwikkelingsstrategie voor Afrika(3) ,

–   gezien de tijdens de topbijeenkomst van 14-16 september 2005 over de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen aangenomen verklaring van New York over de nieuwe financieringsbronnen voor ontwikkelingshulp van 14 september 2005, waarmee 79 landen hun steun hebben betuigd voor een eerste proefproject in de vorm van een solidariteitsbijdrage op vliegtuigtickets,

–   gezien het rapport-Landau over de innovatieve financieringsbronnen voor de ontwikkeling, dat in opdracht was gegeven door de vierpartijengroep en in 2004 werd gepubliceerd, en het rapport-Atkinson New Sources of Development Finance: Funding the Millennium Development Goals , dat in 2004 door de VN werd gepubliceerd,

–   gezien zijn standpunt van 18 mei 2006 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking(4) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 april 2006 over de doeltreffendheid van hulp en de corruptie in de ontwikkelingslanden(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 april 2005 over de rol van de Europese Unie bij het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling(6) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 maart 2006 over de herziening van de strategie van het Internationaal Monetair Fonds(7) ,

–   gezien de mededeling van 7 juni 2006 die is ingediend door de Afrikaanse groep bij het Landbouwcomité van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en die betrekking heeft op de voorwaarden voor de onderhandelingen over de landbouwgoederen (06/0000) (TN/AG/GEN/18),

–   gezien het rapport van maart 2006 "Evaluatie van de steun van de Wereldbank aan de handel, 1987-2004", gepubliceerd door de Onafhankelijke evaluatiegroep van de Wereldbank,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie internationale handel (A6-0270/2006),

A.   overwegende dat de Europese Unie meer dan de helft van de wereldwijde officiële hulpverlening financiert en dat zij dus de belangrijkste hulpverlener ter wereld is, maar dat deze positie niet tot uiting komt in een reëel leiderschap waarmee de Unie zich op het internationale toneel kan profileren,

B.   overwegende dat met de Europese consensus voor ontwikkeling de krijtlijnen van een gemeenschappelijke visie op het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie zijn uitgetekend op basis van gemeenschappelijke waarden, principes, doelstellingen en instrumenten van de lidstaten, de Raad, het Parlement en de Commissie,

C.   overwegende dat de allereerste doelstelling van dit beleid erin bestaat de armoede uit te roeien in het kader van de duurzame ontwikkeling, met inbegrip van de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling,

D.   overwegende dat de Commissie voor het eerst sinds de vaststelling van de Europese consensus voor ontwikkeling een strategische planning zal opmaken voor de bijstand die zij zelf verleent en/of beheert alsook voor de bilaterale bijstand die de lidstaten verlenen, in het kader van de verbintenissen in hoofde van de verklaring van Parijs (eigen inbreng, aanpassing, harmonisatie, het bereiken van resultaten en het wederzijds afleggen van verantwoordelijkheid),

E.   overwegende dat het gebrek aan samenhang tussen de diverse beleidsterreinen van de Unie een doeltreffende bijstand verhindert en bovendien strijdig is met artikel 178 van het EG-Verdrag,

F.   overwegende dat verschillende studies hebben aangetoond dat de ontkoppeling van bijstand (d.w.z. geen voorwaarden koppelen aan oorsprong of betalingsmodaliteiten van deze bijstand) essentieel is voor een grotere doeltreffendheid, in het bijzonder wat voedselhulp betreft,

G.   overwegende dat de eigen inbreng van de partnerlanden in strategieën en ontwikkelingsprogramma's een van de basisbeginselen van de Europese consensus voor ontwikkeling en de verklaring van Parijs is,

H.   overwegende dat volgens bovengenoemd rapport dat door Jeffrey Sachs voor de Verenigde Naties is opgesteld, jaarlijks ten minste 50 miljard USD extra nodig is om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in 2015 te halen,

I.   overwegende dat de Europese Unie beloofd heeft jaarlijks 2 miljard EUR - waarvan 1 miljard van de lidstaten en 1 miljard van de Commissie afkomstig is - uit te trekken voor de ondersteuning van de handelscapaciteit van de ontwikkelingslanden,

J.   overwegende dat de Europese Unie haar engagement van 24 mei 2005 betreffende de verhoging van ontwikkelingshulp in de hogergenoemde conclusies van de Europese Raad heeft bevestigd; overwegende dat dit engagement inhoudt dat de Unie en haar lidstaten ten minste 50% van de verhoging van de middelen voor bijstand aan ontwikkelingshulp (ODA) in Afrika zullen besteden; overwegende dat de Unie als enige groep van donorlanden belangrijke, concrete en voorzienbare verbintenissen is aangegaan, om de bijstand in 2015 tot meer dan 84 miljard EUR te verhogen,

K.   overwegende dat de beperkingen voor de Europese begroting, die voortvloeien uit de financiële vooruitzichten voor de periode 2007-2013 (conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 15 en 16 december 2005), betekenen dat de grootste inspanning voor de verhoging van de bijstand (80 à 90%) van de lidstaten dient te komen,

L.   overwegende dat er nog steeds vier lidstaten zijn die minder dan 0,33% van hun BNP – het in Barcelona afgesproken minimum – aan ontwikkelingshulp besteden, hoewel de gepubliceerde cijfers van de OESO voor 2005 aantonen dat de Europese Unie op de goede weg is om de doelstellingen voor 2006 te halen,

M.   overwegende dat de Europese Unie volgens recente cijfers van de Commissie voor ontwikkelingshulp (DAC) van de OESO in het kader van de ontwikkelingshulp in 2005 een bedrag van 9 miljard schulden heeft kwijtgescholden (voornamelijk aan Irak en Nigeria), terwijl de consensus van Monterrey uitdrukkelijk voorschrijft dat financieringen voor schuldverlichting niet aan de begrotingsmiddelen voor ontwikkelingshulp, die normaal gezien rechtstreeks naar de ontwikkelingslanden moeten gaan, mogen worden onttrokken,

N.   overwegende dat de verhoging van bijstand voor ontwikkeling kunstmatig is en dat door wanbeheer een groot gedeelte van de door de lidstaten verleende hulp niet direct bij de bevolkingen in het zuiden terechtkomt,

O.   overwegende dat de verwezenlijking van de toezeggingen van de G8 in Gleneagles (de ontwikkelinghulp tot 2010 met jaarlijks 50 miljard USD verhogen) ver achterblijft bij de beloften, aangezien de daadwerkelijke hulp (waarin geen rekening wordt gehouden met de gevolgen van de kwijtschelding van de schuldenlast van de armste landen) in 2005 met slechts 5 miljard USD is gestegen,

P.   overwegende dat de internationale gemeenschap om haar toezeggingen na te komen sedert september 2005 reeds twee keer bijeen is gekomen teneinde de besprekingen over de innovatieve financieringsbronnen voor de ontwikkeling voort te zetten,

Q.   overwegende dat de tenuitvoerlegging van innovatieve financieringsmechanismen het niet alleen mogelijk zou maken om nieuwe bronnen aan te boren, maar ook om de kwaliteit van de financieringsstromen van de ontwikkelingshulp te verbeteren met name op het stuk van stabiliteit en voorspelbaarheid van de middelen, hetgeen essentieel is voor de ondersteuning van nationale strategieën op de lange termijn,

R.   overwegende dat de verbetering van de doeltreffendheid van het Europese beleid inzake ontwikkelingssamenwerking inhoudt dat precieze te verwezenlijken doelstellingen worden vastgelegd, alsmede indicatoren waarmee de geboekte vooruitgang kan worden gemeten,

S.   overwegende dat de donoren zich in de Verklaring van Parijs ertoe hebben verbonden om voor 2010 doelstellingen af te bakenen in het licht van de daarin vastgelegde 12 indicatoren en een doeltreffend systeem in te voeren voor de controle op de naleving van deze doelstellingen door alle partijen,

T.   overwegende dat dringend en op duurzame wijze het hoofd moet worden geboden aan het schuldenprobleem dat een belangrijke rem op de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen vormt,

U.   overwegende dat een internationale consensus bestaat om over te stappen van een verlichting van de schuldenlast naar de kwijtschelding van de schulden van de arme landen, zoals blijkt uit de Millenniumverklaring en het besluit van de G8 in 2005 om de schulden kwijt te schelden,

1.   onderstreept dat de recente voorstellen die de Commissie in haar laatste drie mededelingen doet, een enorme stap vooruit betekenen en stelt vast dat de Raad in zijn voornoemde conclusies de voorstellen uit deze drie mededelingen gedeeltelijk overneemt;

2.   doet een beroep op de lidstaten en de Commissie om te werken aan de doeltreffendheid van bijstand in het bredere kader van de waarden die zijn verankerd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de verdragen van de VN, zoals het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten;

3.   is van mening dat het aanwijzen van "belangrijke donors" op specifieke gebieden per land een interessante stap voorwaarts is;

4.   verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat zij met één stem spreken, teneinde nu en in de toekomst een leidersrol op zich te nemen die niet alleen gebaseerd is op de omvang van de bedragen die aan ontwikkelingshulp worden besteed, maar ook op een betere doeltreffendheid;

5.   is van oordeel dat - met het oog op een doeltreffende bestrijding van de armoede - een veel groter deel van de officiële ODA, afkomstig van internationale donors, in eerste instantie rechtstreeks naar de armste landen en bevolkingsgroepen moet gaan, en betreurt het ontbreken van een precieze doelstelling van de Unie in die zin;

6.   is van mening dat de visserijovereenkomsten die met de ontwikkelingslanden worden gesloten, gericht moeten zijn op het verbeteren van het vermogen van deze landen om de visserij in hun wateren naar behoren te beheren, met inbegrip van de controle en het toezicht op de visserijactiviteiten en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, en niet zozeer louter en alleen op het betalen voor vangstrechten;

7.   is van oordeel dat de bijstand van de Europese Unie alleen maar doeltreffend kan zijn, indien aan de ontwikkelingslanden voldoende beleidsruimte wordt gewaarborgd en de doeltreffendheid van de bijstand wordt beoordeeld in termen van concrete vooruitgang op weg naar de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen;

8.   verzoekt de Commissie en de lidstaten van de Unie om een strikte eerbiediging van de doelstellingen en principes van de Europese consensus voor ontwikkeling, meer bepaald van de belangrijke doelstelling betreffende armoedebestrijding;

9.   verzoekt de Europese Unie om dit beleid waarmee de mensenrechten en het recht van de ontvangende landen om hun eigen beleid vast te stellen worden gerespecteerd, in alle multilaterale organen waarin zij zetelt, alsook in alle bilaterale relaties te verdedigen en te promoten;

10.   doet een beroep op de Europese Unie om in haar beleid inzake ontwikkelingssamenwerking de aanbevelingen van het VN-syntheserapport over de beoordeling van de ecosystemen voor het millennium op te nemen waarin wordt verklaard dat de vernietiging van de ecosystemen in de wereld een belemmering zal vormen voor het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen, en om actie te ondernemen om het wijdverbreide milieubederf om te buigen;

11.   verzoekt de lidstaten en de Commissie om samen en met de andere donors van de DAC al het mogelijke te doen om aldaar de tenuitvoerlegging van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van de bijstand te steunen;

12.   moedigt de lidstaten en de Commissie aan om onverwijld de aanbevelingen van de Commissie, die door de Raad zijn overgenomen, uit te voeren hetgeen een aanzienlijke inspanning zal vergen om hun systeem van bijstand en/of de tenuitvoerleggingsprocedures ervan al dan niet radicaal te wijzigen, met de bedoeling de doeltreffendheid ervan beduidend te verhogen door een betere coördinatie van de programma's, de complementariteit van acties en meer samenhang in het beleid;

13.   onderstreept dat de doeltreffendheid van de bijstand moet worden nagestreefd via een tweeledige aanpak: het accent niet alleen op procedurekwesties zoals coördinatie, complementariteit, harmonisatie en afstemming, maar ook op inhoudelijke kwesties; onderstreept dat vraagstukken, zoals de strijd tegen corruptie en capaciteitsopbouw, in samenhang met grote inspanningen om brain drain te voorkomen en de beperking van de risico's van rampen in dit verband van fundamenteel belang zijn;

14.   onderstreept dat een betere coördinatie moet worden ondersteund met aanvullende acties die de taken tussen de lidstaten en de taken tussen de lidstaten en de Commissie beter verdelen, met het nationaal niveau als centraal punt en de partnerlanden als leiders, om tegemoet te komen aan het probleem van de landen en de "wees"-sectoren en onderstreept het belang van de Donor Atlas in dit opzicht;

15.   onderstreept dat de coördinatie tussen donors en de werkverdeling onder leiding van het partnerland dienen te geschieden, opdat een en ander op de prioriteiten en procedures van het partnerland wordt afgestemd;

16.   erkent dat de coördinatie en de werkverdeling niet geïsoleerd kunnen geschieden en dat de Europese Unie derhalve niet uitsluitend moet letten op de interne werkverdeling, maar altijd het donorperspectief in het oog moet houden;

17.   verzoekt de betrokken lidstaten werk te maken van de vereiste verhoging van de middelen, waartoe zij zich meermaals hebben verbonden en die erop neerkomt dat zij zonder boekhoudkundige trucjes een ODA van minstens 0,56% van het BNP in 2010 en 0,7% van het BNP in 2015 zullen hebben met de concrete bedoeling extra middelen voor meer en betere ontwikkelingshulp ter beschikking te stellen, en wijst hen op de belangrijke rol die zij in dit opzicht spelen;

18.   wijst de Europese Unie erop dat een verhoging van de ODA-bedragen slechts zin heeft als ook de doeltreffendheid en kwaliteit van de ontwikkelingshulp sterk worden verbeterd en verzoekt de Europese Unie deze verbetering als een absolute prioriteit in het ontwikkelingsbeleid van elke lidstaat en van de betrokken Europese instellingen te beschouwen;

19.   verzoekt elke lidstaat om jaarlijks een gedetailleerde lijst op te maken met enerzijds alle bedragen die rechtstreeks voor de ontwikkelingshulp zijn bestemd, en anderzijds de bedragen die onder andere initiatieven vallen, zoals de verlichting van de schuldenlast, op basis van het door de Commissie opgestelde referentiedocument; dringt erop aan dat dergelijke bedragen nadrukkelijk zouden worden uitgesloten van de berekeningen van de totale uitgaven voor ontwikkelingshulp;

20.   stelt vast dat de gesprekken over de vraag of bepaalde initiatieven al dan niet tot het terrein van de ontwikkelingshulp behoren in 2007 in de DAC en OESO zullen worden voortgezet om tijdens de top die aanvang 2008 in Ghana zal worden gehouden te worden afgerond en onderstreept dat het vast van plan is actief aan deze gesprekken deel te nemen;

21.   verzoekt de Commissie te verduidelijken volgens welke bepalingen zij haar mandaat binnen de DAC en de OESO heeft gekregen, welk standpunt zij er verdedigt, welke de regels zijn voor de organisatie en werking van deze commissie;

22.   dringt er bij de leden van de DAC en de OESO op aan dat zij voor 2010 specifieke doeleinden vaststellen in verband met de in de verklaring van Parijs vastgelegde 12 indicatoren, met name voor de doelstellingen inzake voorwaardelijkheid, wederzijdse verantwoording en voorspelbaarheid, en dat zij een doeltreffend mechanisme voor de follow-up in werking stellen;

23.   steunt het door de Commissie voorgestelde en door de Raad gesteunde initiatief inzake gezamenlijke programmering voor 11 ACS-landen alsook Vietnam en Nicaragua, en is van oordeel dat de momenteel in voorbereiding zijnde programmering voor de ACS-landen een goede start zou kunnen zijn; onderstreept echter dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de proefinitiatieven niet in conflict komen met de huidige gemeenschappelijke maatregelen in de partnerlanden (zoals de gemeenschappelijke bijstandsstrategieën), maar veeleer de bestaande processen versterken;

24.   neemt nota van en apprecieert het werk van de Commissie inzake het ontwikkelen van indicatoren om het resultaat van haar activiteiten te meten, maar constateert tevens dat de meeste indicatoren de interne evaluatie betreffen, dat de begrotingssteun en de sectorale programma's niet middels deze indicatoren worden geëvalueerd en dat er nog geen indicatoren inzake weerslag en duurzaamheid bestaan waarmee de afgesloten projecten kunnen worden beoordeeld;

25.   verzoekt de Commissie en de lidstaten samen indicatoren inzake de resultaten vast te leggen die zijn afgestemd op de millenniumdoelstellingen-indicatoren, zodat de nationale parlementen en het plaatselijk maatschappelijk middenveld, alsmede het Europees Parlement de resultaten van de bijdragen van de EU kunnen traceren;

26.   onderstreept dat de gezamenlijke programmering een partnerschap mogelijk moet maken dat gebaseerd is op eigen nationale verantwoordelijkheid en wederzijdse verantwoording;

27.   benadrukt dat zowel hulp- als handelsmaatregelen een belangrijke rol kunnen en moeten spelen bij het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen;

28.   verzoekt de Commissie een onderzoek te verrichten om na te gaan hoe de eerlijke handel kan evolueren naar een model voor een duurzaam handelsbeleid waarmee een evenwichtige noord-zuidhandel kan worden bevorderd, en om vast te stellen welke handelsbelemmeringen de armsten in de wereld het hardste treffen;

29.   erkent het belang voor de ontwikkelingslanden van een stabilisatie van de goederenprijzen en roept de Commissie ertoe op maatregelen in dit verband voor te stellen;

30.   verzoekt de Commissie toe te lichten in hoeverre de begunstigde landen en het maatschappelijk middenveld de volledige controle over hun ontwikkelingsbeleid met de noodzakelijke beleidsruimte zullen krijgen bij de analyse, de diagnose en de opstelling van het gezamenlijk strategisch beleid om de respons van de begunstigde landen aan te moedigen;

31.   is van oordeel dat het nationaal en regionaal ontwikkelingsbeleid op democratische wijze door de begunstigde landen zelf moet worden vastgelegd en dat democratisch gekozen parlementen de tenuitvoerlegging van de programma's nauwlettender in de gaten moeten houden;

32.   wijst op het belang van transparantie en de strijd tegen de corruptie met het oog op een efficiëntere bijstand; herinnert in dit verband aan de aanbevelingen in zijn hogergenoemde resolutie over de doeltreffendheid van hulp en de corruptie in de ontwikkelingslanden en betoont andermaal zijn steun aan de campagne "Publiceer wat je betaalt" waarin multinationale ondernemingen ertoe worden opgeroepen om informatie openbaar te maken over betalingen aan regeringen;

33.   herhaalt zijn aanbeveling inzake de doeltreffendheid van de bijstand en de corruptie in de ontwikkelingslanden en doet een beroep op de Commissie en de Raad om een passend percentage van de begrotingssteun te bestemmen voor waakhonden uit het maatschappelijk middenveld, om een internationaal systeem van zwarte lijsten op te zetten om te voorkomen dat banken geld aan corrupte regimes lenen, om overheidsopdrachten te verbieden aan bedrijven die betrokken zijn geweest bij corrupte activiteiten in een ontwikkelingsland en om alle lidstaten ertoe aan te zetten het VN-Verdrag tegen corruptie te ratificeren;

34.   herinnert ook aan het belang van een goed bestuur en het bestaan van een stabiele rechtsstaat en doorzichtige en voorzienbare reglementaire, juridische en institutionele structuren als de noodzakelijke voorwaarden voor een gunstig klimaat voor economische ontwikkeling;

35.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om de gedecentraliseerde samenwerking te verdiepen, die rechtstreeks met de plaatselijke eenheden in de ontwikkelingslanden wordt uitgevoerd;

36.   is van oordeel dat de medefinanciering als katalysator van de Europese middelen kan werken en aldus ertoe kan bijdragen een daadwerkelijk Europees beleid inzake ontwikkelingssamenwerking te bevorderen;

37.   neemt nota van het voorstel de Commissie om een flexibel en duurzaam instrument te bevorderen voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen en vraagt om nadere gegevens over de werking en beheerswijze van een dergelijk instrument;

38.   betreurt, in tegenstelling tot de Commissie, dat de door sommige lidstaten geboekte vorderingen in het nakomen van hun verbintenis om de ontwikkelingshulp te ontkoppelen(8) ontoereikend zijn, terwijl de lokale producenten en bevolkingen in het zuiden zeer veel van dit instrument verwachten en er veel baat bij zouden hebben; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de voedselhulp en het transport ervan naar de minst ontwikkelde landen onmiddellijk wordt ontkoppeld, zoals de OESO heeft aanbevolen;

39.   is bezorgd over het feit dat het communautaire beleid inzake begrotingssteun voor ontwikkelingslanden steeds afhankelijker wordt van de conditionaliteiten van internationale financiële instellingen, hetgeen deze landen ertoe dwingt aan de voorwaarden van het IMF te voldoen om voor ontwikkelingssteun van de Unie in aanmerking te komen; is van oordeel dat deze gecentraliseerde conditionaliteit in strijd is met het beleid inzake ownership van de begunstigde landen;

40.   verzoekt de Commissie en de lidstaten het nodige te doen om de belanghebbenden in de begunstigde landen, met inbegrip van maatschappelijk middenveld, voldoende voor te lichten opdat zij gemakkelijker toegang krijgen tot de beschikbare programma's;

41.   verzoekt de Commissie en de lidstaten de initiatieven inzake medeontwikkeling aan te moedigen waarbij onder deze term wordt verstaan het benutten van het potentieel van de gemeenschappen van migranten die in de ontwikkelde landen wonen, ten dienste van de ontwikkeling van hun land van oorsprong;

42.   verzoekt de Commissie en de lidstaten competente personen uit de diaspora die concrete steun willen verlenen en in hun land van oorsprong willen werken om hun kennis ten dienste te stellen van de ontwikkeling, bij ontwikkelingsprogramma's te betrekken;

43.   onderstreept dat ter verbetering van de daadwerkelijke steun die tot uiting komt in concrete vooruitgang ter plaatse, innoverende financiële instrumenten en bijkomende middelen absoluut onontbeerlijk zijn en niet in de plaats mogen komen van de verbintenissen die reeds op het stuk van de officiële ontwikkelingshulp zijn aangegaan;

44.   juicht de uitgesproken wil van de Europese Unie toe om vernieuwende mechanismen op te zetten voor de financiering van de ontwikkeling om een stabiele, doeltreffende en voorzienbare hulpverlening te verzekeren;

45.   onderstreept dat de Commissie niet mag worden beschouwd als de zesentwintigste donor van de Europese Unie; in plaats daarvan moet het relatieve voordeel van communautaire hulp worden gedefinieerd; wijst andermaal op het belang van de gebieden die zijn afgebakend in de "Europese consensus", zoals de aanwezigheid van de Unie in de wereld, de omvang van haar begroting voor ontwikkelingssamenwerking, de versterking van de samenhang in het beleid, de bevordering van het uitwerken van optimale praktijken, de vergemakkelijking van coördinatie en harmonisatie en de bevordering van democratie en de eerbiediging van de mensenrechten, enz.; verzoekt de Europese Unie over deze kwestie een duidelijk standpunt in te nemen;

46.   verzoekt de nationale parlementen een betere controle op de verleende bijstand en de tenuitvoerlegging van de bilaterale samenwerkingsprogramma's uit te oefenen;

47.   betreurt het feit dat het HIPC-initiatief (arme landen met een zware schuldenlast) geen duurzame oplossing voor het schuldenvraagstuk heeft aangedragen en dat de meeste betrokken landen geen verbetering in hun schuldensituatie hebben gezien, zoals is gebleken uit het hogergenoemde rapport van de Onafhankelijke evaluatiegroep van de Wereldbank;

48.   is verheugd over het initiatief van Noorwegen om een studie te laten verrichten op het niveau van de Wereldbank en de Verenigde Naties naar de centrale kwestie van de onwettigheid van de schuld en moedigt de Europese Unie en de lidstaten aan om dit initiatief in de internationale fora te steunen, opdat deze kwestie internationaal wordt erkend en audits over het "verfoeilijke" karakter van bepaalde bilaterale schulden van de lidstaten worden verricht met het oog op de kwijtschelding ervan;

49.   betreurt het feit dat de Raad niet bereid is nieuw geld uit te trekken voor hulp- en handelsmaatregelen in het financieel kader voor 2007-2013; meent dat de financiering van deze maatregelen niet ten koste mag gaan van andere activiteiten om de millenniumdoelstellingen te verwezenlijken; meent dat dit incoherent en onacceptabel zou zijn, terwijl nieuwe financiële instrumenten en nieuw geld essentieel zijn;

50.   benadrukt het belang van het WTO-initiatief "Aid for Trade" dat de ontwikkelingslanden in staat stelt hun commerciële capaciteiten te verstevigen en de WTO-akkoorden ten uitvoer te leggen met de bedoeling hier voordeel uit te halen en hun handel te laten bloeien door hun optreden in het internationale verkeer te vergemakkelijken; herhaalt, met het oog hierop, zijn steun voor de nieuwe begrotingslijn "Aid for Trade", die zowel de transparantie als de democratische controle vergroot;

51.   juicht het voorstel van de Commissie toe om de coördinatie op het gebied van handel in verband met ontwikkelingssamenwerking te verstevigen; benadrukt in deze context de behoefte aan verbeterde coördinatiemaatregelen in het algemeen voor alle donoren, en in het bijzonder op het niveau van de praktijk; benadrukt de noodzaak voor de Europese Unie om de inspanningen wat betreft ontwikkelingshulp samen met andere internationale geldschieters onder elkaar te verdelen;

52.   meent dat steun van de Unie noodzakelijk is in het kader van de suikersteunmaatregelen aan de ACS-landen opdat deze laatste zich kunnen aanpassen aan de nieuwe verplichtingen van de hervorming van het Europese suikerregime; is echter van oordeel dat de toegekende begroting in het kader van de reorganisatie niet ten koste mag gaan van andere getroffen maatregelen in het kader van het ontwikkelingsbeleid van de Unie en met name ten koste van de uitgaven voor de millenniumdoelstellingen;

53.   herinnert de Commissie aan haar toezegging voor een "Round for Free" voor ontwikkelingslanden in de WTO; eist de maximale inzet van de Commissie en de Raad om te voorkomen dat de minst ontwikkelde landen (MOL) slachtoffer worden van de belangen van sterkere handelsblokken;

54.   erkent dat de Commissie en de ACS-landen meer doeltreffendheid willen bereiken door nauwere regionale samenwerking via de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO); roept in dit verband op tot de nodige waarborgen en een realistisch tijdsschema voor de geleidelijke en asymmetrische opening van de handel, om te verzekeren dat EPO de groei in de ACS-landen op een doeltreffende manier zullen stimuleren;

55.   roept alle ontwikkelingslanden en alle verder gevorderde ontwikkelingslanden op het model te volgen van het initiatief van de Unie "Alles behalve wapens" waarbij voor de MOL de volledige toegang tot de markt zonder belasting en zonder quota wordt verzekerd;

56.   verwijst naar het rapport van de Commissie waaruit blijkt dat de MOL het minst profiteren van het preferentiestelsel van de Europese Unie; roept de Commissie ertoe op nieuwe maatregelen te nemen, zodat de armste landen optimaal kunnen profiteren van de communautaire handelspreferenties;

57.   is van oordeel dat, hoewel het door de Europese Unie gereserveerde bedrag voor financiële bijstand aanzienlijk is, het ook belangrijk is om ingrijpende hervormingen van de financiële en commerciële instellingen in de wereld door te voeren om een multidimensionale en op rechten gebaseerde benadering op te nemen;

58.   herinnert aan zijn bovengenoemde resolutie over de herziening van de strategie van het IMF waarin de lidstaten ertoe werden opgeroepen te streven naar de vorming van één enkele kiesgroep ("constituency"), te beginnen met een groep landen van de euro-zone, teneinde op langere termijn te komen tot een consistente Europese vertegenwoordiging, waarbij het voorzitterschap van de Raad Economische en Financiële Zaken en de Commissie zijn betrokken en de genoemde groep onder controle van het Europees Parlement staat;

59.   dringt aan op herziening van de werking van de internationale financiële instellingen, te beginnen bij de aanpassing van het kiesstelsel aan de huidige realiteit door meer gewicht te verlenen aan de ontwikkelingslanden en door de huidige onevenwichtige samenstelling van de kiesgroepen te herzien;

60.   dringt er bij de internationale financiële instellingen op aan, in het licht van de talrijke rapporten van de Verenigde Naties waaronder het bovengenoemde rapport-Sachs, de draaglijkheid van de schuld van de ontwikkelingslanden te definiëren als een schuldenlast die een land in staat stelt om de millenniumdoelstellingen te halen zonder een verhoging van zijn schuldquote en verzoekt de vertegenwoordigers van de lidstaten bij de internationale financiële instellingen om zich in te zetten voor een dergelijke herdefiniëring;

61.   herinnert aan de suggestie in zijn bovengenoemde resolutie over de herziening van de strategie van het IMF om de conditionaliteit van de steun en de leningen van de internationale financiële instellingen te definiëren in het kader van een verbeterde samenwerking met de instellingen van de Verenigde Naties, en erkent dat deze conditionaliteiten in vele gevallen een negatieve weerslag op de sociale en economische indicatoren van de ontwikkelingslanden hebben gehad;

62.   stelt voor een werkgroep op te richten die is gewijd aan de doeltreffendheid van de Europese steun en de follow-up van de Europese consensus over ontwikkelingssamenwerking en die bestaat uit de leden van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, en verzoekt de Commissie, de lidstaten, de NGO's op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de vakbondsorganisaties hieraan deel te nemen; stelt derhalve voor een aantal landen als "case studies" uit te kiezen teneinde het Parlement en zijn Commissie ontwikkelingssamenwerking een beter beeld te verschaffen van de inspanningen en resultaten in het algemeen met de nadruk op de doeltreffendheid van de bijstand;

63.   onderstreept dat het van essentieel belang is dat de Unie systematischer over beleidsvormen beschikt die een globale samenhang vertonen en is verheugd over het feit dat deze kwestie van samenhang tussen de verschillende beleidsvormen van de Europese Unie deel gaat uitmaken van de agenda van het Finse voorzitterschap waarvan het veel verwacht;

64.   onderstreept het belang van samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen van de EU evenals de nodige coördinatie en complementariteit van de maatregelen tussen de Europese Unie en haar lidstaten voor de effectiviteit van hulp, met name op plaatselijk niveau; acht het ontbreken van samenhang in strijd met artikel 178 van het EG-Verdrag;

65.   is van oordeel dat in het beleid van de Europese Unie inzake de doeltreffendheid van de bijstand blijk moet worden gegeven van samenhang tussen handel, ontwikkelingssamenwerking en het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid, teneinde directe of indirecte negatieve gevolgen voor de economie van de ontwikkelingslanden te voorkomen;

66.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2006)0063.
(2) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2005)0445.
(4) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2006)0217.
(5) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2006)0141.
(6) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 311.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0076.
(8) Zie verklaring in overweging F.

Laatst bijgewerkt op: 26 januari 2007Juridische mededeling