Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2009(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0254/2006

Ingediende teksten :

A6-0254/2006

Debatten :

PV 27/09/2006 - 12
CRE 27/09/2006 - 12

Stemmingen :

PV 28/09/2006 - 7.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0389

Aangenomen teksten
PDF 101kWORD 62k
Donderdag 28 september 2006 - Straatsburg Definitieve uitgave
Vooruitzichten van de vrouw in de internationale handel
P6_TA(2006)0389A6-0254/2006

Resolutie van het Europees Parlement over de vooruitzichten van de vrouw in de internationale handel (2006/2009(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien Verordening (EG) nr. 2836/98 van de Raad van 22 december 1998 betreffende de integratie van de genderproblematiek in de ontwikkelingssamenwerking (1) ,

–   gezien Beschikking 2001/51/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende het programma in verband met de communautaire strategie inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen (2001-2005)(2) en het bijbehorende werkprogramma,

–   gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 1979 en het bijbehorende optionele protocol,

–   gezien de Verklaring van Beijing en het actieprogramma (Platform for Action) die op 15 september 1995 door de VN-Vierde Wereldvrouwenconferentie zijn aangenomen,

–   gezien de VN-resolutie van 10 juni 2000 over de follow-up van het actieprogramma van Beijing, de herziening en beoordeling van het actieprogramma van Beijing en het slotdocument van de 23e bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van maart 2005,

–   gezien het Groenboek van de Commissie van 18 juli 2001, getiteld "De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven" (COM(2001)0366),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 22 maart 2006, getiteld "Tenuitvoerlegging van het partnerschap voor groei en werkgelegenheid: Europa moet een voorbeeld worden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2006)0136),

–   gezien de VN-normen inzake de verantwoordelijkheden van transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten, die op 13 augustus 2003 door de Subcommissie voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten van de Verenigde Naties zijn aangenomen,

–   gezien de tripartiete verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van november 1977 betreffende de beginselen in verband met multinationale ondernemingen en het sociaal beleid, alsook de geldende OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen,

–   gezien de Verklaring inzake fundamentele arbeidsnormen van de IAO van 18 juni 1998, aanbeveling R100 van de IAO over de bescherming van arbeidsmigranten in onderontwikkelde landen en gebieden, aanbeveling R111 van de IAO over discriminatie in werk en beroep, aanbeveling R156 van de IAO over de bescherming van werknemers tegen beroepsrisico's in hun werkomgeving door luchtvervuiling, lawaai en trillingen en aanbeveling R191 van de IAO ter herziening van de aanbeveling over de bescherming van het moederschap,

–   gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000 en de herziening en actualisering daarvan tijdens de Wereldtop van 14 tot 16 september 2005,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 16 en 17 december 2004, waarin nogmaals het engagement van de Europese Unie voor de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's) en beleidssamenhang wordt onderstreept,

–   gezien de São Paulo-verklaring van de VN-conferentie over handel en ontwikkeling van 18 juni 2004,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2005 over de sociale dimensie van de globalisering(3) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0254/2006),

A.   overwegende dat internationale handel de potentie heeft om aan gendergelijkheid bij te dragen en de economische, sociale en politieke zelfstandigheid van vrouwen op zowel productief als reproductief gebied kan bevorderen; overwegende dat de globalisering van de handel echter mede de oorzaak is van minder formele arbeidsbetrekkingen, een toename van arbeid met een onzeker dienstverband en een stijging van het aantal vrouwelijke werklozen in meerdere economische sectoren,

B.   overwegende dat 70% van de 1,3 miljard mensen in de wereld die onder de armoedegrens leven vrouwen zijn; overwegende dat vrouwen in het algemeen meer moeilijkheden ondervinden om toegang te krijgen tot onderwijs, onroerend goed, krediet en andere faciliteiten en productiefactoren, evenals tot besluitvormingsorganen,

C.   overwegende dat genderongelijkheid, waarbij vrouwen minder toegang hebben tot productiemiddelen en tot de markt, op lange termijn groei belemmert, omdat vrouwen in verhouding een groter deel van het inkomen dat zij zelf verwerven, besteden aan onderwijs, gezondheidszorg en eten, en omdat niet volledig gebruik wordt gemaakt van het economisch potentieel van de gehele bevolking,

D.   overwegende dat handelsakkoorden alle bestaande wetten inzake mensenrechten en sociaal en arbeidsrecht, en alle bestaande internationale afspraken op het gebied van duurzame ontwikkeling ten volle moeten eerbiedigen,

E.   overwegende dat reproductieve en huishoudelijke verantwoordelijkheden, alsook de verantwoordelijkheid om het gezin te onderhouden en sociale zorg te bieden in vrijwel elke samenleving als de essentiële taak van de vrouw worden gezien, maar dat deze rol over het algemeen wordt ondergewaardeerd en niet wordt beloond,

F.   overwegende dat, wanneer marktliberalisering geen rekening houdt met genderspecifieke factoren, dit processen als een stijging van het aantal vrouwen met een onzeker dienstverband, een toename in de uitbuiting van vrouwen en de ondermijning van de middelen van bestaan van arme vrouwen in de hele wereld, ook van vrouwelijke migranten, zal versterken,

G.   overwegende dat de handelsliberalisering in sterke mate heeft bijgedragen tot een grotere deelname van vrouwen aan de informele economie,

H.   overwegende dat de IAO de term "informele economie" definieert als werk zonder contract, secundaire arbeidsvoorwaarden noch sociale bescherming, dat zowel binnen als buiten informele ondernemingen wordt uitgevoerd,

I.   overwegende dat het gegeven dat zich onder de internationale migranten steeds meer vrouwen bevinden veel te weinig aandacht krijgt; voorts overwegende dat arbeidsmigranten vaak niet om redelijke arbeidsvoorwaarden durven vragen,

J.   overwegende dat de WTO in 1995 een Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS) heeft bereikt en dat deze overeenkomst de toegang tot generieke medicijnen dusdanig inperkte dat in december 2005 in Hong Kong men het eens werd dat een aanpassing van de TRIPS-Overeenkomst dient te gebeuren,

1.   onderstreept dat de handelsliberalisering voor vrouwen andere gevolgen heeft dan voor mannen; wijst op het feit dat de doelstellingen van het Europese gendergelijkheidsbeleid enerzijds en van het handels-, ontwikkelings- en steunbeleid anderzijds op elkaar moeten worden afgestemd, zodat beide beleidsgebieden de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bevorderen; wijst op het streven naar een gelijke verdeling van goederen, gelijke rechten en economische onafhankelijkheid en benadrukt dat economische participatie voor vrouwen de sleutel tot zelfstandigheid vormt, omdat zij hierdoor aan structurele discriminatie kunnen ontsnappen, hun eigen levensomstandigheden en die van hun gezin kunnen verbeteren, actiever aan de politiek kunnen deelnemen en de sociale cohesie kunnen versterken;

2.   stelt vast dat veel vrouwen weliswaar hun voordeel doen met de handelsliberalisering en de buitenlandse directe investeringen dankzij de daaruit voortvloeiende tewerkstellingsmogelijkheden, maar dat de handelsliberalisering ook bijdraagt tot de informalisering van de arbeidsrelaties, de aantasting van de arbeidsvoorwaarden en de feminisering van de werkloosheid in meerdere sectoren van de economie;

3.   roept de Raad en de Commissie op voorrang te verlenen aan het afschaffen van alle voorbehouden ten opzichte van het CEDAW en aan de ratificatie van het bijbehorende optionele protocol door alle partnerlanden;

4.   verzoekt de Commissie om aan de commissies van het Europees Parlement die bevoegd zijn voor vrouwenrechten en internationale handel een verslag voor te leggen, dat mede is ondertekend door de bestuurders van het organisme dat aan vrouwen financiële bijstand schenkt en het organisme dat financiële bijstand voor vrouwen ontvangt, en daarmee aan te tonen dat deze bijstand zijn bestemming heeft bereikt en niet voor andere dan de oorspronkelijke doeleinden werd gebruikt;

5.   benadrukt de noodzaak om te onderzoeken hoe vrouwen hun voordeel kunnen doen met de handelsliberalisering en om systematisch genderspecifieke gegevens te verzamelen teneinde iets te doen aan de genderblindheid in het huidige handelsbeleid en in het beleid van internationale economische instanties; nodigt de Commissie uit eens per jaar een voortgangsverslag over dit onderwerp aan het Parlement voor te leggen; brengt in herinnering dat genderanalyses een onderdeel moeten zijn van de duurzaamheidseffectbeoordelingen van de handelsakkoorden die momenteel door de Commissie worden uitgevoerd;

6.   verzoekt de Commissie een gendereffectbeoordeling uit te voeren voordat zij handelsakkoorden met derde landen sluit en doeltreffende conditionaliteitsclausules op te nemen in akkoorden met landen waar de mensenrechten, en met name de rechten van vrouwen, op grote schaal worden geschonden;

7.   verzoekt de Commissie binnen het Directoraat-generaal Handel formeel een handel en genderdesk in te stellen, die, onder andere, dient te controleren of de landen die met de Europese Unie handelsrelaties onderhouden de mensenrechten, en dan vooral de rechten van de vrouw, eerbiedigen, en die actief moet reageren wanneer de mensenrechten worden geschonden;

8.   verzoekt de Commissie productie- en verwerkingsmethoden (volgens de WTO-definitie van PPM's) vanuit genderperspectief te analyseren, zodat zij PPM's kan identificeren waarbij volgens het CEDAW en mensenrechtenverdragen sprake is van gerichte genderdiscriminatie, en een strategie uit te werken om de naleving van de internationale voorschriften in de exporterende landen te bevorderen;

9.   roept de Commissie op ervoor te zorgen dat bedrijven die in het kader van het EU-samenwerkingsbeleid van EU-markttoegangsprogramma's profiteren, niet bijdragen aan praktijken als de onmenselijke uitbuiting van arbeidskrachten, en vooral van vrouwen;

10.   beklemtoont dat de arbeidsvoordelen in de (in)formele economie van diverse factoren afhankelijk zijn, onder meer van het loon, de arbeidsomstandigheden en de veiligheid van de werkplek, en dat vrouwen nog steeds worden achtergesteld bij het benutten van deze voordelen; vraagt de Commissie derhalve om in het kader van haar samenwerkings- en ontwikkelingsbeleid een speciaal fonds in te stellen, dat voortaan deel moet uitmaken van handels- en samenwerkingsovereenkomsten met derde landen, om de vrouwen van de betrokken landen te steunen door hun toegang tot krediet, onderwijs en beroepsopleiding aan te moedigen en aldus het aandeel van de informele arbeid te verminderen; verzoekt de Commissie het Parlement een verslag voor te leggen dat mede is ondertekend door de gevers en ontvangers van bijstand, om aan te tonen dat deze bijzondere financiering niet is afgeweken van zijn oorspronkelijke doelstellingen;

11.   roept de Raad, de Commissie en de lidstaten op om op korte termijn de beginselen van non-discriminatie en gendergelijkheid in het toepassingsbereik van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF) op te nemen en ervoor te zorgen dat de steun die vanuit dit fonds wordt verleend niet ter vervanging van socialezekerheidsuitkeringen wordt aangewend;

12.   beklemtoont dat het grote verlies aan arbeidsplaatsen in Europa de tendens naar een toenemende industriële herstructurering bevestigt; merkt op dat de verwerkende industrie, de transportsector, de telecommunicatie en de financiële dienstverlening de ergst getroffen sectoren zijn; verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten de niet-discriminatie en de gelijkheid van vrouwen en mannen in het kader van het EGF ernstig te nemen;

13.   verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten te garanderen dat gendermainstreaming en gelijke kansen doelstellingen zijn van alle Europese fondsen; beklemtoont de nood aan blijken van vooruitgang in de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en in de strijd tegen alle vormen van discriminatie;

14.   merkt op dat banen, werkgelegenheid en behoorlijk werk het voorwerp van een negende MOD moeten vormen en dat deze zo snel mogelijk moet worden aangenomen; wenst dat de fundamentele arbeidsnormen in multi- en bilaterale handelsakkoorden worden opgenomen en dat het gendergelijkheidsbeginsel in alle MOD's wordt opgenomen;

15.   wijst op het feit dat de universele en betaalbare toegang tot rudimentaire voorzieningen, zoals water, onderwijs, gezondheidszorg en energie, een randvoorwaarde is om vrouwen onafhankelijker te maken; benadrukt echter dat de liberalisering van diensten in het kader van GATS (General Agreement on Trade in Services) alleen aan het bereiken van dit doel kan bijdragen als in de huidige bi- en multilaterale onderhandelingen strikt wordt vastgehouden aan de GATS-beginselen van nationale flexibiliteit en beleidsruimte;

16.   onderstreept dat de TRIPS-overeenkomst twee jaar na de inwerkingtreding opnieuw onder de loep had moeten worden genomen, maar dat dit nog niet is gebeurd; dringt er derhalve op aan dit alsnog te doen, uitgaande van een effectbeoordeling van de kosten die ontwikkelingslanden voor de tenuitvoerlegging moeten maken;

17.   roept de Commissie op te toetsen of de implementatie van de afspraken die in december 2005 tijdens de ministerconferentie van de WTO in Hongkong over dwanglicenties voor antivirale HIV/aids-medicijnen zijn gemaakt, daadwerkelijk leidt tot meer toegang tot medicijnen, en in deze toetsing mede te kijken naar het genderperspectief;

18.   roept op nationale beleidsmaatregelen te treffen die gendergelijkheid, bescherming en bevordering van werk en sociaal welzijn nastreven, die de gezondheid en arbeidsomstandigheden van vrouwen en mannen verbeteren en die aan duurzame ontwikkeling bijdragen; wijst erop hoe belangrijk het is dat in alle onderhandelingen over handel en ontwikkelingsbeleid voldoende rekening wordt gehouden met nationale flexibiliteit en beleidsruimte; wil dat ontwikkelingslanden en kwetsbare economieën gegarandeerd het recht hebben om bepaalde dienstensectoren al dan niet voor de marktliberalisering open te stellen en zo ja, welke sectoren;

19.   roept de Commissie op in haar dialoog en samenwerking met derde landen in het bijzonder aandacht te besteden aan de juridische beperkingen aan de toegang van vrouwen tot productiemiddelen, zoals kredieten, landrechten en kapitaal;

20.   benadrukt dat vrouwen een dusdanig belangrijke rol in kleinschalige familiale landbouwactiviteiten spelen, dat het recht van ontwikkelingslanden om een landbouwbeleid uit te werken en uit te voeren dat hun soevereiniteit waarborgt op gebied van voeding, met name in de onderhandelingen die gevoerd worden in het kader van het WTO, moet worden geëerbiedigd en versterkt; onderstreept het grote belang van microkredieten als instrument om armoede te lenigen; verzoekt de Commissie twee keer per jaar een verslag voor te leggen, dat mede is ondertekend door de autoriteiten die financiering verstrekken en door de organismen die financiering ontvangen, en dat moet aantonen dat de financiële bijstand ter bestemming komt;

21.   roept de Commissie en de Raad op ontwikkelingslanden te helpen bij het opbouwen van hun vermogen om op een dusdanige manier handelsbeleidslijnen te formuleren, te onderhandelen en uit te voeren dat deze op de behoeften van elk land zijn afgestemd en een duurzame, gendervriendelijke ontwikkeling van de economie stimuleren; wil dat alle verleende hulpverlening gendervriendelijk is;

22.   meent dat gendereffectbeoordelingen moeten worden uitgevoerd in een vroeg stadium van de planning en begroting van bijstand aan ontwikkelingslanden; meent dat dit de beleidsvormers in staat zou stellen om de effecten van een bepaald beleid voor vrouwen en mannen nauwkeuriger te beoordelen en de huidige toestand en tendensen te vergelijken en te beoordelen in het licht van de verwachte resultaten van het voorgestelde beleid; meent dat het jaarverslag een gedeelte dient te bevatten over de follow-up van gendereffectbeoordelingen;

23.   juicht het besluit van de Noorse regering toe om een quotum van 40% vrouwen in het bestuur van maatschappijen op aandelen wettelijk verplicht te stellen;

24.   wenst dat de "aid for trade-programma's" op het bevorderen van gendergelijkheid en duurzame ontwikkeling worden gericht en door extra middelen gefinancierd; benadrukt dat "aid for trade-financiering" moet bijdragen aan de opbouw van voldoende capaciteit aan de aanbodzijde, noodzakelijk om handel te kunnen drijven, en dat deze financiering niet mag afhangen van het beleid van het begunstigde land om de landbouw-, industrie- of dienstenmarkt te liberaliseren;

25.   wijst op het belang van een gendergerichte budgettering in het Europese handelsbeleid als strategie om aan gendergelijkheid bij te dragen; roept de Commissie, de Raad en de lidstaten op gendergerichte budgettering zo snel mogelijk op alle niveaus als standaardinstrument in het begrotingsbeleid op te nemen;

26.   onderstreept dat de deelname van vrouwen aan de economie essentieel is om hun zelfvertrouwen te bevorderen en hun capaciteiten te ontwikkelen en om hun status in de gemeenschap te verbeteren; onderstreept ook dat toegang tot middelen vrouwen in staat stelt om een inkomen en activa te verwerven, waardoor het mogelijk wordt een omgeving te scheppen waarin arme vrouwen en vrouwen met een laag inkomen ondernemingen kunnen oprichten, hun levensomstandigheden kunnen verbeteren, het welzijn van hun gezin op het vlak van voeding en gezondheid kunnen verzekeren, hun kinderen kunnen opvoeden, respect kunnen afdwingen in hun gezin en de gemeenschap, en betrokken kunnen worden bij het beleid; onderstreept de ruime mogelijkheden van 'microkredieten' als een onschatbaar instrument in de strijd tegen de armoede, voor de bevordering van zelfredzaamheid en de stimulering van economische activiteit in enkele van de armste en meest benadeelde landen ter wereld;

27.   verzoekt de lidstaten om al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat in het kader van het wereldhandelsoverleg rekening wordt gehouden met de genderdimensie; verzoekt de lidstaten tevens vrouwen aan te moedigen om zich kandidaat te stellen voor functies in internationale organisaties zoals de WTO, de Wereldbank, het IMF en de IAO en de vrouwen die dat doen te ondersteunen;

28.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten en van de toetredingslanden en aan de Raad van Europa.

(1) PB L 354 van 30.12.1998, blz. 5.
(2) PB L 17 van 19.1.2001, blz. 22.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0427.

Laatst bijgewerkt op: 26 januari 2007Juridische mededeling