Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2018(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0451/2006

Ingediende teksten :

A6-0451/2006

Debatten :

PV 12/12/2006 - 20
CRE 12/12/2006 - 20

Stemmingen :

PV 14/12/2006 - 6.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0570

Aangenomen teksten
DOC 100k
Donderdag 14 december 2006 - Straatsburg Definitieve uitgave
Ontwerp van algemene begroting, zoals gewijzigd door de Raad (alle afdelingen)
P6_TA(2006)0570A6-0451/2006
Resolutie
 Bijlage

Resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, zoals gewijzigd door de Raad (alle afdelingen) (15637/2006 – C6-0442/2006 – 2006/2018(BUD)2006/2018B(BUD)) en over de nota's van wijzigingen nr. 1/2007 (SEC(2006)0762), 2/2007 (13886/2006 - C6-0341/2006) en 3/2007 (15636/2006 - C6-0443/2006) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007

Het Europees Parlement ,

–   gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1) ,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr.1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(2) ,

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3) ,

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure(4) ,

–   gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, opgesteld door de Raad op 14 juli 2006 (C6-0299/2006),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 oktober 2006 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling III – Commissie (C6-0299/2006) en de nota van wijzigingen nr. 1/2007 (SEC(2006)0762) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 oktober 2006 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling I – Europees Parlement, Afdeling II – Raad, Afdeling IV – Hof van Justitie, Afdeling V – Rekenkamer, Afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité, Afdeling VII – Comité van de Regio's, Afdeling VIII (A) – Europese Ombudsman, Afdeling VIII (B) – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (C6-0300/2006)(6) ,

–   gezien de nota van wijzigingen nr. 2/2007 (13886/2006 – C6-0341/2006) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007,

–   gezien de nota van wijzigingen nr. 3/2007 (15636/2006 - C6-0443/2006) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007,

–   gezien zijn amendementen en wijzigingsvoorstellen van 26 oktober 2006 op het ontwerp van algemene begroting(7) ,

–   gezien de wijzigingen die de Raad heeft aangebracht in de amendementen en de wijzigingsvoorstellen van het Parlement op het ontwerp van algemene begroting (15637/2006 – C6-0442/2006),

–   gezien de uitkomst van het overleg van 21 november 2006 en de daarop volgende vergadering van 28 november 2006,

–   gezien de uiteenzetting van de Raad betreffende het resultaat van zijn beraadslagingen over de door het Parlement aangenomen amendementen en wijzigingsvoorstellen op het ontwerp van algemene begroting,

–   gelet op artikel 69 en bijlage IV van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0451/2006),

A.   overwegende dat het bij al zijn werkzaamheden rond de begroting 2007 een consequente strategie heeft gevolgd,

B.   overwegende dat die strategie steunde op de drie pijlers die het in zijn resolutie van 18 mei 2006 over de begroting 2007: mededeling van de Commissie over de jaarlijkse beleidsstrategie (JBS)(8) uiteen had gezet, te weten vaststelling van beleidsprioriteiten, kostenefficiënte aanwending van de middelen en voorbereiding van de herziening van 2008/2009,

C.   overwegende dat bij deze aanpak de nadruk lag op de belangrijkste uitdagingen en kansen voor de Europese Unie in verband met de voortschrijdende mondialisering, en dat er fundamentele kwesties aan de orde werden gesteld met betrekking tot de aard van de strategische partnerschappen van de Europese Unie met partnerlanden en -regio's in de hele wereld,

D.   overwegende dat deze duidelijke, consequente strategische visie voor het Parlement vruchten heeft afgeworpen tijdens de onderhandelingen met de Raad over de hoofdprioriteiten van het Parlement, onder meer met betrekking tot het Financieel Reglement,

E.   overwegende dat de resultaten die met betrekking tot de prioriteiten van het Parlement, de kostenefficiëntie en het Financieel Reglement zijn behaald, werkelijk voordelen zullen opleveren voor de Europese burgers, omdat hun geld beter en efficiënter wordt uitgegeven, en zullen bijdragen tot het voortdurend streven van het Parlement naar een positieve betrouwbaarheidsverklaring (DAS) inzake de uitgaven van de EU,

Algemene overwegingen: verwezenlijking van prioriteiten, kostenefficiëntie en voorbereiding op de herziening van 2008/2009
Verwezenlijking van prioriteiten

1.   herinnert eraan dat de strategie en de beleidsprioriteiten van het Parlement met betrekking tot de begroting 2007 waren neergelegd in zijn eerder genoemde resolutie van 18 mei 2006 over de JBS, en met name in de paragrafen 5 en 6 daarvan; is van mening dat die resolutie daarom een essentieel middel was om zijn strategie al in een vroeg stadium van de jaarlijkse begrotingsprocedure te bepalen;

2.   is ingenomen met de resultaten die het met betrekking tot zijn hoofdprioriteiten en de kernpunten van de onderhandelingen met de Raad tijdens de triloog en de overlegprocedure vóór de tweede lezing van de begroting door het Parlement heeft bereikt;

3.   verwerpt, met betrekking tot het algemene peil van de betalingskredieten, de willekeurige wijze waarop de Raad horizontaal in de betalingen heeft gesnoeid; is van oordeel dat de betalingen zouden moeten worden toegespitst op prioritaire programma's waarvoor goede en doeltreffende besteding verzekerd is; stemt in de context van een algemene afspraak met de Raad, in met een totaal van 115 500 miljoen EUR aan betalingskredieten, hetgeen overeenkomt met 0,99% van het BNI van de Europese Unie;

4.   verwijst naar zijn verklaring over de betalingen, waarin eraan wordt herinnerd dat in de punten 12 en 13 van het IIA van 17 mei 2006 absolute bedragen worden genoemd die jaarlijkse maxima vertegenwoordigen voor de uitgaven uit hoofde van de algemene begrotingen, in de context van het MFK; is van mening dat de eerbiediging van de in het MFK 2007-2013 vastgelegde jaarlijkse maxima derhalve betekenen dat de stijgingspercentages voor niet-verplichte uitgaven in de jaarlijkse begrotingen automatisch worden aanvaard; herinnert de Raad eraan dat het Parlement niet-naleving van deze punten zal beschouwen als een schending van het IIA;

5.   merkt in dit verband op dat zijn vakcommissies bij de eerste lezing van de begroting 2007 door het Parlement, bescheiden zijn geweest in hun verzoeken om meer betalingskredieten, gezien het feit dat de belangrijkste nieuwe rechtsgrondslagen in de loop van 2006 zijn vastgesteld om in 2007 nieuwe uitgavenprogramma's van de EU te kunnen starten;

6.   merkt, met betrekking tot de totale vastleggingskredieten, op dat het Parlement, in navolging van zijn vakcommissies, een voorzichtige lijn heeft gevolgd en niet gevraagd heeft om aanwending van het Flexibiliteitsinstrument; stelt voor de meeste rubrieken van de begroting 2007 de vastleggingskredieten vast op - of in de buurt van - de maxima die in Bijlage I bij het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 zijn aangegeven;

7.   besluit, met betrekking tot het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB), de vastleggingskredieten voor 2007 terug te brengen op het niveau van het voorontwerp van begroting (VOB), d.w.z. 159 200 000 EUR, maar verwacht van de Raad dat hij zich zowel aan de geest als aan de letter van het IIA van 17 mei 2006 zal houden voor wat betreft de uitgaven voor het GBVB, zoals bevestigd werd in de briefwisseling tussen de commissievoorzitters Brok en Lewandowski en de Finse minister Wideroos;

Kostenefficiëntie

8.   wijst erop dat het streven naar kostenefficiëntie een innoverend element van de begrotingsprocedure 2007 was; is van oordeel dat op deze aanpak moet worden voortgebouwd in de toekomstige begrotingsprocedures om te zorgen voor betere evaluatie van de EU-programma's en beter te controleren of de begrotingsuitvoering strookt met de prioriteiten en institutionele prerogatieven van het Parlement; verwijst naar de gezamenlijke verklaring van de Commissie en het Parlement over goede begrotingsuitvoering en benadrukt dat de algemene doelstelling van deze aanpak is de Europese burgers meer waar voor hun geld te bieden en de uitdagingen waarmee de EU geconfronteerd wordt, aan te gaan middels een optimale middelentoewijzing (zie aangehechte verklaring);

9.   herinnert aan zijn besluit om 30% van de kredieten - in totaal meer dan 500 miljoen EUR - in de reserve te plaatsen voor bijna 40 begrotingslijnen ten aanzien waarvan het Parlement zich, na grondige bestudering van de beschikbare informatiebronnen, serieus zorgen heeft gemaakt over de kwaliteit en het peil van de begrotingsuitvoering; is ingenomen met de constructieve reactie van de Commissie op de voorwaarden die het Parlement in zijn begrotingsamendementen had gesteld voor het vrijgeven van deze reserves; besluit, naar aanleiding van de reactie van de Commissie, gehecht aan haar traditionele uitvoerbaarheidsnota van begin november, 8 900 000 EUR in de reserve te houden voor 2 begrotingslijnen; neemt zich voor om in de loop van 2007 nauw te blijven toezien op de kwaliteit en het peil van de begrotingsuitvoering voor deze lijnen, in overeenstemming met een verklaring inzake kostenefficiëntie;

10.   is tevens ingenomen met de vergadering die op 15 november 2006 plaatsvond met de Commissaris voor financiële programmering en begroting en met de secretaris-generaal van de Commissie, waarmee de Commissie duidelijk heeft laten zien dat zij volledig achter de kostenefficiëntie-aanpak staat; wijst erop dat de Begrotingscommissie van het Parlement in de eerste helft van 2007 een hoorzitting zal organiseren over de voortzetting van deze aanpak;

11.   herinnert aan het belang dat het Parlement hecht aan een positieve betrouwbaarheidsverklaring voor middelen onder gedeeld beheer; benadrukt zijn voornemen om, in overeenstemming met het IIA van 17 mei 2006, ervoor te zorgen dat de auditautoriteiten in de lidstaten een beoordeling opmaken van de conformiteit van beheers- en controlestelsels met de communautaire regelgeving; herhaalt dat de lidstaten met het oog daarop op het gepaste nationale niveau een jaarlijks overzicht moeten opstellen van de beschikbare audits en verklaringen; is ingenomen met de recente ontwikkelingen in één lidstaat die alle afzonderlijke rekeningen waarop EU-gelden worden uitgegeven onder gedeeld beheer, consolideert met het oog op de latere auditing van deze cijfers; is van mening dat een herziening van de methode van de Rekenkamer voor de beoordeling van de conformiteit met de financiële voorschriften van de EU door middel van een "peer review" met andere vergelijkbare instellingen zal bijdragen tot een betere aanpak van de Rekenkamer met betrekking tot de auditing van de EU-rekeningen; constateert met verbazing dat zo'n "peer review"-proces nog steeds niet heeft plaatsgevonden; verzoekt dat dit vóór 31 juli 2007 gebeurt;

12.   neemt, met betrekking tot de drie nieuwe agentschappen (Europees agentschap voor chemische stoffen, Europees Genderinstituut, Bureau voor de grondrechten), nota van de gezamenlijke verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie inzake de financiering en de financiële programmering voor deze agentschappen in het kader van het IIA van 17 mei 2006; besluit met betrekking tot de bestaande agentschappen de kredieten van het VOB opnieuw op te voeren, maar stijgingen die een referentiebedrag overstijgen in de reserve te plaatsen in afwachting van een positieve beoordeling van de prestaties van de agentschappen in verhouding tot hun definitieve werkprogramma's; merkt op dat deze beoordelingen in een vergadering met de hoofden van de agentschappen in het voorjaar van 2007 zouden moeten worden afgerond;

Voorbereiding op de herziening van 2008/2009

13.   verklaart andermaal dat de Europese Unie een meer proactieve strategie zou moeten ontwikkelen om in te spelen op de kansen en uitdagingen die de voortschrijdende mondialisering meebrengt; is van oordeel dat een herziening van het EU-beleid inzake partnerschappen met derde landen en regio's in dit verband noodzakelijk is en dat de term "strategisch" voorbehouden zou moeten zijn aan de belangrijkste partnerschappen van de Unie, zoals het transatlantisch partnerschap met de Verenigde Staten van Amerika;

14.   bevestigt dat de politieke analyse zoals die was opgesteld door de Tijdelijke Commissie beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013 en de desbetreffende resolutie van het Parlement van 8 juni 2005(9) de basis blijven vormen voor de herziening en elke mogelijke wijziging van het IIA; is van oordeel dat ook de beoordeling van de doeltreffendheid en de uitvoering van de meerjarenprogramma's en -instrumenten van de nieuwe generatie in aanmerking moeten worden genomen;

15.   merkt op dat de door het Parlement goedgekeurde voorbereidende acties met betrekking tot zakelijke en wetenschappelijke uitwisselingen met China en India bedoeld zijn om te wijzen op het belang dat het Parlement hecht aan de totstandbrenging van hechtere samenwerking met deze zich snel ontwikkelende landen;

16.   is van mening dat de Commissie voor een grotere mate van transparantie zou moeten zorgen met betrekking tot de voor- en nadelen van het werken met NGO's bij het verlenen van communautaire ontwikkelingshulp; beveelt in dit verband aan een kosten/batenanalyse te maken van de werking van NGO's; is voornemens nader te onderzoeken in hoeverre bij de EU-ontwikkelingshulp in de toekomst meer gebruik kan worden gemaakt van microkredieten;

17.   is van oordeel dat de Commissie de aard van de strategische partnerschappen van de EU opnieuw zou moeten bezien in een verslag dat uiterlijk op 30 april 2007 moet worden voorgelegd en waarin met name de betekenis van het woord "strategisch" wordt gedefinieerd; meent dat dit slechts één voorbeeld is van een meer algemene behoefte van de Europese Unie aan een duidelijke formulering van haar algemene beleidsprioriteiten, op een wijze die effectief kan worden uitgelegd aan de burgers van Europa; merkt op dat een duidelijke formulering van de beleidsprioriteiten een conditio sine qua non vormt voor de toewijzing van begrotingsmiddelen aan die prioriteiten; benadrukt dat het Parlement bij zijn werkzaamheden rond de begroting 2007 zijn beleidsprioriteiten al in een vroeg stadium van de procedure had bepaald en daardoor een doeltreffende strategie voor de begroting 2007 kon ontwikkelen;

18.   meent derhalve dat het Parlement zou moeten voortbouwen op deze prioriteitstellingsaanpak die in de begrotingsprocedure 2007 is gevolgd, onder meer door middel van een reeks hoorzittingen over specifieke beleidsthema's, om zijn prioriteiten voor de middellange termijn vast te stellen; is van mening dat deze aanpak, overeenkomstig de paragrafen 38 tot en met 40 van de resolutie van 18 mei 2006 over de JBS, zou moeten bijdragen tot het bepalen van een strategie van het Parlement voor de herziening van 2008/2009;

Horizontale kwesties en belangrijkste elementen per MFK-rubriek
Horizontale kwesties

19.   neemt met betrekking tot proefprojecten en voorbereidende acties kennis van de verhoogde plafonds voor nieuwe projecten zoals vastgelegd in het IIA van 17 mei 2006; wijst erop dat het Parlement met deze projecten prioritaire terreinen kan aanwijzen voor het ontwikkelen van Europees beleid; besluit derhalve een aantal nieuwe projecten voor te stellen die in het algemeen overeenkomen met de prioriteiten die zijn vermeld in paragraaf 6 van de resolutie van 18 mei 2006 over deJBS;

20.   stelt vast dat Nota van wijziging nr. 3/2007 van de Commissie is goedgekeurd, evenals de elementen van Nota van wijziging nr. 2/2007 van de Commissie met inbegrip van de bepalingen betreffende classificatie in verband met Hercules II en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering; verwerpt andere elementen van Nota van wijziging nr. 2/2007 en besluit passende bedragen en begrotingsnomenclatuur op te nemen in overeenstemming met zijn prioriteiten voor extern beleid;

21.   is ingenomen met het akkoord over de beschikbaarstelling van een in 2007 op de begroting op te nemen bedrag van 500 miljoen EUR voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering; benadrukt dat de goedgekeurde procedure voor de budgettering van het fonds in overeenstemming blijft met de bepalingen van punt 28 van het IIA van 17 mei 2006; herhaalt zijn opvatting dat, overeenkomstig het Akkoord, de volgorde van de bronnen die worden gebruikt voor de financiering van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering in een jaar N de volgorde is die voortvloeit uit de chronologische opeenvolging van beschikbare informatie over marges en geannuleerde vastleggingen, d.w.z. eerst geannuleerde vastleggingskredieten van jaar N-2, dan de resterende beschikbare marge in jaar N -1 en daarna geannuleerde vastleggingskredieten van jaar N-1; is ingenomen met de opvatting van de Commissie over deze kwestie zoals vastgelegd in de brief van 17 november 2006 van de voor financiële programmering en begroting bevoegde Commissaris aan de Voorzitter van het Europees Parlement;

Belangrijkste elementen per rubriek van het IIA
Subrubriek 1a - Concurrentiekracht ter bevordering van groei en werkgelegenheid

22.   bevestigt zijn overtuiging, zoals vastgelegd in zijn resolutie van 18 mei 2006 over de JBS, dat kennis, vaardigheden, onderzoek en ontwikkeling, technologieën van de informatiemaatschappij en een duurzaam vervoers- en energiebeleid de basis vormen voor een gezonde moderne economie en van essentieel belang zijn voor het scheppen van werkgelegenheid; verwerpt derhalve de benadering van de Raad om te besnoeien op een aantal cruciale begrotingslijnen die gericht zijn op verhoging van het concurrentievermogen van de economie van de EU; heeft besloten de betalingskredieten voor prioritaire programma's in verband met de Lissabon-strategie, zoals het Programma concurrentievermogen en innovatie (CIP) en het Zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013), te verhogen, zij het tot een minder hoog niveau dan in zijn eerste lezing;

23.   is ervan overtuigd dat verhoging van het concurrentievermogen van de EU een essentieel element is van de reactie van de EU op de uitdagingen van de mondialisering; beschouwt verhogingen van de kredieten in subrubriek 1a derhalve als een duidelijk signaal voor de richting die de bestedingen van de EU in de toekomst moeten nemen; herinnert aan de noodzaak van toereikende publieke middelen om het stimuleringseffect te bewerkstelligen dat wordt verwacht van co-financiering door de Europese Investeringsbank; wacht met ongeduld op de voorstellen van de Commissie en de Raad over dit thema; benadrukt dat een verhoging van het ingeschreven langetermijnkapitaal wenselijk is voor het Europees Investeringsfonds, zowel ter begeleiding van de invoering van de nieuwe mandaten (met inbegrip van het CIP) in 2007, als om de activiteiten in het kader van het project voor de overdracht van nieuwe technologieën te financieren, zoals gewenst door het Parlement, de Raad en de Commissie;

24.   benadrukt het technologische en economische belang van het Galileo-programma; herinnert de Commissie eraan dat dit programma over de gehele looptijd genomen in het nieuwe MFK ondergefinancierd is; roept de Commissie ertoe op onverwijld een werkbare en duurzame oplossing te vinden om het welslagen van dit programma te waarborgen;

Subrubriek 1b - Cohesie ter bevordering van groei en werkgelegenheid

25.   stelt vast dat de kredieten voor de structuurfondsen en het Cohesiefonds in het MFK 2007-2013 aanzienlijk lager zijn dan was voorzien, voornamelijk als gevolg van de conclusies van de Europese Raad van december 2005; is derhalve van mening dat de kredieten van het VOB opnieuw moeten worden opgenomen; onderstreept het belang van het opzetten en zo spoedig mogelijk goedkeuren van nationale programma's nu het nieuwe IIA is vastgesteld; benadrukt het belang van cohesie als een van de politieke prioriteiten van de EU; verzoekt de Commissie met betrekking tot pretoetredingssteun in 2007 een verzoek voor een overschrijving dan wel een gewijzigde begroting in te dienen, indien de in de begroting 2007 opgenomen bedragen onvoldoende blijken;

Rubriek 2 - Bescherming en beheer van natuurlijke hulpbronnen

26.   merkt op dat 2007 het eerste jaar is van de volledige tenuitvoerlegging van de meest recente hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB); verwerpt de door de Raad in tweede lezing vastgestelde besnoeiingen op de verplichte uitgaven; verwerpt de reclassificatie van diverse begrotingslijnen op landbouwgebied van niet-verplichte uitgaven tot verplichte uitgaven, zoals door de Commissie voorgesteld in haar Nota van wijziging nr. 2/2007;

27.   betreurt het feit dat, ondanks de dringende noodzaak van herstructurering, modernisering en diversificatie van de economie van het platteland van Europa, de voor plattelandsontwikkeling bestemde middelen in reële termen dalen; is van mening dat een vrijwillige verschuiving van middelen van rechtstreekse landbouwsteun (eerste pijler van het GLB) naar plattelandsontwikkeling niet het passende middel is om deze situatie te verbeteren; geeft in verband hiermee uiting aan zijn sterke bedenkingen over het huidige Commissievoorstel over vrijwillige modulering van maximaal 20% van de rechtstreekse landbouwsteun naar plattelandsontwikkeling; verzoekt de Commissie om in overeenstemming met het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" van 16 december 2003 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(10) een effectbeoordeling uit te voeren; wijst er nogmaals op dat het Parlement nog steeds voorbehoud maakt met betrekking tot zijn standpunt over vrijwillige modulering en meent dat het nuttig zou zijn om deze tegelijk met het thema van de co-financiering te behandelen in de context van de herziening van 2008/2009, zoals gesteld in Verklaring nr. 9 bij het IIA van 17 mei 2006 over vrijwillige modulering;

28.   is teleurgesteld over het feit dat de Raad, ondanks de nijpende behoefte aan kredieten voor de ontwikkeling van een dood vaccin tegen het blauwtongvirus (BTV), in zijn tweede lezing geweigerd heeft dit initiatief van het Parlement goed te keuren; is evenwel verheugd over de suggestie van de Commissie in haar uitvoerbaarheidsnota dat de ontwikkeling van een nieuw vaccin tegen blauwtong kan worden opgenomen in het onderzoeksbudget in het kader van de pretoetredingsprojecten; benadrukt dat de voorkeur zou moeten uitgaan naar de ontwikkeling van een multivalent vaccin, dat werkzaam is tegen de verschillende typen van het virus;

29.   onderschrijft en verwelkomt de gezamenlijke verklaring over LIFE+ die tussen het Parlement, de Raad en de Commissie werd overeengekomen over de tussentijdse financiering ingeval er sprake zou zijn van een juridisch vacuüm tussen begin 2007 en de definitieve vaststelling van de wetgevingstekst;

Subrubriek 3a - Vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid

30.   wijst erop dat de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, en in het bijzonder de bevordering van de grondrechten, de vaststelling van een gemeenschappelijk asiel- en migratiebeleid en de bestrijding van terrorisme en van georganiseerde criminaliteit, een van de hoofdprioriteiten van de Unie is;

31.   is van opvatting dat geïntegreerd beheer van de buitengrenzen van de Unie een van de doelstellingen is waarvoor momenteel dringend steun nodig is; neemt in verband hiermee de vastleggingskredieten voor FRONTEX uit het VOB opnieuw op en plaatst andere middelen in de reserve in overeenstemming met de algehele benadering ten aanzien van de agentschappen;

Subrubriek 3b - Burgerschap

32.   herinnert aan het belang van het subsidiariteitsbeginsel op het gebied van cultuur, onderwijs, scholing en jeugd; is van mening dat eerbiediging van de verscheidenheid van meningen de eerste voorwaarde is voor een effectief voorlichtingsbeleid om de EU dichter bij de burger te brengen; is van opvatting dat beter gebruik kan worden gemaakt van de nieuwe communicatiemedia om Europese beleidsmakers van alle politieke gezindten samen te brengen om ideeën uit te wisselen; is in dit verband ingenomen met de positieve ontwikkelingen bij de berichtgeving door Euronews; verzoekt de Commissie de uitzending van Euronews in het Arabisch te steunen, zodat ook Arabischsprekende burgers in de EU en de bevolking van de Arabischtalige landen in het Middellandse-Zeegebied beter kunnen worden bereikt en over het engagement van Europa kunnen worden geïnformeerd; dringt er bij de Commissie op aan duidelijkheid te verschaffen over de budgettaire gevolgen van, en de te ondernemen activiteiten in verband met, Plan D voor een democratische debat en dialoog; verzoekt de Commissie de details van de toewijzing van subsidies (bedragen en begunstigden) voor alle acties te publiceren op internet;

33.   wijst met nadruk op het belang dat het hecht aan effectieve EU-voorlichtingsstrategieën, waarbij er in het bijzonder voor dient te worden gezorgd dat maximaal gebruikgemaakt kan worden van online mechanismen, teneinde de ontwikkeling van informatie- en ideeënuitwisseling tussen Europese opiniemakers en belanghebbende partijen te vergemakkelijken; wijst in verband hiermee op het goedgekeurde proefproject voor informatienetwerken (PIN's) om de communicatie tussen beleidsmakers, niet in de laatste plaats tussen leden van het Europees Parlement en nationale parlementsleden, te verbeteren; is van mening dat dit initiatief op zodanige wijze moet voortbouwen op bestaande Europese webportalen dat er waarde wordt toegevoegd aan bestaande specifieke acties op dit gebied;

34.   verzoekt de Commissie om, overeenkomstig de verklaring van het Parlement over de bescherming en instandhouding van het godsdienstige erfgoed op het noordelijk deel van Cyprus(11) , te onderzoeken in welke toestand kerken in het noordelijk deel van Cyprus verkeren die ontwijd, in moskeeën veranderd en beschadigd zijn sinds het Turkse leger dit gebied in 1974 innam, en een schatting te maken van de kosten van restauratie van die kerken;

35.   stelt de kwaliteit van het door de Commissie gevoerde voorlichtingsbeleid ter discussie; verzoekt de Commissie om een formele bevestiging dat zij bereid is alle instellingen en hun respectieve bevoegdheden naar behoren te vertegenwoordigen;

Rubriek 4 - De EU als mondiale partner

36.   is van oordeel dat de EU zichzelf voldoende middelen moet verschaffen om, met inachtneming van haar waarden, een rol als mondiale partner ("global player") te kunnen spelen; stelt voor op een aantal begrotingslijnen de bedragen van het VOB weer op te nemen, alsook om op bepaalde terreinen verhogingen van betalingen en vastleggingen door te voeren met het oog op het aanjagen van activiteiten van de EU door middel van communautaire programma's op het gebied van buitenlands beleid, humanitaire en ontwikkelingshulp en uitwisselingen in het bedrijfsleven en de wetenschap met belangrijke opkomende landen;

37.   wijst op het belang van transparantie bij het gebruik van de begrotingsmiddelen die via de twee trustfondsen voor Irak zijn toegewezen en wijst opnieuw op de noodzaak het bestedingsvermogen van Irak op de voet te volgen; verzoekt de Commissie derhalve om regelmatige informatie over de door de EU gefinancierde projecten en over het bestedingspeil van de voor dat land bestemde fondsen;

38.   merkt op dat het nieuwe juridische kader voor externe maatregelen van de EU ook een nieuwe begrotingsstructuur inhoudt; is over het geheel genomen ingenomen met de vereenvoudiging van de instrumenten en de daarmee samenhangende voorgestelde begrotingsnomenclatuur; is voorts ingenomen met de invoering van een afzonderlijk instrument voor mensenrechten en democratie, waarvoor een wijziging van de nomenclatuur van het VOB noodzakelijk is; kan echter niet aanvaarden dat een aantal van de voorgestelde wijzigingen de transparantie ten aanzien van sectoren en/of regio's en landen beperkt; heeft besloten de noodzakelijke aanpassingen op dit vlak door te voeren; verzoekt de Commissie te komen met een per activiteit en pre-toetredingsland uitgesplitst overzicht en, in het belang van transparantie, een dienovereenkomstige nomenclatuur voor alle betrokken begrotingslijnen; verzoekt de Commissie bovendien de begrotingsautoriteit regelmatig een verslag voor te leggen over de voortgang van zowel de twee nieuwe lidstaten als de pre-toetredingslanden;

39.   brengt de kredieten voor het GBVB weer terug op het niveau van het VOB van de Commissie en de OB van de Raad; beklemtoont zijn oproep aan de Raad om het IIA van 17 mei 2006 naar letter en geest na te leven met betrekking tot het GBVB, in overeenstemming met de briefwisseling tussen de commissievoorzitters Brok en Lewandowski en minister Wideroos;

40.   merkt op dat rubriek 4 in de tweede lezing van de begroting 2007 door het Parlement geen marge meer kent en dat verhogingen van vastleggingen via gewijzigde begrotingen in de loop van 2007 derhalve uitgevoerd zouden moeten worden met behulp van het flexibiliteitsinstrument; verwacht door de Raad volledig, op proactieve en a priori- basis, op de hoogte te worden gehouden van de financiële behoeften voor de aanstaande missie in Kosovo;

Rubriek 5 - Administratie

41.   merkt in verband met het personeel bij de EU-instellingen op dat de oorspronkelijke door de Raad voorgestelde besnoeiingen in het personeelsbestand niet ten uitvoer zullen worden gelegd in de begroting voor 2007; onderschrijft de gezamenlijke verklaring met de Raad over aanwervingen in verband met de uitbreidingen van 2004 en 2007; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om vóór 30 april 2007 een grootscheepse screening te zullen verrichten op basis waarvan zij een tussentijdse evaluatie van haar personeelsbehoeften zal vaststellen, en een gedetailleerd verslag te zullen voorleggen over de bezetting van ondersteunende en coördinerende functies op al haar werklocaties;

42.   besluit de in eerste lezing in de reserve geplaatste bedragen voor de personeelsbehoeften van de Commissie vrij te maken naar aanleiding van een brief van de voorzitter van de Commissie, waarin hij meedeelt dat volledig zal worden voldaan aan alle vier door het Parlement gestelde voorwaarden voor vrijmaking van de middelen; ziet uit naar een strategische discussie in 2007 over personeel bij de EU-instellingen in de context van de screening waar het Parlement om heeft verzocht;

Overige afdelingen van de begroting 2007

43.   merkt op dat de begrotingsstijging voor de "Overige afdelingen" in de begroting voor 2007, exclusief uitbreidingskosten, slechts 1,7% bedroeg in vergelijking met de begroting voor 2006; is van opvatting dat deze stijging marginaal is, het inflatiepeil en de kosten van de specifieke prioriteiten van de instellingen weerspiegelt en in feite aanzienlijk lager is dan in het VOB; houdt vast aan zijn oorspronkelijke standpunt bij eerste lezing en neemt 10 630 000 EUR van de door de Raad uitgevoerde kortingen ten bedrage van 28 280 000 EUR opnieuw op;

44.   herbevestigt zijn geloof in de toepassing van budgettaire gestrengheid bij alle lopende activiteiten, omdat dit een effectievere budgettering en beter zicht op de daadwerkelijke actuele behoeften en prioriteiten van de instellingen oplevert; erkent echter ook dat de instellingen over de noodzakelijke instrumenten moeten beschikken om op een redelijk niveau van effectiviteit te kunnen functioneren en werken om ervoor te zorgen dat zij hun diverse doelstellingen ook daadwerkelijk halen; betreurt derhalve het besluit van de Raad om niet in te stemmen met de door het Parlement in eerste lezing goedgekeurde begroting voor de "Overige afdelingen";

45.   verzoekt de instellingen om vóór 1 september van elk jaar meer informatie bevattende verslagen voor te leggen over hun activiteiten en hun prestaties; acht deze activiteitgerelateerde verslagen noodzakelijk om meer en duidelijkere informatie te verkrijgen over de mate van succes waarmee de middelen zijn ingezet, alsook om de besteding van begrotingsmiddelen te rechtvaardigen; is van mening dat de begrotingsautoriteit zo beter kan vaststellen hoe en waar een stijging van de financiële middelen de instellingen efficiënter maakt;

46.   wijst andermaal op het belang van interinstitutionele samenwerking, die zonder twijfel voordelen voor de betrokken instellingen kan opleveren; is in verband hiermee van opvatting dat de gezamenlijke administratieve dienst van het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een effectieve en dynamische oplossing vormt voor het voorkomen van duplicatie, het beperken van kosten en het ontwikkelen van teamgeest zonder vermindering van de kwaliteit en de efficiëntie van de dienstverlening; verzoekt de twee comités vóór juli 2007 een onderzoek naar deze samenwerking te verrichten in het licht van het beginsel van gedeeld gebruik van hulpbronnen en met het oog op het scheppen van de noodzakelijke voorwaarden om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de behoeften van beide instellingen en dat een billijker bestuur van de gezamenlijke dienst wordt gewaarborgd; beveelt aan dat er vóór eind juni 2007 een beoordeling wordt opgemaakt van de taken en activiteiten van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's;

o
o   o

47.   verzoekt zijn Voorzitter te verklaren dat de begroting definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad;

48.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de daaraan gehechte verklaringen te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de overige betrokken instellingen en organen.

(1) PB L 253 van 7.10.2000, blz. 42.
(2) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(4) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1. Akkoord laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2005/708/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 269 van 14.10.2005, blz. 24).
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0451.
(6) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0452.
(7) Aangenomen teksten, Bijlage.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0221.
(9) PB C 124 E van 25.5.2006, blz. 373.
(10) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.
(11) Aangenomen teksten van 5.9.2006, P6_TA(2006)0335.


BIJLAGE

Gezamenlijke verklaring inzake de drie nieuwe agentschappen die in de begroting 2007 zijn opgenomen, overeenkomstig punt 47 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006

Het voorontwerp van begroting voor het begrotingsjaar 2007 voorziet in de financiering van de volgende drie nieuwe agentschappen:

· het Europees Agentschap voor chemische stoffen;

· het Europese genderinstituut;

· het Europees Bureau voor de grondrechten.

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zeggen toe om, bij de opstelling van voorstellen voor de oprichting van nieuwe agentschappen, te zullen voortbouwen op de eerste ervaring met deze drie nieuwe agentschappen voor de verdere ontwikkeling van de procedure van punt 47 van het IIA.

Gezamenlijke verklaring over de financiering van het Europees Agentschap voor chemische stoffen

In mei 2006 heeft de Commissie de eerste financiële programmering voor de periode 2007-2013 ingediend, overeenkomstig punt 46 van het Interinstitutioneel akkoord (IIA) van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer.

Op basis van de op 7 november 2006 door de Commissie verstrekte informatie nemen het Europees Parlement en de Raad er nota van dat de financiering van het Europees Agentschap voor chemische stoffen kan worden verzekerd binnen het overeengekomen uitgavenplafond van rubriek 1a voor de periode 2007-2013.

Voorts nemen het Europees Parlement en de Raad er nota van dat de wijzigingen in de rechtsgrondslag van het Europees Agentschap voor chemische stoffen leiden tot extra uitgaven van in totaal 113 600 000 miljoen EUR in de jaren 2008 en 2009 in rubriek 1a van het meerjarig financieel kader 2007-2013 ten opzichte van de financiële programmering die de Commissie in mei 2006 had ingediend, de mogelijke herschikkingen binnen rubriek 1a niet in aanmerking genomen.

Indien de Commissie, hetzij op verzoek van het agentschap, hetzij ten gevolge van onvoorziene omstandigheden, voornemens is af te wijken van de bedragen die oorspronkelijk voor de financiering van het agentschap in de betrokken periode nodig werden geacht, zal zij de begrotingsautoriteit in kennis stellen van dat voornemen en van de gevolgen ervan voor de resterende marge in de betrokken rubriek van het meerjarig financieel kader, onder opgave van de herprogrammering.

Gezamenlijke verklaring over de financiering van het Europees genderinstituut

In mei 2006 heeft de Commissie de eerste financiële programmering voor de periode 2007-2013 ingediend, overeenkomstig punt 46 van het Interinstitutioneel akkoord (IIA) van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer.

Op basis van de op 7 november 2006 door de Commissie verstrekte informatie nemen het Europees Parlement en de Raad er nota van dat de financiering van het Europees genderinstituut kan worden verzekerd binnen het overeengekomen uitgavenplafond van rubriek 1a voor de periode 2007-2013.

Indien de Commissie, hetzij op verzoek van het instituut, hetzij ten gevolge van onvoorziene omstandigheden, voornemens is af te wijken van de bedragen die oorspronkelijk voor de financiering van het instituut in de betrokken periode nodig werden geacht, zal zij de begrotingsautoriteit in kennis stellen van dat voornemen en van de gevolgen ervan voor de resterende marge in de betrokken rubriek van het meerjarig financieel kader, onder opgave van de herprogrammering.

Gezamenlijke verklaring over de financiering van het Europees Bureau voor de grondrechten

In mei 2006 heeft de Commissie de eerste financiële programmering voor de periode 2007-2013 ingediend, overeenkomstig punt 46 van het Interinstitutioneel akkoord (IIA) van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer.

Op basis van de op 7 november 2006 door de Commissie verstrekte informatie nemen het Europees Parlement en de Raad er nota van dat de financiering van het Europees Bureau voor de grondrechten kan worden verzekerd binnen het overeengekomen uitgavenplafond van rubriek 1a voor de periode 2007-2013.

Indien de Commissie, hetzij op verzoek van het bureau, hetzij ten gevolge van onvoorziene omstandigheden, voornemens is af te wijken van de bedragen die oorspronkelijk voor de financiering van het bureau in de betrokken periode nodig werden geacht, zal zij de begrotingsautoriteit in kennis stellen van dat voornemen en van de gevolgen ervan voor de resterende marge in de betrokken rubriek van het meerjarig financieel kader, onder opgave van de herprogrammering.

Gezamenlijke verklaring inzake aanwerving in verband met de uitbreidingen 2004 en 2007

Het Europees Parlement en de Raad nemen met grote bezorgdheid kennis van de vertragingen in het selectie- en aanwervingsproces in verband met de uitbreiding 2004, de lage bezettingsgraad van het middenkader, het grote aantal vaste ambten dat door tijdelijke functionarissen wordt bezet, en het tekort aan passende vergelijkende onderzoeken.

Het Europees Parlement en de Raad dringen erop aan dat de instellingen en vooral het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) alles in het werk stellen opdat de nodige maatregelen worden genomen om de situatie te corrigeren en het gehele proces voor de bezetting van door de begrotingsautoriteit toegekende ambten te bespoedigen. De te hanteren criteria moeten de in artikel 27 van het Ambtenarenstatuut vastgestelde criteria zijn, en het streven om zo spoedig mogelijk tot een zo breed mogelijk geografisch evenredige basis te komen.

Het Europees Parlement en de Raad zullen het lopende aanwervingsproces op de voet volgen. Daartoe verzoeken zij elke instelling en het EPSO om de Begrotingsautoriteit tweemaal per jaar informatie te verstrekken over de stand van de aanwervingen in verband met de uitbreidingen 2004 en 2007.

Het Europees Parlement en de Raad verzoeken de secretarissen-generaal van de instellingen om een verslag in te dienen met betrekking tot de vorderingen met:

   het bezetten van de in de begrotingen 2004 tot en met 2006 toegekende ambten, uiterlijk eind januari 2007;
   het bezetten van de in 2007 toegekende ambten, uiterlijk 15 juni 2007 en uiterlijk 31 oktober 2007.

Gezamenlijke verklaring inzake het Life+ programma

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie herinneren aan het begrotingsbeginsel dat voor de uitvoering van aanzienlijke beleidsuitgaven eerst een basisbesluit moet zijn aangenomen.

Tegelijkertijd erkennen de drie instellingen dat bij de aanvang van het begrotingsjaar 2007 enkele nieuwe basisbesluiten die moeten aansluiten op voorgaande basisbesluiten welke eind 2006 verstrijken, wellicht nog bij de wetgevingsautoriteit in behandeling zullen zijn. Niettemin zijn er voor bepaalde maatregelen nieuwe vastleggingen in de begroting vereist om te voorkomen dat de uitvoering en het behoud van het acquis worden verstoord - met alle gevolgen van dien. Dit gevaar bestaat voor bepaalde maatregelen waarover er tussen de drie instellingen reeds brede politieke overeenstemming bestaat.

Met name het Europees Parlement heeft in zijn resolutie betreffende de eerste lezing van de ontwerp-begroting 2007 zijn grote bezorgdheid uitgesproken over het Life + programma, dat voortbouwt op de voorganger van dit programma, Life III, en op andere daarmee samenhangende maatregelen. De drie instellingen zijn het erover eens dat, mocht er tussen het begin van het begrotingsjaar 2007 en de uiteindelijke aanneming van het wetgevingsbesluit een wetgevingslacune ontstaan, in die tussenliggende periode een bedrag van maximaal 15 miljoen EUR (op een totale begroting van 240 miljoen EUR voor Life +, zoals voorgesteld in het voorontwerp van begroting voor 2007) kan worden toegewezen voor voorbereidende acties die ervoor moeten zorgen dat de overstap naar Life + in optimale omstandigheden plaatsvindt, met andere woorden, dat het met de door lopende acties op milieugebied opgebouwde acquis kan worden behouden. Tot dergelijke acties waarvan de voortzetting van essentieel belang is om de continuïteit van het acquis te verzekeren, behoren met name de informatiesystemen voor de monitoring van de EU-milieuwetgeving, de registers van de regeling voor de handel in emissierechten, de wetenschappelijke en externe expertise waarop een beroep wordt gedaan ter voorbereiding van Commissievoorstellen in gevallen waarin de Commissie aan streefdata gebonden is, alsmede voorlichtings- en bewustmakingsacties

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Commissie over het waarborgen van goede begrotingsuitvoering

In het kader van de begrotingsprocedure benadrukken het Europees Parlement en de Commissie de noodzaak van meer kostenefficiëntie in de EU-begroting en zijn zij van mening dat dit concept permanent moet worden toegepast. Doel van deze aanpak is de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van elk EU-programma te evalueren en te controleren.

In deze context moet de evaluatie van de EU- programma's een hoofdzaak worden voor de bij de jaarlijkse begrotingsprocedure betrokken instellingen.

Het Europees Parlement en de Commissie wijzen erop dat Activity-Based Management (ABM) een geïntegreerd beeld moet opleveren van de prestaties en de kosten van de diverse beleidsterreinen, zowel qua beleidsmiddelen als qua administratieve hulpbronnen.

Beide instellingen komen overeen de nodige stappen te zullen ondernemen om de begrotingsuitvoering beter te controleren door middel van een proces waarin alle vanaf januari 2007 beschikbare informatie zal worden gebruikt en waarbij alle commissies van het Europees Parlement zullen worden betrokken. Het Europees Parlement zegt toe, beter gebruik te zullen maken van overschrijvingen en gewijzigde begrotingen als instrumenten voor de controle op de begrotingsuitvoering in de loop van het jaar in verhouding tot zijn prioriteiten en zijn interinstitutionele prerogatieven.

Over de resultaten van dit doorlopende proces zal een gedachtewisseling plaatsvinden op elke in Bijlage II bij het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 bedoelde triloog.

Doel van deze operatie is ervoor te zorgen dat de uit de EU-begroting gefinancierde beleidsmaatregelen de Europese burgers meer waar bieden voor hun geld en dat zij beantwoorden aan de uitdagingen waarmee de Europese Unie geconfronteerd wordt, zulks door middel van een optimale toewijzing van EU-middelen.

Verklaring van het Europees Parlement over begrotingsdiscipline ten aanzien van betalingen

Het Europees Parlement herinnert eraan dat in de punten 12 en 13 van het IIA van 17 mei 2006 absolute bedragen worden genoemd die jaarlijkse maxima vertegenwoordigen voor de uitgaven uit hoofde van de algemene begrotingen, in de context van het meerjarig financieel kader.

De eerbiediging van de in het meerjarig financieel kader 2007-2013 vastgelegde jaarlijkse maxima derhalve betekenen dat de stijgingspercentages voor niet-verplichte uitgaven in de jaarlijkse begrotingen automatisch worden aanvaard.

Het Parlement zal niet-naleving van de punten 12 en 13 van het IIA als een schending van het IIA beschouwen.

Het Europees Parlement zal de voorschriften van de punten 12 en 13 van het IIA gedurende de gehele looptijd van het meerjarig financieel kader uitvoeren als een maatregel van begrotingsdiscipline.

Laatst bijgewerkt op: 4 oktober 2007Juridische mededeling